[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":53,"total":16,"page":25,"limit":82},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-02-18T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,50],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122969","Burgerlijk Wetboek","art. 3:194 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122970","art. 4:150 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122971","art. 4:151",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122973","art. 4:228",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122974","art. 3:170 lid 2",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122975","art. 3:170 lid 1",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122976","art. 4:159 lid 3",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"122977","art. 3:169",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"122978","art. 4:7 lid 1",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"124249","art. 3:166 lid 1",[54,65,74],{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"653","ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","ecli-nl-rbnho-2026-7435","","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12142575 \\ EJ VERZ 26-97 WD\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [plaats 2] ( [land] ),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. E.Z. Anink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met 16 producties;\n\n- het verweerschrift, met een verzoek in het incident, met 12 producties; - de brief van mr. Keuchenius met de juiste versie van productie 12; - het verweerschrift in het incident.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden (hierna: de erflater).\n\n2.2.. De erflater was bij leven in tweede echt gehuwd met [verweerder] . Zij waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de notariële huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden bepaald door Nederlands recht, met uitzondering van het aan partijen toebehorende in Frankrijk gelegen registergoed, waarop het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing is verklaard.\n\n2.3.. \n [verzoeker] is de zoon van [verzoeker] uit een eerder huwelijk. Voor het overige had de erflater geen afstammelingen.2.4.. De erflater heeft ten overstaan van een Nederlandse notaris bij testament van 16 februari 2010 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij, voor zover thans van belang: - bepaald dat de vererving en de wijze van afwikkeling van zijn nalatenschap zullen worden beheerst door Nederlands recht; - [verzoeker] benoemd tot enig erfgenaam; - [verweerder] benoemd tot executeur; - aan [verzoeker] gelegateerd een in [plaats 3] gelegen woning; - aan [verweerder] gelegateerd het aandeel van de erflater in de beperkte gemeenschap van inboedel, een bedrag van € 100.000,00 en het vruchtgebruik van zijn nalatenschap;\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.\n\n2.6.. \n [verweerder] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en een ruimschoots verklaring afgegeven.\n\n2.7.. Tot de nalatenschap van de erflater behoren – onder meer -: - de in [plaats 3] gelegen woning; - een onverdeeld aandeel in een in Frankrijk gelegen woning; - een 100% belang in Calenus B.V. - een positief saldo bij de ING-bank - belastingschulden; - een schuld van de erflater aan Calenus B.V.3. Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter [verweerder] ontslaat uit haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer.\n\n4. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n4.1.. \n [verweerder] verzoekt dat de kantonrechter zich niet bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen.\n\n4.2.. \n [verweerder] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. De laatste verblijfplaats van de erflater was gelegen in Frankijk. Dit brengt mee dat de Franse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is, is dat de rechter van de rechtbank Den Haag.\n\n4.3.. \n [verzoeker] voert het volgende verweer. De afwikkeling van de nalatenschap is in vele opzichten verbonden aan de Nederlandse rechtssfeer, onder meer doordat [verweerder] een Nederlandse notaris als boedelnotaris heeft benoemd, die zich in het Nederlandse boedelregister heeft laten inschrijven. Daarbij komt dat de erflater ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament geen rekening heeft kunnen houden met de daarna ingevoerde Europese Erfrechtverordening, waar [verweerder] zich nu op beroept. Het beroep van [verweerder] op de bevoegdheid van de Franse rechter is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [verzoeker] verwacht dat partijen een forumkeuze overeenkomst kunnen sluiten en verzoekt hierom dat de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Subsidiair verwacht [verzoeker] dat de Franse rechter zich op verzoek van [verzoeker] onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter beter in staat is om uitspraak te doen over onderhavige kwestie. Daarom verzoekt [verzoeker] subsidiair dat de kantonrechter onderhavige procedure enige tijd aanhoudt.\n\n5. De beoordeling in het incident\n\n5.1.. Dit incident gaat over de vraag of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Europese Erfrechtverordening. Deze verordening is materieel van toepassing omdat de hoofdzaak betrekking heeft op de erfopvolging in nalatenschappen van overleden personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de erfrechtverordening en het geschil niet ziet op de in lid 2 van voornoemd artikel voorkomende uitzonderingen. De erfrechtverordening is formeel van toepassing, omdat de erflater is overleden na 17 augustus 2015 (zie artikel 83 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening).\n\n5.2.. De Europese Erfrechtverordening bepaalt in artikel 4 als hoofdregel dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Toepassing van de hoofdregel zou meebrengen dat niet een in Nederland zetelende kantonrechter, maar een Franse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. Immers, tussen partijen staat vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk.\n\n5.3.. \n [verzoeker] betoogt dat in dit geval een uitzondering op voornoemde hoofdregel moet worden gemaakt. Derhalve moet de kantonrechter beoordelen of er onder de gegeven omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt bij deze beoordeling geen betekenis toe aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter gaat voorbij aan het op deze grond gevoerde verweer van [verzoeker] . Evenmin komt relevante betekenis toe aan het gegeven dat de erflater bij het verlijden van het testament de invoering van de Europese Erfrechtverordening niet heeft voorzien.\n\n5.4.. Dat partijen een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 5 van de Europese Erfrechtverordening, is niet gebleken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hiertoe, zoals [verzoeker] voorstelt, een mondelinge behandeling te houden. Partijen, voorzien van professionele gemachtigden, zijn in staat een dergelijke overeenkomst te sluiten. Een mondelinge behandeling heeft in dat kader geen toegevoegde waarde.\n\n5.5.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om, zoals subsidiair voorgesteld door [verzoeker] , de behandeling van deze zaak enige tijd aan te houden om verwijzing door een Franse rechter op grond van artikel 6 van de Europese Erfrechtverordening mogelijk te maken. Gelet op de rechtskeuze in het testament heeft de Franse rechter op grond van voornoemd artikel de mogelijkheid om zich onbevoegd te verklaren, indien deze van oordeel is dat de Nederlandse rechter beter in staat zal zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Onder de gegeven omstandighedenacht de kantonrechter het niet onmogelijk dat de Franse rechter tot dit oordeel zou kunnen komen.\n\n5.6.. De kantonrechter zal deze zaak aanhouden tot maandag 5 oktober 2025. Beide partijen dienen zich uiterlijk op deze datum uit te laten over het opstarten en de voortgang van de in Frankrijk te voeren gerechtelijke procedure en de termijn waarbinnen zij verwachten dat de Franse rechter uitspraak doet over zijn bevoegdheid. Mocht de kantonrechter op basis van de berichtgeving van partijen tot het oordeel komen dat door één van beide partijen (of door allebei) in Frankrijk niet met voldoende voortvarendheid wordt geprocedeerd, zal de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij gerade acht.\n\n5.7.. De behandeling van de hoofdzaak zal ook worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident6.1.. houdt de zaak aan tot maandag 5 oktober 2026 voor een akte van beide partijen over hetgeen hiervoor onder r.o. 5.6. is overwogen;\n\nin de hoofdzaak en in het incident\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n De kantonrechter ontleent deze opsomming aan de boedelbeschrijving die door [verweerder] is opgesteld en door [verzoeker] als productie 14 bij verzoekschrift in het geding is gebracht.\n\n VERORDENING (EU) Nr. 650\u002F2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring\n\n Zie 2.1. tot en met 2.7.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.395Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":63,"updatedAt":73},"1757","ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","ecli-nl-rbnho-2026-5734","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375585 \u002F KG ZA 26-118\n\nVonnis in kort geding van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. D.W. Ruys,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nin hoedanigheid van executeur en erfgenaam van de nalatenschap van [erflaatster],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Bouter.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1-6;\n\n- de producties 1-16 namens [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van mr. Ruys, - de pleitnota van mr. Bouter.\n\n1.2.. De zaak is na afloop van de mondelinge behandeling een week aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven afspraken te maken. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen en hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om vonnis te wijzen.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is overleden op 15 september 2023. Op 16 november 2021 maakte zij haar laatste testament op, waarin zij haar echtgenoot, [gedaagde] , en haar twee kinderen ( [eiseres] en [zoon ] ) tot erfgenamen benoemde. [gedaagde] werd bovendien tot executeur benoemd.2.2.. In het testament is bepaald dat op de nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Volgens het testament komt aan [gedaagde] 3\u002F6e deel, aan [zoon ] 2\u002F6e deel en aan [eiseres] 1\u002F6e deel van de nalatenschap toe. Het erfdeel van [eiseres] komt overeen met haar legitieme portie.\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft een boedelbeschrijving opgesteld. In de boedelbeschrijving zijn onder de schulden van de nalatenschap onder andere een schuld van € 82.911,36 opgenomen wegens openstaande declaraties van het kantoor van mr. J. Bouter en een schuld aan [zoon ] van € 20.000,-.\n\n2.4.. \n [eiseres] heeft [gedaagde] verzocht inzage te geven in alle bankafschriften over vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster, declaraties ter onderbouwing van de schuld aan het advocatenkantoor en betaalbewijzen in verband met de opgenomen schuld aan [zoon ] . [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiseres] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een afschrift van alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen op naam van erflaatster en\u002Fof [gedaagde] te verstrekken, over een periode van vijf jaar voor het overlijden, integraal en ongeschoond;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle declaraties, urenspecificaties en betaalbewijzen die ten grondslag liggen aan het in de boedelbeschrijving als schuld opgevoerde bedrag van € 82.911,36 wegens advocaatkosten van het kantoor van mr. J. Bouter;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle stukken waaruit zou blijken dat sprake is van een daadwerkelijke schuld van erflaatster aan haar zoon de heer [zoon ] ten bedrage van € 20.000,-, waaronder schriftelijke overeenkomsten, correspondentie en bankmutaties betreffende de gestelde betaling(en) en eventuele terugbetaling(en);\n\nIV. bepaalt dat [gedaagde] in privé bij gebreke van (tijdige) nakoming van de onder I. tot en met III. gevorderde verplichtingen een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag(deel) dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;\n\nV. [gedaagde] in privé veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n\n [eiseres] legt kort gezegd aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 4:16 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben erfgenamen jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. Dit omvat ook bewijsstukken van opgevoerde schulden. Verder zijn [eiseres] en [gedaagde] als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Een deelgenoot in een nalatenschap heeft in die zin tegenover de andere deelgenoten recht op inzage van alle stukken die deel uitmaken van de nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn.\n\nDaarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Om te beoordelen of de legitieme portie van [eiseres] door schenkingen bij leven van erflaatster is geschonden en zij mogelijk een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen, heeft zij recht op de gevraagde bankafschriften en deze zelf te onderzoeken. Daarnaast wil [eiseres] controleren of de in de boedelbeschrijving opgenomen schulden aan het advocatenkantoor en [zoon ] kloppen.\n\n3.3.. \n\n [gedaagde] voert verweer en vindt dat hij de gevorderde stukken niet hoeft te verstrekken. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] verzet zich tegen het overleggen van vertrouwelijke correspondentie tussen advocaat en cliënt alsmede gedetailleerde urenspecificaties waaruit de inhoud van de behandeling van de zaak tussen [gedaagde] en de zoon van [eiseres] blijkt. [eiseres] heeft geen recht op onbeperkte inzage in vertrouwelijke informatie tussen advocaat en cliënt. Zelfs facturen behoeven volgens het verschoningsrecht niet te worden overgelegd.\n\nTen aanzien van de lening van € 20.000,- bij [zoon ] heeft [gedaagde] producties overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat na ontvangst van dat geld, [gedaagde] en erflaatster dit bedrag diezelfde dag en de dag erna aan de advocaat hebben betaald onder vermelding van de desbetreffende factuurnummers. Bovendien is er een schuldbekentenis opgemaakt tussen [zoon ] en [gedaagde] en erflaatster. Daarmee is voldoende inzage gegeven.\n\nVerder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een bevel tot overleggen van alle bankafschriften het recht op eerbiediging van het privéleven raakt, artikel 4:16 lid 4 BW geen algemene controlerecht over iemands privé-uitgaven schept en [eiseres] geen beroep kan doen op artikel 4:148 BW omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden als executeur al heeft voltooid.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen spoedeisend belang4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft.\n\n4.2.. \n [eiseres] stelt dat haar spoedeisend belang gelegen is in het stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, zolang zij geen volledig en controleerbaar inzicht heeft in de omvang en juistheid van de opgevoerde advocaatkosten, de juistheid en toelaatbaarheid van de opgevoerde schuld aan haar broer en het verloop van de relevante bankrekeningen in de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster. Zonder deze informatie kan [eiseres] haar erfdeel niet correct vaststellen, noch bepalen of en in hoeverre zij een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen. Bovendien verslechtert de bewijspositie van [eiseres] met het verstrijken van de tijd en wordt het herstel van eventuele onjuiste onttrekkingen of ten onrechte opgevoerde schulden praktisch steeds lastiger. In de komende maanden dreigen belangrijke bankafschriften verloren te gaan (in verband met de geldende wettelijke bewaartermijn voor banken), die mogelijk ook zien op de gemaakte advocaatkosten, lening en schenkingen. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang van [eiseres] betwist.4.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiseres] ontbreekt. Dit concludeert hij op basis van het feit dat [eiseres] - zoals zij zelf ook heeft gesteld - nog tot 15 september 2028 een aanvullend beroep op haar legitieme portie kan doen en de verklaring van mr. Bouter ter zitting dat hij (digitaal) beschikt over de gevraagde bankafschriften van de periode van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster. [eiseres] hoeft dus niet te vrezen dat de gevorderde bankafschriften verloren zullen gaan. Verder beschikt [gedaagde] over de advocatendeclaraties van het kantoor van mr. Bouter. Ook hiervoor geldt dus dat de gevorderde stukken beschikbaar zijn, zodat niet gevreesd hoeft te worden dat deze er niet zullen zijn als pas in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [gedaagde] daar afschriften van moet verstrekken. Ten aanzien van de gestelde lening aan [zoon ] heeft [gedaagde] in deze procedure al stukken overgelegd op basis waarvan [eiseres] haar standpunt daarover kan bepalen. Ook uit het willen verkrijgen van duidelijkheid over haar rechtspositie en het mogelijk stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, leidt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang af.\n\n4.4.. De vorderingen van [eiseres] worden vanwege het voorgaande afgewezen. De overige standpunten van partijen behoeven daarom geen bespreking.\n\nProceskosten4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om anders te beslissen over de proceskosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiseres] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","2026-05-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.351Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":78,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":81},"1023","ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","ecli-nl-rbnho-2026-1723","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F355531 \u002F HA ZA 24-438\n\nVonnis van 18 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser], in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser] , 2. [eiseres],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nadvocaat: mr. R.A. van Liere,\n\ntegen\n\n [gedaagde], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van\n\n [erflater] en pro se,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. H.J.M. van Schie (voorheen mr. S.L.D. van den Brink).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze erfrechtzaak gaat het onder meer om de vraag of de executeur bepaalde kosten ten laste van de nalatenschap mocht brengen. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat de executeur dit niet mocht. Verder bepaalt de rechtbank in dit vonnis hoe de nalatenschap is samengesteld. Ook gelast de rechtbank de wijze van verdeling.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 maart 2025, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen.\n\n1.2.. Deze mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de brief van mr. Van den Brink van 16 oktober 2025 en de akte houdende aanvullende producties tevens akte eiswijziging met producties 23 tot en met 25 van [gedaagde] aan het procesdossier toegevoegd. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank bepaald dat in deze zaak vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De heer [erflater] (hierna: erflater) is op 30 mei 2020 overleden. Hij had drie kinderen: [gedaagde] , [dochter van erflater] en [erflaatster] . [eiseres] is het kind van [dochter van erflater] en dus het kleinkind van erflater. [erflaatster] is op 23 november 2024 overleden. [eiser] was de levenspartner van [erflaatster] . [eiser] is de executeur in de nalatenschap van [erflaatster] en één van [erflaatster] erfgenamen.\n\n2.2.. Op 21 december 2010 heeft erflater zijn testament op laten maken. Daarin heeft hij [erflaatster] , [eiseres] en [gedaagde] tot enige erfgenamen benoemd, ieder voor een derde deel. Aan [dochter van erflater] heeft erflater een legaat toegekend ter grootte van haar legitieme. Erflater heeft [gedaagde] tot executeur benoemd.\n\n2.3.. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. [gedaagde] heeft ook zijn benoeming tot executeur aanvaard.\n\n2.4.. In 2017 hebben erflater en [gedaagde] een overeenkomst met elkaar gesloten over de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats]. De tussen erflater en [gedaagde] op 2 april 2017 opgemaakte onderhandse akte (hierna ook: de overeenkomst) luidt als volgt (waarbij met ondergetekende 1 is bedoeld erflater en met ondergetekende 2 [gedaagde] ):\n\n“(…)\n\nOverwegende dat:\n\nDat ondergetekende 2 op dit moment geen financiering kan krijgen voor de aankoop van een woning;\n\nDat ondergetekende 1 onder voorwaarden bereid is te helpen bij het verkrijgen van financiering;\n\nDat ondergetekende 1 geen kosten wenst te maken voor deze financiering (het verkrijgen ervan en gedurende de looptijd van de financiering), maar ook niet deelt in de opbrengsten behoudens 10 procent van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst (saldo aankoop en verkoopprijs min alle gemaakte en te maken kosten gecorrigeerd met inflatie);\n\nDat ondergetekende 1 zich evenmin bezighoudt met de exploitatie van de woning;\n\nDat uitgangspunt is dat erfgenamen op geen enkele wijze worden benadeeld of bevoordeeld door de aankoop en het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van ondergetekenden;\n\n(…)\n\nKomen overeen:\n\nOndergetekende 1 (hierna “1”) en ondergetekende 2 (hierna “2”) kopen de nieuwbouwwoning in [woonplaats] en vragen hiervoor een hypotheek aan;\n\nUitgangspunt is dat 80 tot 90 procent marktwaarde extern wordt gefinancierd en ondergetekende 2 de lasten van deze financiering volledig draagt;\n\nDe resterende 20 tot 10 procent wordt betaald door 2;\n\nDe eigenaarslasten (…) en alle overige lasten waaronder vanzelfsprekend de (gedeeltelijke) aflossing van de hypotheek en hypotheekrente komen volledig voor rekening van 2. De huuropbrengsten komen volledig ten goede aan 2. Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;\n\nFiscaal vindt optimalisatie plaats. Ondergetekenden spannen zich daar maximaal voor in. Een eventueel nadeel daarbij voor 1 wordt gecompenseerd door 2. (…)\n\n(…)\n\n8. Bij (plotseling) gewijzigde (onvoorziene ernstige) omstandigheden zoals bijvoorbeeld\n\noverlijden ernstige ziekte wijziging in financiële situatie fiscale positie of anderszins van\n\nondergetekenden hebben ondergetekenden het recht het huis te verkopen aan derden hetzij het pand over te dragen op basis van aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) aan ondergetekende 2. Het laatste prevaleert als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen in ieder geval zal alvorens de woning aan derden te koop wordt aangeboden ondergetekende 2 in de gelegenheid worden gesteld het eigendom van de woning volledig te verwerven. Daartoe zal een gebruikelijke aanbiedingsprocedure worden doorlopen waarvan in ieder geval deel uitmaakt het doen van het voorstel tot verkoop de mogelijkheid om binnen vier weken na ontvangst van dit voorstel aan te geven of de wens tot overname bestaat en vervolgens een termijn van 3 maanden om een eventueel gewenste overdracht van (de helft van de) woning concreet vorm te geven\n\n 9. Ondergetekende 2 staat garant voor het opbrengen van alle directe en indirecte kosten\n\n(…) Ondergetekende 1 draagt geen enkel risico.\n\n(…)”\n\n2.5.. Erflater en [gedaagde] zijn eigenaar geworden van de [adres 1] : erflater voor een vierde onverdeeld aandeel en [gedaagde] voor drie vierde onverdeeld aandeel.\n\n3. De vorderingen in conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [eiser] en [eiseres] vorderen, samengevat:\n\nI. een verklaring voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd;\n\nII. een verklaring voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen;\n\nIII. veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum waarop [gedaagde] het beheer verkreeg of geacht wordt te hebben verkregen tot aan de datum waarop rekening en verantwoording wordt afgelegd, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nIV. veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater;\n\nV. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflater gelast conform randnummers 23 tot en met 55 van de dagvaarding. Specifiek voor de [adres 1] vorderen [eiser] en [eiseres] , kort gezegd, dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen de vrije verkoopwaarde in het economische verkeer en dat [eiser] en [eiseres] worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Als [gedaagde] financieel niet in staat is om hieraan mee te werken of als de levering aan [gedaagde] niet binnen twee maanden na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, vorderen [eiser] en [eiseres] dat zij op grond van artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gemachtigd om de [adres 1] aan een derde te verkopen door tussenkomst van een makelaar en tegen een door de makelaar te bepalen prijs. Verder vorderen [eiser] en [eiseres] dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor deze toedeling of verkoop van de [adres 1] en de overdracht daarvan, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel heeft verbeurd in (i) de huurinkomsten van de [adres 1] en (ii) in de huurinkomsten van de [adres 2] en dat [gedaagde] een betalingsverplichting jegens de nalatenschap heeft ter grootte van deze huurinkomsten;\n\nVII. dat de rechtbank [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt en dit vonnis (zoveel mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad verklaart.\n\n3.2.. \n\n [gedaagde] heeft een aantal tegenvorderingen ingesteld. [gedaagde] vordert, samengevat en na eiswijziging, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de [adres 1] zo vaststelt dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] wordt geleverd aan de zoon van [gedaagde] ( [zoon] ), althans dat hun onverdeelde aandeel daarin aan [gedaagde] wordt toebedeeld zodat [gedaagde] dit aan zijn zoon kan leveren;\n\nII. medewerking van [eiser] en [eiseres] aan het onder I. gevorderde en dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde (rechts)handelingen als [eiser] en [eiseres] daaraan niet meewerken;\n\nIII. een verklaring voor recht dat aan [eiser] en [eiseres] geen enkele vergoeding toekomt met betrekking tot de [adres 1] , uit hoofde van overbedeling of uit welke hoofde dan ook;\n\nIV. dat de rechtbank aan [eiser] en [eiseres] opdraagt om met de bewindvoerder van [dochter van erflater] in gesprek te gaan over de uitvoering van de wil van erflater, te weten dat er na zijn overlijden voldoende geld uit zijn nalatenschap beschikbaar is als aanvulling op het inkomen van [dochter van erflater] en voor de betaling van haar zorgkosten, welk geld (mede) uit het erfdeel van [eiser] en [eiseres] dient te komen;\n\nV. hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [eiseres] om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer uit hoofde van de nalatenschap te vorderen hebben en dat zij geen vordering op [gedaagde] hebben die op enigerlei wijze zijn oorsprong in de nalatenschap vindt;\n\nVII. een verklaring voor recht dat op wat [eiser] en [eiseres] al uit de nalatenschap hebben verkregen een bedrag van € 1.440,00 aan opslagkosten in mindering komt;\n\nVIII. dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en tot betaling van de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten van € 10.000,00.\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer. De rechtbank zal ingaan op de stellingen en verweren van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] en de tegenvorderingen van [gedaagde] strekken tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De rechtbank zal de vorderingen daarom gezamenlijk bespreken en beoordelen.\n\nExecutele\n\n4.2.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] die te maken hebben met de executele zal de rechtbank toewijzen. Dat zijn de vorderingen die in 3.1.I. tot en met 3.1.III. van dit vonnis zijn genoemd. Alleen de gevorderde dwangsom vindt de rechtbank niet toewijsbaar.\n\n4.3.. Dit betekent in de eerste plaats dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de executeurstaak van [gedaagde] is geëindigd. [gedaagde] zegt tegen toewijzing van deze verklaring voor recht immers geen bezwaar te hebben. Bovendien heeft [gedaagde] niet weersproken dat de (opeisbare) schulden van de nalatenschap zijn voldaan. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden als executeur dus voltooid, waarmee zijn taak als executeur op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW is geëindigd.\n\n4.4.. Dat de taak van de executeur is geëindigd, betekent niet automatisch dat de executeur niet meer het beheer over de goederen van de nalatenschap heeft en de erfgenamen tot het beheer zijn bevoegd. De executeur beëindigt zijn beheer door de goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen ter beschikking te stellen (artikel 4:150 lid 1 BW). De erfgenamen kunnen de bevoegdheid van de executeur tot beheer op grond van artikel 4:150 lid 2 sub b BW beëindigen als anderhalf jaar is verstreken nadat de executeur de nalatenschap in beheer heeft kunnen nemen. De rechtbank beschouwt het beheer van [gedaagde] als beëindigd omdat [eiser] en [eiseres] zich op dit laatstgenoemd artikel onweersproken hebben beroepen en [gedaagde] zegt er geen bezwaar tegen te hebben als de erfgenamen de nalatenschap beheren. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat het beheer aan de erfgenamen toekomt daarom toewijzen.\n\n4.5.. De executeur van wie de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is op grond van de wet (artikel 4:151 BW) verplicht om aan (in dit geval) de erfgenamen rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op de manier als voor bewindvoerders is bepaald. Volgens [gedaagde] heeft hij al aan deze verplichting voldaan met zijn als productie 5 overgelegde e-mail van 19 januari 2022 met bijlagen. De rechtbank kan [gedaagde] daarin niet volgen, (reeds) omdat de periode waarover [gedaagde] rekening en verantwoording moet afleggen loopt tot en met het einde van zijn beheer. Productie 5 ziet slechts op de periode tot (maximaal) 19 januari 2022. Omdat [gedaagde] geen ander relevant verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde rekening en verantwoording, zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen. De rechtbank zal aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden, omdat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij vrijwillig aan een veroordeling op dit punt zal voldoen.\n\nDe nalatenschap van erflater - juridisch kader\n\n4.6.. Voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de bezittingen en schulden die bij de nalatenschap horen, geldt het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater (30 mei 2020) als peilmoment. Als het gaat om de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de bezittingen, is de hoofdregel dat het moment van verdeling moet worden aangehouden. Partijen hebben over de verdeling geen volledige overeenstemming kunnen bereiken. Verderop in dit vonnis zal de rechtbank daarom op de voet van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Daarbij heeft de rechtbank naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de wijze van verdeling gelast, is niet gebonden aan wat partijen hebben gevorderd en hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. Verder is het zo dat bij een verdeling iedere erfgenaam kan verlangen dat op het aandeel van een andere erfgenaam wordt toegerekend wat deze aan de nalatenschap schuldig is (artikel 4:228 BW). Ten slotte speelt in deze zaak artikel 3:194 lid 2 BW een rol. Op grond van dit wetsartikel verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot.\n\nWat valt in de nalatenschap?\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van erflater, op de dag van zijn overlijden, uit de volgende bestanddelen bestond:\n\n- een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] en de op de [adres 1] rustende hypothecaire geldlening. Volgens de onweersproken stellingen van [gedaagde] bedroeg deze hypothecaire schuld op de dag dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord heeft ingediend een kleine € 200.000,00;\n\n- de onroerende zaak aan de [adres 2] (waar erflater woonde);\n\n- een onverdeeld aandeel in de loods aan de [adres 3] in Schagen (hierna: de loods);\n\n- de creditsaldi van de bij de Rabobank aangehouden rekeningen (de betaalrekening met nummer [rekeningnummer] (hierna: de ervenrekening) en de spaar- en beleggingsrekening);\n\n- contanten van € 1.200,00;\n\n- een auto, merk Audi (TT);\n\n- inboedel.\n\nAuto\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de auto aan zijn zoon overgedragen zonder dat zijn zoon daar iets voor hoefde te betalen. [eiser] en [eiseres] hebben ter zitting van 28 oktober 2025 verklaard dat zij hiermee bij nader inzien akkoord zijn en dat, naar de rechtbank begrijpt, aanspraken van de nalatenschap die met de auto te maken hebben buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Bij de beoordeling zal de rechtbank de auto daarom verder niet betrekken.\n\nDe ervenrekening\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat zij als erfgenamen (dezelfde) voorschotten van de ervenrekening hebben ontvangen en dat van de ervenrekening € 5,65 aan [gedaagde] moet worden betaald vanwege voorgeschoten bankkosten. Ook staat vast dat de saldi van de spaar- en beleggingsrekeningen naar de ervenrekening zijn overgemaakt.\n\n4.10.. Na het overlijden van erflater zijn de [adres 2] en de loods aan een derde verkocht en geleverd. De verkoopopbrengst is naar de ervenrekening overgemaakt. De koper van de loods heeft voor de loods aanvullend € 5.000,00 in contanten betaald. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] dit bedrag buiten de nalatenschap gehouden. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en in dat verband gewezen op een overgelegd bankafschrift waaruit volgens [gedaagde] is af te leiden dat het betreffende bedrag van € 5.000,00 naar de ervenrekening is overgemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben dit niet weersproken. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het bedrag van € 5.000,00 is overgemaakt naar de ervenrekening en dus al in het banksaldo van de ervenrekening is verdisconteerd.\n\n4.11.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat na voornoemde bij- en afschrijvingen uitgegaan moet worden van een creditsaldo op de ervenrekening van € 83.572,08. Op de zitting van\n\n28 oktober 2025 is duidelijk geworden dat dit saldo inmiddels met ruim € 30.000,00 is verminderd omdat [gedaagde] een aantal kosten, die [eiser] en [eiseres] hebben betwist, al van de ervenrekening heeft betaald. [gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het gaat om de volgende kosten:\n\n- verbouwingskosten;\n\n- loon executeur;\n\n- juridische advieskosten;\n\n- opslagkosten;\n\n- de kosten van de tandemasser.\n\n4.12.. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet ten laste van de nalatenschap konden worden gebracht. Hierna legt de rechtbank uit waarom.\n\nVerbouwingskosten\n\n4.13.. \n [gedaagde] heeft na het overlijden van erflater in (een bijgebouw van) de [adres 2] twee slaapkamers gecreëerd. Volgens [gedaagde] heeft deze verbouwing er aan bijgedragen dat de [adres 2] voor ruim € 100.000,00 meer dan de getaxeerde waarde werd verkocht. [gedaagde] stelt dat de verbouwing € 5.000,00 heeft gekost en dat deze kosten redelijkerwijs voor rekening van de nalatenschap komen.\n\n4.14.. \n [eiser] en [eiseres] hebben daartegen ingebracht dat de verbouwingskosten niet zijn onderbouwd en dat er geen (juridische) grond is om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] de verbouwing doorgevoerd zonder met hen te overleggen. Toen zij erachter kwamen dat de [adres 2] was verbouwd, zegde [gedaagde] hen toe dat hij de verbouwing zou terugdraaien maar daaraan heeft [gedaagde] zich niet gehouden, aldus [eiser] en [eiseres] .\n\n4.15.. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] als executeur bevoegd was tot beheer van de goederen van de nalatenschap. Voor de aan het beheer te ontlenen bevoegdheden kan aansluiting worden gezocht bij artikel 3:170 lid 2 BW. Volgens deze bepaling zijn onder beheer begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn. Ook was [gedaagde] tot handelingen bevoegd die dienen tot gewoon onderhoud of tot behoud van een goed van de nalatenschap en tot handelingen die geen uitstel kunnen leiden (artikel 3:170 lid 1 BW).\n\n4.16.. De rechtbank ziet niet dat de verbouwing voor een normale exploitatie van de [adres 2] dienstig kon zijn. [gedaagde] heeft hierover ook niets gesteld. De verbouwing betrof ook geen gewoon onderhoud en de verbouwing was niet noodzakelijk voor het behoud van de woning. Bovendien is de verbouwing niet terug te voeren op een tussen [gedaagde] en de erfgenamen gemaakte afspraak. [gedaagde] stelt in ieder geval niet dat hij hierover met de (andere) erfgenamen een afspraak heeft gemaakt. [gedaagde] heeft de verbouwing dan ook niet bevoegdelijk verricht, zodat de daarmee gepaarde kosten ook niet ten laste van de nalatenschap mochten worden gebracht.\n\nLoon executeur en juridische advieskosten\n\n4.17.. \n\n [gedaagde] heeft zich als executeur een loon toegekend van € 18.000,00. [gedaagde] stelt dat hij op grond van onvoorziene omstandigheden recht heeft op dit loon, omdat zijn taak als executeur meer tijd en moeite bleek te kosten dan was voorzien. [gedaagde] kwam tot deze conclusie nadat zijn dochter hem hierover juridisch had geadviseerd. Ter zitting van\n\n28 oktober 2025 is gebleken dat de dochter van [gedaagde] voor dit advies € 2.904,00 in rekening heeft gebracht en dat [gedaagde] deze kosten heeft aangemerkt als kosten van executele.\n\n4.18.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat dit schulden van de nalatenschap zijn. Zij wijzen op het testament waarin is bepaald dat de executeur geen recht heeft op loon en dat [gedaagde] de kantonrechter had moeten vragen om hem toch een beloning toe te kennen. Volgens [eiser] en [eiseres] zou de kantonrechter [gedaagde] echter geen beloning hebben toegekend omdat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden. Verder bestrijden [eiser] en [eiseres] dat de juridische kosten van € 2.904,00 zijn aan te merken als kosten van executele.\n\n4.19.. De rechtbank is het met [eiser] en [eiseres] eens dat [gedaagde] geen recht heeft op loon. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat de executeur geen loon toekomt. [gedaagde] heeft de kantonrechter ook niet gevraagd om hem op grond van onvoorziene omstandigheden toch een beloning toe te kennen (op grond van artikel 4:144 lid 3 in samenhang gelezen met artikel 4:159 lid 3 BW), zodat een toewijzende beschikking van de kantonrechter ook niet voorhanden is. Het juridisch advies over zijn aanspraak op loon, heeft [gedaagde] uitsluitend ten behoeve van zichzelf ingewonnen. De rechtbank ziet dan ook niet dat dit kosten zijn die [gedaagde] , gelet op de hem door de wet of erflater toegedachte taak, in redelijkheid heeft kunnen maken. De juridische advieskosten zijn daarom niet aan te merken als kosten van executele. Deze kosten en het bedrag aan loon voor de executeur hadden dus niet van de ervenrekening mogen worden betaald.\n\nOpslagkosten en kosten van de tandemasser\n\n4.20.. \n\n [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij jarenlang de resterende inboedel van de nalatenschap heeft opgeslagen in twee van zijn zes inboedelboxen. Volgens [gedaagde] verhuurt hij de inboedelboxen normaal gesproken voor € 600,00 per box per jaar. [gedaagde] heeft\n\n€ 4.800,00 aan opslagkosten van de ervenrekening betaald (twee boxen voor € 600,00 per box per jaar × vier jaar). Voor het vijfde jaar (2025) geldt een verhoogd tarief van (totaal) € 1.440,00, aldus [gedaagde] . Gelet op de verklaring voor recht die [gedaagde] onder 3.2.VII vordert, gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] dit bedrag van € 1.440,00 nog niet van de ervenrekening heeft betaald. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij indertijd zijn tandemasser 40 dagen ter beschikking heeft gesteld om spullen uit de [adres 2] naar de stort te brengen, waarvoor [gedaagde] € 2.000,00 (€ 50,00 per dag × 40 dagen) heeft gerekend. Omdat [eiser] en [eiseres] onderhavige procedure zijn begonnen, heeft [gedaagde] besloten om de kosten van de tandemasser en de opslagkosten alsnog in rekening te brengen, aldus [gedaagde] .\n\n4.21.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat deze kosten ten laste van de nalatenschap komen. Zij voeren aan dat [gedaagde] deze kosten niet onderbouwt en dat de opslagkosten onnodig zijn gemaakt. Volgens [eiser] en [eiseres] kan [gedaagde] deze kosten de erfgenamen na zo’n lange periode in ieder geval in redelijkheid niet tegenwerpen.\n\n4.22.. \n\nAls zou komen vast te staan dat de opslagkosten € 1.200,00 (of inmiddels\n\n€ 1.440,00) per jaar bedragen, dan vindt de rechtbank dat [gedaagde] deze kosten in redelijkheid niet heeft kunnen maken, althans niet zonder voorafgaand overleg met de (andere) erfgenamen. Deze opslagkosten staan namelijk in geen verhouding tot de waarde van de opgeslagen inboedel. Die waarde is immers volgens de eigen stellingen van [gedaagde] nihil. [gedaagde] heeft het van tevoren ook niet met de andere erfgenamen over deze opslagkosten gehad. [gedaagde] kan deze opslagkosten daarom niet na vier of vijf jaar ‘zomaar’ ten laste van de nalatenschap brengen. Dit betekent voor de verklaring voor recht, die [gedaagde] met betrekking tot de opslagkosten ter hoogte van € 1.440,00 vordert (zie 3.2.VII.), dat de rechtbank deze verklaring voor recht zal afwijzen.\n\n4.23.. Ook de kosten van de tandemasser kunnen niet ten laste van de nalatenschap worden gebracht. Hoe het ter beschikking stellen van de tandemasser [gedaagde] € 2.000,00 kan hebben gekost, heeft [gedaagde] namelijk niet gemotiveerd gesteld.\n\n4.24.. \n\nHet voorgaande brengt mee dat [gedaagde] een bedrag van € 32.704,00 (€ 5.000,00 +\n\n€ 18.000,00 + € 2.904,00 + € 4.800,00 + € 2.000,00) aan de nalatenschap moet vergoeden, omdat [gedaagde] deze kosten onbevoegd van de ervenrekening heeft betaald.\n\n [adres 2]\n\n4.25.. Wat betreft de [adres 2] hebben partijen over twee punten een geschil. Het eerste geschilpunt heeft te maken met de huuropbrengsten van de [adres 2] en het tweede geschilpunt gaat over de gebruiksvergoeding die [gedaagde] volgens [eiser] en [eiseres] aan de nalatenschap is verschuldigd omdat [gedaagde] na het overlijden van erflater in de [adres 2] heeft gewoond.\n\nHuuropbrengsten\n\n4.26.. Vaststaat dat de [adres 2] na het overlijden van erflater is verhuurd. In de dagvaarding hebben [eiser] en [eiseres] vermeld dat zij de huuropbrengsten niet hebben kunnen terugvinden op de bankafschriften van de ervenrekening. Volgens [eiser] en [eiseres] rechtvaardigt dit de conclusie dat [gedaagde] de huuropbrengsten opzettelijk heeft verzwegen of verborgen heeft gehouden en dat [gedaagde] zijn aandeel in de huuropbrengsten daarom heeft verbeurd.\n\n4.27.. In reactie hierop heeft [gedaagde] gemotiveerd toegelicht dat de [adres 2] in 2020 twee keer voor een korte periode verhuurd is geweest en dat de verschuldigde huur van in totaal € 3.000,00 aan de nalatenschap ten goede is gekomen, wat volgens [gedaagde] is af te leiden uit de door hem overgelegde factuur en overgelegd betalingsbewijs (producties 14 en 15). Volgens [gedaagde] zijn de huuropbrengsten van € 3.000,00 wel degelijk op de ervenrekening bijgeschreven en dus al in het banksaldo van de ervenrekening verdisconteerd. Deze gemotiveerde betwisting hebben [eiser] en [eiseres] niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de huuropbrengsten naar de ervenrekening zijn overgemaakt. Van het opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van de aan de nalatenschap toekomende huuropbrengsten is dan ook geen sprake. Daarom faalt het beroep van [eiser] en [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW. Dit betekent dat de rechtbank de verklaring voor recht die [eiser] en [eiseres] met betrekking tot deze huuropbrengsten hebben gevorderd (zie 3.1.VI.) zal afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\n4.28.. Volgens [eiser] en [eiseres] is [gedaagde] op grond van artikel 3:169 BW aan de nalatenschap een gebruiksvergoeding verschuldigd van € 2.847,31. Daartoe stellen [eiser] en [eiseres] dat [gedaagde] tussen 30 mei 2020 en 15 januari 2021, verspreid over vier periodes, in de [adres 2] heeft gewoond. Dat [gedaagde] hen daarbij ook het gebruik van de woning heeft ontzegd, blijkt volgens [eiser] en [eiseres] uit het overgelegde appbericht van [gedaagde] van 2 augustus 2020. In dit bericht schrijft [gedaagde] dat hij in de woning verblijft, dat de andere erfgenamen niet meer op visite mogen komen en dat ongeoorloofd binnentreden geldt als huisvredebreuk.\n\n4.29.. \n [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Met de hoogte van de gebruiksvergoeding is [gedaagde] het ook niet eens. [gedaagde] voert aan dat hij de [adres 2] niet heeft “geclaimd”. Ter zitting van 28 oktober 2025 heeft [gedaagde] (onweersproken) verklaard dat hij de andere erfgenamen heeft voorgehouden dat het niet goed is om de woning onbewoond te laten en dat hij hen heeft gevraagd op welke data zij de woning zouden willen gebruiken. Alleen [eiseres] heeft gezegd de woning te willen gebruiken. Hijzelf heeft de woning korte periodes bewoond. Volgens [gedaagde] heeft hij zich met zijn appbericht van 2 augustus 2020 de woning niet exclusief willen toe-eigenen. Hij had in die tijd een nieuwe vriendin en zag het als een inbreuk op zijn privacy als de andere erfgenamen zonder vooraankondiging langskomen. In die emotionele context moet zijn appbericht worden gelezen, aldus [gedaagde] .\n\n4.30.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:169 BW iedere erfgenaam in principe bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. Als een erfgenaam een goed echter met uitsluiting van de andere erfgenaam gebruikt, dan kan die erfgenaam worden verplicht om de erfgenaam die verstoken blijft van het gebruik en het genot waarop hij recht heeft schadeloos te stellen (in de vorm van bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding). Daarbij geldt dat de rechtsbetrekking tussen de erfgenamen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.31.. \n [gedaagde] is geen gebruiksvergoeding aan de nalatenschap verschuldigd. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat ook de andere erfgenamen de [adres 2] konden gebruiken. [gedaagde] heeft het gebruik met de andere erfgenamen afgestemd. Feitelijk heeft ook niet alleen [gedaagde] het uitsluitend gebruik van de woning gehad. Nadat [gedaagde] het appbericht van 2 augustus 2020 had gestuurd, heeft [eiseres] nog in de woning gewoond. [eiseres] heeft op de zitting van 28 oktober 2025 namelijk verklaard dat zij in november 2020 tien dagen in de [adres 2] heeft gewoond. Voor een gebruiksvergoeding is daarom geen plaats.\n\nHuuropbrengsten [adres 1]\n\n4.32.. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of (een deel van) de huuropbrengsten van de [adres 1] in de nalatenschap (valt) vallen. [eiser] en [eiseres] menen van wel omdat de nalatenschap gerechtigd is tot een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] . [eiser] en [eiseres] stellen dat [gedaagde] ook deze huuropbrengsten opzettelijk heeft achtergehouden en dat hij zijn aandeel daarin heeft verbeurd.\n\n4.33.. \n [gedaagde] betwist dat de huuropbrengsten in de nalatenschap vallen. Volgens [gedaagde] komen de huuropbrengsten op grond van de overeenkomst volledig aan hem toe, zodat hij zijn aandeel daarin niet kan hebben verbeurd.\n\n4.34.. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer. In artikel 4 van de overeenkomst staat namelijk duidelijk dat de huuropbrengsten volledig ten goede komen aan [gedaagde] . Dat het desondanks de bedoeling van erflater en [gedaagde] was dat erflater aanspraak zou kunnen maken op (een deel van) de huuropbrengsten stellen [eiser] en [eiseres] niet en dit blijkt ook nergens uit.\n\n4.35.. \n [eiser] en [eiseres] zijn gebonden aan de tussen erflater en [gedaagde] gemaakte afspraak dat alle huuropbrengsten aan [gedaagde] toekomen. [eiser] en [eiseres] hebben in de conclusie van antwoord in reconventie de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Voor zover [eiser] en [eiseres] zich op het standpunt hebben willen stellen dat de over de huuropbrengsten gemaakte afspraak niet meer geldt omdat de overeenkomst is ontbonden, verwerpt de rechtbank dit standpunt. [eiser] en [eiseres] kunnen de overeenkomst als (twee van de drie) deelgenoten namelijk niet ontbinden. Ook het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [gedaagde] gerechtigd is tot de (volledige) huuropbrengsten, hebben [eiser] en [eiseres] niet duidelijk gemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben hierover niets concreets gesteld.\n\n4.36.. Omdat (een deel van) de huuropbrengsten geen onderdeel zijn (is) van de nalatenschap, kan [gedaagde] zijn aandeel daarin niet hebben verbeurd. De verklaring voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in de huurinkomsten van de [adres 1] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd, is daarom niet toewijsbaar (vordering onder 3.1.VI.).\n\nNotariskosten\n\n4.37.. De rechtbank moet zich nog buigen over de notariskosten van € 5.660,65. De vraag is of deze kosten, die [eiser] en [eiseres] stellen te hebben voorgeschoten, ten laste komen van de nalatenschap. Volgens [eiser] en [eiseres] is dat het geval. Zij stellen dat zij de notaris als partijnotaris hebben ingeschakeld om de afwikkeling van de nalatenschap in der minne met [gedaagde] te regelen. De notaris heeft daartoe een conceptakte opgesteld. Dit rechtvaardigt volgens [eiser] en [eiseres] de conclusie dat deze kosten ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. [gedaagde] bestrijdt dit. [gedaagde] voert aan dat hij met het inschakelen van deze notaris niet heeft ingestemd en dat de werkzaamheden van de notaris niets hebben bijgedragen aan de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n4.38.. De rechtbank oordeelt dat de notariskosten voor rekening van [eiser] en [eiseres] dienen te blijven. Op grond van wat [eiser] en [eiseres] hebben gesteld ziet de rechtbank niet dat het hier gaat om een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW. [eiser] en [eiseres] hebben dit onvoldoende gemotiveerd gesteld.\n\nFoto’s\n\n4.39.. \n [gedaagde] vordert dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] veroordeelt om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. [eiser] en [eiseres] betwisten namelijk dat zij de foto’s hebben. Bovendien is het enige dat [gedaagde] ter onderbouwing van deze vordering stelt dat hij in januari 2021 heeft geconstateerd dat alle foto’s zijn verdwenen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat [eiser] en\u002Fof [eiseres] de foto’s hebben weggenomen en in hun bezit hebben. Wel wil de rechtbank [eiser] eraan herinneren dat hij op de zitting van 28 oktober 2025 heeft verklaard dat hij thuis gaat kijken of hij nog (eigen) foto’s van [gedaagde] heeft die hij aan [gedaagde] kan overhandigen.\n\nDe wijze van verdeling\n\n4.40.. Daarmee komt de rechtbank toe aan de verdeling van de nalatenschap. Voor een veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap is geen plaats, omdat de rechtbank de wijze van verdeling gelast. De rechtbank gelast de wijze van verdeling als volgt.\n\n [adres 1]\n\n4.41.. Het een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] ( [postcode] [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer] ) wordt toegedeeld aan [gedaagde] , zonder verrekening van enige waarde, en onder de voorwaarde dat [eiser] en [eiseres] binnen zes maanden na vandaag worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld (die volledig door [gedaagde] dient te worden gedragen).\n\n4.42.. De reden dat de rechtbank vindt dat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] moet worden toegedeeld is dat alle partijen toedeling aan [gedaagde] wensen en [gedaagde] al eigenaar is van het andere (drie vierde) onverdeeld aandeel. Omdat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] wordt toegedeeld, hoeft de aanbiedingsprocedure van artikel 8 van de tussen erflater en [gedaagde] met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst, voor zover van toepassing, niet te worden gevolgd.\n\n4.43.. De rechtbank volgt [eiser] en [eiseres] niet in hun betoog dat [gedaagde] door deze toedeling is overbedeeld. Net als [gedaagde] legt de rechtbank de met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst namelijk zo uit dat van overbedeling van [gedaagde] geen sprake kan zijn. In de overeenkomst staat immers dat erflater niet deelt in de opbrengsten behoudens 10% van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst en dat de erfgenamen op geen enkele wijze worden bevoordeeld (of benadeeld) door het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van erflater. In artikel 4 staat bovendien letterlijk:\n\n“Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of voor zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;”.\n\nHet was dan ook duidelijk de bedoeling van erflater en [gedaagde] dat de erfgenamen van erflater niet van enige opbrengst of overwaarde zouden profiteren. Dat in artikel 8 is bepaald dat de [adres 1] aan [gedaagde] kan worden overgedragen op basis van “aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) (…) als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen (…)” zet de hiervoor genoemde (duidelijke) bepalingen van de overeenkomst niet opzij. Anders dan [eiser] en [eiseres] ziet de rechtbank in ieder geval niet dat [eiser] en [eiseres] op grond van artikel 8 toch aanspraak kunnen maken op een deel van de waarde of recht hebben op een overbedelingsvergoeding. Daarbij geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat met deze passage uit artikel 8 slechts duidelijk werd gemaakt dat [gedaagde] te zijner tijd aan de geldverstrekker moet kunnen laten zien dat hij genoeg middelen heeft om de hypothecaire geldlening als enige voor te zetten.\n\n4.44.. Dat de toedeling aan [gedaagde] plaatsvindt zonder verrekening van enige waarde en dat de volledige hypotheekschuld door [gedaagde] dient te worden gedragen, strookt ook met de door [gedaagde] onweersproken geschetste achtergrond van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] wilde hij de [adres 1] kopen als investering voor hemzelf. Indertijd kwam hij echter onverwacht in een WW-situatie terecht, waardoor hij de financiering in z’n eentje niet rond kreeg. Erflater was bereid [gedaagde] te helpen en zich dus hoofdelijk te verbinden tot terugbetaling van de hypotheekschuld. Van deze hypotheekschuld wilde erflater echter geen last hebben en ook andere kosten met betrekking tot de [adres 1] moesten door [gedaagde] worden gedragen. Alle voordelen van de [adres 1] (behalve de in de overeenkomst genoemde 10% (zie 4.42 van dit vonnis)), zouden echter wel aan [gedaagde] te goede komen, aldus [gedaagde] .\n\n4.45.. Naast de ontbinding van de overeenkomst, die de rechtbank al in 4.35 van dit vonnis heeft verworpen, hebben [eiser] en [eiseres] zich nog beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] en [eiseres] hebben echter geen feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat aan [gedaagde] het onverdeeld aandeel wordt toegedeeld zonder verrekening van enige waarde. Het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt dus.\n\n4.46.. De overige vorderingen van [eiser] en [eiseres] die met de [adres 1] te maken hebben (zie 3.1.V.), zal de rechtbank afwijzen. Volgens [gedaagde] kan hij namelijk (inmiddels) aan de in 4.41 van dit vonnis weergegeven wijze van verdeling voldoen. Omdat alle partijen willen dat het onverdeeld aandeel in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om het door [eiser] en [eiseres] gevorderde bevel (onder 3.1.V.) en de medewerking die [gedaagde] onder 3.2.II. vordert, toe te wijzen.\n\nDe ervenrekening en contanten\n\n4.47.. Ieder van partijen komt een derde deel toe van de (resterende) nalatenschap (de ervenrekening en contanten), waarbij op het aandeel van [gedaagde] wordt toegerekend dat wat hij nog aan de nalatenschap verschuldigd is (zie 4.24 van dit vonnis). Dat [eiser] en [eiseres] toerekening op het aandeel van [gedaagde] willen (en dus op artikel 4:228 BW een beroep hebben willen doen), maakt de rechtbank op uit wat van de kant van [eiser] en [eiseres] op de zitting van 28 oktober 2025 is verklaard, namelijk dat zij hun aandeel willen ontvangen op basis van een fictief saldo: het saldo van vóór de onbevoegde betalingen. Het bedrag dat [gedaagde] na deze toerekening, en na ontvangst door [eiser] en [eiseres] , nog aan de nalatenschap is verschuldigd, dient [gedaagde] op de ervenrekening over te maken. Dat bedrag komt ieder van partijen voor een derde deel toe. Daarmee is de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer van [gedaagde] met betrekking tot de nalatenschap te vorderen hebben (vordering onder 3.2.VI.), niet toewijsbaar.\n\nDe resterende inboedel\n\n4.48.. Ieder van partijen is gerechtigd tot een derde deel van de resterende inboedel. Dat [gedaagde] zich de resterende inboedel heeft toegeëigend, hebben [eiser] en [eiseres] niet gemotiveerd gesteld. De resterende inboedel is opgeslagen. Partijen hebben niet duidelijk gemaakt dat zij bepaalde roerende zaken toegedeeld willen krijgen. De resterende inboedel dient in onderling overleg te worden verdeeld, zonder verrekening van waarde. Als verdeling in onderling overleg niet lukt, dan dient de inboedel te worden verkocht. De verkoopopbrengst komt (na aftrek van eventuele kosten) toe aan partijen, ieder voor een derde deel.\n\n [dochter van erflater]\n\n4.49.. De vordering van [gedaagde] betreffende [dochter van erflater] (vordering onder 3.2.IV.) zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet geen grond om deze vordering toe te wijzen. Tot dit inzicht is ook [gedaagde] gekomen. Op de zitting van 28 oktober 2025 is van de kant van [gedaagde] namelijk onderkend dat deze vordering in deze procedure niet thuishoort.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.50.. \n [gedaagde] vordert € 10.000,00 aan advocaatkosten. Daaraan legt [gedaagde] ten grondslag dat sprake is van misbruik van procesrecht. Volgens [gedaagde] is hij, na een half jaar niets van [eiser] en [eiseres] te hebben gehoord, rauwelijks gedagvaard, zonder enige noodzaak.\n\n4.51.. De rechtbank geeft [eiser] en [eiseres] gelijk dat zij geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt door onderhavige procedure te starten. Van rauwelijks dagvaarden is geen sprake. Over de afwikkeling van de nalatenschap werden partijen het niet eens, ook niet na daartoe gedane schikkingspogingen. Het stond [eiser] en [eiseres] vrij om onderhavige (deels toewijsbare) vorderingen tegen [gedaagde] in te stellen. De rechtbank vindt de gevorderde advocaatkosten al om die reden niet toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.52.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank doet dit omdat partijen familie van elkaar zijn en de rechtbank geen aanleiding ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag,\n\nen verder in conventie en in reconventie\n\n5.4.. gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater zoals in 4.41, 4.47 en in 4.48 van dit vonnis is vermeld,\n\n5.5.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis, wat betreft 5.3 en 5.4, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. M.C. van Rijn, rechter, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.\n\n Zie Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","2026-02-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.721Z",20]