[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":129},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2023-04-19T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121877","Algemene wet bestuursrecht","art. 4:84",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122164","art. 3:2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123630","art. 8:18",[33,44,52,61,69,77,85,94,103,112,121],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"1375","ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","ecli-nl-rbdha-2026-18202","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.20139\n\n V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999 en van Marokkaanse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, de minister\n\n(gemachtigde: mr. E. Konstapel).\n\nInleiding\n\nMet het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf afgewezen.\n\nMet het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser op 30 april 2025 beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door mr. L. Hu, waarneemster van de gemachtigde van eiser. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nGriffierecht\n\n1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft dit verzoek met de brief van 1 mei 2025 voorlopig toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek definitief toe.\n\nBeroep tegen het bestreden besluit\n\nAchtergrond\n\n2. Eiser heeft op 17 juli 2024 een visum kort verblijf aangevraagd om op bezoek te gaan bij [referent] (referent) in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024. In het ‘Bewijs van garantstelling en\u002Fof Particuliere logiesverstrekking’ heeft referent verklaard dat eiser zijn neef is.\n\nBesluitvorming\n\n3. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Ook heeft eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aangetoond, waardoor hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (tijdig) het Schengenbied zal verlaten.\n\nJuridisch kader\n\n4. De rechtbank overweegt dat in artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii) en b, van de Visumcode staat dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe.De minister kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en\u002Fof sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.\n\nSociale binding\n\n5. Eiser voert aan dat hij wel een sterke sociale binding met Marokko heeft. Eiser maakt deel uit van een gezin. Hij woont bij zijn moeder en stiefvader en een aanzienlijk deel van zijn familie verblijft in Marokko. Eiser is geboren en getogen in Marokko, heeft daar een sociaal leven opgebouwd en volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . De opvatting van de minister zou ertoe kunnen leiden dat bij geen enkele alleenstaande zonder zorgtaken sprake kan zijn van voldoende sociale binding en dat is slecht verdedigbaar. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2023.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Eiser is 25 jaar oud, ongehuwd en heeft geen kinderen. Hij draagt dus niet de verantwoordelijkheid voor een eigen gezin. Ook is niet gebleken dat eiser zorgdraagt voor zijn moeder, stiefvader of overige directe familieleden of dat er zwaarwegende verplichtingen op hem rusten in Marokko. Verder kan de rechtbank zich indenken dat eiser een sociaal leven heeft in Marokko. Maar de enkele stelling dat dat zo is, zonder onderbouwing waaruit dit sociale leven dan bestaat, heeft de minister onvoldoende kunnen achten voor het aannemen van een dusdanige sociale binding naar Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Voor zover eiser aanvoert dat de studie van eiser een sociale binding met Marokko oplevert, vanwege het contact met bijvoorbeeld medestudenten, heeft eiser ook dit verzuimd te onderbouwen. Tot slot kan de verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van 24 april 2023 eiser niet baten, omdat dit volgens de rechtbank geen vergelijkbare zaak betreft. Zo vond de rechtbank in die uitspraak ook van belang dat de betrokkene sinds het overlijden van zijn vader de enige man in het gezin was, dat verder bestond uit een moeder en drie zussen Volgens de rechtbank had de minister dit in die zaak wel in zijn beoordeling moeten betrekken, omdat dat een bepaalde sociale binding met zijn gezinsleden en daarmee met het land van herkomst opleverde. In de huidige zaak is eiser echter niet de enige man in het gezin, omdat zijn stiefvader ook deel uitmaakt van het gezin. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEconomische binding\n\n6. Eiser voert verder aan dat hij wel een sterke economische binding met Marokko heeft. Eiser volgt een [opleiding] aan de [universiteit] in [plaats] . Dit is een veeleisende studie, waarvan hij reeds meerdere vakken met succes heeft afgerond. Vanwege privéomstandigheden heeft hij de studie in de afgelopen periode tijdelijk niet actief kunnen voortzetten. Verder is van belang dat het een Arabischtalige [opleiding] betreft, die niet internationaal erkend is. Hierdoor is het feitelijk uitgesloten om de studie elders voort te zetten.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Het is niet in geschil dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt om zelfstandig in zijn onderhoud te voorzien in Marokko. Ten aanzien van de studie van eiser is de rechtbank ervan uitgegaan dat dit gaat om een studie over het recht in Marokko en niet over een (algemene) [opleiding] in het Arabisch, zoals de gemachtigde van de minister op zitting heeft gesteld. De rechtbank kan zich lastig indenken dat een studie over het recht in Marokko makkelijk elders kan worden voortgezet. Dit leidt echter niet tot een geslaagd beroep, omdat eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk die studie volgt. De inschrijvingen voor het leerjaar 2023-2024, de inschrijving voor het leerjaar 2024-2025 en een vakantierooster is daarvoor niet genoeg. De rechtbank is het met de minister eens dat het op de weg van eiser had gelegen om zijn studie(voortgang) nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met cijferlijsten of uitslagen van behaalde tentamens. Dat heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHoorplicht\n\n7. Eiser voert tot slot aan dat hij ten onrechte niet door de minister is gehoord. Het staat immers niet op voorhand vast dat hetgeen eiser mogelijk nog aanvullend zou kunnen verklaren of bewijzen niet kan leiden tot een ander oordeel en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de uitkomst van het bezwaar.\n\n7.1.. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awbkan van horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over het doel van zijn verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om zijn sociale en economische binding met het land van herkomst aannemelijk te maken. Ook met de in de bezwaarfase overgelegde documenten is eiser daarin niet geslaagd. Een mondelinge toelichting had dat niet anders gemaakt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 juni 2026, omdat in die zaak in de bezwaarfase meer stukken waren overgelegd. Zo had de betrokkene in die zaak naast registratiecertificaten ook afschriften van cijferlijsten over drie studiejaren overgelegd. Op grond daarvan kwam de rechtbank tot de conclusie dat eiser voldoende inspanningen had verricht om de door de minister verlangen informatie te verkrijgen en inzichtelijk te maken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om een visum voor kort verblijf in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:6137.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:15428.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18202","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:18.661Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":42,"updatedAt":51},"1331","ECLI:NL:RBAMS:2026:6778","ecli-nl-rbams-2026-6778","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nwrakingskamer\n\nzaaknummer: C\u002F13\u002F789763\n\nrekestnummer HA\u002FRK 26\u002F235\n\nUitspraak: 22 juni 2026\n\nBeslissing op het op 19 juni 2026 ingekomen verzoek van:\n\n [verzoeker],verzoeker,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van de behandelend rechter(s) in de zaak met zaaknummer AMS 25\u002F7305.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van het schriftelijk wrakingsverzoek met bijlagen van 17 juni 2026.\n\n1.2.. De behandelend rechter van de zaak AMS 25\u002F7305 betreft mr. K.S. Man (de rechter). De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten en het verzoek\n\n2.1.. Verzoeker is als eiser bij de rechtbank, afdeling Publiekrecht (team bestuursrecht) betrokken in een procedure met zaaknummer AMS 25\u002F7305. Het betreft een zaak over waterschapslasten en verweerder in die zaak is het Algemeen Bestuur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De mondelinge behandeling van de zaak staat gepland bij de rechter op 22 juni 2026 om 14:50 uur.\n\n2.2.. Verzoeker heeft de rechter verzocht om de zaak op de stukken af te doen. De griffier heeft verzoeker op 16 juni 2026 namens de rechter het volgende laten weten:\n\nDe rechtbank heeft uw verzoek om de zaak alleen op de stukken af te doen gezien. In principe wordt bij de behandeling van een zaak een zitting gepland (artikel 8:56 van de Awb). Het is aan de bestuursrechter om te beoordelen of geen onderzoek ter zitting nodig is. In dit geval is er geen aanleiding om de zaak buiten zitting af te doen. Er is overigens geen verschijningsplicht. U zou eventueel iemand kunnen machtigen om namens u naar de rechtbank te gaan.\n\n2.3.. Verzoeker heeft daarop onderhavig wrakingsverzoek ingediend. Hij voert aan dat de rechter met het afwijzen van zijn verzoek om de zaak buiten zitting en op de stukken af te doen blijk geeft van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, vooringenomenheid en ernstig gebrek aan rechterlijke onbevangenheid. Verzoeker heeft immers onderbouwd dat hij vanwege medische redenen op geen enkele wijze kan deelnemen aan een zitting. Er is sprake van discriminatie op grond van handicap of chronische ziekte. Dat verzoeker iemand kan machtigen is geen verplichting en is voor hem (mede om financiële redenen) ook geen optie. De rechter wil ten onrechte een onderzoek ter zitting laten plaatsvinden, terwijl hij weet dat verzoeker niet kan verschijnen. Dit bevestigt de objectieve vrees voor vooringenomenheid en tast de rechterlijke onpartijdigheid in de kern aan.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.3.2.. Het verwijt van verzoeker betreft een rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). 3.3. Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven (waar verzoeker overigens in zijn wrakingsverzoek ook om heeft verzocht).\n\nBESLISSING:\n\nDe wrakingskamer:\n\n- wijst het verzoek tot wraking af;\n\n- bepaalt dat de zaak met zaaknummer AMS 25\u002F7305 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6778","2026-07-13T00:29:16.316Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":42,"updatedAt":60},"1337","ECLI:NL:RBAMS:2026:5032","ecli-nl-rbams-2026-5032","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAMWrakingskamer\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F786380 \u002F HA RK 26-130\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van 19 mei 2026 op het verzoek van:\n\n [naam 1], verzoekster,\n\ngemachtigde [naam 2],\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. A.D. Belcheva, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter. De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. S.P. Pompe, voorzitter,\n\nmrs. N.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, rechters en\n\nmr. K.P.M. Smeets, griffier.\n\n Verzoekster heeft, via haar gemachtigde, op 10 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend. Het verzoek ziet op de wijze waarop de rechter de zaak van verzoekster (met kenmerk AMS 25 \u002F4754 WIA) op de zitting van 8 april 2026 heeft behandeld. Op 26 april 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster het verzoek (‘de grieven’) schriftelijk aangevuld. De rechter heeft in een schriftelijke reactie laten weten niet in de wraking te berusten en daarbij een toelichting gegeven op het verloop van de zitting.\n\nHet verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026. Nadat verzoekster en de rechter hun standpunt hebben toegelicht en vragen van de wrakingskamer hebben beantwoord, is de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de wrakingskamer bij monde van de voorzitter mondeling uitspraak gedaan.\n\nDe beoordeling van het verzoek\n\nVerzoekster heeft in 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 september 2023 is die aanvraag geweigerd. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit is door het UWV (hierna: verweerder) niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 5 juni 2025 heeft verzoekster om heroverweging van de beslissing van 14 september 2023 verzocht. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.\n\nOp 8 april 2026 heeft de rechter het beroep van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2025 behandeld. Dit besluit heeft verweerder tijdens de beroepsfase ingetrokken. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar van verzoekster bij nader inzien wordt aangemerkt als een herzieningsverzoek van het besluit van 8 juli 2025.\n\nVerzoekster heeft haar beroep echter gehandhaafd, omdat de intrekking volgens haar niet wegneemt dat het oorspronkelijke besluit rechtsgevolgen heeft gehad, nu zij genoodzaakt was beroep in te stellen en daarvoor kosten te maken.\n\nDe rechter heeft toegelicht dat zij, omdat het bestreden besluit inmiddels was ingetrokken, moest beoordelen of er procesbelang bij verzoekster bestond en ook of voldaan was aan de vereisten voor een proceskostenvergoeding. Zij heeft toegelicht dat zij geen redenen zag om al tijdens de zitting een oordeel te geven over de vraag of verweerder misbruik van recht heeft gemaakt of het recht op een eerlijk proces heeft geschonden door hangende het beroep het bestreden besluit in te trekken, het verzoek van verzoekster te kwalificeren als herzieningsverzoek en dat in een primaire procedure te beoordelen, zodat verzoekster geen (bezwaar) instantie miste. Het stond partijen vrij om desgewenst daarop te reageren.\n\nIn zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.\n\nHet bezwaar van verzoekster betreft allereerst de omstandigheid dat de rechter niet heeft willen vaststellen dat sprake was van misbruik van recht, doordat verweerder de bestreden beslissing, hangende de beroepsprocedure heeft ingetrokken. De rechter had haar rechterlijke discretie moeten gebruiken en de belangen van verzoekster moeten meewegen. De open normen van het bestuursrecht bieden daar ook ruimte voor, aldus verzoekster.\n\nEen rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Dat geldt des te meer voor het nog niet beslissen of opschorten van een oordeel.\n\nVoorts verwijt verzoekster de rechter dat zij verweerder te veel ruimte heeft geboden en dat zij te lijdelijk is geweest. Ook besteedde de rechter volgens verzoekster verhoudingsgewijs veel tijd aan het vaststellen van de proceskostenvergoeding en stelde zij veel vragen over de werkzaamheden van de gemachtigde.\n\nDe rechter voert de regie bij een mondelinge behandeling. De wijze waarop een rechter die regie voert staat in beginsel niet ter beoordeling aan de wrakingskamer. De rechter heeft ook toegelicht dat zij nog geen oordeel heeft gegeven over het herzieningsverzoek en evenmin over de zaak van verzoekster. De rechter was verder gehouden om te onderzoeken of de gemachtigde van verzoekster als een professionele derde in aanmerking kwam voor een proceskostenvergoeding. Andere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit de objectieve schijn van partijdigheid zou kunnen blijken, zijn gesteld noch gebleken.\n\nHet wrakingsverzoek is daarom ongegrond en wordt afgewezen.\n\nBESLISSING:\n\nwijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026 door:\n\nmrs. S.P. Pompe, voorzitter,\n\nN.C.H. Blankevoort en J.H.J. Evers, leden,\n\nin aanwezigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,\n\nschriftelijk vastgesteld op 22 mei 2026, en ondertekend door de voorzitter en griffier.\n\nTegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8:18 Awb, zesde lid, geen voorziening open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5032","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.577Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":42,"updatedAt":68},"1420","ECLI:NL:RBDHA:2026:17919","ecli-nl-rbdha-2026-17919","2026-02-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.15924 (beroep)\n\n NL25.15925 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1968, van Marokkaanse nationaliteit, eiser\u002Fverzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU\u002FEER\n\n1.1.. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden, en namen deel aan de zitting via digitale beeldverbinding.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft\n\n4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.\n\nWaar deze zaak over gaat\n\n5. Aan eiser is op 10 november 2011 een verblijfsdocument EU\u002FEER afgegeven waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt op basis van het gezinsleven met een burger van de Unie, [referente] (hierna: referente), beschikkende over de Hongaarse nationaliteit. Op 13 februari 2024 heeft eiser wederom verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser vraagt hiermee om voortzetting van zijn verblijf als gemeenschapsonderdaan.\n\nBesluitvorming\n\n6. De minister heeft met het primaire besluit de aanvraag afgewezen en in wezen medegedeeld dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is beëindigd. Gebleken is dat eiser en referente per 16 januari 2015 uit de BRPzijn geschreven. Nu eiser niet heeft aangetoond ook na 16 januari 2015 zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad of op dit moment heeft, voldoet eiser niet aan artikel 8.15, eerste lid onder a van het Vb. Daarom is het verblijfsrecht van eiser reeds geëindigd per 16 januari 2015. Aangezien de minister op grond van het voorgaande concludeert dat zowel eiser als referente op dit moment niet hun hoofdverblijf in Nederland hebben, voldoet eiser niet aan artikel 8.7, tweede lid, van het Vb, en kan het verblijfsdocument niet aan eiser worden afgegeven. Zelfs als eiser het hoofdverblijf zou hebben aangetoond, heeft eiser niet aangetoond dat hij of referente over voldoende middelen van bestaan beschikt. De minister heeft dan ook niet ambtshalve hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM.\n\n6.1.. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift geen concrete gronden van bezwaar bevat. Subsidiair blijkt uit systemen van de INDdat referente sinds 16 januari 2015 geregistreerd staat als niet-ingezetene, en er dus sprake is van emigratie uit Nederland. Dit betekent dat het verblijfsrecht van referente hierom van rechtswege is vervallen, evenals het afgeleide verblijfsrecht van eiser.\n\nStandpunt eiser\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem in bezwaar had moeten horen, nu het gaat om een complexe casus met een veelheid aan aangeleverde informatie. Van belang is dat eiser zelf niet vaardig is in het overbrengen van argumenten, feiten en gedachten, zodat er sprake was van een zwaarwegend belang om te horen in persoon.\n\n7.1.. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gewogen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, nu eiser rechtmatig in Nederland heeft verbleven en beschermingswaardig privéleven heeft opgebouwd.\n\n7.2.. Eiser voert tevens aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft wel degelijk een concrete grond van bezwaar aangevoerd waaruit blijkt dat en waarom eiser niet instemt met het primaire besluit. Ook had de minister herstelverzuim moeten bieden.\n\n7.3.. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen zijn uitzetting ingetrokken.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n8. De rechtbank constateert dat de minister in het verweerschrift heeft erkend dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Na het nemen van het bestreden besluit is namelijk gebleken dat eiser op 11 februari 2025 wel degelijk bezwaargronden heeft ingediend, zij het onder vermelding van een ander V-nummer en zonder vermelding van een zaaknummer. De minister meent dat eiser hierdoor in dit geval niet in zijn belangen is geschaad, nu hetgeen er inhoudelijk in het besluit van 12 februari 2025 is overwogen en hetgeen er subsidiair in het bestreden besluit van 26 maart 2025 is overwogen, niet verandert door hetgeen er door eiser in zijn gronden is aangevoerd. De minister verzoekt de rechtbank primair om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Subsidiair verzoekt verweerder om toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb.\n\n8.1.. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat nu de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter, gelet op de in het primaire en bestreden besluit subsidiair gegeven overige motivering, aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.De rechtbank licht dit hieronder nader toe.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat het Unierechtelijk verblijfsrecht van referent is geëindigd op 16 januari 2015. De minister heeft dan ook terecht geconstateerd dat eiser met ingang van 16 januari 2015 geen Unierechtelijk verblijf meer toekwam als partner van een unieburger.\n\n9.1.. Voorts heeft eiser gedurende de procedure geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat eiser ten tijde van het bestreden besluit anderszins voldeed aan de voorwaarden voor afgifte van het verzochte verblijfsdocument EU\u002FEER. Eiser heeft een begeleidende brief van zijn gemachtigde van 13 november 2024, een verklaring van mevrouw [persoon 1] van 7 oktober 2024, en een verklaring van [persoon 2] van 22 december 2023 overgelegd. In deze stukken staat vermeld dat eiser in 2022 is gestart met vrijwilligerswerk bij het Wereldhuis in Den Haag en dat hij in juli 2022 wegens persoonlijke omstandigheden met dit vrijwilligerswerk is gestopt, waarbij hij het Wereldhuis nadien nog regelmatig zou hebben bezocht. Ook heeft eiser kopieën van abonnementskaarten van ‘Stad & Streek’ over de periode van december 2006 tot en met juni 2007 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten deze stukken geen aanknopingspunten om ten tijde van het besluit te kunnen spreken van verblijf als (partner van een) gemeenschapsonderdaan.\n\n9.2.. Bij het voorgaande betrekt de rechtbank ook dat eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om de gewenste stukken over te leggen. Op 1 augustus 2024 en 23 september 2024 is herstelverzuim geboden en bij het voornemen van 30 oktober 2024 zijn nadere vragen gesteld in de bijlage. Het standpunt van de gemachtigde van eiser op de zitting dat sprake zou zijn van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, treft daarom geen doel en is bovendien niet nader onderbouwd.\n\n9.3.. Uitgaande van het hiervoor geschetste feitencomplex, is de rechtbank eveneens van oordeel dat de minister zich in het verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bestreden besluit geen onrechtmatige inmenging in het privéleven van eiser vormt. Eiser heeft minder dan vier jaar legaal verblijf gehad, vanaf 43-jarige leeftijd. Uit deze relatief korte periode van legaal verblijf op ruim volwassen leeftijd is niet gebleken van zeer sterke banden met Nederland. Desgevraagd is op zitting geen nieuwe informatie naar voren gekomen wat betreft de invulling van eiser zijn privéleven in Nederland. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Het belang van eiser om hier zijn privéleven uit te oefenen weegt zodoende niet op tegen de belangen van de Nederlandse Staat.\n\n9.4.. Voorts is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Eiser is namelijk, gelet op wat is overwogen onder 9.2., voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn situatie nader toe te lichten, en met stukken te onderbouwen. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat eiser pas twee dagen na het bestreden besluit voor het eerst heeft verzocht om een hoorzitting. De stelling van de gemachtigde van eiser ter zitting dat, althans zo begrijpt de rechtbank de gemachtigde, door middel van een hoorzitting de minister had kunnen nagaan of eiser zich wel kan beroepen op een verblijfsrecht op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb, volgt de rechtbank niet. In dit artikellid is bepaald dat een vreemdeling voortgezet verblijf toekomt indien de relatie met een Unieburger is geëindigd en de vreemdeling op dat moment over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dat gaat dus over de situatie in 2015. Indien eiser destijds aan de minister had doorgegeven dat zijn relatie is geëindigd, had de minister moeten kijken of eiser op grond van artikel 8:15, vierde lid, van het Vb recht op voortgezet verblijf toekwam. Eiser heeft er geen belang bij dat de minister deze toets in 2025 alsnog uitvoert, reeds nu nergens uit is gebleken dat eiser vanaf 16 januari 2025 zijn hoofdverblijf in Nederland heeft behouden.\n\n9.5.. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister terecht de aanvraag om voorzetting van eisers verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft afgewezen en heeft geconstateerd dat het verblijfsrecht per 16 januari 2015 van rechtswege is geëindigd. Voorts heeft de minister niet ten onrechte eiser geen verblijfsvergunning verstrekt op grond van artikel 8 EVRM (privéleven).\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.\n\n11. Omdat met deze uitspraak is beslist op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.\n\n12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlenerBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15924,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.\n\nDe voorzieningenrechter,\n\nin de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.15925,\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter,\n\nin alle zaken,\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n Basisregistratie Personen.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17919","2026-07-13T00:29:20.359Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":42,"updatedAt":76},"1377","ECLI:NL:RBDHA:2026:17910","ecli-nl-rbdha-2026-17910","2026-01-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.44600\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1994, van Pakistaanse nationaliteit, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. N. den Ouden),\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna: de minister,\n\n(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 4 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 oktober 2024 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.\n\nOp 13 november 2024 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nHet onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Eiseres en haar zus [persoon] , tevens referente, namen via digitale beeldverbinding deel aan de zitting.\n\nOverwegingen\n\nAchtergrond\n\n1. Eiseres heeft verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij haar zus en haar gezinsleden voor de periode van 25 maart 2024 tot en met 23 april 2024.\n\nBesluitvorming\n\n2. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en omstandigheden van het verblijf niet heeft aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om tijdig terug te keren, omdat eiseres haar sociale en economische binding met Pakistan niet aannemelijk heeft gemaakt.\n\nStandpunt eiseres\n\n3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd waarom eiseres het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Eiseres is van mening dat zij dit voldoende heeft gedaan, nu zij heeft aangegeven dat zij haar zus en diens gezinsleven wil bezoeken. Dat in de visum-vragenlijst geen datum is aangegeven van het bezoek, is omdat de voorgenomen data niet meer haalbaar waren en dus niet exact bekend meer waren.\n\n3.1.. \n\nEiseres voert verder aan dat zij, alles in samenhang bezien, voldoende sociale en economische binding met Pakistan heeft. Eiseres leidt een comfortabel leven in Pakistan. Eiseres wordt financieel ondersteund door haar broer en zal na het huwelijk door haar echtgenoot worden onderhouden. Als zij in Nederland is, kan zij niet financieel worden ondersteund. Daarom is sprake van een sterke economische binding met Pakistan. De minister had hierbij moeten betrekken dat vrouwen in Pakistan een meer afhankelijke positie hebben. Wat betreft de sociale binding met Pakistan, voert eiseres aan dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom de sociale binding vanwege haar aanstaande huwelijk op\n\n22 december 2024 onvoldoende is. Bovendien wordt hier ten onrechte niet meegenomen dat eiseres nog onderdeel uitmaakt van het gezin van haar broer en dus niet alleen een zeer sterke sociale binding heeft vanwege haar aanstaande huwelijk, maar ook vanwege andere familierelaties die zij in Pakistan heeft. Ook heeft de minister onvoldoende betrokken dat referente al meerdere malen familie en vrienden heeft ontvangen in Nederland, en zij allen tijdig zijn teruggekeerd.\n\n3.2.. Bovendien voert eiseres aan dat de minister in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld. Ten aanzien van de waarborg om terug te keren heeft eiseres in bezwaar verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan. Met deze stukken heeft betrokkene invulling gegeven aan de vragen van de minister over wat eiseres sociaal en economisch bindt aan Pakistan. Daarnaast heeft zij toegelicht wat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn. Gezien deze omstandigheden kan niet op voorhand worden gesteld dat er geen twijfel mogelijk was over de vraag of de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden.\n\n4. In de aanvullende gronden van beroep is door eiseres aangevoerd dat zij inmiddels is gehuwd en referente in verwachting is, en vanwege complicaties eiseres haar graag voor de uitgerekende datum in maart 2026 zou willen bezoeken.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n5. De rechtbank overweegt dat de minister de aanvraag van eiseres heeft afgewezen met een kruisjesformulier. Daarna heeft de minister in bezwaar toch aanleiding gezien eiseres via de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ nadere vragen te stellen. Eiseres heeft in reactie hierop de vragen schriftelijk beantwoord. Vervolgens heeft de minister, zonder haar in bezwaar te horen, vestigingsgevaar tegengeworpen.\n\n5.1.. \n\nVolgens de minister is terecht afgezien van een hoorzitting, aangezien op\n\nvoorhand duidelijk voor de minister was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander oordeel zou leiden. Tijdens de hele procedure heeft eiseres namelijk verklaard niet te werken en ook na haar bruiloft niet te zullen werken.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022volgt dat horen in bezwaar het uitgangspunt is. Zeker in procedures waarbij de minister beslissingsruimte heeft en de beslissing afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit is in zaken waarin verzocht wordt om een visum voor kort verblijf bij uitstek het geval. Bij beoordeling van vestigingsgevaar gaat het om het voorspellen van toekomstig gedrag. Het horen biedt dan bij uitstek de gelegenheid om vragen te stellen over de intentie en aldus aan eiseres om haar de gelegenheid te geven alle kennelijk voor de minister relevante gegevens naar voren te brengen. Hierbij benadrukt de rechtbank dat uit voornoemde uitspraak blijkt dat horen in bezwaar, naast nadere informatieverschaffing, ook een schikkende functie kan hebben. Zo heeft referente tijdens de zitting bij de rechtbank aangeboden garanties te geven. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat dit in het geval van eiseres niet is gebeurd. Eiseres heeft aangegeven geen reden te hebben om zich te willen vestigen in Nederland. Door eiseres te horen zou zij de mogelijkheid hebben gehad de minister ervan te overtuigen dat zij tijdig terug zal keren naar Pakistan om zich weer te voegen bij haar gestelde, inmiddels echtgenoot. Ook acht de rechtbank hierbij relevant dat zowel de broer als echtgenoot van eiseres een goede baan als ambtenaar in Pakistan hebben en eiseres in haar onderhoud voorzien. Bovendien is door eiseres aangevoerd, en door referente op de zitting beaamd, dat binnen de familie vaker familieleden referente komen bezoeken, en dan tijdig weer terugkeren. Dat is volgens referente de gang van zaken binnen de familie. Tijdens een gehoor hadden deze omstandigheden kunnen worden besproken. Allerlaatst overweegt de rechtbank dat de door de minister aangehaalde uitsprakenop zitting geen doel treffen, nu dit geen vergelijkbare gevallen betreffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awbomdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen.\n\n8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 32, onder a) ii. en b) van de Visumcode.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2025:6667 en ECLI:NL:RBDHA:2025:14917.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17910","2026-07-13T00:29:18.755Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":42,"updatedAt":84},"541","ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","ecli-nl-rbams-2024-7167","2024-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F170\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: W.L.J. van de Griendt).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zijn private schulden over te nemen.\n\n1.1.. De Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens verweerder met een besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) afgewezen op grond van het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Met een besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen en de door hem gestelde bijzondere omstandigheden en schrijnende situatie goed te schetsen, zoveel als mogelijk onderbouwd met stukken.\n\n1.5.. Eiser heeft bij brief van 14 mei 2024 zijn huidige situatie en zijn situatie ten tijde van het bestreden besluit toegelicht, als ook hoe deze situatie is ontstaan. De rechtbank heeft verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren en tevens te reageren op het ter zitting gedane beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel.\n\n1.6.. Bij brief van 19 juni 2024 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop een nadere reactie te geven.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2.1.. Eiser is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft een lening afgesloten bij familieleden voor een initiële hoofdsom van € 100.000,-. Daarbij zijn de woningen van eiser aan de [adres 1] [huisnummer 1] en de [adres 2] [huisnummer 2] te [woonplaats] als onderpand gebruikt. De schuldeiser [naam schuldeisers] heeft een pandrecht en een hypotheekrecht op deze woningen gevestigd.2.2.. Eiser heeft zich middels een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst op 15 september 2022 aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van zijn private geldschulden door de SBN. Eiser heeft daarbij onder meer opgegeven dat hij op zijn schuld bij [naam schuldeisers] een opeisbare betalingsachterstand heeft van € 94.954,36.\n\n2.3.. De SBN heeft het verzoek namens de Dienst Toeslagen met het primaire besluit afgewezen op grond van het Besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de schulden van eiser van € 111.899,84 en € 3.319,22 bij GGN Incasso overgenomen. Ten aanzien van eisers schuld bij [naam schuldeisers] is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder geeft hiervoor als reden dat op grond van artikel 4.1, vierde lid en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een hypothecaire schuld niet kan worden overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op een verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat eiser de woningen heeft verkocht, er is namelijk enkel beslag gelegd op de huurinkomsten. De schuld valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht.Beoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om eisers schuld bij [naam schuldeisers] over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWettelijk kader\n\n5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op grond van de Wht. Per 2 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf dan over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn dezelfde vereisten die het Besluit stelde.\n\nBeroep op het evenredigheidsbeginsel\n\n6. Op de zitting is besproken dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] een schuld betreft die is ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Evenmin is in geschil dat eiser deze schuld op het tijdstip van de aanvraag nog niet had voldaan.Verweerder heeft eisers verzoek tot overname van deze private schuld afgewezen, omdat deze schuld de resterende hoofdsom betreft van een hypothecaire lening en geen sprake is van een restschuld na verkoop of verhaal op de verhypothekeerde zaak.Alleen in een dergelijk geval komt een hypothecaire schuld voor overname in aanmerking.\n\n7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de harde eis in Wht-zaken met betrekking tot de hypothecaire lening niet evenredig is. De regelgeving pakt (in dit geval) hard uit, nu de schuld al vóór 2009 is opgebouwd. De hypotheek is op de panden gevestigd en er is beslag gelegd, waardoor eiser ook heeft geprobeerd aan zijn verplichtingen te voldoen.\n\n8. Vervolgens is op de zitting besproken of met de hypotheek zoals deze op de panden van eiser gevestigd is, sprake is van een hypotheekschuld zoals de wetgever die in de Wht van overname heeft willen uitzonderen. In dit geval is immers geen sprake van een traditionele hypotheekschuld, waarbij geld is geleend bij een bank ter financiering van een woning. Maar van een hypotheek die als zekerheid is gesteld voor een reeds bestaande lening.\n\n9. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat de cumulatieve voorwaarden voor de overname van private schulden in de Wht dwingend geformuleerd zijn. Volgens verweerder staat het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter deze bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel, of andere algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht. Uit de rechtspraakvolgt dat er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere\n\nomstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van\n\nde wetgever. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander (ongeschreven) recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. In dit geval kan de lening niet anders worden gekwalificeerd dan als een hypothecaire schuld; er is immers sprake van een lening en een vestiging van een pand- en hypotheekrecht op de woningen van eiser. Uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt volgens verweerder dat de wetgever uitvoerig heeft stilgestaan bij het recht van een hypotheek. Dat de lening niet is aangegaan ten behoeve van de koop van een registergoed maakt dat volgens verweerder niet anders, aangezien het doel waarmee de lening is aangegaan er niet toe doet.\n\n10. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Weliswaar is duidelijk dat de schuld waarvan eiser overname verzocht heeft, een hypothecaire schuld betreft. Naar het oordeel van de rechtbank volgt, anders dan de door verweerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, uit de totstandkomingsgeschiedenis echter niet dat de wetgever een situatie als die van eiser heeft voorzien noch heeft beoogd ook deze situatie te regelen. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht namelijk enkel opgenomen dat daarin is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen en dat enkel de geldschuld genoemd onder c van dit artikel een toelichting behoeft.Voor zover verweerder heeft willen verwijzen naar de algemene toelichting op de geldschulden die onder de Wht worden overgenomen,volgt daaruit evenmin dat de wetgever rekening heeft gehouden met een hypothecaire schuld zoals in deze zaak aan de orde is. In de kamerstukken is slechts de navolgende passage terug te vinden:\n\n“Bij hypothecaire leningen kan het voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. De opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen, maar de opeisbare hoofdsom niet. De gedupeerde ouder blijft dus in principe schuldenaar van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening. De gedupeerde ouder of zijn toeslagpartner kan het maandelijkse rente- en aflossingsbedrag weer gaan betalen en zo de hypotheek verder aflossen. Een uitzondering hierop is als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In deze gevallen wordt ook de hoofdsom vergoed.\n\n11. Hieruit volgt dat de onderhavige situatie, namelijk dat de hypotheekschuld die nietis aangegaan voor de aanschaf van een onroerend goed, in de wetsgeschiedenis niet expliciet is besproken en is meegenomen in de overwegingen van de wetgever. De rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever bij het uitsluiten van de hypothecaire lening uitsluitend het oog had op de hypothecaire lening ten behoeve van de aanschaf van een woning en niet het vestigen van een hypotheekrecht op een al bestaande lening die was aangegaan voor een andere bestemming. In deze casus is aldus sprake van bijzondere omstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is ruimte voor een evenredigheidstoets.\n\n12. Alvorens daar nader op in te gaan merkt de rechtbank op dat uit de toelichting wel blijkt dat de uitsluitingsgrond hypothecaire schuld in ieder geval niet ziet op opeisbare achterstallige betalingen in het kader van een hypothecaire lening. Deze dienen ook bij een hypothecaire lening te worden overgenomen. De rechtbank stelt vast dat eiser daar niets over heeft gesteld. Alhoewel het hier een beslissing op aanvraag betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van het meer responsieve bestuursrecht en de vergewisplicht van artikel 3:2 Awbhier bij eiser navraag naar had moeten doen. Dit klemt te meer nu verweerder zelf de veroorzaker is van de situatie waarin eiser terecht is gekomen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht in dit geval buiten toepassing moet blijven. De onderhavige situatie sluit meer aan bij de situatie waarbij een private geldlening is vastgelegd via een notariële akte in de vorm van een hypotheekakte, waardoor in feite sprake is van de situatie van artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Wht. Gezien de eigen rol van verweerder bij het ontstaan van de financiële problemen van gedupeerden en het doel van de herstelwetgeving toeslagenaffaire -zoveel mogelijk kansen bieden op een nieuwe start voor gedupeerden- dient bij de uitleg van onduidelijkheden in de wetgeving en\u002Fof toepassing van het evenredigheidsbeginsel uit te worden gegaan van zoveel mogelijk bescherming van gedupeerden.\n\n14. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de schuld bij [naam schuldeisers] dient over te nemen nu het hier een middels notariële actie vastgelegde schuld betreft. De rechtbank merkt daarbij op dat de opeisbaarheid van deze schuld niet is betwist. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien.\n\nBeroep op de hardheidsclausule\n\n12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over het beroep op de hardheidsclausule.\n\nVerzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n13. Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerekend vanaf de termijn van ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2023 tot aan deze uitspraak.\n\n14. Volgens vaste rechtspraakmag in procedures als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank hoogstens anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er omstandigheden zijn die een langere behandelduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat der Nederlanden (de Staat).\n\n15. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n16. In dit geval heeft eiser op 2 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 28 november 2023. De bezwaarfase heeft daarmee bijna 10 maanden geduurd. De rechtbank doet op 25 november 2024 uitspraak in deze zaak. Dit betekent dat de bezwaar- en beroepsprocedure in totaal één jaar en bijna tien maanden heeft geduurd. Daarmee is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiser komt dan ook niet voor immateriële schadevergoeding in aanmerking.Conclusie en gevolgen\n\n17. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan [naam schuldeisers] dient te worden overgenomen omdat deze schuld gelijk is te stellen aan een schuld die is vastgelegd middels een notariële akte.\n\n18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij bepaalt dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] wel voor overname in aanmerking komt.\n\n19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\n20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist dat de schuld bij [naam schuldeisers] niet voor overname in aanmerking komt omdat sprake is van een hypothecaire lening, bepaalt dat deze schuld wel voor overname in aanmerking komt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\n Zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.\n\n De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van\n\n Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6687.\n\n TK, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 130.\n\n Idem, zie p. 44-45.\n\n Idem, p. 45.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:925.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","2026-07-13T00:28:35.881Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":89,"fullText":90,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":92,"parsedAt":42,"updatedAt":93},"535","ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","ecli-nl-rbams-2024-5311","2024-08-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F56\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Maachi).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een schuld over te nemen.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep samen met de zaak AMS 24\u002F55 op 21 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven nadere informatie in te brengen. Eiseres heeft op 22 mei 2024 gereageerd. Verweerder heeft op 10 juli 2024 gereageerd. Op de zitting is afgesproken dat de zaak zonder nadere zitting zou worden afgedaan. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 het onderzoek gesloten.\n\nPersoonlijke noot vooraf van deze rechter\n\n2.1.. Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak, hecht deze rechter het van belang het volgende op te merken. De rechter heeft zich in deze uitspraak noodgedwongen laten leiden door de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarbij de Afdeling aansluit bij de strenge uitleg die verweerder geeft aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en haar beleid over dit onderwerp.Deze rechter wil daar het volgende over opmerken.\n\n2.2.. Hoofdstuk 4 van de Wht ziet op het overnemen van schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire. De Memorie van Toelichting bij deze wet bevat onder meer de volgende passages:\n\n‘Met het oog op de ernst en breedte van de problematiek is de ambitie van het kabinet om een zo breed en samenhangend mogelijk herstel te bieden aan gedupeerden. Dit omvat excuses en erkenning, financieel herstel en een schuldenaanpak, brede ondersteuning van gemeenten op verschillende leefgebieden en toegankelijke ondersteuning door maatschappelijke organisaties. Hierbij wil het kabinet ook bijdragen aan een betere toekomst voor getroffen kinderen en (ex-)partners van gedupeerden. Zo hoopt het kabinet gedupeerden en betrokkenen, waar mogelijk, in staat te stellen een nieuwe start te maken.’\n\n‘In de uiteindelijke vormgeving van de hersteloperatie, en daarmee in dit wetsvoorstel, is een aantal principes als uitgangspunt genomen. De kern daarvan is een persoonlijke benadering met keuzevrijheid en regie voor gedupeerden, consistentie en gelijke behandeling, ruimhartigheid en zorgvuldigheid.’\n\n‘Daarnaast wordt, ook met dit wetsvoorstel, ruimhartigheid verkozen boven precisie en doelmatigheid wanneer deze onverenigbaar blijken. Het belang om (ernstig) gedupeerde toeslagaanvragers tijdig en adequaat te helpen weegt volgens het kabinet veelal zwaarder dan het voorkomen van gevallen van overcompensatie.’\n\n‘Met de hersteloperatie hoopt het kabinet, naast het bieden van breed en samenhangend herstel aan gedupeerden, ook bij te dragen aan herstel van vertrouwen in de overheid; in het bijzonder het vertrouwen van gedupeerden, maar ook het vertrouwen van de samenleving als geheel.’\n\n2.3.. De vraag is of de uitvoeringspraktijk van de bepalingen van de Wht over het overnemen van schulden, die zijn neergelegd in hoofdstuk 4, wel in overeenstemming is met de hierboven genoemde passages. Is er wel sprake van een ruimhartige toepassing boven precisie en doelmatigheid, wanneer deze onverenigbaar zijn? En weegt tijdig en adequaat helpen wel zwaarder dan het voorkomen van overcompensatie? Vooral de in de wet opgenomen eis van opeisbaarheid van de schuld voor 1 juni 2021 leidt in de praktijk tot veel begrijpelijke onbegrip bij erkende gedupeerden. In de praktijk hebben deze gedupeerden met kunst en vliegwerk en het vervangen van de ene schuld door de andere schuld voorkomen dat zij te maken zouden krijgen met een deurwaarder. Veel gedupeerden verzuchten in de rechtszaal: ‘had ik maar niet zo mijn best gedaan om aan mijn betalingsverplichtingen te voldoen, dan was mijn schuld wel overgenomen’.\n\n2.4. ‘. Het kan morgen weer gebeuren’. Dat is de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie die de fraudebestrijding heeft onderzocht. In de podcast Haagse Zaken van het NRC spreekt juridisch redacteur en columnist [naam] op 2 maart 2024 de verwachting uit dat de politiek en de rechtspraak genoeg heeft geleerd van de Toeslagenaffaire en spreekt hij de verwachting uit dat de kans groot is dat het morgen niet nog een keer gaat gebeuren.\n\n2.5.. Deze rechter vraagt zich echter af of morgen inmiddels niet al vandaag is geworden. Na 2 maart 2024 heeft de Afdeling zich onder meer uitgelaten over de eis van een notariële akte om private schulden aan te tonen. De Afdeling sluit zich (wederom) aan bij de strikte uitleg van de Wht, die verweerder hanteert. De mogelijkheden voor erkende gedupeerden om gecompenseerd en\u002Fof geholpen te worden zijn een wirwar geworden van zeer langdurige procedures. De vraag is gerechtvaardigd hoeveel de erkende gedupeerden nu zijn opgeschoten met de herstelwetgeving en de uitspraken van de Afdeling. Ook nu lijkt zich weer een gang van zaken af te spelen waarbij bij de beoordeling van aanvragen om overname van schulden wordt gekozen voor een minimalistische toepassing en strikte uitleg van de wet. Als gedupeerden daarna in beroep gaan bij de rechtbank, zijn er (sommige) rechters die durven op zoek te gaan naar mogelijkheden om de wet daar waar dat nodig is in het voordeel van erkende gedupeerden minder strikt toe te passen. Vervolgens kiest de Afdeling in de hoger beroepsfase opnieuw voor de (te) strikte toepassing van de wet. Hierbij is er naar het oordeel van deze rechter (weer) te weinig oog voor de praktijk van de alledaagse werkelijkheid, en in verband daarmee de juridische fictie in de wetgeving. De menselijke maat is daarbij, als wezenlijk onderdeel van de inhoudelijke rechtvaardiging bij het toepassen van de wet, onvoldoende in beeld.\n\n2.6.. Deze rechter vindt het verder opvallend dat er in de praktijk (in ieder geval in de uitspraken die zijn gepubliceerd) geen voorbeelden zijn te vinden waarbij een beroep op de hardheidsclausule slaagt.\n\n2.7.. Deze rechter kiest er bewust niet voor om een uitspraak te doen die afwijkt van de recente uitspraken van de Afdeling. Deze rechter doet echter wel een uitdrukkelijk beroep op het ministerie van Financiën en vooral ook op de Afdeling om nog eens goed de hierboven genoemde passages uit de Memorie van Toelichting te bestuderen en deze voortaan wel, of meer, mee te laten wegen in de te nemen beslissingen en uitspraken.\n\n2.8.. Ook de wetgever zou nog eens kunnen bezien in hoeverre de tekst van de Wht en de uitvoering in de praktijk in overeenstemming zijn met de in de hierboven aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin beloftes worden gedaan over een ruimhartige toepassing om gedupeerden de kans te geven op een nieuwe start. Laat het niet zo ver te laten komen dat er over een paar jaar een tweede parlementaire enquête is over dit onderwerp, met wederom vernietigende conclusies voor de wetgever, het ministerie van Financiën en de rechtspraak.\n\n2.9.. Tot slot roept deze rechter het ministerie van Financiën op om meer oplossingsgericht naar individuele zaken te kijken en om meer dan nu het geval is samen met gedupeerden te zoeken naar een financiële regeling waarin gedupeerden zich kunnen vinden. Desgevraagd geven veel gedupeerden aan dat ze een redelijke oplossing op korte termijn prefereren boven procederen voor een volledige schadeloosstelling. Door meer te streven naar een overeenkomst met een redelijke uitkomst in plaats van juridische procedures kan een periode van jarenlange financiële en emotionele ellende worden afgesloten en kan er, in plaats van nog jarenlang procederen, daadwerkelijk naar de toekomst worden gekeken en een nieuwe start worden gemaakt. En dat is nu precies wat de Wht, gezien de bovengenoemde passages uit de wetsgeschiedenis, beoogt.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft een schuldenlijst toegestuurd aan Sociale Banken Nederland (SBN) en de SBN verzocht om deze schulden op grond van de Wht over te nemen.\n\n3.2.. Met het primaire besluit van 30 mei 2023 heeft de SBN, namens verweerder, beslist op de overname van de schulden. De SBN heeft bepaald dat de schuld van eiseres aan de Beobank van € 24.537,49 niet wordt overgenomen, omdat de schuld is ontstaan of opeisbaar is geworden voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021 (cijfercode 16). De schulden van voor 1 januari 2006 en na 31 mei 2021 moet eiseres zelf betalen.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt dat de schuld niet kan worden overgenomen gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van eiseres aan de Beobank over te nemen. De rechtbank volgt in deze uitspraak, zoals hierboven al is aangegeven, de lijn die de Afdeling heeft gehanteerd.\n\n4.2.. De schuld waar het in deze zaak om gaat is een persoonlijke (krediet)overeenkomst van eiseres bij de Beobank. De schuld valt onder artikel 4.1, vierde lid, sub b van de Wht. Zo’n schuld kan alleen worden overgenomen door verweerder als deze voldoet aan alle vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht: de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schuld moet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest en de schuld moet niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.\n\nIs de schuld ontstaan na 31 december 2005?\n\n5.1.. Op de zitting is gebleken dat onduidelijkheid bestond over de ingangsdatum van de schuld. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting daarom geschorst en beide partijen de gelegenheid gegeven om hierover nadere informatie op te vragen bij de Beobank en deze informatie aan de rechtbank te overleggen.\n\n5.2.. Op 22 mei 2024 heeft eiseres nadere informatie ingebracht. Uit een overzicht van de lening bij de Beobank is gebleken dat eiseres op 10 februari 2017 een lening van € 11.999,92 heeft afgesloten voor de duur van 60 maanden. Voorgaande betekent dat de schuld van eiseres voldoet aan het eerste vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\nWas de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar?\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld niet voldoet aan het tweede vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De achterstanden van de schuld zijn namelijk opgeëist op 29 augustus 2021 en op 26 september 2022.\n\n6.2.. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Niet is gebleken dat op 1 juni 2021 sprake was van opeisbare betalingsachterstanden.\n\n6.3.. Eiseres voert over de eis van opeisbaarheid aan dat deze eis ertoe leidt dat iemand die een geldlening heeft afgesloten om het hoofd boven water te houden en dus een nieuw krediet aanboort om andere opeisbare schulden te kunnen voldoen, zoals eiseres heeft gedaan, op dit punt niet gecompenseerd kan worden. Volgens eiseres moeten daarom leningen die zijn afgesloten om opeisbare schulden te voldoen gelijk worden gesteld met de achterliggende opeisbare schulden. De voorwaarde van ‘opeisbaarheid’ is te hardvochtig, omdat voorbij wordt gegaan aan het feit dat oude schulden zijn afgelost door nieuwe schulden aan te boren.\n\n6.4.. De rechtbank overweegt hiertoe dat, hoewel de slechte financiële situatie van eiseres als gevolg van het beleid van verweerder niet ter discussie staat, uit de totstandkomingsgeschiedenisvan de Wht blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Het alleen overnemen van opeisbare achterstanden van schulden sluit ook aan bij het doel van de Wht. De regeling is niet bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van lopende betalingsverplichtingen, maar is met name bedoeld om te voorkomen dat de ouder in verdere schulden komt doordat een schuldeiser incassomaatregelen neemt voor de opeisbare schulden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nSlaagt een beroep op de hardheidsclausule?\n\n7.1.. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 4.1 worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden.\n\n7.2.. Met de schorsing van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres ook de gelegenheid gegeven om haar beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen. Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank deze nadere onderbouwing ontvangen. Eiseres voert aan dat het haar, in de periode dat zij in België woonde, niet altijd gelukt is om de huur te voldoen. Eiseres overlegt daartoe een kopie van een Europees betalingsbevel van 19 mei 2022, wegens een huurachterstand. Eiseres voert verder aan dat de Belgische Rijksdienst voor sociale zekerheid zich op 3 november 2016 bij haar had gemeld, omdat zij van de Nederlandse overheid de informatie had ontvangen dat er een hoofdsom van € 7.493,- openstond wegens ten onrechte uitgekeerde kinderopvangtoeslag. Eiseres overlegt verder een aanplakbiljet van een Belgische deurwaarder, een lijst van roerende goederen waarop beslag werd gelegd en rekeningen die haar in die tijd bereikten, naast haar maandelijkse vaste lasten, die zwaar op haar bleven drukken bij een laag besteedbaar inkomen.\n\n7.3.. Hoewel de rechtbank in de stukken ziet dat eiseres het financieel zwaar heeft gehad en dat zij veel moeite heeft gedaan om haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. De stukken die eiseres heeft overgelegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de Toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, stelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de actuele situatie van eiseres zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie (onder meer) de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Zie de Memorie van Toelichting bij de Wht, Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","2024-08-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.538Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":42,"updatedAt":102},"599","ECLI:NL:RBAMS:2024:559","ecli-nl-rbams-2024-559","2024-01-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3260\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussenStichting Laka, uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde minister voor Klimaat en Energie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigden: mr. H. Nota, mr. E. Koorstra en [gemachtigde 2] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Faculteit Technische Natuurwetenschappen van de Technische Universiteit Delft(hierna: TU Delft)\n\n(gemachtigden: mr. L.I. Tan en J.L. Kloosterman).\n\nInleiding\n\nDe minister heeft beslist dat eiseres geen belanghebbende is bij vier subsidiebeschikkingen en heeft haar bezwaarschrift om die reden niet-ontvankelijk verklaard.\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen deze beslissing van de minister. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook TU Delft heeft gereageerd op het beroep van eiseres.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van TU Delft.\n\nAchtergrond en procesverloop\n\n1. De Tweede Kamer heeft besloten tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022. Hierbij heeft de Tweede Kamer ook een amendement van de leden Erkens en Dassen (hierna: het amendement) aangenomen over een kennis- en innovatieprogramma op het gebied van nucleaire technologie. Meer in het bijzonder ziet het amendement op het in de begrotingsstaten uittrekken van eenmalig vijf miljoen euro voor het versterken van de kennis- en innovatiestructuur op het gebied van nucleaire technologie.\n\n2. Aan het amendement is invulling gegeven door middel van vier subsidiebeschikkingen:\n\n- Beschikking van 30 november 2022 gericht aan regieorgaan SIA, onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 1.200.000 voor het bewerkstelligen van drie lectoren op het gebied van kernenergie;\n\n- Beschikking van 21 december 2022 gericht aan N.V. Elektriciteits- Produktiemaatschappij Zuid-Nederland, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 140.000 voor het maken van een haalbaarheidsstudie voor een mogelijke realisatie van een publiekscentrum over kernenergie;\n\n- Beschikking van 22 december 2022 gericht aan Stichting Nuclear Research and Consultancy Group, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 1.250.000 voor het opzetten van een Nuclear Academy en vervanging en modernisering laboratoriumapparatuur;\n\n- Beschikking van 14 december 2022 gericht aan TU Delft, inhoudende een subsidie ter hoogte van € 2.410.000 voor het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland, door het realiseren van een leerstoel stralingsbescherming, het opleiden van twee promovendi en de aanschaf van nieuwe laboratoriumapparatuur voor leerdoeleinden.\n\n3. Nadat de voornoemde subsidiebeschikkingen openbaar zijn gemaakt, heeft eiseres hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister dit bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen belanghebbende is bij de bestreden subsidiebeschikkingen. Hiertegen richt zich het beroep van eiseres.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank zal beoordelen of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarvoor is van belang de vraag of eiseres (als rechtspersoon) belanghebbende is bij de vier subsidiebeschikkingen.\n\n5. In artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat wanneer een rechtspersoon belanghebbende is. Daarvoor is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.\n\n6. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenisveilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen tegen een besluit gericht aan een derde, mits een algemeen of collectief belang dat zij statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij dat besluit rechtstreeks is betrokken.\n\n7. Artikel 2 van de statuten van eiseres luidt als volgt:\n\n“De stichting stelt zich ten doel: Het beschermen van de natuur en het milieu tegen vervuiling in het algemeen en tegen straling, radioactiviteit en kernenergie, in de ruimste zin der woorden, in het bijzonder.\n\nDe stichting tracht dit doel te bereiken door:\n\n- de samenleving te informeren over de energieproblematiek in het algemeen en kernenergie in het bijzonder\n\ntijdens manifestaties;\n\nop aanvraag van derden;\n\ndoor middel van eigen publicaties;\n\nhet archiveren en ontsluiten van informatie;\n\nhet initiëren van en participeren in activiteiten en manifestaties;\n\nhet voeren van procedures;\n\nalle andere middelen welke tot het doel bevorderlijk zijn.\"\n\n8. Volgens de minister zijn de subsidies gericht op het opbouwen en versterken van de nucleaire kennisbasis en kennisinfrastructuur en niet op activiteiten met gevolgen voor natuur en milieu, wat het belang is waarvoor eiseres opkomt. Er is volgens de minister dan ook geen relatie tussen de doelstelling van eiseres en deze subsidiestromen.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat in de statuten van eiseres het beschermen van de natuur en het milieu (tegen vervuiling, straling, etc.) als doel is opgenomen. De subsidies zijn verleend voor het versterken van de kennis- en innovatiestructuur. De activiteiten die met de subsidies worden gefinancierd, hebben geen gevolgen voor de natuur en het milieu en raken het statutaire doel van eiseres dus niet. Eiseres heeft aangevoerd deel te kunnen uitmaken en te kunnen bijdragen aan de nucleaire kennisbasis en kennisinfrastructuur in Nederland. De rechtbank leest in de doelstellingen niet dat de activiteiten van eiseres zich richten op kennisversterking (het zelf toevoegen van nieuwe informatie en ontwikkelen van nieuwe kennis op het gebied van nucleaire technologie), wat wel het doel is van de subsidies. Omdat eiseres blijkens haar statuten al niet voldoet aan dit eerste vereiste (de doelstelling), komt de rechtbank niet toe aan het beoordelen van de in overweging 5. genoemde feitelijke werkzaamheden van eiseres.\n\n10. Dat eiseres ook graag had willen meedingen naar de subsidie, zoals zij op de zitting naar voren heeft gebracht, maakt haar nog geen belanghebbende in de subsidieverdeling aan andere partijen. Daarvoor is deze procedure niet de geëigende weg; eiseres had zelf een aanvraag voor de subsidie kunnen indienen.\n\n11. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank overweegt dat artikel 7:3 van de Awb de mogelijkheid geeft om af te zien van het horen van een betrokkene als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Nu al uit de statuten van eiseres volgt dat zij geen belanghebbende is bij de subsidiebeschikkingen, is de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid van het horen in bezwaar heeft kunnen afzien.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal daarom geen oordeel geven over de tijdigheid van het bezwaar, wat namens TU Delft op de zitting naar voren is gebracht.\n\nConclusie\n\n13. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M. den Toom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n Kamerstukken II 1988\u002F1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35.\n\n Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Raad van State van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2327.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:559","2024-02-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.704Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":42,"updatedAt":111},"345","ECLI:NL:RBAMS:2024:179","ecli-nl-rbams-2024-179","2024-01-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F3232\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 januari 2024 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. ( Fastned ) , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat, (de minister) , verweerder\n\n(gemachtigden: mr. L.J. Hamstra en mr. K.E. Haan).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nde besloten vennootschap EG Retail B.V. (EG )uit Breda\n\n(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats [naam 2] .\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned , de gemachtigden van de minister en de gemachtigde van EG Retail .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Fastned heeft op 20 december 2011 een aanvraag gedaan voor het realiseren van een basisvoorziening energielaadpunt met acht laadplekken voor elektrisch snelladen op verzorgingsplaats [naam 2] langs Rijksweg 6 (A6) in de gemeente Noordoostpolder. Fastned heeft de aanvraag aangevuld op 20 april 2022, 26 juli 2022 en 7 oktober 2022.\n\n2. Op verzorgingsplaats [naam 2] is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening energieoplaadpunt van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig in de vorm van één laadpaal met twee laadplekken op de algemene parkeervoorziening aan de rechterzijde van de verzorgingsplaats. Daarnaast is op de verzorgingsplaats het benzinestation van EG gevestigd, dat geëxploiteerd wordt door Esso . Het benzinestation heeft vier tankzuilen met acht opstelplaatsen, waar in totaal acht voertuigen tegelijkertijd kunnen tanken.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpbeschikking heeft van 23 december 2022 tot 3 februari 2023 ter inzage\n\ngelegen. EG heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 25 april 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van vijftien jaar is aan de vergunning een looptijd van iets meer dan zeven jaar verbonden. Het verkorten van de looptijd houdt verband met de Tijdelijke beleidsregel, welke op 23 december 2022 is gepubliceerd.In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de vergunning van Fast Charging Network voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 22 juli 2030 af. Om die reden heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend tot 22 juli 2030.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats. De Tijdelijke beleidsregel beoogt de implementatie van de beleidsvisie van de minister tot herordening van de inrichting van verzorgingsplaatsen te faciliteren. Volgens de beleidsvisie is het eindbeeld in 2050 een verzorgingsplaats die voorziet in de (energie)behoeften van een zero-emissie wagenpark door middel van één laadlocatie per verzorgingsplaats. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat concurrentie plaatsvindt tussen de verzorgingsplaatsen en niet óp de verzorgingsplaatsen.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 22 juli 2030 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned .\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.\n\n13. De rechtbank heeft in een soortgelijke zaak over verzorgingsplaats Haarrijn een uitspraak gedaan op 21 juli 2023.Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de Tijdelijke beleidsregel op zichzelf niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie is. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. In zoverre is de Tijdelijke beleidsregel niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Voor zover Fastned deze grond herhaalt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 21 juli 2023.\n\nMoest de minister afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb?\n\n14. Fastned stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de minister in dit geval van het beleid had moeten afwijken op grond van artikel 4:84 van de Awb. Fastned wijst ten eerste op de overschrijding van de wettelijke beslistermijn. Als de minister deze termijn wel in acht zou hebben genomen, dan zou de vergunning aan Fastned zijn verleend vóór de inwerkingtreding van de Tijdelijke beleidsregel. Fastned zou in dat geval een vergunning met een looptijd van vijftien jaar hebben gekregen. Fastned heeft op verzorgingsplaats [naam 2] al veel investeringen gedaan met het oog op een langere looptijd van de vergunning. De minister neemt het voorgaande ten onrechte niet mee in de belangenafweging, hetgeen volgens Fastned onzorgvuldig en onevenwichtig is.\n\n15. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn is overschreden op zichzelf geen omstandigheid is die ertoe leidt dat het geldende beleid buiten toepassing behoort te blijven. Voor zover Fastned wijst op de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat in de toelichting van artikel 3 en 4 van de Tijdelijke beleidsregel is gemotiveerd waarom de looptijd van vergunningen wordt bekort. De rechtbank stelt verder vast dat de looptijd van de vergunning rekening houdt met het belang van het met het toekomstig beleid te dienen doel, zoals neergelegd in de beleidsvisie, alsook het belang van Fastned door de vergunning niet verder te bekorten dan zeven jaar. Fastned heeft daarnaast de gestelde financiële investeringen op [naam 2] niet met concrete stukken onderbouwd en ook niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. In zoverre is geen sprake van onzorgvuldigheid of onevenwichtige besluitvorming.\n\n16. Volgens Fastned is het niet noodzakelijk om de looptijd voor verzorgingsplaats\n\n [naam 2] te bekorten. Een vergunning voor deze locatie met een looptijd van vijftien jaar staat namelijk de algemene implementatie van de nieuwe beleidsvisie niet in de weg. Daarvoor is immers nog geen planning opgesteld, er is nog geen verdelingsmethode gekozen en er is nog niet begonnen met de inrichtingsplannen per verzorgingsplaats. Fastned stelt verder dat zij op deze locatie bovendien al voldoet aan de voorwaarden van het toekomstig beleid op de punten van exclusiviteit en het gebiedscriterium. De minister heeft toegelicht dat het beleid is gericht op het zo snel mogelijk invoeren van een nieuwe verdelingssystematiek. Daarbij leiden uitzonderingen ertoe dat de nieuwe verdelingssystematiek wordt ondergraven. Een langere looptijd voor deze verzorgingsplaats betekent bovendien ook dat andere partijen niet kunnen toetreden tot de markt. Verder heeft de minister toegelicht dat het toekomstig beleid nog in ontwikkeling is en daarom niet op voorhand vaststaat dat Fastned daaraan voldoet. Met deze toelichting heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het bekorten van de looptijd in dit geval ook noodzakelijk is.\n\n17. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de minister artikel 4:84 van de Awb had moeten toepassen.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n18. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van zeven jaar. Zij wijst ter ondersteuning daarvan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n19. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De rechtbank heeft de kap in bovengenoemde uitspraak van 21 juli 2023 niet onredelijk gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De rechtbank overweegt aanvullend dat het Fastned vrijstaat om minder laadpunten te realiseren om tijdig de investeringen terug te verdienen. Voor zover Fastned stelt dat zij haar investeringen niet zou kunnen terugverdienen, ook niet met minder laadpunten, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt.\n\nBeleidswijziging en lopende aanvraag\n\n20. Fastned stelt dat het toepassen van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich opnieuw op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Daarnaast wijst Fastned op een uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016.Fastned betoogt dat uit deze uitspraken volgt dat de uitspraak van 21 juli 2023 van deze rechtbank onjuist is.\n\n21. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 juli 2023 geoordeeld dat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 niet opgaat omdat, anders dan in die uitspraak, de beleidswijziging in dit geval niet direct ziet op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om terug te komen van dit oordeel. De rechtbank is van oordeel dat Fastned ook niet aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze zij aan de uitspraak van 7 september 2016 steun kan ontlenen voor de stelling dat in haar voordeel van het beleid moet worden afgeweken.\n\n22. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned verwijst, evenals in andere beroepen, naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019en stelt dat de rechtbank die uitspraak ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.\n\n23. Zoals de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 heeft overwogen gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. De hiervoor relevante overwegingen van de rechtbank in de uitspraak van 21 juli 2023 worden hier als herhaald en ingelast beschouwd. De rechtbank ziet in hetgeen Fastned aanvullend heeft gesteld geen aanleiding om anders te oordelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 22 juli 2030.\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2023:4789.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:2423.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:179","2024-01-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.381Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":42,"updatedAt":120},"337","ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","ecli-nl-rbams-2023-4789","2023-07-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 23\u002F1181\n uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen\n de besloten vennootschap Fastned B.V. (Fastned), uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina),\n\nen\n\nde minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. M.R. Botman en mr. A.D. Röell).\n\nTevens neemt aan de zaak deel: de besloten vennootschap Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell), uit Rotterdam, belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. T.J.J. Slegers).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Fastned tegen de aan haar verleende vergunningop verzorgingsplaats Haarrijn.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Shell heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nOok Shell heeft beroep ingesteld tegen deze Wbr-vergunning. Het beroep van Shell is geregistreerd onder zaaknummer AMS 23\u002F2506.\n\nDe rechtbank heeft beide beroepen op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Fastned, vergezeld door mr. C.S. Schekkerman, de gemachtigden van de minister, bijgestaan door mr. M.D. van Gils, mr. K.E. Masmeijer-Haan en vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en de gemachtigde van Shell, vergezeld door [naam 3] , mr. M.J.G. Goossens en mr. L. Yuen.\n\nDe rechtbank heeft de zaak AMS 23\u002F2506 op de zitting geschorst, omdat de minister heeft aangekondigd een gewijzigd besluit te nemen voor wat betreft het aspect verkeersveiligheid.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\nFastned heeft op 23 december 2011 een Wbr-vergunning aangevraagd voor het realiseren van een energielaadpunt als basisvoorziening op verzorgingsplaats Haarrijn naast de rijksweg A2 in de gemeente Stichtse Vecht. Op 19 april 2021 heeft Fastned deze aanvraag aangevuld.\n\nOp verzorgingsplaats Haarrijn is al een vergunde en gerealiseerde basisvoorziening van Mister Green Fast Charging Network B.V. (Fast Charging Network) aanwezig en een vergunde en gerealiseerde aanvullende voorziening van Shell voor elektrisch snelladen. Ook heeft Fastned een vergunning voor een (nog niet gerealiseerde) aanvullende voorziening voor elektrisch snelladen. Deze is voorzien naast de basisvoorziening van Fast Charging Network.\n\n3. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De ontwerpvergunning voor een energielaadpunt met zestien laadplekken heeft van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 ter inzage gelegen. Shell heeft tegen de ontwerpvergunning een zienswijze ingediend.\n\n4. Met het bestreden besluit van 14 februari 2023 heeft de minister de vergunning aan Fastned verleend. Ten opzichte van de ontwerpvergunning heeft de minister een wijziging aangebracht. In plaats van een looptijd van 15 jaar is aan de vergunning een looptijd van 5,5 jaar verbonden. Op 23 december 2022 heeft de minister namelijk de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd. In deze Tijdelijke beleidsregel heeft de minister aanvullende regels gesteld over de geldigheidsduur van Wbr-vergunningen en heeft hij een vergunningenstop opgenomen. Op grond van de Tijdelijke beleidsregel moet de minister bij de vergunningverlening aan Fastned rekening houden met de looptijd van de aan Fast Charging Network verleende vergunning voor een basisvoorziening. Deze vergunning loopt op 24 september 2028 af. Om die reden is de vergunning aan Fastned door de minister ook tot 24 september 2028 verleend.\n\n5. Het beroep van Fastned tegen het bestreden besluit richt zich uitsluitend tegen de looptijd van de vergunning.\n\nJuridisch kader\n\n6. Artikel 3, eerste lid, van de Wbr bepaalt, voor zover hier relevant, dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken. Een aanvraag tot wijziging van een Wbr-vergunning moet, kort gezegd, worden beoordeeld op veiligheid en doelmatigheid.\n\n7. Het toetsingskader voor aanvragen om een vergunning voor het aanbieden van voorzieningen op een verzorgingsplaats langs rijkswegen, als bedoeld in artikel 3 van de Wbr, is het beleid, zoals neergelegd in de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (de Kennisgeving). De Kennisgeving is in 2004 vastgesteld en in 2011, 2013, 2017, 2021 en 2022 gewijzigd. Daarnaast is in aanvulling op de Kennisgeving op 23 december 2022 de Tijdelijke beleidsregel gepubliceerd in de Staatscourant.\n\n8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt een vergunning slechts verleend of gewijzigd met een geldigheidsduur die in ieder geval is beperkt (a) tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van een voor inwerkingtreding van deze beleidsregel verleende vergunning voor een basisvoorziening energielaadpunt op de betreffende verzorgingsplaats, of (b) als voor de betreffende verzorgingsplaats geen vergunning als bedoeld in onderdeel a, is verleend, tot de dag waarop de geldigheidsduur eindigt van de voor inwerkingtreding van deze beleidsregel gesloten huurovereenkomst van een locatie voor een motorbrandstoffenverkooppunt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen op deze verzorgingsplaats.\n\n9. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Tijdelijke beleidsregel wordt geen vergunning verleend, indien toepassing van het eerste lid zou leiden tot een geldigheidsduur van minder dan vijf jaar.\n\n10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Tijdelijke beleidsregel treedt de beleidsregel in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en dus op 24 december 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in dit beroep of de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten de Wbr-vergunning met een geldigheidsduur tot 24 september 2028 aan Fastned te verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van Fastned.\n\n12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIs de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel?\n\n13. Alvorens de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden, geeft zij eerst een oordeel over het karakter van de Tijdelijke beleidsregel. Shell stelt zich namelijk op het standpunt dat de Tijdelijke beleidsregel geen beleidsregel is, maar een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen zelfstandig rechtsmiddelen (hadden) kunnen worden aangewend en daarom in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.\n\n14. Een beleidsregel wordt in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedefinieerd als een 'bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan’.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel een beleidsregel is. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de Tijdelijke beleidsregel algemene regels geeft die van toepassing zijn bij de beoordeling van iedere aanvraag om een vergunning voor het realiseren en behouden van elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. De Tijdelijke beleidsregel bevat een uitleg van de toepassing van de bevoegdheden van de minister neergelegd in artikel 2 en artikel 3 van de Wbr en geeft regels voor de afweging van belangen door de minister bij het gebruik van die bevoegdheden. Het gaat dus niet om een besluit dat een algemeen verbindend voorschrift nader naar tijd, plaats, of ruimte bepaalt, zonder in een zelfstandige normstelling te voorzien. Van een concretiserend besluit van algemene strekking is daarom geen sprake.\n\nMoet de Tijdelijke beleidsregel buiten toepassing worden gelaten?\n\n16. Fastned voert aan dat toepassing van de Tijdelijke beleidsregel in strijd is met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie van de minister, het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaatsen en met het faciliteren van de energietransitie. Verder pakt de toepassing van de Tijdelijke beleidsregel onnodig onevenredig uit voor Fastned, gelet op de met het bestreden besluit te dienen doelen. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 3:4 van de Awb.\n\n17. Uit de rechtspraakvolgt dat als de (on)evenredigheid van een besluit in geschil is en dat besluit (mede) berust op een beleidsregel, de bestuursrechter al dan niet uitdrukkelijk ook de evenredigheid van de beleidsregel toetst. Als de beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, toetst de bestuursrechter het besluit aan de norm van artikel 4:84 van de Awb. Daarbij gelden dezelfde maatstaven als bij de toetsing van het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ook de al in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden kunnen ‘bijzondere omstandigheden’ zijn.\n\n18. Uit de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel en de aanvullende toelichting van de minister in het verweerschrift en op de zitting, volgt dat de minister streeft naar een emissieloos wagenpark in 2050. Onderdeel hiervan is de herordening van het aanbod van laadpunten op verzorgingsplaatsen. Gezien de omvang van de opgave en het belang van een efficiënte ruimtelijke inrichting van verzorgingsplaatsen is een duidelijkere (regie)rol van de overheid nodig. Omdat veel vergunningen voor basisvoorzieningen energielaadpunten in 2028 aflopen - en dus opnieuw kunnen worden verdeeld - is dit een belangrijk moment voor de inwerkingtreding van nieuw beleid op verzorgingsplaatsen. Uitgangspunt van de herordening is de ontwikkeling van concurrentie tussen verzorgingsplaatsen in plaats van de huidige (juridische) strijd om laadvoorzieningen op verzorgingsplaatsen. Om dit te bereiken zal per verzorgingsplaats één kavel snelladen komen. De uitgifte van dat kavel snelladen zal aan één onderneming per verzorgingsplaats worden gegeven. Daarnaast zal een gebiedscriterium worden geïntroduceerd, wat inhoudt dat dezelfde onderneming niet gelijktijdig op twee achtereenvolgende verzorgingsplaatsen kavels snelladen kan exploiteren. De beperking van de looptijd in de Tijdelijke beleidsregel is volgens de minister in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de wegen waar de verzorgingsplaatsen toe behoren. Het nieuwe beleid beoogt immers (onder meer) de beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen te verzekeren. De vraag daarnaar zal in de loop van de energietransitie aanzienlijk toenemen. Juist door de beschikbaarheid van deze voorzieningen dienen de verzorgingsplaatsen het veilig en doelmatig gebruik van het hoofdwegennet. Er is voor gekozen om de Tijdelijke beleidsregel direct in te laten gaan, zodat wordt voorkomen dat er ineens nog een groot aantal aanvragen voor laadvoorzieningen worden ingediend. Onderkend is dat het tijdelijk beperken van de looptijd van vergunningen nadelige gevolgen heeft voor initiatiefnemers, omdat deze daarmee worden beperkt in de tijd waarbinnen investeringen in de laadinfrastructuur terugverdiend kunnen worden. Een minder beperkende mogelijkheid, zoals een langere looptijd, is echter geen geschikt alternatief omdat daarmee de verwezenlijking van het kabinetsvoornemen en het behalen van zwaarwegende publieke doelen alsnog vertraagd wordt. Deze nadelige gevolgen wegen volgens de minister niet op tegen het belang van een spoedige invoering van de nieuwe uitgiftesystematiek. Met deze toelichting acht de rechtbank, alles overziend, de Tijdelijke beleidsregel niet kennelijk onredelijk en ook niet in strijd met de doelstellingen van de nieuwe beleidsvisie.\n\nMoest de minister in dit geval afwijken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb?\n\n19. Volgens Fastned dient zij met het realiseren van haar laadpalen juist het doel van de minister, namelijk voldoende beschikbaarheid van voorzieningen voor snelladen en is het toepassen van de verkorte looptijd uit de beleidsregel daarom niet geschikt om het doel te bereiken. De minister had daarom moeten afzien van toepassing van de Tijdelijke beleidsregel op grond van artikel 4:84 van de Awb. De minister stelt zich daarentegen op het standpunt dat niet moet worden gekeken naar realisatie van energielaadpunten op korte termijn, maar naar oplossingen voor de langere termijn. Het uitgangspunt is dat er per verzorgingsplaats één kavel energieladen komt, met één aanbieder en dat het gebiedscriterium wordt ingevoerd. Het verkorten van de looptijd van nieuwe vergunningen is volgens de minister geschikt om het doel, namelijk het op lange termijn kunnen verzekeren van beschikbaarheid van voorzieningen snelladen, te bereiken. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat het verkorten van de looptijd een geschikt middel is om dit doel te bereiken.\n\n20. Volgens Fastned is het verkorten van de looptijd in haar geval ook niet noodzakelijk. Er is namelijk slechts één ander soortgelijk geval, op verzorgingsplaats De Abt. Daarvoor was ook al een ontwerpvergunning ter inzage gelegd, maar is de looptijd in de definitieve vergunning verkort. Verder is het verkorten van de looptijd volgens Fastned niet noodzakelijk, omdat Fastned op verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning heeft voor een aanvullende voorziening snelladen met een looptijd tot 2036. De minister stelt zich op het standpunt dat iedere verzorgingsplaats van belang is waarbij zo snel mogelijk uitgifte volgens de nieuwe verdelingssystematiek kan plaatsvinden. Ook staat de aan Fastned verleende vergunning voor een aanvullende voorziening snelladen niet in de weg aan het overgaan op de nieuwe verdelingssystematiek. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister en oordeelt dat het verkorten van de looptijd in het geval van Fastned eveneens voldoet aan de eis van noodzakelijkheid.\n\n21. Fastned voert verder aan dat het beperken van de looptijd niet evenwichtig is. Volgens Fastned is de beslistermijn door de minister al lang overschreden en heeft zij op verzorgingsplaats Haarrijn al veel investeringen gedaan. Dat de wettelijke beslistermijn is overschreden acht de rechtbank geen relevante factor en is overigens grotendeels gelegen in de omstandigheid dat Fastned de aanvraag uit 2011 niet eerder heeft aangevuld. Daarbij heeft Fastned de gestelde financiële investeringen op Haarrijn niet met stukken onderbouwd en overigens niet aannemelijk gemaakt dat binnen de looptijd van de vergunning de gestelde investeringen niet kunnen worden terugverdiend. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Fastned een vergunning heeft gekregen voor 16 energielaadpunten maar niet gehouden is alle 16 energielaadpunten te realiseren. Bovendien is het de eigen keuze van Fastned als onderneming geweest om voorafgaand aan de onherroepelijkheid van de Wbr-vergunning investeringen te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is toepassing van de verkorte looptijd ook niet onevenwichtig.\n\n22. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er was daarom geen reden voor de minister om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb.\n\nArtikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet\n\n23. Fastned voert verder aan dat de vergunning in strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet is verleend voor de duur van 5,5 jaar. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2021.\n\n24. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met artikel 33, vijfde lid, van de Dienstenwet. Uit de door Fastned genoemde uitspraak volgt weliswaar dat de minister er rekening mee moet houden dat aan vergunninghouders voldoende tijd wordt geboden om de door hen noodzakelijk gemaakte investeringen en de investeringen die zij lopende de geldigheidsduur van de vergunning redelijkerwijs moeten maken, te kunnen afschrijven, maar deze termijn hoeft niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder te worden bepaald. Wel kan volgens de uitspraak per branche, met inachtneming van de tijd waarin de noodzakelijke investeringen van de standplaatshouders binnen die branche gemiddeld genomen worden terugverdiend, worden vastgesteld binnen welke termijn de hiervoor bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. In de Tijdelijke beleidsregel heeft de minister dit gedaan door een zogenoemde ‘kap’ te zetten op vijf jaar en in de toelichting bij de Tijdelijke beleidsregel heeft hij deze kap gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nEx tunc of ex nunc\n\n25. Fastned voert nog aan dat de minister het recht had moeten toepassen zoals dat gold ten tijde van de laatste dag waarop de aanvraag was ingediend. HHet toepassen van de Tijdelijke beleidsregel is namelijk in strijd met de systematiek van de verdeling van schaarse vergunningen. Fastned beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012.Volgens Fastned volgt uit deze uitspraak dat als de beoordeling van aanvragen om schaarse vergunningen via een zogenoemd tendersysteem verloopt, als uitgangspunt geldt dat het beleid dient te worden toegepast zoals dat gold op de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend. Een bestuursorgaan mag het beleid dan niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een of meer aanvragers wijzigen.\n\n26. De rechtbank oordeelt dat de vergelijking met de door Fastned genoemde uitspraak niet opgaat. Anders dan in die uitspraak, ziet de beleidswijziging in dit geval niet direct op de methode aan de hand waarvan wordt bepaald aan wie de vergunningen worden verleend, maar slechts op de duur van de vergunning. Kortom, de duur van de vergunning heeft geen betrekking op de verdeelprocedure als zodanig. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.\n\n27. Volgens Fastned is het toepassen van de verkorte looptijd in haar geval ook in strijd met de rechtszekerheid. Als sprake is van rechtmatig gevoerd beleid dat wordt gewijzigd, dan moet die wijziging wel tijdig bekend worden gemaakt en mag niet zonder meer een kortere looptijd worden toegepast op lopende aanvragen. Fastned wijst op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 3 september 2019. Uit de rechtspraak volgt verder dat op het uitgangspunt dat het gewijzigde recht moet worden toegepast bij beslissingen op een vergunningsaanvraag een uitzondering bestaat, als ten tijde van het indienen van de aanvraag een rechtstreekse aanspraak bestond op het verkrijgen van de vergunning. Fastned wijst op een uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021.\n\n28. Als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan rekening moet houden met het recht zoals dit geldt ten tijde van het nemen van het besluit (op bezwaar). Dit geldt ook voor beleidsregels.In bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank echter niet gebleken. Anders dan in de door Fastned genoemde uitspraak van de Afdeling is geen sprake van een gebonden beschikking of bijzonder peilmoment. Ook gaat de vergelijking met de uitspraak van het CBb over subsidies niet op. Anders dan in die uitspraak, zijn alle aanvragers hetzelfde beoordeeld en is de looptijd van de vergunning geen onderdeel van de selectieprocedure. Dat de uiteindelijke vergunning ten nadele afwijkt van de ontwerpvergunning is evenmin een bijzondere omstandigheid waardoor van de hoofdregel moet worden afgeweken. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVertrouwensbeginsel\n\n29. Fastned voert tot slot aan dat de minister heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Fastned heeft sinds de verdelingsprocedure uit 2012 altijd vergunningen voor energielaadpunten als basisvoorziening gekregen met een looptijd van vijftien jaar. Daaraan mocht Fastned het vertrouwen ontlenen dat zij ook voor de verzorgingsplaats Haarrijn een vergunning met een looptijd van vijftien jaar zou krijgen.\n\n30. De rechtbank oordeelt dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Er zijn door de minister geen toezeggingen gedaan over de looptijd van deze vergunning. Fastned kon er redelijkerwijs ook niet van uitgaan dat het beleid in meer dan tien jaar tijd niet zou wijzigen. Voor zover Fastned erop heeft gewezen dat de aanvraag vooral lang heeft stilgelegen omdat er (aan haar zijde) onduidelijkheid was over toepassing van de Kennisgeving 2017, levert dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen rechtens te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel op. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. De minister heeft aan Fastned in redelijkheid een Wbr-vergunning kunnen verlenen met een looptijd tot 24 september 2028.\n\n32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Fastned geen gelijk krijgt. Fastned krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. J.F. Kuiken, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr).\n\n Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 16 december 2022, tot vaststelling van een tijdelijke beleidsregel inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op elektrische laadpunten op verzorgingsplaatsen, Stcrt, 23 december 2022, nr. 32554.\n\n Zie de Kamerbrief van 23 december 2022 met daarbij een beleidsvisie over de verzorgingsplaatsen van de toekomst, Kamerstukken II 2022\u002F23, 31 305, nr 376.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1588.\n\n ECLI:NL:RVS:2012:BW7592.\n\n ECLI:NL:CBB:2019:378.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2835.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:433.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:4789","2023-07-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.071Z",{"id":122,"ecli":123,"slug":124,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":125,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":42,"updatedAt":128},"511","ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","ecli-nl-rbams-2023-3008","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: AMS 23\u002F1268 (voorlopige voorziening) en AMS 23\u002F914 (beroep)\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 19 april 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. J. de Vet),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam(het college)\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen het besluit waarmee haar bewonersvergunning om te parkeren op de openbare weg heeft ingetrokken. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n1.1.. Met het besluit van 17 mei 2022 heeft het college de bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] van eiseres ingetrokken per 1 mei 2023.\n\n1.2.. Met het bestreden besluit van 5 januari 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 24 april 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een parkeervergunning voor bewoners. Zij heeft bij haar aanvraag aangegeven dat zij een eigen stallingsplaats heeft, maar angst heeft om daar te parkeren. Eiseres heeft ook een verklaring van haar huisarts overgelegd. Vervolgens is met een besluit van 24 juni 2020 een parkeervergunning aan eiseres verleend. Deze vergunning werd door het college steeds stilzwijgend met zes maanden verlengd.\n\n3. Het college heeft de parkeervergunning van eiseres ingetrokken, omdat uit een controle is gebleken dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een bewonersvergunning zoals neergelegd in de Parkeerverordening 2013 (Parkeerverordening). Op grond van de Parkeerverordening kan een bewonersvergunning worden verleend aan de bewoner van een adres die niet beschikt of kan beschikken over een stallingsplaats. Volgens de beschikbare informatie van het college kan eiseres gebruik maken van een eigen parkeergelegenheid. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij hiervan geen gebruik kan maken. Daarom is besloten om de parkeervergunning per 1 mei 2023 in te trekken. Volgens het college leidt de toepassing van de Parkeerverordening in het geval van eiseres niet tot bijzondere hardheid, zodat er geen aanleiding is om ten gunste van eiseres een uitzondering te maken op de regels.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. Eiseres heeft aangevoerd dat de vergunning in redelijkheid niet kon worden ingetrokken. Eiseres meent dat haar op grond van haar medische situatie een parkeervergunning is verleend en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op grond van de eerder aan haar verleende vergunning mag eiseres het vertrouwen ontlenen dat haar medische situatie voldoende grond is om aan haar met toepassing van de hardheidsclausule een parkeervergunning te verlenen.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat eiseres erkent dat zij kan beschikken over een eigen stallingsplaats. Eiseres voldoet om die reden niet aan de in de Parkeerverordening neergelegde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een parkeervergunning. Eiseres betoogt dat zij feitelijk geen gebruik kan maken van de bij haar woning horende parkeergarage omdat zij een grote angst heeft om alleen in een parkeergarage te verblijven. Eiseres heeft haar beroep op medische omstandigheden onderbouwd met een behandelplan van 10 maart 2023 van Psycholoog Nederland en een verklaring van haar huisarts, [naam] . De huisarts heeft verklaard dat eiseres is doorverwezen voor een vermoeden van een angst- en paniekstoornis en dat zij angstig is in parkeergarages. Uit het behandelplan blijkt dat een traject is opgestart om eiseres te helpen haar angsten te overwinnen. Deze stukken brengen de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Gelet op de schaarste aan parkeerruimte in de openbare ruimte, moet bij de beoordeling van de vraag of eiseres over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken, uitgegaan worden van een ruime interpretatie. Bij deze beoordeling komt de omstandigheid dat er voor eiseres mogelijk medische belemmeringen zijn om in de parkeergarage te parkeren in beginsel voor haar risico. Het college was daarom – gelet op artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening – gehouden de verleende parkeervergunning in te trekken.\n\n5.3.. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel, overweegt de voorzieningenrechter dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres er op basis van opeenvolgende, stilzwijgende, verlengingen niet op mocht vertrouwen dat zij ook in de toekomst steeds over de bewonersvergunning kon blijven beschikken. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vergunning destijds ten onrechte is verleend en heeft toegelicht dat, als aan eiseres met toepassing van de hardheidsclausule een bewonersvergunning was verleend, dit uit de motivering van het besluit van 24 juni 2020 zou blijken. De voorzieningenrechter is met het college eens dat uit het toekenningsbesluit niet kan worden opgemaakt dat het college de hardheidsclausule heeft toegepast. Daarbij strekt het vertrouwensbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan gehouden is fouten in zijn besluitvorming te laten voortduren. Voor zover de brief van 24 juni 2020, waarbij de bewonersvergunning aan eiseres is verleend, al zou moeten worden aangemerkt als een concrete toezegging dat zij in aanmerking komt voor een bewonersvergunning en deze toezegging is gedaan door een bevoegd persoon, had deze toezegging slechts een beperkte geldigheidsduur, te weten voor de duur van vier maanden, zoals is vermeld in deze brief.Gelet op het voorgaande, volgt de voorzieningenrechter eiseres evenmin in haar betoog dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid omdat het college terugkomt op haar eerdere beslissing tot toepassing van de hardheidsclausule.\n\n6. De voorzieningenrechter begrijpt verder uit het betoog van eiseres dat zij een beroep doet op de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 40 van de Parkeerverordening. Bij de toepassing van de hardheidsclausule komt het college beoordelings- en beleidsvrijheid toe. De voorzieningenrechter dient dit daarom terughoudend te toetsen. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegepast. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college in dit verband aangevoerd dat het moet gaan om schrijnende gevallen, zoals bijvoorbeeld gevallen waarbij betrokkenen levensbedreigend ziek zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat van een dergelijk schrijnende situatie in het geval van eiseres geen sprake is.\n\n7. Op zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat het behandeltraject medio april 2023 zal aanvangen en dat eiseres naar verwachting 12 sessies met een psycholoog nodig heeft. De behandeling zal in totaal ongeveer drie maanden duren. Het college heeft hierop op zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlengen van de vergunning voor de duur van zes maanden, zodat eiseres dit traject kan doorlopen. Op het betoog van de gemachtigde van eiseres dat eiseres het traject in alle tijd en rust moet kunnen doorlopen, heeft het college verklaard ook bereid te zijn om de bewonersvergunning voor de duur van één jaar te verlengen, maar dat een langere termijn niet geboden zal worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres niet in het gelijk wordt gesteld. De voorzieningenrechter ziet echter gelet op de verklaring van het college zoals weergegeven in rechtsoverweging 7, wel aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat eiseres moet worden behandeld als ware zij in het bezit van de bewonersparkeervergunning.\n\n9. Omdat de voorzieningenrechter al heeft beslist op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n10. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, omdat niet is gebleken van een aan het college te wijten onrechtmatigheid.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F914:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het college eiseres vanaf 1 mei 2023 tot 1 mei 2024 behandelt als ware zij in het bezit van een bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] .\n\nIn de zaak met procedurenummer AMS 23\u002F1268:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Pielaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2023.\n\nde griffier is verhinderd deze uitspraak\n\nte ondertekenen\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2601.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2016,\n\nECLI:NL:RVS:2016:1960.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:3008","2023-05-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.102Z",20]