[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-benefits-scandal-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":45},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},121,"benefits-scandal-compensation-nl","Benefits Scandal Compensation","NL","2026-07-08T16:57:27.980Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2024-08-28T00:00:00.000Z","2024-11-25T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122164","Algemene wet bestuursrecht","art. 3:2",1,[27,37],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"541","ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","ecli-nl-rbams-2024-7167","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F170\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: W.L.J. van de Griendt).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zijn private schulden over te nemen.\n\n1.1.. De Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens verweerder met een besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) afgewezen op grond van het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Met een besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zijn beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen en de door hem gestelde bijzondere omstandigheden en schrijnende situatie goed te schetsen, zoveel als mogelijk onderbouwd met stukken.\n\n1.5.. Eiser heeft bij brief van 14 mei 2024 zijn huidige situatie en zijn situatie ten tijde van het bestreden besluit toegelicht, als ook hoe deze situatie is ontstaan. De rechtbank heeft verweerder vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren en tevens te reageren op het ter zitting gedane beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel.\n\n1.6.. Bij brief van 19 juni 2024 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop een nadere reactie te geven.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2.1.. Eiser is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft een lening afgesloten bij familieleden voor een initiële hoofdsom van € 100.000,-. Daarbij zijn de woningen van eiser aan de [adres 1] [huisnummer 1] en de [adres 2] [huisnummer 2] te [woonplaats] als onderpand gebruikt. De schuldeiser [naam schuldeisers] heeft een pandrecht en een hypotheekrecht op deze woningen gevestigd.2.2.. Eiser heeft zich middels een formulier en daarbij gevoegde schuldenlijst op 15 september 2022 aangemeld om in aanmerking te komen voor overname van zijn private geldschulden door de SBN. Eiser heeft daarbij onder meer opgegeven dat hij op zijn schuld bij [naam schuldeisers] een opeisbare betalingsachterstand heeft van € 94.954,36.\n\n2.3.. De SBN heeft het verzoek namens de Dienst Toeslagen met het primaire besluit afgewezen op grond van het Besluit. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de schulden van eiser van € 111.899,84 en € 3.319,22 bij GGN Incasso overgenomen. Ten aanzien van eisers schuld bij [naam schuldeisers] is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder geeft hiervoor als reden dat op grond van artikel 4.1, vierde lid en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een hypothecaire schuld niet kan worden overgenomen, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op een verhypothekeerde zaak. Niet is gebleken dat eiser de woningen heeft verkocht, er is namelijk enkel beslag gelegd op de huurinkomsten. De schuld valt daarom buiten de reikwijdte van de Wht.Beoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om eisers schuld bij [naam schuldeisers] over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWettelijk kader\n\n5. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op grond van de Wht. Per 2 november 2022 is het Besluit verankerd in afdeling 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf dan over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn dezelfde vereisten die het Besluit stelde.\n\nBeroep op het evenredigheidsbeginsel\n\n6. Op de zitting is besproken dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] een schuld betreft die is ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Evenmin is in geschil dat eiser deze schuld op het tijdstip van de aanvraag nog niet had voldaan.Verweerder heeft eisers verzoek tot overname van deze private schuld afgewezen, omdat deze schuld de resterende hoofdsom betreft van een hypothecaire lening en geen sprake is van een restschuld na verkoop of verhaal op de verhypothekeerde zaak.Alleen in een dergelijk geval komt een hypothecaire schuld voor overname in aanmerking.\n\n7. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat de harde eis in Wht-zaken met betrekking tot de hypothecaire lening niet evenredig is. De regelgeving pakt (in dit geval) hard uit, nu de schuld al vóór 2009 is opgebouwd. De hypotheek is op de panden gevestigd en er is beslag gelegd, waardoor eiser ook heeft geprobeerd aan zijn verplichtingen te voldoen.\n\n8. Vervolgens is op de zitting besproken of met de hypotheek zoals deze op de panden van eiser gevestigd is, sprake is van een hypotheekschuld zoals de wetgever die in de Wht van overname heeft willen uitzonderen. In dit geval is immers geen sprake van een traditionele hypotheekschuld, waarbij geld is geleend bij een bank ter financiering van een woning. Maar van een hypotheek die als zekerheid is gesteld voor een reeds bestaande lening.\n\n9. Verweerder heeft zich in zijn reactie van 19 juni 2024 op het standpunt gesteld dat de cumulatieve voorwaarden voor de overname van private schulden in de Wht dwingend geformuleerd zijn. Volgens verweerder staat het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet er dan ook aan in de weg dat de bestuursrechter deze bepaling toetst aan het evenredigheidsbeginsel, of andere algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht. Uit de rechtspraakvolgt dat er aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere\n\nomstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van\n\nde wetgever. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of ander (ongeschreven) recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. In dit geval kan de lening niet anders worden gekwalificeerd dan als een hypothecaire schuld; er is immers sprake van een lening en een vestiging van een pand- en hypotheekrecht op de woningen van eiser. Uit de Memorie van Toelichting van de Wht volgt volgens verweerder dat de wetgever uitvoerig heeft stilgestaan bij het recht van een hypotheek. Dat de lening niet is aangegaan ten behoeve van de koop van een registergoed maakt dat volgens verweerder niet anders, aangezien het doel waarmee de lening is aangegaan er niet toe doet.\n\n10. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Weliswaar is duidelijk dat de schuld waarvan eiser overname verzocht heeft, een hypothecaire schuld betreft. Naar het oordeel van de rechtbank volgt, anders dan de door verweerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden Nederland, uit de totstandkomingsgeschiedenis echter niet dat de wetgever een situatie als die van eiser heeft voorzien noch heeft beoogd ook deze situatie te regelen. In de Memorie van Toelichting is ten aanzien van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht namelijk enkel opgenomen dat daarin is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen en dat enkel de geldschuld genoemd onder c van dit artikel een toelichting behoeft.Voor zover verweerder heeft willen verwijzen naar de algemene toelichting op de geldschulden die onder de Wht worden overgenomen,volgt daaruit evenmin dat de wetgever rekening heeft gehouden met een hypothecaire schuld zoals in deze zaak aan de orde is. In de kamerstukken is slechts de navolgende passage terug te vinden:\n\n“Bij hypothecaire leningen kan het voorkomen dat na meerdere niet betaalde maandelijkse termijnen de hoofdsom van de lening opeisbaar wordt. In die situatie wordt onderscheid gemaakt tussen de opeisbare achterstallige betalingen enerzijds en de hoofdsom anderzijds. De opeisbare achterstallige betalingen worden overgenomen, maar de opeisbare hoofdsom niet. De gedupeerde ouder blijft dus in principe schuldenaar van de resterende hoofdsom van de hypothecaire lening. De gedupeerde ouder of zijn toeslagpartner kan het maandelijkse rente- en aflossingsbedrag weer gaan betalen en zo de hypotheek verder aflossen. Een uitzondering hierop is als het gaat om een restschuld na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak. In deze gevallen wordt ook de hoofdsom vergoed.\n\n11. Hieruit volgt dat de onderhavige situatie, namelijk dat de hypotheekschuld die nietis aangegaan voor de aanschaf van een onroerend goed, in de wetsgeschiedenis niet expliciet is besproken en is meegenomen in de overwegingen van de wetgever. De rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever bij het uitsluiten van de hypothecaire lening uitsluitend het oog had op de hypothecaire lening ten behoeve van de aanschaf van een woning en niet het vestigen van een hypotheekrecht op een al bestaande lening die was aangegaan voor een andere bestemming. In deze casus is aldus sprake van bijzondere omstandigheden, die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is ruimte voor een evenredigheidstoets.\n\n12. Alvorens daar nader op in te gaan merkt de rechtbank op dat uit de toelichting wel blijkt dat de uitsluitingsgrond hypothecaire schuld in ieder geval niet ziet op opeisbare achterstallige betalingen in het kader van een hypothecaire lening. Deze dienen ook bij een hypothecaire lening te worden overgenomen. De rechtbank stelt vast dat eiser daar niets over heeft gesteld. Alhoewel het hier een beslissing op aanvraag betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het kader van het meer responsieve bestuursrecht en de vergewisplicht van artikel 3:2 Awbhier bij eiser navraag naar had moeten doen. Dit klemt te meer nu verweerder zelf de veroorzaker is van de situatie waarin eiser terecht is gekomen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht in dit geval buiten toepassing moet blijven. De onderhavige situatie sluit meer aan bij de situatie waarbij een private geldlening is vastgelegd via een notariële akte in de vorm van een hypotheekakte, waardoor in feite sprake is van de situatie van artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Wht. Gezien de eigen rol van verweerder bij het ontstaan van de financiële problemen van gedupeerden en het doel van de herstelwetgeving toeslagenaffaire -zoveel mogelijk kansen bieden op een nieuwe start voor gedupeerden- dient bij de uitleg van onduidelijkheden in de wetgeving en\u002Fof toepassing van het evenredigheidsbeginsel uit te worden gegaan van zoveel mogelijk bescherming van gedupeerden.\n\n14. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerder de schuld bij [naam schuldeisers] dient over te nemen nu het hier een middels notariële actie vastgelegde schuld betreft. De rechtbank merkt daarbij op dat de opeisbaarheid van deze schuld niet is betwist. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien.\n\nBeroep op de hardheidsclausule\n\n12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over het beroep op de hardheidsclausule.\n\nVerzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n13. Eiser verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, gerekend vanaf de termijn van ontvangst van het bezwaarschrift op 2 februari 2023 tot aan deze uitspraak.\n\n14. Volgens vaste rechtspraakmag in procedures als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank hoogstens anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er omstandigheden zijn die een langere behandelduur rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank moet beoordelen op welke manier de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan of, als de overschrijding van de termijn heeft plaatsgevonden in beroep, ten laste van de Staat der Nederlanden (de Staat).\n\n15. De vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.\n\n16. In dit geval heeft eiser op 2 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen op 28 november 2023. De bezwaarfase heeft daarmee bijna 10 maanden geduurd. De rechtbank doet op 25 november 2024 uitspraak in deze zaak. Dit betekent dat de bezwaar- en beroepsprocedure in totaal één jaar en bijna tien maanden heeft geduurd. Daarmee is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiser komt dan ook niet voor immateriële schadevergoeding in aanmerking.Conclusie en gevolgen\n\n17. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de schuld aan [naam schuldeisers] dient te worden overgenomen omdat deze schuld gelijk is te stellen aan een schuld die is vastgelegd middels een notariële akte.\n\n18. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij bepaalt dat eisers schuld bij [naam schuldeisers] wel voor overname in aanmerking komt.\n\n19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.\n\n20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.998,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist dat de schuld bij [naam schuldeisers] niet voor overname in aanmerking komt omdat sprake is van een hypothecaire lening, bepaalt dat deze schuld wel voor overname in aanmerking komt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.998,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\n Zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wht.\n\n De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van\n\n Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6687.\n\n TK, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 130.\n\n Idem, zie p. 44-45.\n\n Idem, p. 45.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:925.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:369.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7167","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.881Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":41,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":35,"updatedAt":44},"535","ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","ecli-nl-rbams-2024-5311","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F56\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),\n\nen\n\nde minister van Financiën, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Maachi).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een schuld over te nemen.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep samen met de zaak AMS 24\u002F55 op 21 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en partijen de gelegenheid gegeven nadere informatie in te brengen. Eiseres heeft op 22 mei 2024 gereageerd. Verweerder heeft op 10 juli 2024 gereageerd. Op de zitting is afgesproken dat de zaak zonder nadere zitting zou worden afgedaan. De rechtbank heeft vervolgens op 16 augustus 2024 het onderzoek gesloten.\n\nPersoonlijke noot vooraf van deze rechter\n\n2.1.. Voordat de rechtbank overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak, hecht deze rechter het van belang het volgende op te merken. De rechter heeft zich in deze uitspraak noodgedwongen laten leiden door de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarbij de Afdeling aansluit bij de strenge uitleg die verweerder geeft aan de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en haar beleid over dit onderwerp.Deze rechter wil daar het volgende over opmerken.\n\n2.2.. Hoofdstuk 4 van de Wht ziet op het overnemen van schulden van gedupeerden van de toeslagenaffaire. De Memorie van Toelichting bij deze wet bevat onder meer de volgende passages:\n\n‘Met het oog op de ernst en breedte van de problematiek is de ambitie van het kabinet om een zo breed en samenhangend mogelijk herstel te bieden aan gedupeerden. Dit omvat excuses en erkenning, financieel herstel en een schuldenaanpak, brede ondersteuning van gemeenten op verschillende leefgebieden en toegankelijke ondersteuning door maatschappelijke organisaties. Hierbij wil het kabinet ook bijdragen aan een betere toekomst voor getroffen kinderen en (ex-)partners van gedupeerden. Zo hoopt het kabinet gedupeerden en betrokkenen, waar mogelijk, in staat te stellen een nieuwe start te maken.’\n\n‘In de uiteindelijke vormgeving van de hersteloperatie, en daarmee in dit wetsvoorstel, is een aantal principes als uitgangspunt genomen. De kern daarvan is een persoonlijke benadering met keuzevrijheid en regie voor gedupeerden, consistentie en gelijke behandeling, ruimhartigheid en zorgvuldigheid.’\n\n‘Daarnaast wordt, ook met dit wetsvoorstel, ruimhartigheid verkozen boven precisie en doelmatigheid wanneer deze onverenigbaar blijken. Het belang om (ernstig) gedupeerde toeslagaanvragers tijdig en adequaat te helpen weegt volgens het kabinet veelal zwaarder dan het voorkomen van gevallen van overcompensatie.’\n\n‘Met de hersteloperatie hoopt het kabinet, naast het bieden van breed en samenhangend herstel aan gedupeerden, ook bij te dragen aan herstel van vertrouwen in de overheid; in het bijzonder het vertrouwen van gedupeerden, maar ook het vertrouwen van de samenleving als geheel.’\n\n2.3.. De vraag is of de uitvoeringspraktijk van de bepalingen van de Wht over het overnemen van schulden, die zijn neergelegd in hoofdstuk 4, wel in overeenstemming is met de hierboven genoemde passages. Is er wel sprake van een ruimhartige toepassing boven precisie en doelmatigheid, wanneer deze onverenigbaar zijn? En weegt tijdig en adequaat helpen wel zwaarder dan het voorkomen van overcompensatie? Vooral de in de wet opgenomen eis van opeisbaarheid van de schuld voor 1 juni 2021 leidt in de praktijk tot veel begrijpelijke onbegrip bij erkende gedupeerden. In de praktijk hebben deze gedupeerden met kunst en vliegwerk en het vervangen van de ene schuld door de andere schuld voorkomen dat zij te maken zouden krijgen met een deurwaarder. Veel gedupeerden verzuchten in de rechtszaal: ‘had ik maar niet zo mijn best gedaan om aan mijn betalingsverplichtingen te voldoen, dan was mijn schuld wel overgenomen’.\n\n2.4. ‘. Het kan morgen weer gebeuren’. Dat is de conclusie van de parlementaire enquêtecommissie die de fraudebestrijding heeft onderzocht. In de podcast Haagse Zaken van het NRC spreekt juridisch redacteur en columnist [naam] op 2 maart 2024 de verwachting uit dat de politiek en de rechtspraak genoeg heeft geleerd van de Toeslagenaffaire en spreekt hij de verwachting uit dat de kans groot is dat het morgen niet nog een keer gaat gebeuren.\n\n2.5.. Deze rechter vraagt zich echter af of morgen inmiddels niet al vandaag is geworden. Na 2 maart 2024 heeft de Afdeling zich onder meer uitgelaten over de eis van een notariële akte om private schulden aan te tonen. De Afdeling sluit zich (wederom) aan bij de strikte uitleg van de Wht, die verweerder hanteert. De mogelijkheden voor erkende gedupeerden om gecompenseerd en\u002Fof geholpen te worden zijn een wirwar geworden van zeer langdurige procedures. De vraag is gerechtvaardigd hoeveel de erkende gedupeerden nu zijn opgeschoten met de herstelwetgeving en de uitspraken van de Afdeling. Ook nu lijkt zich weer een gang van zaken af te spelen waarbij bij de beoordeling van aanvragen om overname van schulden wordt gekozen voor een minimalistische toepassing en strikte uitleg van de wet. Als gedupeerden daarna in beroep gaan bij de rechtbank, zijn er (sommige) rechters die durven op zoek te gaan naar mogelijkheden om de wet daar waar dat nodig is in het voordeel van erkende gedupeerden minder strikt toe te passen. Vervolgens kiest de Afdeling in de hoger beroepsfase opnieuw voor de (te) strikte toepassing van de wet. Hierbij is er naar het oordeel van deze rechter (weer) te weinig oog voor de praktijk van de alledaagse werkelijkheid, en in verband daarmee de juridische fictie in de wetgeving. De menselijke maat is daarbij, als wezenlijk onderdeel van de inhoudelijke rechtvaardiging bij het toepassen van de wet, onvoldoende in beeld.\n\n2.6.. Deze rechter vindt het verder opvallend dat er in de praktijk (in ieder geval in de uitspraken die zijn gepubliceerd) geen voorbeelden zijn te vinden waarbij een beroep op de hardheidsclausule slaagt.\n\n2.7.. Deze rechter kiest er bewust niet voor om een uitspraak te doen die afwijkt van de recente uitspraken van de Afdeling. Deze rechter doet echter wel een uitdrukkelijk beroep op het ministerie van Financiën en vooral ook op de Afdeling om nog eens goed de hierboven genoemde passages uit de Memorie van Toelichting te bestuderen en deze voortaan wel, of meer, mee te laten wegen in de te nemen beslissingen en uitspraken.\n\n2.8.. Ook de wetgever zou nog eens kunnen bezien in hoeverre de tekst van de Wht en de uitvoering in de praktijk in overeenstemming zijn met de in de hierboven aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, waarin beloftes worden gedaan over een ruimhartige toepassing om gedupeerden de kans te geven op een nieuwe start. Laat het niet zo ver te laten komen dat er over een paar jaar een tweede parlementaire enquête is over dit onderwerp, met wederom vernietigende conclusies voor de wetgever, het ministerie van Financiën en de rechtspraak.\n\n2.9.. Tot slot roept deze rechter het ministerie van Financiën op om meer oplossingsgericht naar individuele zaken te kijken en om meer dan nu het geval is samen met gedupeerden te zoeken naar een financiële regeling waarin gedupeerden zich kunnen vinden. Desgevraagd geven veel gedupeerden aan dat ze een redelijke oplossing op korte termijn prefereren boven procederen voor een volledige schadeloosstelling. Door meer te streven naar een overeenkomst met een redelijke uitkomst in plaats van juridische procedures kan een periode van jarenlange financiële en emotionele ellende worden afgesloten en kan er, in plaats van nog jarenlang procederen, daadwerkelijk naar de toekomst worden gekeken en een nieuwe start worden gemaakt. En dat is nu precies wat de Wht, gezien de bovengenoemde passages uit de wetsgeschiedenis, beoogt.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. Eiseres is gedupeerde van de Toeslagenaffaire. Zij heeft een schuldenlijst toegestuurd aan Sociale Banken Nederland (SBN) en de SBN verzocht om deze schulden op grond van de Wht over te nemen.\n\n3.2.. Met het primaire besluit van 30 mei 2023 heeft de SBN, namens verweerder, beslist op de overname van de schulden. De SBN heeft bepaald dat de schuld van eiseres aan de Beobank van € 24.537,49 niet wordt overgenomen, omdat de schuld is ontstaan of opeisbaar is geworden voor 1 januari 2006 of na 31 mei 2021 (cijfercode 16). De schulden van voor 1 januari 2006 en na 31 mei 2021 moet eiseres zelf betalen.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het standpunt dat de schuld niet kan worden overgenomen gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geweigerd om de schuld van eiseres aan de Beobank over te nemen. De rechtbank volgt in deze uitspraak, zoals hierboven al is aangegeven, de lijn die de Afdeling heeft gehanteerd.\n\n4.2.. De schuld waar het in deze zaak om gaat is een persoonlijke (krediet)overeenkomst van eiseres bij de Beobank. De schuld valt onder artikel 4.1, vierde lid, sub b van de Wht. Zo’n schuld kan alleen worden overgenomen door verweerder als deze voldoet aan alle vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht: de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schuld moet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest en de schuld moet niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.\n\nIs de schuld ontstaan na 31 december 2005?\n\n5.1.. Op de zitting is gebleken dat onduidelijkheid bestond over de ingangsdatum van de schuld. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting daarom geschorst en beide partijen de gelegenheid gegeven om hierover nadere informatie op te vragen bij de Beobank en deze informatie aan de rechtbank te overleggen.\n\n5.2.. Op 22 mei 2024 heeft eiseres nadere informatie ingebracht. Uit een overzicht van de lening bij de Beobank is gebleken dat eiseres op 10 februari 2017 een lening van € 11.999,92 heeft afgesloten voor de duur van 60 maanden. Voorgaande betekent dat de schuld van eiseres voldoet aan het eerste vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.\n\nWas de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar?\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de schuld niet voldoet aan het tweede vereiste van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De achterstanden van de schuld zijn namelijk opgeëist op 29 augustus 2021 en op 26 september 2022.\n\n6.2.. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Niet is gebleken dat op 1 juni 2021 sprake was van opeisbare betalingsachterstanden.\n\n6.3.. Eiseres voert over de eis van opeisbaarheid aan dat deze eis ertoe leidt dat iemand die een geldlening heeft afgesloten om het hoofd boven water te houden en dus een nieuw krediet aanboort om andere opeisbare schulden te kunnen voldoen, zoals eiseres heeft gedaan, op dit punt niet gecompenseerd kan worden. Volgens eiseres moeten daarom leningen die zijn afgesloten om opeisbare schulden te voldoen gelijk worden gesteld met de achterliggende opeisbare schulden. De voorwaarde van ‘opeisbaarheid’ is te hardvochtig, omdat voorbij wordt gegaan aan het feit dat oude schulden zijn afgelost door nieuwe schulden aan te boren.\n\n6.4.. De rechtbank overweegt hiertoe dat, hoewel de slechte financiële situatie van eiseres als gevolg van het beleid van verweerder niet ter discussie staat, uit de totstandkomingsgeschiedenisvan de Wht blijkt dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan. Het alleen overnemen van opeisbare achterstanden van schulden sluit ook aan bij het doel van de Wht. De regeling is niet bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van lopende betalingsverplichtingen, maar is met name bedoeld om te voorkomen dat de ouder in verdere schulden komt doordat een schuldeiser incassomaatregelen neemt voor de opeisbare schulden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nSlaagt een beroep op de hardheidsclausule?\n\n7.1.. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Op grond van deze hardheidsclausule kan van artikel 4.1 worden afgeweken voor zover toepassing daarvan onredelijk zou zijn. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij het maken van de regelgeving en die tot een schrijnende situatie leiden.\n\n7.2.. Met de schorsing van het onderzoek heeft de rechtbank eiseres ook de gelegenheid gegeven om haar beroep op de hardheidsclausule nader te onderbouwen. Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank deze nadere onderbouwing ontvangen. Eiseres voert aan dat het haar, in de periode dat zij in België woonde, niet altijd gelukt is om de huur te voldoen. Eiseres overlegt daartoe een kopie van een Europees betalingsbevel van 19 mei 2022, wegens een huurachterstand. Eiseres voert verder aan dat de Belgische Rijksdienst voor sociale zekerheid zich op 3 november 2016 bij haar had gemeld, omdat zij van de Nederlandse overheid de informatie had ontvangen dat er een hoofdsom van € 7.493,- openstond wegens ten onrechte uitgekeerde kinderopvangtoeslag. Eiseres overlegt verder een aanplakbiljet van een Belgische deurwaarder, een lijst van roerende goederen waarop beslag werd gelegd en rekeningen die haar in die tijd bereikten, naast haar maandelijkse vaste lasten, die zwaar op haar bleven drukken bij een laag besteedbaar inkomen.\n\n7.3.. Hoewel de rechtbank in de stukken ziet dat eiseres het financieel zwaar heeft gehad en dat zij veel moeite heeft gedaan om haar betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, is de rechtbank van oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. De stukken die eiseres heeft overgelegd en de omstandigheden die zij heeft aangevoerd geven onvoldoende inzicht in haar actuele situatie. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de Toeslagenaffaire voor eiseres heeft gehad, stelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de actuele situatie van eiseres zodanig bijzonder of schrijnend is dat het vasthouden aan de voorwaarde dat alleen opeisbare schulden voor overname in aanmerking komen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie (onder meer) de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045 en ECLI:NL:RVS:2024:2040.\n\n Zie de Memorie van Toelichting bij de Wht, Kamerstukken II 2021\u002F22, 36 151, nr. 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5311","2024-08-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.538Z",20]