[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":66},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-10-14T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121924","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122349","Burgerlijk Wetboek","art. 10:56",[31,41,50,58],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.621Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":39,"updatedAt":49},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"1350","ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","ecli-nl-rbdha-2026-18165","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.40183 T\n\n V-nummers: [v-nummer 1]\n\n [v-nummer 2]\n\n [v-nummer 3]\n\ntussenuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres,\n\ngeboren op [geboortedag 1] 1984, staatloos,\n\nmede namens haar minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2010,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 3] 2016,\n\nbeiden van Tunesische nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. van Deijck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit waarbij de afwijzing van hun asielaanvraag is ingetrokken. Ook beoordeelt de rechtbank of eisers nog belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van hun asielaanvraag.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft mede namens haar minderjarige kinderen op 13 april 2022 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 18 augustus 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.2.. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.3.. Met de brief van 8 juni 2026 (hierna: het intrekkingsbesluit) heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken. Eisers hebben hun beroep gehandhaafd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de kinderen in de gelegenheid gesteld hun mening over de zaak kenbaar te maken. Op 18 juni 2026 heeft de voorzitter in aanwezigheid van de griffier een kindgesprek met hen gehouden. Een verslag van dit kindgesprek is aan het dossier toegevoegd.\n\n2.5.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\nHet intrekkingsbesluit\n\n3.1.. Eisers hebben de rechtbank verzocht het intrekkingsbesluit te vernietigen, onder andere omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eisers hebben er geen vertrouwen in dat de minister, zoals zijn gemachtigde ter zitting heeft gesteld, binnen acht weken opnieuw zal beslissen op de aanvraag. Zij verzoeken de rechtbank daarom om de geschilpunten te beslechten en een termijn van vier weken te stellen waarbinnen de minister opnieuw dient te beslissen.\n\n3.2.. De rechtbank overweegt dat het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking heeft op het intrekkingsbesluit.\n\n3.3.. Uit het intrekkingsbesluit volgt dat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken vanwege het besluit- en vertrekmoratorium Libanon. Ter zitting heeft de minister de motivering van het intrekkingsbesluit aangevuld in die zin dat de minister nader wil onderzoeken of Tunesië als veilig derde land kan worden aangemerkt. In dat kader dient de minister nog het zogenoemde ‘bandencriterium’ te toetsen. Ook dient de situatie in de VAEnader onderzocht te worden, omdat de VAE staatloze Palestijnen uitzet naar Libanon. Tot slot wenst de minister eiseres en mogelijk ook haar kinderen te horen voordat hij een nieuw besluit neemt.\n\n3.4.. De rechtbank is gelet op de nadere motivering van de minister ter zitting van oordeel dat het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om tot vernietiging van het intrekkingsbesluit over te gaan. Het beroep voor zover zich dat richt tegen het intrekkingsbesluit is daarmee ongegrond.\n\n3.5.. De rechtbank constateert echter wel een gebrek in de besluitvorming van de minister. De uiterste termijn om te beslissen op een asielaanvraag is 21 maanden. Door het intrekken van het bestreden besluit heeft de minister deze termijn ruimschoots overschreden, namelijk met meer dan 29 maanden. In dit geval had de minister dan ook direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats dienen te stellen.\n\n3.6.. De rechtbank zal de minister opdragen om binnen de toegezegde termijn van acht weken te beslissen op de aanvraag en daarmee het geconstateerde gebrek te herstellen. Hoewel de minister al heeft toegezegd een nieuw besluit te nemen, zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, in de gelegenheid stellen om aan te geven of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4.1.. Voor de volledigheid gaat de rechtbank hierna in op het verzoek van eisers om het bestreden besluit te beoordelen, ondanks dat het besluit is ingetrokken. Volgens eisers kan een inhoudelijk oordeel over verschillende geschilpunten de minister helpen bij het nieuw te nemen besluit op hun aanvraag. Dat het bestreden besluit is ingetrokken, staat niet in de weg aan een vernietiging van dat besluit, aldus eisers.\n\n4.2.. In artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.\n\n4.3.. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers nog een belang hebben, als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid van de Awb, bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Anders dan eisers betogen, is dit belang niet gelegen in de gestelde onrechtmatigheid van het besluit, maar in wat zij kunnen bereiken bij de eventuele vaststelling daarvan. Door de intrekking van het bestreden besluit hebben eisers in dit geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. Het besluit geldt immers al niet meer. De rechtbank verwijst naar de door de minister genoemde uitspraak van de Afdelingvan 9 december 2024.\n\nConclusie5.1.. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat aan het intrekkingsbesluit een gebrek kleeft, omdat de minister niet direct een nieuw besluit op de aanvraag in de plaats heeft gesteld. Het intrekkingsbesluit is dus onvolledig. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, moet de minister binnen acht weken een besluit op de aanvraag van eisers nemen met inachtneming van deze tussenuitspraak. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb binnen één week meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als er een besluit is genomen, dan zal de rechtbank eisers vragen of zij het eens zijn met het besluit en of zij het beroep willen voorzetten. Eisers krijgen dan vier weken de tijd om te reageren.5.2.. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\n5.3.. De rechtbank heeft voor de kinderen een aparte terugkoppeling van deze tussenuitspraak gemaakt. Deze terugkoppeling, in de vorm van een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , is gelijktijdig met de tussenuitspraak verstuurd en als bijlage aan deze tussenuitspraak gehecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt de minister op binnen één week de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.\n\nBeste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nOp 18 juni 2026 hebben wij met elkaar gepraat op de rechtbank. Supergoed van jullie dat jullie zijn gekomen en mij hebben verteld wat jullie van de zaak vinden.\n\nJullie hebben mij verteld dat jullie zaak al zo lang duurt en dat jullie hier in Nederland helemaal geïntegreerd zijn en hier willen blijven. Jullie spreken de taal, doen het heel goed op school en hebben leuke vrienden. Het leven in het AZC voor zo een lange tijd valt jullie zwaar. Het liefst zouden jullie een eigen plek willen samen met jullie moeder, zodat jullie jullie vrienden kunnen laten komen. Jullie moeder is jullie steun en toeverlaat. Jullie maken je zorgen dat jullie terug moeten naar Libanon, Dubai of Tunesië. Dat maakt jullie verdrietig en boos. Jullie hele leven is sinds 2018 in Nederland.\n\nIk heb jullie tijdens ons gesprek laten weten dat ik samen met twee andere rechters ga nadenken over jullie zaak.\n\nOp 22 juni 2026 was de zitting over jullie zaak. Toen zaten jullie ook in de zaal en hebben wij vooral gepraat met jullie moeder, de advocaat van jullie moeder en de advocaat van de minister.\n\nVandaag hebben wij een tussenuitspraak gedaan in jullie zaak. In deze brief leg ik uit wat wij hebben besloten.\n\nIn onze uitspraak hebben wij als eerste gezegd dat wij begrijpen waarom de minister het besluit op jullie aanvraag heeft ingetrokken. Hij kan jullie namelijk op dit moment niet naar Libanon sturen, omdat het daar onveilig is. Verder wil de minister kijken of Tunesië voor jullie veilig is. Ook gaat de minister de situatie in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) onderzoeken, omdat de VAE staatloze Palestijnen (zoals jullie moeder) uitzet naar Libanon.\n\nWij hebben in onze uitspraak gezegd dat jullie zaak erg lang duurt en dat wij het fout vinden dat de minister het besluit in jullie zaak zo kort voor de zitting heeft ingetrokken maar daar geen nieuw besluit voor in de plaats heeft genomen. Jullie wachten namelijk al meer dan 29 maanden op de beslissing op jullie aanvraag en dat is veel te lang.\n\nDe minister heeft nu gezegd dat hij binnen acht weken een besluit gaat nemen op jullie aanvraag. Dat hebben wij hem in onze uitspraak opgedragen te doen. Wij snappen dat het voor jullie vervelend is dat jullie nog langer moeten wachten, maar omdat de minister nog een onderzoek moet doen en jullie eventueel wil horen, is die acht weken tijd niet onredelijk. Tot die tijd houden wij jullie zaak wel aan ons zodat wij, als de minister straks een besluit heeft genomen, kunnen beoordelen of dat een goed besluit is.\n\nIk hoop dat het voor jullie zo duidelijk is wat wij hebben beslist, en waarom wij die beslissing hebben genomen. Verder hopen wij dat het goed met jullie zal gaan.\n\nGroetjes,\n\nDe rechter: M.B. de Boer.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\n Zaaknummer: NL25.40184.\n\n Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Kamerstukken II 2025\u002F2026, 19637, nr. 3563; Stcrt. 2026, 14240.\n\n Verenigde Arabische Emiraten.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5043.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18165","2026-07-13T00:29:17.256Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":62,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":39,"updatedAt":65},"359","ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","ecli-nl-rbdha-2024-23281","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.24861 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , van Soedanese nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Terpstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).\n\nDeze uitspraak is gerectificeerd, omdat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft opgenomen in de originele uitspraak. De originele uitspraak is gedaan op8 oktober 2024. De rechtbank heeft de originele uitspraak in deze gerectificeerde uitspraak aangevuld met de juiste overwegingen over de proceskostenveroordeling.Hieronder geeft de rechtbank de originele uitspraak weer met aanpassingen in cursief, vetgedrukt lettertype.\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen aan Frankrijk tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraakvan deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2024 toegewezen.\n\nVerweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lotfi als tolk in de taal Arabisch-Soedanees, [de persoon 1] namens Stichting Nidos, [de persoon 2] namens het COaen de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n4. Eiser heeft op 17 december 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodacis gebleken dat eiser op 15 november 2023 is aangehouden in Italië en dat hij op 29 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Verweerder heeft daarom op 11 februari 2024 de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 19 februari 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan.\n\n5. De rechtbank gaat verder uit van het volgende. Bij zijn aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 opgegeven. Daarvan uitgaande was eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar, en dus minderjarig. Eiser is geschouwd door de AVIMen door verweerder. De AVIM heeft geconcludeerd tot evidente minderjarigheid. Verweerder heeft geconcludeerd tot twijfel over de minderjarigheid van eiser. Die twijfel is ingegeven doordat uit Eurodac en ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2004 als geboortedatum heeft opgegeven, en dat hij in Frankrijk [geboortedatum 3] 2003 als geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 aangehouden en eiser dus aangemerkt als meerderjarig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMocht verweerder de leeftijdsregistratie uit Italië overnemen?\n\n6. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet van de leeftijdsregistratie in Italië mocht uitgaan. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij zijn eerste gehoor met de AVIM en ook tijdens het aanmeldgehoor met verweerder direct heeft gezegd dat hij in Italië en Frankrijk bewust onjuiste geboortedata heeft opgegeven, om de autoriteiten daar te laten denken dat hij meerderjarig was. Dit heeft eiser gedaan om te voorkomen dat hij daar als minderjarige vastgehouden zou worden en in een opvang zou worden geplaatst. Verweerder heeft deze verklaringen ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Bovendien is niet inzichtelijk geworden welk onderzoek de Italiaanse en Franse autoriteiten, los van eisers eigen onjuiste verklaringen, aan hun leeftijdsvaststelling ten grondslag hebben gelegd.\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel mocht uitgaan van de in Italië opgegeven geboortedatum. Verweer wijst in dit kader op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgt dat hij bij twijfel over de opgegeven minderjarigheid in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsregistratie in andere lidstaten.Uit de verklaringen van eiser volgen ook geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder hier in zijn geval niet vanuit zou mogen gaan.\n\n6.2.. Uit Werkinstructie 2023\u002F6 volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Een vreemdeling heeft op grond van de werkinstructie echter de mogelijkheid om door middel van adequate en onderbouwde verklaringen aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd niet de juiste is. Ook kan hij kan op grond van, bij voorkeur identificerende maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist is.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet zonder meer heeft mogen aansluiten bij de geregistreerde geboortedatum in Italië. Er zijn namelijk genoeg aanwijzingen dat deze geboortedatum niet de juiste is. Ten eerste hebben de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie in Italië aan verweerder het volgende gestuurd: “Following your request concerning the above named person, this is to inform you, that: (…) He did not submit any documents. No age testing.” De rechtbank leidt hieruit af dat eisers leeftijdsregistratie in Italië enkel tot stand is gekomen op basis van zijn eigen verklaringen. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf direct bij zijn aanmelding bij de AVIM alsook in het aanmeldgehoor bij verweerder heeft toegelicht dat hij bewust een onjuiste, meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Italië en Frankrijk. Ten tweede heeft de AVIM eiser als evident minderjarig heeft geschouwd. Ten slotte heeft eiser ook een foto van een geboorteakte heeft ingebracht, waarop hij staat vermeld als minderjarig. Verweerder merkt weliswaar terecht op dat deze foto niet op echtheid onderzocht kan worden, maar dat betekent niet zonder meer dat hieraan geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht. Ook met indicatieve documenten kan een vreemdeling immers aannemelijk maken dat de in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum niet juist is.Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n6.4.. Verder komt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook waarde toe aan de verklaring van [de persoon 1] die eiser in beroep heeft overgelegd. In haar verklaring schrijft zij dat zij eiser sinds [datum] 2024 als jeugdbeschermer begeleidt en vanuit die rol regelmatig contact met hem heeft. Zij schrijft over eiser dat hij hulp nodig heeft bij zowel dagelijkse taken als bij emotionele gebeurtenissen en dat hij gedrag vertoont dat passend is voor een puber in zowel het contact met zijn begeleiders als zijn medebewoners. Zij kwalificeert zijn gedrag als passend bij de opgegeven minderjarige leeftijd van eiser en benadrukt dat voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling van belang is dat hij op een minderjarigenlocatie kan verblijven.’ De rechtbank begrijpt dat verweerder deze verklaring niet heeft kunnen betrekken bij het bestreden besluit, nu deze pas in beroep is overgelegd. Gelet op de ex nunc-toetsingdie in het asielrecht geldt voor zowel de feitelijke als de juridische gronden, acht de rechtbank deze verklaring echter wel relevant.\n\n6.5.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nHeeft verweerder eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw zorgvuldig uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert verder aan dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor door verweerder onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw heeft eiser namelijk geen enkele vorm van voorbereiding met of begeleiding door een wettelijk vertegenwoordiger gehad. Ook was er tijdens het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw zelf geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig. Eiser is ook niet zorgvuldig geïnformeerd over de wijze waarop zijn verklaringen meegewogen zouden worden bij de leeftijdsschouw. Volgens eiser is de leeftijdsschouw daarom in strijd met artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.Ook heeft verweerder zich bij het afnemen van de leeftijdsschouw niet laten leiden door de belangen van het kind als eerste overweging, zodat deze schouw ook in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn. Het op de leeftijdsschouw gebaseerde bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.\n\n7.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor wel zorgvuldig is geweest. Deze is namelijk conform werkinstructie 2023\u002F6 uitgevoerd. Het in deze werkinstructie neergelegde beleid verschilt niet wezenlijk van het beleid zoals neergelegd in de voorgaande werkinstructie 2018\u002F19. Dat beleid heeft de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2022 niet onredelijk geacht.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in de Nederlandse asielprocedure de rol van wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling vervuld wordt door een medewerker van Stichting Nidos, de voogdijorganisatie voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in Nederland (hierna: Nidos). De op zitting aanwezigen hebben zich uitgelaten over de wijze waarop verweerder Nidos op de hoogte stelt van de aanmelding en aanmeldgehoren van niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen. Zij hebben daarover het volgende verklaard.\n\n7.2.1.. Niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen worden door verweerder geregistreerd op de dag van hun aankomst (dag 1). Een dag later (dag 2) vragen zij asiel aan bij de AVIM en worden zij gehoord en geschouwd door de AVIM. Weer een dag later (dag 3) vindt een medische controle plaats bij de GZAen worden zij gehoord en geschouwd door verweerder.\n\n7.2.2.. De voogdij van Nidos over een minderjarige niet-begeleide vreemdeling vangt formeel pas aan nadat de kinderrechter in een verzoekschriftprocedure Nidos belast heeft met de (tijdelijke) voogdij. In de regel duurt dit een aantal weken. Nidos heeft met de Nederlandse overheid de werkafspraak dat de voogdij aanvangt op het moment dat Nidos contact heeft gehad met de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling èn zij het verzoekschrift tot de voogdij heeft ingediend. Daarvóór heeft Nidos geen voogdij, niet in formele en ook niet in praktische zin. Het uitgangspunt is dat Nidos vanaf het moment dat de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling geregistreerd wordt door verweerder (dag 1), vijf dagen de tijd heeft om de gestelde minderjarige vreemdeling te spreken, uit te zoeken of er wellicht meerderjarige familieleden in Nederland zijn die de voogdij op zich kunnen nemen, en een verzoekschrift tot voogdij in te dienen indien dit niet het geval is.\n\n7.2.3.. Verweerder legt elke dag (dag 2) een lijst over aan Nidos van alle aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen die de volgende dag (dag 3) plaats zullen gaan vinden. Nidos heeft verklaard dat het, door deze korte termijn die vaak minder dan één dag beslaat, voor haar medewerkers vrijwel onmogelijk is om de betreffende gestelde minderjarigen te spreken vóór het aanmeldgehoor door verweerder, laat staan hen op dit aanmeldgehoor voor te bereiden of het aanmeldgehoor zelf bij te wonen. Het feit dat de gestelde minderjarigen de eerste twee tot drie dagen in beslag worden genomen door hun afspraken bij de AVIM, de GZA en verweerder zelf, bemoeilijkt het tijdig inplannen van een gesprek met de minderjarigen en het verder uitzoeken van hun situatie.\n\n7.3.. De rechtbank overweegt dat tot 1 november 2020 voor minderjarige vreemdelingen gold dat zij na aankomst een kort eerste gehoor kregen. Daarna volgde een rustperiode van drie weken, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag volgde. In deze drie weken sprak Nidos met de niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdeling, regelde zij de voogdij en kon zij de (gestelde) minderjarige vreemdeling voorbereiden op zijn of haar procedure.Vanaf 1 november 2020 is een nieuwe werkwijze ingevoerd, waarbij de behandeling van minderjarige en meerderjarige vreemdelingen gelijk is getrokken. In deze nieuwe werkwijze is het eerste gehoor vervangen door het (uitgebreidere) aanmeldgehoor. Alle vreemdelingen – meerderjarigen èn minderjarigen – krijgen na aankomst in Nederland het aanmeldgehoor, gevolgd door een rustperiode van ten minste zes dagen, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielprocedure volgt.Het aanmeldgehoor dient ertoe om in het kader van de Dublinprocedure snel vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om te bepalen of er risico’s spelen voor de nationale veiligheid en openbare orde. Anders dan bij het voormalige eerste gehoor,worden in dit aanmeldgehoor de asielmotieven kort uitgevraagd.Ook wordt tijdens het aanmeldgehoor bij de (gestelde) minderjarige vreemdeling de leeftijdsschouw uitgevoerd. Verder worden vragen gesteld over de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in derde landen en de personalia en verblijfplaats van familieleden.Na het aanmeldgehoor vindt het nader gehoor plaats, waarin de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zo volledig mogelijk de tot staving van zijn of haar aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren.Deze nieuwe werkwijze is geformaliseerd bij besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n7.4.. Nidos heeft zich tijdens de consultatiefase van deze wijziging kritisch uitgelaten over deze nieuwe werkwijze.Ook Vluchtelingenwerk Nederland, de UNHCR, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Kinderombudsman hebben in de consultatiefase opgemerkt dat de procedure onvoldoende rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen.In de onderhavige procedure heeft Nidos haar kritiek uit de consultatiefase herhaald. Nidos heeft daaraan toegevoegd dat in het uitgebreidere aanmeldgehoor veel meer vragen worden gesteld dan voorheen in het korte eerste gehoor, en dat de antwoorden die gestelde minderjarige vreemdelingen hierop geven meer dan voorheen betrokken worden bij het vaststellen van de leeftijd van de vreemdeling in kwestie. Hierdoor is het volgens Nidos extra kwalijk dat de huidige werkwijze van verweerder het haast onmogelijk maakt om de gestelde minderjarige vreemdelingen te spreken vóór dit uitgebreide aanmeldgehoor, hen hierop voor te bereiden en bij het gehoor aanwezig te zijn. Op de zitting hebben Nidos en de gemachtigde van eiser gepleit voor het opnieuw invoeren van het korte eerste gehoor en de drie weken rustperiode voor gestelde minderjarige vreemdelingen, zodat Nidos weer – net als voorheen het geval was – tijd heeft de (gestelde) minderjarige te spreken, de voogdij te regelen en de (gestelde) minderjarige vreemdeling voor te bereiden op zijn of haar procedure.\n\nArtikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn\n\n7.5.. De Procedurerichtlijn stelt normen voor de procedure rondom de toekenning en intrekking van internationale bescherming. In artikel 25 van de Procedurerichtlijn zijn enkele waarborgen opgenomen die lidstaten in dit kader in acht moeten nemen voor niet-begeleide minderjarigen. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, staat dat lidstaten zo snel mogelijk maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat een niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, staan specifieke waarborgen geregeld voor het persoonlijk onderhoud van niet-begeleide minderjarigen. Volgens dit artikel moeten lidstaten er zorg voor dragen dat de aangewezen vertegenwoordiger uit lid 1, aanhef en onder a, in de gelegenheid wordt gesteld de niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger en\u002Fof een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, bij dat onderhoud aanwezig is en de gelegenheid heeft vragen te stellen en opmerkingen te maken.\n\n7.6.. Het persoonlijk onderhoud waarnaar verwezen wordt in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, is onder andere geregeld in de artikelen 14, 15, en 16 van de Procedurerichtlijn. Uit artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, volgt dat een persoonlijk onderhoud gaat over de inhoud van het verzoek om internationale bescherming. Uit artikel 15, derde lid, aanhef, van de Procedurerichtlijn, volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming, de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren.\n\n7.7.. De rechtbank overweegt dat het persoonlijk onderhoud, blijkens de hierboven genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn, het onderhoud is waarin een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielrelaas en -motieven te vertellen en toe te lichten. In de Nederlandse asielprocedure heeft het persoonlijk onderhoud een plek gekregen in de vorm van het nader gehoor. Zoals ook in overweging 7.3 uiteen is gezet, wordt de vreemdeling in dit nader gehoor immers pas inhoudelijk bevraagd over zijn asielmotieven. In het aanmeldgehoor komen de asielmotieven slechts zeer summier aan de orde. Aangezien artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud, is het niet van toepassing op het aanmeldgehoor en de tijdens dat aanmeldgehoor gehouden leeftijdsschouw. Eisers beroepsgrond, dat de wijze waarop zijn leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden in strijd is met dit artikel, slaagt daarom niet.\n\nArtikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn\n\n7.8.. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvesten artikel 3 van het IVRK. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK.\n\n7.9.. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd.\n\n7.10.. Uit artikel 22, eerste lid, van het IVRK volgt voorts dat Staten die partij zijn bij dat verdrag passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind, dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.\n\n7.11.. Artikel 22, eerste lid, van het IVRK, is verder uitgewerkt in General Comment 6.General Comment 6 dient als nadere uitleg bij het IVRK en gaat specifiek over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst. General Comment 6 heeft als doelstelling om “richtsnoeren te geven voor de bescherming, zorg en correcte behandeling van niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen op basis van het gehele wettelijke kader dat wordt geboden door het Verdrag inzake de rechten van het kind”en “bundelt en consolideert de normen die onder meer door middel van de monitoringsinspanningen zijn ontwikkeld en geeft aldus de Staten duidelijke aanwijzingen over de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag met betrekking tot deze specifieke kwetsbare groep kinderen.”In General Comment 6 staat het volgende over artikel 22, eerste lid, van het IVRK (onderstreping door de rechtbank):\n\n“Procedurele waarborgen en ondersteunende maatregelen (art. 3(3))\n\n68. Passende maatregelen die op grond van artikel 22(1) van het Verdrag vereist zijn, dienen rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van niet-begeleide en gescheiden kinderen en met het nationale rechtskader en de nationale voorwaarden. Dergelijke maatregelen moeten worden geleid door de onderstaande overwegingen.\n\n69. Een asielzoekend kind dient te worden vertegenwoordigd door een volwassene die bekend is met de achtergrond van het kind en die bevoegd en in staat is om zijn of haar belangen te behartigen (…). Het niet-begeleide of gescheiden kind dient tevens in alle gevallen kosteloos toegang te krijgen tot een bevoegde wettelijke vertegenwoordiger, ook wanneer het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus volgens de normale procedures voor volwassenen wordt behandeld.(…).\n\n72. De gesprekken dienen te worden gevoerd door vertegenwoordigers van de beslissingsinstantie voor de vluchtelingenstatus, die rekening houden met de bijzondere situatie van niet-begeleide kinderen om de beoordeling van de vluchtelingenstatus uit te voeren en inzicht te krijgen in de geschiedenis, de cultuur en de achtergrond van het kind. Het beoordelingsproces dient een onderzoek per geval te omvatten van de unieke combinatie van factoren behorend bij ieder kind, met inbegrip van de persoonlijke, gezins- en culturele achtergrond van het kind. De voogd en de wettelijke vertegenwoordiger dienen aanwezig te zijn bij alle gesprekken.”\n\n7.12.. Uit het voorgaande volgt dat de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling aanwezig moeten zijn bij alle gesprekken die hij of zij met de beslissingsautoriteit voert. Dat betekent dat een begeleider van Nidos aanwezig had moeten zijn bij eisers aanmeldgehoor en de tijdens dat gehoor gehouden leeftijdsschouw. Niet in geschil is dat bij eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw geen begeleider van Nidos aanwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw hebben plaatsgevonden in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK. De voorbereiding van het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig geweest. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser slaagt.\n\n7.13.. De rechtbank overweegt verder dat de wijze waarop eisers aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden niet op zichzelf staat, maar een gevolg is van de werkwijze van verweerder – zoals uiteengezet onder 7.2.1 tot en met 7.2.3 – ten aanzien van het plannen van de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen en het op de hoogte brengen hiervan van Nidos. Deze werkwijze maakt het nagenoeg onmogelijk voor Nidos om deze kwetsbare groep bij te staan en te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat de werkwijze van verweerder heeft geleid tot een besluit dat niet in stand kan blijven. De rechtbank geeft verweerder daarom mee om met Nidos om tafel te gaan over nieuwe werkafspraken, zodat het wel mogelijk is voor Nidos om aanwezig te zijn bij de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen.\n\n7.14.. De rechtbank volgt verweerder niet in haar stelling dat deze werkwijze is goedgekeurd door de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling zich namelijk alleen uitgelaten over de wijze waarop (de rechtsvoorganger van) verweerder in Dublinzaken inhoudelijk invulling geeft aan het onderzoek naar de leeftijd als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid van een vreemdeling en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet, althans niet expliciet, uitgelaten over de wijze waarop verweerder de aanmeldgehoren van gestelde minderjarigen inplant en Nidos hiervan op de hoogte brengt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.3, 6.4 en 7.8 tot en met 7.12, in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers leeftijdsregistratie te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nVerweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Bij uitspraak van 22 juli 2024 op de door eiser gevraagde voorlopige voorziening heeft de rechtbank reeds een punt toegekend voor het deelnemen aan de zitting.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 14 juni 2024;\n\ndraagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n zaaknummer NL24.24862.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Verordening EU\u002F604\u002F2013.\n\n European Asylum Dactyloscopy Database.\n\n Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n GezondheidsZorg Asielzoekers.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3; Nota van Toelichting, Staatsblad 2021, 250, paragraaf 5.5, pagina 30.\n\n Artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 2;\n\n Artikel 3.108d, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 30.\n\n Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3 tot en met 4; Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 29 en 30.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nVerdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.\n\n Toelichting bij het Handvest, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C305\u002F25. Ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, en artikel 52, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet de Toelichting bij het Handvest voor de uitlegging van het Handvest in acht worden genomen.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, eerste alinea.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, vierde alinea.\n\n Zaaknummer NL24.24862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","2025-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.995Z",20]