[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":163},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},13,{"min":18,"max":19},"2026-02-23T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123399","Burgerlijk Wetboek","art. 6:95 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121990","art. 3:251 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122140","art. 3:234",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122141","art. 3:251",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122142","art. 3:13",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122145","art. 6:86",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122146","art. 3:234 lid 1",{"provisionId":45,"code":46,"article":47,"count":25},"122701","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 224 lid 1",{"provisionId":49,"code":46,"article":50,"count":25},"122702","art. 224 lid 2",{"provisionId":52,"code":46,"article":53,"count":25},"122703","art. 353 lid 1",[55,66,75,82,91,98,106,114,122,130,138,147,156],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.014Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"503","ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","ecli-nl-rbams-2026-6701","2026-07-03T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer: 11957110 CV EXPL 25-15517\n\nvonnis van: 3 juli 2026\n\nfno.: 454\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nI n z a k e\n\n [eiser] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiser,\n\nnader te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Smink (DAS),\n\nt e g e n\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 1.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde sub 2.,\n\nnader te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagden gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 oktober 2025, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord van [gedaagden] met bijlagen;\n\nhet instructievonnis van 19 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor [gedaagden] is dhr. [naam] (bestuurder van de Stichting MOY) verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mr. Smink heeft een pleitnota voorgedragen en partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\n [gedaagde 2] is eigenaar van het pand aan de [adres] .\n\nIn het pand worden twee onzelfstandige woonruimtes en vier zelfstandige\n\nWoonruimtes verhuurd.2.2.. De [bedrijf] was beheerder van het onroerend goed van [gedaagde 2] was (middellijk) bestuurder van de Stichting, totdat hij het bestuur van de Stichting heeft overgedragen aan zijn zoon, die zich op 16 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) heeft ingeschreven als bestuurder van de Stichting.2.3.. Tussen de Stichting als verhuurder en [eiser] als huurder is op 21 augustus 2023 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot onzelfstandige woonruimte [adres] . De overeengekomen huurprijs is € 1.375,00 per maand, exclusief € 150,00 aan voorschot voor de door de Stichting te verzorgen levering voor gas, water en elektra en € 75,00 aan servicekosten. [eiser] heeft op 30 november 2023 de huurcommissie verzocht om uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.\n\n2.4.. De huurcommissie heeft op 19 februari 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat een huurprijs van € 448,52 per maand met ingang van 21 augustus 2023 redelijk is. Verder is de huurprijs tijdelijk verlaagd tot € 179,41 per maand wegens ernstige gebreken.2.5.. De Stichting is bij dagvaarding van 25 april 2024 een procedure (met kenmerk CV EXPL 24-5715) gestart tegen [eiser] en heeft daarin vernietiging van de uitspraak van de Huurcommissie gevorderd. In reconventie heeft [eiser] terugbetaling van de onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 ter hoogte van € 12.389,51 gevorderd, alsmede € 1.195,59 per maand vanaf juli 2024, vermeerderd met rente.2.6.. \n [eiser] heeft tot en met juli 2024 de overeengekomen huur van € 1.375,00 betaald Vanaf 1 augustus 2024 heeft hij maandelijks € 179,41 aan huur betaald aan de Stichting.2.7.. Op 1 oktober 2024 heeft [gedaagde 1] als bestuurder van de Stichting aan de KvK opgave gedaan van de ontbinding van de Stichting. De ontbinding is op 10 oktober 2024 geregistreerd in de KvK “omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 01-10-2024.”2.8.. Op 4 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de door de Stichting gestarte procedure met kenmerk CV EXPL 24-5715. Op 3 december 2024 heeft de kantonrechter te Amsterdam vonnis gewezen en is de vordering van de Stichting in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] in reconventie tot betaling van € 12.389,51 aan onverschuldigd betaalde huur over de periode 21 augustus 2023 tot en met juni 2024 toegewezen. Voorts is de Stichting veroordeeld tot betaling van de teveel betaalde huur van € 1.195,59 vanaf 1 juli 2024 en betaling van de proceskosten van in totaal € 879,50.2.9.. Bij e-mail van 27 maart 2025 heeft [gedaagde 1] als reactie op een verzonden sommatie van de gemachtigde van [eiser] bericht dat de Stichting is geliquideerd en dat de Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden de nieuwe verhuurder van [eiser] is.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] heeft in de dagvaarding veroordeling van [gedaagden] gevorderd tot betaling van € 13.310,03, vermeerderd met rente vanaf datum verzuim en betaling van de incassokosten van € 1.089,80. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] als formeel bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk, respectievelijk indirect formeel bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] de vordering verminderd tot het bedrag € 12.054,16 (€ 13.310,03 -\u002F- € 1.255,87, te weten 7 maanden huur ad € 179,41 over de periode november 2024 tot en met mei 2025).\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering kort gezegd ten grondslag dat hij de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde huur, die door de kantonrechter bij vonnis van 3 december 2025 tegen de Stichting is toegewezen, kan verhalen op [gedaagden] omdat [gedaagde 1] als bestuurder en [gedaagde 2] als feitelijk\u002Findirect bestuurder van de Stichting zijn verhaalsmogelijkheden op onrechtmatige wijze hebben gefrustreerd. Volgens [eiser] bestaat de onrechtmatige daad uit het ten onrechte plegen van een turboliquidatie. De Stichting is geliquideerd terwijl er nog baten aanwezig waren. Het heeft er volgens [eiser] alle schijn van dat [gedaagde 2] door middel van ingewikkelde constructies met rechtspersonen een rookgordijn probeert op te werpen om zo zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, aldus [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of – zoals [eiser] stelt, maar [gedaagden] hebben betwist – [gedaagden] misbruik maken van identiteitsverschil tussen hen in persoon en verschillende rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van identiteitsverschil is het door de Hoge Raad op 13 oktober 2000 gewezen Rainbow-arrest richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). De in dit arrest verwoorde maatstaf is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2285).\n\n4.2.. De Hoge Raad heeft in het Rainbow-arrest vooropgesteld dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet hoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal volgens de Hoge Raad in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens moet worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Van een dergelijk misbruik van identiteitsverschil kan ook sprake zijn indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of -personen te dienen, maar uitsluitend met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken (vgl. Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, Stichting Waaldijk\u002FAerts q.q.).\n\n4.3.. Vaststaat dat [gedaagde 2] , dan wel zijn persoonlijke holding, eigenaar is van het pand, dat [gedaagde 2] (middellijk) bestuurder was van de Stichting en dat de Stichting de woning aan [eiser] heeft verhuurd. [gedaagden] voert wel aan dat de Stichting het verhuurrecht heeft, maar dit strookt niet met zijn stelling dat de Stichting geen activa heeft en daarom is geliquideerd. [gedaagde 1] heeft daarbij verwezen naar de door hem overgelegde brief van 5 oktober 2023 van de Belastingdienst (productie 1 bij de conclusie van antwoord) waarin is vermeld: “Uit uw antwoorden blijkt dat de stichting of vereniging niet meer actief is. Er is dan ook geen sprake van belastingplicht”. In 2023 was [gedaagde 2] zelf bestuurder van de Stichting. Uit deze brief wordt dan ook afgeleid dat [gedaagde 2] in 2023 niet aan de belastingdienst heeft medegedeeld dat de Stichting verhuurder is van zijn pand. [gedaagden] voert nog aan dat [gedaagde 2] de Stichting in 2002 heeft opgericht om zijn zakelijke belangen op afstand te zetten, maar gesteld noch gebleken is dat hij het verhuurrecht van het pand ook daadwerkelijk aan de Stichting heeft overgedragen. Vanaf 1 maart 2013 was het doel van de Stichting volgens het register van de Kamer van Koophandel weliswaar het exploiteren van onroerend goed, maar ook daaruit blijkt niet dat de Stichting dit op eigen naam heeft gedaan. Nu de Stichting gedurende de huurovereenkomst met [eiser] (en ook overigens met de andere huurders van het pand) is geliquideerd bij gebrek aan baten, kan dan ook niet anders worden geconcludeerd dan dat de Stichting enkel op last van [gedaagde 2] als verhuurder is opgetreden.\n\n4.4.. Door hierover niet duidelijk te communiceren en sterker, door de Stichting zich te laten voordoen als verhuurder op eigen naam en titel, heeft [gedaagde 2] misbruik gemaakt van het entiteitsverschil. [gedaagde 2] had in ieder geval bij de procedure bij de Huurcommissie duidelijk moeten maken dat niet de Stichting, maar hij de daadwerkelijke verhuurder was. Nu hij dit niet heeft gedaan, zich met terugwerkende kracht heeft laten uitschrijven als bestuurder, zijn zoon heeft laten inschrijven en vervolgens de Stichting heeft (laten) ontbinden, terwijl hij zelf al die tijd het verhuurrecht heeft gehouden en vervolgens een andere stichting (Stichting REFAM Vastgoedbeheer & Huurgelden) naar voren heeft geschoven als verhuurder, heeft [gedaagde 2] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld omdat zijn handelen kennelijk het doel had om verhaal van [eiser] op de Stichting onmogelijk te maken.\n\n4.5.. \n [gedaagde 1] was formeel bestuurder met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 en hij heeft de liquidatie daadwerkelijk uitgevoerd. Hoewel de liquidatie niet in strijd met de wet hoeft te zijn als de Stichting daadwerkelijk geen baten had (waar het op lijkt), maar dan had de Stichting zich niet ook jegens [eiser] moeten voordoen als daadwerkelijk verhuurder, wat zij wel tegelijkertijd deed in de procedure over de huurprijs. Het vonnis van 3 december 2024 is uitgesproken na de liquidatie zodat het doel van de turboliquidatie niet anders kan worden opgevat om er voor te zorgen dat [eiser] misleid werd en geen verhaal meer kon halen op de Stichting. De beslissing van de Huurcommissie was vanaf 19 februari 2024 bekend en vanaf dat moment wist [gedaagde 1] dan ook dat [eiser] een vordering tegen de Stichting had uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van de Stichting en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Stichting Refam Vastgoedbeheer & Huurgelden, zonder daarbij de daadwerkelijke verhuurder, te weten [gedaagde 2] , kenbaar te maken, had ook geen ander oogmerk dan [eiser] te benadelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er van uit wordt gegaan dat [gedaagde 1] gelet op de familieband, op de hoogte was van de werkelijke constructie. Een dergelijke op benadeling van een schuldeiser gerichte handelwijze van [gedaagde 1] is, net als die van zijn vader, onrechtmatig.\n\n4.6.. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat gelet op de aard en ernst van de normschending en alle omstandigheden van het geval dat ter zake van de benadeling van [eiser] aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn dan ook beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor leidt. De gevorderde verklaringen voor recht worden daarom toegewezen. Voor wat betreft de servicekosten geldt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als feitelijk en formeel bestuurders ook voor terugbetaling van deze kosten aansprakelijk kunnen worden gehouden omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt omdat zij een rookgordijn hebben gecreëerd. De hoofdsom (inclusief servicekosten) is dan ook toewijsbaar. De gevorderde rente is gegrond op de wet en zal vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.\n\n4.8.. \n\n [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten zijn als volgt opgebouwd:\n\ndagvaardingskosten € 147,47 griffierecht € 732,00\n\nsalaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x € 432,00)\n\nnakosten € 144,00 te vermeerderen met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing\n\n ------------------ +\n\n € 1.887,47 in totaal\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagden] persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schade van [eiser] ;\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser] € 12.054,16 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025 tot aan dag van voldoening alsmede € 1.098,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.887,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als de gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6701","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.787Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":79,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":81},"412","ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","ecli-nl-rbams-2026-6793","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F785698 \u002F KG RK 26-520 MK\u002FJT\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nGLENCORE INTERNATIONAL AG,\n\nte Baar (Zwitserland),\n\nverzoekster,\n\nhierna te noemen: Glencore,\n\nadvocaten: mr. F.J.L. Kaptein en mr. W.J.E. Nijnens,\n\ntegen\n\nGLOBAL CAPITAL MERCHANTS LIMITED,\n\nte Tortola (Britse Maagdeneilanden), verweerster, hierna te noemen: GCM,\n\nadvocaten: mr. J.R. Gal en mr. S. el Baroudi,\n\nen\n\n1. ACCESS WORLD GROUP HOLDINGS B.V.,\n\nte Rotterdam, hierna te noemen: AWG,\n\nadvocaat: mr. T.M. Munnik, 2. TIRONIMUS AG,\n\nte Baar (Zwitserland), hierna te noemen: Tironimus, 3. [verweerder 3],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 3] , 4. [verweerder 4],\n\nte [plaats] , hierna te noemen: [verweerder 4] , 5. SILTECH PMR PTY LIMITED,\n\nte Sydney (Australië), hierna te noemen: Siltech, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, 6. PERFECT HEXAGON LIMITED (IN LIQUIDATIE),\n\nte Hong Kong (China), hierna te noemen: PHL, advocaten: mr. M. Deckers en mr. S. Martina Palacio, belanghebbenden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Glencore heeft op 31 maart 2026 een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met producties ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Vervolgens is een mondelinge behandeling bepaald op 21 mei 2026.\n\n1.2.. Op 13 mei 2026 hebben Siltech en PHL een verweerschrift met producties ingediend. Op 15 mei 2026 heeft GCM een verweerschrift met producties ingediend. Op 18 mei 2026 heeft AWG een productie ingediend en meegedeeld het verzoek van Glencore te ondersteunen. Op 20 mei 2026 heeft Glencore een aanvullende productie ingediend.1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 mei 2026 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Glencore, GCM en Siltech en PHL mede aan de hand van een pleitnota. Na verder debat is deze procedure pro forma aangehouden tot en met 4 juni 2026 voor overleg tussen partijen over een mogelijke regeling.1.4.. Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig: - aan de zijde van Glencore: [naam 1] (legal counsel; via een videoverbinding), [naam 2] (finance manager; via een videoverbinding), [naam 3] (legal counsel), [naam 4] (juridisch adviseur), [naam 5] (juridisch adviseur), H.T. Haanappel (waarderingsdeskundige bij Vantage Valuation), met mr. Kaptein en mr. Nijnens, alsmede J.M. Steur en M.C. Tol (tolken Engels); - aan de zijde van GCM: [naam 7] (bestuurder) en M. van Heugten (waarderingsdeskundige bij Eight Advisory), met mr. Gal; - aan de zijde van AWG: [naam 8] (CFO; via een videoverbinding) en [naam 9] (CLO), met mr. Munnik, alsmede I. Huigens (tolk Engels); - aan de zijde van Siltech en PHL: [naam 10] (bestuurder van Siltech) en [naam 11] (vereffenaar\u002Fliquidator van PHL; via een videoverbinding), met mr. Deckers.\n\n1.5.. Tironimus en [verweerder 3] (belanghebbenden sub 2 en 3) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen. [verweerder 4] (belanghebbende sub 4) was bij de mondelinge behandeling aanwezig in hoedanigheid van bestuurder van GCM, maar heeft zich niet gesteld in hoedanigheid van garantsteller.\n\n1.6.. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de advocaat van Glencore meegedeeld dat partijen geen schikking hebben bereikt en verzocht om een datum voor het geven van de beschikking te bepalen.\n\n1.7.. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de advocaat van GCM [**] verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden [**].\n\n1.8.. Bij e-mails van 5 en 8 juni 2026 hebben de advocaten van respectievelijk AWG en Glencore bezwaar gemaakt tegen de door GCM verzochte aanhouding.\n\n1.9.. Op 9 juni 2026 is aan partijen bericht de beschikking op 2 juli 2026 zal worden gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Glencore is een van de grootste bedrijven ter wereld die handelt in natuurlijke hulpbronnen en is een producent en verkoper van grondstoffen. Tironimus is een dochtervennootschap van Glencore en betreft een houdstermaatschappij.\n\n2.2.. GCM houdt zich voornamelijk bezig met de overname van logistieke bedrijven en opslagbedrijven voor de grondstoffenindustrie.\n\n2.3.. AWG is de Nederlandse houdstermaatschappij van de Acces World-groep, die wereldwijd logistieke diensten aanbiedt en een uitgebreid netwerk van haven- en opslagfaciliteiten exploiteert.\n\n2.4.. \n\nOp 11 juli 2022 hebben onder meer Finges Investment B.V. (hierna: Finges; een dochteronderneming van Glencore) en GCM een koopovereenkomst (de oorspronkelijke share purchase agreement) ondertekend voor de verkoop door Finges aan GCM van alle aandelen in het kapitaal van AWG (hierna: de aandelen) tegen een koopprijs van USD 176.700.000. Op 29 december 2022 is die transactie afgerond en heeft Finges de\n\naandelen aan GCM geleverd.\n\n2.5.. Glencore heeft in dat kader aan GCM op 11 juli 2022 een verkoperslening (hierna: de vendor loan) verstrekt voor de koop van alle aandelen in AWG door middel van een vendor loan facility agreement(hierna: de VFA). Glencore heeft daarbij USD 100 miljoen aan GCM ter beschikking gesteld om een deel van de koopprijs te voldoen. [verweerder 3] en [verweerder 4] (belanghebbenden sub 3 en 4) hebben een garantie verstrekt voor de nakoming van alle verplichtingen van GCM onder de VFA. De oorspronkelijke uiterste aflossingsdatum was 29 december 2023.\n\n2.6.. Op 23 december 2022 is de VFA bij amendement gewijzigd waarbij het uitstaande hoofdbedrag onder de VFA werd verhoogd tot USD 140 miljoen en GCM werd verplicht om op 16 januari 2023 (hierna: aflossingsdatum) een aflossing te doen ter hoogte van het bedrag (indien van toepassing) waarmee de vendor loan op dat moment USD 100 miljoen zou overschrijden, verminderd met eventuele vrijwillige vooruitbetalingen (hierna: het aflossingsbedrag).\n\n2.7.. Overeenkomstig artikel 2.5 van de VFA worden de betalingsverplichtingen van GCM onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op alle aandelen die GCM houdt in AWG (hierna: het pandrecht). Het pandrecht is op 29 december 2022 bij notariële akte gevestigd (hierna: de pandakte) en strekt op grond van artikel 1.1 en artikel 2.1.3 van de pandakte tot zekerheid voor de voldoening van alle huidige en toekomstige betalingsverplichtingen van GCM jegens Glencore uit hoofde van de VFA en de overige financieringsdocumenten (gedefinieerd als de Secured Obligations).\n\n2.8.. \n\nGCM liet na op de aflossingsdatum het aflossingsbedrag aan Glencore te betalen. Op grond van artikel 15.2 (Non-payment) van de VFA was GCM als gevolg daarvan in verzuim. Dit verzuim duurt nog steeds voort. Vanwege dit verzuim en in overeenstemming met artikel 15.21 (Acceleration) van de VFA, heeft Glencore op 2 februari 2023 met een notice of accelerationde vendor loan, de opgelopen rente en alle overige bedragen onder de\n\nfinancieringsdocumentatie opeisbaar gemaakt en onmiddellijke betaling van het totale uitstaande bedrag van USD 140.956.712,33 gevorderd. GCM heeft dit bedrag niet betaald. Dat geldt ook voor de rente over de vendor loan voor twee renteperiodes tot aan 4 augustus 2023. GCM is in verzuim ten aanzien van het doen van deze rentebetalingen. Ook dit verzuim duurt tot op heden.2.9.. Vervolgens heeft Glencore GCM meer tijd gegund om te betalen en hebben partijen nadere afspraken gemaakt, hetgeen niet tot betaling door GCM heeft geleid.\n\n2.10.. Op 28 november 2025 hebben de curatoren van PHL ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 38.189.786,80 op GCM ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. De curatoren van PHL hebben GCM vervolgens gedagvaard in een procedure voor de High Court of the Hong Kong Special Administrative Region.\n\n2.11.. Op 11 december 2025 heeft Siltech ter zekerheid van het verhaal van een vordering van € 4.693.174,40 op GCM eveneens ten laste van GCM conservatoir beslag gelegd op de aandelen in AWG. Siltech had voor die vordering reeds op 19 november 2024 een procedure tegen GCM aanhangig gemaakt bij de Supreme Court van Sydney te Australië.\n\n2.12.. Op verzoek van Glencore heeft Vantage Valuation B.V. (hierna: Vantage) een beoordeling van de going concern-waarde van AWG uitgevoerd. In het door Vantage op 11 maart 2026 opgeleverde waarderingsrapport – waarin zij gebruik maakt van eendiscounted cash flow-waarderingsmethode – concludeert zij dat de huidige reële marktwaarde(fair market value)van de aandelen in AWG (per waarderingsdatum 31 december 2025) USD [**] bedraagt.\n\n2.13.. Op 31 maart 2026 heeft Glencore een enforcement noticeaan GCM gestuurd. Per die datum bedroeg het volledige uitstaande en opgeëiste bedrag onder de VFA een totaal van USD 108.888.875 (inclusief USD 20.342.874 aan rente).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoekschrift strekt ertoe om, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking:\n\nI. aan Glencore, als pandhouder, op grond van artikel 3:251 lid 1 BW verlof te verlenen om de aandelen in het kapitaal van AWG over te dragen aan Tironimus onder de voorwaarden zoals beschreven in de Sale and Purchase Agreement van 31 maart 2026 (SPA) (waarin onder meer is beschreven dat de koopsom USD [**] bedraagt, dat de koopsom wordt voldaan op grond van verrekening en dat een opschortende voorwaarde is dat de relevantie merger control authoritiesalle documenten en goedkeuringen hebben afgegeven die partijen noodzakelijk achten voor voltooiing van de verkoop) en Glencore te machtigen om alle daarvoor benodigde of nuttige handelingen te verrichten;\n\nII. indien de voorzieningen dat nodig acht: te bepalen dat de onderhandse verkoop binnen vier maanden dient plaats te vinden;\n\nIII. GCM te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Glencore stelt daartoe – samengevat – het volgende.\n\n3.2.1.. GCM is in verzuim met de nakoming van haar betalingsverplichtingen onder de VFA. Glencore heeft GCM verschillende keren uitstel van betaling verleend en zich uiterst coulant opgesteld, maar GCM voldoet consequent niet aan de gemaakte betalingsafspraken. De vordering van Glencore op GCM wordt onder meer gedekt door een eersterangs pandrecht op 100% van de aandelen die GCM houdt in AWG. Glencore wenst dit pandrecht te executeren. Aangezien een openbare verkoop blijkens een eerder verkoopproces tot onvoldoende opbrengst leidt, wenst Glencore de aandelen via een onderhandse verkoop te verkopen aan haar dochteronderneming Tironimus. Deze onderhandse verkoop leidt tot de hoogste executieopbrengst. De koopsom van UDS [**] weerspiegelt de reële marktwaarde en is aanzienlijk hoger dan de prijs die op korte termijn op een executieverkoop zou kunnen worden verkregen. Er is geen beter alternatief en er zijn geen geïnteresseerde bieders in de markt die bereid zijn het bod van Tironimus te evenaren of te overtreffen. De voorgenomen verkoop is in het belang van alle betrokken partijen. De schuld van GCM aan Glencore verminderd hierdoor maximaal (met USD [**]).\n\n3.2.2.. In oktober 2024 heeft MJM Advisory LTD (hierna: MJM) op verzoek van Glencore 29 afzonderlijk potentieel geïnteresseerde partijen benaderd op basis van hun veronderstelde financiële capaciteit om AWG over te nemen en hun expertise in de sector. Van deze 29 partijen hebben 16 partijen een geheimhoudingsovereenkomst ondertekend, waarna zij biedingsinstructies en een vertrouwelijk informatiememorandum van het managementteam van AWG ontvingen (met daarin gecontroleerde financiële jaarrekeningen over 2022 en 2023 alsmede een vooruitzicht tot 2029). Nadat geïnteresseerde een vrijblijvend bod zouden hebben uitgebracht, zouden zij toegang krijgen tot nadere informatie. Vervolgens hebben van die 16 partijen er drie een vrijblijvende bieding gedaan. Bieder 1 deed een bod van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. Bieder 1 is verzocht dat bod te verhogen, maar dat werd geweigerd, waarna zelf een verlaging van het bod volgde. Bieder 2 deed een bod van USD [**] in contanten, maar heeft dat bod vervolgens niet doorgezet. Bieder 3 deed een bod van USD [**] in contanten en werd geselecteerd om door te gaan naar de volgende fase en werd van aanvullende informatie voorzien. Na verschillende locatiebezoeken voor bieder 3 en een vier uur durende presentatie bracht bieder 3 een herzien bod uit van USD [**] op kas- en schuldenvrije basis. In oktober 2025 heeft bieder 3 zich teruggetrokken. Ondertussen is wederom met bieder 1 gesproken en heeft bieder 1 een herzien bod gedaan met een contante verhouding van USD [**] en een earn out van USD [**] plus een minderheidsbelang in bieder 1. Omdat de totale waarde van dat bod zich niet met zekerheid liet vaststellen is besloten niet met bieder 1 verder te gaan. Het eerdere zorgvuldig doorlopen verkoopproces heeft aldus niet tot realistische biedingen geleid. Er is bij partijen in de markt weinig interesse voor de aandelen in AWG. Een openbare verkoop van de aandelen zou tot een koopprijs leiden die niet in verhouding staat tot de waarde van de aandelen.\n\n3.2.3.. \n\nVantage heeft de operating enterprise valueop basis van dediscounted cash flow-methode vastgesteld op USD [**] per devaluation dateop 31 december 2025. Op dat bedrag is vervolgens eencross checkuitgevoerd op basis van de drie biedingen die zijn\n\nontvangen tijdens het eerdere verkoopproces. Daaruit volgt dat de door Vantage vastgestelde operating enterprise value van USD [**] zelfs boven de range is van\n\nUSD [**] die kan worden afgeleid uit de drie biedingen die eerder zijn gedaan. Daarbij geldt dat die biedingen tot stand zijn gekomen op basis van een vooruitzicht van het management van AWG op de financiële jaren lopend van 2024 tot 2029. De vooruitzichten voor 2024 en 2025 zijn te optimistisch gebleken, nu de EBITDA aanzienlijk lager is uitgevallen dan voorspeld. Als de bieders dit hadden geweten, is het aannemelijk dat hun biedingen lager zouden zijn geweest. Ook is de vastgestelde operating enterprise value gecontroleerd op basis van tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Daaruit blijkt dat de vastgestelde operating enterprise value van AWG van USD [**] binnen de range is van USD [**] die volgt uit de multiples van de tien vergelijkbare (beursgenoteerde) ondernemingen. Vervolgens is de operating enterprise valueomgerekend naar de marktwaarde van de aandelen (fair market value) door (i) de waarde van deelnemingen in en leningen aan joint ventures op te tellen, (ii) schulden aan banken en langlopendeemployee benefitsaf te trekken, (iii)non-controlling interestaf te trekken, en (iv) de aandeelhouderslening van GCM af te trekken. Vantage komt uit op een waarde van de aandelen van USD [**]. Gelet op onder meer het eerdere verkoopproces en de\n\ntijd die het kostte om AWG in 2022 aan GCM te verkopen, verwacht Vantage dat de prijs voor de aandelen die bij een executieverkoop op korte termijn zou kunnen worden gerealiseerd, ongeveer 25-35% onder de waarde van USD [**] zou liggen, aldus steeds Glencore.\n\n3.3.. AWG heeft het volgende aangevoerd. Zij ondersteunt het verzoek van Glencore. Haar senior managementteam is van mening dat Glencore in haar hoedanigheid van (indirect) aandeelhouder (mocht de verkoop aan Tironimus worden goedgekeurd) voor de nodige stabiliteit en rust zal kunnen zorgen en meent dat snelheid geboden is. Zij wenst zich verder niet te mengen in de discussie over de waardering van de aandelen, aldus AWG.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. GCM voert – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.1.1.. Glencore heeft het eerdere verkoopproces in 2025 volledig naar zich toe getrokken en GCM daar geheel buiten gehouden. Het verloop daarvan en dat er drie vrijblijvende biedingen zouden zijn gedaan heeft GCM voor het eerst vernomen vanuit het verzoekschrift in deze procedure. GCM heeft, ondanks herhaaldelijke verzoeken, verder geen inzage gekregen in de identiteit van de benaderde partijen, de inhoud van hun biedingen, de daaraan verbonden voor waarden, de redenen waarom partijen zijn afgevallen of de wijze waarop Glencore en MJM het proces hebben ingericht. Aldus was het GCM volstrekt onduidelijk of het verkoopproces gestructureerd was verlopen, of er reële biedingen waren ontvangen en of het verkoopproces daadwerkelijk gericht was op het realiseren van de hoogst mogelijke opbrengst.\n\n4.1.2.. Ook nu is voor GCM nog altijd veel onduidelijk over dat proces. Zo vermeldt Glencore in haar verzoekschrift niet: (a) welke partijen zij in het verkoopproces heeft benaderd, (b) met welke concrete propositie zij die partijen heeft benaderd, (c) welke inschrijfvoorwaarden zij daarbij heeft gehanteerd, of (d) welke verkoopinformatie zij ten aanzien van AWG heeft verstrekt. Daardoor is voor GCM niet te reconstrueren waarom slechts 16 van de benaderde partijen een geheimhoudingsovereenkomst hebben getekend, en waarom slechts drie daarvan een bieding hebben gedaan. Evenmin is duidelijk wat die biedingen uiteindelijk inhielden. Onduidelijk is hoe groot het gat is tussen de uiteindelijk door Glencore ontvangen biedingen en de prijs waarvoor zij de aandelen thans aan Tironimus wenst te verkopen. Glencore biedt geen bewijs dat de biedingen commercieel gevoelige informatie bevatten en evenmin dat de biedingen zijn onderworpen aan geheimhoudingsverplichtingen op basis waarvan de biedingen niet in deze procedure kunnen worden ingebracht. Bovendien kan MJM niet als onafhankelijk adviseur worden beschouwd nu haar werknemer die zich met het verkoopproces heeft beziggehouden eerder in dienst was bij ING Corporate Finance die Glencore had geadviseerd bij de oorspronkelijke verkoop van AWG aan GCM.\n\n4.1.3.. Het door Glencore overgelegde (uittrekstel van het) waarderingsrapport van Vantage kan niet serieus genomen worden. Onduidelijk is hoe Vantage precies tot de door haar bepaalde waarde is gekomen. Niet in geschil is dat de aandelen in AWG op 11 juli 2022 een waarde van USD 176,7 miljoen vertegenwoordigden. AWG is nog altijd een goed lopende onderneming met waardevaste activa. Een taxateur in Mauritius taxeerde de waarde van de aandelen in 2024 op een bedrag van USD [**]. Ook indien daaraan voorbij wordt gegaan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de aandelen nu nog maar [**] van de waarde hebben die zij in 2022 hadden toen GCM AWG kocht van Glencore.\n\n4.1.4.. Glencore heeft niet onderbouwd dat de beoogde onderhandse verkoop een meer geschiktere wijze van executie is dan een openbare verkoop en evenmin dat met de beoogde onderhandse verkoop een maximale opbrengst zal worden behaald. Het verzoek moet daarom worden afgewezen. Subsidiair verzoekt GCM om aanhouding van de procedure en volledige inzage in het eerdere verkoopproces en in het waarderingsrapport van Vantage en de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken. Meer subsidiair verzoekt GCM om het verlof niet eerder dan na zes maanden in werking te laten treden en te bepalen dat het verlof zal vervallen indien GCM de aandelen in AWG weet te verkopen voor een koopprijs hoger van USD [**], aldus steeds GCM.\n\n4.2.. Siltech en PHL voeren – samengevat – het volgende verweer.\n\n4.2.1.. Hoe hoger de opbrengst van de verkoop van de aandelen, hoe groter de kans dat na voldoening van Glencore een surplus resteert waarop Siltech en PHL zich kunnen verhalen. Bij de door Glencore thans voorgestelde verkoopprijs van USD [**] staat vast dat er voor Siltech en PHL niets overblijft waarop zij zich kunnen verhalen. Siltech en PHL hebben er belang bij dat bij de verkoop een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gerealiseerd. Het verzoek van Glencore voldoet niet aan de vereisten om te kunnen worden toegewezen.\n\n4.2.2.. Uit het eerdere verkoopproces blijkt niet dat openbare verkoop van de aandelen niet tot realistische biedingen leidt. Dat Glencore ervoor heeft gekozen om de kring van gegadigden in de praktijk te beperken strookt niet met het uitgangspunt van maximale opbrengstrealisatie dat bij een openbare verkoop dient te gelden. Uit het door MJM opgezette verkoopproces blijkt dat er wel degelijk serieuze marktinteresse bestond en bestaat voor de aandelen. Waarom bieder 3 zich heeft teruggetrokken blijft onduidelijk evenmin is duidelijk waarom bieder 1 heeft geboden zoals zij heeft gedaan. Daarnaast blijkt uit de door Siltech en PHL ingediende producties dat er wel degelijk andere geïnteresseerde partijen waren, waaronder Capevest Equity Partners (hierna: Capevest) dat ondanks getoonde interesse niet bij het verkoopproces werd betrokken. Glencore heeft het verkoopproces zelf gestuurd. Zij heeft bijvoorbeeld niet verklaard waarom het eerste bod van bieder 1 onvoldoende was om (zonder verhoging van dat bod) door te mogen naar de volgende fase. Kennelijk zocht Glencore niet serieus naar een potentiële koper.4.2.3.. De voorgenomen verkoop aan Tironimus leidt niet tot de hoogste executieopbrengst. De waardering van de aandelen in AWG door Vantage is ondeugdelijk voor het bepalen van de prijs van de aandelen. De waardering door Vantage sluit niet aan bij de realiteit, hetgeen blijkt uit de door Siltech en PHL ingebrachte stukken. Zeven vergelijkbare transacties in de periode 2022-2025 hanteren multiplesdie variëren van [**] x tot [**] x EBIDTA. De meest vergelijkbare transactie is Glencore’s eigen verkoop van AWG in 2022 voor een koopprijs van USD 180 miljoen. Dit komt neer op een multiple van [**] x EBIDTA op het resultaat over boekjaar 2021. De door Glencore voorgestelde prijs van USD [**] komt neer op een multiple van ongeveer [**] x EBIDTA en ligt daarmee ruim onder elk gepubliceerd sectorgemiddelde en ver onder haar eigen verkoopprijs voor dezelfde aandelen in 2022. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat USD [**] de maximaal mogelijke executieopbrengst zou zijn.\n\n4.2.4.. Anders dan Glencore meent is een executie op korte termijn niet noodzakelijk. AWG staat niet op omvallen en een faillissement is niet onvermijdelijk als de voorgestelde onderhandse verkoop niet doorgaat. Het argument van een verdisconteerde executiekorting van 25-35% gaat dus niet op. Bij de voorgestelde onderhandse verkoop blijft er voor Siltech en PHL niets over, maar anders dan Glencore meent staat niet vast dat een openbare verkoop voor Siltech en PHL niets zou kunnen opleveren. Voor zover het verzoek toch wordt toegewezen verzoeken Siltech en PHL dat aan het verlof de voorwaarde wordt verbonden dat het Tironimus wordt verboden om gedurende drie jaren de aandelen in AWG aan een derde te verkopen voor een hoger bedrag dan het bedrag waarvoor deze aan haar zijn verkocht, aldus steeds Siltech en PHL.5. De beoordeling\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.1.. Allereerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en welk nationaal recht van toepassing is. Alleen AWG is in Nederland gevestigd en het geschil heeft een internationaal karakter.\n\n5.2.. GCM, Glencore en AWG zijn in de pandakte een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 lid 1 van de Brussel I-bis-Verordening overeengekomen. Artikel 10.2 van de pandakte bepaalt dat deze rechtbank exclusief bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de pandakte. De voorzieningenrechter van deze rechtbank is daarom internationaal en relatief bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Bovendien vindt de executie van de aandelen plaats in het arrondissement Amsterdam.\n\n5.3.. Het pandrecht op de aandelen in AWG en de executie daarvan worden beheerst door Nederlands recht. Het betreft aandelen in een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap die in Nederland is gevestigd. Daarnaast geldt dat Nederlands recht ook als toepasselijk recht is aangewezen in artikel 10.1 van de pandakte.\n\njuridisch kader5.4.. Uitgangspunt is dat een recht van pand wordt uitgeoefend door middel van een openbare verkoop. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 3:251 lid 1 BW echter op verzoek van de pandhouder of de pandgever bepalen dat het pand op een andere wijze zal worden verkocht. De voorzieningenrechter dient daarbij onder meer te onderzoeken of bij die andere dan openbare verkoop een hogere opbrengst valt te verwachten dan bij een openbare verkoop, een en ander in het belang van de schuldenaar, en mede rekening houdend met de belangen van andere schuldeisers.\n\n5.5.. Verder geldt als uitgangspunt dat de pandhouder bepaalt of, en zo ja wanneer, hij gaat executeren nadat hij de bevoegdheid heeft gekregen zijn recht van parate executie uit te oefenen. Daarbij wordt opgemerkt dat een procedure als de onderhavige er niet voor is bedoeld om de hoogte van een vordering van de pandhouder en de rang van een pandrecht vast te stellen. Deze procedure is dus beperkt tot de wijze van executie.\n\ninhoudelijke beoordeling\n\n5.6.. Het pandrecht van Glencore op de AWG-aandelen en haar recht om een verzoek als het onderhavige in te dienen is tussen partijen niet in geschil. GCM betwist verder niet de omvang van de vordering van Glencore op GCM en ook niet dat zij in verzuim is met de nakoming van haar (betalings)verplichtingen. Uitgangspunt is dus dat de executiebevoegdheid van Glencore ten aanzien van de AWG-aandelen bestaat en dat deze via een verzoek als hier aan de orde kan worden uitgeoefend.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat het verzoek van Glencore niet kan worden toegewezen en licht dit oordeel hierna toe.\n\n5.8.. Door GCM en Siltech en PHL is niet aangevoerd en evenmin is gebleken dat er een concrete koper is die de aandelen in AWG wenst over te nemen voor een bedrag dat hoger is dan USD [**]. Die omstandigheid vormt op zichzelf een argument voor toewijzing van het verzoek van Glencore. Daartegenover staan echter de volgende zwaarder wegende omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.\n\n5.8.1.. De beoogd koper van de verpande aandelen in AWG, Tironimus, is een dochtervennootschap van Glencore. AWG was eerder onderdeel van Glencore en is in 2022 verkocht aan GCM omdat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, destijds de combinatie van handel in en opslag van metalen gevoelig lag. Desgevraagd heeft Glencore ter zitting bevestigd dat deze gevoeligheid niet langer bestaat. Deze voorgeschiedenis en het feit dat de koper dochteronderneming van de schuldeiser is wiens pandrecht wordt geëxecuteerd maakt de kans op belangenverstrengeling reëel. Zo ligt het voor de hand dat er voor Glencore bij de voorgestelde onderhandse verkoop meer belangen spelen dan enkel opbrengstmaximalisatie.\n\n5.8.2.. Met GCM en Siltech en PHL is de voorzieningenrechter van oordeel dat het eerdere verkoopproces dat Glencore vanaf oktober 2024 door MJM heeft laten uitvoeren niet voldoende is voor de conclusie dat er geen belangstelling in de markt is voor de aandelen in AWG om een hogere waarde dan USD [**] te betalen. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn indien Glencore volledig openheid van zaken zou hebben geboden over dat eerdere verkoopproces, maar dat heeft zij niet gedaan. De hoogte van de door Glencore genoemde vrijblijvende biedingen laten zien dat er wel degelijk serieuze belangstelling was. Tot slot speelt de omstandigheid dat de kring van gegadigden kennelijk door MJM beperkt is gehouden en dat er kennelijk ook een geïnteresseerde partij als Capevest niet bij het verkoopproces is betrokken. Dit alles maakt dat het eerdere verkoopproces niet richtinggevend is voor de vraag of er bij openbare verkoop een hogere opbrengst te verwachten valt.\n\n5.8.3.. Gelet op hetgeen GCM en Siltech en PHL (zie 4.1.3 en 4.2.3) hebben aangevoerd (waaronder taxatie van de waarde van de aandelen in 2024 voor USD [**] en de mate waarin de voorgestelde prijs van USD [**] zich verhoudt tot vergelijkbare transacties) is het heel wel mogelijk dat het waarderingsrapport van Vantage uitgaat van een te lage marktwaarde van de aandelen in AWG.\n\n5.8.4.. Niet aannemelijk is tot slot dat Glencore nadeel ondervindt indien de aandelen worden aangeboden op een openbare veiling, waarbij de aandelen eventueel tegen een minimumprijs van USD [**] kunnen worden aangeboden en waarbij ook Tironimus kan meebieden. De door Glencore tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting waarom een openbare veiling nadelig zou zijn overtuigt niet. Een openbare veiling van aandelen kan, zoals Glencore terecht stelt, tijdrovend en kostbaar zijn, maar dat de executie op een korte termijn moet plaats te vinden is door Glencore niet aannemelijk gemaakt en daarnaast geldt dat de kosten van een openbare veiling in dit geval vermoedelijk beperkt zijn in verhouding tot de waarde van de aandelen. Ten slotte heeft Glencore nog gesteld dat aandelen zich in het algemeen niet gemakkelijk laten veilen en in het algemeen tot een lagere opbrengst zullen leiden dan bij een onderhandse verkoop, maar dat is als algemene stelling onvoldoende. Mogelijk dat juist met een openbare veiling geïnteresseerde bieders zichtbaar worden die daarvoor niet bekend waren. Mocht uiteindelijk geen hogere waarde dan van USD [**] gerealiseerd worden dan heeft een openbare veiling voor transparantie gezorgd en binnen dat kader ook voor opbrengstmaximalisatie.\n\nslotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek zal worden afgewezen. Aan de door GCM en Siltech en PHL gedane tegenverzoeken wordt niet toegekomen.\n\nproceskosten\n\n5.10.. Glencore is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van GCM, Siltech en PHL betalen. AWG dient de eigen kosten te dragen nu zij het standpunt van de in het ongelijk gestelde partij heeft ondersteund. De proceskosten van GCM enerzijds en Siltech en PHL anderzijds worden ieder afzonderlijk begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. weigert het verzoek,\n\n6.2.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van GCM, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt Glencore in de proceskosten van Siltech en PHL, tot op heden begroot op € 2.230, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,\n\n6.4.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\ntype: JT","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6793","2026-07-13T00:28:28.619Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":64,"updatedAt":90},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":97},"1091","ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","ecli-nl-rbams-2026-6728","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783043 \u002F HA ZA 26-105\n\nVonnis in incident van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisers in de hoofdzaak,\n\nverweerders in het incident,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Kersbergen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J.J.F. van de Voort.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,\n\nde incidentele conclusie houdende exceptio plurium litis consortium,\n\nde conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt uitgesproken.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. In de hoofdzaak vordert [eisers] kort gezegd terugbetaling van een viertal geldleningen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daaraan legt zij ten grondslag dat er vanaf 2020 drie leningen tussen [eiser 1] en [gedaagde] tot stand zijn gekomen (lening A t\u002Fm C) en één gezamenlijke lening (lening D) tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde] en zijn echtgenote, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Volgens [eisers] zijn alle vier de leningen niet tijdig en niet volledig afgelost. [eisers] heeft in januari 2026, met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en (de onverdeelde helften van) de woning van [gedaagde] en [naam] , waarna zij [gedaagde] heeft gedagvaard.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [gedaagde] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\n [eisers] in de gelegenheid stelt om [naam] alsnog als partij in het geding in de hoofdzaak te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum,\n\neen roldatum bepaalt op welke [gedaagde] de conclusie van antwoord dient te nemen,\n\n [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak binnen twee weken na de datum van dit vonnis dient te nemen, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. \n [gedaagde] stelt dat [naam] alsnog bij de hoofdzaak moet worden betrokken, omdat ten aanzien van de gestelde lening D sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is namelijk noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van lening D voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, net zoals de op grond daarvan ingestelde vordering zoals vergoeding van de beslagkosten. Daarnaast heeft [eisers] in de dagvaarding ook stellingen ingenomen over de juridische positie van [naam] en de door haar verrichte betalingen. Verder heeft [eisers] beslag gelegd ten laste van [naam] , terwijl de eis in de hoofdzaak daarna niet tegen haar is ingesteld. Door haar niet te dagvaarden, ontneemt [eisers] [naam] de mogelijkheid om bijvoorbeeld een reconventionele vordering in te stellen tegen het gelegde beslag, aldus steeds [gedaagde] .\n\n4.2.. \n [eisers] betwist dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zij stelt dat daarvan slechts sprake is als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. In deze zaak hebben [gedaagde] en [naam] zich hoofdelijk verbonden voor het terugbetalen van lening D. Deze hoofdelijkheid maakt dat [eisers] een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens [gedaagde] voor het geheel, ongeacht de (eventuele) interne draagplicht tussen [gedaagde] en [naam] . Voor zover er geen sprake zou zijn van hoofdelijkheid maar van pluraliteit van schuldenaren, geldt evenmin dat er sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval kan de vordering jegens [gedaagde] (gedeeltelijk) toe- of afgewezen worden, zonder dat daarvoor een gelijkluidende beslissing ten aanzien van [naam] vereist is.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [eisers] beslist kan worden zonder dat [naam] bij de procedure betrokken wordt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is.In dat geval moeten ook alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden opgeroepen.\n\n4.4.. In dit geval is er echter geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat [naam] (hoofdelijk) medeschuldenaar is van lening D maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar hoeft namelijk niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist.Ook de andere omstandigheden die [gedaagde] aanvoert maken niet dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover die omstandigheden van invloed zijn op de toewijsbaarheid van (delen van) de vordering, maakt dat niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op deexceptio plurium litis consortiumniet slaagt en [eisers] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om [naam] op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.\n\nkosten van het incident\n\n4.5.. \n [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten [eisers] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × tarief II)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n842,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de kosten van het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nvervolg van de hoofdzaak\n\n4.7.. De rechtbank ziet aanleiding om de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak dient te nemen, vast te stellen op vier weken na de datum van dit vonnis.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten van het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor conclusie van antwoord.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5166 onder verwijzing naar HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 en HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","2026-07-13T00:29:03.551Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":105},"1330","ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","ecli-nl-rbams-2026-6779","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing van 25 juni 2026 op het onder rekestnummer C\u002F13\u002F790017 HA RK 26\u002F241 ingeschreven verzoek tot verschoning ingediend door:\n\nmr. V. Zuiderbaan, rechter bij de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\nBij de afdeling privaatrecht van de Rechtbank te Amsterdam zijn twee zaken aanhangig met het kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 die zijn toegewezen aan de rechter. Partijen in beide zaken zijn [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door respectievelijk mr. V.W.J.M. Kuit en mr. F. Brouwer.\n\n2. Het verzoek\n\nAan het verzoek is ten grondslag gelegd dat het de rechter bij de voorbereiding van de behandeling is gebleken dat een procespartij of procesdeelnemer deel uitmaakt van de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een verschoningsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De behandeling van een verschoningsverzoek behoeft niet ter terechtzitting plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.\n\n3.2.. Verschoning is een middel ter verzekering van (het vertrouwen in) de rechterlijke onpartijdigheid.\n\n3.3.. De rechtbank oordeelt dat de geobjectiveerde vrees kan ontstaan dat de rechter de zaak niet onpartijdig kan behandelen, gelet op hetgeen de rechter aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd en voorts mede gelet op aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak (de rechter behandelt geen zaak waarbij iemand uit zijn familiekring als procespartij is betrokken). Gelet daarop wordt het verzoek toegewezen.\n\nDe rechtbank:\n\n wijst het verzoek tot verschoning toe en bepaalt dat de behandeling van de zaken met kenmerk C\u002F13\u002F786217 en C\u002F13\u002F786187 worden voortgezet voor een andere rechter;\n\n beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:\n\n de gemachtigden van partijen; en\n\n de rechter.\n\n Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mr. P.B. Martens en mr. I.M. Bilderbeek, leden, op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6779","2026-07-13T00:29:16.278Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":64,"updatedAt":113},"717","ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","ecli-nl-rbams-2026-6601","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12162456 \\ EA VERZ 26-386\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap GOOGLE NETHERLANDS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Google,\n\ngemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians.\n\nVERLOOP VAN DE PROCEDURE\n\nOp verzoek van [verzoeker] is op 24 maart 2026 een verzoekschrift, met producties, ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\nOp 28 mei 2026 is door Google een verweerschrift, met producties, ingediend.\n\n De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. [verzoeker] is verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. Namens Google zijn [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] verschenen, vergezeld van de gemachtigde en mr. M.M.J. van Vliet. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn namens [verzoeker] nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities, zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nTen slotte is een datum voor beschikking bepaald.\n\nGRONDEN VAN DE BESLISSING\n\nFeiten\n\n1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:1.1.. \n [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1989, is in oktober 2016 in dienst getreden bij Google Inc in de Verenigde Staten en vervolgens op 26 augustus 2019 in dienst getreden bij Google in de functie [functie] . Zijn salaris bedraagt € 9.666,67 bruto per maand.1.2.. Op 20 februari 2026 heeft Google een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ingediend bij de kantonrechter te Amsterdam. Op 6 maart 2026 is de mondelinge behandeling hiervoor bepaald op 3 juni 2026.1.3.. \n\nIn het verzoekschrift wordt door Google een samenvatting gegeven van de feiten en omstandigheden die volgens Google leiden tot een onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie tussen haar en [verzoeker] op grond waarvan de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Dit zijn:\n\n- Werkrelatie onder druk;\n\n- Interactie tussen [verzoeker] en zijn manager: lastig en teleurstellend;\n\n- Het functioneren van [verzoeker] leidt tot het einde van zijn inzet voor het klantaccount;\n\n- Frictie over het “hoe en wat”;\n\n- [verzoeker] staat niet open voor feedback;\n\n- Geen werkzaamheden sinds 22 oktober 2024: frequent ziekteverzuim wegens werkconflict;\n\n- [verzoeker] onderzoekt andere functies binnen Google in de VS.\n\n- [verzoeker] klaagt over prestatiebeoordelingen en verbeterplan.1.4.. In het daar namens [verzoeker] tegen ingediende verweerschrift van 26 mei 2026 is door [verzoeker] verweer gevoerd en is verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen.1.5.. In het verweerschrift heeft [verzoeker] vermeld dat hij op 15 oktober 2025 door het Huis voor Klokkenluiders formeel erkend is als klokkenluider en op 23 juli door de Autoriteit Consument en Markt is erkend als klokkenluider, zodat hij een beschermde status heeft in de ontbindingsprocedure. Verder voert hij aan dat het door Google uitgevoerde onderzoek door het Employee Relations ernstig gebrekkig is geweest. [verzoeker] betwist in het verweerschrift dat sprake is van niet goed presteren en bestrijdt dat hij niet open stond voor feedback. Ook voert [verzoeker] aan dat Google niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan en betoogt hij dat Google in strijd heeft gehandeld met de Wet Gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte heeft [verzoeker] een algemeen bewijsaanbod gedaan.1.6.. In de ontbindingsprocedure heeft [verzoeker] een verzoek tot een billijke vergoeding ingediend.\n\nVerzoek\n\n2. [verzoeker] verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bepalen. [verzoeker] voert daarvoor de volgende juridische grondslagen aan. Allereerst is volgens hem sprake van schending van het benadelingsverbod ex artikel 17 e van de Wet Bescherming Klokkenluiders (hierna WBK), een melder mag niet benadeeld worden gedurende en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand. [verzoeker] is door twee overheidsinstanties erkend als klokkenluider. Indien een melder wordt benadeeld is sprake van een bewijslastomkering en wordt vermoed dat de benadeling het gevolg daarvan is en ligt het op de weg van de werkgever om het tegendeel te bewijzen. Verder is Google haar verplichtingen als goed werkgever als bedoeld in 7:611 BW niet nagekomen door een gebrekkig onderzoek, nalevingsconflicten te herformuleren als samenwerkingsproblemen, vergeldingsmaatregelen te nemen tijdens ziekteverlof en een werknemer met een beschermde status te confronteren met een ultimatum. Daarnaast heeft Google de re-integratie van [verzoeker] niet tijdig en adequaat bevorderd, hetgeen door het UWV formeel is vastgesteld, aldus [verzoeker] . Voorts is sprake van schending van artikel 15 van de AVG. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft geoordeeld dat de opschorting van het inzageverzoek van [verzoeker] onwettig was. Google heeft documenten retroactief verwijderd uit latere producties en wisselende rechtvaardigingen daarvoor gehanteerd. Ten slotte is sprake geweest van schending van gelijke behandeling ex artikel 2 en 4 WGBH\u002FCZ door het systematisch weigeren van redelijke aanpassingen voor een gediagnosticeerde neurodivergente werknemer, gevolgd door nadelige maatregelen op basis van daaruit voortvloeiende prestatiedwang, een vorm van verboden onderscheid, aldus [verzoeker] . Hij overweegt een bodemprocedure te starten. De mogelijke vorderingen zijn, aldus [verzoeker] :\n\nVerklaring voor recht dat Google het benadelingsverbod van de WBK heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de re-integratieverplichtingen ex artikel 7:658a BW heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google de AVG heeft geschonden;\n\nVerklaring voor recht dat Google heeft gediscrimineerd op grond van handicap;\n\nSchadevergoeding wegens de geleden materiële en immateriële schade;\n\nRectificatie van het interne personeelsdossier.\n\nVerweer\n\n3. Google verweert zich tegen het verzoek en voert daartoe het volgende aan, kort weergegeven. [verzoeker] is te laat met zijn verzoek. Via dit verzoek probeert [verzoeker] bewijs te verzamelen ten behoeve van de ontbindingsprocedure die al aanhangig is. Er is ook geen onderscheid tussen de kernonderwerpen van de beide procedures. Elk onderwerp dat [verzoeker] in het onderhavige verzoek aan de orde stelt, speelt ook in de ontbindingsprocedure. Subsidiair voert Google aan dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen op grond van strijd met de goede procesorde, onvoldoende belang, dan wel misbruik van procesrecht.\n\nBeoordeling\n\n4. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechter verzoeken één of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, zoals het horen van getuigen. Het doel van een voorlopig getuigenverhoor is gelegen in het snel verkrijgen van opheldering over omstreden of onbekende feiten en te voorkomen dat bewijs verloren gaat. Ook kan de verzoekende partij aan de hand van de getuigenverklaringen haar positie in een mogelijke procedure of in de onderhandelingen beter inschatten en beoordelen of het raadzaam is om een procedure te beginnen. Van aanhangig zijn van een procedure geldt dat hiervan sprake is indien, zoals in het onderhavige geval, een verzoekschrift ter griffie is ingediend.\n\n5. Niet in geschil is dat de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door Google op 20 februari 2026 is gestart voordat [verzoeker] dit verzoek tot het horen van de getuigen heeft ingediend. Het ligt tegen die achtergrond dan ook op zijn weg om in deze proceure aannemelijk te maken dat het gevraagde voorlopig getuigenverhoor geen verband houdt met de kwesties die in de ontbindingsprocedure (de bodemprocedure) aan de orde gebracht zullen worden of daar behandeld kunnen worden. In dat geval zou er immers geen bodemprocedure zijn waarin die kwesties aanhangig zijn. [verzoeker] is niet geslaagd dat aannemelijk te maken. Alle door [verzoeker] aangevoerde gronden voor het houden van het voorlopig getuigenverhoor zijn ook in de ontbindingsprocedure aan de orde. De vraag of [verzoeker] als klokkenluider moet worden aangemerkt ligt ter beoordeling voor in de ontbindingsproceure, nu [verzoeker] daarin betoogt dat de bewijslast op grond van de WBK moet worden omgekeerd. De vraag of Google als goed werkgever heeft gehandeld en de gronden die daarvoor door [verzoeker] naar voren zijn gebracht, het gebrekkige onderzoek, de beoordelingkwesties en de samenwerking, zullen bij de beoordeling of het dienstverband moet voortduren aan de orde komen. Zo nodig kunnen daar de getuigen over gehoord worden, ook de vraag of alle documenten daarvoor beschikbaar zijn. Datzelfde geldt voor het verwijt dat Google niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Of Google discriminatoir heeft gehandeld, is door [verzoeker] ook ingebracht in de ontbindingsprocedure, zodat ook daar in de bodemprocedure een oordeel zal moeten worden gevormd en zo nodig getuigen gehoord kunnen worden. In aanvulling is ter terechtzitting gebleken dat [verzoeker] in de ontbindingsprocedure een billijke vergoeding heeft gevorerd, zodat het verzoek tot het vaststellen van een schadevergoeding geen zelfstandige grond voor een voorlopig getuigenverhoor oplevert. Voor zover namens [verzoeker] ter terechtzitting nog is betoogd dat in de ontbindingsprocedure slechts beperkt ruimte is voor een dergelijk onderzoek en hij graag de onderste steen boven wil krijgen, brengt dat enkele betoog – wat daarvan ook zij- niet mee dat daarmee de verplichting dat de voorlopige bewijsverrichting eerder gestart moet zijn dan de bodemprocedure, kan worden ontlopen.\n\n6. Het past niet (meer) in het wettelijk systeem om de door [verzoeker] in deze procedure opgeworpen kwesties in een afzonderlijke getuigenverhoor op te helderen. Daarvoor biedt de ontbindingsprocedure alle mogelijkheden.\n\n7. [verzoeker] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van dit geding, aan de zijde van Google begroot als na te melden,\n\nBESLISSING\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek;\n\nveroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 577,00 aan salaris van de gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van € 72,00 als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\nverklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6601","2026-07-13T00:28:44.529Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":64,"updatedAt":121},"1686","ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","ecli-nl-rbams-2026-6375","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783609 \u002F HA ZA 26-151\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.A. van Veen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\nen\n\nGEMEENTE AMSTELVEEN,\n\ngevestigd in Amstelveen,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. T. Jaspers.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,\n\n- de incidentele conclusie voor alle weren ex artikel 194 en 195 Rv van [gedaagde] ,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] , met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in het incident van de gemeente.\n\n1.2.. Het vonnis in incident is bepaald op vandaag.2. De feiten, voor zover van belang in incident2.1.. \n [eiser] heeft bij de vuilnisophaaldienst van de gemeente gewerkt. Hij werd door de gemeente als uitzendkracht ingehuurd. Op 26 september 1997 is hij beklemd geraakt tussen de hydraulische armlift en het veiligheidshek van de vuilniswagen. Hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen en is volledig arbeidsongeschikt geworden.\n\n2.2.. Op 21 december 1998 heeft de gemeente aan de toenmalige advocaat van [eiser] laten weten dat het college van B&W van de gemeente op 6 januari 1998 de aansprakelijkheid voor de letselschade van [eiser] heeft erkend. De gemeente heeft een aantal materiële schadeposten vergoed en de WAO-uitkering van [eiser] aangevuld tot het niveau van zijn laatste salaris.\n\n2.3.. In april 2006 heeft advocaat [gedaagde] de zaak overgenomen van zijn voorganger. De toenmalige kantoorgenoot van [gedaagde] heeft tussen 18 augustus 2006 tot en met 11 november 2008 met de gemeente contact gehad over vergoeding van andere schadeposten als gevolg van het ongeval van [eiser] . [gedaagde] heeft [eiser] tot begin 2024 bijgestaan en toen zijn dossier overgedragen aan de accountant van [eiser] .\n\n2.4.. Op 13 maart 2024 hebben de nieuwe advocaten van [eiser] de gemeente laten weten dat de schade van [eiser] nog niet volledig is vergoed en dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding daarvan handhaaft.\n\n2.5.. Op 7 april 2025 heeft de gemeente [eiser] laten weten dat zij nooit aansprakelijkheid heeft erkend voor de volledige schade van [eiser] , maar alleen voor de schadeposten die zijn en nog steeds worden vergoed. Volgens de gemeente zijn andere schadeposten verjaard en is de termijn daarvoor gaan lopen op 15 december 2003 of 9 december 2004.\n\n2.6.. In april en mei 2025 hebben de advocaten van [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van [eiser] . Volgens [eiser] is [gedaagde] aansprakelijk omdat hij zijn vordering heeft laten verjaren en hij niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarna is gebleken dat een brief van [gedaagde] van 11 november 2008 als stuitingshandeling kan worden gezien. De gemeente heeft vervolgens een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [eiser] per 11 november 2013.\n\n2.7.. Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank in een door [eiser] gestarte kort gedingprocedure een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat [gedaagde] € 55.500,00 aan [eiser] betaalt onder de voorwaarde dat [eiser] de vordering die hij op de gemeente heeft voor vergoeding van de andere schadeposten voor dat bedrag aan [gedaagde] cedeert. Aan de veroordelingen in de uitspraak in kort geding is voldaan. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een bodemprocedure betrokken.3. De vordering in de hoofdzaak3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) bij tussenvonnis bepaalt dat de vordering van [eiser] op de gemeente vanwege het arbeidsongeval van 26 september 1997 is verjaard of niet is verjaard,\n\n2) voor recht verklaart dat:\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard, [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het arbeidsongeval in 1997 en tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999,\n\n- als de vordering van [eiser] op de gemeente niet is verjaard, de gemeente, die de aansprakelijkheid voor de schade van [eiser] heeft erkend, gehouden is de schade van [eiser] te vergoeden en een voorschot op de schadevergoeding van € 9.999 te betalen,\n\n- in beide gevallen met verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de overige schade,\n\n3) voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van zijn onvoldoende inspanning in de 17 jaar dat hij de zaak van [eiser] onder zich heeft gehad, met verwijzing voor de bepaling van de schade naar de schadestaatprocedure,\n\n4) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.4. Het geschil in incident4.1.. \n\n [gedaagde] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1) [eiser] primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997, waaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat [eiser] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident,\n\n2) de gemeente primair veroordeelt tot afgifte van en subsidiair tot inzage in alle correspondentie tussen (de vertegenwoordiger van) [eiser] en (de vertegenwoordiger van) de gemeente van 21 oktober 1997 tot aan vandaag over de afwikkeling van de aanspraken tot schadevergoeding als gevolg van het ongeval van 26 september 1997,\n\nwaaronder die over de fiscale benadering van de uit te keren schadevergoeding, dit binnen 7 dagen na het vonnis in incident, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de\n\ngemeente dit niet doet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident.\n\n4.2.. \n [eiser] en de gemeente verweren zich tegen de incidentele vorderingen van [gedaagde] en willen dat die worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n4.3.. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.5. De beoordeling in incidentDe vordering tot inzage op grond van artikel 194 en 195 Rv5.1.. Een partij heeft via artikel 194 in samenhang met artikel 195 Rv de mogelijkheid om via de rechter inzage van bepaalde gegevens te vorderen. Het recht op inzage daarvan komt toe aan a) een partij bij een rechtsbetrekking, als die partij b) daarbij voldoende belang heeft. De wederpartij is niet verplicht tot het geven van inzage als zij een beroep kan doen op een verschoningsrecht of als gewichtige redenen daaraan in de weg staan.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [gedaagde] in beide gevallen beperkt kunnen worden toegewezen, omdat hij daarbij slechts gedeeltelijk belang heeft.\n\n [eiser] : inzage wordt toegestaan met betrekking tot correspondentie tussen de gemeente en [eiser] zelf5.3.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen belang bij zijn vordering omdat [eiser] [gedaagde] op 19 juni 2025 een kopie van de relevante stukken uit het dossier heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiser] aan de vordering tot inzage voldaan. Ook heeft [eiser] [gedaagde] de gelegenheid gegeven om het volledige dossier in te zien op het kantoor van zijn advocaat. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en doet dat nog steeds niet. [eiser] is bereid [gedaagde] nog een keer een digitale kopie van het dossier te sturen, als [gedaagde] daarvan de kosten betaalt. Voor zover [gedaagde] wel belang zou hebben bij inzage geldt dit volgens [eiser] alleen voor de correspondentie tussen hem en de gemeente vanaf 15 december 2003. De gemeente stelt zich namelijk op het standpunt dat dat de datum is waarop de verjaringstermijn is gaan lopen.\n\n5.4.. \n\nDe rechtbank volgt [eiser] in zijn verweer dat [gedaagde] geen belang heeft bij zijn inzagevordering van het dossier als geheel. [eiser] heeft hem al een digitale kopie verstrekt van de relevante correspondentie en voor zover [gedaagde] meent dat dit niet compleet is, kan hij het dossier dat aanwezig is bij de advocaat van [eiser] inzien.\n\nDaarvoor heeft [gedaagde] dus geen gerechtelijk bevel nodig. [gedaagde] heeft wel voldoende belang bij de halfjaarlijkse correspondentie tussen [eiser] zelf en de gemeente over de vaststelling van het bedrag van de vergoeding van het verlies aan arbeidsvermogen die de gemeente hem periodiek uitkeerde. Hij heeft onderbouwd dat die relevant kan zijn voor de verjaringsvraag. [gedaagde] is weliswaar bekend met de inhoud van deze correspondentie, maar beschikt daar kennelijk niet over en deze bevindt zich kennelijk ook niet in de reeds verstrekte digitale kopie. Of deze brieven, die aan [eiser] zelf gestuurd zijn, zich in het dossier bevinden is onzeker. De rechtbank zal daarom bepalen dat [gedaagde] het dossier kan inzien om vast te stellen of deze brieven zich in het dossier bevinden en dat, als dat het geval is, hem daarvan afschrift moet worden verstrekt.\n\n5.5.. Voor zover de inzagevordering van [gedaagde] gaat om de correspondentie tussen de accountant en de gemeente geldt daarvoor dat het belang van [gedaagde] ontbreekt. De accountant heeft namelijk verklaard dat er eenmaal is gecorrespondeerd tussen hem en de gemeente en dat dit ging over de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en de belastingdienst. In die procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat over de door de gemeente uit te betalen schadeposten geen loonbelasting moet worden geheven. Voor de in dit geding te beantwoorden vraag of de vordering van [eiser] op de gemeente is verjaard is deze kwestie niet van belang.\n\n5.6.. De conclusie is dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door [eiser] wordt toegewezen in die zin dat [gedaagde] inzage moet worden verschaft in het dossier en dat hem afschrift moet worden verstrekt van de onder 5.4 genoemde halfjaarlijkse brieven van de gemeente aan [eiser] zelf, als deze in het dossier worden aangetroffen en van eventuele andere stukken die [gedaagde] relevant acht en die niet reeds elektronisch zijn verstrekt. De rechtbank ziet gezien de bereidheid die [eiser] tot op heden heeft getoond om het dossier ter beschikking te stellen geen aanleiding voor een dwangsom. Wel geldt dat de rechter aan een eventueel gebrek aan medewerking gevolgen kan verbinden. De termijn om inzage en zo nodig afschrift te verstrekken zal worden bepaald op twee weken. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nGemeente moet [gedaagde] beperkt inzage geven in correspondentie vanaf 15 december 20035.7.. De gemeente heeft aangevoerd dat het belang bij inzage voor [gedaagde] ontbreekt, dat de door [gedaagde] gevraagde informatie onvoldoende is bepaald en dat geen sprake is van een rechtsbetrekking. Het is [gedaagde] bekend dat de gemeente de andere schadeposten waarop [eiser] aanspraak maakt nooit heeft betaald en dat de gemeente ook geen verdere aansprakelijkheid heeft erkend. Correspondentie over de betalingen die wel zijn gedaan, zijn dan ook voor [gedaagde] niet relevant voor zijn verweer tegen de verjaring in de hoofdzaak. Ook kan de gemeente niet worden belast met het terugvinden van alle correspondentie die over een periode van bijna 30 jaar is gevoerd. [gedaagde] had de gevraagde correspondentie moeten concretiseren. Daarnaast kan [gedaagde] de gevraagde correspondentie ook opvragen bij [eiser] en is onduidelijk waarom [gedaagde] correspondentie wil hebben die hij zelf met de gemeente heeft gevoerd. Hij had de correspondentie zelf moeten bewaren en heeft dat niet gedaan. Daarbij komt dat [gedaagde] zijn vordering tot inzage niet tot de gemeente kan richten, omdat de gemeente in de hoofdzaak als derde is opgeroepen. Er is daarmee geen rechtsbetrekking. Voor zover de rechtbank de vordering alsnog toewijst, vraagt de gemeente de gevorderde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 100 per dag met een maximum van € 1000.\n\n5.8.. De rechtbank volgt de gemeente niet in haar verweer dat [gedaagde] geen heeft belang bij inzage of dat hij met de gemeente geen rechtsbetrekking heeft. [gedaagde] heeft immers een vordering van [eiser] op de gemeente gecedeerd gekregen. Hij heeft daarom ook belang bij correspondentie voor zover deze relevant kan zijn voor de vraag of de (aan hem gecedeerde) vordering van [eiser] op de gemeente verjaard is. Of de door de gemeente wel vergoede schadeposten de verjaring wel of niet heeft gestuit zal in de hoofdzaak moeten worden bepaald. Dit staat daarmee inzage door [gedaagde] van de correspondentie daarover niet in de weg. [gedaagde] beschikt niet (meer) over de betreffende correspondentie. De gemeente stelt terecht dat [gedaagde] als advocaat in ieder geval de beschikking zou moeten hebben over de correspondentie die hij zelf namens [eiser] met de gemeente heeft gevoerd. Aannemelijk is dat [gedaagde] begin 2024 geen kopie heeft gemaakt van het dossier en dat toen in zijn geheel heeft overgedragen aan de accountant van [eiser] en dat dit dossier inmiddels wordt beheerd door de nieuwe advocaat van [eiser] . Omdat hij zich tot [eiser] kan richten om daar (via zijn advocaat) inzage in te krijgen ontbreekt in zoverre belang om diezelfde correspondentie van de gemeente ter inzage te krijgen. Dat is anders voor zover het gaat om correspondentie van de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf. Die kan van belang kan zijn voor het verweer in de door [eiser] tegen hem gestarte hoofdzaak. Of die correspondentie zich in het dossier van [eiser] bevindt is onzeker, terwijl er wel een gerede kans is dat de gemeente daar nog over beschikt. Dit is grond om te bepalen dat [gedaagde] afschrift dient te worden verstrekt van alle correspondentie die door de gemeente rechtstreeks aan [eiser] zelf is verzonden, zonder afschrift aan zijn advocaat, vanaf 15 december 2003, omdat de gemeente zich op het standpunt stelt dat vanaf die datum de verjaring is gaan lopen. Voor de correspondentie van voor die datum geldt dat [gedaagde] daar geen belang bij heeft.\n\n5.9.. Het verweer van de gemeente dat er geen rechtsbetrekking is omdat zij als derde in de hoofdzaak is opgeroepen gaat niet op. De rechtsbetrekking met de gemeente volgt uit het gegeven dat het hier gaat om de aanspraak op aanvullende vergoeding van schadeposten door de gemeente aan [eiser] en dat [eiser] zijn vordering op de gemeente voor € 55.000 heeft gecedeerd aan [gedaagde] . Bovendien volgt uit artikel 118 Rv dat een partij, in dit geval de gemeente, die als derde is opgeroepen, partij is in het geding, zodat er een rechtsbetrekking is.\n\n5.10.. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] tot inzage door de gemeente wordt toegewezen zoals vermeld onder 5.8. De rechtbank stelt de termijn hiervoor vast op vier weken na de datum van dit vonnis, omdat het hier gaat om een lange periode en de gemeente tijd nodig zal hebben om de correspondentie te achterhalen. De rechtbank ziet geen aanleiding de gemeente een dwangsom op te leggen. Voor zover aan het verstrekken van afschriften kosten zijn verbonden, zal [gedaagde] deze op grond van artikel 194 lid 1 Rv moeten dragen.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd5.11.. Omdat de vorderingen van [gedaagde] jegens zowel [eiser] als de gemeente slechts voor een klein deel zijn toegewezen ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren; iedere partij draagt de eigen kosten in dit incident.6. De beslissing\n\nDe rechtbank,\n\nin het incident\n\n6.1.. beveelt [eiser] aan [gedaagde] binnen twee weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld onder 5.6,\n\n6.2.. beveelt de gemeente aan [gedaagde] binnen vier weken na de datum van dit vonnis inzage en afschrift te verschaffen op de wijze zoals vermeld zoals vermeld onder 5.8,6.3.. compenseert de proceskosten in dit incident; iedere partij draagt de eigen kosten,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin de hoofdzaak\n\n6.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6375","2026-07-13T00:29:33.558Z",{"id":123,"ecli":124,"slug":125,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":126,"fullText":127,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":129},"1333","ECLI:NL:RBAMS:2026:6777","ecli-nl-rbams-2026-6777","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBeslissing van 11 juni 2026 op het op 3 juni 2026 gedane en onder zaaknummer\n\nC\u002F13\u002F789103 HA\u002FRK 26\u002F213 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoeker],wonende te [woonplaats],\n\nverzoeker, gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. B. Brokkaar, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.1. 1. De procedure\n\nDe wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 waarin is opgenomen dat verzoeker de rechter wraakt;\n\nde aantekeningen van de griffier van die mondelinge behandeling.\n\nDe rechter heeft de Wrakingskamer bericht dat zij niet berust in de wraking.\n\n2. De feiten\n\nVerzoeker is de verwerende partij in een zaak die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer \u002F rekestnummer 12112489 \u002F EA VERZ 26-220). Google Netherlands B.V. is in die zaak de verzoekende partij.\n\nIn deze procedure heeft op 3 juni 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.\n\nVan die mondelinge behandeling is een (verkort) proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat onder meer: De kantonrechter wijst, gehoord partijen, het verzoek van de gemachtigde van [verzoeker] tot aanhouding van de zaak af. De gemachtigde deelt daarop mee dat hij de kantonrechter dan moet wraken. Na een korte schorsing vraagt de kantonrechter of het klopt dat de wrakingsgrond is: “U wilt de behandeling van deze zaak niet aanhouden in afwachting van de beslissing van uw collega kantonrechter op het verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, welke beslissing is bepaald op 23 juni 2026”. De gemachtigde verklaart\n\nzich daarmee akkoord.\n\n3. Het verzoek en de gronden daarvan\n\nHet wrakingsverzoek is gebaseerd op de grond dat de rechter de zaak niet wil aanhouden.4. 4. De gronden van de beslissing\n\n4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn.4.2. Het verzoek tot wraking is gegrond op de beslissing van de rechter om de zaak niet aan te houden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Het onderhavige verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit (de objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker zou kunnen blijken. 4.3 Het verzoek tot wraking is dus kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek tot wraking af;\n\nbepaalt dat de procedure met zaaknummer \u002F rekestnummer 12112489 \u002F EA VERZ 26-220 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.\n\nAldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en P.B. Martens en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2026.\n\n Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6777","2026-07-13T00:29:16.402Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":134,"fullText":135,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":136,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":137},"1334","ECLI:NL:RBAMS:2026:6771","ecli-nl-rbams-2026-6771","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nWrakingskamer\n\nBeslissing op het op 27 mei 2026 ingekomen en onder rekestnummer C\u002F13\u002F788480 HA RK 26-195 ingeschreven verzoek van:\n\n [verzoekster]\n\nverzoekster,\n\ngemachtigde mr. J. Du Bois,\n\nwelk verzoek strekt tot wraking van mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.\n\n1. Verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:\n\n het wrakingsverzoek ingekomen op 27 mei 2026, alsmede het eerder in deze zaak tegen mr. Blankevoort ingediende wrakingsverzoek.\n\n1.2.. De rechter heeft niet in de wraking berust.\n\n2. De feiten en het verzoek\n\n2.1.. Verzoekster is verwerende partij in een procedure die bij de rechter in behandeling is (zaaknummer 788174 KG ZA 26-420). De mondelinge behandeling van deze zaak was aanvankelijk gepland bij mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, op 27 mei 2026 om 13.30 uur. Na ontvangst van een tegen hem gericht wrakingsverzoek heeft mr. Blankevoort berust in dat verzoek. Korte tijd nadat het bericht van berusting aan de gemachtigde was verzonden, is de zaak toegewezen aan de rechter en is namens de rechter bericht dat de zaak behandeld zou worden op 27 mei 2026 om 14.30 uur. Verzoekster heeft om uitstel verzocht, maar de rechter heeft beslist dat de behandeling om 14.30 uur zou doorgaan. Dit is om 13.51 uur namens de rechter aan de gemachtigde meegedeeld. Na afloop van deze mondelinge behandeling heeft verzoekster het wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. In dit verzoek wordt tevens verwezen naar het verzoek dat tegen mr. Blankevoort was ingediend.\n\n2.2.. Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat, nadat het bericht van berusting van mr. Blankevoort was ontvangen, nog geen melding werd gemaakt van een nieuwe datum of tijd waarop het kort geding zou plaatsvinden. Luttele minuten later volgde het telefonische bericht dat de rechter voornemens was het kort geding om 14.30 uur te behandelen. Verzoekster acht deze gang van zaken in strijd met de goede procesorde en verzoekster wordt daardoor ernstig in haar belangen en of verdediging geschaad. Zowel verzoekster als de gemachtigde hadden hier geen rekening mee gehouden. Bovendien blijkt uit het (aanvankelijk tegen mr. Blankevoort ingediende) verzoek onomstotelijk dat de gemachtigde een zitting had elders in het land. Verzoekster heeft vervolgens verwezen naar de wrakingsgronden zoals verwoord in het tegen mr. Blankevoort ingediende verzoek tot wraking. Het is onduidelijk wanneer de rechter is benaderd, maar wrakingsgrond (uit het verzoek gericht tegen mr. Blankevoort) dat over de spoedeisendheid al een standpunt was ingenomen, geldt nog steeds. De griffiemedewerker heeft namens de rechter om 13.51 uur meegedeeld dat de behandeling door de rechter zou doorgaan en dat verzoekster dan maar zelf naar de zitting moest komen, ondanks de verhindering van de gemachtigde. Dit is in strijd met de goede procesorde en tevens is het volstrekt onduidelijk welke informatie mr. Blankevoort aan de rechter heeft verstrekt, op grond waarvan kennelijk binnen 40 minuten na de berusting door de rechter is beslist dat de mondelinge behandeling noodzakelijk werd geacht. De rechter heeft zonder hoor en wederhoor daartoe de beslissing genomen.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.\n\n3.2.. \n\nAls uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn\n\naanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.\n\n3.3.. In zijn arrest van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.\n\n3.4.. Het bezwaar van verzoekster betreft de beslissing van de rechter om de behandeling van de zaak niet aan te houden. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest.\n\n3.5.. Voor het overige bevat het verzoek geen enkele grond waaruit de vooringenomenheid of de schijn daarvan van de rechter valt af te leiden. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.\n\n3.6.. Omdat verzoekster het middel tot wraking, lichtvaardig, want zonder redelijke grond heeft ingezet en kennelijk alleen met het oog op uitstel van de zitting, is sprake van misbruik van recht. Bepaald zal daarom worden dat verdere verzoeken tot wraking in de zaak niet in behandeling worden genomen.\n\n4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.\n\nBESLISSING\n\nDe Wrakingskamer:\n\n wijst het verzoek tot wraking af;\n\n bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.\n\nAldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, K.A. Brunner en I.M. Bilderbeek, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6771","2026-07-13T00:29:16.443Z",{"id":139,"ecli":140,"slug":141,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":142,"fullText":143,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":144,"sourceTimestamp":145,"parsedAt":64,"updatedAt":146},"879","ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","ecli-nl-rbams-2026-3521","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773139 \u002F HA ZA 25-1328\n\nVonnis van 1 april 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n360 EUROPE ASSET MANAGEMENT LTD,\n\ngevestigd te Amstelveen, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n360 EUROPE CENTRE MANAGEMENT B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: 360 Europe c.s.,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lustermans,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 AALSMEER B.V.,\n\ngevestigd te Aalsmeer, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 ALMERE B.V.,\n\ngevestigd te Almere, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 DORDRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 EINDHOVEN B.V.,\n\ngevestigd te Eindhoven, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 HOUTEN B.V.,\n\ngevestigd te Houten, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 INNSBRUCKWEG B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam, 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 LEIDERDORP B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 UTRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: HCI 360 c.s.,\n\nadvocaat: mr. M. Deckers.\n\n1. De kern van de zaak1.1. 360. Europe c.s. hebben een procedure tegen HCI 360 c.s. gevoerd bij de Engelse rechter. De Engelse rechter heeft in twee vonnissen HCI 360 c.s. veroordeeld om een aantal bedragen aan 360 Europe c.s. te betalen. 360 Europe c.s. willen deze veroordelingen in Nederland ten uitvoer leggen en vorderen daarom in deze procedure dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij in de Engelse vonnissen zijn veroordeeld.\n\n1.2.. HCI 360 c.s. zijn het met name niet eens met de door 360 Europe c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling. HCI 360 c.s. menen dat het eerste Engelse vonnis zo moeten worden uitgelegd dat geen hoofdelijke veroordeling is uitgesproken, behalve als het gaat om de proceskosten.\n\n1.3.. De rechtbank geeft HCI 360 c.s. hierin geen gelijk en wijst daarom de vorderingen van 360 Europe c.s. toe. Hierna wordt nader uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 14 juli 2025, met producties,\n\n- de exploten van overbetekening dagvaarding aan derden, ontvangen ter griffie op 6 augustus 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens houdende verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis, met producties,\n\n- de akte uitlating verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis van 360 Europe c.s., met een productie,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken, en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden,\n\n- de berichten van mr. Lustermans en mr. Deckers van 9 maart 2026, waarin verzocht is om vonnis te wijzen.\n\n3. De feiten3.1.. HCI 360 c.s. zijn eigenaar van onroerend goed in Nederland en houden zich bezig met het verhuren van bedrijfsruimte.\n\n3.2. 360. Europe c.s. hebben in opdracht van HCI 360 c.s. werkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit het verrichten van commerciële en beheeractiviteiten voor HCI 360 c.s.\n\n3.3. 360. Europe c.s. zijn een procedure gestart tegen HCI 360 c.s. bij de County Court in Central London, Verenigd Koninkrijk, waarbij zij hebben gesteld dat HCI 360 c.s. hebben nagelaten om afgesproken vergoedingen te voldoen. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis op tegenspraak van 12 mei 2025 (hierna: het eerste vonnis), waarin HCI 360 c.s. onder meer zijn veroordeeld tot betaling van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. Dit is in het vonnis als volgt weergegeven:\n\n“2) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of EUR 960,887.12, (…)\n\n3) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of £72,577.70, (…)\n\n7) By 4 pm on 26 May 2025, the Defendants shall pay the Claimants the sum of £350,000 on account of costs.”\n\n3.4.. Op verzoek van 360 Europe c.s. heeft de Engelse rechter op 12 juni 2025 een verbeterd vonnis verstrekt, waarbij de juiste namen van de vennootschappen van HCI 360 c.s. op het vonnis zijn vermeld.\n\n3.5.. Bij brief van 21 mei 2025 hebben 360 Europe c.s. HCI 360 c.s. gesommeerd om uiterlijk op 26 mei 2025 om 16:00 uur aan de veroordelingen in het Engelse vonnis te voldoen.\n\n3.6. 360. Europe c.s. hebben in juni 2025 met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoire beslagen gelegd onder derden ten laste van HCI 360 c.s. en op onroerende zaken van HCI 360 c.s.\n\n3.7.. HCI 360 c.s. hebben in een kort geding procedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank opheffing van de conservatoire beslagen gevorderd. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 28 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het door 360 Europe c.s. gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer opgeheven.\n\n3.8.. HCI 360 c.s. hebben in oktober 2025 via een Slip Ruleprocedure de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis te verduidelijken en zo aan te passen dat de veroordelingen (behalve de proceskosten) niet hoofdelijk zijn uitgesproken, maar dat elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen aan 360 Europe c.s. verschuldigde bedragen afzonderlijk worden weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2026 heeft de Engelse rechter dit verzoek afgewezen. Dit heeft de Engelse rechter bij vonnis van 30 januari 2026 (hierna: het tweede vonnis) bevestigd en als volgt geformuleerd:\n\n“(…)the Defendants are jointly and severally liable to pay the Claimants the sums ordered in each of paragraphs 2, 3 (…) and 7 of the Order, which means that each Claimant is entitled to enforce such sums or any part of them against the Defendants or any combination of them in whole or part.”\n\nDaarnaast heeft de Engelse rechter bepaald dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld in de kosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,- en dat deze kosten uiterlijk op 5 februari 2026 om 16:00 uur moeten worden betaald.\n\n4. Het geschil4.1. 360. \n\nEurope c.s. vorderen na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat HCI 360 c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:\n\nI. € 960.887,12, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025,\n\nII. GBP 72.577,70, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIII. GBP 350.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIV. GBP 10.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 4 februari 2026, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nV. de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-,\n\nVI. de beslagkosten,\n\nVII. de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n4.2. 360. Europe c.s. baseren hun vordering op artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij leggen primair aan hun vorderingen ten grondslag dat gezag moet worden toegekend aan de Engelse vonnissen en subsidiair dat een nieuwe inhoudelijke beoordeling van deze rechtbank moet plaatsvinden. 360 Europe c.s. stellen dat de Engelse vonnissen in Nederland moeten worden erkend en ten uitvoer kunnen worden gelegd, omdat aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria is voldaan.\n\n4.3.. HCI 360 c.s. zijn het niet met de vorderingen eens en voeren aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van 360 Europe c.s. in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordelingRechtsmacht5.1.. Er is sprake van een internationaal geschil. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van 360 Europe c.s. kennis te nemen. Dat is het geval, omdat gedaagden in Nederland gevestigd zijn (art. 2 Rv.).\n\nToetsingskader5.2.. \n\nDe vorderingen van 360 Europe c.s. zijn gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. Ambtshalve dient de rechtbank echter ook uitvoering te geven aan het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (Pb EU L 187\u002F4 van 14 juli 2022). Zowel Nederland (door toetreding van de Europese Unie met inwerkingtreding op 1 september 2023) als het Verenigd koninkrijk (door toetreding met inwerkingtreding op 1 juli 2025) zijn partij bij dit verdrag.\n\nHet eerste vonnis valt niet onder de werking van dat verdrag, het tweede vonnis wel en dit wordt op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van genoemd verdrag in Nederland erkend en kan ten uitvoer worden gelegd.\n\n5.3.. Wat het eerste vonnis betreft is de vraag die in deze zaak centraal staat is of HCI 360 c.s. kunnen worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in dat vonnis zijn veroordeeld, dat wil zeggen of in Nederland aan die beslissing gezag toekomt. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal voorwaarden zoals opgesomd in het zogenaamde Gazprombankarrest.Hieruit volgt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\ni) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,\n\nii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,\n\niii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde,\n\niv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.\n\n5.4.. Op het moment dat aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan, moet de Nederlandse rechter als uitgangspunt nemen dat partijen aan de buitenlandse beslissing zijn gebonden. Een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, is dan in beginsel toewijsbaar.\n\nDe veroordelingen in het eerste Engelse vonnis moeten als hoofdelijk worden begrepen5.5.. De kern van het geschil is hoe het eerste Engelse vonnis moet worden uitgelegd. In dat vonnis zijn HCI 360 c.s. veroordeeld tot betaling aan 360 Europe c.s. van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. 360 Europe c.s. vorderen in deze procedure dat deze veroordelingen hoofdelijk worden uitgesproken. HCI 360 c.s. verzetten zich hiertegen en voeren aan dat 360 Europe c.s. in de Engelse procedure geen hoofdelijke veroordeling hebben gevorderd, dat dit niet in het partijdebat naar voren is gekomen en dat een dergelijke veroordeling niet uit het vonnis volgt. Volgens HCI 360 c.s. moeten daarom de veroordelingen in het eerste vonnis niet als hoofdelijk toegewezen begrepen worden, met uitzondering van de proceskosten.\n\n5.6.. De rechtbank volgt HCI 360 c.s. hierin niet. Het eerste vonnis bevat namelijk geen uitsplitsing van het door elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk te betalen bedragen, maar slechts de bepaling dat “the Defendants” de daarin genoemde totaalbedragen dienen te betalen. Dat betekent dat de veroordelingen als hoofdelijk moeten worden begrepen, hetgeen ook door de Engelse rechter in het tweede vonnis is bevestigd. HCI 360 c.s. hebben namelijk via de Slip Rule procedure verduidelijking van het eerste vonnis gevraagd. Zij hebben de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis zo aan te passen dat zij niet hoofdelijk zijn verbonden tot betaling van de totaalbedragen aan 360 Europe c.s., maar om de elk door de HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk verschuldigde bedragen in de veroordeling te specificeren. De Engelse rechter heeft vervolgens in het tweede vonnis nadrukkelijk overwogen dat HCI 360 c.s. gezamenlijk en hoofdelijk (‘joint and several’) zijn veroordeeld tot de in het eerste vonnis toegewezen bedragen en heeft daarom de gevorderde aanpassing voor individuele veroordelingen van HCI 360 c.s. in het gedeelte van de totaalbedragen afgewezen. De conclusie is dan ook dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken.\n\nHet verweer van HCI 360 c.s. dat niet aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest is voldaan slaagt niet5.7.. HCI 360 c.s. hebben zich erop beroepen dat als hun uitleg van het eerste vonnis niet wordt gevolgd, wat hier aan de orde is, niet voldaan wordt aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest. Volgens HCI 360 c.s. levert een hoofdelijke veroordeling namelijk een strijd op met artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de Nederlandse openbare orde, omdat een hoofdelijke veroordeling niet in de Engelse procedure was gevorderd. Nu HCI 360 c.s. zich hiertegen niet hebben kunnen verweren, heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Daarnaast zou toewijzing van de vorderingen van 360 Europe c.s. ertoe leiden dat meer van HCI 360 c.s. kan worden geëxecuteerd dan in het eerste vonnis is toegewezen.\n\n5.8. 360. Europe c.s. hebben hiertegen ingebracht dat de tekst van het eerste vonnis van tevoren bij partijen bekend was en dat zij daar commentaar op mochten leveren. Daarnaast is een hoofdelijke veroordeling in de Slip Rule procedure onderdeel van het partijdebat geweest en zijn beide partijen in de gelegenheid geweest hun standpunten toe te lichten. Vervolgens heeft de Engelse rechter in het tweede vonnis het eerste vonnis bevestigd en uitgesproken dat de daarin opgenomen veroordelingen hoofdelijk zijn. Ten slotte hebben HCI 360 c.s. geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen de vonnissen.\n\n5.9.. Het betoog van HCI 360 c.s. dat een hoofdelijke veroordeling in strijd is met artikel 6 EVRM en de Nederlandse openbare orde slaagt niet. De voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest hangen met elkaar samen en zien op de behoorlijke rechtspleging. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Er is geen plaats voor een inhoudelijke toetsing (het verbod van révision au fond). Het gaat erom dat voorkomen wordt dat een buitenlandse beslissing naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse orde als fundamenteel worden aangemerkt. Als dat het geval is, kan de buitenlandse beslissing niet in Nederland worden erkend.In dit geval is hier echter geen sprake van. Zoals hiervoor is overwogen kan uit de tekst van het eerste vonnis worden afgeleid dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken. Verder staat vast dat HCI 360 c.s. via de weg van de Slip Rule procedure hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken dat zij vinden dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat geen hoofdelijke veroordeling is toegewezen. De daaropvolgende beslissing van de Engelse rechter dat de veroordelingen uit het eerste vonnis wel hoofdelijk zijn toegewezen, is een beslissing die is voorbehouden aan de Engelse rechter. Als HCI 360 c.s. na het uitspreken van het eerste vonnis meenden dat de veroordelingen ten onrechte als hoofdelijk waren uitgesproken, hadden zij hiertegen hoger beroep moeten instellen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een ‘fair trail’ als bedoeld in artikel 6 EVRM en ook niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.\n\nHet Engelse vonnis is voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar5.10.. \n\nOmdat partijen het er verder over eens zijn dat aan de overige voorwaarden uit het Gazprombankarrest (zie 5.3) is voldaan, kan ook het eerste Engelse vonnis in Nederland worden erkend en ten uitvoer worden gelegd.\n\nSlotsom5.11.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van 360 Europe c.s. hoofdelijk worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde proceskosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,-, omdat uit het tweede vonnis volgt dat deze kosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen. Op grond van artikel 6:123 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen 360 Europe c.s. de vorderingen II tot en met IV executeren in Nederlands geld. Dit moet overeenkomstig artikel 6:124 BW gebeuren door omrekening van de Britse pond in euro’s naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.\n\nRente5.12.. De gevorderde binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk over de vorderingen I tot en met IV wordt toegewezen, omdat deze niet door HCI 360 c.s. is betwist. 360 Europe c.s. vorderen binnenlandse rente over de vorderingen I tot en met III vanaf 12 mei 2025 en over de vordering IV vanaf 4 februari 2026. Uit het eerste vonnis blijkt dat de daarin opgenomen veroordelingen uiterlijk op 26 mei 2025 moeten worden betaald en uit het tweede vonnis volgt dat de proceskostenveroordeling op 5 februari 2026 moet worden voldaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vanaf die data binnenlandse rente is verschuldigd. De gevorderde rente wordt dan ook toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.13. 360. Europe c.s. vorderen hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). 360 Europe c.s. hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. 360 Europe c.s. hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 6.775,- hoofdelijk toegewezen.\n\nBeslagkosten5.14. 360. Europe c.s. vorderen HCI 360 c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. HCI 360 c.s. voeren aan dat deze kosten moeten worden afgewezen omdat deze kosten geen deel uitmaken van de procedure als bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv en deze kosten nodeloos zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat artikel 706 Rv bepaalt dat de beslagkosten voor rekening komen van de beslagene. Dit is alleen anders als de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. In dit geval is het de rechtbank van dit laatste niet gebleken, zodat de beslagkosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. De beslagkosten worden vastgesteld op:\n\n€ 6.293,73 voor kosten deurwaardersexploten (de beslagexploten van 30 juni 2025 voor beslag onder VasteState en Rabobank en op onroerende zaken, de betekening van de beslagen aan HCI 360 c.s. op 2 juli 2025 en de overbetekening van de dagvaarding aan Rabobank op 16 juli 2025 en aan VasteState op 21 juli 2025),\n\n€ 714,00 voor griffierecht,\n\n€ 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt x 4.631,00).\n\nDe beslagkosten bedragen in totaal € 11.638,73 en HCI 360 c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld deze te betalen.\n\nProceskosten5.15.. HCI 360 c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van 360 Europe c.s. worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n143,00\n\n- griffierecht\n\n€\n\n9.474,00\n\n(verminderd met griffierecht voor beslag)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n19.068,00\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.17.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.18. 360. Europe c.s. vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. HCI 360 c.s. voeren hiertegen verweer. De rechtbank wijst de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toe en legt hierna uit waarom.\n\n5.19.. Uitgangspunt is dat een veroordeling die is uitgesproken uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er nog hoger beroep of een andere hogere voorziening mogelijk is. Dit kan anders zijn als het belang van de veroordeelde om de huidige situatie te behouden totdat op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling wil laten uitvoeren. Bij de beoordeling hiervan kijkt de rechter naar de beslissing die uitgevoerd moet worden en de feiten en oordelen die daaraan ten grondslag liggen. De rechter houdt geen rekening met de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel. Wel kan de rechter bij zijn oordeel betrekken of de beslissing die uitgevoerd moet worden berust op een kennelijke misslag.\n\n5.20.. Omdat het hier gaat om veroordelingen tot betalingen van geldsommen, is daarmee het belang van 360 Europe c.s. bij de tenuitvoerlegging gegeven. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. HCI 360 c.s. betogen dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor hen tot onomkeerbare financiële gevolgen zal leiden, maar zij hebben het gestelde onaanvaardbare restitutierisico niet verder onderbouwd of toegelicht. Dat brengt mee dat het belang van HCI 360 c.s. niet zwaarder weegt dan het belang van 360 Europe c.s. Het argument van HCI 360 c.s. dat het niet aannemelijk is dat 360 Europe c.s. in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt en zij hun aanspraken kunnen waarborgen via conservatoire maatregelen, gaat niet op. HCI 360 c.s. hebben namelijk zelf tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij enorme verliezen lijden en dat er feitelijk gezien geen verhaal bij haar mogelijk is. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt dan ook toegewezen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 960.887,12, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 72.577,70, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.3.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 350.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.4.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 10.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 5 februari 2026, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.5.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n6.6.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 11.638,73,\n\n6.7.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 19.068,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HCI 360 c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.9.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprom).\n\n Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos) r.o. 4.1.3 en 4.1.4.\n\n Hof Amsterdam 28 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:753.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.554Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":151,"fullText":152,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":154,"parsedAt":64,"updatedAt":155},"873","ECLI:NL:GHAMS:2026:915","ecli-nl-ghams-2026-915","2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.359.732\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Amsterdam : 11479623 \\ CV EXPL 25-306\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026\n\ninzake\n\nEUROJETS B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante in de hoofdzaak,\n\nverweerster in het incident,\n\nadvocaat: mr. M. Bekker te Arnhem,\n\ntegen\n\nAUMAVICO V.O.F.,\n\ngevestigd te Nijmegen,\n\ngeïntimeerde in de hoofdzaak,\n\neiseres in het incident,\n\nadvocaat: mr. W.J. de Vries te Utrecht.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\nPartijen worden hierna Eurojets en Aumavico genoemd.\n\nEurojets is bij dagvaarding van 3 september 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2025 dat onder bovenvermeld zaaknummer is gewezen tussen Aumavico als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en Eurojets als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van Eurojets;\n\n- memorie van antwoord, tevens incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding, met producties, van Aumavico;\n\n- conclusie van antwoord in het incident van Eurojets.\n\nTen slotte is arrest in het incident gevraagd.\n\nAumavico heeft incidenteel gevorderd dat het hof Eurojets zal bevelen om binnen twee weken na dit arrest in het incident zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan Eurojets kan worden veroordeeld voor een bedrag van in totaal € 35.035, 27, bestaande uit € 29.138,27 aan in eerste aanleg toegewezen proceskosten en schadevergoeding, € 2.255,- aan griffierecht in hoger beroep en € 3.642,- aan advocaatkosten in hoger beroep, door betaling van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Aumavico, uitvoerbaar bij voorraad.\n\nEurojets heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Aumavico in de kosten van het incident, met rente.\n\n2. Beoordeling\n\nin het incident\n\n2.1.. Aumavico vordert zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding tot betaling waarvan Eurojets kan worden veroordeeld op grond van – naar analogie – artikel 224 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Volgens haar is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland niet mogelijk zal zijn.\n\n2.2.. Naar het oordeel van het hof komt de incidentele vordering van Aumavico niet voor toewijzing in aanmerking. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n2.3.. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijke gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd.\n\n2.4.. Met haar beroep ‘naar analogie’ op artikel 224 lid 1 Rv neemt Aumavico terecht tot uitgangspunt dat Eurojets niet op grond van deze bepaling tot zekerheidstelling kan worden verplicht. Als in Amsterdam gevestigde vennootschap, heeft Eurojets immers woonplaats in Nederland. Bovendien was Eurojets in eerste aanleg gedaagde in conventie, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 353 lid 2 Rv in hoger beroep van haar, ook als zij wel een in het buitenland gevestigde vennootschap was geweest, geen zekerheid had kunnen worden gevorderd voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de oorspronkelijke conventie. Een rechtsgrond voor de incidentele vordering is er dus niet. In elk geval kunnen de door Aumavico aangedragen argumenten dat Eurojets het bestreden vonnis nog niet is nagekomen, het verhaal van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden vonnis frustreert en ook geen vervangende zekerheid heeft gesteld, dat het hof Eurojets ambtshalve zou kunnen veroordelen in de volledige proceskosten omdat zij misbruik maakt van haar bevoegdheid om in hoger beroep te gaan door de wijze waarop zij procedeert en dat de advocaat van Eurojets aan de advocaat van Aumavico heeft meegedeeld dat Eurojets een lege vennootschap is die geen verhaal biedt, wat daarvan verder ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de incidentele vordering toewijsbaar is.\n\n2.5.. Dit betekent dat de incidentele vordering tot zekerheidstelling zal worden afgewezen.\n\n2.6.. Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.\n\nin de hoofdzaak\n\n2.7.. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor beraad partijen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n3. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident:\n\nwijst de vordering af;\n\nhoudt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;\n\nin de hoofdzaak:\n\nverwijst de zaak naar de rol van 14 april 2026 voor beraad partijen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, I.A. van der Burg en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:915","2026-04-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.290Z",{"id":157,"ecli":158,"slug":159,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":160,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":154,"parsedAt":64,"updatedAt":162},"877","ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","ecli-nl-rbams-2026-3328","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11952989 \\ CV FORM 25-15277\n\nBeschikking van 23 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] (Bonaire),\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nMETA PLATFORMS IRELAND LIMITED,\n\ngevestigd te Dublin (Ierland),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Meta,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (A&L Goodbody LLP).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861\u002F2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening, met bijlagen, een vordering ingesteld.\n\n1.2.. Bij brief van 22 januari 2026 is aan Meta medegedeeld dat een procedure voor geringe vorderingen tegen haar is ingesteld en is een afschrift van het Vorderingsformulier A met bijlagen meegezonden. Meta is in de gelegenheid gesteld te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken te retourneren.\n\n1.3.. De gemachtigde van Meta heeft bij brief van 9 februari 2026 op de door de rechtbank aan Meta gezonden brief van 22 januari 2026 gereageerd en deze brief, met bijlagen, aan de rechtbank geretourneerd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. De gemachtigde van Meta heeft de aan Meta gezonden brief met bijlagen van 22 januari 2026 geretourneerd en aangevoerd dat de documenten niet zijn gesteld in een taal die Meta begrijpt en niet zijn vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van Ierland, zoals vereist in de EPGV-Verordening. De gemachtigde van Meta stelt dat hij om deze reden de ontvangst van de stukken heeft geweigerd. De kantonrechter ziet momenteel (nog) geen aanleiding om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen op de weigering te reageren in verband met het navolgende.\n\n2.2.. De EPGV-Verordening is alleen van toepassing op zaken die “grensoverschrijdend” zijn in de zin van de Verordening. In artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening is bepaald dat onder grensoverschrijdende zaak wordt verstaan, een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.\n\n2.3.. De EPGV-Verordening is bedoeld om de goede werking van de interne markt van de Europese Unie te bevorderen. [verzoeker] heeft haar woonplaats in [woonplaats] , Bonaire. Bonaire is één van de dertien Overzeese land- of gebiedsdelen van verschillende lidstaten van de Europese Unie (hierna: Overseas Countries and Territories ofOCT’s). Zij maken deel uit van die lidstaten of zijn er aan gelieerd. Maar deze OCT’s maken geen deel uit van het grondgebied van de Europese Unie of van de interne markt van de Europese Unie. Wel hebben zij een associatieverdrag met de EU. Omdat Bonaire geen deel uitmaakt van het grondgebied of de interne markt van de Europese Unie, geldt de secondaire EU-wetgeving daar niet. Ook via het associatieverdrag OCT-EU geldt die wetgeving niet in Bonaire. Als een partij niet woont of gevestigd is op het grondgebied van de Europese Unie kan geen beroep worden gedaan op de EPGV-Verordening.\n\n2.4.. Omdat [verzoeker] niet woont op het grondgebied van de Europese Unie, wordt vooralsnog geoordeeld dat geen sprake is van een grensoverschrijdende zaak als bedoeld in artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening. Het verzoek valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening.\n\n2.5.. Artikel 4 lid 3 van de EPGV-Verordening schrijft dan voor dat het gerecht de eiser ervan op de hoogte stelt dat de vordering buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt en dat deze procedure dan, tenzij eiser de vordering intrekt, door het gerecht zal worden behandeld overeenkomstig het procesrecht dat geldt in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd.\n\n2.6.. Gelet op het voorgaande wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te reageren:\n\n2.6.1.. op de omstandigheid dat zij woonplaats heeft op Bonaire, terwijl een vordering op grond van de EPGV-Verordening alleen mogelijk is als beide partijen hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de Europese Unie,\n\n2.6.2.. of zij hierin aanleiding ziet de vordering in te trekken dan wel dat zij wenst dat de procedure wordt omgezet in een dagvaardingsprocedure naar het recht van het Europese deel van Nederland. In het laatste geval dient [verzoeker] ook toe te lichten op welke gronden zij de (kanton)rechter van het Europese deel van Nederland bevoegd acht en welk recht op de vordering van toepassing is en waarom.\n\n2.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. stelt [verzoeker] in de gelegenheid binnen 30 dagen na ontvangst van deze beschikking te reageren op hetgeen onder 2.6 is overwogen,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.\n\n64443","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","2026-07-13T00:28:52.449Z",20]