[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"category-wildlife-management-nl-2026":3},{"detail":4,"years":73},{"category":5,"year":11,"latestYear":11,"monthlyCounts":12,"decisions":38,"total":19,"page":14,"limit":72},{"id":6,"slug":7,"name":8,"country":9,"createdAt":10},125,"wildlife-management-nl","Wildlife Management","NL","2026-07-08T16:57:28.095Z",2026,[13,16,18,20,22,24,26,28,30,32,34,36],{"month":14,"count":15},1,0,{"month":17,"count":15},2,{"month":19,"count":14},3,{"month":21,"count":15},4,{"month":23,"count":15},5,{"month":25,"count":14},6,{"month":27,"count":14},7,{"month":29,"count":15},8,{"month":31,"count":15},9,{"month":33,"count":15},10,{"month":35,"count":15},11,{"month":37,"count":15},12,[39,52,62],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":44,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762","",72,"2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":43,"courtId":56,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":50,"updatedAt":61},"1789","ECLI:NL:RBROT:2026:7860","ecli-nl-rbrot-2026-7860",61,"2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4323\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens deze de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (de staatssecretaris)\n\n(gemachtigden: [naam gemachtigde 2] , [naam gemachtigde 3] en mr. P.J. Kooiman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de opgelegde last onder bestuursdwang wegens het overnemen en het in bezit hebben van twee kraagpapegaaien met een microchiptransponder, te weten nummer [nummer X] (man) en nummer [nummer Y] (vrouwelijke vogel: pop ).\n\n1.1.. Met het besluit van 30 september 2025 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd. De staatssecretaris heeft het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit met het bestreden besluit van 9 februari 2026 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de staatssecretaris vergezeld door mr. N. Hoek.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Verzoeker houdt verschillende soorten papegaaien. Op 12 en 26 mei 2025 is een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA) langs geweest voor een inspectie naar aanleiding van een door het CITES management Autoriteit afgewezen aanvraag voor een vervangend EU-certificaat voor een roodwangara. Naar aanleiding van de inspectie heeft de inspecteur op 15 augustus 2025 verzoeker gevraagd om documentatie aan te leveren om de legale herkomst van onder meer het koppel kraagpapegaaien aan te tonen. De kraagpapegaaien zijn zonder merkteken en er zijn geen gegevens bekend over de kweker. Verzoeker heeft toegelicht dat hij de kraagpapegaaien enkele jaren geleden heeft overgenomen van een bekende, [persoon A] . [persoon A] heeft bevestigd dat hij begin 2020 de kraagpapegaaien heeft overgedragen aan verzoeker. Hij had ze zelf in 2013 of 2014 overgenomen van een oudere man waarmee hij via internet in contact was gekomen. De RVO heeft geen contactgegevens van deze persoon ontvangen. Op 25 augustus 2025 heeft verzoeker meegedeeld dat hij de kraagpapegaaien wil verkopen aan een vriend in Italië en dat hij de vogels daarom naar een dierenarts heeft gebracht om ze te laten voorzien van een microchiptransponder. De man bleek al een microchiptransponder te hebben met nummer [nummer X] . De dierenarts heeft de pop (geboren op 2 juni 2010) met pootring (knijpring) met nummer [nummer Z] voorzien van een microchiptransponder met nummer [nummer Y] .\n\n2.1.. Volgens de staatssecretaris bieden zowel het microchiptranspondernummer van de man als het nummer van de knijpring van de pop geen aanknopingspunten die de kweekstatus en herkomst van de kraagpapegaaien kunnen aantonen. De staatssecretaris heeft daarom met het primaire besluit een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, die bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Verzoeker is gelast om de onrechtmatige situatie binnen de begunstigingstermijn te herstellen door de legale herkomst van de twee kraagpapegaaien aan te tonen. Als verzoeker hieraan niet voldoet, dan worden de twee kraagpapegaaien meegevoerd en opgeslagen op kosten van verzoeker.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker, als volgt af.\n\n3.1.. De voorzieningenrechter zal niet onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verzoeker heeft toegelicht dat hij kort voor de zitting stukken heeft ontvangen, die hij in de beroepsprocedure wil overleggen.\n\nToetsingskader\n\n4. Dier- en plantsoorten in het wild die door handel worden bedreigd met uitsterven, hebben een beschermde status gekregen in The Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (het CITES-verdrag). Dit verdrag is in de Europese Unie uitgewerkt in Verordening (EG) nr. 338\u002F97 (de CITES-basisverordening) en Verordening (EG) nr. 865\u002F2006 (de CITES-uitvoeringsverordening). In de bijlagen A tot en met D bij de CITES-basisverordening zijn de dier- en plantsoorten aangewezen die Europees zijn beschermd. De kraagpapegaai (Deroptyus accipitrinus) is genoemd in Bijlage B van de CITES-basisverordening.\n\n4.1.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Sindsdien is de CITES-regelgeving door de Nederlandse wetgever opgenomen in de Ow en uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), meer specifiek in artikel 4.3, tweede lid, onder a, van de Ow, gelezen in combinatie met paragraaf 11.2.9 van het Bal.\n\n4.2.. Vóór 1 januari 2024, ten tijde van het verkrijgen van de specimens door verzoeker, was de CITES-regelgeving opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb) en verder uitgewerkt in het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb). Deze wet- en regelgeving is met de inwerkingtreding van de Ow ingetrokken.\n\n4.3.. Op grond van artikel 2.9, vierde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is oud recht (alleen) van toepassing op handhavingszaken wanneer voor de inwerkingtreding van de Ow een overtreding plaatsvond, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding van het bepaalde bij en krachtens de Wnb klaarblijkelijk dreigde, en voor die overtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd of een schriftelijk voornemen daartoe is verzonden aan een belanghebbende.\n\n4.4.. De RVO heeft op 17 september 2025, dus na 1 januari 2024, het voornemen kenbaar gemaakt om de last onder bestuursdwang op te leggen. Dat betekent dat het huidige recht van toepassing is op de last onder bestuursdwang en het bestreden besluit.\n\nIs er sprake van een overtreding?\n\n5. Verzoeker stelt dat er geen sprake is van een overtreding omdat hij de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond met documentatie zoals de importvergunning en de verklaringen van de eerdere eigenaren van de kraagpapegaaien. Volgens verzoeker was de staatssecretaris in het verleden minder strikt met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. Zo was een gesloten administratie die correspondeerde met de dieren die werden gehouden, al voldoende.\n\n5.1.. Op grond van artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van onder meer de kraagpapegaai verboden. Dit verbod geldt niet indien ten genoegen van de staatssecretaris is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. De staatssecretaris komt bij het toezicht op de naleving van dit verbod beoordelingsruimte toe die hij in overeenstemming met de verordeningen en de bedoelingen daarvan moet invullen. Aan de tekst van artikel 8, eerste en vijfde lid van de Basisverordening in combinatie met artikel 54 van de Uitvoeringsverordening kan verder worden ontleend dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat de vogels een legale herkomst hebben. De Europese Commissie heeft Richtsnoeren geformuleerd over bewijs van legale verwerving voor levende dieren van in bijlage B genoemde diersoorten (Pb EU 2019\u002FC 107\u002F2, de Richtsnoeren).\n\n5.2.. Artikel 11.93, eerste lid, van het Bal verbiedt onder meer het handelen in strijd met artikel 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid van de CITES-basisverordening. Verder is het verboden om een kraagpapegaai in bezit te hebben (artikel 11.96, tweede lid, van het Bal). Van dit verbod wordt vrijstelling verleend als sprake is van een aantoonbaar gefokte vogel (artikel 11.97, eerste lid, onder b, van het Bal). Op grond van artikel 11.97, derde lid, onder c, van het Bal geldt deze vrijstelling alleen als de kraagpapegaai aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen en is voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 11.103 van het Bal in samenhang met artikel 4.32 van de Omgevingsregeling. Op deze administratieplicht gelden een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld voor gefokte vogels die zijn voorzien van een gesloten pootring (artikel 11.103, eerste lid, onder c, van het Bal).\n\n5.3.. De voorzieningenrechter neem als uitgangspunt de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 waarin op het verzoek om voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure is beslist (ECLI:NL:RBROT:2025:14639). Ook dat eerdere verzoek is afgewezen omdat de voorzieningenrechter toen vond dat de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker de legale herkomst van de kraagpapegaaien niet heeft aangetoond. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris in het standpunt dat verzoeker met de nadien overgelegde documentatie nog steeds niet de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond en dat er dus sprake is van een overtreding van artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening en artikel 11.96, tweede lid, van het Bal. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de importvergunning, de verklaringen van eerdere eigenaren en zowel het nummer van de pootring van de pop als het microchiptranspondernummer van de man geen aanknopingspunten geven voor het aantonen van de legale herkomst van de kraagpapegaaien. Verzoeker heeft ook geen documentatie overgelegd waaruit de herkomst van de ouderdieren van de gekweekte pop volgt. De voorzieningenrechter vindt de overgelegde documentatie van verzoeker ook niet op alle punten consistent. Zo heeft de pootring van de pop de codering E96, wat wijst op productiejaar 1996, terwijl de pop in 2010 zou zijn geboren. Verzoeker heeft z’n best gedaan om met diverse stukken de legale herkomst van de beide dieren aan te tonen maar het komt er kort gezegd op neer dat de bewijskracht van die stukken onvoldoende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker verder niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris in het verleden minder strikt was met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. In wat verzoeker verder heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Gelet op het voorgaande was de staatssecretaris dus in zoverre bevoegd om te handhaven.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak.Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie.\n\nBijzondere omstandigheden\n\n7. Verzoeker voert aan dat handhaving onevenredig is, omdat het verplaatsen van de kraagpapegaaien een impact heeft op hun welzijn.7.1.. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker gestelde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Het door verzoeker gestelde belang van het dierenwelzijn weegt in dit geval niet op tegen het belang van handhaving. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de staatssecretaris wil voorkomen dat er gekweekt wordt met de kraagpapegaaien en dat hiermee de overtreding wordt voortgezet. Er is namelijk al een nakweekdier van de vogels. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat het dierenwelzijn altijd in ogenschouw wordt genomen en geborgd. Daarbij had verzoeker eerder juist te kennen gegeven dat hij de kraagpapegaaien wilde verkopen aan een vriend in Italië, terwijl op de zitting pas duidelijk is geworden dat verzoeker dit niet meer van plan is.\n\n8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de staatssecretaris door kan gaan met handhaven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\nDe griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.\n\n ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7860","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.996Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":43,"courtId":66,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":43,"language":47,"source":48,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":50,"updatedAt":71},"1783","ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","ecli-nl-rbmne-2026-1474",63,"2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F2876\n einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen\n\n 1. [eiser 1], en\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden uit [plaats] ,\n\nsamen eisers,\n\n(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Aperloo).\n\nAls derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V.(vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).\n\nPartijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning)die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.\n\n2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak.Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen.\n\n3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026.\n\n4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven.\n\n5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten.\n\nOverwegingen\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.\n\nDe tussenuitspraak\n\n7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door:\n\ntoereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en\u002Fof\n\nnader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en\n\ninzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das.\n\nHet herstelbesluit\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 (het Stec-rapport). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders.\n\n9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming. Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024.\n\nDe zienswijze van eisers\n\n10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt.\n\n11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe noodzaak\n\n12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijnnagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming.\n\n15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat. Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen.\n\n17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das.\n\n18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.\n\nAlternatieven\n\n19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften.\n\n22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:5410.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:7504.\n\nRichtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2588 (Circuit Zandvoort), overweging 6.4 en het daarin aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:82 (Solvay), punten 73-77.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.622Z",20,[11,74],2022]