[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-alkmaar-property-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":42,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},73,"Alkmaar","nl","alkmaar",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},95,"property-law-nl","Property Law","NL","2026-07-08T16:56:12.367Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-05-13T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122782","Burgerlijk Wetboek","art. 6:2 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122783","art. 3:185",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122784","art. 3:300 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122787","art. 6:82",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"124307","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 236",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"124308","art. 3:29",[43,54],{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1791","ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","ecli-nl-rbnho-2026-5735","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F368453 \u002F HA ZA 25-463\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: mr. M.B. Bollen,\n\ntegen\n\n1. de ontbonden vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid\n\n [VvE Bungalowpark],\n\nte [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. L.E. Huard, 2. de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nSCHATZENBURG B.V.,\n\nte Menaldum, gemeente Menaldumadeel,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof,\n\ngedaagde partijen,\n\nen\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nLECC EXPLOITATIE DE HORN B.V.,\n\nte Tuitjenhorn, gemeente Schagen,\n\ngevoegde partij aan de zijde van de gedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] , de VvE, Schatzenburg en Lecc Exploitatie genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nLecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. [eiser] is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. [eiser] is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die [eiser] kan aanspreken op grond van de leveringsakte. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 24 december 2025;\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Bollen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen;\n\n- het door mr. Bollen ter zitting overgelegde kadasterdocument.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes.\n\n2.2.. Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren.\n\n2.3.. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie.\n\n2.4.. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven.\n\n2.5.. \n [eiser] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een tweede huisje.\n\n2.6.. \n\nIn de akte van levering van 12 december 2003 bij de koop van het eerste huisje is op pagina 6 en volgende onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen:\n\n“Gebruik gemeenschappelijke voorzieningen\n\nArtikel 1\n\na. De koper is bevoegd gebruik te maken van de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen welke in het bungalowpark waarin het hierbij verkochte is gelegen, zijn aangebracht. De koper dient jaarlijks aan de beheerder een bedrag van vier honderd vijftig euro € 450,00) exclusief omzetbelasting te betalen als bijdrage in de kosten (…).\n\n(…)\n\nInstandhouding van kleuren\n\nArtikel 2\n\n(…)\n\nGebruik opstal\n\nArtikel 3\n\n(…)\n\nBestemmingsplan\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nKettingbeding\n\nArtikel 5\n\nDe in artikel 1, 2, 3 en 4 vermelde verplichtingen en verboden, alsmede de onderhavige verplichting (artikel 5) gelden niet slechts voor de koper in deze maar ook voor zijn opvolgers in de eigendom en dienen bij iedere eigendomsoverdracht bij wijze van kettingbeding ten behoeve van de verkopers aan de verkrijger te worden opgelegd, zodanig dat deze rechtstreeks nakoming van de nieuwe eigenaar kunnen vorderen op straffe van een direkt opeisbare boete van twee en twintig duizend zeven honderd euro (€ 22.700,00) aan en ten behoeve van de verkopers verschuldigd.”\n\n2.7.. Bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2015is onder meer beslist dat [eiser] gebonden is aan de hiervoor in de akte van levering genoemde regelingen, waaronder het kettingbeding. Het vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016.Kort gezegd staat in het arrest dat het gerechtshof: “verklaart voor recht dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen.”\n\n2.8.. \n\nBij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022is - voor zover van belang - het volgende geoordeeld over het kettingbeding in de leveringsakte van 2003:\n\n“4.7. Vaststaat dat voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam(toevoeging rechtbank: het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016)voor [eiser] in kracht van gewijsde is gegaan. Immers, [eiser] was partij bij dat arrest en is niet in cassatie gegaan. Het bepaalde in artikel 236 Rv brengt dan mee dat het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van [eiser] op voornoemde geschilpunten onherroepelijk heeft beslist, en dat deze geschilpunten in deze procedure niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.\n\n4.8.. Dit geldt ook voor de rechtsoordelen die zijn vervat in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, waarop Lecc zich ook beroept. In dat hoger beroep heeft [eiser] het in het arrest van 25 oktober 2016 als tardief gepasseerde verweer opnieuw gevoerd, te weten dat de rechten uit het kettingbeding niet rechtsgeldig door De Horn B.V. aan de VvE zijn gecedeerd omdat een mededeling daarvan zou ontbreken. Het gerechtshof heeft daarop op 5 februari 2019 geoordeeld dat het feit dat de VvE na de cessie gefactureerd heeft voor de parkbijdragen, te beschouwen is als toereikende mededeling van de overdracht van het recht op de parkbijdragen en dus van de rechten uit het kettingbeding. Vast staat dat [eiser] niet in cassatie is gegaan tegen dit arrest.\n\n4.9.. De kantonrechter neemt de onherroepelijke rechtsoordelen en beslissingen van het gerechtshof Amsterdam in de hierboven genoemde uitspraken dus als uitgangspunt, en gaat voorbij aan hetgeen [eiser] in deze procedure opnieuw aan de orde stelt over het doorbreken van het kettingbeding, zijn gebondenheid daaraan tegenover Lecc en zijn daaruit voortvloeiende verplichting om parkbijdragen te betalen, de rechtsgeldigheid van de cessie, de volmacht van [naam 2] en de afvalkosten. De daarover door [eiser] aangevoerde argumenten stuiten af op het gezag van gewijsde.”\n\n2.9.. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis van de kantonrechter van 5 januari 2022 bekrachtigd bij arrest van 19 december 2023.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, na eisvermindering ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, ontbindt;\n\nII. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nsubsidiair\n\nIII. de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);\n\nIV. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij de akte van levering van 29 december 2003 heeft Schatzenburg het resterende deel van haar eigendom verkocht aan de VvE. In deze akte van levering zijn alle rechten van Schatzenburg op [eiser] aan de VvE gecedeerd. Schatzenburg is per 8 februari 2016 ontbonden, terwijl de VvE is ontbonden per 27 december 2022. Er is derhalve thans niemand meer die [eiser] kan aanspreken op grond van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003. Op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW verzoekt [eiser] dan ook dat de overeenkomst tussen [eiser] en de VvE wordt ontbonden, in die zin dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geen toepassing meer kennen. Volgens [eiser] is het namelijk in strijd met het algemeen belang om een verplichting te laten voortduren waar niemand belang meer bij heeft. Daarnaast is er geen schuldeiser meer, Schatzenburg heeft immers haar rechten gecedeerd aan de VvE en die laatste is ontbonden. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 BW.\n\n3.3.. De VvE voert aan dat zij in 2012 haar registergoederen aan [naam 1] heeft geleverd en dat de VvE in 2016 is ontbonden. Voor het overige heeft de VvE zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Lecc Exploitatie en Schatzenburg voeren verweer.\n\n3.4.1.. \n\nLecc Exploitatie heeft aangevoerd dat de toenmalige eigenaren het bungalowpark hebben verkocht aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. vervolgens de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. heeft daarnaast de houten huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren verkocht. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan [naam 1] . De in de algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag nog geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva (behoudens de registergoederen en daaraan verbonden leningen) van het bungalowpark zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. Lecc Exploitatie voert aan dat de vorderingen voortvloeiende uit het kettingbeding steeds rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de rechtsopvolgers en dat zij [eiser] kan aanspreken op basis van dat kettingbeding. [eiser] is dan ook gebonden aan het kettingbeding zoals in de akte van levering van 12 december 2003 opgenomen. Dit is al in meerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam bepaald.\n\nBovendien weet [eiser] dat hij de rechtbank verkeerd voorlicht door te stellen dat er geen partij meer is die hem kan aanspreken op basis van het kettingbeding en gebruikt hij steeds al in eerder gevoerde procedures aangevoerde (en in die procedures beoordeelde) argumenten opnieuw.\n\n3.4.2.. Schatzenburg heeft samengevat aangevoerd dat [eiser] het tegen beter weten in doet voorkomen alsof er na het cederen van alle rechten door Schatzenburg aan de VvE geen nadere cessie heeft plaatsgevonden. Dit terwijl bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016is overwogen dat de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [eiser] voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht zijn gebleven en op correcte wijze zijn overgedragen aan de opeenvolgende kopers. [eiser] is dan ook gehouden een parkbijdrage te betalen aan Lecc Exploitatie. [eiser] heeft de rechtbank gelet op het voorgaande bewust onjuist en onvolledig voorgelicht en daarmee bewust in strijd met 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehandeld.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Deze zaak komt er in het kort op neer dat [eiser] van mening is dat er geen schuldeiser meer is die rechtsgeldig een beroep kan doen op het kettingbeding zoals opgenomen in de akte van levering van 12 december 2003 (zie hiervoor onder 2.6) en dat de bepalingen 1, 2, 3 en 5 van die leveringsakte daarom in strijd zijn met artikel 6:259 lid 1 sub a BW en\u002Fof artikel 3:29 BW. Lecc Exploitatie heeft betwist dat er geen schuldeiser meer is en heeft toegelicht hoe de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. voortvloeiende uit de akte van levering van 12 december 2003 - na aan een aantal andere partijen te zijn overgedragen - gecedeerd zijn aan Lecc Exploitatie. Volgens Lecc Exploitatie heeft [eiser] dan ook geen grondslag om zich te beroepen op de hiervoor genoemde artikelen. Daarbij voert Lecc Exploitatie aan dat de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam al een aantal keer hebben bepaald dat de rechten en plichten ten opzichte van [eiser] uit de leveringsakte keer op keer correct zijn gecedeerd aan een opvolgende partij en zo uiteindelijk bij Lecc Exploitatie zijn komen te liggen.\n\nBeoordeling op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW4.2.. \n [eiser] beroept zich primair op artikel 6:259 lid 1 sub a BW en subsidiair op artikel 3:29 BW. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de advocaat van [eiser] ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het gevolg van de ontbinding van artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 zou moeten zijn dat de inschrijving van die artikelen waardeloos verklaard moet worden (ex artikel 3:29 BW). De rechtbank leidt daaruit af dat [eiser] bedoelt dat artikel 3:29 BW een uitvloeisel is van artikel 6:259 lid 1 sub a BW en dat daaraan aldus geen zelfstandige betekenis toekomt. Hierna zal de rechtbank dan ook alleen het standpunt van [eiser] ten aanzien van artikel 6:259 lid 1 sub a BW beoordelen.\n\nAfwijzen vorderingen [eiser]4.3.. \n\nIn het petitum van de dagvaarding heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003 zal ontbinden. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] dit bevestigd na vragen hierover van de rechtbank.\n\nGelet daarop oordeelt de rechtbank als volgt. De leveringsakte van 12 december 2003 kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van een koopovereenkomst tussen twee partijen. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. De conclusie die daaruit volgt is dan ook dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.\n\nGezag van gewijsde4.4.. In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden. Maar zelfs al zou de rechtbank tot de conclusie zijn gekomen dat de leveringsakte wel (gedeeltelijk) ontbonden zou kunnen worden of gedeeltelijk waardeloos zou kunnen worden verklaard (hetgeen dus niet het geval is), dan zouden de argumenten van [eiser] niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is er nog wel een schuldeiser die hem kan aanspreken op grond van de leveringsakte van 12 december 2003.\n\n4.5.. Het gerechtshof Amsterdam heeft (zie 2.7 en 2.8) immers in 2016 al geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie en heeft toen bepaald dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen. Vervolgens is in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam in 2018,2019,2022en 2023herhaald dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie dan wel dat sprake is van gezag van gewijsde inzake het kettingbeding, waardoor de rechtbank gebonden is aan de eerdere beslissingen over hetzelfde feitencomplex voor wat betreft de geldige cessie en het voortbestaan van het kettingbeding in de leveringsakte van 2003.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft weliswaar op de zitting erkend dat in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam (onder andere) is uitgemaakt dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie, maar volgens hem heeft het gerechtshof Amsterdam in 2016 met haar uitspraak een juridische dwaling begaan en is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het gezag van gewijsde doorbroken zou moeten worden. [eiser] voert daar grofweg drie argumenten voor aan: (1) het door [eiser] ter zitting overgelegde kadaster-stuk van 12 juli 2011; (2) een verklaring van notaris Sterel uit 2012 naar aanleiding van een door [eiser] tegen Sterel ingediende klacht; en (3) het feit dat [eiser] geen cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 heeft ingesteld omdat hij geen cassatieadvocaat kon vinden die heil zag in een cassatieberoep en hij daarvoor bovendien onvoldoende steun kreeg vanuit de VvE.\n\n4.7.. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gezag van gewijsde niet doorbroken kan worden. [eiser] heeft ten eerste niet toegelicht wat hij met het door hem ter zitting ingebrachte kadaster-stuk van 12 juli 2011 wil aantonen, zodat dit geen onderbouwing van zijn standpunt vormt. Voor zover [eiser] zich verder beroept op een volgens hem nieuw aan het licht gekomen verklaring van notaris Sterel, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verklaring reeds uit 2012 stamt en, zoals aangevoerd door Lecc Exploitatie, die verklaring gaat over de vraag of [naam 1] en Lecc Exploitatie huisjeseigenaren kunnen houden aan verplichtingen die zij jegens de VvE op zich hebben genomen door ondertekening van een beheersovereenkomst. Dat onderwerp en deze verklaring zijn eerder al aan de orde is gekomen in het arrest van 5 februari 2019,zodat ook dit geen nieuw feit is of nieuwe omstandigheden zijn. Verder staat vast dat [eiser] geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Dat heeft tot gevolg dat hij aan het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 is gebonden. Waarom [eiser] geen cassatie heeft ingesteld, is niet relevant.\n\n4.8.. De conclusie is dan ook dat ook deze rechtbank is gebonden aan de eerder (onherroepelijk) gedane uitspraken, waaronder de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016, over het rechtsgeldig cederen van het kettingbeding aan Lecc Exploitatie. Deze uitspraak is immers in gezag van gewijsde gegaan en het gezag van gewijsde kan op grond van het voorgaande niet worden doorbroken.\n\nProceskosten4.9.. \n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, omdat [eiser] volgens haar misbruik van procesrecht maakt. Er is onder andere sprake van misbruik van procesrecht als het innemen van stellingen - gelet op de evidente ongegrondheid daarvan - in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie geen kans van slagen hadden, omdat daarop al onherroepelijk door deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam is beslist. Door die stellingen in de onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [eiser] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij gedaagden nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Bovendien heeft [eiser] de rechtbank bij dagvaarding onvolledig en onjuist voorgelicht door achterwege te laten dat er eerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd waarin al is bepaald dat Lecc Exploitatie recht heeft op de parkbijdrage door geldige cessies van het kettingbeding. Daarmee heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. Daarom is afwijking van het uitgangspunt dat het salaris advocaat volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend gerechtvaardigd. Het toepasselijke liquidatietarief van € 653,- zal worden vermenigvuldigd met twee, tot € 1.306,- per proceshandeling.\n\nTen aanzien van VvE zal de rechtbank het normale liquidatietarief in rekening brengen, omdat de VvE geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.10.. De proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n3.918,00\n\n(3 punten × € 1.306,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.821,00\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De proceskosten van VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie van € 4.821,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van VvE van € 2.209,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\n AFS\u002FBdM\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267.\n\n Rechtbank Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:168.\n\nGerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:3451.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Zie onder andere: Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267. Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110. Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283. Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168. Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Zie eerder al overwogen bij deze rechtbank in r.o. 4.5-4.7. van ECLI:NL:RBNHO:2022:168.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","2026-05-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:39.100Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":52,"updatedAt":61},"905","ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","ecli-nl-rbnho-2026-6975","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F363642 \u002F HA ZA 25-176\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. H.I. Park,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. V. Goudriaan.\n\nDe zaak in het kort\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;\n\n- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;\n\n- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;\n\n- de reactie daarop van de man;\n\n- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;\n\n- de aanvullende productie 10 van de vrouw;\n\n- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.\n\n2.3.. In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.\n\n2.4.. Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.\n\n2.5.. Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.\n\n2.6.. Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPrimair\n\nI. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nII. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;\n\nIII. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nSubsidiair\n\nIV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nV. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;\n\nVI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;\n\nVII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nVIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nX. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;\n\nXI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nZowel primair als subsidiair\n\nXII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;\n\nXV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nXVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;\n\nXVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.\n\n3.2.. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nter zake van de geldlening\n\na. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;\n\nter zake van de gebruiksvergoeding\n\nprimair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nsubsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nmeer subsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;\n\nter zake van de verdeling van de woning\n\nprimair\n\n- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;\n\n- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen\u002Fkan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;\n\n- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);\n\n- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;\n\n- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;\n\n- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;\n\nsubsidiair\n\nde woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;\n\nter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;\n\nter zake de proceskosten\n\nde man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.\n\n3.5.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nUitgangspunten\n\n4.2.. Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.\n\n4.3.. In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n4.4.. Waar het gaat om de diverse vorderingen\u002Fvergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn\u002Fhaar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.\n\n4.5.. Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.4.6.. \n\nDe rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:\n\n- de verdeling van de woning;\n\n- het exclusief gebruik van de woning;\n\n- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;\n\n- de vergoedingsrechten;\n\n- de inboedellijst;\n\n- de geldlening.\n\nDe verdeling van de woning\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.\n\n4.8.. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.\n\n4.9.. Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.\n\n4.10.. De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.\n\n4.11.. De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.\n\n4.12.. De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.\n\n4.14.. Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.\n\n4.15.. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.\n\n4.16.. Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.\n\n4.17.. Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.\n\n4.18.. In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.\n\n4.19.. Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.\n\n4.20.. De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.\n\n4.21.. Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.\n\n4.22.. Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.\n\n4.23.. Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.\n\n4.24.. In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.\n\n4.25.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.\n\n4.26.. Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.\n\nHet exclusief gebruik van de woning\n\n4.27.. De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.\n\nGebruiksvergoeding en eigenaarslasten\n\n4.28.. De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.\n\n4.29.. De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.\n\n4.30.. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.\n\n4.31.. De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.\n\n4.32.. De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:\n\n- Hypotheek\n\n€\n\n843,35\n\n- Nationale Nederlanden\n\n€\n\n28,62\n\n- Univé\n\n€\n\n76,12\n\n- Hoogheemraadschap\n\n€\n\n41,70\n\nTotaal\n\n€\n\n989,79\n\nDit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.33.. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.34.. De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.\n\n4.35.. Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.\n\n4.36.. De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.\n\nVergoedingsrechten man\n\n4.37.. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:\n\nEen bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;\n\nEen bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.\n\nIn totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.\n\n4.38.. De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.\n\n4.39.. De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.\n\n4.40.. Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.\n\n4.41.. Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.\n\nOnverschuldigde betaling\n\n4.42.. Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.\n\n4.43.. \n\nDe man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.\n\nDe vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.\n\n4.44.. De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.\n\nOngerechtvaardigde verrijking\n\n4.45.. De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.\n\n4.46.. Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.\n\n4.47.. De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.\n\n4.48.. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.\n\n4.49.. Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.50.. Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.\n\nVergoedingsrechten vrouw\n\n4.51.. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.\n\nInboedellijst\n\n4.52.. De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.\n\nGeldlening\n\n4.53.. De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.\n\n4.54.. De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW.In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.\n\n4.55.. Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling\n\n4.56.. De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.\n\nProceskosten\n\n4.57.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en reconventie\n\n5.1.. gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:\n\ndat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;\n\ndat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;\n\ndat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;\n\ndat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;\n\ndat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;\n\ndat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;\n\ndat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;\n\ndat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;\n\ndat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;\n\ndat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;\n\ndat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;\n\ndat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;\n\ndat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;\n\ndat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.\n\n5.2.. bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,\n\n5.3.. bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,\n\n5.4.. bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,\n\n5.5.. bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,\n\n5.6.. bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,\n\n5.7.. veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).\n\n Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.961Z",20]