[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-transfer-tax-nl-2026":3},{"detail":4,"years":74},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":73},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},160,"transfer-tax-nl","Transfer Tax","NL","2026-07-08T17:00:45.463Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":14},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":15},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,53,63],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":51,"updatedAt":52},"1342","ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","ecli-nl-ghshe-2026-1444","",72,"2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F117\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 21\u002F644, in het geding tussen belanghebbende,\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur\n\nen\n\nde Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),\n\nhierna: de minister.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte op 24 december 2018. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.2.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen als gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (hierna: de gemachtigde), bijgestaan door [naam 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F118 tot en met 24\u002F120.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n1.9.. De gemachtigde heeft na de zitting nadere stukken ingediend. Het hof zal deze stukken niet tot de gedingstukken rekenen (zie verder onder overweging 4.1).\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is één van de vier commanditair vennoten van de commanditaire vennootschap [naam 2] C.V. (hierna: de C.V.).\n\n2.2.. Bij akte van levering van 30 november 2018 hebben de commanditaire vennoten van de C.V., waaronder belanghebbende, van projectontwikkelaar [projectontwikkelaar] B.V. (hierna: verkoper), een hotelgebouw met buitenterrein gelegen aan [adres] in [plaats] verkregen (hierna: het gebouw). Het gebouw was ten tijde van de verkrijging in verhuurde staat. De netto-koopprijs van het gebouw bedroeg € 33.900.000 (vrij op naam), inclusief eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting. Blijkens de in de akte van levering opgenomen voetverklaring bedraagt de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting afgerond € 31.889.500, zodat de verschuldigde overdrachtsbelasting € 1.913.370 bedraagt.\n\n2.3.. Het gebouw, gebouwd in 1974\u002F1975, was voorheen een kantoorgebouw dat op 22 mei 2015 in onverhuurde staat voor € 4.700.000 door verkoper werd gekocht. Het doel van verkoper bij aankoop was om het gebouw te transformeren tot een hotelaccommodatie met circa 150 hotelkamers, een minimarkt, sportschool, restaurant en vergaderruimten.\n\n2.4.. In opdracht van verkoper zijn aan het gebouw de volgende werkzaamheden verricht:\n\nIn het gebouw hebben sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Verwijderd zijn onder meer de (niet dragende) wanden, deuren, stoffering, meubilair, plafonds, dekvloeren, elektrische en werkbouwkundige installaties, isolatie, binnen spouwwanden, kozijnen en ramen. Ook is alle asbest gesaneerd.\n\nIedere verdieping van het gebouw is opnieuw ingedeeld en ingericht. Op iedere verdieping zijn nieuwe (niet dragende) muren en plafonds gezet.\n\nAlle infrastructuur (elektriciteit, water en IT) is vervangen.\n\nAlle werkbouwkundige installaties zijn vervangen, waaronder luchtbehandelingskasten, airco-systemen, warmwaterketels, drinkwatertracé, riolering en sanitaire voorzieningen.\n\nAlle elektrische installaties zijn vervangen, waaronder brandmeldinstallaties, ontruimingsinstallaties, hoofd- en onderverdeelkasten en kabeltracé.\n\nDe dakbedekking, bestaande uit de afwerking met isolatiemateriaal, houten platen en bitumen dakbekleding, is vervangen. Daarbij zijn ook de dakranden meegenomen. Het gaat daarbij om het systeem dat ervoor zorgt dat het hemelwater wordt afgevoerd. Dat wil zeggen de noodoverstorten, ingelegde loodflappen en zetwerk dakranden.\n\nAlle vloeren zijn opnieuw afgewerkt. Daarbij zijn alle cementdekvloeren verwijderd en zijn op alle verdiepingen nieuwe betonvloeren gestort.\n\nIn de kelder is een vochtscherm geplaatst en vervolgens is de betonvloer opgehoogd. Op de kelderbak is een waterkering geplaatst.\n\nDe dakconstructie op de zevende verdieping is aangepast in verband met een nieuwe noodtrap en verder is er op die verdieping een stuk borstwering weggehaald. Het dak op de zevende verdieping is opengemaakt voor de realisatie van het terras en de vide. Daarvoor was een stalen constructie nodig.\n\nOp alle verdiepingen zijn schachten dichtgestort en nieuwe schachten geplaatst.\n\nOp de begane grond zijn stukken uit de gevel gezaagd en op de achtste verdieping is een gevelopening gemaakt voor de toegang tot een terras.\n\nVoor de aanpassingen op de zevende en achtste verdieping was een stalen constructie benodigd.\n\nNaast de drie bestaande liftschachten is een liftschacht bijgeplaatst. Verder zijn de bestaande liften vernieuwd.\n\nAlle ramen zijn vervangen door ramen met kiep- en draaifunctie. Ook zijn nieuwe kozijnen en waterslagen geplaatst. Er zijn deels grotere ramen geplaatst en ramen toegevoegd voor extra lichtinval.\n\nEr zijn twee nieuwe puien aangebracht voor de toegang tot het terras van het restaurant en de minimarkt. Het betreffen grote roldeuren.\n\nDe gevel is chemisch gereinigd en voegen zijn opnieuw gekit.\n\nHet parkeerterrein is heringericht. Er is een nieuw rioolstelsel, nieuw leidingwerk et cetera gelegd.\n\nDe parkeergarage is gereinigd, heringericht en de hekmotoren zijn vervangen. Er zijn een nieuw hekwerk en nieuwe slagbomen geplaatst.\n\nEr zijn nieuwe in- en uitgangen gecreëerd ten behoeve van de minimarkt en restaurant en er zijn nieuwe noodtrappen geplaatst.\n\n2.5.. Na afronding van de werkzaamheden heeft verkoper, blijkens een op 23 november 2017 gesloten huurovereenkomst, het gebouw met omzetbelasting belast verhuurd aan [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ) voor de duur van ten minste tien jaar. [bedrijf] exploiteert in het gebouw een hotel.\n\n2.6.. Op 8 juni 2018 heeft verkoper een verzoek om vooroverleg ingediend bij de Belastingdienst. Namens verkoper is daarbij aan de Belastingdienst verzocht te bevestigen dat voornoemde verbouwing heeft geleid tot een vervaardigd goed in de zin van artikel 11, lid 3, aanhef en onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2018) (hierna: Wet OB) en dat daarmee voor de overdrachtsbelasting de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.7.. Ter zake van de verkrijging van het gebouw is door de commanditaire vennoten van de C.V. tezamen € 1.913.367 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende is hierbij – als één van de vier commanditaire vennoten – voor l\u002F4e deel van dit betaalde bedrag aan overdrachtsbelasting betrokken. Vervolgens is namens de vier commanditaire vennoten bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte, omdat zij van mening zijn dat de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.8.. Bij brief van 15 april 2019 heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de verbouwing niet heeft geleid tot een vervaardigd goed in voornoemde zin en dat de levering van het gebouw aan de commanditaire vennoten van de C.V. van rechtswege is vrijgesteld van omzetbelasting.\n\n2.9.. De inspecteur heeft voorts het bezwaar afgewezen en de voldoening van de overdrachtsbelasting op aangifte gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.\n\n2.10.. Tot het dossier in hoger beroep behoort een door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport van [naam 3] van 1 mei 2024 (hierna: het deskundigenrapport). Hierin staat voor zover van belang het volgende:\n\n“3.3. Constructieve ingrepen3.3.1.. Hoofddraagconstructie\n\nEr dient onderscheid te worden gemaakt tussen de directe constructieve ingrepen volgens de opgave van de constructeur en de ingrepen in de uitwendige scheidingsconstructie. Onderstaande ingrepen zien toe op de constructieve veiligheid en zijn door de constructeur [Constructeur] opgetekend. De constructietekeningen en berekeningen maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning, zie bijlage 3.\n\nDe ingrepen gerekend tot de hoofddraagconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen sparingen tbv nieuwe goederenlift\n\n• aanbrengen schuimbeton tbv realisatie nieuwe vloer\n\n• fundering middels buispalen en betonnen vloer tbv entrees\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevel tbv dakterras 8e verdieping (…)\n\n• realiseren nieuwe dakconstructie (…)\n\n• realiseren uitbreiding verdiepingsvloer (…)\n\n• verwijderen schachten en dichtzetten vloersparingen\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de vloer- en wandconstructie (…)\n\nDak\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de dakconstructie\n\n• realiseren dakopbouw (…)\n\n• uitbreiding dakconstructie. (…)\n\n3.3.2.. Uitwendige scheidingsconstructie\n\nBij de uitwendige scheidingsconstructie gaat het om de gevel en dakopbouw van het gebouw. Bouwbesluit, artikel 1.1, eerste lid, geeft de definitie van uitwendige scheidingsconstructie; een uitwendige scheidingsconstructie vormt de scheiding tussen een ruimte en de buitenlucht. Het samenstel van onderdelen vormt de gevelconstructie en dakconstructie en zijn onlosmakelijk verbonden.\n\nDe ingrepen aan de uitwendige scheidingsconstructie zien toe op dak- en gevelconstructie. De gesloten uitwendige gevelconstructie (…) bestaat uit een betonnen buitenblad, isolatie en een binnenblad. De uitwendige dakconstructie bestaat uit een prefab betonvloer met onderliggend plafond, aan de bovenzijde voorzien van isolatie en dakbedekking. De gehele dakopbouw vanaf casco constructie is volledig vervangen waarbij tevens de isolatiewaarde is\n\nverbeterd. De gevelkozijnen zijn volledig vervangen door hoogwaardig geïsoleerde kozijnen en beglazing. De vormtaal van de oorspronkelijke kozijnen zijn gevolgd. De gewassen grondbeton gevel is geheel gereinigd waardoor de gevel als nieuw oogt.\n\nDe ingrepen gerekend tot de uitwendige scheidingsconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen schuimbetonvloer\n\n• vochtscherm\n\n• realiseren entree\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevelpuien \u002F verwijderen open gevelconstructie\n\n• verwijderen binnenspouwblad van de gevelconstructie\n\nDak.\n\n• verwijderen dakafwerking en isolatie van de dakconstructie”.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de vraag of sprake is van een verkrijging waarop de vrijstelling van artikel 15, zesde lid, in samenhang met artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2018) (hierna: de samenloopvrijstelling) van toepassing is. Dit geschil spitst zich toe op de beantwoording van de volgende vragen:\n\nI. Is sprake van een verbouwing die een vervaardigd goed heeft voortgebracht in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud)?\n\nII. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Is artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met artikel 12 Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG (hierna: de Btw-richtlijn)?\n\nIII. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan worden getoetst aan een ruimere Unierechtelijke uitleg?\n\nVoor het geval het hof beslist dat de levering aan onder meer belanghebbende van het tot hotel getransformeerde kantoorgebouw is belast met omzetbelasting, is tussen partijen niet in geschil dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot een teruggaaf van overdrachtsbelasting van € 1.913.367 voor de vier commanditaire vennoten gezamenlijk en een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. 4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 21 november 2025 om 17:35 uur nadere stukken geplaatst in Mijn Rechtspraak. Het hof zal deze stukken niet meenemen in zijn oordeel. Dit komt omdat belanghebbende de stukken na het sluiten van het onderzoek heeft ingediend. Het hof ziet in de stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, omdat de inhoud van de stukken geen invloed heeft op het oordeel dat door het hof in deze zaak moet worden gegeven.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nJuridisch kader (Unierechtelijk)\n\n4.2.. Artikel 12 Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\n“Artikel 12\n\n1. De lidstaten kunnen als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een van de volgende handelingen:\n\na) de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijbehorende terrein vóór de eerste ingebruikneming;\n\n(…)\n\n2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt als „gebouw” beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden.\n\nDe lidstaten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium op de verbouwing van gebouwen, alsmede het begrip „bijbehorend terrein” bepalen.\n\nDe lidstaten kunnen andere criteria dan dat van de eerste ingebruikneming toepassen, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van de daaropvolgende levering, mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar.”\n\n4.3.. Artikel 135 Btw-richtlijn bepaalt in lid 1:\n\n“De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:\n\n(…)\n\nj) de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorende terrein, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde levering;”\n\nJuridisch kader (nationaalrechtelijk)\n\n4.4.. Artikel 11 Wet OB (tekst 2018) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:\n\na. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van:\n\n1° de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het er bijbehorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;\n\n(…)\n\n[Lid 3, m.i.v. 2019 lid 5]\n\nVoor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°:\n\nb. wordt na de verbouwing van een gebouw de ingebruikneming als eerste ingebruikneming aangemerkt, indien door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht;”\n\nVervaardigd goed?\n\n4.5.. Voor de vraag of door de verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht, geldt het volgende. Met betrekking tot onroerende zaken is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake van vervaardiging van een goed, indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak sprake is van ‘in wezen nieuwbouw’.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt dat, gelet op de ‘in wezen nieuwbouw’-jurisprudentie waarin het begrip ‘vervaardiging’ door de Hoge Raadis ingevuld, sprake is van een vervaardigd goed, omdat de verbouwingswerkzaamheden hebben geleid tot wijziging dan wel vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie. Belanghebbende wijst in dit verband met name op (1) de sloop van het voormalige kantoorgebouw tot op het betonskelet, (2) de door de verbouwingswerkzaamheden aangebrachte wijzigingen zoals de verwijdering van de binnengevel en het dak op de zevende en de achtste verdieping en het weghalen en opnieuw plaatsen van muren, vloeren en plafonds, en (3) de omvang van de in het gebouw gedane investeringen en de met de verbouwing gerealiseerde meerwaarde. Met de verbouwingswerkzaamheden zijn volgens belanghebbende de bouwkundige identiteit en de uiterlijke herkenbaarheid van het gebouw gewijzigd. Voor een uitgebreide toelichting op de gestelde constructieve wijzigingen verwijst belanghebbende naar het tot de processtukken behorende deskundigenrapport. De inspecteur stelt daarentegen dat met de verbouwing van het gebouw geen vervaardigd goed is voortgebracht, omdat de constructieve aanpassingen daarvoor te beperkt zijn.\n\n4.7.. Bij de beantwoording van de vraag of in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet – volgens de huidige stand van de jurisprudentie – worden vastgesteld wat in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Factoren zoals de eventuele functiewijziging, de (bouwkundige) identiteit, de uiterlijke herkenbaarheid of de naamsbekendheid van een gebouw voor en na de verbouwing kunnen aanwijzingen zijn voor de constatering dat een verbouwing in bouwkundig opzicht zo ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Zij zijn voor die beoordeling echter niet doorslaggevend, noch op zichzelf, noch tezamen genomen, en evenmin noodzakelijk.\n\n4.8.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de onder 2.4 opgenomen verbouwingswerkzaamheden dusdanig ingrijpend zijn geweest dat deze de conclusie rechtvaardigen dat er in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Daarvoor zijn, zoals hiervoor opgenomen, wijzigingen in de bouwkundige constructie van doorslaggevend belang. Het hof is van oordeel dat de verbouwing van het gebouw niet dusdanig ingrijpend is geweest dat dit heeft geleid tot een situatie waarin in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omvang van de wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw acht het hof, gelet op de in 2.4 vermelde werkzaamheden, daarvoor te beperkt. Een belangrijk deel van de werkzaamheden betreft namelijk het strippen van het oude gebouw tot het casco en de daaropvolgende modernisering en de verduurzaming ervan. Dit kan niet zonder meer kwalificeren als een ingrijpende wijziging in de bouwkundige constructie van het gebouw.\n\n4.8.1.. In het door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport (zie 2.10)wordt gesteld dat op de hoofddraagconstructie en de uitwendige scheidingsconstructie is ingegrepen. Indien en voor zover de ingrepen in de hoofddraagconstructie geduid moeten worden als wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw, zijn de met die wijzigingen gemoeide kosten, ten opzichte van de totale verbouwingsopgave, te beperkt om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ingrijpende wijziging in voornoemde zin. Hierbij merkt het hof op dat hij, anders dan belanghebbende, de in het deskundigenrapport genoemde indirecte projectkosten en de kosten voor de uitwendige scheidingsconstructie niet beschouwt als kosten voor constructieve ingrepen. Van deze kosten is naar het oordeel van het hof ofwel onvoldoende duidelijk geworden waarop deze zien (indirecte projectkosten) dan wel is sprake van kosten die naar hun aard niet behoren tot de kosten voor constructieve ingrepen (kosten uitwendige scheidingsconstructie); belanghebbende heeft in dat verband namelijk gesteld dat de noodzakelijke draagconstructie van het gebouw (i.e. stabiliteitsconstructie) in stand is gebleven. Gelet op het voorgaande stelt het hof, mede in het licht van wat ter zitting is gesteld, vast dat de totale verbouwingsopgave € 14.279.100 (exclusief omzetbelasting) bedraagt, waarvan een bedrag van € 848.285 (exclusief omzetbelasting) betrekking heeft op constructieve ingrepen.Dat komt neer op ongeveer 6% van het bouwbudget. Ook in relatieve zin is dat naar het oordeel van het hof te beperkt om te spreken van een ingrijpende verbouwing in voornoemde zin. Zelfs als de indirecte projectkosten, die niet gespecificeerd zijn, zouden worden meegenomen als kosten voor constructieve ingrepen, rechtvaardigt dat geen andere conclusie.\n\n4.8.2.. Ook de omstandigheden dat het gebouw van functie is veranderd en dat het bedrag aan investeringen, in absolute zin, van aanzienlijke omvang is geweest doen aan dat oordeel niet af, gelet op het niet-doorslaggevende karakter van die omstandigheden.\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande, moet de eerste geschilvraag ontkennend worden beantwoord.\n\nIs het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met de Btw-richtlijn?\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat de in 4.7 genoemde uitleg van de Hoge Raad te strikt is, gelet op de tekst van artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn en omdat de in dat kader gewezen Unierechtelijke jurisprudentie (in het bijzonder de zaken Kozubaen Promo 54) daar geen ruimte voor biedt. Iedere Unierechtelijk kwalificerende verbouwing verdient volgens belanghebbende op grond van het fiscale neutraliteitsbeginsel eenzelfde behandeling.\n\n4.11.. De inspecteur stelt daarentegen dat het ‘voortbrengen van een vervaardigd goed’ en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ verenigbaar is met artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) in de Btw-richtlijn slechts een ondergrens heeft gesteld. Het arrest Kozuba en in het bijzonder punt 55 bevestigt die uitleg ook, aldus de inspecteur. Het arrest Promo 54 doet daar volgens de inspecteur niet aan af, omdat België geen voorwaarden had gesteld aan het verbouwingsbegrip en juist daarom het begrip in die zaak conform de ondergrens moest worden uitgelegd.\n\n4.12.. In de prejudiciële beslissing van 4 november 2022heeft de Hoge Raad geoordeeld dat Kozuba niet in de weg staat aan de keuze van de wetgever om de hernieuwde eerste ingebruikneming van gebouwen te koppelen aan het begrip ‘vervaardiging’, omdat het HvJ-EU met Kozuba en het daarin uitgelegde begrip van een kwalificerende verbouwing slechts een ondergrens heeft gesteld; een striktere uitleg zoals de Hoge Raad tijdens de prejudiciële beslissing voorstond was dus mogelijk.Advocaat-Generaal Wattel heeft op 29 november 2024– dus ná Promo 54 – geconcludeerd dat Promo 54 nauwelijks nog discretionaire ruimte laat bij de invulling van ‘eerste ingebruikneming’ van verbouwde gebouwen. Toch heeft hij vervolgens de strikte uitleg van het begrip ‘vervaardiging’ in lijn met de Unierechtelijke rechtspraak geacht, mede gelet op punt 55 van Kozuba.Ten slotte heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 januari 2025eveneens verwezen naar datzelfde punt en ditmaal buiten redelijke twijfel geacht dat zijn uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) in overeenstemming is met de mogelijkheid die artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen, te meer daar met deze uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) de in punt 26 van Promo 54 bedoelde draagwijdte van het begrip verbouwing, zoals omlijnd door het HvJ-EU, in acht wordt genomen.\n\n4.13.. Het hof ziet in dat wat belanghebbende heeft aangevoerd geen reden – gelet op deze beslissingen van de Hoge Raad – om thans anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ-EU te stellen. De tweede geschilvraag moet bevestigend worden beantwoord.\n\nToch een ruimere uitleg?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt in dat geval tot slot, zo begrijpt het hof, dat in de situatie dat een verbouwing niet tot een ‘vervaardiging’ leidt maar tot een Unierechtelijk kwalificerende verbouwing, rechtstreeks terugkeer plaatsvindt naar de fase vóór de eerste ingebruikneming op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1° Wet OB. Belanghebbende verwijst in dit verband naar Promo 54 waarin het HvJ-EU, aldus belanghebbende, rechtstreeks uitleg geeft aan het niet-optionele artikel 12, lid 1, onderdeel a, Btw-richtlijn. Die uitleg leidt er volgens belanghebbende toe dat als sprake is van een verbouwing, zoals omlijnd in het Kozuba-arrest, automatisch sprake is van een terugkeer van het oude gebouw naar de fase vóór de eerste ingebruikneming. Daaruit volgt, zo stelt belanghebbende, dat de levering van een gebouw van rechtswege is belast met omzetbelasting als het zoals in dit geval veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.\n\n4.15.. Dit betoog van belanghebbende slaagt niet, nu het eerste lid en het derde lid van artikel 11 Wet OB (oud) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In het derde lid wordt eerst expliciet verwezen naar het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en vervolgens gepreciseerd wanneer in het geval van verbouwing van een oud gebouw van een eerste ingebruikneming sprake is. Uit die verbinding tussen de betreffende artikelleden volgt naar het oordeel van het hof dat de eerste ingebruikneming niet kan worden geïnterpreteerd zonder de precisering van het derde lid en het daarin opgenomen begrip ‘vervaardiging’ bij die lezing te betrekken.\n\n4.16.. Gelet op het voorgaande, moet de derde vraag ontkennend worden beantwoord.\n\nTussenconclusie\n\n4.17.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van de immateriële schadevergoeding\n\n4.18.. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld en binnen vier jaar nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak.\n\n4.19.. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In dit geval zijn de zaken van de commanditaire vennoten gezamenlijk behandeld (zaaknummers 24\u002F117 tot en met 24\u002F120). Voorop staat dat iedere belanghebbende bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. De gezamenlijke behandeling kan echter een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van een dergelijke matigende invloed sprake omdat de feiten en de geschilpunten in de procedures van de commanditaire vennoten gelijk zijn, en de hoger beroepen van de commanditaire vennoten op dezelfde zitting zijn behandeld. Het hof zal daarom voor de commanditaire vennoten tezamen éénmaal het tarief van € 500 per half jaar hanteren.Dit komt voor belanghebbende neer op een vergoeding van € 125 per half jaar.\n\n4.20.. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (naar boven afgerond) vijf maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (naar boven afgerond) één half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125, waartoe de minister wordt veroordeeld.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Omdat het hof ambtshalve overgaat tot vergoeding van immateriële schade en het hoger beroep ongegrond is, ziet het hof geen aanleiding voor een (werkelijke) proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 125.\n\nDe uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nJ.H.M. van Ooijen A.J. Kromhout\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Voetverklaring bij akte van levering van 30 november 2018.\n\n Hoge Raad 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6681, r.o. 3.3.1.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1609, r.o. 2.3.2.\n\n Paragraaf 3.3 deskundigenrapport.\n\n Paragraaf 3.5 deskundigenrapport.\n\n HvJ EU 16 november 2017, Kozuba, ECLI:EU:C:2017:869.\n\n HvJ EU 9 maart 2023, Promo 54, ECLI:EU:C:2023:181.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Zie de conclusie van A-G Ettema van 3 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:6. Ook A-G Ettema concludeerde dat sprake was van een ondergrens van het verbouwingsbegrip in Kozuba.\n\n ECLI:NL:PHR:2024:1283.\n\n Dat punt luidt als volgt: “Voor een oud gebouw ontstaat die toegevoegde waarde wanneer het dermate ingrijpend wordt verbouwd, dat het op één lijn kan worden gesteld met een nieuw gebouw.”\n\n Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:157, r.o. 2.2.2.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2.\n\n Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147, r.o. 4.2.\n\n Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586 en Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NLHR:2024:567, r.o. 7.1.2. en Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.7.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.864Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":43,"courtId":57,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":51,"updatedAt":62},"1493","ECLI:NL:GHAMS:2026:1492","ecli-nl-ghams-2026-1492",56,"2026-05-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F677\n\n28 mei 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 19 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23\u002F7025 in het geding tussen\n\n [X] ,wonende te [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. A.F. de Jong)\n\nen\n\nde inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting, alsmede de daarbij in rekening gebrachte belastingrente:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n- vermindert de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting tot een bedrag van € 1.786.392;\n\n- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;\n\n- veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van het beroep van [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.187,50; en\n\n- draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 51 aan [belanghebbende] te vergoeden.”\n\n1.2.. De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld en heeft de gronden van het hoger beroep bij brief van 20 maart 2025 aangevuld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\nUitgegaan kan worden van de volgende, in hoofdzaak reeds door de rechtbank al vastgestelde feiten, waarvan geen van beide partijen de juistheid heeft bestreden.\n\n2.1.. Via dochtervennootschappen exploiteert [A BV] (hierna: de BV, ook samen met de dochtervennootschappen) vastgoed. Tot 11 september 2012 was de vader van belanghebbende, [vader] (hierna ook: vader) de enige aandeelhouder van de BV.\n\n2.2.. Op 10 april 2012 is belanghebbende toegetreden tot het bestuur van de BV, net als zijn vader met de titel algemeen directeur. Sindsdien vormen belanghebbende en zijn vader samen het bestuur van de BV, beiden zelfstandig bevoegd. Vanaf 14 juni 2021 is die zelfstandige bevoegdheid gewijzigd naar gezamenlijk bevoegd.\n\n2.3.. Vader heeft op 11 september 2012 [STAK] (hierna: de STAK) opgericht. In de statuten en de administratievoorwaarden van de STAK is, onder meer, bepaald dat de STAK (i) tegen uitgifte van niet-royeerbare\u002Fniet-inwisselbare certificaten op naam aandelen in het kapitaal van de BV zal verwerven (een certificaat per aandeel), (ii) niet bevoegd is de haar toebehorende aandelen te vervreemden of te verpanden anders dan met onmiddellijke uitkering van de opbrengst aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten, (iii) de op die aandelen te ontvangen uitkeringen zal innen en onmiddellijk zal doorgeven aan de certificaathouders (bij uitkering van aandelen worden overeenkomstige certificaten doorgegeven), (iv) de certificaathouders in de gelegenheid zal stellen een voorkeursrecht op hun certificaten uit te oefenen overeenkomstig een voorkeursrecht dat aan aandeelhouders wordt toegekend bij de uitgifte van nieuwe aandelen, en (v) liquidatie-uitkeringen op de aandelen binnen een week aan de certificaathouders zal afdragen tegen inlevering van de certificaten. Verder is de vervreemdingsbevoegdheid van de certificaten niet geringer dan die van de aandelen en kunnen de certificaten slechts tegen afgifte van de aandelen worden ingetrokken dan wel ingeleverd. Het bestuur van de STAK dient het stemrecht op de aandelen op zodanige wijze uit te oefenen, dat de bloei van de BV bevorderd wordt en dat tevens de belangen van de certificaathouders op behoorlijke wijze behartigd worden.\n\n2.4.. Eveneens op 11 september 2012 heeft de STAK alle aandelen in de BV verworven tegen uitgifte van certificaten (hierna: de certificaten) aan vader.\n\n2.5.. Vanaf de oprichting tot 1 augustus 2023 was vader de enige bestuurder van de STAK. Per die datum vormen vader, diens echtgenote [echtgenote] en belanghebbende het bestuur van de STAK. Vader heeft, als oprichter van de STAK, volgens de statuten evenveel zeggenschap in het bestuur als [echtgenote] en belanghebbende samen.\n\n2.6.. Vader heeft op 26 januari 2017 alle certificaten van aandelen in de BV geschonken aan belanghebbende.\n\n2.7.. Belanghebbende en de BV hebben op 20 februari 2017 aangifte overdrachtsbelasting gedaan voor de verkrijging van fictieve onroerende zaken in de zin van artikel 4, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: WBR). In een begeleidende brief hebben zij een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR.\n\n2.8.. Zich op het standpunt stellend dat de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR toepassing mist, heeft de inspecteur met dagtekening 16 december 2022 de in deze procedure bestreden naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd, en wel tot een bedrag van € 3.572.785, vermeerderd met € 667.038 belastingrente. In bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nIn hoger beroep is, net als in eerste aanleg, in geschil of de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR (de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting) van toepassing is op de verkrijging van de certificaten van alle aandelen in de BV. Zo dat het geval is, zijn partijen het eens over de vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.786.392, zoals de rechtbank heeft beslist. Evenmin is in geschil dat de inspecteur de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag heeft vastgesteld indien de vrijstelling toepassing mist.\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft de bedrijfsopvolgingsvrijstelling overdrachtsbelasting wel van toepassing geacht op de verkrijging van de certificaten en heeft daartoe als volgt overwogen:\n\n“Beoordeling toepassing bedrijfsopvolgingsvrijstelling\n\n17. De Hoge Raad heeft in de doorkijkarresten geoordeeld dat de fictie van artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de WBR geen verdere strekking heeft dan te verhinderen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met die fictie niet is beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing zou blijven vanwege een vrijstelling ingevolge artikel 15 van de WBR.\n\n18. Verder overweegt de rechtbank dat met ingang van 1 januari 1995 de verkrijging van de economische eigendom ook onder het begrip verkrijging valt. In de parlementaire geschiedenis is daarbij, voor zover relevant, het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 1994-1995, 24172, nr. 3, blz. 26):\n\n“Overigens merk ik op dat bij de gekozen methode om de economische-eigendomsverkrijging onder de heffing te brengen – de uitbreiding van het verkrijgingsbegrip – de huidige vrijstellingen en faciliteiten bij de juridische verkrijging ook gelden bij de economische. Zo zal bij overdracht van ondernemingen in de familiesfeer de vrijstelling van toepassing blijven.”\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:888, volgt dat de vrijstellingen van artikel 15 van de WBR ook van toepassing zijn bij de verkrijging van economische eigendom.\n\n19. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de BV een materiële onderneming drijft. Ook is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat als eiser bij schenking de aandelen in de BV had verkregen, de bedrijfsopvolgingsvrijstelling dan van toepassing was geweest omdat aan alle vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR zou zijn voldaan. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is op de verkrijging door eiser van de certificaten. De certificaten vertegenwoordigen immers de economische eigendom van de aandelen in de BV.\n\n20. De stelling van verweerder dat niet de volledige zeggenschap is overgegaan, kan hem niet baten. Dat de volledige zeggenschap dient over te gaan is een door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:6787) geformuleerd vereiste, waarop – nadat tegen de hofuitspraak cassatieberoep was gesteld – door de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 niet is ingegaan. Dit vereiste volgt niet uit de wettekst van artikel 15 van de WBR en evenmin uit de wetsgeschiedenis. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat (het bestaan van) een duidelijk (schriftelijk) overnameplan niet aannemelijk is gemaakt en geen sprake is van een overdracht in fasen. Uit de wettekst of wetsgeschiedenis volgt immers niet dat sprake moet zijn van een overdracht in fasen of dat een overnameplan vereist is.\n\n21. De stelling van verweerder dat de STAK niet behoort tot de kring van verkrijgers en dat daarom niet is voldaan aan de vereisten van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WBR, kan de rechtbank niet volgen. Bij de schenking heeft de STAK niets verkregen; de aandelen in de BV bezat de STAK immers al. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiser de certificaten heeft verkregen en dat eiser behoort tot de kring van verkrijgers.\n\n22. Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de stelling van verweerder dat niet eiser de onderneming heeft voortgezet, maar de BV als volgt. Verweerder erkent dat als de aandelen in de BV zelf waren verkregen, zou zijn voldaan aan het voortzettingsvereiste. Dit standpunt van verweerder leidt tot de conclusie dat hier is voldaan aan het voortzettingsvereiste, aangezien zowel bij de onderhavige verkrijging van de certificaten als bij de verkrijging van aandelen in de BV de onderneming wordt gedreven en voortgezet op het niveau van de BV. Overigens overweegt de rechtbank dat uit de doorkijkarresten volgt dat aan het voortzettingsvereiste is voldaan indien de onderneming wordt gedreven op het niveau van de vennootschap (zie Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110, r.o. 2.3.5).”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de omstandigheid dat belanghebbende certificaten van aandelen in de BV heeft verkregen, en niet de aandelen zelf en evenmin de aan die aandelen verbonden zeggenschap, een beletsel vormt voor een beroep op de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, vooral omdat een zeggenschapsvereiste niet blijkt uit artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet BRV, de wetsgeschiedenis of uit het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 (zie rov. 20, hiervoor geciteerd onder 4). Over dat oordeel klaagt de inspecteur in hoger beroep, in wezen omdat zijns inziens zonder overgang op de verkrijger van de volledige zeggenschap in de onderneming geen sprake kan zijn van voortzetting door de verkrijger en dus ook niet van een bedrijfsopvolging.\n\n5.2.. Aan de zogeheten doorkijkarresten (HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU8559, HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110) ligt de gedachte ten grondslag dat het voor de toepassing van overdrachtsbelastingvrijstellingen niet van belang is of een ‘echte’ onroerende zaak wordt verkregen of een fictieve onroerende zaak, oftewel – voor zover hier van belang – aandelen in een onroerendezaaklichaam. De fictie van artikel 4 van de Wet BRV heeft namelijk geen verdere strekking dan het ontgaan van de heffing van overdrachtsbelasting door het tussenschuiven van rechtspersonen te verhinderen (zie ook rov. 17 van de bestreden uitspraak).\n\n5.3.. Partijen zijn het tegen die achtergrond erover eens dat de in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet BRV opgenomen bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing zou zijn geweest als belanghebbende de aandelen in de BV, een onroerendezaaklichaam in de zin van artikel 4 van de Wet BRV, had verkregen van zijn vader. Nu belanghebbende echter niet de aandelen in de BV heeft verkregen, en daardoor evenmin de volledige zeggenschap heeft verkregen over de BV en, indirect, de onderneming in de BV, kan hij volgens de inspecteur niet voldoen aan de voorwaarde in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet BRV dat de onderneming “in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet”.\n\n5.4.. Voor het standpunt van de inspecteur kan pleiten dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling ook niet van toepassing zou zijn bij een verkrijging van goederen, althans onroerende zaken, die behoren tot en dienstbaar zijn aan een onderneming (eenmanszaak) zonder dat de verkrijger tot die onderneming gerechtigd wordt. Aan de voorwaarde van voortzetting van de onderneming door de verkrijger wordt dan niet voldaan. Zelfs wanneer de verkrijger economisch volledig tot (het vermogen en de winsten van de) onderneming gerechtigd zou worden, kan worden gemeend dat hij zonder zeggenschap over de onderneming niet de voortzettende ondernemer is. Het ligt onder die omstandigheden immers in de rede dat de verkrijger onder meer niet rechtstreeks zal worden verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming, zoals op grond van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 is vereist om ondernemer te zijn. Desondanks acht het Hof het standpunt van de inspecteur niet juist.\n\n5.5.1.. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt namelijk nergens uit de wet of uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling een voorwaarde van volledige zeggenschap over de onderneming na de verkrijging. In de arresten van 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 en ECLI:NL:HR:2018:2200, kan evenmin worden gelezen dat de Hoge Raad oordelen van die strekking in de destijds bestreden uitspraken heeft overgenomen. Verder moet worden aangenomen dat het vereiste van rechtstreekse verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming niet geldt in de context van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. Toen de voorloper van die vrijstelling in 1969 in de Registratiewet 1917 werd geïntroduceerd, werd een dergelijke eis namelijk nergens aan het ondernemerschap gesteld (vgl. artikel 6 van de Wet IB 1964), terwijl elke indicatie ontbreekt dat de wetgever met artikel 3.4 van de Wet IB tevens heeft beoogd de reikwijdte van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling aan te passen. Ook degene die zonder zeggenschap medegerechtigd is tot een onderneming, kan daarom ondernemer zijn in de zin van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. In de rede ligt vervolgens dat op de verkrijging door een kind van een dergelijke medegerechtigdheid de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing moet kunnen zijn. Het Hof ziet geen aanwijzing dat de wetgever met het voortzettingsvereiste in die gevallen toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling heeft willen uitsluiten.\n\n5.5.2.. In gevallen waarin het een verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam betreft, zoals in dezen, geldt bovendien dat de Hoge Raad eerder heeft geoordeeld dat certificaten van aandelen zijn te vereenzelvigen met de aandelen indien het economische belang bij de aandelen bij de certificaathouder berust (HR 17 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5558, r.o. 3.4.3). Dat specifieke oordeel betreft weliswaar de vrijstelling voor interne reorganisaties, maar de Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat vereenzelviging van certificaten met de aandelen in dergelijke omstandigheden ook is aanvaard in het kader van diverse andere fiscale regelingen. De strekking van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling noopt niet tot een afwijkende benadering. Het vereiste van voortzetting van de onderneming door de verkrijger brengt in dat geval mee dat de verkrijger van de certificaten het volledige economische belang bij, indirect, de onderneming moet behouden en dat die onderneming na de verkrijging niet deels of geheel mag worden gestaakt. Die uitleg sluit overigens ook aan bij het voortzettingsvereiste in de weliswaar posterieure bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (zie artikel 35e, lid 1, aanhef en onder c).\n\n5.6.. De inspecteur heeft de (gedeeltelijke) toepasselijkheid van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling op de verkrijging van de certificaten van aandelen in de BV door belanghebbende, zoals de rechtbank in de bestreden uitspraak heeft aanvaard, niet bestreden op andere gronden dan het ontbreken van volledige zeggenschap bij belanghebbende. Reeds daarom faalt de in 5.1 bedoelde klacht.\n\n5.7.. Tot slot heeft de inspecteur nog erover geklaagd dat de rechtbank in de bestreden uitspraak niet is ingegaan op een literatuuroverzicht in zijn verweerschrift in eerste aanleg. Die klacht faalt eveneens. Geen rechtsregel dwingt de rechter ertoe in te gaan op een door een partij opgesteld literatuuroverzicht, gelijk niet alle argumenten afzonderlijk hoeven te worden weerlegd die ter staving van een door de rechter niet aanvaard standpunt zijn aangevoerd, zolang de motivering maar voldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtegang (vgl. HR 14 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4444). Aan die laatste norm voldoet de bestreden uitspraak ruimschoots.\n\n5.8.. De slotsom is daarom dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n6. Kosten\n\nOmdat het hoger beroep van de inspecteur ongegrond is, bestaat reden om hem te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en in hoger beroep. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Die kosten stelt het Hof met inachtneming van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten, waarde per punt € 934, wegingsfactor 1).\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868;\n\n- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1492","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:23.760Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":43,"courtId":67,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":51,"updatedAt":72},"740","ECLI:NL:RBZWB:2026:1982","ecli-nl-rbzwb-2026-1982",64,"2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2458\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2025.\n\n1.1.. Belanghebbende heeft € 25.588 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft een onroerende zaak gekocht aan de [adres 1] voor een bedrag van € 725.000. De woning is in de leveringsakte als volgt omschreven:\n\n“het woonhuis met erf, ondergrond, tuin, agrarische grond, en verdere aanhorigheden gelegen te [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente 1] , [kadastraal nummer] ter grootte van twee hectare, twee are en vijfentachtig centiare (2 ha 2 a 85 ca),”\n\n3.1.. Ter plaatse van de woning gold in het jaar 2024 het bestemmingsplan ‘buitengebied 2e herziening’ van de [gemeente 2] . Het bestemmingsplan is digitaal en openbaar raadpleegbaar in het Omgevingsloket via omgevingswet.overheid.nl. De (geanonimiseerde) weergave van de vermelding van de onroerende zaak van belanghebbende in deze database ziet er zo uit (waarbij de woning van belanghebbende is aangeduid als x):\n\n3.2.. \n\nIn artikel 3 van het bestemmingsplan staat – voor zover hier van belang – vermeld:\n\n“De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\n(…)\n\ns. tuinen behorende bij aangrenzende bestemmingen;”\n\n3.3.. \n\nOp pagina 12 van de koopovereenkomst staat – voor zover hier van belang – vermeld:\n\n“Oogst agrarische gronden\n\nDe verkoper behoudt het recht om het reeds aangeplante agrarische perceel te onderhouden tot aan de oogst van de gewassen, die naar verwachting medio augustus van het lopende jaar zal plaatsvinden. Dit omvat alle noodzakelijke maatregelen voor het behoud en de verzorging van de gewassen tot aan de oogstdatum. Na de oogst van de gewassen zal het volledige agrarische perceel, inclusief eventuele overgebleven gewassen of restanten, worden overgedragen aan de koper. De koper zal het agrarische perceel en de gewassen respecteren als eigendom van de verkoper tot aan de volledige overdracht na de oogst. De koper zal geen handelingen verrichten die de groei of kwaliteit van de gewassen zouden kunnen schaden.”\n\n3.4.. \n\nIn een addendum bij de koopovereenkomst staat – voor zover hier van belang – vermeld:\n\n“Partijen stellen hierbij vast dat de tekst op pagina 12 van 12 van de op 19 april 2024 getekende koopovereenkomst op gespannen voet staat met de artikelen 4.2, 7.1 en 10.1 uit dezelfde koopovereenkomst en niet strookt met hetgeen zij hebben beoogd te regelen. Deze pagina 12 is dan ook mede tot stand gekomen onder invloed van wederzijdse dwaling en dient daarom volledig geschrapt te worden uit de koopovereenkomst. Die hier en thans afgelegde gezamenlijke verklaring beoogt in de plaats te treden van de geschrapte tekst.\n\n(…)\n\nVerkoper verklaart hierbij dat het verkochte perceel altijd als eenheid heeft gefunctioneerd. De grond heeft altijd bij de woning gehoord, is altijd in gebruik geweest vanuit de woning en is ook altijd dienstbaar geweest aan zijn woning, zijn bewoners en gebruikers.\n\nKoper verklaart hierbij dat hij de aangekochte woning na verkrijging anders dan tijdelijks als hoofdverblijf gaat gebruiken. Koper verklaart tevens dat hij de aangekochte grond na verkrijging wil gaan gebruiken als tuin conform de door verkoper verschafte informatie en conform de door [gemeente 2] vastgestelde bestemmingsregels (artikel 3 sub s van hoofdstuk 2 van het vingerende bestemmingsplan).”\n\n3.5.. \n\nIn de leveringsakte staat verder – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“OVERDRACHTSBELASTING\n\nWegens de levering van het verkochte is overdrachtsbelasting verschuldigd.\n\nDe overdrachtsbelasting komt voor rekening van koper. De overdrachtsbelasting is verschuldigd over de koopprijs, aangezien deze ten minste gelijk is aan de waarde van het verkochte.\n\nVerklaring laag tarief overdrachtsbelasting\n\nKoper verklaart dat hij de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. In verband met de overdrachtsbelasting is het perceel fictief gesplitst in woongedeelte en in een perceel agrarische grond. Voor de woning wordt een koopsom gehanteerd van vijfhonderddrieënnegentigduizend euro (€ 593.000,00) zijnde de huidige WOZ-waarde. Voor het perceel agrarische grond van een hectare en vijfenzeventig are (1 ha 75 a ) is een koopsom van éénhonderdtweeëndertigduizend euro (€ 132.000,00) gehanteerd. De verschuldigde overdrachtsbelasting voor de woning is vastgesteld naar het tarief van twee procent (2%) over de koopsom die van toepassing is op het gedeelte woning, derhalve een bedrag van elfduizend achthonderdzestig euro (€ 11.860,00). Voor de aankoop van de agrarische grond is de verschuldigde overdrachtsbelasting vastgesteld op een tarief van tien vier\u002Ftiende procent (10,4%), derhalve een bedrag van dertienduizend zevenhonderdachtentwintig euro (€ 13.728,00)\n\nIn totaal is een bedrag aan vijfentwintigduizend vijfhonderdachtentachtig euro (€ 25.588,00) aan overdrachtsbelasting verschuldigd.”\n\n3.6.. Namens belanghebbende is € 25.588 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.\n\n3.7.. De inspecteur heeft gedurende de bezwaarfase een derdenonderzoek ingesteld bij de [makelaar] en van de makelaar informatie ontvangen over de verkoop van de woning.\n\n3.8.. \n\nDe inspecteur heeft op basis van artikel 55 van de AWR ook een aantal vragen gesteld aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over het gebruik van het agrarisch perceel in de jaren voor de verkoop. In de e-mail van 14 oktober 2024 van een medewerker van de RVO staat – voor zover hier van belang – vermeld:\n\n“Het betreffende perceel wordt in de gevraagde jaren opgegeven door [maatschap] , [adres 2] in de Gecombineerde Opgave met gebruikscode 02 (reguliere pacht). Overigens is dat de opgave van de relatie aangezien RVO de gebruikscode niet controleert. Verder hebben wij hiervan geen pachtovereenkomst. Hiervoor willen wij u verwijzen naar de relatie dan wel de grondkamer. De grondkamer mag deze gegevens niet uit leveren ook niet op basis van het genoemde artikel.\n\nDe [maatschap] heeft het in de gevraagde jaren de volgende gewassen er op geteeld met daarbij de geteelde oppervlakte:\n\n2017 met gewascode 3506 (engels raaigras), 1,76 ha\n\n2018 met gewascode 383 (graszaad), 1,76 ha\n\n2019 met gewascode 262 (uien, zaai), 1,76 ha\n\n2020 met gewascode 2014 (consumptie-aardappelen), 1,76 ha\n\n2021 met gewascode 233 (wintertarwe), 1,76 ha\n\n2022 met gewascode 235 (wintergerst), 1,76 ha\n\n2023 met gewascode 233 (wintertarwe), 1,7503 ha\n\n2024 met gewasscode 233 (wintertarwe), 1,735 ha en gewascode 6751 (engels raaigras, groenbemesting, vanggewas), 0,0367 ha”\n\nMotivering\n\nVooraf\n\nHeeft de inspecteur de omvang van het geschil ten onrechte verruimd?\n\n4. Belanghebbende stelt dat het geschil uitsluitend ziet op het toepasselijke tarief voor de overdrachtsbelasting, uitgaande van hetgeen in de leveringsakte is vermeld. In de leveringsakte heeft de notaris volgens belanghebbende vastgesteld dat sprake is van een woning met aanhorigheden. De inspecteur en de rechtbank moeten daar volgens belanghebbende van uitgaan. Daarom hoeft niet meer te worden beoordeeld of het agrarische perceel kan worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV). Door dat in bezwaar toch te beoordelen heeft de inspecteur het geschil volgens belanghebbende ten onrechte verruimd.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het geschil in bezwaar niet ten onrechte verruimd. Belanghebbende stelt de tariefstelling aan de orde, de inspecteur mag in het kader van volledige heroverweging in bezwaarin volle omvang beoordelen of aan de voorwaarden voor dat tarief is voldaan. Daarbij is de inspecteur ook niet gebonden aan de kwalificatie die de notaris heeft gegeven aan hetgeen is overgedragen. De inspecteur moet zelfstandig beoordelen of aan de voorwaarden voor het toepasselijke tarief is voldaan en heeft dat naar het oordeel van de rechtbank dus terecht zelfstandig beoordeeld.\n\nHeeft de inspecteur teveel informatie opgevraagd en overgelegd?4.2.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, faalt ook het betoog van belanghebbende dat de inspecteur zonder noodzaak derdenonderzoeken heeft ingesteld en, zo begrijpt de rechtbank, te veel stukken heeft overgelegd. De inspecteur mocht informatie bij derden opvragen. Die bevoegdheid is niet beperkt tot gevallen waarin de informatie niet bij belanghebbende zelf kan worden verkregen. Ook bestaat er, anders dan belanghebbende meent, geen wettelijke verplichting om belanghebbende van een dergelijk derdenonderzoek in kennis te stellen. Verder is de inspecteur in beginsel gehouden alle stukken die hem ter beschikking hebben gestaan bij de beslechting van het geschil over te leggen.De inspecteur heeft die stukken overgelegd en heeft dat naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht gedaan.\n\nIs het inzagerecht geschonden?4.3.. Belanghebbende stelt dat zijn hoor- en inzagerecht is geschonden omdat hij niet eerder kennis heeft kunnen nemen van alle stukken waarop de inspecteur zich in de uitspraak op bezwaar op heeft gebaseerd. De rechtbank volgt hem daarin niet voor zover het gaat om het moment van het hoorgesprek. Ten tijde van het hoorgesprek op 8 oktober 2024 waren de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens nog niet beschikbaar. De onderzoeken zijn pas in november 2024 ingesteld. Van een schending van het hoor- of inzagerecht is dus geen sprake.\n\n4.4.. De rechtbank stelt wel vast dat belanghebbende voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld om nog te reageren op de uit het derdenonderzoek verkregen informatie die is gebruikt bij de beslissing op bezwaar. Die informatie is pas na het hoorgesprek binnen gekomen bij de inspecteur, zo begrijpt de rechtbank. Hoewel het in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor vereist is dat de inspecteur de visie van belanghebbende daarop vraagt, zeker wanneer die stukken gebruikt worden, ziet de rechtbank in dit geval onvoldoende aanleiding om gevolgen te verbinden aan het gegeven dat belanghebbende op deze stukken logischerwijs niet heeft kunnen reageren bij het hoorgesprek – de stukken waren er immers nog niet – en de zaak terug te verwijzen naar de inspecteur. Het betreft informatie waarover belanghebbende zelf grotendeels al beschikte en belanghebbende heeft in beroep alsnog voldoende gelegenheid gehad om op deze informatie te reageren.\n\nSchending fair-play beginsel4.5.. Belanghebbende stelt nog dat de inspecteur het fair-play beginsel heeft geschonden door in het kader van een compromisbespreking een volgens belanghebbende onredelijk aanbod te doen en daarbij te wijzen op de mogelijkheid van het opleggen van een naheffingsaanslag indien het aanbod niet zou worden aanvaard. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Het stond de inspecteur vrij om in het kader van een compromisbespreking zijn standpunt en procespositie kenbaar te maken en een voorstel te doen om tot een oplossing te komen. Het doen van een voorstel maakt ook niet dat de inspecteur dan ineens gebonden is om de naheffingsaanslag te beperken tot maximaal het gedane voorstel in het kader van compromisbesprekingen. De rechtbank ziet aldus geen schending van het fair-play beginsel.\n\nInhoudelijk\n\n5. Het geschil ziet inhoudelijk op de vraag of het perceel met agrarische bestemming is aan te merken als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV (zie ook 4.1). Ook de rechtbank moet dit zelfstandig beoordelen en is, in tegenstelling tot de opvatting van belanghebbende, daarbij niet gebonden aan de kwalificatie van het perceel door de notaris.\n\n5.1.. Bij de beoordeling van het geschil is van belang of het perceel ten tijde van de verkrijging naar objectieve maatstaven behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is.Niet relevant is of de verkrijger subjectief het inzicht heeft of de bedoeling heeft dat het perceel daaraan voldoet of zal voldoen, bijvoorbeeld door het oogmerk om na de verkrijging een tuin aan te leggen.Tot de functies van de eigen woning behoren niet alleen het bieden van een beschermde gelegenheid tot het slapen, eten\u002Fdrinken en verblijf, maar ook (onder meer) het bieden van gelegenheid tot het uitoefenen van hobby’s.\n\n5.2.. Het ligt op de weg van belanghebbende, die pleit voor toepassing van het verlaagde tarief op de volledige verkrijging, feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel als aanhorigheid in hiervoor bedoelde zin kan worden aangemerkt.\n\n5.3.. Belanghebbende stelt dat het perceel moet worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning. Volgens belanghebbende is het perceel vrij van huur en elk ander gebruiksrecht verkregen, kadastraal verbonden met de woning en dienstbaar aan de woning omdat deze kan worden gebruikt voor hobbydoeleinden, zoals tuin of hobbylandbouw. De inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.\n\n5.4.. De rechtbank overweegt als volgt. In de oorspronkelijke koopovereenkomst is opgenomen dat het perceel ten tijde van de verkoop was beplant met wintertarwe en dat de verkoper het recht behield deze tot aan de oogst te onderhouden (zie 3.3). In een later addendum verklaren partijen weliswaar dat deze passage niet overeenstemt met hetgeen zij hebben beoogd te regelen en dat het perceel altijd dienstbaar is geweest aan de woning en zijn bewoners (zie 3.4). Het dossier bevat echter zwaarwegende aanwijzingen dat het perceel in de jaren voor de verkoop juist bedrijfsmatig werd gebruikt en dus niet dienstbaar was aan de woning. Zo blijkt uit de informatie van de RVO (zie 3.8) dat [maatschap] het perceel in de jaren voorafgaand aan de verkoop heeft opgegeven als landbouwgrond en daarop gewassen heeft geteeld. In 2024 werd volgens de informatie van het RVO op het perceel nog wintertarwe geteeld. Dat stemt overeen met hetgeen is vermeld in de oorspronkelijke koopovereenkomst. De rechtbank ziet daarin sterke aanwijzingen dat het perceel tot en met het moment van de verkrijging bedrijfsmatig werd gebruikt en niet dienstbaar was aan de woning. Verder blijkt uit luchtfoto’s die tot de gedingstukken behoren dat het erf van de woning door middel van beplanting en bebouwing is afgescheiden van het agrarische perceel. Ook dit vormt voor de rechtbank een aanwijzing dat het perceel ten tijde van de verkrijging niet bij de woning in gebruik was. Alles in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat het perceel niet kan worden aangemerkt als een aanhorigheid bij de woning als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV.\n\n5.5.. Belanghebbende stelt nog dat hij vertrouwen kan ontlenen aan een beroepschrift in cassatie van de staatssecretaris van Financiën in de procedure met nummer ECLI:NL:HR:1993:ZC5412. Volgens belanghebbende volgt uit dat beroepschrift dat een zaak als aanhorigheid kan worden aangemerkt indien sprake is van geografische en organisatorische verbondenheid met de woning en dat het gebruik van de zaak daarbij niet doorslaggevend is. De rechtbank volgt belanghebbende hierin niet. Aan uitlatingen van een bestuursorgaan kan onder omstandigheden vertrouwen worden ontleend. De uitlating van de staatssecretaris in een beroepschrift in een cassatieprocedure kan echter niet worden aangemerkt als een toezegging of standpunt waarop belanghebbende in zijn concrete geval in rechte te respecteren vertrouwen kon ontlenen. De uitlating is gedaan in de context van een andere procedure, met andere feiten en omstandigheden en is niet tot belanghebbende gericht. Reeds daarom slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.\n\n5.6.. Het voorgaande betekent dat het tarief als genoemd in artikel 14, eerste lid, van de Wet BRV van toepassing is op de verkrijging van de het agrarische perceel door belanghebbende. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende het juiste bedrag aan overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 7:11 van de Awb.\n\n Artikel 53 van de AWR.\n\n Artikel 8:42 van de Awb.\n\n Hoge Raad 16 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5412.\n\n Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9067.\n\n Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4057, r.o. 4.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1982","2026-03-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.916Z",20,[11]]