[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-almere-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},79,"Almere","nl","almere",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124506","Burgerlijk Wetboek","art. 7:231 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124499","art. 7:280",[30,40],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":38,"updatedAt":39},"1916","ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","ecli-nl-rbmne-2026-3678","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12213252 \\ MV EXPL 26-62\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING GOEDESTEDE,\n\ngevestigd te Almere,\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: mr. T. Mulder,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij]in hoedanigheid van bewindvoerder van de heer[onderbewindgestelde], wonende te [woonplaats] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.\n\nPartijen worden hierna GoedeStede en [gedaagde partij] of de bewindvoerder genoemd.\n\nDe onderbewindgestelde wordt [onderbewindgestelde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 22 mei 2026 met 14 producties;\n\n- de nadere producties 15 en 16 van GoedeStede.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Namens GoedeStede is verschenen mevrouw [A] , consulent leefbaarheid (hierna: [A] ), bijgestaan door mr. L. Wanders (kantoorgenote van mr. T. Mulder). Namens de bewindvoerder is verschenen mr. E.D. van Tellingen. [onderbewindgestelde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van overgelegde aantekeningen) toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\nGoedeStede verhuurt sinds 15 maart 2021 de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) aan [onderbewindgestelde] , die onder bewind staat bij [gedaagde partij] . Op 30 december 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Almere besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden tot en met 1 april 2026 op grond van artikel 174a lid 1 sub c van de Gemeentewet.GoedeStede heeft bij brief van 26 januari 2026 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en in dit kort geding ontruiming van de woning gevorderd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de ontruiming – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar is.\n\n3. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n3.1.. In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan voldoende is gebleken, gelet op de aard van de vordering tot ontruiming en de omstandigheid dat, na de sluiting van de woning door de burgemeester, de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden door GoedeStede. Dit brengt namelijk met zich dat [onderbewindgestelde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat er enige tijd zit tussen de ontbinding en de dagvaarding doet niet af aan het spoedeisend belang. In de tussenliggende periode hebben partijen namelijk gecorrespondeerd over een vrijwillige opzegging zodat dit kort geding kon worden voorkomen.\n\nOntruiming in kort geding\n\n3.2.. \n\nToewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woning verliest. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.\n\nToetsingskader buitengerechtelijke ontbinding\n\n3.3.. Door het sluitingsbesluit van de burgemeester is GoedeStede bevoegd om op grond van artikel 7:231 lid 2 BW tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Omdat de bewindvoerder zich niet hierbij neerlegt, moet de kantonrechter, als daartoe voldoende is aangevoerd, beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of GoedeStede haar bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). Bij de beoordeling hiervan moet de kantonrechter ook een belangenafweging maken, waarbij onder meer kunnen worden betrokken de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden.\n\nDe buitengerechtelijke ontbinding kan in stand blijven\n\n3.4.. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding in stand kan blijven.\n\n3.5.. Vooropgesteld wordt dat sprake is geweest van een heftig incident, dat aanleiding is geweest voor de woningsluiting. Op 29 november 2025 heeft namelijk bij een juwelier in de nabije omgeving van de woning een gewelddadige overval plaatsgevonden door drie overvallers. Direct na de overval werd één verdachte op straat aangehouden en werd bij hem een vuurwapen aangetroffen. De twee andere verdachten zijn gevlucht naar de woning van [onderbewindgestelde] en vervolgens door het arrestatieteam in de woning aangehouden. Daarbij is in de prullenbak in de woning een vuurwapen aangetroffen dat is gebruikt tijdens de overval. Uit de overgelegde (aanvullende) bestuurlijke rapportage van de politie van 2 (en 10) december 2025 (hierna: de rapportage) en het overgelegde nieuwsartikel (productie 5) volgt dat de overval de openbare orde ernstig heeft verstoord: de locatie was middenin een winkelstraat waar veel mensen aanwezig waren.\n\n3.6.. Verder volgt uit de rapportage dat toen het arrestatieteam voor de deur van de woning stond [onderbewindgestelde] verklaarde dat hij lag te slapen met zijn vriendin en dat hij niet wist dat twee jongens in zijn woning aanwezig waren. De kantonrechter acht dit ongeloofwaardig. Uit de rapportage (pagina 2) volgt namelijk dat uit onderzoek is gebleken dat twee van de drie overvallers vóór de overval uit het portiek van de woning kwamen en dat ná de overval de centrale toegangsdeur direct na aanbellen werd geopend waarop de twee verdachten naar binnen gaan.\n\n3.7.. Op de mondelinge behandeling heeft [onderbewindgestelde] zijn verklaring genuanceerd: [onderbewindgestelde] wist wel dat hij de jongens had binnengelaten, maar wat daarna is gebeurd weet hij niet, omdat hij verder ging slapen. Echter, voorafgaand aan het binnentreden van de woning heeft het arrestatieteam via de megafoon omgeroepen dat alle bewoners binnen moesten blijven, cirkelde een helikopter boven het gebied, werd de openbare weg afgezet en werden meerdere politieauto’s ingezet. Ook is de kleding die gebruikt was tijdens de overval aangetroffen in de wasmachine van [onderbewindgestelde] , die op dat moment aan het draaien was. Dat [onderbewindgestelde] van niks wist omdat hij lag te slapen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook ongeloofwaardig en kan daarom – ook bij gebrek aan onderbouwing – niet worden gevolgd. Bovendien heeft [onderbewindgestelde] op de mondelinge behandeling verklaard dat de jongens van de overval een dag ervoor op een feestje bij hem thuis waren en drugs gebruikten.\n\n3.8.. Maar ook als ervan moet worden uitgegaan dat [onderbewindgestelde] geen enkele betrokkenheid had bij of wetenschap had van de overval en het vuurwapen, kan dit niet afdoen aan zijn aansprakelijkheid voor de gedragingen van derden die met zijn goedvinden in de woning verblijven. Ook na de heropening van de woning op 1 april 2026 heeft [onderbewindgestelde] zijn woning laten gebruiken door personen die zich bezighouden met drugshandel. GoedeStede heeft in dit kader een e-mail overgelegd van [A] (productie 15) met een verslag naar aanleiding van haar contacten met de wijkagent [wijkagent] . Hieruit volgt onder meer dat op 15 mei 2026 een drugsdealer is aangehouden die aangaf te verblijven in de woning van [onderbewindgestelde] en een sleutel van de woning te hebben. Op 21 mei 2026 is [A] met de wijkagent naar de woning gegaan waar zij een andere bekende drugsdealer aantroffen, die aangaf dat hij van [onderbewindgestelde] in de woning mocht verblijven. Verder is geconstateerd dat de twee slaapkamers zijn voorzien van cilindersloten (productie 16), hetgeen ook een indicatie is dat [onderbewindgestelde] zijn woning in gebruik geeft. Ook geeft [A] aan dat op 1 juni 2026 een melding is ontvangen van een bewoner die aangaf dat de woning wordt betreden door verschillende personen die betrokken zijn bij “straatactiviteiten” en die kennelijk ook de sleutel hebben. Weliswaar heeft de bewindvoerder voornoemde meldingen betwist, maar zij heeft, hoewel dit op haar weg lag, geen enkel stuk in het geding gebracht dat deze meldingen ontkracht. Aan de blote betwisting moet dan ook worden voorbijgegaan. Bovendien heeft GoedeStede de onderliggende verklaringen van de wijkagent voorgelezen op de mondelinge behandeling en de inhoud daarvan komt overeen met voornoemde e-mail van [A] .\n\n3.9.. Anders dan [onderbewindgestelde] meent, kan het incident met de overval dus niet worden gezien als een op zichzelf staand incident. Niet alleen ná de heropening van de woning, maar ook in het verleden zijn vele (drugsgerelateerde) meldingen bij de politie gedaan vanwege overlast door drugsdealer en -gebruikers die [onderbewindgestelde] toelaat in zijn woning.Het valt [onderbewindgestelde] te verwijten dat hij onvoldoende toezicht houdt op zijn woning dan wel zijn woning nog steeds laat gebruiken door verschillende personen die zich bezighouden met drugsgerelateerde activiteiten. Dit geldt des te meer omdat de overval een heftige impact heeft gemaakt op de buurt. De gemeente heeft daarom ook besloten om sinds 1 april 2026 cameratoezicht in de omgeving in te stellen en politie en handhavers in te zetten om de drugsgerelateerde overlast aan te pakken.\n\n3.10.. De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat de bezwaarprocedure nog loopt tegen de sluiting van de woning, maar dit verweer kan [onderbewindgestelde] niet baten. Het sluitingsbesluit hoeft namelijk niet onherroepelijk te zijn. De feitelijke sluiting van het gehuurde vormt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding, zodat de verhuurder niet behoeft te wachten tot het sluitingsbesluit onherroepelijk is geworden om tot buitengerechtelijke ontbinding over te gaan.De civiele rechter dient niet te treden in de beoordeling van het bestuursrechtelijke besluit tot sluiting van een woning.\n\nOntruiming wordt toegewezen\n\n3.11.. \n\nUit het voorgaande volgt dat er onvoldoende omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat GoedeStede naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik heeft mogen maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gesteld, maar ook niet gebleken. Ook een belangenafweging kan de bewindvoerder niet baten. De kantonrechter begrijpt dat ontruiming ingrijpende gevolgen voor [onderbewindgestelde] heeft, maar de kantonrechter moet ook rekening houden met de zwaarwegende belangen van GoedeStede en haar andere huurders die daar wonen. Dit belang weegt extra zwaar sinds het incident met de overval. GoedeStede moet immers zoveel mogelijk zorgen voor het rustig en veilig huurgenot van haar huurders. GoedeStede heeft er belang bij dat haar andere huurders niet (nog) langer overlast hoeven te ondervinden van [onderbewindgestelde] en de mensen die hij nog steeds in zijn woning toelaat. De belangen van GoedeStede en haar andere huurders wegen in dit geval zwaarder dan het belang van [onderbewindgestelde] bij woningbehoud. Bij deze stand van zaken is het hoogst waarschijnlijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden.\n\nVan GoedeStede kan dus niet worden gevergd dat de uitkomst van een (lange) bodemprocedure wordt afgewacht. De gevorderde ontruiming is daarom – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar.\n\n3.12.. Omdat de vordering tot ontruiming op basis van de primaire grondslag wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering (ontbinding wegens gestelde tekortkomingen) geen verdere behandeling.\n\n3.13.. \n\nDe ontruimingstermijn zal worden bepaald op zeven dagen zoals is gevorderd.\n\nDe bewindvoerder heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die een langere ontruimingstermijn rechtvaardigen. Bovendien is geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze termijn en heeft (de bewindvoerder van) [onderbewindgestelde] er al geruime tijd rekening mee kunnen houden dat de woning moet worden ontruimd.\n\nDe bewindvoerder moet de proceskosten betalen3.14.. De bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n 151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n 865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n 144,00\n\n(plus eventuele betekeningskosten)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.299,94\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n3.16.. GoedeStede vordert tot slot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hierbij moet worden beoordeeld of de belangen van GoedeStede bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [onderbewindgestelde] bij behoud van de bestaande toestand tot het einde van de beroepstermijn of tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist. Dit is niet het geval, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.11 is overwogen. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter, rechtdoende in kort geding\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] , in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [onderbewindgestelde] , om binnen zeven dagenna betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van GoedeStede zijn, en de sleutels af te geven aan GoedeStede, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 1.299,94, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n4578\n\n ingeval door het aantreffen in de woning van een wapen als bedoeld in art. 2 van de Wet wapens en munitie de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.\n\n HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587, r.o. 3.4.\n\n Zie pagina 3 van de rapportage en pagina’s 2 en 3 van de aanvullende rapportage.\n\n bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7167.\n\n bijv. Hof Den Haag 21 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3462.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.323Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":38,"updatedAt":47},"1909","ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","ecli-nl-rbmne-2026-3567","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12081065 \\ MC EXPL 26-570\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn en mr. R.G. Matti (Van der Hoeden | Mulder gerechtsdeurwaarders en juristen),\n\ntegen\n\n [gedaagde] ,handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 januari 2026; - de conclusie van antwoord.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Namens [eiseres] is verschenen mr. R.G. Matti. [gedaagde] is in persoon verschenen.\n\nPartijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nDe griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] , unit [unit] , te [plaats 2] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] heeft een huurachterstand, die een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De kantonrechter ziet echter aanleiding om een terme de graçete verlenen: als [gedaagde] de onder de beslissing genoemde bedragen binnen twee weken volledig betaald, zal de huurovereenkomst in stand blijven en hoeft zij het gehuurde niet te ontruimen.\n\n3. De beoordeling\n\nHuurachterstand\n\n3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een substantiële huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 6.920,50 (berekend tot en met januari 2026). Dit is een huurachterstand van circa zes maanden (gelet op de huurprijs van € 1.840,20 per maand).\n\n3.2. \n\nOp de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een nadere specificatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de huurachterstand alleen maar verder is opgelopen tot maar liefst tien maanden (€ 11.657,30 berekend tot en met 1 mei 2026). Aangezien [gedaagde] dit niet heeft betwist, is de gevorderde huurachterstand toewijsbaar.\n\nOok de wettelijke rente, die alleen is gevorderd over de huurachterstand tot en met januari 2026 vanaf datum dagvaarding, is toewijsbaar.\n\nOntbinding en ontruiming\n\n3.3. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Een huurachterstand van drie maanden rechtvaardigt in beginsel namelijk al de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat zij “100% zeker weten” over twee weken de huurachterstand met boete, rente en kosten kan betalen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid om [gedaagde] nog een termijn toe te staan om deze bedragen aan [eiseres] te voldoen (een zogenoemde terme de grâceals bedoeld in artikel 7:280 BW). Deze termijn zal worden bepaald op twee weken na dit vonnis. Dat betekent dat de ontbinding en de ontruiming worden uitgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen voornoemde termijn de bedragen zoals onder de beslissing genoemd heeft betaald. Als zij wel op tijd en volledig betaalt, dan sorteren de ontbinding en de veroordeling tot ontruiming geen effect.\n\n3.4. Als [gedaagde] de genoemde bedragen niet betaald binnen de gestelde termijn, zal de huurovereenkomst eindigen. In dat geval moet zij vanaf dat moment geen huur maar een gebruiksvergoeding van € 1.184,20 per maand betalen tot en met de dag waarop zij het gehuurde daadwerkelijk heeft verlaten. [gedaagde] moet het gehuurde dan ook ontruimen. [gedaagde] krijgt hiervoor dan 14 dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd (en de genoemde termijn van twee weken is verstreken).\n\nSchadevergoeding\n\n3.5. \n [eiseres] vordert verder een voorschot op de schadevergoeding gelijk aan drie huurtermijnen, zijnde € 3.522,60.\n\n3.6. Ingeval van ontbinding kan [eiseres] in beginsel aanspraak maken op een bedrag gelijk aan de huurprijs over de periode vanaf de datum ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de datum waarop de huurovereenkomst normaal gesproken zou zijn geëindigd. Als de huurovereenkomst had voortgeduurd, had [eiseres] in deze periode namelijk huurinkomsten ontvangen van [gedaagde] . [eiseres] is wel verplicht om haar schade te beperken en dus waar mogelijk het gehuurde te verhuren aan een ander. Op dit moment is het nog onzeker of de voorwaardelijke ontbinding effect sorteert en is het onduidelijk of [eiseres] dan haar schade kan beperken door verhuur aan een ander.3.7. De kantonrechter schat in dat de kans klein is dat [eiseres] in staat zal zijn om binnen drie maanden na de daadwerkelijke ontruiming inkomsten te verkrijgen door verhuur aan een ander. Daarom zal het gevorderde bedrag aan voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen. Voor het geval [eiseres] het gehuurde binnen die drie maanden tegen betaling toch kan verhuren aan een ander bepaalt de kantonrechter dat de inkomsten die [eiseres] hierdoor verkrijgt, van de toe te wijzen schadevergoeding moeten worden afgetrokken.\n\nIncassokosten en boete\n\n3.8. \n [eiseres] vordert verder een bedrag van € 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten die zowel op grond van de toepasselijke Algemene Bepalingen (AB) als op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en is daarom toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.\n\n3.9. Daarnaast vordert [eiseres] verbeurde contractuele boetes op grond van artikel 14.2 AB. Daarin is bepaald dat, als niet prompt op de vervaldag de huur is betaald, de huurder aan de verhuurder een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand verschuldigd is met een minimum van 250 gulden (omgerekend € 113,45 per maand). [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van zes huurtermijnen en daarom 6 x € 113,45 = € 680,70 verschuldigd is. De boetes zijn dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt echter afgewezen omdat die pas na schriftelijke aanmaning op de voet van 6:82 BW is verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n3.10. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.578,67\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :\n\n€ 11.657,30 aan huurachterstand, berekend tot en met 1 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.920,50 vanaf de dag van dagvaarding (29 januari 2026) tot de dag van volledige betaling;\n\n€ 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2026 tot de dag van betaling;\n\n€ 680,70 aan contractuele boetes;\n\nen bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] de hierboven genoemde bedragen niet binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] heeft betaald:\n\n4.2. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] unit [unit] te [plaats 2] met ingang van de dag na afloop van hiervoor genoemde termijn van twee weken;\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagenna betekening van dit vonnis (en de hiervoor genoemde termijn van twee weken is verstreken) het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:\n\n€ 1.184,20 aan huur voor de maand juni 2026 ingeval die nog niet is betaald;\n\n€ 1.184,20 voor iedere maand vanaf juli 2026 tot de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;\n\n4.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.552,60 aan voorschot op de schadevergoeding gelijk aan de huur van drie kalendermaanden na de daadwerkelijke ontruiming, met dien verstande dat ingeval van voortijdige wederverhuur de ontvangen huurpenningen door [eiseres] in mindering moeten worden gebracht op deze schadevergoeding;\n\nen voorts in beide gevallen:\n\n4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.578,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;4.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n4578","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.970Z",20]