[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almelo-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},69,"Almelo","nl","almelo",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123195","Burgerlijk Wetboek","art. 6:100",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1139","ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","ecli-nl-rbove-2026-3802","","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 11987371 \\ CV EXPL 25-2086\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. L.A. de Haan,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ., 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] .,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.P. van Heerewaarden, Anker Rechtshulp B.V.\n\n1. De samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagden] hebben een auto verkocht aan [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] bewust ervoor hebben gezorgd dat [eiser] een verkeerd beeld kreeg over de auto en over het onderhoud daaraan. Ook nadat [eiser] hen vragen stelde over de auto, hebben zij dat verkeerde beeld bewust in stand gehouden. Daarom is sprake van bedrog en dat is onrechtmatig. [gedaagden] zijn aansprakelijk voor de schade die [eiser] door hun bedrog heeft geleden. De schade is gelijk aan de aanschafprijs van de auto, en bestaat uit kosten die [eiser] al heeft gemaakt om de auto te repareren en uit kosten die hij nog moet maken.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [gedaagde 2] . was tot 19 mei 2025 eigenaar van een Volkswagen Golf (hierna: de auto). Ook [gedaagde 1] . gebruikte de auto. [gedaagde 2] . heeft [gedaagde 1] . gevraagd de auto voor hem te verkopen, waarna [gedaagde 1] . de auto te koop heeft aangeboden. [gedaagde 1] . werkt als automonteur.\n\n3.2. Op 19 mei 2025 heeft [eiser] de auto van [gedaagde 2] . gekocht. Hij heeft er € 4.900,00 voor betaald. Tijdens het aankooptraject had [eiser] voornamelijk contact met [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben [eiser] bij de auto een boekje gegeven (hierna: het onderhoudsboekje). In het onderhoudsboekje staat dat onderhoud heeft plaatsgevonden aan de auto en dat dit onderhoud is verricht door [garage 1] (hierna: [garage 1] ). Daarbij staan stempels van [garage 1] , met een dealercode van Volkswagen en de vermelding dat [garage 1] “Volkswagen Partner” is.\n\n3.3. Op 5 juni 2025 bracht [eiser] de auto naar [garage 2] B.V. (hierna: [garage 2] ), nadat hij problemen had met de auto. [garage 2] is een officiële partner van Volkswagen, net als [garage 1] . [garage 2] maakte een analyserapport op van de auto. In dit rapport constateert [garage 2] dat de pendelsteunbouten van de motor van de auto zijn losgekomen en dat daardoor verdere motorschade is veroorzaakt. Volgens [garage 2] moeten beide steunbouten worden vernieuwd en moeten er nieuwe onderdelen worden gemonteerd. Voor de analyse betaalde [eiser] € 2.294,20 aan [garage 2] . Op 24 juli 2025 heeft [garage 2] een bedrag van € 1.254,28 in rekening gebracht voor het monteren van een nieuwe koppeling in de auto. Op de factuur is door [garage 2] vermeld dat de verdere vervangwerkzaamheden zijn gestaakt, omdat na het loshalen van de oude delen bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Door [garage 3] B.V. (hierna: [garage 3] ) is een offerte opgemaakt voor het herstellen van de motor van de auto. [garage 3] verwacht dat dit tussen de € 4.000 en € 5.000 zal kosten.\n\n3.4. Na het bezoek aan [garage 2] probeerde [eiser] via WhatsApp contact op te nemen met [gedaagde 1] . Dat lukte niet, omdat [gedaagde 1] . ervoor had gezorgd dat [eiser] hem geen berichten meer kon sturen via WhatsApp. [eiser] stuurde daarom op 6 juni 2025 een email aan [gedaagde 2] .:\n\n“Ik stuur je deze mail omdat ik vragen had over de GTI die ik van uw zoon heb gekocht. Ik heb geprobeerd hem te bereiken alleen het lijkt alsof hij mij geblokkeerd heeft.\n\nDe auto moest namelijk langs de garage en het bleek dat de motor steunbout niet goed is aangelegd waardoor de motor is losgekomen. Mijn vraag was of uw zoon naar de garage is geweest in de tijd van bezit en dat ze daar met de motor bezig zijn geweest. Het is namelijk een menselijke fout geweest, de bout is namelijk onmogelijk om uit zichzelf los te komen.(…)\n\nIk neem het jullie zeker niet kwalijk maar graag heb ik de informatie van de garage zodat ik daar achter aan kan gaan.”\n\n3.5. Op 12 juni 2025 reageerde [gedaagde 1] . op de email. Volgens [gedaagde 1] . zijn de pendelsteunbouten niet los geweest in de periode dat hij de auto in zijn bezit had. Volgens hem was het ook niet aannemelijk dat de bouten al los zaten in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Volgens [gedaagde 1] . zouden de bouten kunnen zijn losgetrild in de periode na de verkoop aan [eiser] :\n\n“Wat betreft de bout van de motorsteun, er is nooit wat los geweest in verhouden met de motorsteunen sinds de auto in mijn bezit was, het zou kunnen dat het bedrijf waar ik hem van heb gekocht ooit iets los heeft gehad maar dit zou dan al 30.000km of meer geleden moeten zijn dus het lijkt mij niet dat het door hun komt. Het zou kunnen dat er een bout is losgetrild naarmate er meer met de auto werd gereden en dat jij het pech hebt gehad. Het is eenmaal een 20 jaar oude auto met veel vermogen dus er gaat wel is wat mis natuurlijk(…).”\n\n3.6. Op 13 juni 2025 reageerde [eiser] :\n\n“Nog een vraagje, was er iets met de koppeling? Had een sport koppel? Of hij was vervangen? Soms schakelt hij namelijk ff moeilijk, weet niet of jij daar ook soms last van had, laat het me maar weten!”\n\n3.7. \n [gedaagde 1] . reageerde op 13 juni 2025 als volgt:\n\n“Wat betreft de koppeling, de koppeling is rond de 135.000km vervangen toen ik hem net in een paar weken in mij bezit had. Maar ik denk dat dat ook niks te maken heeft met het lastig schakelen want dat is al een best aantal km geleden.”\n\n3.8. \n [eiser] ontdekte via [garage 2] dat in de systemen van Volkswagen geen onderhoud stond geregistreerd voor de auto. Dit betekent dat aan de auto geen onderhoud is uitgevoerd door een officiële partner van Volkswagen. Volgens [garage 2] was het door [gedaagde 1] . verstrekte onderhoudsboekje geen origineel onderhoudsboekje.\n\n3.9. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde 1] . met een brief van 19 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 4.900, vanwege de door de losse pendelsteunbouten veroorzaakte problemen. [gedaagde 1] . reageerde met een email van 26 augustus 2025 en stelde zich op het standpunt dat eventuele gebreken aan de auto hem niet konden worden toegerekend en dat hij de schade niet zou betalen.\n\n3.10. Namens [eiser] is vervolgens contact gezocht het [garage 1] , omdat de stempels van [garage 1] in het onderhoudsboekje staan, maar er geen onderhoudsbeurten staan geregistreerd in het systeem van Volkswagen. [garage 1] verklaarde dat van de auto niets te vinden is in de systemen van [garage 1] . Volgens [garage 1] werkte [gedaagde 1] . ten tijde van het zetten van de stempels bij haar. [garage 1] nam aan dat [gedaagde 1] . eigenhandig de boekjes heeft ingevuld en daarbij de stempels van [garage 1] heeft gebruikt. Volgens [garage 1] zou [gedaagde 1] . op staande voet zijn ontslagen als [garage 1] dit had ontdekt tijdens het dienstverband.\n\n3.11. De advocaat van [eiser] nam naar aanleiding van het bericht van [garage 1] opnieuw contact op met [gedaagde 1] . In zijn brief van 15 september 2025 staat onder meer het volgende:\n\n“Het bovenstaande betekent dat u de onderhoudsstempels plaatste, dan wel liet plaatsen, terwijl u wist dat de garage geen onderhoud uitvoerde aan de auto. U liet het voorkomen alsof een betrouwbare garage onderhoud uitvoerde aan de auto, terwijl u wist dat dit niet zo was. Hiermee handelde u onrechtmatig tegenover cliënt (artikel 6:162 BW). Cliënt ging uit van de juistheid van het onderhoudsboekje. Met opzet gebruikte u de stempels van [garage 1] , terwijl u daartoe niet bevoegd was. Hierdoor lijdt cliënt schade. Cliënt zou de auto niet hebben gekocht als u deze stempels niet ten onrechte gebruikte. Cliënt zou bovendien geen geld aan reparaties hebben uitgegeven, als hij wist dat u de stempels ten onrechte zette, terwijl u daartoe niet bevoegd was.\n\n3.12. Een inhoudelijke reactie bleef uit. Op 25 september 2025 stuurde de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde 2] . Volgens [eiser] was ook hij aansprakelijk, omdat hij [gedaagde 1] . had ingeschakeld als hulppersoon. Op 27 oktober 2025 reageerde de gemachtigde van [gedaagde 2] . Hij concludeerde dat [gedaagde 2] . een goedwerkende auto heeft verkocht en dat [eiser] zou hebben verzuimd om de gestelde gebreken te bewijzen. [eiser] is vervolgens deze procedure gestart.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.900,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk, omdat [gedaagden] bedrog hebben gepleegd bij de verkoop van de auto. Het bedrog bestond volgens [eiser] uit het bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken over de onderhoudshistorie van de auto. Door dit onjuiste beeld heeft [eiser] niet alleen de auto gekocht, maar heeft hij ook zelf kosten gemaakt die hij niet gemaakt zou hebben als hij had geweten dat de auto niet door een officiële dealer zou zijn onderhouden. Zijn schade bestaat uit de gemaakte kosten en een deel van de nog te maken kosten om de auto te herstellen. Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op [gedaagde 2] . op ongerechtvaardigde verrijking. Volgens hem zou de door [gedaagde 2] . verkochte auto in werkelijkheid € 0,00 waard zijn en is [gedaagde 2] . daarom ten onrechte met € 4.900,00 verrijkt.\n\n4.2. \n [gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] . concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat hij niet de verkoper zou zijn en niet betrokken was bij de verkoop van de auto. [gedaagden] vinden daarnaast dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat geen sprake is van bedrog. Volgens [gedaagden] wisten zij niet van de gebreken. [gedaagden] betwisten dat bij de verkoop door hen is aangegeven dat de auto door een erkende dealer is onderhouden. Volgens [gedaagden] zijn alle stempels in het onderhoudsboekje rechtmatig gezet. Ook betwisten zij dat de schade is veroorzaakt door het gestelde bedrog. Zij wijzen er verder op dat zij niet in gebreke zijn gesteld. [gedaagde 2] . betwist ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking dat de auto in werkelijkheid € 0,00 waard was.\n\n4.3. Voor zover nodig worden de stellingen van partijen hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\nOpmerkingen vooraf\n\n5.1. Het komt vaker voor dat een koper van een auto meent dat de auto niet doet wat deze zou moeten doen. Meestal kiest de koper ervoor om de verkoper in gebreke te stellen en daarna de koopovereenkomst te ontbinden, of om vervangende schadevergoeding te vorderen. In die gevallen is vereist dat de koper aantoont dat de auto niet doet wat de koper daarvan mocht verwachten, en dat verkoper de kans heeft gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Deze zaak is echter anders dan de meeste gevallen. [eiser] baseert zijn vordering op een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad. Voor deze vordering is niet vereist dat [gedaagden] de mogelijkheid hebben gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Voldoende is dat komt vast te staan dat er sprake is van bedrog en dat [eiser] door dat bedrog schade heeft geleden. Het is aan [eiser] om dit te stellen en te onderbouwen. In het vonnis komen deze twee hoofdvragen aan de orde.\n\n5.2. Het voorgaande betekent dat de standpunten van [gedaagden] over de staat van de auto bij de levering en het verzuim niet relevant zijn voor deze procedure. Datzelfde geldt voor het beroep op niet-ontvankelijkheid. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] . bedoelt dat [eiser] geen vordering op hem kan hebben en dat de vordering dus moet worden afgewezen. In de conclusie van antwoord betoogt [gedaagde 1] . stellig dat hij in het geheel niet betrokken was bij de verkoop, ook niet als aanspreekpunt. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat dit niet waar is. [gedaagde 1] . heeft de advertentie geplaatst en met [eiser] gecommuniceerd over de verkoop. [gedaagde 1] . was dus weldegelijk betrokken bij de verkoop en het mogelijke bedrog. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [gedaagde 1] ., samen met [gedaagde 2] ., aansprakelijk is.\n\nDe eerste hoofdvraag: is er sprake van bedrog door [gedaagden] ?\n\n5.3. Artikel 6:162 BW bepaalt dat iemand die een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, de schade moet vergoeden die een ander daardoor lijdt. Het plegen van bedrog is onrechtmatig en kan worden toegerekend aan degene die dat bedrog pleegt, of aan degenen die dat samen doen (artikel 6:166 BW). Van bedrog is sprake als een verkoper een onjuist beeld van een auto schetst of laat bestaan, terwijl de verkoper weet dat dit beeld niet klopt, op een punt dat voor de koper van belang is.\n\nDe stempels in het onderhoudsboekje\n\n5.4. \n [gedaagden] hebben bij de verkoop van de auto het onderhoudsboekje meegegeven aan [eiser] . Zij hebben met [eiser] ook de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij niet verteld dat [gedaagde 1] . het onderhoud zelf heeft uitgevoerd en de stempels zelf heeft gezet.\n\n5.5. Op 19 augustus 2025 confronteerde [eiser] hen met de constatering van [garage 2] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. In zijn reactie van 27 oktober 2025 betwistte de advocaat van [gedaagden] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. Volgens [gedaagden] was “de onderhoud in goede orde” uitgevoerd. Als reactie op de verklaring van [garage 1] over de ten onrechte gezette stempels, merkten [gedaagden] op dat uit de verklaring niet bleek dat het onderhoud niet zou zijn uitgevoerd. Ook zou er niet uit blijken dat de stempels ten onrechte waren gezet. In de correspondentie tussen partijen hebben [gedaagden] dus, ook na vragen van [eiser] , het beeld laten bestaan dat de auto door [garage 1] was onderhouden.\n\n5.6. In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] erkend dat [gedaagde 1] . de stempels zelf heeft gezet, toen hij in het kader van zijn BBL-opleiding bij [garage 1] werkte. Volgens [gedaagden] mocht [gedaagde 1] . tijdens zijn dienstverband “onder begeleiding” van [garage 1] werkzaamheden verrichten aan auto’s. Volgens hen heeft hij ook werkzaamheden verricht aan de auto en dit als zodanig aangegeven in het onderhoudsboekje. Volgens [gedaagden] is dus “op geen enkele wijze onrechtmatig omgegaan met enige stempels van [garage 1].” In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] weliswaar erkend dat de stempels niet door [garage 1] waren gezet, maar hebben zij het beeld laten bestaan dat de stempels met recht waren gezet omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd onder begeleiding van [garage 1] .\n\n5.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . verklaard dat hij als leerling-monteur dergelijke stempels mocht zetten, maar alleen als de werkzaamheden werden gecontroleerd door [garage 1] en in het systeem werden ingevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . erkend dat de werkzaamheden aan de auto niet waren besproken met een monteur van [garage 1] , niet waren ingevoerd in het systeem van [garage 1] en dat hij de stempels dus niet had mogen zetten. Toen [gedaagde 1] . daarnaar werd gevraagd, antwoordde hij dat hij de stempels in het onderhoudsboekje heeft gezet en het onderhoudsboekje heeft meegegeven om een koper van de auto te laten zien dat het onderhoud “op de juiste manier” was uitgevoerd.\n\n5.8. De kantonrechter constateert dat de verklaringen van [gedaagden] over het onderhoudsboekje steeds zijn opgeschoven, naarmate [gedaagden] werden geconfronteerd met meer bewijsmiddelen of lastigere vragen. [gedaagden] hebben [eiser] – en in mindere mate ook de kantonrechter – dus op meerdere moment onjuist voorgelicht en een onjuist beeld laten bestaan. [gedaagden] wisten dat de onderhoudshistorie van belang was. Zij hebben deze immers met [eiser] besproken. Bovendien heeft [gedaagde 1] . de stempels gezet om over de historie een positief beeld te schetsen.\n\nDe gebreken aan de auto\n\n5.9. Bij de verkoop is de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij geen melding gemaakt van een lastig schakelende auto en een vervangen koppeling. Dit staat ook niet in het onderhoudsboekje.\n\n5.10. Nadat was geconstateerd dat de steunbouten van de motor waren losgekomen, heeft [eiser] met een email van 6 juni 2025 expliciet aan [gedaagden] gevraagd of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Uit de email van [eiser] blijkt dat hij ervan uitging dat er een fout was gemaakt door de garage en niet door [gedaagden] zelf. Aanvankelijk heeft [gedaagde 1] . het contact met [eiser] ontweken. Uiteindelijk heeft [gedaagde 2] . de contactpoging van [eiser] doorgestuurd naar [gedaagde 1] . en hem de vragen laten beantwoorden. [gedaagde 1] . heeft op 12 juni 2025 eerst ontkend dat de steunbouten los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Hij heeft daarnaast aangegeven dat het niet aannemelijk is dat de vorige eigenaar dit heeft gedaan. [gedaagde 1] . hield [eiser] daarom voor dat de steunbouten zijn losgeraakt na de verkoop aan [eiser] , door het trillen van de motor. Later, op 13 juni 2025, verklaarde [gedaagde 1] . echter dat hij zelf de koppeling van de auto heeft vervangen, omdat de auto zwaar schakelde. Het staat tussen partijen vast – [eiser] heeft het gesteld en [gedaagden] hebben het niet weersproken – dat de koppeling van de auto niet kan worden vervangen zonder de steunbouten los te maken. Dit betekent dat [gedaagde 1] . de steunbouten weldegelijk moet hebben losgedraaid in de periode dat zijn vader de auto in eigendom had.\n\n5.11. De kantonrechter constateert dat opnieuw sprake is van verschuivende verklaringen. [gedaagden] hebben bij de verkoop niet meegedeeld dat de koppeling is vervangen omdat de auto zwaar schakelde. Ook heeft [gedaagde 1] . aan [eiser] onjuiste informatie gegeven toen hij vroeg of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Uit de vragen van [eiser] hadden [gedaagden] moeten begrijpen dat het voor [eiser] belangrijk was om te weten of de steunbouten los zijn geweest en wie dat dan had gedaan. Desondanks hebben [gedaagden] het beeld laten bestaan dat de auto nooit zwaar heeft geschakeld toen zij hem in bezit hadden en dat de steunbouten nooit zijn losgedraaid en daarom alleen konden zijn losgetrild na de aankoop door [eiser] .\n\nTussenconclusie bedrog\n\n5.12. Hetgeen hiervoor besproken is over het onderhoudsboekje en de gebreken aan de auto leidt tot de volgende conclusie. Het onderhoud aan de auto en het onderhoudsboekje zijn voor een potentiële koper van een auto van belang. [gedaagden] wisten dat dit ook gold voor [eiser] . [gedaagden] hebben echter op meerdere momenten onjuiste mededelingen gedaan en bewust een onjuist beeld geschetst van de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Op meerdere momenten hebben [gedaagden] de mogelijkheid gekregen om het onjuiste beeld bij te stellen en open kaart te spelen: bijvoorbeeld nadat [eiser] hen confronteerde met de bevindingen van [garage 2] en [garage 1] over het onderhoudsboekje, maar ook bij het nemen van de conclusie van antwoord. Zij hebben er echter meermaals voor gekozen om standpunten in te nemen die in strijd waren met de waarheid, om het door hen gecreëerde onjuiste beeld in stand te houden. De kantonrechter oordeelt daarom dat sprake is van bedrog door [gedaagden]\n\nDe tweede hoofdvraag: voor welke schade zijn [gedaagden] aansprakelijk?\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.13. \n [gedaagden] hebben gezamenlijk onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] , door hem te bedriegen rond de aanschaf van de auto. Dit hebben zij samen gedaan, door het verkopen van een auto waarover een onjuist beeld was gecreëerd en door het in stand houden van dat beeld. Dit onrechtmatig handelen valt hen beiden toe te rekenen. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Dit betekent dat [eiser] zowel [gedaagde 2] . als [gedaagde 1] . kan aanspreken voor het volledige schadebedrag, in totaal tot een maximum van de volledige schade. Het is dan aan [gedaagden] om onderling uit te maken wie welk deel van de schade draagt.\n\nStandpunten van partijen over de schade\n\n5.14. Volgens [eiser] heeft hij € 4.900,00 aan schade geleden. Volgens [eiser] heeft deze schade kunnen ontstaan doordat [gedaagden] hem onjuist hebben voorgelicht en dat onjuiste beeld vervolgens hebben laten bestaan toen hij hen aansprak over de problemen met de auto. Als zij wel eerlijk waren geweest, had [eiser] de auto niet gekocht, of zou hij niet zelf hebben geprobeerd de auto te laten repareren en zou hij hebben gekozen voor een ingebrekestelling en een ontbinding, zo begrijpt de kantonrechter uit de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. [gedaagden] betwisten dat uit de door [eiser] overgelegde facturen en offertes voldoende duidelijk volgt dat [eiser] meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moest en moet maken. Ook betogen zij dat er geen sprake is van relativiteit. Daarmee bedoelen zij dat de door [gedaagden] geschonden norm niet bedoeld is om de door [eiser] gestelde schade te voorkomen.\n\n5.15. De kantonrechter ziet dat anders. De maatschappelijke en juridische norm om de ander niet te bedriegen bij en na het aangaan van een koopovereenkomst is bij uitstek bedoeld om te voorkomen dat de ander wordt benadeeld. Nu vaststaat dat [eiser] door het bedrog van [gedaagden] schade heeft geleden, komt de kantonrechter toe aan het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.\n\nDe toe te wijzen schadevergoeding\n\n5.16. Voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie van [eiser] en de situatie zonder het onrechtmatig handelen. De vordering van [eiser] van in totaal € 4.900,00 bestaat in dat opzicht uit twee delen. Het eerste deel bestaat uit kosten die al daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat zijn de door [eiser] betaalde facturen van [garage 2] van in totaal (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48. Het tweede deel van de vordering bestaat uit kosten die nog niet zijn gemaakt. Dit gaat over het restantbedrag van (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52. [eiser] vordert dit bedrag omdat hij voor tenminste dit bedrag nog reparaties moet laten uitvoeren om de gevolgen van het onrechtmatig handelen te compenseren.\n\n5.17. Door [eiser] is voldoende gemotiveerd gesteld dat hij aan [garage 2] een bedrag van (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48 heeft betaald voor de diagnose en de eerste reparatie aan de auto. [eiser] heeft dit bedrag onderbouwd met facturen, bonnetjes en een diagnoserapport. [gedaagden] hebben in het licht van deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. [eiser] heeft voldoende toegelicht dat hij deze kosten niet zou hebben gemaakt als hij juist was voorgelicht over de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Of hij de auto bij een juiste voorstelling van zaken helemaal niet gekocht had, of de auto wel had gekocht maar dit onderhoud niet zou hebben laten uitvoeren, of [gedaagden] meteen in gebreke had gesteld, kan in het midden blijven. In alle gevallen zou hij, zonder het onjuiste beeld over de auto, de nu gemaakte kosten immers niet hebben gemaakt. De kantonrechter zal dit bedrag dus toewijzen.\n\n5.18. Dan resteert de vraag of [eiser] ook voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij nog minimaal (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52 aan kosten moet maken om de auto te herstellen. Volgens [eiser] blijkt uit de door hem overgelegde bewijsmiddelen – de twee facturen van [garage 2] , het rapport van [garage 2] en de offerte van [garage 3] – voldoende dat hij in totaal meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moet maken. Volgens [gedaagden] mag de kantonrechter geen waarde hechten aan de offerte en de facturen, omdat deze derde partijen geen onafhankelijke deskundige zijn en er zelf belang bij hebben om geld te verdienen. De kantonrechter overweegt dat hun winstoogmerk er niet aan afdoet dat deze partijen een objectieve inschatting kunnen maken van wat het hen zou kosten om de auto verder te repareren. Een commerciële partij, die opereert in een markt met voldoende concurrentie, heeft er ook geen belang bij om een veel te hoge inschatting te geven. Bovendien is ook de winstmarge die commerciële partijen rekenen onderdeel van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter zal de schadeberekening dus baseren op deze bewijsmiddelen.\n\n5.19. \n [gedaagden] hebben verder aangevoerd dat bij de reparatie mogelijk nieuwe onderdelen worden “gebruikt waardoor er sprake is van een waardevermindering en gedaagde partij een beroep toekomt op een aftrek vanwege nieuw – oud vanwege de technische verbeteringen die deze facturen behelzen”. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagden] bedoelen dat mogelijk sprake is van een waardeverméérdering door de reparaties. Voor zover [gedaagden] een beroep willen doen voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) is het aan hen om te onderbouwen hoe het door [eiser] genoten voordeel er dan uitziet. Dat hebben zij niet gedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de motor moet worden verwijderd en weer moet worden teruggeplaatst om de reparatie uit te voeren en dat dit om die reden de naam ‘motorrevisie’ heeft gekregen. In het licht van deze uitleg en betwisting door [eiser] van de waardevermeerdering hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld voor hun beroep op voordeelstoerekening.\n\n5.20. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat het een ingrijpende ingreep is om de pendelsteunbouten te vernieuwen en de schade te herstellen die is ontstaan doordat de pendelbouten loszaten. Dat blijkt ook uit de factuur van [garage 2] en de offerte van [garage 3] . Op de factuur van [garage 2] van € 1.254,28 staat immers dat [garage 2] de werkzaamheden heeft afgebroken omdat bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [garage 2] verwachtte dat er nog substantiële aanvullende kosten gemaakt moeten worden, méér dan de al in rekening gebrachte kosten van € 1.254,28. De offerte van [garage 3] van € 4.000,00 – € 5.000,00 laat weliswaar enige ruimte voor de hoogte van de kosten, maar de onderkant van de bandbreedte zit ruim boven de € 1.351,52. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog tenminste € 1.351,52 aan reparatiekosten moet maken, naast de al betaalde € 3.548,48. De kantonrechter zal dit bedrag van € 1.351,52 daarom toewijzen.\n\nTussenconclusie schadebedrag\n\n5.21. De kantonrechter zal [gedaagden] hoofdelijk veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van in totaal € 4.900,00.\n\nWettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten\n\n5.22. \n [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagden] worden veroordeeld hem de wettelijke rente te betalen over de schadevergoeding, te berekenen vanaf 19 mei 2025. [gedaagden] hebben geen onderbouwd verweer gevoerd tegen de toepasselijkheid van de wettelijke rente. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, en wel als volgt. De rente op de schadevergoeding voor de betaalde facturen gaat lopen vanaf het moment dat [eiser] de bedragen heeft betaald aan [garage 2] : vanaf 6 juni 2025 voor het bedrag van € 2.294,20 en vanaf 24 juli 2025 voor het bedrag van € 1.254,28. Het schadebedrag van € 1.351,52 is weliswaar nog niet betaald, maar wel ontstaan vanaf het moment van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat de wettelijke rente wordt berekend per het moment waarop de auto werd gekocht, op 19 mei 2025.5.23. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De advocaat van [eiser] heeft meerdere pogingen gedaan om [gedaagden] te bewegen tot betaling over te gaan. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 615,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.\n\n5.24. \n [gedaagde 2] . en jr. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n90,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n954,00\n\n5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, over\n\n€ 1.351,52 vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 2.294,20 vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 1.254,28 vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 615,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.4. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:06.187Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1073","ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","ecli-nl-rbove-2026-3861","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F342889 \u002F HA RK 25-99\n\nBeschikking van 13 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen [verzoeker],\n\nadvocaat: mr. J. Menninga,\n\ntegen\n\nMSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partij, hierna te noemen: MSIG,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties,\n\n- de akte overlegging productie van de zijde van MSIG,\n\n- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben de standpunten toegelicht, waarbij de advocaat van [verzoeker] ook gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is vandaag bij vervroeging uitgesproken.\n\n2. Samenvatting\n\nOp 1 april 2024 heeft er een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als fietser en de heer [naam] als automobilist betrokken waren. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen. MSIG heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend. [verzoeker] verzoekt (primair) voor recht te verklaren dat MSIG zijn schade volledig moet vergoeden. Subsidiair verzoekt [verzoeker] de causale verdeling vast te stellen. De rechtbank wijst het verzochte af, reeds omdat haar oordeel over de causale verdeling en over de toepassing van de billijkheidscorrectie niet resulteert in een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De kosten van het deelgeschil worden gematigd. MISG moet 50% van de begrote kosten betalen aan [verzoeker] omdat de schadevergoedingsplicht van MISG niet verder reikt dan 50%. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 1 april 2024 heeft een ongeval plaatsgevonden op het Korianderhof in Wierden, waarbij [verzoeker], rijdend op een elektrische fiets, en [naam], bestuurder van de auto met kenteken [kenteken], betrokken waren. De auto van [naam] is bij MSIG verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid (WAM).\n\n3.2.. \n\nOp of in de nabijheid van de T-splising ter hoogte van het Korianderhof nummer 1 zijn [verzoeker] en de auto van [naam] met elkaar in aanraking gekomen. Onderstaande afbeeldingen geven de situatie ter plekke weer.\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft vanaf boven de situatie weer, waarbij de linkse pijl de rijrichting van [verzoeker] weergeeft en de andere pijl de rijrichting van [naam].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [verzoeker].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [naam].\n\n3.3.. MSIG heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de fiets van [verzoeker] vergoed.\n\n3.4.. De aansprakelijkheidsverzekeraar (AVP) van [verzoeker] heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de auto van [naam] vergoed.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat MSIG gehouden is de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden althans een causale verdeling vast te stellen, met begroting van en veroordeling in de kosten van dit deelgeschil.\n\n4.2.. Aan het verzochte legt [verzoeker] ten grondslag dat er geen sprake is van eigen schuld aan zijn kant. [verzoeker] stelt dat hij geen verkeersfout heeft gemaakt. Hij heeft voldaan aan de voorrangsverplichting op grond van artikel 15 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), terwijl [naam] onvoldoende rechts heeft gehouden en bij de afslaande manoeuvre de binnenbocht heeft genomen. Mocht de rechtbank oordelen dat er wel sprake is van eigen schuld, dan wordt verzocht een billijkheidscorrectie toe te passen.\n\n4.3.. MSIG verzet zich gemotiveerd tegen dit verzoek. Zij meent dat er voor haar een schadevergoedingsplicht van 50% geldt. Primair volgt dit volgens haar uit het feit dat de AVP-verzekeraar van [verzoeker] namens [verzoeker] 50% van de aandprakelijkheid heeft erkend tegenover Aon als volmacht van MSIG in verband met de door MSIG uitgekeerde cascoschade aan de auto van [naam]. [verzoeker] is gebonden aan deze erkenning door zijn AVP-verzekeraar, aldus MSIG. Subsidiair stelt MSIG zich op het standpunt dat de schadevergoedingsplicht 50% bedraagt op grond van artikel 185 WVW juncto artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n4.4.. Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeschiktheid deelgeschil\n\n5.1.. \n [verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nHoofdregel artikel 185 WVW\n\n5.2.. In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen [verzoeker] als (elektrische) fietser en [naam] als bestuurder van een auto. Voor zo’n situatie, waarin een gemotoriseerde (auto) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser) betrokken is, bepaalt de wet (artikel 185 WVW) dat de schade van de ongemotoriseerde door de gemotoriseerde (in de praktijk vaak diens verzekeraar) vergoed moet worden. Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Deze regel geldt niet als de gemotoriseerde zich kan beroepen op overmacht. Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.\n\n5.3.. Partijen zijn het erover eens dat artikel 185 WVW van toepassing is op deze zaak. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat MISG zich niet kan beroepen op overmacht aan de zijde van [naam]. Wel stelt MISG dat zij zich kan beroepen op een andere uitzonderingsbepaling op de hoofdregel, namelijk de ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW. MISG meent namelijk dat [verzoeker] zelf veruit het grootste aandeel heeft gehad in het ontstaan van het ongeval en dat daarom de schadevergoedingsplicht niet meer bedraagt dan 50%.\n\nCausale verdeling\n\n5.4.. Een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ in combinatie met artikel 185 WVW kan de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde met maximaal 50% verlagen. Dat betekent dat de ongemotoriseerde in ieder geval recht heeft op een vergoeding van 50% van zijn of haar schade. Om te beoordelen of [verzoeker] recht heeft op een hoger vergoedingspercentage dan 50%, zoals door hem gevorderd, zal om te beginnen de causale verdeling moeten worden vastgesteld. Dit betekent dat gekeken wordt naar de mate waarin de gedragingen van zowel de gemotoriseerde als de ongemotoriseerde hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Aan de hand hiervan zal de schade in evenredigheid verdeeld worden tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde.\n\n4.5.. MISG stelt (kort gezegd) dat [verzoeker] zelf voor het grootste deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] heeft een verkeersfout begaan door [naam], die van rechts kwam, geen voorrang te verlenen. [verzoeker] fietste de kruising op en sloeg rechtsaf zonder eerst te verifiëren of er verkeer van rechts kwam. Door geen voorang te verlenen en rechtsaf te slaan, is [verzoeker] tegen de auto van [naam] gefietst. Er is eens te meer sprake van een verkeersfout van [verzoeker], nu zijn zicht op de weg rechts van hem zeer beperkt was door de hoge muur van de aanbouw van de Korianderhof, die tot aan het kruispunt reikte. Door deze hem bekende verkeerssituatie had hij extra voorzichtig de kruising moeten naderen en eerst moeten verifiëren of de weg rechts van hem vrij was alvorens rechtsaf te slaan. Dat heeft hij niet gedaan. Volgens MSIG blijkt nergens uit dat [verzoeker] op enigerlei wijze heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er verkeer van rechts zou kunnen aankomen. Daaraan doet de gestelde verkeersfout van [naam], inhoudende dat hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, niet af, aldus MSIG.\n\n5.5.. De rechtbank oordeelt dat het handelen van [verzoeker] voor een aanzienlijk deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Op basis van de geldende verkeers-regels (artikel 15 RVV) had [naam] voorrang op [verzoeker]. [naam] kwam immers van rechts. In artikel 1 RVV is uitgelegd wat “voorrang verlenen” inhoudt: “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen”.Het begrip voorrang verlenen omvat dus meer dan het enkel vrijlaten van voldoende ruimte om de voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer door te laten. Het heeft betrekking op het hele gedrag dat mag worden verwacht van de verkeersdeelnemer die voorrang moet verlenen aan een andere weggebruiker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MISG voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoeker] hier niet aan heeft voldaan. Hoewel de precieze plek van de aanrijding niet helemaal duidelijk is geworden, kan de rechtbank, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval op het kruisingsvlak of, indien [verzoeker] in zijn standpunt wordt gevolgd, in ieder geval op een zeer korte afstand van het kruisingsvlak heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] artikel 15 RVV niet heeft geschonden. Hij heeft [naam] niet (voldoende) in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen. [verzoeker] stelt wel dat [naam] de bocht heeft afgesneden, maar dat is betwist door [naam], zodat dat niet is komen vast te staan. Ook als daar wel van zou worden uitgegaan, zou dit betekenen dat [naam] weliswaar een fout heeft begaan, maar dat doet niet af aan de verkeersfout die [verzoeker] heeft begaan. [verzoeker] moet als verkeersdeelnemer ook rekening houden met fouten van een ander, zeker nu hij voorrang moest verlenen aan het van rechts komende verkeer. Dat heeft [verzoeker] niet (voldoende) gedaan. Zo is [verzoeker] niet al wat voor het kruisingsvlak gestopt. Daarbij weegt de rechtbank ook de aard van de kruising\u002FT-splitsing mee. Er is sprake van smalle straten met weinig zicht door de (relatief hoge) aanbouw en er staan vaak, zoals ook ten tijde van het ongeval, auto’s (fout) geparkeerd op de (vanuit de rijrichting van [verzoeker] bezien) linkerweghelft. [verzoeker] was hiermee bekend en kon die auto’s zien bij het naderen van de kruising. Ook daarom mocht van hem extra voorzichtigheid worden verwacht bij het naderen van de kruising\u002FT-splitsing waar hij voorrang moest verlenen aan het van rechtskomend verkeer. De situatie ter plekke brengt ook met zich dat een van rechts komende naar links afslaande auto op enig moment de bocht wel iets moet afsnijden om een botsing met een geparkeerde auto te voorkomen.\n\n5.6.. De verwijzing naar het vonnis van 7 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Hollanddoor [verzoeker] treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feitelijke situaties niet vergelijkbaar met elkaar. Zo is er in de onderhavige situatie sprake van een onoverzichtelijke kruising. Van een situatie dat [verzoeker] [naam] geen voorrang hoefde te verlenen is, mede gelet op het bepaalde in artikel 1 RVV, naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.\n\n5.7.. Wanneer de rechtbank de gedragingen van [verzoeker] en [naam] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van [verzoeker] voor minder dan 50% aan het ongeval hebben bijgedragen.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.8.. De rechtbank ziet geen reden om een billijkheidscorrectie toe te passen. Met inachtneming van het vorenstaande is de mate van verwijtbaarheid van het rijgedrag van [naam], afgezet tegen de mate van verwijtbaarheid dat [verzoeker] zelf treft, niet zodanig dat dit een billijkheidscorrectie rechtvaardigt. De omstandigheid dat het aan het motorrijtuig voor andere verkeersdeelnemers verbonden gevaar (Betriebsgefahr) zich heeft verwezenlijkt, is onvoldoende reden om te komen tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van MSIG. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van een groter deel van de schade van [verzoeker] dan 50%. De rechtbank heeft oog voor het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen en de gevolgen die hij daarvan ondervindt, maar de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen niet de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist.\n\nSlotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf en\u002Fof de billijkheidscorrectie geen aanleiding geeft voor een hogere schadevergoedings-verplichting voor MSIG dan 50%. Dat betekent dat het verzochte door [verzoeker] wordt afgewezen. Bespreking van het primaire verweer van MISG laat de rechtbank dan ook achterwege.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n [verzoeker] maakt aanspraak op € 13.581,94 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. MSIG voert verweer en stelt dat dit een te hoog bedrag aan kosten is voor een niet-complexe zaak waarin slechts één specifieke vraag voorligt. Zij wijst er daarbij ook op dat een groot deel van de door [verzoeker] opgevoerde kosten niet zijn aan te merken als kosten van de deelgschillenprocedure, dat sprake is van dubbele kosten en dat kosten van ANWB niet zijn onderbouwd met een specificatie.\n\n5.13.. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank constateert dat diverse posten niet zijn onderbouwd met een (uren)specificatie. Daardoor is niet te verifiëren of de kosten in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Uit de wel overgelegde specificatie blijkt dat er diverse belangenbehartigers\u002Fadvocaten betrokken zijn (geweest) bij deze kwestie. Nut en noodzaak daarvan is echter niet (voldoende) onderbouwd. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat bepaalde kosten dubbel in rekening zijn gebracht. Gelet op de mate van complexiteit en de omvang van het dossier acht de rechtbank een totale tijdsbesteding van 16 uur redelijk. Wat betreft het te hanteren uurtarief zal zij aansluiten bij het ook van de zijde van [verzoeker] gehanteerde tarief van € 255,- exclusief btw.Dit komt neer op een bedrag van € 4.936,80 inclusief btw. Dat bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 331,-, zodat de begroting van de kosten van het deelgeschil sluit op € 5.267,80.5.14.. Omdat de vergoedingsplicht voor MISG 50% is, geldt als uitgangspunt dat er in beginsel een correctie aan de orde is. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt ziet de rechtbank geen aanleiding.Dit betekent dat 50% van de kosten voor rekening van [verzoeker] blijft.\n\n5.15.. Nu MISG de aansprakelijkheid (voor 50%) heeft erkend, bestaat er ook aanleiding om een veroordeling uit te spreken. MISG zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.633,90 (50% van € 5.267,80) aan [verzoeker].\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst het verzochte door [verzoeker] af;\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.936,80 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,- en veroordeelt MSIG tot betaling van € 2.633,90 aan [verzoeker], te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.\n\n Vgl. o.a. HR, 16 april 1971, NJ 1971\u002F307 en HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046.\n\n Rb. Noord-Holland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8554.\n\n Zie randnummer 43 van het verzoekschrift.\n\n Vgl. o.a. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:30.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.665Z",20]