[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":53,"total":16,"page":25,"limit":216},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},22,{"min":18,"max":19},"2025-04-08T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,50],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122105","Burgerlijk Wetboek","art. 6:271",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122106","art. 6:272 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122107","art. 6:272",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122108","art. 6:101",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122109","art. 6:234",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122110","art. 6:97",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122140","art. 3:234",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"122141","art. 3:251",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"122142","art. 3:13",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"122145","art. 6:86",[54,65,73,81,89,97,104,112,120,129,136,143,150,159,167,175,182,191,199,207],{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"520","ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","ecli-nl-rbams-2026-6625","","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F788058 \u002F KG ZA 26-413 NB\u002FMV\n\nVonnis in kort geding van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. MANYA HOLDING B.V.,\n\nte Amsterdam, 2. MANYA II B.V.,\n\nte Amsterdam, 3. MANYA MIP B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partijen bij dagvaarding van 21 mei 2026,\n\nhierna samen en in enkelvoud ook te noemen: Manya,\n\nadvocaten: mr. J.L. Snijders en mr. J.X.J. Cremers,\n\ntegen\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nSITUS DEUTSCHLAND GMBH,\n\nte Frankfurt am Main (Duitsland), 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nINFINITY HOLDCO PD I S.Á.R.L.,\n\nte Munsbach (Luxemburg),\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: Situs en Infinity,\n\nadvocaten: mr. Th.P.J. Hanssen en mr. E.C. Kruisifikx.\n\n1. De procedure\n\nTijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 17 juni 2026 heeft Manya de dagvaarding toegelicht. Situs en Infinity hebben mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\naan de zijde van Manya: [naam 1] en [naam 2] met mr. Snijders en mr. Cremers;\n\naan de zijde van Situs en Infinity: [naam 3] , bijgestaan door E.A. Roest, tolk Nederlands\u002FDuits, met mr. Hanssen en mr. Kruisifikx. Na verder debat is vonnis bepaald op 1 juli 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Manya Holding B.V., Manya II B.V. en Manya MIP B.V. houden gezamenlijk alle aandelen in Upforce Holding B.V. (hierna Upforce). Upforce houdt op haar beurt de aandelen in een aantal dochtervennootschappen, die actief zijn in de uitzendbranche.\n\n2.2.. VEP Fund 4 Coöperatief U.A. (hierna VEP) houdt (indirect) de meerderheid van de aandelen in Manya. VEP is een private equityinvesteerder.\n\n2.3.. Op 21 juni 2023 heeft Infinity een financiering van € 23.500.000 verstrekt aan de Upforce-groep op grond van een zogenoemde senior facilities agreeement(SFA). Tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA heeft de Upforce-groep pandrechten gevestigd op roerende zaken, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. Tevens heeft Manya ten behoeve van Infinity derdenzekerheid verstrekt in de vorm van een pandrecht op de aandelen die zij houdt in Upforce (hierna het Pandrecht).\n\n2.4.. Situs treedt op als agentensecurity agentvoor Infinity en houdt de op grond van de SFA gevestigde zekerheidsrechten, waaronder het Pandrecht.\n\n2.5.. Op 22 juni 2023 is het Pandrecht opgenomen in een pandakte. In artikel 8 van die akte staat onder meer dat Manya afstand doet van de beschermende wettelijke regelingen die voor derdenpandgevers gelden, waaronder artikel 3:234 BW. In artikel 15 staat onder meer dat Manya afstand doet van haar rechten op regres en subrogatie jegens Upforce.\n\n2.6.. Sinds het eerste half jaar van 2024 schiet Upforce tekort in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. Naar aanleiding hiervan zijn gesprekken gevoerd tussen Infinity enerzijds en de (indirect) aandeelhouders van Upforce (Manya en VEP) anderzijds. Er is onder meer gesproken over het verstrekken van aanvullende financiering aan Upforce door haar aandeelhouders. Die gesprekken hebben niet tot een definitieve oplossing geleid.\n\n2.7.. Bij brief van 9 december 2025 hebben Infinity en Situs aan Manya bericht dat vanwege het voortdurende verzuim van Upforce onder de SFA de stemrechten verbonden aan de verpande aandelen in Upforce zijn overgegaan op Situs.\n\n2.8.. Nadien zijn de gesprekken over een oplossing van de betalingsachterstand voortgezet. In dit kader heeft VEP bij brief van 19 december 2025 onder meer bericht dat Upforce meer dan € 4.000.000 in kas heeft en dat dit bedrag kan worden aangewend om de schuld aan Infinity af te lossen. Daarnaast heeft VEP een voorstel gedaan dat onder meer inhield dat zij bereid was een garantie af te geven.\n\n2.9.. Op 21 januari 2026 hebben Upforce, Infinity en Situs een amendment and standstill agreementgesloten. Hieruit blijkt onder meer dat de betalingsachterstand van Upforce per die datum ongeveer € 3.400.000 bedroeg. In deze overeenkomst verplicht Infinity zich – kort gezegd – om de financiering tot 1 januari 2027 niet versneld bij Upforce op te eisen op basis van de bestaande achterstanden. In artikel 2.2 van die overeenkomst staat – kort gezegd – dat Infinity te allen tijde wèl bevoegd blijft, dus ook vóór 1 januari 2027, om het Pandrecht uit te winnen.\n\n2.10.. Bij brief van 28 januari 2026 heeft Infinity Manya en VEP gesommeerd om te bevestigen dat zij meewerken aan overdracht van alle aandelen in Upforce aan Infinity voor € 1,-, met finale kwijting over en weer. Bij het uitblijven van die bevestiging zal het Pandrecht worden uitgewonnen, aldus de brief van 28 januari 2026.\n\n2.11.. Bij brief van 4 februari 2026 heeft Manya bericht niet akkoord te gaan met overdracht van de aandelen tegen € 1,-. Verder staat in die brief dat het Pandrecht niet als acquisitiemiddel mag worden gebruikt en dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert.\n\n2.12.. Bij brief van 17 februari 2026 heeft VEP namens Manya nogmaals een voorstel gedaan tot onder meer aanvullende financiering van Upforce. Dit voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat de achtergestelde leningen bij Upforce (vendor loans en earn-out) worden kwijtgescholden.\n\n2.13.. Bij brief van 30 april 2026 heeft Infinity het hiervoor genoemde voorstel van VEP afgewezen. In diezelfde brief kondigt Infinity aan een verzoekschrift op grond van artikel 3:251 BW in te dienen, tenzij VEP alsnog bevestigt de aandelen voor € 1,- over te dragen.\n\n2.14.. Bij brief van 6 mei 2026 heeft Manya bericht hiermee niet akkoord te gaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nManya vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. Infinity en Situs te verbieden over te gaan tot enige executiemaatregel met\n\nbetrekking tot het Pandrecht, waaronder doch niet beperkt tot (i) het indienen van een verzoekschrift ex artikel 3:251 BW en (ii) het houden van een openbare executieveiling, op straffe van een dwangsom van € 500.000 per overtreding;\n\nalthans Infinity en Situs te verbieden voornoemde executiemaatregelen te nemen tot 1 januari 2027, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, op straffe van dezelfde dwangsom;\n\nII. Infinity en Situs te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Manya legt aan haar vordering ten grondslag dat executie van het Pandrecht in de gegeven omstandigheden misbruik van recht oplevert (artikel 3:13 BW), in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 jo artikel 6:248 BW) en in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is (artikel 6:162 BW).\n\n3.3.. Situs en Infiinity hebben verweer gevoerd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In de SFA en pandakte is overeengekomen dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is om van geschillen tussen partijen kennis te nemen.\n\n4.2.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Upforce jegens Infinity tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de SFA. De achterstand (en volgens Infinity de gehele financiering) is daardoor opeisbaar. Infinity en Situs zijn (dus) bevoegd tot uitwinning van het Pandrecht. Manya heeft in dit kort geding op vijf gronden aangevoerd dat uitwinning van het Pandrecht in haar visie misbruik van recht oplevert, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dan wel onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat hiervan geen sprake is en licht dit als volgt toe.\n\n(1) de kaspositie van Upforce\n\n4.3.. De kaspositie van Upforce zou (ruim) voldoende zijn om de opeisbare schuld van Infinity te voldoen, aldus Manya. Upforce zou per 19 mei 2026 over een vrij beschikbare kaspositie beschikken van ongeveer € 5.100.000 (dus na aftrek van de gelden die op de G-rekening staan), terwijl de opeisbare achterstand ongeveer € 3.400.00 bedraagt. Daar komt bij dat VEP op 17 februari 2026 (zie 2.12) een voorstel heeft gedaan om € 1.250.000 aan kapitaal in te brengen in Upforce en een liquiditeitsfaciliteit van € 2.150.000 aan Upforce ter beschikking te stellen, waardoor de kaspositie van Upforce aanmerkelijk wordt versterkt. Omdat het stemrecht op de aandelen is overgegaan naar Infinity kan zij eenvoudigweg bewerkstelligen dat de achterstand uit de kaspositie wordt voldaan, dit alles aldus Manya.\n\n4.4.. Gezien het door Infinity en Situs gevoerde verweer op dit punt kan de voorzieningenrechter er voorshands niet van uitgaan dat de kaspositie van Upforce voldoende is, laat staan ruim voldoende, om de achterstand te voldoen. Overigens doet dit standpunt van Manya de vraag rijzen waarom die achterstand dan niet al (geheel of gedeeltelijk) is voldaan. Allereerst is de achterstand, aldus Infinity, per 16 juni 2026 opgelopen tot afgerond € 4.033.000. Infinity heeft verder aangevoerd en onderbouwd dat de vrij beschikbare gelden die onderdeel uitmaken van de kaspositie lager zijn en de gebonden gelden (op de G-rekening) hoger dan door VEP\u002FManya gesteld. Infinity heeft ook gewezen op een e-mail van 8 juni 2026 van de cfo van Upforce (geciteerd in de pleitnota van de advocaat van Infinity) waaruit volgt dat de vrij beschikbare gelden van de kaspositie niet in zijn geheel kunnen worden aangewend voor het voldoen van de achterstand aan Infinity omdat een bedrag van € 1.050.000 (exclusief de gelden op de G-rekening) beschikbaar moet blijven voor Upforce om haar activiteiten te kunnen ontplooien. Tot slot is van belang dat Upforce per 30 juni 2026 nog eens € 1.238.438 aan Infinity moet voldoen (rente over het tweede kwartaal 2026 en aflossingen), per 30 september 2026 € 340.130 (rente over het derde kwartaal 2026) en per 31 december 2026 € 1.210.592 (rente over het vierde kwartaal 2026 en aflossingen). Niet aannemelijk is dat Upforce uit haar kaspositie aan deze verplichtingen kan voldoen. Ook VEP gaat hier al langere tijd vanuit. In dit verband heeft Infinity verwezen naar een door haar in het geding gebrachte prognose van [naam 4] (Financial and Risk Advisory Solutions) waaruit kan worden afgeleid dat Upforce niet in staat is aan haar verplichtingen onder de SFA te voldoen, zonder in ernstige liquiditeitsproblemen te geraken en zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Dat de cijfers waarop [naam 4] zich baseert achterhaald zouden zijn, zoals Manya beweert, doet niet af aan de strekking van haar prognose (die ook ziet op het verdere verloop van het jaar 2026). Dat Infinity over het stemrecht op de aandelen in Upforce beschikt en daarom kan bewerkstelligen dat de achterstand wordt voldaan, is voorshands onjuist. Gezien hetgeen Infinity hierover heeft aangevoerd kan niet worden uitgesloten dat dit leidt tot voor (de onderneming van) Upforce onaanvaardbare gevolgen. Dit druist in tegen het belang van alle betrokkenstakeholders.(2) behoorlijk aanbod van Manya tot zuivering van het verzuim\n\n4.5.. Manya stelt dat VEP, namens haar, vaker een volledig uitgewerkt voorstel tot zuivering van het verzuim heeft gedaan, voor het laatst op 17 februari 2026, en dat Infinity die voorstellen ten onrechte heeft afgewezen. Van belang hierbij is, aldus Manya, dat het verzuim niet aan haar is toe te rekenen, maar uitsluitend is ontstaan door het handelen van Upforce als hoofdschuldenaar. Bovendien moeten de voorstellen van VEP worden gezien tegen de achtergrond dat de uitwinning van het Pandrecht disproportioneel is jegens Manya omdat zij na die uitwinning geen recht heeft op regres en subrogatie jegens Upforce, aldus Manya.\n\n4.6.. De voorstellen die VEP in 2025 en voor het laatst op 17 februari 2026 heeft gedaan, waren – zoals Infinity en Situs terecht hebben aangevoerd – niet onvoorwaardelijk zodat geen sprake is van een aanbod in de zin van artikel 6:86 BW. Zo stelde VEP steeds de voorwaarden dat Infinity een deel van haar vordering moest afboeken, dat alle achtergestelde leningen (de vendor loans) zonder tegenprestatie geëlimineerd moesten worden, dat de SFA moest worden aangepast en heeft zij geen volledige vergoeding van schade en kosten aangeboden. Dat de financiële problemen enkel te wijten zouden zijn aan (het bestuur van) Upforce, maakt niet dat de door VEP (Manya) gedane voorstellen die zij als derdenpandgever heeft gedaan te gelden hebben als een volwaardig aanbod in de zin van artikel 6:86 BW.\n\n(3) Infinity kan haar vordering niet voldoen uit de opbrengst van de aandelen\n\n4.7.. Infinity meent dat de aandelen waarop het Pandrecht rust een negatieve waarde vertegenwoordigen, althans € 1,- waard zijn. Uitwinning van het Pandrecht heeft dus niet tot gevolg dat de vordering van Infinity kan worden voldaan, aldus Manya.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan de opbrengst in geld. Het enkele feit dat de achterstand niet (geheel) zal kunnen worden voldaan uit de opbrengst van de aandelen brengt niet zonder meer mee dat sprake is van misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen.\n\n(4) Infinity wil de eigendom van de aandelen en toekomstige kasstromen naar zich toe trekken\n\n4.9.. Manya voert hierover aan dat uit de brief van Infinity van 30 april 2026 (zie 2.13) kan worden afgeleid dat het doel van Infinity met uitwinning van het Pandrecht niet is verhaal voor haar vordering, maar het verkrijgen van de eigendom van de onderneming.\n\n4.10.. Ook hier geldt, net als in 4.8 overwogen, dat een pandhouder andere legitieme doelen mag beogen met uitwinning van een pandrecht dan verhaal voor zijn vordering. Een pandhouder mag beogen, als aandeelhouder, vat te krijgen op de onderneming met als doel in de toekomst (een deel van) zijn financiering terug te krijgen via de opbrengst van de aandelen. Dit op zich levert geen misbruik van recht, strijd met de redelijkheid en billijkheid of onrechtmatig handelen op.\n\n(5) de amendment and standstill agreement4.11. Hierover voert Manya aan dat Infinity in deamendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 heeft toegezegd de financiering niet bij de schuldenaren (de verschillende vennootschappen binnen de Upforce-groep) op te eisen, maar nu wel aanklopt bij Manya als derdenpandgever. Dit maakt destandstillvoor Manya illusoir en dit is precies de situatie die artikel 3:234 lid 1 BW probeert te voorkomen. De contractuele uitsluiting van dit artikel in de pandakte laat de werking van het misbruikverbod onverlet; het misbruikverbod heeft een universeel karakter en kan niet worden weg gecontracteerd, aldus Manya.\n\n4.12.. Allereerst heeft Infinity terecht de vraag opgeworpen of de amendment and standstill agreementvan 21 januari 2026 nog wel van kracht is, aangezien die overeenkomst uitging van de toen bestaandeevents of defaulten zich na het sluiten van deze overeenkomst meerdere nieuweevents of defaulthebben voorgedaan. Zo is op 31 maart 2026 niet, zoals overeengekomen, de rente over het eerste kwartaal 2026 voldaan. Verder heeft Infinity er terecht op gewezen dat artikel 3:234 BW is uitgesloten in de pandakte. VEP heeft er dus bewust voor gekozen dat Infinity niet gehouden is eerst het pandrecht op de goederen van Upforce uit te winnen, alvorens zij het Pandrecht op de aandelen van Manya in Upforce kan uitwinnen. Van belang is dat dit een gebruikelijke afspraak is in zakelijke (acquisitie) financieringen waarmee VEP bekend is. De stelling dat artikel 3:234 BW niet kan worden weg gecontracteerd is onjuist.\n\ntot slot\n\n4.13.. Tot slot geldt dat Infinity heeft te gelden als professionele financier. Er mag van haar in die rol extra zorgvuldigheid worden verwacht alvorens zij overgaat tot uitwinning van een pandrecht op aandelen. In dit kort geding is niet gebleken van aanwijzingen dat zij in strijd met die zorgvuldigheid zou hebben gehandeld. Infinity heeft VEP ruim de tijd en de gelegenheid geboden om met oplossingen te komen. Dat niet is gekomen tot een voor beide partijen acceptabele oplossing, wil niet zeggen dat Infinity onzorgvuldig heeft gehandeld.\n\nconclusie en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat de vorderingen van Manya worden afgewezen. Manya is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Situs en Infinity worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt Manya in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Manya niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nColl: BB","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6625","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:34.520Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":69,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":63,"updatedAt":72},"1091","ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","ecli-nl-rbams-2026-6728","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F783043 \u002F HA ZA 26-105\n\nVonnis in incident van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [woonplaats 1] ,\n\neisers in de hoofdzaak,\n\nverweerders in het incident,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] en samen [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Kersbergen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J.J.F. van de Voort.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,\n\nde incidentele conclusie houdende exceptio plurium litis consortium,\n\nde conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt uitgesproken.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. In de hoofdzaak vordert [eisers] kort gezegd terugbetaling van een viertal geldleningen van [gedaagde] , vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daaraan legt zij ten grondslag dat er vanaf 2020 drie leningen tussen [eiser 1] en [gedaagde] tot stand zijn gekomen (lening A t\u002Fm C) en één gezamenlijke lening (lening D) tussen enerzijds [eisers] en anderzijds [gedaagde] en zijn echtgenote, mevrouw [naam] (hierna: [naam] ). Volgens [eisers] zijn alle vier de leningen niet tijdig en niet volledig afgelost. [eisers] heeft in januari 2026, met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam, conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en (de onverdeelde helften van) de woning van [gedaagde] en [naam] , waarna zij [gedaagde] heeft gedagvaard.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [gedaagde] vordert in het incident - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\n [eisers] in de gelegenheid stelt om [naam] alsnog als partij in het geding in de hoofdzaak te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv tegen een door de rechtbank te bepalen roldatum,\n\neen roldatum bepaalt op welke [gedaagde] de conclusie van antwoord dient te nemen,\n\n [eisers] veroordeelt in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [gedaagde] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij de rechtbank te bepalen dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak binnen twee weken na de datum van dit vonnis dient te nemen, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. \n [gedaagde] stelt dat [naam] alsnog bij de hoofdzaak moet worden betrokken, omdat ten aanzien van de gestelde lening D sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het is namelijk noodzakelijk dat de beslissing ten aanzien van lening D voor alle betrokkenen in dezelfde zin luidt, net zoals de op grond daarvan ingestelde vordering zoals vergoeding van de beslagkosten. Daarnaast heeft [eisers] in de dagvaarding ook stellingen ingenomen over de juridische positie van [naam] en de door haar verrichte betalingen. Verder heeft [eisers] beslag gelegd ten laste van [naam] , terwijl de eis in de hoofdzaak daarna niet tegen haar is ingesteld. Door haar niet te dagvaarden, ontneemt [eisers] [naam] de mogelijkheid om bijvoorbeeld een reconventionele vordering in te stellen tegen het gelegde beslag, aldus steeds [gedaagde] .\n\n4.2.. \n [eisers] betwist dat er sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Zij stelt dat daarvan slechts sprake is als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. In deze zaak hebben [gedaagde] en [naam] zich hoofdelijk verbonden voor het terugbetalen van lening D. Deze hoofdelijkheid maakt dat [eisers] een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens [gedaagde] voor het geheel, ongeacht de (eventuele) interne draagplicht tussen [gedaagde] en [naam] . Voor zover er geen sprake zou zijn van hoofdelijkheid maar van pluraliteit van schuldenaren, geldt evenmin dat er sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. In dat geval kan de vordering jegens [gedaagde] (gedeeltelijk) toe- of afgewezen worden, zonder dat daarvoor een gelijkluidende beslissing ten aanzien van [naam] vereist is.\n\n4.3.. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [eisers] beslist kan worden zonder dat [naam] bij de procedure betrokken wordt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake is van een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding als het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle bij die rechtsverhouding betrokkenen gelijkluidend is.In dat geval moeten ook alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure worden opgeroepen.\n\n4.4.. In dit geval is er echter geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dat [naam] (hoofdelijk) medeschuldenaar is van lening D maakt niet dat de rechtsverhouding processueel ondeelbaar is. Bij een vordering tegen meer dan één (hoofdelijk verbonden) schuldenaar hoeft namelijk niet tegen alle schuldenaren in gelijke zin te worden beslist.Ook de andere omstandigheden die [gedaagde] aanvoert maken niet dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voor zover die omstandigheden van invloed zijn op de toewijsbaarheid van (delen van) de vordering, maakt dat niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de uitspraak voor alle betrokkenen gelijkluidend is. Dat betekent dat het beroep van [gedaagde] op deexceptio plurium litis consortiumniet slaagt en [eisers] niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om [naam] op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.\n\nkosten van het incident\n\n4.5.. \n [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten [eisers] worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × tarief II)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n842,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de kosten van het incident wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nvervolg van de hoofdzaak\n\n4.7.. De rechtbank ziet aanleiding om de termijn waarbinnen [gedaagde] zijn conclusie van antwoord in de hoofdzaak dient te nemen, vast te stellen op vier weken na de datum van dit vonnis.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst het gevorderde af,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de kosten van het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor conclusie van antwoord.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5166 onder verwijzing naar HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911 en HR 18 december 2005, ECLI:NL:HR:2015:3637.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6728","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.551Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":80},"1572","ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","ecli-nl-rbams-2026-6589","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 12024959 \\ CV EXPL 25-17715\n\nVonnis van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nDE REGIEBEHANDELAARS B.V.,\n\ngevestigd te Waardenburg,\n\neiseres,\n\nhierna te noemen: De Regiebehandelaars,\n\ngemachtigde: In-Kas Intermediair BV,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats], 2. [gedaagde 2] ,\n\nwonende te [woonplaats 1], 3. [gedaagde 3],\n\nwonende te [woonplaats 2], 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] en samen [gedaagden],\n\ngemachtigde: mr. O. Planten.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 november 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 5 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte houdende wijziging van eis en overlegging producties van De Regiebehandelaars,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan de zittingsaantekeningen en de spreekaantekeningen van [gedaagden] zich in het dossier bevinden.\n\n1.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De Regiebehandelaars is een werving- en selectiebureau voor personeel in de zorgsector.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] is een instelling die zich bezighoudt met psychiatrische zorg en verslavingszorg. [gedaagde 2] is samen met [gedaagde 3] en [gedaagde 4] bestuurder van [gedaagde 1].\n\n2.3.. Op 14 juni 2023 hebben [gedaagde 2] en (een medewerker van) De Regiebehandelaars een kennismakingsgesprek gevoerd. Nadat De Regiebehandelaars haar algemene voorwaarden had toegestuurd, heeft [gedaagde 2] gevraagd om de rest van de documenten, zodat hij die met zijn partners kon bespreken. Dezelfde dag heeft [gedaagde 2] per e-mail vacatureteksten toegestuurd aan De Regiebehandelaars, waarbij hij zijn mail heeft afgesloten met ‘Bestuurder [gedaagde 1]’.\n\n2.4.. Op 16 juni 2023 heeft [gedaagde 2] de door hem getekende samenwerkingsovereenkomst inclusief algemene voorwaarden (hierna: de overeenkomst) toegestuurd aan De Regiebehandelaars met als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’. Op basis van de overeenkomst zou De Regiebehandelaars personeel gaan werven voor de opdrachtgever, die wordt omschreven als ‘nieuw op te starten organisatie ([gedaagde 2] )’.\n\n2.5.. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de opdrachtgever een ‘completion fee’ verschuldigd is aan De Regiebehandelaars als er een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht tussen een kandidaat en de opdrachtgever tot stand komt. De fee bij een arbeidsovereenkomst bedraagt drie maal het salaris van de kandidaat conform de bijpassende functieschaal van de actuele cao GGZ, exclusief btw. Verder bepaalt artikel 7.2 van de overeenkomst voor zover relevant het volgende:\n\n“Indien de Opdrachtgever een door De Regiebehandelaars geïntroduceerde Kandidaat afwijst of de Kandidaat een aanbod van de Opdrachtgever voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst afwijst, waarna de Opdrachtgever vervolgens binnen 18 maanden na de introductie van de Kandidaat door De Regiebehandelaars alsnog een arbeidsovereenkomst dan wel andere contractuele relatie met de Kandidaat aangaat, (…) zal de Opdrachtgever gehouden zijn tot betaling van de totale kosten conform het in artikel 4 van deze Algemene Wervingsvoorwaarden bepaalde.”\n\n2.6.. De Regiebehandelaars heeft in de periode na het sluiten van de overeenkomst verschillende kandidaten geïntroduceerd bij [gedaagde 2], waarmee hij ook kennismakingsgesprekken heeft gevoerd.\n\n2.7.. \n\nIn een e-mail van 25 augustus 2023 heeft De Regiebehandelaars [gedaagde 2] gevraagd of zij twee kandidaten officieel kon bevestigen. In de e-mail staat verder voor zover relevant:\n\n“Dan zullen wij een margecontract met hen opstellen. Zij krijgen dan een overeenkomst van opdracht met [gedaagde 1] waarin het all-in tarief staat vermeld. (…)”\n\n2.8.. Op 29 augustus 2023 is [gedaagde 1] opgericht en op 31 augustus 2023 is zij ingeschreven in het handelsregister.\n\n2.9.. Op 14 september 2023 heeft De Regiebehandelaars het curriculum vitae van [naam] (hierna: [naam]) aan [gedaagde 2] gemaild. De week erna heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] en [naam].\n\n2.10.. Op 4 oktober 2023 heeft [gedaagde 2] aan De Regiebehandelaars gemaild dat de inhuur van twee van de aangedragen kandidaten niet door kan gaan omdat zijn partners – na een bestuursvergadering – ervan afzagen in verband met de kosten. Ook [naam] is uiteindelijk afgewezen.\n\n2.11.. De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] dezelfde dag per e-mail laten weten dat zij niet blij was met de gang van zaken en stappen zal ondernemen als [gedaagde 1] buiten haar om zaken ging doen met kandidaten.\n\n2.12.. Op 29 december 2023 hebben [gedaagde 1] en [naam] een arbeidsovereenkomst getekend op grond waarvan [naam] in dienst trad als basispsycholoog voor een salaris van € 4.785 bruto per maand volgens cao GGZ schaal 60 trede 5\u002F42.\n\n2.13.. Op 24 september 2025 is De Regiebehandelaars bekend geraakt met de indiensttreding van [naam] bij [gedaagde 1]. Daarop heeft zij een factuur gestuurd aan [gedaagde 1] voor de fee voor [naam] ter hoogte van € 17.369,55 inclusief btw.\n\n2.14.. In reactie op een betaalherinnering van De Regiebehandelaars heeft [gedaagde 2] op 17 oktober 2025 per e-mail laten weten dat [gedaagde 1] in financieel zwaar weer verkeert en dat er geen middelen beschikbaar zijn om de fee te voldoen.\n\n2.15.. Vanaf 5 november 2025 heeft de gemachtigde van De Regiebehandelaars [gedaagde 1] meerdere keren gesommeerd om de factuur met rente en incassokosten te voldoen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Regiebehandelaars vordert na eiswijziging – samengevat – dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van:\n\n€ 17.369,55 aan hoofdsom;\n\n€ 253,24 aan wettelijke handelsrente tot aan de dag van de dagvaarding;\n\n€ 948,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. De Regiebehandelaars legt aan haar vorderingen op [gedaagde 1] ten grondslag dat zij op grond van artikel 7.2 van de overeenkomt recht heeft op betaling van de fee. Tegenover [gedaagde 2] beroept zij zich op aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Bij dagvaarding had De Regiebehandelaars ook [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aansprakelijk gesteld, maar deze vorderingen heeft zij bij eiswijziging ingetrokken.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Regiebehandelaars in de proceskosten. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat [gedaagde 1] niet gebonden is aan de overeenkomst en dat uit artikel 7.2 in dit geval geen vergoedingsplicht volgt. Verder is van (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2] geen sprake, aldus [gedaagden]\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nde vorderingen op [gedaagde 1]\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] de overeenkomst heeft getekend vóór dat [gedaagde 1] eind augustus 2023 werd opgericht. De vraag is dus of [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst.\n\n4.2.. Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Alleen de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de rechtshandeling is bevoegd om deze rechtshandeling te bekrachtigen.\n\n4.3.. Partijen zijn het erover eens dat van een uitdrukkelijke bekrachtiging van de overeenkomst geen sprake is geweest. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 1] de overeenkomst stilzwijgend heeft bekrachtigd door uitvoering te geven aan de overeenkomst, en dat uit e-mails blijkt dat [gedaagde 2] steeds namens [gedaagde 1] handelde. [gedaagden] betwist dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd en voert aan dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens zichzelf heeft getekend.\n\n [gedaagde 1] heeft de overeenkomst stilzwijgend bekrachtigd\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] gebonden is aan de overeenkomst omdat zij die na haar oprichting stilzwijgend heeft bekrachtigd. [gedaagde 2] heeft zowel voor als na de oprichting verwezen naar overleg met de andere bestuurders van [gedaagde 1] over de overeenkomst en het al dan niet accepteren van kandidaten (zie onder 2.3 en 2.10). Dat wijst erop dat niet [gedaagde 2] persoonlijk de ‘opdrachtgever’ was uit de overeenkomst, maar [gedaagde 1]. Uit de mail van 4 oktober 2023 blijkt immers dat het bestuur van [gedaagde 1] – kennelijk – de bevoegdheid had om kandidaten van De Regiebehandelaars af te wijzen, en niet alleen [gedaagde 2]. Bovendien volgt uit de overeenkomst en de e-mail genoemd onder 2.7 dat de kandidaten die De Regiebehandelaars had geworven in dienst zouden treden bij (of in opdracht zouden werken voor) [gedaagde 1], zodat De Regiebehandelaars ervan uit mocht gaan [gedaagde 1] ook de opdrachtgever was voor de werving en selectie van die kandidaten. Tot slot heeft [gedaagde 2] in zijn onder 2.14 genoemde e-mail namens [gedaagde 1] geschreven dat de vennootschap – en niet hijzelf – geen middelen had om de fee te voldoen.\n\n4.5.. Verder was [gedaagde 1] de vennootschap die partijen op het oog hadden bij het aangaan van de overeenkomst. [gedaagde 2] heeft de e-mail waarin hij de vacatureteksten heeft verstuurd namelijk ondertekend met ‘[gedaagde 2] , Bestuurder [gedaagde 1]’, een naam die sterk lijkt op de statutaire naam van het (later opgerichte) [gedaagde 1]. Ook staat in de vacatureteksten zelf dat het gaat om een baan in een nieuwe [gedaagde 1]-instelling die gespecialiseerd is in psychiatrie- en verslavingsproblematiek, wat overeenkomt met de activiteiten die [gedaagde 1] uitvoert. Tot slot heeft ook de e-mail waarmee [gedaagde 2] de getekende versie van de overeenkomst stuurde als onderwerp ‘[gedaagde 1] [gedaagde 2]’.\n\n4.6.. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde 2] de overeenkomst namens [gedaagde 1] heeft gesloten en [gedaagde 1] de overeenkomst daarna stilzwijgend heeft bekrachtigd, zodat zij daaraan gebonden is. Hierna wordt beoordeeld of er ook een betalingsverplichting voor [gedaagde 1] volgt uit de overeenkomst.\n\n [gedaagde 1] moet de fee betalen met rente en kosten\n\n4.7.. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] en [naam] op 29 december 2023 een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en dat dit binnen de in artikel 7.2 van de overeenkomst genoemde termijn van 18 maanden valt. Dat betekent in beginsel dat [gedaagde 1] de fee moet betalen aan De Regiebehandelaars.\n\n4.8.. \n [gedaagden] voert nog aan dat de aanstelling van [naam] niet leidt tot een fee, omdat er onvoldoende verband is tussen de introductie van [naam] en de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Dat verweer gaat niet op, omdat de overeenkomst een dergelijk (causaal) verband niet vereist. Voor de verschuldigdheid van de fee is immers alleen vereist dat een afgewezen kandidaat binnen 18 maanden alsnog in dienst treedt bij de opdrachtgever, wat hier is gebeurd.\n\n4.9.. \n [gedaagden] voert verder aan dat De Regiebehandelaars weinig heeft bijgedragen aan de arbeidsovereenkomst, zodat de betaling van de (volledige) fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter gaat hier niet in mee. De Regiebehandelaars heeft ter zitting voldoende toegelicht dat er (veel) werk zit in de werving en selectie van kandidaten. Als een in eerste instantie afgewezen kandidaat alsnog binnen 5 maanden aangenomen blijkt te zijn, is het dan ook niet onredelijk dat De Regiebehandelaars voor dat werk een vergoeding wil. Exclusiviteitsbedingen als artikel 7.2 zijn dan ook niet ongebruikelijk bij werving- en selectiebureaus en [gedaagde 2] is bovendien gewaarschuwd om niet buiten De Regiebehandelaars om zaken te doen met kandidaten. Onder die omstandigheden is betaling van de fee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.\n\n4.10.. Het voorgaande betekent dat op [gedaagde 1] onverkort de verplichting rust om de fee te betalen aan De Regiebehandelaars. De kantonrechter gaat voorbij aan de betwisting van de hoogte van de factuur, nu De Regiebehandelaars heeft onderbouwd dat de hoogte van de factuur overeenkomt met driemaal het salaris van [naam] conform de destijds geldende cao GGZ, en [gedaagden] daar niets tegenover heeft gesteld. Daarom wordt een bedrag van € 17.369,55 toegewezen.\n\nwettelijke handelsrente\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke handelsrente van € 253,24 zal worden toegewezen. [gedaagde 1] heeft de factuur namelijk niet binnen de vervaltermijn betaald en is daarom in verzuim geraakt.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. De Regiebehandelaars vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De Regiebehandelaars heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De Regiebehandelaars heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 948,70 worden toegewezen.\n\nde vorderingen op [gedaagde 2]\n\n4.13.. De Regiehandelaars houdt (ook) [gedaagde 2] aansprakelijk voor betaling van de factuur, op grond van artikel 2:203 lid 2 en 3 BW en artikel 6:162 BW. De vorderingen tegenover [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 2 BW\n\n4.14.. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat degene die een rechtshandeling namens een op te richten vennootschap verricht daaraan is verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat [gedaagde 1] de overeenkomst heeft bekrachtigd, betekent dit het einde van de persoonlijke verbondenheid van [gedaagde 2] aan de overeenkomst. Hij hoeft de overeenkomst dus niet na te komen.\n\n [gedaagde 2] is niet aansprakelijk op grond van artikel 2:203 lid 3 BW of artikel 6:162 BW\n\n4.15.. De Regiebehandelaars stelt dat [gedaagde 2] op het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met [naam] ondertekende, wist dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en daarom aansprakelijk is op grond van artikel 2:203 lid 3 BW. Bovendien is sprake van verhaalsfrustratie omdat [gedaagde 2] bewust betaling heeft achtergehouden, zodat hij ook op grond van 6:162 BW aansprakelijk is, aldus De Regiebehandelaars.\n\n4.16.. De kantonrechter stelt voorop dat indien de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, de bestuurder of degene die namens de op te richten vennootschap handelde aansprakelijk kan zijn voor de schade die een derde daardoor lijdt. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 3 BW is vereist dat degene die handelde namens de vennootschap wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van verhaalsfrustratie is vereist dat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.\n\n4.17.. De Regiebehandelaars heeft voor beide vormen van aansprakelijkheid onvoldoende feiten aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] tijdens het sluiten van de overeenkomst of het aangaan van de arbeidsovereenkomst geen middelen had. De e-mail van [gedaagde 2] genoemd onder 2.14 is daarbij niet relevant, omdat die pas op 17 oktober 2025 is verstuurd. Ook is het enkele feit dat [gedaagde 2] de factuur niet heeft betaald onvoldoende voor verhaalsfrustratie.\n\n4.18.. Nu [gedaagde 2] niet gebonden is aan de overeenkomst en niet persoonlijk aansprakelijk is tegenover De Regiebehandelaars, hoeft hij de factuur niet te betalen. De vorderingen op [gedaagde 2] worden dus afgewezen.\n\nproceskosten\n\n4.19.. \n [gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom hoofdelijk de proceskosten van De Regiebehandelaars betalen. De proceskosten van De Regiebehandelaars worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n244,18\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.756,18\n\nhoofdelijkheid\n\n4.20.. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 17.622,79,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan De Regiebehandelaars te betalen een bedrag van € 948,70 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.756,18, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, kantonrechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6589","2026-07-13T00:29:27.658Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":88},"494","ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","ecli-nl-rbams-2026-6634","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773119 \u002F HA ZA 25-1326\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTKOPER VASTGOED B.V.,\n\ngevestigd in Lienden,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Houtkoper,\n\nadvocaat: mr. O.B. Schoemaker,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n1. [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nadvocaat: mr. G.A. van Gorcom.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Houtkoper heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingeschakeld voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in meerdere vakantiewoningen. Houtkoper vindt het eindresultaat niet goed. Dat komt volgens expert TBA wat betreft de wandafwerking grotendeels doordat de ondergrond slecht was. Houtkoper verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet vooraf hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van die ondergrond. Houtkoper wil dat de rechtbank de overeenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbindt en bepaalt dat zij de door Houtkoper betaalde facturen van ongeveer € 46.000,- en schadevergoeding van ongeveer € 99.000,- moeten (terug)betalen.\n\n1.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat de overeenkomst gesloten is met [gedaagde 1] en niet ook met (de eenmanszaak van) [gedaagde 2] . [gedaagde 1] vindt dat zij voldoende gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van de ondergrond. Die gevolgen komen daarom voor rekening van Houtkoper. Daarnaast gaat het slechts om een aantal esthetische punten die eenvoudig konden worden opgelost, maar Houtkoper heeft [gedaagde 1] daarvoor geen gelegenheid geboden. Met de gietvloeren is volgens [gedaagde 1] niets mis. De vordering van Houtkoper moet dus worden afgewezen. Als de vordering (deels) wordt toegewezen beroept [gedaagde 1] zich op haar algemene voorwaarden en verrekening met de openstaande factuur. Als niet wordt verrekend vordert [gedaagde 1] ongeveer € 18.000,- aan nog openstaande aanneemsom min de volgens [gedaagde 1] maximale herstelkosten en de kosten die Houtkoper voor expert TBA heeft gemaakt.\n\n1.3.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde 1] en niet ook met [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft onvoldoende duidelijk gewaarschuwd voor de gevolgen van de slechte ondergrond, terwijl zij dat wel had moeten doen. De rechtbank ontbindt daarom de overeenkomst voor wat betreft de wandafwerking. Als gevolg hiervan moet [gedaagde 1] het deel dat Houtkoper daarvoor heeft betaald aan Houtkoper terugbetalen. Daarnaast moet [gedaagde 1] een deel van de gevorderde vertragingsschade, kosten voor TBA en buitengerechtelijke incassokosten vergoeden. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] niet van toepassing zijn op de overeenkomst. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 17 juli 2025, met producties,\n\nde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,\n\nde conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,\n\nhet tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nhet verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de daarin genoemde stukken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Houtkoper ontwikkelt een recreatiepark genaamd [naam villapark] .\n\n3.2.. \n [gedaagde 1] is onder andere actief in de (giet)vloerenbranche. De enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [bedrijf 1] B.V. Daarvan is [gedaagde 2] op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is daarnaast eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 2] . [bedrijf 2] houdt zich bezig met de verkoop en applicatie van naadloze, waterdichte en elastische biopolymeer wandafwerking systemen.\n\n3.4.. Houtkoper is akkoord gegaan met de offerte van 21 maart 2024 voor het aanbrengen van [bedrijf 2] wandafwerking en [gedaagde 1] gietvloeren in twaalf vakantiewoningen op het recreatiepark. Houtkoper had voor het project vooral contact met [gedaagde 2] en [naam] .\n\n3.5.. \n\nOp 30 april 2024 heeft een vooropname plaatsgevonden op het recreatiepark. [gedaagde 2] heeft hiervan op 1 mei 2024 een kort verslag per e-mail aan Houtkoper gestuurd. Daarin staat:\n\n“(…) Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid \u002Fonvlakheid van de ondergrond. (…) De nog te stucen delen (tegels en\u002Fof gipsplaat) mag direct met Ardex Ri, (cement stuk is niet nodig) gedaan worden, graag glad en strak. (…)”3.6.. In mei 2024 zijn de werkzaamheden gestart.\n\n3.7.. Houtkoper heeft de facturen van 13 mei 2024 en 27 mei 2024 van in totaal € 46.164,- betaald. De laatste factuur van 19 juni 2024 van € 23.909,05 heeft Houtkoper niet betaald.\n\n3.8.. Houtkoper heeft zich herhaaldelijk tot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gericht over de (kwaliteit) van de uitgevoerde werkzaamheden. Daarna zijn meermaals herstelwerkzaamheden uitgevoerd.\n\n3.9.. \n\nIn opdracht van Houtkoper heeft Technisch Bureau Afbouw (TBA) op 30 juli 2024 onderzoek gedaan naar de uitgevoerde werkzaamheden en daarvan een rapport opgesteld. In het rapport van 5 augustus 2024 staat als conclusie:\n\n“De door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte pu-gietvloer voldoet aan de overeenkomst en van afkeur is op basis hiervan, en naar alle redelijkheid en billijkheid, geen sprake. Voor wat betreft de door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte [bedrijf 2] wandafwerking dient gesteld te worden dat deze technisch gezien, voor zover als zicht- en\u002Fof meetbaar, voldoende van kwaliteit is aangebracht. Esthetisch gezien (…) bevat deze wandafwerking een aantal gebreken. Deze gebreken komen voort vanuit de gestucte ondergrond waarop het [bedrijf 2] wandsysteem is aangebracht. (…)”\n\n4. De vorderingen over en weer\n\nde vorderingen van Houtkoper (in conventie)\n\n4.1.. \n\nHoutkoper vordert na wijziging van eis dat de rechtbank:\n\nI. de overeenkomst tussen partijen ontbindt, in die zin dat Houtkoper de openstaande factuur van € 23.909,05 en de al betaalde facturen niet (meer) verschuldigd is en de door Houtkoper betaalde facturen van in totaal € 46.174,- worden terugbetaald door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 54.024,77 als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.560,- aan schadevergoeding voor het schoonmaken van kozijnen, vermeerderd met btw en de wettelijke rente,\n\nIV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 43.447,- aan vertragingsschade, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nVI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proces- en nakosten.\n\nHoutkoper verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nde tegenvordering van [gedaagde 1] (in voorwaardelijke reconventie)\n\n4.2.. \n [gedaagde 1]\n vordert dat de rechtbank Houtkoper veroordeelt tot betaling van € 17.989,70 voor zover deze vordering niet door verrekening in conventie teniet is gegaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2024 en de proces- en nakosten. Dit bedrag is gebaseerd op de openstaande factuur van € 23.909,05, min de kosten voor TBA en de maximale herstelkosten. Ook [gedaagde 1] verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen behandelt de rechtbank ze gezamenlijk.\n\n [bedrijf 2] \u002F [gedaagde 2] is geen contractspartij\n\n5.2.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper en [gedaagde 1] een overeenkomst hebben gesloten voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in de vakantiewoningen. Houtkoper vindt dat zij de overeenkomst ook is aangegaan met [bedrijf 2] (en daarmee [gedaagde 2] als eigenaar van deze eenmanszaak). Houtkoper wijst in dat kader op het logo van [bedrijf 2] op de offerte en de facturen, en dat ook vanuit [bedrijf 2] is gemaild. De overeenkomst is tot stand gekomen omdat Houtkoper [bedrijf 2] , niet [gedaagde 1] , op een beurs zag staan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat steeds vanuit [gedaagde 1] is gehandeld. [bedrijf 2] wordt alleen als naam gebruikt van het product voor de wandafwerking.\n\n5.3.. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf 2] (en dus [gedaagde 2] ) geen partij is bij de overeenkomst. Daarvoor heeft de rechtbank gekeken naar wat partijen tegen elkaar hebben gezegd en hoe zij zich hebben gedragen, en wat zij daaruit over en weer mochten afleiden. Ook omstandigheden van na het sluiten van de overeenkomst zijn daarbij betrokken.\n\n5.4.. Partijen hebben elkaar ontmoet op een beurs, waar op een stand het [bedrijf 2] product werd gepresenteerd, waarbij [gedaagde 2] en [naam] aanwezig waren. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werden daarop ook gietvloeren van [gedaagde 1] gepresenteerd. In maart 2024 heeft Houtkoper contact met [naam] die vanaf een emailadres van [bedrijf 2] mailt ( [e-mailadres] ). [naam] stuurt een mailwisseling van hem en [gedaagde 2] mee. [gedaagde 2] mailt ook vanaf een emailadres van [bedrijf 2] . De mail van [gedaagde 2] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [gedaagde 1] . De mail van [naam] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [bedrijf 2] . Vervolgens heeft Houtkoper een offerte gekregen die zij telefonisch heeft geaccepteerd. Met welke contractspartij de overeenkomst werd gesloten is toen niet expliciet besproken. Houtkoper heeft op de zitting gezegd dat zij zich toen niet heeft bezig gehouden met de vraag of sprake was van meer dan één contractspartij. Op de offerte van 21 maart 2024 staat zowel het logo van [gedaagde 1] als dat van [bedrijf 2] en het adres waar volgens de KvK-inschrijvingen beide bedrijven gevestigd zijn. De offerte wordt niet afgesloten met de naam van een contractspartij of een bestuurder en is niet ondertekend. In de offerte wordt zowel [bedrijf 2] (voor de wandafwerking) als [gedaagde 1] (voor de gietvloeren) als productnaam gebruikt: “ [bedrijf 2] wandsystemen en [gedaagde 1] gietvloeren hebben een bijzonder lange levensduur, ze gaan gemakkelijk meer dan 10 jaar mee.”In de offerte staat ook: “Wat uw wensen ook zijn, [gedaagde 1] maakt ze waar (…) [gedaagde 1] ontwerpt, ontwikkelt en realiseert unieke gietvloeren en wandsystemen.”. Op nadien gestuurde facturen staan de logo’s en het adres van beide bedrijven, het KvK-nummer van [gedaagde 1] en worden beide namen als productnaam gebruikt.\n\n5.5.. De rechtbank concludeert hieruit dat [gedaagde 1] de uitvoerder is van de overeengekomen werkzaamheden en de overeenkomst met haar is gesloten. Houtkoper heeft uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde 1] , [naam] en [gedaagde 2] niet kunnen en mogen afleiden dat de overeenkomst met twee partijen en dus ook met [bedrijf 2] is gesloten. De offerte en de e-mails bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Voor zover er vooraf onduidelijkheid was of er met [bedrijf 2] of [gedaagde 1] gecontracteerd werd, is die onduidelijkheid weggenomen met de bewoordingen in de offerte dat [gedaagde 1] de gietvloeren en de wandsystemen realiseert. De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden daarom afgewezen. De rechtbank beoordeelt de vorderingen van Houtkoper hierna alleen voor zover gericht tegen [gedaagde 1] .\n\nDe overeenkomst wordt gedeeltelijk ontbonden\n\n5.6.. Houtkoper vordert onder andere ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding. Voor beide vorderingen is in elk geval nodig dat [gedaagde 1] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat [gedaagde 1] in verzuim is, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is.\n\n [gedaagde 1] is wat betreft de wandafwerking tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst\n\n5.7.. Houtkoper stelt dat [gedaagde 1] op diverse punten tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Het grootse punt is de wandafwerking: TBA heeft geconcludeerd dat de wandafwerking niet goed was, (deels) door de slecht gestucte ondergrond. [gedaagde 1] heeft niet gewaarschuwd voor de ondeugdelijkheid van deze ondergrond terwijl ze dat wel had moeten doen. Ook de gietvloeren zijn niet deugdelijk aangelegd. Daarnaast lijkt het erop dat voor de gietvloeren en de wandafwerking verkeerde producten zijn gebruikt. Zij verwijst daarbij naar overgelegde foto’s en technische datasheets. Bij de herstelwerkzaamheden van [gedaagde 1] zijn er klodders van het wandmateriaal op de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen terecht gekomen. Bovendien had [gedaagde 1] het werk op 23 of 24 juni 2024 moeten opleveren en heeft ze dat niet gedaan.\n\n5.8.. \n [gedaagde 1] vindt dat zij de werkzaamheden goed volgens afspraak heeft uitgevoerd. Voor zover sprake is van uiterlijke (‘esthetische’) gebreken aan de wandafwerking komt dat door de ondergrond die Houtkoper zelf door de stukadoor heeft laten aanbrengen. Dit komt dus voor haar rekening. Bovendien heeft [gedaagde 1] voldaan aan haar waarschuwingsplicht doordat zij Houtkoper erop heeft gewezen dat het werk van de stukadoor onvoldoende vlak was en de glad- en vlakheid van de ondergrond gevolgd zou worden. Volgens [gedaagde 1] was Houtkoper hier als professionele vastgoedpartij mee bekend en heeft zij te laat een stukadoor laten langs komen. Daar komt bij dat [gedaagde 1] met een extra laag [bedrijf 2] het eindresultaat, ondanks de ondergrond, alsnog netjes zou hebben kunnen maken. Met de gietvloeren is niets mis, zo heeft ook TBA geconcludeerd. [gedaagde 1] is alleen bekend met klachten over vervuiling op de kozijnen, de overige plekken weet zij niets van. Over de kozijnen heeft Houtkoper te laat geklaagd, bovendien is dat eenvoudig te herstellen. Partijen zijn geen fatale termijn overeengekomen voor het opleveren van het werk, dus ook op dat punt is geen sprake van een tekortkoming.\n\n5.9.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst voor zover het gaat om de wandafwerking, omdat [gedaagde 1] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. De gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor de wandafwerking komen daarom voor rekening van [gedaagde 1] . Houtkoper heeft de andere gestelde tekortkomingen onvoldoende onderbouwd.\n\nWandafwerking: Schending waarschuwingsplicht\n\n5.10.. Uit artikel 7:760 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat als het werk niet goed is vanwege ongeschiktheid van de ondergrond van de opdrachtgever dat in beginsel voor rekening van de opdrachtgever komt. Dit is anders als de aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht als bedoeld in artikel 7:754 BW. Dat artikel schrijft voor dat een aannemer verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht. Ook als een opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van bepaalde werkzaamheden in een opdracht te kunnen overzien, brengt dat nog niet mee dat de aannemer is ontslagen van zijn waarschuwingsplicht.Het is aan de aannemer om te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat hij heeft gewaarschuwd.Een waarschuwing moet voldoende concreet en duidelijk zijn, zodat de opdrachtgever de risico’s kan inschatten en kan bepalen of hij bereid is die risico’s te lopen.\n\n5.11.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] in dit geval een waarschuwingsplicht had. Uit het rapport van TBA blijkt dat de uiterlijke gebreken in de wandafwerking het gevolg zijn van de slechte ondergrond. [gedaagde 1] heeft dit ook erkend. [gedaagde 1] had Houtkoper daar van tevoren voor moeten waarschuwen. De rechtbank vindt dat [gedaagde 1] dat onvoldoende heeft gedaan. [gedaagde 1] zegt dat zij Houtkoper mondeling tijdens de vooropname erop heeft gewezen dat de wanden niet in orde waren en beter gestuct moesten worden. Houtkoper zegt zich dit niet te kunnen herinneren, dat dit mogelijk aan de orde is geweest, maar zij in dat geval daar toen de urgentie niet van heeft ingezien. In de e-mail van 1 mei 2024 schrijft [gedaagde 1] aan Houtkoper: “Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid\u002F onvlakheid van de ondergrond. (…) “De nog te stucen delen (…) graag glad en strak. (…)”.\n\n5.12.. Ook als de rechtbank er vanuit gaat dat een soortgelijke mededeling als in de e-mail ook al bij de vooropname is gedaan, heeft [gedaagde 1] daarmee niet aan haar waarschuwingsplicht voldaan, omdat die waarschuwingen onvoldoende concreet en duidelijk zijn. [gedaagde 1] had Houtkoper expliciet op de mogelijke gevolgen van een onvoldoende vlakke ondergrond moeten wijzen en zich ervan moeten vergewissen dat die gevolgen voor Houtkoper duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij dat heeft gedaan. In tegendeel; [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat toen zij mondeling aan Houtkoper meldde dat de wanden niet in orde waren en beter gestukt moesten worden. Houtkoper zei toen dat ze dan wel iets anders met de wanden zou doen. De zin in de e-mail is volgens [gedaagde 1] zo geformuleerd om Houtkoper wat te temperen. De rechtbank leidt daaruit af dat er voor [gedaagde 1] juist aanknopingspunten waren te denken dat Houtkoper van het werk zou afzien als [gedaagde 1] de waarschuwing te scherp formuleerde. Voor zover er een mondelinge mededeling is gedaan en die scherper geformuleerd was dan de e-mail, is die dus ingehaald en afgezwakt door het bericht in de e-mail. Ook uit de reactie van Houtkoper en het feit dat zij naar aanleiding van de e-mail de stukadoor de opdracht heeft gegeven om een en ander bij te werken, kan niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Houtkoper heeft namelijk ook gezegd dat zij ervan uitging dat alles netjes was bijgewerkt. Van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat zij op het moment dat zij de wandwerkzaamheden daadwerkelijk gingen uitvoeren en zag dat de ondergrond nog steeds onvoldoende vlak was, bij Houtkoper zou navragen of het haar bedoeling was dat het werk op deze ondergrond zou worden voortgezet, ondanks de gevolgen voor het eindresultaat. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan, waarmee zij Houtkoper de kans heeft ontnomen om voor een andere oplossing te kiezen. Dat Houtkoper deskundig zou zijn op het gebied van wandafwerking (wat zij heeft betwist) neemt zoals gezegd de waarschuwingsplicht van [gedaagde 1] niet weg.\n\n5.13.. Omdat uit het rapport van TBA blijkt dat de wandafwerking esthetische gebreken heeft door de ondeugdelijke ondergrond en [gedaagde 1] ten aanzien van die ondergrond niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan, levert dit een tekortkoming in de nakoming op.\n\n5.14.. \n [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat zij ongeacht de ondergrond alsnog tot een goed en deugdelijk werk had kunnen komen, omdat zij een tweede laag [bedrijf 2] kan aanbrengen en hiermee de slechte ondergrond kan worden hersteld. Wat daar ook van zij, die stelling doet niet af aan de conclusie van TBA, die ook door [gedaagde 1] wordt onderschreven, dat de wandafwerking uitgevoerd door [gedaagde 1] esthetisch gezien zeer matig tot onvoldoende was als gevolg van de slechte ondergrond, en de voorgaande vaststelling dat [gedaagde 1] daarvoor had moeten waarschuwen, maar dat niet (voldoende) heeft gedaan.\n\nAndere tekortkomingen: onvoldoende onderbouwd\n\n5.15.. De overige door Houtkoper gestelde tekortkomingen heeft [gedaagde 1] betwist en Houtkoper onvoldoende onderbouwd. Die tekortkomingen kunnen daarom niet worden vastgesteld. De rechtbank legt dit per gestelde tekortkoming uit.\n\n5.16.. Houtkoper stelt dat de gerealiseerde gietvloeren gebrekkig zijn, omdat er bijvoorbeeld (dode) vliegen op de vloeren aanwezig waren en de verhoging van de douchevloeren doorschenen. Dit heeft zij onvoldoende onderbouwd, omdat het door [gedaagde 1] wordt betwist en niet wordt ondersteund door het rapport van TBA. Daarin staat namelijk dat de gietvloer aan de overeenkomst voldoet, meer specifiek dat tijdens de inspectie geen insecten in de gietvloer zijn vastgesteld en ook het doorschijnen van de gietvloer niet is geconstateerd. Ook de foto’s die Houtkoper heeft overgelegd, vormen onvoldoende onderbouwing voor gebreken aan het werk. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat na het nemen van die foto’s nog herstelwerkzaamheden zijn verricht en deze punten toen zijn verholpen, zodat het daarom niet in het rapport van TBA is genoemd. Houtkoper heeft dit onvoldoende weersproken.\n\n5.17.. Houtkoper stelt dat het er alle schijn van heeft dat niet de producten zijn gebruikt die in de offerte staan en waar een wandproduct gebruikt had moeten worden een vloerproduct is gebruikt (en mogelijk andersom). Zij heeft daarbij gewezen op foto’s waarop geopende emmers te zien zouden zijn. Die foto’s zijn gemaakt toen er aan de wanden werd gewerkt, maar nog niet aan de vloeren. Uit de productnaam en de datasheets blijkt dat in de geopende emmers een vloerproduct zit, maar een ander product dan in de offerte staat, zo zegt steeds Houtkoper.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat op dit punt sprake is van een tekortkoming in de nakoming. Uit de foto’s kan de rechtbank niet afleiden dat het om geopende emmers gaat en dat het materiaal daarin ten onrechte gebruikt zou zijn op de wanden. Wat daar verder ook van zij; TBA heeft geen gebreken aan de vloeren geconstateerd en geen andere gebreken aan de wanden dan hiervoor is besproken. Zelfs als wel zou kunnen worden vastgesteld dat ander materiaal is gebruikt, heeft Houtkoper daarom onvoldoende toegelicht waarom dat een tekortkoming in de nakoming oplevert.\n\n5.19.. Over de uitgevoerde (herstel)werkzaamheden heeft Houtkoper gesteld dat als gevolg daarvan diverse plekken in de vakantiewoningen beschadigd zijn geraakt door vervuiling. [gedaagde 1] heeft dit weersproken. Houtkoper verwijst in dit kader naar een aantal foto’s, maar de rechtbank kan daaruit niet opmaken dat de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen vervuild zijn geraakt, op welk moment en door wie. Daar komt bij dat enige sporen van het werk te verwachten zijn en een opdrachtgever daar rekening mee moet houden, binnen de grenzen van wat gebruikelijk en aanvaardbaar is. Voor zover er dus sporen van het werk aanwezig zijn, levert dit niet direct een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\n5.20.. Tenslotte heeft Houtkoper ook de gestelde te late oplevering onvoldoende onderbouwd. [gedaagde 1] betwist dat partijen een fatale termijn hebben afgesproken. Houtkoper wijst op de offerte waarin staat dat de werkzaamheden voor de wanden en vloeren in totaal vier weken zouden duren. De rechtbank oordeelt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen. In de offerte is slechts een indicatie gegeven van hoe lang de werkzaamheden ongeveer zouden duren en in welke weken: “Uitvoeringsdatum: voornemens week 22-23 wanden, week 24-25 vloeren (in overleg) (…)”. Dat partijen hebben afgesproken dat het werk op een bepaalde datum uiterlijk af moest zijn (‘fatale termijn’) blijkt dus niet uit de offerte. Houtkoper heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat partijen bedoeld hebben een fatale termijn overeen te komen. Daarom is er dus ook geen sprake van een tekortkoming op dit punt.\n\nDe tekortkoming rechtvaardigt de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst\n\n5.21.. Houtkoper wil dat de overeenkomst in zijn geheel ontbonden wordt, gezien de tekortkomingen die zij heeft gesteld. In het verlengde daarvan vordert zij terugbetaling van de betaalde aanneemsom van € 46.174,-. Als de rechtbank alleen voor de wandafwerking een tekortkoming vaststelt, vordert Houtkoper dat alleen dat deel van de overeenkomst wordt ontbonden en terugbetaling van bedrag dat zij daarvoor al heeft betaald.\n\n5.22.. \n [gedaagde 1] vindt dat de gebreken te klein zijn om de (hele) overeenkomst te ontbinden, omdat het om esthetische gebreken gaat die makkelijk kunnen worden verholpen.\n\n5.23.. De rechter kan op verzoek van een partij de ontbinding van een overeenkomst uitspreken als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de wederpartij, tenzij die tekortkoming daarvoor te beperkt is.De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een zodanig beperkte tekortkoming. [gedaagde 1] heeft verzuimd (voldoende) te waarschuwen voor de gevolgen van de slechte ondergrond. Daarmee heeft zij Houtkoper de mogelijkheid ontnomen andere keuzes te maken. De stelling van [gedaagde 1] dat de gebreken eenvoudig verholpen kunnen worden, doet zoals gezegd niet af aan het niet nakomen van de waarschuwingsplicht en maakt die tekortkoming dus niet beperkt.\n\nNakoming is blijvend onmogelijk\n\n5.24.. Houtkoper stelt dat door het niet nakomen van de waarschuwingsplicht het verzuim direct intreedt. Daarnaast heeft zij [gedaagde 1] in gebreke gesteld en voldoende mogelijkheden tot herstel geboden. Ook daarom is [gedaagde 1] volgens Houtkoper dus in verzuim.\n\n5.25.. \n [gedaagde 1] voert aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken zoals genoemd in het rapport van TBA te herstellen en zij daarom niet in verzuim is geraakt.\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt dat verzuim hier niet nodig is omdat juiste nakoming van de overeenkomst in dit geval betekent dat [gedaagde 1] wel op tijd zou hebben gewaarschuwd voor de ondeugdelijke ondergrond, en dat kan niet meer. (Juiste) nakoming is dus blijvend onmogelijk, waardoor Houtkoper bevoegd is de overeenkomst te ontbinden.\n\nDe gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst over de wandafwerking\n\n5.27.. Door de gedeeltelijke ontbinding hoeven partijen op grond van artikel 6:271 BW de gemaakte afspraken over de wandafwerking niet meer na te komen. Dit betekent dat [gedaagde 1] voor zover de wandafwerking nog niet af was, dat niet meer hoeft af te maken, en Houtkoper de nog niet betaalde aanneemsom die ziet op de wandafwerking niet meer hoeft te betalen. Verplichtingen die partijen al zijn nagekomen, moeten ongedaan worden gemaakt. Als ongedaanmaking niet kan, zoals bij de werkzaamheden van [gedaagde 1] , komt daarvoor een waardevergoeding in de plaats. Uit artikel 6:272 lid 2 BW volgt dat als de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt, zoals hier, de waardevergoeding wordt beperkt tot de waarde die de prestatie voor Houtkoper in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. De achterliggende gedachte van artikel 6:272 BW is dat de ontvanger van een prestatie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt door wél de prestatie die hij uit de overeenkomst wilde, te ontvangen, maar na de ontbinding zijn eigen prestatie (volledig) kan terugvorderen.\n\nDe waarde van het verrichte werk\n\n5.28.. Volgens Houtkoper moet de waarde die het verrichte werk aan de wandafwerking voor haar heeft gehad worden vastgesteld op nul. Zij vordert daarom terugbetaling van het bedrag dat zij voor de wandafwerking aan [gedaagde 1] heeft betaald. Daartoe stelt Houtkoper dat zij aan een planning voor het project was gebonden en zij vanwege de ondeugdelijke uitvoering van het werk uiteindelijk wandpanelen heeft moeten plaatsen. Daardoor heeft de wandafwerking geen waarde voor Houtkoper.\n\n5.29.. \n [gedaagde 1] meent dat de waarde van het verrichte werk neerkomt op de aanneemsom min de maximaal redelijke herstelkosten. Zij vordert daarom op haar beurt het openstaande bedrag van de aanneemsom van € 23.909,05 min herstelkosten van maximaal € 5.000,-. [gedaagde 1] vindt dat het plaatsen van wandpanelen niet gerechtvaardigd was, omdat herstel tegen beperkte kosten mogelijk was. Die keuze van Houtkoper moet dus voor haar rekening blijven.\n\n5.30.. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten stelplicht en bewijslast voor het bestaan en de omvang van een waardevergoedingsvordering op grond van artikel 6:272 BW bij de schuldeiser. Houtkoper moet dus feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de waarde van het verrichte werk aan de wandafwerking minder is dan wat zij daarvoor al heeft betaald. Tegelijkertijd geldt dat daar waar [gedaagde 1] nog betaling wil van facturen zij feiten en omstandigheden moet aandragen waaruit blijkt dat het werk aan de wandafwerking een waarde voor de Houtkoper vertegenwoordigt die hoger is dan het bedrag dat al voor de wandafwerking is betaald.\n\n5.31.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper voldoende heeft onderbouwd dat de wandafwerking voor haar feitelijk geen enkele waarde heeft. Houtkoper heeft als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde 1] uiteindelijk gekozen voor het laten plaatsen van wandpanelen, die over de wandafwerking heen zijn aangebracht. Daardoor heeft zij achteraf niets aan de wandafwerking gehad. [gedaagde 1] heeft niet aangevoerd dat de wandafwerking, ondanks het gebruik van de wandpanelen, voor Houtkoper toch waarde heeft. [gedaagde 1] heeft alleen gewezen op de mogelijkheid en kosten van herstel. Maar dat herstel mogelijk was, maakt voor de werkelijke waarde van de prestatie voor Houtkoper niet uit. Door de tekortkoming van [gedaagde 1] en de blijvende onmogelijkheid van correcte nakoming stond het Houtkoper vrij om de keuze te maken voor wandpanelen. Gezien die omstandigheden kan niet gezegd worden dat Houtkoper door de gevolgen van de ontbinding, namelijk het behoud van de wandafwerking zonder daarvoor een vergoeding te betalen, ongerechtvaardigd verrijkt wordt.\n\n5.32.. Omdat de werkelijke waarde voor Houtkoper nul is, moet [gedaagde 1] de bedragen die Houtkoper voor de wandafwerking heeft betaald terugbetalen. De stelling van [gedaagde 1] dat Houtkoper voor de wandafwerking nog aan [gedaagde 1] zou moeten betalen, is daarmee tegelijkertijd onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de tegenvorderingen van [gedaagde 1] worden afgewezen.\n\n [gedaagde 1] moet € 33.184,65 aan Houtkoper terugbetalen\n\n5.33.. De oorspronkelijke overeenkomst en de facturen zien op zowel de gietvloeren als op de wandafwerking. Houtkoper heeft daarvan een deel betaald. De overeenkomst wordt alleen voor wat betreft de wandafwerking ontbonden. Voor de gietvloeren moet Houtkoper dus gewoon betalen zoals afgesproken. Om te bepalen of en zo ja welk bedrag Houtkoper meer heeft betaald dan wat zij voor de gietvloeren verschuldigd is, stelt de rechtbank eerst vast welk bedrag Houtkoper voor de gietvloeren moet betalen. Wat Houtkoper meer heeft betaald dan dat bedrag moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen.\n\n5.34.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper de eerste twee termijnfacturen van in totaal € 46.174,- heeft betaald en de laatste termijnfactuur van € 23.909,05 niet. Uit de offerte blijkt dat voor de gietvloeren een tarief van € 95,- per m2 is overeengekomen. Houtkoper heeft gewezen op een rekenfout in de factuur (“97 m2 x € 95 = € 9.695”) en verzocht tot verrekening daarvan. Dat is door [gedaagde 1] niet weersproken. [gedaagde 1] heeft gesteld dat de uiteindelijke oppervlakte van de gerealiseerde gietvloeren 113 m2 is. Houtkoper heeft die meting onvoldoende weersproken. In totaal moet Houtkoper voor de gietvloeren dus 113 m2 x € 95 = € 10.735 exclusief btw betalen. Inclusief 21% btw komt het bedrag voor de gietvloeren € 12.989,35. De rest van het bedrag dat Houtkoper heeft betaald ziet dus op de wandafwerking en moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen. Dat komt neer op een bedrag van (€ 46.174,00 - € 12.989,35=) € 33.184,65. De vordering onder I van Houtkoper wordt tot dit bedrag toegewezen en voor het overige afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.35.. Voor zover Houtkoper heeft bedoeld in dit kader ook de betaalde kosten voor de overnachtingen terug te vorderen, wijst de rechtbank die vordering af. Partijen zijn het erover eens dat onderdeel van de afspraken tussen beiden was dat Houtkoper voor slaapgelegenheid voor [gedaagde 1] zou zorgen. Maar omdat de overeenkomst voor de gietvloeren in stand blijft en Houtkoper niet heeft gesteld dat deze kosten alleen voor de wandafwerking zijn gemaakt, heeft zij de terugvordering van dit bedrag onvoldoende onderbouwd.\n\n [gedaagde 1] moet Houtkoper een schadevergoeding betalen\n\n5.36.. Houtkoper vordert € 54.024,77, aan kosten voor het aanvankelijke stucwerk, de kosten voor het overspuiten van de plafonds alsmede het opnieuw moeten schilderen van diverse kozijnen, wanden, deuren en trappen, de kosten voor betaalde overnachtingen en de kosten voor het onderzoek van TBA (vordering II). Daarnaast vordert Houtkoper € 1.560,- voor het schoonmaken van kozijnen (vordering III). Ten slotte vordert Houtkoper vertragingsschade van € 43.447,- (vordering IV).\n\n5.37.. \n [gedaagde 1] betwist dat zij voor deze kosten (volledig) aansprakelijk is, waarbij zij zich beroept op haar algemene voorwaarden. [gedaagde 1] betwist verder de hoogte van de schade. Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat de schade (deels) voor rekening van Houtkoper moet blijven, omdat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW.\n\n5.38.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op haar algemene voorwaarden, dat [gedaagde 1] vertragingsschade van € 20.000,- en de kosten van het onderzoek van TBA aan Houtkoper moet betalen en dat het beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld van Houtkoper niet slaagt. De overige schadeposten van Houtkoper worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op de algemene voorwaarden slaagt niet\n\n5.39.. \n [gedaagde 1] doet een beroep op haar algemene voorwaarden. Houtkoper betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst. Zouden de algemene voorwaarden al van toepassing zijn, moeten ze worden vernietigd, omdat ze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper mondeling akkoord heeft gegeven op de schriftelijke offerte. Op die offerte staat onder andere dat op alle overeenkomsten van [gedaagde 1] haar algemene voorwaarden van toepassing zijn. Uit het mondelinge akkoord van Houtkoper heeft [gedaagde 1] dus mogen opmaken dat zij haar aanbod zoals verwoord in de offerte, dus inclusief de gelding van haar algemene voorwaarden, heeft aanvaard.\n\n5.41.. \n [gedaagde 1] kan echter geen beroep doen op de algemene voorwaarden omdat het beroep van Houtkoper op de vernietiging ervan slaagt. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als de gebruiker, in dit geval [gedaagde 1] , aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In artikel 6:234 BW wordt geregeld dat die redelijke mogelijkheid is geboden als de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand worden gesteld. Dat mag ook digitaal, in een bijlage of met een link, waarbij de wederpartij de mogelijkheid moet hebben de algemene voorwaarden op te slaan voor latere kennisneming. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, volstaat dat de gebruiker van de algemene voorwaarden vóór totstandkoming aan zijn wederpartij bekendmaakt dat de algemene voorwaarden bij hem ter inzage liggen \u002F gedeponeerd zijn bij de KvK \u002F waar de algemene voorwaarden online te vinden zijn en op verzoek zullen worden toegezonden. De bewijslast dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, of dat de wederpartij anderszins redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen, rust op de gebruiker, in dit geval dus [gedaagde 1] .\n\n5.42.. \n\n [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij Houtkoper een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] de algemene voorwaarden niet aan Houtkoper heeft verstrekt, niet fysiek en ook niet digitaal. [gedaagde 1] heeft gewezen op deze passage onderaan de offerte: “Al deze overeenkomsten, aanbiedingen, leveringen en uitvoeringen geschieden op onze Algemene Voorwaarden. Vastgesteld door de Nederlandse Ondernemingsvereniging voor Afbouwbedrijven. Gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder nummer [nummer]”. [gedaagde 1] heeft daarnaast aangevoerd dat de algemene voorwaarden op haar website beschikbaar zijn. Daarmee heeft [gedaagde 1] echter niet voldaan aan de hiervoor genoemde wettelijke eisen van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. [gedaagde 1] heeft namelijk niet gesteld dat het niet mogelijk was de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand te stellen. Ook heeft zij niet gesteld dat zij vóór totstandkoming van de overeenkomst voor de algemene voorwaarden naar haar website heeft verwezen. Dit alles brengt mee dat de algemene voorwaarden vernietigd worden en [gedaagde 1] zich daarop niet kan beroepen.\n\nDe door Houtkoper gevorderde schadeposten\n\n5.43.. Omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en nakoming van de waarschuwingsplicht blijvend onmogelijk is, komen de gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor rekening van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is daarom aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door het feit dat de wandafwerking op een ondeugdelijke ondergrond is aangebracht en daarmee zelf gebrekkig was.Om vast te stellen wat de schade van Houtkoper is vergelijkt de rechtbank de huidige situatie van de gebrekkige wandafwerking vanwege de ondeugdelijke ondergrond met de situatie waarin de ondergrond deugdelijk zou zijn geweest en daarom ook de wandafwerking geen gebreken zou vertonen.\n\nStucwerk\n\n5.44.. Houtkoper vordert € 47.544,92 aan kosten voor het stucwerk dat als ondergrond diende voor de wandafwerking. Daarvoor stelt Houtkoper dat dit werk waardeloos is geworden als gevolg van het door [gedaagde 1] ondeugdelijk aangebrachte product.\n\n5.45.. \n [gedaagde 1] vindt dat het aanbrengen van stucwerk als ondergrond hoe dan ook noodzakelijk was en dit daarom een waarde voor Houtkoper heeft gehad.\n\n5.46.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van de gebrekkige wandafwerking. In dit kader is het criterium niet wat de daadwerkelijke waarde van het stucwerk voor Houtkoper is (zoals bij de waardevergoeding in het kader van de ongedaanmakingsverplichtingen door de ontbinding). Bij het vaststellen van de (hoogte van de) schade beoordeelt de rechtbank of Houtkoper op dit punt in een slechtere vermogenspositie is gekomen door de gebrekkige wandafwerking. Ook als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen) had Houtkoper kosten voor het stucwerk moeten maken.\n\nHet overspuiten \u002F schilderen van plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen\n\n5.47.. Houtkoper vordert € 4.791,60 aan kosten voor het overspuiten en schilderen van diverse plekken in de vakantiewoningen. Houtkoper stelt dat als gevolg van de (herstel)werkzaamheden diverse plekken zodanig vervuild zijn geraakt dat deze opnieuw moesten worden gespoten en geschilderd.\n\n5.48.. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.19) zijn de door Houtkoper gestelde vervuilingen en daarmee de schade waarvan Houtkoper de herstelkosten vordert, onvoldoende komen vast te staan. Het gevorderde schadebedrag wordt daarom afgewezen.\n\nBetaalde overnachtingen\n\n5.49.. Houtkoper vordert schadevergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor de overnachtingen van [gedaagde 1] van € 677,90.\n\n5.50.. \n [gedaagde 1] voert aan dat onderdeel van de gemaakte afspraken was dat deze kosten door Houtkoper zouden worden gedragen, zodat [gedaagde 1] gedurende twee weken werk slaapgelegenheid had.\n\n5.51.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper niet heeft toegelicht waarom deze kosten schade als gevolg van de tekortkoming betreffen. Ook voor deze kosten geldt ze ook zouden zijn gemaakt als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen).\n\nOnderzoek TBA\n\n5.52.. Houtkoper vordert expertisekosten voor TBA van € 1.010,35. Deze kosten heeft Houtkoper onderbouwd met de factuur van TBA. [gedaagde 1] heeft niet bestreden dat Houtkoper die kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] wijst erop dat TBA [gedaagde 1] in het rapport grotendeels gelijk geeft en dat Houtkoper het rapport onjuist kwalificeert. Daarom zouden volgens [gedaagde 1] de kosten gedeeld moeten worden. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. In dit vonnis wordt vastgesteld dat [gedaagde 1] aansprakelijk is tegenover Houtkoper en daarvoor heeft Houtkoper in redelijkheid TBA kunnen inschakelen. De kosten zelf vindt de rechtbank ook redelijk. Daarmee is voldaan aan de wettelijke eisen van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en wordt het gevorderde bedrag toegewezen.\n\nSchoonmaken van de kozijnen\n\n5.53.. Houtkoper vordert € 1.560,- (te vermeerderen met de btw) aan kosten voor het schoonmaken van de kozijnen. Hiervoor stelt Houtkoper dat als gevolg van (herstel)werkzaamheden de kozijnen ernstig vervuild zijn geraakt door restanten van het gebruikte materiaal en dat het schoonmaken hiervan noodzakelijk was.\n\n5.54.. De rechtbank wijst deze schadepost af, gelet op wat hiervoor in 5.48 is overwogen. Dat oordeel geldt hier ook.\n\nVertragingsschade\n\n5.55.. Ten slotte vordert Houtkoper vergoeding voor vertragingsschade. Het gaat om een bedrag van € 43.447,- over de periode van 24 juni 2025 (de geplande oplevering) tot aan de oplevering van de wandpanelen op 10 november 2025. Uit de offerte volgt dat vier weken voor de uitvoering waren gepland. Uiteindelijk is [gedaagde 1] in week 22 van 2024 gestart en werd er nog herstel uitgevoerd tot en met week 29. Naast deze vertraging heeft het plaatsen van de wandpanelen ook nog eens acht weken geduurd. Gedurende deze periode liepen de rentebetalingen van de leningen van Houtkoper door. Voor de omvang van de rentelasten heeft Houtkoper verwezen naar een verklaring van haar accountant.\n\n5.56.. \n [gedaagde 1] betwist dat er sprake was van een vertraging in de planning. Voor zover daar wel sprake van is, is dit (alleen) aan Houtkoper zelf te wijten. Daarbij voert [gedaagde 1] aan dat het maanden heeft geduurd voordat de wandpanelen zijn geplaatst nadat het rapport van TBA was opgesteld. Dat moet voor rekening van Houtkoper blijven.\n\n5.57.. Zoals de rechtbank eerder onder 5.20 heeft overwogen zijn partijen geen fatale termijn overeengekomen en is op dat punt geen tekortkoming van [gedaagde 1] vastgesteld. Dat het verkoop klaar maken van de vakantiewoningen langer heeft geduurd, omdat de wandafwerking gebrekkig bleek, vindt de rechtbank op zich aannemelijk en heeft [gedaagde 1] onvoldoende betwist. Datzelfde geldt voor het daardoor langer doorlopen van de renteverplichtingen van Houtkoper. De rechtbank vindt alleen niet dat de hele periode aan vertraging zoals die door Houtkoper is berekend is toe te rekenen aan [gedaagde 1] . Omdat de berekening van deze kosten door Houtkoper niet is gespecificeerd, kan de rechtbank die berekening niet één op één toepassen op een kortere periode. De rechtbank maakt daarom gebruik van de schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW en raamt de toewijsbare vertragingskosten op € 20.000,-. Daarbij heeft zij de volgende omstandigheden gewogen.\n\n5.58.. \n [gedaagde 1] is begin mei 2024 begonnen met de werkzaamheden. Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde 1] op 19 juni 2024 de laatste factuur heeft verzonden. Daarna hebben partijen gecorrespondeerd over dat het werk nog niet was afgerond en heeft [gedaagde 1] in verband daarmee de betalingstermijn van de laatste factuur twee weken opgeschoven. Daarna heeft [gedaagde 1] nog herstelwerkzaamheden uitgevoerd en hebben partijen hierover gecorrespondeerd. Dit heeft geduurd tot eind juli 2024. Vervolgens heeft Houtkoper TBA ingeschakeld. Na ontvangst van het rapport van TBA van 5 augustus 2024 heeft Houtkoper [gedaagde 1] op 20 augustus 2024 verzocht om een creditfactuur en later om terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Daarna moest Houtkoper op zoek naar een (andere) oplossing, zodat zij verder kon met het project. Dat is uiteindelijk het plaatsen van de wandpanelen geweest. De wandpanelen zijn volgens de toelichting van Houtkoper op de zitting op 16 september 2024 geplaatst. De accountant van Houtkoper verklaart in de stukken dat de rentelasten van Houtkoper voor de periode 24 juni 2024 t\u002Fm 10 november 2024 totaal € 43.447,- bedragen.\n\n5.59.. \n\nDe rechtbank vindt op basis van het voorgaande dat de vertraging in de periode vanaf medio juli 2024 (herstelpogingen blijken onvoldoende) tot 16 september 2024 (plaatsing van de wandpanelen) als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst voor rekening van [gedaagde 1] komt. Voor die periode van in totaal dus ongeveer twee maanden (in plaats van de ca. 4,5 maand die Houtkoper heeft berekend) moet [gedaagde 1] de rentelasten van Houtkoper betalen. Partijen waren gezien de verlenging van de betalingstermijn door [gedaagde 1] kennelijk beiden in de veronderstelling dat het werk twee weken na 19 juni 2024 (dus op 3 juli 2024) af zou zijn. Daarna zijn er nog herstelpogingen gedaan. De rechtbank vindt dat in het hypothetische geval dat [gedaagde 1] in de twee weken daarna de wandafwerking goed zou hebben hersteld, zij de overeenkomst dan nog voldoende en vanwege het ontbreken van een fatale termijn op tijd zou zijn nagekomen. Vanaf medio juli 2024 geldt dat niet meer, omdat de herstelpogingen van [gedaagde 1] onvoldoende bleken. Vanaf dat moment komt de vertraging dus voor rekening van [gedaagde 1] . Dat in deze periode (ook) vertragingen aan Houtkoper te wijten zouden zijn is niet aannemelijk geworden. Van haar kon op dat moment niet worden verwacht al op zoek te gaan naar een andere oplossing. Pas met het TBA rapport van 5 augustus 2024 werd voor haar duidelijk welke gebreken er precies aan het werk kleefden en kon zij gaan nadenken over mogelijke oplossingen. Dat het vervolgens zoals op de zitting toegelicht tot 16 september 2024 heeft geduurd tot de wandpanelen zijn geplaatst, vindt de rechtbank niet onredelijk lang. [gedaagde 1] heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om een deel van die periode aan vertraging voor rekening van Houtkoper te laten. De stelling van Houtkoper in de stukken dat de oplevering van de wandpanelen acht weken zou hebben geduurd, waardoor zij de vertraging tot 10 november 2024 berekent, kan de rechtbank mede gezien de toelichting van Houtkoper op de zitting niet plaatsen en wordt dus niet gevolgd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld slaagt niet\n\n5.60.. \n [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven. Houtkoper heeft namelijk pas een stukadoor langs gestuurd voor aanvullende werkzaamheden nadat [gedaagde 1] was gestart met de werkzaamheden. Dat was te laat en ontregelde het werk van [gedaagde 1] . Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat Houtkoper als professionele vastgoedpartij op de hoogte was van de slechte ondergrond.\n\n5.61.. Omdat [gedaagde 1] de stelling inneemt dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven, moet [gedaagde 1] feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de schade (ook) het gevolg is van omstandigheden die aan Houtkoper kunnen worden toegerekend. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.11 en 5.12) heeft [gedaagde 1] haar waarschuwingsplicht met betrekking tot de ondergrond geschonden. Omdat [gedaagde 1] Houtkoper onvoldoende heeft gewaarschuwd, kon nu juist niet van Houtkoper worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen. Bovendien had [gedaagde 1] , zoals gezegd, vóór aanvang van de werkzaamheden moeten controleren of de gevolgen voor haar duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft dus onvoldoende onderbouwd dat Houtkoper zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of de schade deels had moeten voorkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt daarom niet.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n5.62.. Houtkoper vordert daarnaast € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten; kosten die zij heeft gemaakt om haar vordering, vóór de gerechtelijke procedure, bij [gedaagde 1] te innen. Of die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, moet in dit geval worden getoetst aan de eisen zoals geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Kort gezegd moet het gaan om daadwerkelijk gemaakte kosten voor werkzaamheden om de vordering buiten rechte te innen, terwijl die werkzaamheden niet verwaarloosbaar zijn en niet onder de proceskostenvergoeding vallen. De rechtbank vindt dat Houtkoper voldoende gesteld heeft dat in dit geval aan genoemde eisen is voldaan. Vervolgens moeten de gevraagde kosten in redelijkheid zijn gemaakt en moet de hoogte ervan ook redelijk zijn. Of aan deze ‘dubbele redelijkheidstoets’ is voldaan, beoordeelt de rechtbank aan de hand van de vaste tarieven die voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend, die gekoppeld zijn aan de hoofdsom. Houtkoper heeft daar ook aansluiting bij gezocht, maar heeft daarbij een hogere hoofdsom als uitgangspunt genomen dan de rechtbank toewijst. De rechtbank vindt op basis van die tarieven een bedrag van € 1.316,95 redelijk, wijst dat bedrag toe en de rest van het gevorderde bedrag af.\n\nSlotsom\n\n5.63.. De slotsom van al het voorgaande is dat de rechtbank de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking. De rechtbank wijst de vordering onder I van Houtkoper tot terugbetaling van het al betaalde deel van de aanneemsom toe tot een bedrag van € 33.184,65, omdat dit deel ziet op de wandafwerking. Verder wijst de rechtbank de vordering onder IV van Houtkoper toe tot een bedrag van € 20.000,- aan schadevergoeding. Daarnaast moet [gedaagde 1] de expertisekosten van € 1.010,35 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.316,95 vergoeden. De overige vorderingen van Houtkoper worden afgewezen. De conclusie over de vordering in conventie brengt tegelijkertijd mee dat Houtkoper de openstaande factuur niet hoeft te betalen. De tegenvordering in reconventie tot betaling van de openstaande factuur (min de herstel- en expertisekosten) van [gedaagde 1] wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten\n\nin conventie\n\n5.64.. \n [gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Houtkoper betalen. Houtkoper heeft haar vordering echter (veel) hoger ingestoken dan de rechtbank toewijst (ongeveer € 150.000 gevorderd en ongeveer € 55.000 toegewezen). Dat heeft in dit geval gevolgen gehad voor het griffierecht dat beide partijen hebben moeten betalen. Voor een vordering tot € 100.000 was het griffierecht € 2.995 (2025). Nadat Houtkoper de vordering met haar eiswijziging verhoogde tot boven de € 100.000 werd het griffierecht verhoogd naar € 7.062 (2026). De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om [gedaagde 1] het lagere griffierecht te laten vergoeden en het door [gedaagde 1] meer betaalde griffierecht in mindering te brengen op de proceskostenvergoeding.\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n126,11\n\n- griffierecht Houtkoper\n\n€\n\n2.995,00\n\n- compensatie griffierecht [gedaagde 1]\n\n€\n\n-4.067,00\n\n(€ 7.062,00 - € 2.995,00)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n2.580,00\n\n(2 punten × € 1.290,00)\n\n- nakosten (ook voor reconventie)\n\n€\n\n296,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.930,11\n\n5.65.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie\n\n5.66.. \n [gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van Houtkoper worden begroot op: € 836,00 aan kosten advocaat (2 punten x 0,5 x € 836,00).\n\n5.67.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.68.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop nog niet is beslist.6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 2] af,\n\n6.2.. ontbindt de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst gedeeltelijk, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan Houtkoper binnen veertien dagen na dit vonnis te betalen:\n\n€ 33.184,65 bestaande uit terugbetaling van de reeds door Houtkoper aan [gedaagde 1] betaalde facturen voor zover die zien op de wandafwerking,\n\n€ 1.010,35 aan schadevergoeding voor expertisekosten,\n\n€ 20.000,00 aan schadevergoeding voor vertragingsschade,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voornoemde drie bedragen als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald, tot de dag van volledige betaling,\n\n€ 1.316,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 17 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 1.930,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.6.. wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.8.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.9.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.10.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 t\u002Fm 6.4 en 6.7 t\u002Fm 6.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.E.M. James-Pater op 24 juni 2026.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen kan worden uitgevoerd, ook als de wederpartij in hoger beroep gaat, zolang daarop nog niet is beslist.\n\n Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt stellen dat [gedaagde 2] geen contractspartij is, gaat de rechtbank er vanuit dat de eis in reconventie alleen namens [gedaagde 1] is ingesteld.\n\n Artikel 6:265 en 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Hoge Raad 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2705, r.o. 3.4.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93 23095, nr. 3 p. 32-33.\n\n Hof Den Bosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3144.\n\n Artikel 6:265 en 6:267 BW.\n\n Zie Conclusie A-G Van Peursem 25 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:490 r.o. 3.7.\n\n Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394 r.o. 5.2.1.\n\n Artikel 6:74 en 7:760 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","2026-07-13T00:28:33.315Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":93,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":63,"updatedAt":96},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.048Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":101,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":63,"updatedAt":103},"718","ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","ecli-nl-rbams-2026-6434","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F787825 \u002F KG ZA 26-398 MdV\u002FKH\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nGRAND RELOCATION B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij bij gelijkluidende dagvaardingen van 22 mei 2026,\n\nhierna te noemen: Grand Relocation,\n\nadvocaten: mr. I.A. Hoedemaeker en mr. G.T. Poolman,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] , handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [gedaagde 2],handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 2],\n\nte [plaats 2] , 3. [gedaagde 3], handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde 3],\n\nte [plaats 3] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. Y. Moszkowicz.\n\n1. De procedure\n\nTer zitting van 10 juni 2026 heeft Grand Relocation de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Namens gedaagden is verweer gevoerd. Grand Relocation heeft producties ingediend en beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag. Ter zitting waren, voor zover relevant, aanwezig:\n\nnamens Grand Relocation: [naam 1] ( [functie 1] ) en [naam 2] ( [functie 2] ) met mr. Hoedemaeker en mr. Poolman,\n\nnamens gedaagden: mr. Moszkowicz.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Grand Relocation is een onderneming die zich richt op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed, bemiddeling bij de (ver)huur van woonruimte en verwerving, restauratie en instandhouding van beschermde monumenten.\n\n2.2.. Gedaagden zijn voormalig medewerkers van Grand Relocation. [gedaagde 3] heeft er vijf jaar gewerkt, [gedaagde 1] acht jaar en [gedaagde 2] meer dan tien jaar.\n\n2.3.. De eenmanszaak van [gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 1] , is opgericht op 4 oktober 2020. De eenmanszaak van [gedaagde 3] , [handelsnaam gedaagde 3] , op 26 oktober 2023 en de eenmanszaak van [gedaagde 2] , [handelsnaam gedaagde 2] , op 1 januari 2024.\n\n2.4.. \n [gedaagde 3] is per 1 november 2024 uit dienst getreden. [gedaagde 2] is op 11 juni 2025 op staande voet ontslagen. [gedaagde 1] is op diezelfde datum op non-actief gesteld en na onderzoek is op 13 juni 2025 ook hij op staande voet ontslagen. In de ontslagbrieven aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] staat in het kort dat Grand Relocation documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer, waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken ( [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] ) facturen zijn verzonden aan klanten van Grand Relocation, die vanuit Grand Relocation verzonden hadden moeten worden. Het zou gaan om een bedrag van ten minste € 26.266,24. In de brief aan [gedaagde 1] staat verder dat is gebleken dat zijn naam meerdere keren terugkomt in relatie tot de operaties van [handelsnaam gedaagde 3] .\n\n2.5.. Op 29 oktober 2025 stuurt Grand Relocation een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken met betrekking tot de administratie van [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 3] en [handelsnaam gedaagde 2] te verstrekken. Tot op heden zijn de gevraagde stukken niet aangeleverd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nGrand Relocation vordert, na eiswijziging, om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:\n\nI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, te verbieden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken;\n\nPrimair\n\nII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. De Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2022 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2021, zie verderop) tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen;\n\nb. De bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten;\n\nc. De overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden;\n\nd. De (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation;\n\ne. De aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden.\n\nIII. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om, binnen voormelde termijn, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis;\n\nSubsidiair\n\nIV. ieder van de gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen tot afgifte van de onder II. genoemde Stukken ten aanzien van de ándere in deze dagvaarding genoemde entiteiten, voor zover zij daarover uit hoofde van hun samenwerking feitelijk beschikken dan wel de beschikkingsmacht hebben;\n\nMeer subsidiair\n\nV. gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd (voorzien van bewijsstukken) op te geven over welke van de onder II genoemde Stukken zij wél en niet beschikken, waar deze zich bevinden en via welke (cloud\u002Fmail\u002Fboekhoud) omgevingen deze toegankelijk zijn;\n\nIn alle gevallen\n\nVI. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation, op straffe van een dwangsom;\n\nVII. gedaagden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, met onmiddellijke ingang te verbieden om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer, op straffe van een dwangsom;\n\nVIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. Grand Relocation licht haar vordering als volgt toe. Zij heeft op 10 juni 2025 op een van haar computers documenten aangetroffen. Daaruit blijkt dat gedaagden ten tijde van hun dienstverband, naar het lijkt al sinds 2021, in georganiseerd verband een schaduwonderneming hebben opgezet en die meerdere jaren hebben geëxploiteerd. Zij hebben klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation naar hun eigen eenmanszaken en privérekeningen weggesluisd. In de aangetroffen documenten is een taakverdeling tussen gedaagden aangetroffen, zijn facturen gezien die vanuit de verschillende eenmanszaken werden verzonden, is een overzicht gevonden van hoe de winst werd verdeeld (en grotendeels cash werd uitbetaald), en is gezien dat voor een email-account van een van de eenmanszaken een wachtwoord werd gebruikt dat bestaat uit de drie voornamen van gedaagden. Ook zijn er e-mails aangetroffen waaruit blijkt dat klanten van Grand Relocation werden doorverwezen naar [handelsnaam gedaagde 3] . Dit is in strijd met het met gedaagden overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding en geheimhoudingsbeding. Ook los daarvan is het handelen van gedaagden onrechtmatig. Hierdoor heeft Grand Relocation schade geleden. Om te kunnen zien om hoeveel schade het gaat en om die schade op gedaagden te kunnen verhalen in een bodemprocedure, heeft zij de opgevraagde stukken nodig. Verder zijn de vorderingen erop gericht dat het onrechtmatig handelen stopt.\n\n3.3.. Gedaagden voeren verweer. Er is geen sprake van een spoedeisend belang, nu Grand Relocation pas een jaar na het laatste contact een kort geding start. Daarnaast is artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden door te stellen dat ‘tot op heden geen inhoudelijk verweer is gevoerd’, terwijl dat wel het geval was, en doordat mr. Moszkowicz niet is betrokken als advocaat van gedaagden, maar de stukken rechtstreeks aan gedaagden verzonden zijn. Ook zijn de aangetroffen documenten op de werkcomputer van [gedaagde 2] onrechtmatig verkregen, nu deze beveiligd was met een persoonlijk wachtwoord dat uitsluitend bij haar bekend was. Toegang is verkregen door dat persoonlijke account te omzeilen en vervolgens haar persoonlijke cloudopslag en zelfs privémail te openen. Daar is geen toestemming voor verleend. Dit is in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ook levert dit een strafbaar feit op in de zin van artikel 138ab, 350a Sr en 272 Wetboek van Strafrecht. Dit verkregen bewijs dient daarom buiten beschouwing te blijven. Tot slot is nakoming van de vorderingen onmogelijk, nu de door Grand Relocation gevorderde stukken niet bestaan. Grand Relocation baseert dat ook slechts op een vermoeden. Voor zover wel wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, geldt dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 194 en 195 Rv. Ook een belangenafweging zou tot afwijzing moeten leiden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. In dit kort geding gaat het in het kort om de vraag of gedaagden gehouden zijn om de opgevraagde stukken beschikbaar te houden en over te leggen. Gedaagden hebben daartegen vooral formele bezwaren opgeworpen. Die zullen hierna eerst worden besproken, waarna een inhoudelijke beoordeling volgt.\n\n4.2.. Grand Relocation heeft haar eis gewijzigd in een door haar ter zitting deels voorgedragen pleitnota. Gedaagden hebben daartegen bezwaar gemaakt omdat wijziging van eis volgens hen per akte moet plaatsvinden. De eiswijziging wordt toegestaan, nu deze voldoet aan artikel 10.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin staat dat eiswijziging schriftelijk moet (en ook nog ter zitting mag worden gedaan met pen en papier, zonder dat ondertekening vereist is). Inhoudelijk worden gedaagden door de eiswijziging niet in hun belangen geschaad. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde eis.\n\n4.3.. Volgens gedaagden is daarnaast geen sprake van een spoedeisend belang omdat Grand Relocation zelf pas een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomsten actie onderneemt door dit kort geding te starten. Daarin worden gedaagden niet gevolgd. Grand Relocation heeft ter zitting toegelicht dat zij in dat jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf.\n\n4.4.. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding, terwijl duidelijk was dat mr. Moszkowicz hen bijstaat gelet op eerdere correspondentie. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak om mr. Moszkowicz in de gelegenheid te stellen om zich in te lezen. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden.\n\n4.5.. Daarnaast zijn de stukken waarop Grand Relocation haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van Grand Relocation. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan haar oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt te meer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. De stelling van gedaagden dat zij toestemming hadden, is op geen enkele manier onderbouwd en is niet geloofwaardig.\n\n4.6.. Ten aanzien van [gedaagde 2] stellen gedaagden dat geen ondertekende arbeidsovereenkomst is overgelegd waaruit blijkt dat een nevenwerkzaamhedenbeding en\u002Fof een geheimhoudingsbeding met haar is overeengekomen. Ook dat baat gedaagden niet, nu Grand Relocation haar vorderingen niet uitsluitend baseert op de stelling dat in strijd met de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden zijn verricht of bedrijfsgevoelige informatie is gebruikt, maar ook op de stelling dat gedaagden in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld.\n\n4.7.. Op grond van de overgelegde stukken die Grand Relocation heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacy-redenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen is geen sprake.\n\n4.8.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van Grand Relocation bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen.\n\n4.9.. \n\nGelet op voorgaande worden de (primaire) vorderingen I tot en met III en de vorderingen VI tot en met VIII toegewezen. In haar eiswijziging heeft Grand Relocation beschreven dat in vordering II onder b, c en d en vordering III overal waar 1 januari 2022 staat, 1 januari 2021 moet worden gelezen omdat de concurrerende werkzaamheden volgens haar begonnen in 2021. Die eiswijziging heeft geen betrekking op vordering II sub a, maar dat wordt – gelet op de motivering dat de werkzaamheden in 2021 zijn gestart – als een kennelijke verschrijving gezien. Dat onderdeel van vordering II wordt daarom ook toegewezen over de periode 1 januari 2021 tot aan de dag van het vonnis.\n\nVerder wordt bij vordering II en III een termijn van vijf dagen gehanteerd. Aan de toegewezen vorderingen zal ook een dwangsom worden verbonden, nu er gelet op de houding van gedaagden niet op kan worden vertrouwd dat zij daaraan vrijwillig zullen voldoen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals hierna bij de beslissing bepaald .\n\n4.10.. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Grand Relocation worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n388,62\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.489,62\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt gedaagden om fysieke of digitale administratie, e-mails, chats, cloudbestanden, facturen, bankmutaties en agenda's met betrekking tot de in de dagvaarding omschreven activiteiten (waaronder in ieder geval de eenmanszaken [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] en [handelsnaam gedaagde 3] ) te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken,\n\n5.2.. \n\nveroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan Grand Relocation afschrift te verstrekken van de navolgende 'Stukken' ten aanzien van hun eigen respectievelijke entiteiten ( [gedaagde 1] voor [handelsnaam gedaagde 1] , [gedaagde 2] voor [handelsnaam gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor [handelsnaam gedaagde 3] ):\n\na. de Excel-, CSV- en boekhoudbestanden (waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend, bestanden vergelijkbaar met \" [documentnaam 1] \" en \" [documentnaam 2] \") opgemaakt of gewijzigd in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis, waarin omzet, fee, commissie, winstverdeling, namen of initialen van gedaagden of klanten en betaalstatus zijn opgenomen,\n\nb. de bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis van bankrekeningen (waaronder mede begrepen Revolut-rekeningen) voor zover deze zijn gebruikt ten behoeve van de genoemde entiteiten,\n\nc. de overeenkomsten aangaande vastgoedbemiddeling of beheer die in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis zijn gesloten met derden,\n\nd. de (e-mail)correspondentie en chatberichten (waaronder WhatsApp) verzonden of ontvangen in de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis met derden die tevens relatie zijn of zijn geweest van Grand Relocation,\n\ne. de aangifte inkomstenbelasting van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor zover deze betrekking hebben op [handelsnaam gedaagde 1] , [handelsnaam gedaagde 2] resp. [handelsnaam gedaagde 3] vanaf 1 januari 2021 tot datum heden,\n\n5.3.. veroordeelt gedaagden om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, een schriftelijke en gespecificeerde opgave te doen aan Grand Relocation van klanten, adressen, deals, ontvangen bedragen, gebruikte bankrekeningen, contante ontvangsten en de onderlinge winstverdeling ter zake van de omschreven werkzaamheden over de periode 1 januari 2021 tot de dag van dit vonnis,\n\n5.4.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om nog langer gebruik te maken van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, modellen, templates en klantgegevens van Grand Relocation,\n\n5.5.. verbiedt gedaagden met onmiddellijke ingang om, met gebruikmaking van bedrijfsvertrouwelijke informatie, leads, klantgegevens, modellen of templates afkomstig van Grand Relocation, relaties van Grand Relocation te benaderen voor het aanbieden van diensten aangaande vastgoedbemiddeling, exploitatie of -beheer,\n\n5.6.. veroordeelt gedaagden om aan Grand Relocation een dwangsom te betalen van € 250 per persoon, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij\u002Fzij niet aan de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.5 voldoet, tot een maximum van € 50.000 per persoon is bereikt,\n\n5.7.. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 2.489,62,\n\n5.8.. veroordeelt gedaagden, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, in de extra proceskosten van € 98 plus de kosten van betekening,\n\n5.9.. veroordeelt gedaagden tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,\n\n5.10.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.11.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nColl: EB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6434","2026-07-13T00:28:44.583Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":108,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":63,"updatedAt":111},"1524","ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","ecli-nl-rbams-2026-6574","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F780127 \u002F HA ZA 25-1810\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nJT INTERNATIONAL COMPANY NETHERLANDS B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: JT International,\n\nadvocaat: mr. I.A. van Rooij,\n\ntegen\n\n [gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. S.J. de Vries.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 11 maart 2026;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 20 november 2024 zijn JT International en [gedaagde] een overeenkomst aangegaan voor de koop en levering van tabakswaren. Bijlage D van die overeenkomst zijn de toepasselijke algemene voorwaarden van JT International (hierna: de Algemene Voorwaarden).\n\n2.2.. In de Algemene Voorwaarden is, voor zover relevant, bepaald:\n\n“6.4. Betaling dient te geschieden binnen acht dagen (8) na factuurdatum op door JTI aangegeven wijze. Bij overschrijding van de betalingstermijn of onjuiste betaling is Afnemer steeds onmiddellijk in verzuim en een vertragingsrente van 2% per maand verschuldigd, waarbij elk gedeelte van een maand als gehele maand wordt gerekend.\n\n(…)6.6.. Indien JTI genoodzaakt is om haar vorderingen op Afnemer te incasseren omdat Afnemer in de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, dan is Afnemer tevens, naast de schadevergoeding op grond van de wet en overeenkomst, een boete verschuldigd van 15% van het openstaande factuurbedrag te vermeerderen met eventuele overige heffingen en de reeds vervallen vertragingsrente. De Afnemer is gehouden om JTI zowel de buitengerechtelijke incassokosten te vergoeden als de kosten van juridische bijstand die JTI daadwerkelijk heeft gemaakt in de incassoprocedure.”\n\n2.3.. In januari en februari 2025 heeft [gedaagde] meerdere malen tabaksgoederen bij JT International besteld, die door JT International aan [gedaagde] zijn geleverd.\n\n2.4.. Op 22 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 15.646,56, met als vervaldatum 30 januari 2025.\n\n2.5.. Op 29 januari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 5.859,17, met als vervaldatum 6 februari 2025.\n\n2.6.. Op 5 februari 2025 heeft JT International aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor een bedrag van € 8.840,88, met als vervaldatum 13 februari 2025.\n\n2.7.. Op 4 maart 2025 heeft er een overval plaatsgevonden in de tabakszaak van [gedaagde] in [plaats]. De tabakszaak is daarna een aantal maanden gesloten geweest, tot in oktober 2025.\n\n2.8.. Op 14 juli 2025 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van JT International een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Op diezelfde datum heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.714,17 aan JT International betaald.\n\n2.9.. Op 9 oktober 2025 heeft de advocaat van JT International opnieuw een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] . Daarna heeft er nog correspondentie plaatsgevonden tussen [gedaagde] en de advocaat van JT International over een eventuele betalingsregeling, maar dat heeft niet geleid tot een regeling tussen partijen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. JT International vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.229,16 (bestaande uit € 28.632,44 aan hoofdsom, € 6.301,86 aan rente tot en met 13 november 2025 en € 4.294,86 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten.\n\n3.2.. JT International legt aan de vordering het volgende ten grondslag. JT International heeft meerdere keren goederen aan [gedaagde] geleverd in januari en februari 2025. Per saldo is [gedaagde] voor die leveringen nog een bedrag van € 28.632,44 aan JT International verschuldigd. Op grond van de Algemene Voorwaarden is [gedaagde] een rente van 2% per maand en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van het openstaande bedrag verschuldigd.\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van JT International voor zover het gaat om de gevorderde contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van JT International in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad. [gedaagde] verzoekt de rechtbank daarbij om bij toewijzing van (een deel van) de vorderingen van JT International te bepalen dat door [gedaagde] in maandelijkse termijnen van € 2.000 mag worden betaald.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert het volgende aan. De gevorderde contractuele rente van 2% per maand komt neer op een jaarlijkse rente van 24% per jaar. Dat is een exorbitante rente waarover partijen niet apart hebben onderhandeld. Het rentebeding dient daarom te worden vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is dan wel buiten toepassing te blijven nu een beroep op de contractuele rente in de gegeven situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten heeft JT International niet aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot het gevorderde bedrag en zijn de opgegeven werkzaamheden kosten waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden. [gedaagde] vordert primair om deze integraal af te wijzen en subsidiair om deze te matigen tot het wettelijke tarief.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [gedaagde] heeft erkend dat hij het openstaande factuurbedrag van € 28.632,44 nog aan JT International moet betalen. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen.\n\n4.2.. De vraag die resteert is of de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar zijn. De rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nRente\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat het partijen in beginsel vrijstaat om een bepaalde contractuele rente overeen te komen. Een te hoge rente kan, onder omstandigheden, buiten toepassing blijven omdat het onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 6:248 lid 2 BW.\n\n4.4.. In dit geval is van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. Hoewel een rente van 2% per maand (gelijk aan een rente van 24% per jaar) aan de hoge kant is, is geen sprake van een dusdanig hoge rente dat deze in de gegeven omstandigheden als onredelijk bezwarend of strijdig met de redelijkheid en billijkheid is aan te merken. JT International heeft dit, anders dan in de door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van de het gerechtshof Den Haag,ter zitting gemotiveerd betwist door aan te geven dat de handelsrente op dit moment boven de 10% per jaar ligt en een rente van 2% per maand in deze zakelijke context niet buitensporig is. [gedaagde] heeft daar onvoldoende tegenin gebracht. Aan overige omstandigheden heeft [gedaagde] slechts aangevoerd dat de overeengekomen rente is opgenomen in de Algemene Voorwaarden en dat partijen daar niet apart over hebben onderhandeld. Die omstandigheden zijn in dit geval ook niet dusdanig bijzonder of zwaarwegend dat het overeengekomen rentebeding om die reden moet worden vernietigd of buiten toepassing moet blijven. De rechtbank wijst de gevorderde rente van € 6.301,86 tot en met 13 november 2025 en de rente vanaf een dag na die datum daarom toe.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.5.. JT International vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.\n\n4.6.. De door JT International gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de rechtbank echter redenen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen, nu de gestelde werkzaamheden grotendeels zien op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te houden, zoals een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen, het doen van onderzoek naar verhaalsmogelijkheden en het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Niet is gebleken dat de werkelijke kosten van JT International voor de overige gestelde incassowerkzaamheden hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook gematigd worden toegewezen, en wel tot het forfaitaire tarief van € 1.061,32, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht.\n\nProceskosten\n\n4.7.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JT International worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,73\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672\n\n(2 punten × € 836)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.979,73\n\nBetaling in termijnen\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om bij een toewijzing van de vordering(en) van JT International te bepalen dat [gedaagde] deze in termijnen mag van € 2.000 per maand aan JT International mag betalen. Of [gedaagde] de toegewezen vordering in termijnen mag betalen, is echter iets wat tussen partijen afgesproken dient te worden. De rechtbank kan dat niet bepalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 34.934,30, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 2% per maand over een bedrag van € 28.632,44, met ingang van 14 november 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan JT International te betalen een bedrag van € 1.061,32 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.979,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.F. van Schendel en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n Gerechtshof Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6574","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.352Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":119},"1589","ECLI:NL:RBAMS:2026:6591","ecli-nl-rbams-2026-6591","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F775482 \u002F HA ZA 25-1483\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neiseres in conventie, verweerster in reconventie,\n\nadvocaat: onttrokken op 5 januari 2026,\n\ntegen\n\nTHE VECTORY B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde in conventie, eiseres in reconventie,\n\nadvocaat: mr. B.J.G. Sap.\n\nPartijen worden hierna [eiser] en The Vectory genoemd.\n\n1. De procedure in conventie en in reconventie\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 september 2025 met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2026 en de daarin vermelde stukken.\n\n1.2.. Vervolgens wijst de rechtbank vandaag vonnis.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] en The Vectory hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] heeft gewerkt voor The Vectory. Partijen verschillen van mening over de betalingsafspraken die zij in het kader van deze overeenkomst hebben gemaakt. [eiser] meent dat zij recht heeft op een maandelijkse vergoeding van The Vectory en vordert deze in conventie. The Vectory spreekt dit tegen en vordert in reconventie onder andere verklaringen voor recht en schadevergoeding wegens onwaarheden die [eiser] heeft geuit en beslagen die [eiser] onterecht heeft gelegd.\n\n2.2.. In dit tussenvonnis beoordeelt de rechtbank verschillende omstandigheden die een rol spelen bij beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen. Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat partijen een maandelijkse vergoeding hebben afgesproken die afhankelijk was van de omzet die [eiser] genereerde. Omdat deze targets niet zijn gehaald, hoefde The Vectory geen maandelijkse vergoeding te betalen.\n\n2.3.. In reconventie komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden ten aanzien van de facturen van 2025. Als gevolg daarvan zal zij de kosten van het deskundigenonderzoek dat The Vectory heeft laten uitvoeren, moeten betalen. Omdat de hoogte van deze kosten niet onderbouwd zijn, krijgt The Vectory de mogelijkheid dat alsnog te doen. Verder overweegt de rechtbank dat de conservatoire derdenbeslagen van [eiser] onrechtmatig zijn aangezien zij in conventie ongelijk krijgt. De vorderingen van The Vectory omtrent reputatieschade heeft zij onvoldoende onderbouwd.\n\n3. De feiten in conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n [eiser] is een onderneming die managementtaken uitvoert in opdracht van andere ondernemingen. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] .\n\n3.2.. The Vectory is een onderneming die zich richt op sportmarketing en samenwerking met en tussen bedrijven in de sportwereld. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is indirect bestuurder van The Vectory.\n\n3.3.. Vanaf 1 oktober 2024 heeft [eiser] in opdracht van The Vectory werkzaamheden verricht, met name met als doel om nieuwe klanten voor The Vectory te werven. In oktober, november en december 2024 heeft [eiser] facturen gestuurd voor haar werkzaamheden van telkens € 9.680,- (€ 8.000,- exclusief btw). Op 5 november 2024 heeft The Vectory € 4.000,- betaald aan [eiser] .\n\n3.4.. Op 28 en 29 maart 2025 hebben [naam 1] en [naam 2] gecorrespondeerd over participatie door [naam 1] , naast [naam 2] en een derde, in de aandelen van Starp Agency B.V. (hierna: Starp). Participatie door The Vectory heeft niet plaatsgevonden.\n\n3.5.. Op 31 maart 2025 heeft The Vectory de overeenkomst met [eiser] en andere personen die werkzaam waren bij The Vectory met ingang van 1 mei 2025 opgezegd omdat het financieel niet goed ging met The Vectory.\n\n3.6.. Op 11 juni 2025 heeft [naam 1] een betalingsherinnering gemaild aan [naam 2] voor de drie facturen uit 2024. Vervolgens hebben zij hierover via Whatsapp gecorrespondeerd. Op 21 juli 2025 heeft [naam 2] per e-mail gereageerd en onder meer aangegeven dat [naam 1] vanaf het begin van de samenwerking heeft aangegeven dat er pas betaald hoefde te worden als [eiser] de afgesproken omzetdoelen had behaald. Na nog enkele e-mails over en weer heeft [naam 1] op 14 augustus 2025 Starp Agency (als rechtsopvolger van The Vectory) vier facturen gestuurd voor de maanden januari tot en met april 2025.\n\n3.7.. Een andere opdrachtnemer van The Vectory, CP Sport Marketing, heeft haar vordering op The Vectory van € 7.260,- gecedeerd aan [eiser] . Op 21 oktober 2025 heeft The Vectory dit bedrag overgemaakt naar [eiser] met de beschrijving “uitsluitend voor gecedeerde CP Sports Marketing vordering”.\n\n3.8.. Op 28 en 29 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] verlof verleend om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van The Vectory onder ABN Amro Bank N.V. en Goodhunt Consulting B.V., waarna [eiser] beslag heeft gelegd.\n\n3.9.. Op 5 september 2025 heeft [eiser] The Vectory een ingebrekestelling gestuurd voor onder meer de zeven facturen voor de maanden oktober 2024 tot en met april 2025.\n\n3.10.. Op 17 september 2025 heeft The Vectory [eiser] een sommatiebrief gestuurd, onder andere ter opheffing van de beslagen. Hier heeft [eiser] afwijzend op gereageerd, waarna The Vectory op 22 oktober 2025 een opheffingskortgeding is gestart. Bij vonnis van 6 november 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van The Vectory afgewezen.\n\n3.11. 212. Digitaal Forensisch Onderzoek B.V. (hierna: het forensisch onderzoeksbureau) heeft in opdracht van The Vectory op 8 april 2026 een rapport uitgebracht met een metadata-onderzoek naar de bestanden met de facturen van [eiser] van januari tot en met april 2025 (hierna: het forensisch onderzoek).\n\n3.12.. Voor zover de hierboven genoemde correspondentie relevant is voor de beoordeling, zal die daar worden geciteerd.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, The Vectory veroordeelt tot betaling van € 71.020,-, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten, rente en proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat The Vectory haar betalingsverbintenis uit de overeenkomst van opdracht moet nakomen. In deze overeenkomst staat dat [eiser] recht heeft op een maandelijkse vaste vergoeding van € 9.680,-. Daarnaast heeft zij recht op een individuele bonusregeling. De overeenkomst had een duur van twaalf maanden en een opzegtermijn van één maand.\n\n4.3.. The Vectory voert verweer en betwist de inhoud van de overeenkomst zoals [eiser] die stelt. Er was slechts sprake van een mondeling overeenkomst, geen schriftelijke. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] maandelijks € 8.000,- ex btw zou ontvangen mits zij die maand een omzet van minstens € 16.000,- had gegenereerd. Als deze omzet niet werd gehaald, zou [eiser] voor die maand niet betaald krijgen. Volgens The Vectory heeft [eiser] geen omzet gegenereerd. The Vectory wil dat de vordering wordt afgewezen en dat [eiser] wordt veroordeeld in, primair, de werkelijke proceskosten met rente, of, subsidiair, de standaard proceskosten met rente.\n\nIn reconventie\n\n4.4.. The Vectory vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,\n\nI. voor recht verklaar dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden;\n\nII. voor recht verklaart dat de derdenbeslagen van [eiser] onrechtmatig waren;\n\nIII. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de schade die The Vectory door de beslagen heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat;\n\nIV. voor recht verklaart dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van onjuiste en reputatieschadelijke uitlatingen over The Vectory;\n\nV. voor recht verklaart dat, zo begrijpt de rechtbank, het actief benaderen van zakelijke relaties van The Vectory met het oogmerk deze te bewegen de samenwerking te beëindigen of aan te gaan met [eiser] , onrechtmatig is;\n\nVI. voor recht verklaart dat, zo begrijpt de rechtbank, het zich toe-eigenen of gebruiken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van The Vectory zonder toestemming, onrechtmatig is;\n\nVII. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de schade die The Vectory heeft geleden en zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen onder IV tot en met VI, nader op te maken bij staat;\n\nVIII. [eiser] beveelt dergelijke handelen direct te staken en gestaakt te houden;\n\nIX. bepaalt dat [eiser] bij overtreding van het bevel onder VIII een dwangsom verbeurt;\n\nX. [eiser] veroordeelt in de werkelijke proceskosten met rente, althans de standaard proceskosten met rente.\n\n4.5.. The Vectory legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft gelogen over de facturen van januari tot en met april 2025. Anders dan [eiser] stelt heeft zij die pas in augustus verstuurd. Dit is een schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering, hierna: Rv) en reden om [eiser] in de daadwerkelijk proceskosten te veroordelen. Verder zijn de gelegde derdenbeslagen onrechtmatig, omdat de vordering in conventie moet worden afgewezen en [eiser] dus onterecht beslag heeft gelegd. Tot slot stelt The Vectory dat [eiser] jegens zakelijke relaties van The Vectory haar reputatie heeft geprobeerd te beschadigen door onjuiste uitlatingen te doen.\n\n4.6.. \n [eiser] voert verweer en betwist dat zij de waarheidsplicht heeft geschonden en The Vectory heeft zwartgemaakt bij diens zakelijke relaties. De beslagen zijn bovendien niet onrechtmatig, zoals de kortgedingrechter ook heeft geoordeeld.\n\n4.7.. Op de standpunten van partijen in conventie en in reconventie wordt hieronder uitgebreider ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie\n\n5.1.. De gecedeerde vordering van CP Sport Marketing van € 7.260,- is inmiddels door The Vectory op 21 oktober 2025 betaald. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Wat overblijft zijn de zeven facturen van [eiser] , van in totaal € 67.760,-, waarvan The Vectory in november 2024 € 4.000,- heeft betaald. Het resterende bedrag is € 63.760,-.\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat de betalingsverplichting volgt uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en The Vectory betwist dat. Om te bepalen wat de inhoud van de overeenkomst is, moet gekeken worden naar de tekst van de overeenkomst, de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit en de verwachtingen die zij hieraan redelijkerwijs mochten verbinden. Ook zijn gedragingen van partijen in de latere uitvoeringsfase van de overeenkomst relevant bij het vaststellen van hun afspraken.Omdat [eiser] de eisende partij in conventie is en zij zich beroept op een betalingsverplichting uit de overeenkomst van opdracht, is het aan haar om te onderbouwen dat de afspraken zijn gemaakt zoals zij stelt.\n\n5.3.. De rechtbank komt tot de conclusie dat [eiser] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de betalingsverplichting daarom onvoldoende is vast komen te staan. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.\n\nDe conceptovereenkomst5.4.. Volgens The Vectory zijn er alleen mondelinge afspraken gemaakt. [eiser] stelt dat er een schriftelijke overeenkomst is in de vorm van een conceptovereenkomst. Dit document heeft zij niet ingebracht in de procedure omdat zij daar niet over beschikt. Volgens [eiser] hebben twee betrokkenen het concept zien staan op de server van The Vectory. In reactie hierop heeft [naam 2] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een dergelijk stuk nooit gezien heeft en heeft hij erop gewezen dat het slechts een concept is en ook niet is ondertekend.\n\n5.5.. \n [naam 1] heeft op de zitting aangeboden twee verklaringen van de genoemde betrokkenen over te leggen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Redengevend daarvoor is in ieder geval hetgeen hierna is opgenomen onder 5.17 over het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] . Verder geldt dat deze verklaringen voorafgaand aan de zitting hadden moeten worden overlegd en dat ze voor de beoordeling onvoldoende van belang zijn nu in ieder geval vaststaat dat er geen getekende schriftelijke overeenkomst is.\n\nDe e-mail van 1 oktober 20245.6.. Op 1 oktober 2024, bij aanvang van de samenwerking, heeft [naam 1] aan [naam 2] gemaild:\n\n“Jouw aanbod van EUR 8K per maand is voor mij genoeg om me volledig te committeren. Nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan en uiteraard hebben we targets en is het de bedoeling dat binnen afzienbare termijn we via een performance bonus ik mezelf meer dan terug verdien.”\n\n5.7.. Volgens [eiser] volgt uit deze e-mail dat hij met The Vectory een vaste vergoeding van € 8.000,- ex. btw is overeengekomen, aangevuld met een bonusregeling. The Vectory meent juist dat uit deze e-mail blijkt dat de maandelijkse vergoeding omzetafhankelijk was.5.8.. De rechtbank volgt The Vectory hierin; de maandelijkse vergoeding van € 8.000,- wordt betaald “nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan”. Al gauw bleek dat het financieel niet goed ging met The Vectory en dat haarcash flowdeze maandelijkse kosten niet aankon. Volgens [naam 2] heeft hij voorafgaand aan de samenwerking met [naam 1] besproken dat The Vectory zonder de omzet die [naam 1] zou binnenhalen, niet maandelijks € 8.000,- aan hem kon betalen. [naam 1] heeft niet ontkend dat ze dit in een vroeg stadium hebben besproken, maar stelt dat [naam 2] ten onrechte een te positieve voorstelling van zaken gaf over decash flowvan The Vectory. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [naam 1] zich ervan bewust was dat zijn maandelijkse vergoeding afhing van decash flowen dat hij dus niet op voorhand ervanuit kon gaan dat hij maandelijks € 8.000,- zou ontvangen.\n\nDe facturen van 2024 en betaling van € 4.000,-5.9.. In oktober, november en december 2024 heeft [eiser] maandelijks facturen gestuurd van telkens € 9.680,- per factuur (€ 8.000,- ex. btw). Op 5 november 2024 heeft The Vectory € 4.000,- betaald aan [eiser] , ter voldoening van de helft van de factuur van oktober.\n\n5.10.. \n [eiser] stelt dat hij ontvangstbevestigingen van de facturen heeft gekregen en dat de betaling van € 4.000,- een erkenning is van de maandelijkse betalingsverplichting. Bovendien heeft The Vectory niet geprotesteerd tegen de facturen uit 2024.\n\n5.11.. The Vectory voert aan dat zij zich niet verzet heeft tegen de facturen uit 2024 omdat zij van [eiser] had begrepen dat zij deze puur voor haar eigen boekhouding verzond. The Vectory hoefde pas te betalen na het behalen van de omzettargets en deze targets werden niet behaald. De € 4.000,- heeft The Vectory uit coulance betaald en met het vertrouwen dat [eiser] de afgesproken omzet zou gaan binnenhalen.\n\n5.12.. Dat The Vectory de facturen heeft ontvangen en zonder protest heeft behouden en dat zij een betaling van € 4.000,- heeft verricht, acht de rechtbank gezien de hiervoor onder 5.6 genoemde e-mail onvoldoende om vast te stellen dat partijen zijn overeengekomen dat The Vectory maandelijks een vast bedrag van € 9.680,-, zou ontvangen ongeacht door [eiser] al dan niet gegenereerde omzet. Daarbij is ook van belang dat [eiser] pas op 2 mei 2025 voor het eerst heeft aangedrongen op betaling van de facturen uit 2024. Dit blijkt uit een e-mail van 2 mei 2025 van [naam 1] aan [naam 2] :\n\n“Daarnaast lopen er nog een aantal zaken vanuit The Vectory, waar wij het ook tijdens onze lunch over gehad hebben. Ik kan er in jouw afwezigheid een aantal afhandelen samen met [naam 3] , zodat de begrote inkomsten binnen komen bij The Vectory.\n\nVoor ieders duidelijkheid zouden dan ook de openstaande facturen aan mij voldaan zijn.”\n\n5.13.. Op dat moment was de overeenkomst tussen The Vectory en [eiser] al per 1 mei 2025 beëindigd. Het feit dat [eiser] niet eerder een betalingsherinnering voor de facturen uit 2024 heeft gestuurd, valt niet te rijmen met zijn stelling dat hij vanaf oktober 2024 maandelijks € 9.680,- zou ontvangen. Dat al eerder sprake zou zijn van betalingsherinneringen of verslechterde verhoudingen blijkt ook niet uit het feit dat partijen op 28 en 29 maart 2025 hebben gemaild over een nieuwe samenwerking in de vorm van Starp. De toon van deze e-mails is over en weer positief.\n\n5.14.. Ook e-mails van The Vectory van na mei 2025 bevatten, anders dan [eiser] stelt, geen erkenning van de verschuldigdheid van de facturen. [naam 2] heeft [naam 1] meermaals gewezen op de omzettargets en de geringe cash flowen altijd ontkend de facturen van 2024 te hoeven betalen omdat [naam 1] de omzettargets niet heeft gehaald.\n\nVerklaringen van [naam 4] en [naam 5]5.15.. Tot slot beroept [eiser] zich op twee verklaringen van collega’s van The Vectory. In de verklaring van [naam 4] staat, voor zover relevant:\n\n“Samen met het team zorgde hij ervoor dat in elke propositie richting zowel bestaande als nieuwe klanten een scherpe en realistische commerciële component werd opgenomen. Hij was elke dinsdag ochtend bij de weekstart met het hele team.\n\nDaarnaast organiseerde hij wekelijks een intern overleg […] waarin hij collega’s ondersteunde bij uiteenlopende commerciële vraagstukken.”\n\nIn de verklaring van [naam 5] staat, voor zover relevant:\n\n“Wekelijks hadden wij samen met collega’s op dinsdag de weekstart en commercieel overleg. Verder heb je jouw strategische bijdrage geleverd aan de strategie omtrent de Gameplans en het verder ontwikkelen van de invulling van de MaaS strategie.”\n\n5.16.. De rechtbank constateert dat de verklaringen uitsluitend gaan over de werkzaamheden die [naam 1] heeft verricht en de samenwerking zoals [naam 4] en [naam 5] die hebben ervaren. Daaruit kan niet worden afgeleid wat partijen hebben afgesproken over een maandelijkse vergoeding. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt ter invulling van de overeenkomst tussen [eiser] en The Vectory.\n\n5.17.. \n [eiser] heeft bewijs aangeboden van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst. Zij biedt aan om [naam 1] , [naam 4] en enkele andere betrokkenen te horen als getuigen over de totstandkoming van de overeenkomst. De advocaat van [eiser] heeft zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling onttrokken. Dat betekent dat [eiser] geen proceshandelingen meer kan verrichten. Het horen van getuigen is een proceshandeling waarbij een partij verplicht moet worden bijgestaan door een advocaat. Namens [eiser] heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld terwijl zij daar voldoende tijd voor heeft gehad. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het bewijsaanbod van [eiser] .\n\n5.18.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst met The Vectory en dat de voreringen in conventie zullen worden afgewezen.\n\nIn reconventie\n\nVordering I: schending waarheidsplicht en facturen van 20255.19.. The Vectory vordert een verklaring voor recht dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Volgens The Vectory klopt het niet dat er een conceptovereenkomst op haar server staat of heeft gestaan en zijn de facturen van de eerste vier maanden van 2025 en e-mails van [eiser] bij deze facturen, geantedateerd. Dit laatste onderbouwt The Vectory met het forensisch rapport dat concludeert dat de bestanden met de facturen van januari tot en met april 2025 zowel in PDF-format als in Word-format pas in augustus 2025 zijn aangemaakt en niet zoals [eiser] doet voorkomen, reeds in april 2025. Dit blijkt uit de metadata van de bestanden. The Vectory onderbouwt dit verder met een screenshot van haar e-mailbox waaruit blijkt dat [eiser] de facturen voor het eerst in augustus heeft verstuurd en niet in april en mei 2025.\n\n5.20.. Of er op de server van The Vectory wel of geen conceptovereenkomst heeft gestaan, is niet vast komen te staan, zoals hiervoor is overwogen onder 5.5. Ook is niet vast komen te staan dat [eiser] hierover heeft gelogen. In reconventie ligt het op de weg van The Vectory om deze stelling te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n5.21.. Over de facturen van 2025 oordeelt de rechter anders. In conventie vordert [eiser] betaling van deze facturen. Voor de beoordeling of betaling daadwerkelijk is overeengekomen is mogelijk relevant of die facturen voor of na het ontstaan van het conflict tussen partijen zijn verstuurd. De datum waarop de facturen voor het eerst zijn verstuurd is daarmee relevant.\n\n5.22.. \n [eiser] betwist dat hij de mails en facturen over 2025 heeft geantedateerd. Over de facturen van 2025 heeft [naam 1] op de zitting toegelicht dat hij deze per kwartaal heeft gestuurd en niet per maand, omdat hij wist dat betaling gezien de financiële situatie van The Vectory langer ging duren. Hij heeft de facturen van het eerste kwartaal in april verstuurd en de factuur van april in mei 2025. Vervolgens heeft hij ze in augustus 2025 nogmaals gestuurd. Mogelijk zijn de bestanden die hij in augustus verstuurde niet dezelfde als die hij in april en mei verstuurde, maar het gaat wel om dezelfde facturen. Het is ook mogelijk dat de PFD-bestanden pas in augustus zijn opgemaakt, maar de Word-bestanden dateren in ieder geval van april en mei 2025.\n\n5.23.. De waarheidsplicht is vastgelegd in artikel 21 Rv: “Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.”Op The Vectory rust ter zake de bewijslast.\n\n5.24.. Ter onderbouwing van haar stelling beroept The Vectory zich op het forensisch onderzoek. Daaruit blijkt het volgende. Op de afbeeldingen van de e-mails die hieronder volgen, is te zien dat [eiser] op 14 augustus 2025 om 17:52 uur een e-mail aan Starp van 3 april 2025, heeft doorgestuurd aan haar advocaat. Deze e-mail aan Starp bevat de facturen van het eerste kwartaal van 2025. Vervolgens is te zien dat [eiser] op eveneens 14 augustus 2025 om 17:50 een e-mail aan Starp Agency van 8 mei 2025 om 15:17 uur, met de factuur van april 2025, eveneens heeft doorgestuurd aan haar advocaat.\n\nOm privacy-redenen zijn de afbeeldingen verwijderd\n\nDe bestanden met de facturen die bij deze mails zijn gevoegd zijn onderzocht door het forensisch onderzoeksbureau. Zij concludeert dat uit de metadata van deze bestanden volgt dat ze alle vier op 14 augustus 2025 binnen enkele minuten na elkaar zijn aangemaakt in Word en vervolgens zijn geëxporteerd naar PDF. De documenten bestonden niet vóór deze datum. Het verweer van [eiser] dat de Word-bestanden van april en mei zijn, slaagt dus niet. Uit de afbeelding van de inbox van The Vectory blijkt verder dat [eiser] geen facturen heeft verstuurd in april en mei 2025. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de facturen voor het eerst zijn opgemaakt op 14 augustus 2025 en dat [eiser] deze niet al op 3 april en 8 mei 2025 aan Starp Agency heeft verstuurd. Dit duidt erop dat de datering van de e-mails die [eiser] aan haar advocaat heeft gestuurd, achteraf is aangepast. Deze falsificatie van stukken die mogelijk belangrijk zijn in deze procedure is een schending van de waarheidsplicht.\n\n5.25.. The Vectory heeft de rechtbank verzocht hier de gevolgstrekking aan te verbinden die zij geraden acht en heeft gevraagd om [eiser] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke proceskosten van The Vectory. The Vectory heeft deze kosten echter niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Wel zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van het forensisch onderzoek nu vaststaat dat deze kosten noodzakelijk waren voor de onderbouwing van de vordering van The Vectory. De hoogte van deze kosten zijn niet bekend en daarom zal de rechtbank The Vectory in de gelegenheid stellen alsnog de factuur van het onderzoeksbureau over te leggen.\n\nVorderingen II en III: beslagen waren onrechtmatig5.26.. The Vectory vordert verklaring voor recht dat de conservatoire beslagen die [eiser] heeft gelegd onrechtmatig zijn. The Vectory vordert ook schadevergoeding die zij als gevolg van deze schade heeft geleden, nader op te maken bij staat.\n\n5.27.. \n [eiser] betwist dat de beslagen onrechtmatig zijn omdat de rechtbank in een eerder opheffingskortgeding tussen (de rechtsopvolger van) The Vectory en [eiser] heeft geoordeeld dat de beslagen naar haar voorlopig oordeel niet onterecht zijn gelegd.\n\n5.28.. De rechtbank overweegt dat de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak worden afgewezen, wat tot gevolg heeft dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd en dus onrechtmatig zijn.\n\n5.29.. Voor een verwijzing naar de schadestaat moet aan twee vereisten zijn voldaan: aansprakelijkheid in de hoofdprocedure moet vaststaan en de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden moet aannemelijk zijn.Aan deze vereisten is voldaan: in deze hoofdzaak staat vast dat [eiser] aansprakelijk is voor schade als gevolg van de onrechtmatige beslagen. Ook heeft The Vectory voldoende onderbouwd dat met de beslagen haar inkomstenbron direct is geraakt waardoor zij lopende verplichtingen niet meer kon nakomen. De vordering zal op dit punt worden toegewezen.\n\nVorderingen IV tot en met IX: reputatieschade5.30.. Tot slot vordert The Vectory verklaringen voor recht dat [eiser] misleidende uitlatingen heeft gedaan over The Vectory die schadelijk zijn voor haar reputatie, dat [eiser] zakelijke relaties heeft benaderd met als doel de samenwerkingen van The Vectory te beëindigen en dat The Vectory vertrouwelijke informatie heeft gebruikt. The Vectory vordert hiervoor schadevergoeding, op te maken bij staat, en een bevel deze handelingen te staken, op straffe van een dwangsom. [eiser] betwist alles.\n\n5.31.. The Vectory heeft de vorderingen slechts onderbouwd met een appbericht van een zakelijke relatie aan [naam 2] waarin staat dat deze relatie verhalen hoort dat [naam 1] aan anderen vertelt dat Starp failliet gaat en dat [naam 2] gevlucht is. Deze onderbouwing is, gelet op de stellige betwisting van [eiser] , onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [naam 1] herhaaldelijk en opzettelijk schadelijke en misleidende uitlatingen heeft gedaan en nog steeds doet. Ook kan op basis van deze onderbouwing niet worden vastgesteld dat The Vectory hierdoor schade heeft geleden. Deze voreringen zullen worden afgewezen.\n\nConclusie in conventie en in reconventie\n\n5.32.. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. De vorderingen in reconventie onder I, II en III zullen worden toegewezen. De beslissing op vordering X zal worden aangehouden. The Vectory wordt in de gelegenheid gesteld de factuur van het forensisch onderzoeksbureau over te leggen. De overige vorderingen zullen worden afgewezen.\n\n5.33.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin reconventie\n\n6.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor het nemen van een akte door The Vectory over wat is vermeld onder 5.25.\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026\n\n Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981\u002F635 (Haviltex) en Hoge Raad 20 mei 1994, NJ 1994\u002F574 (Gasunie \u002FGemeente Anloo).\n\n Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675.\n\n Hoge Raad 15 april 1965, NJ 1965\u002F331 (S\u002FS) en Hoge Raad 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0512 (G\u002F [naam 6] q.q.).\n\n Hoge Raad 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6591","2026-07-13T00:29:28.639Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":63,"updatedAt":128},"841","ECLI:NL:GHAMS:2026:1858","ecli-nl-ghams-2026-1858","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.307.579\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 8887672 EL 20-2\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend te [plaats] ,\n\ngeïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van de afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de echtgenote de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 30 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 23 september 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;\n\n- akte tevens houdende memorie van antwoord in incidenteel appel;\n\n- antwoordakte.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 10.770,35\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 10.770,35\n\n3.\n\n [nummer 3]\n\n16-8-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n15-8-2003\n\n-\u002F- € 4.396,06\n\n3.2.. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 27 mei 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de echtgenote uit onverschuldigde betaling. De echtgenote voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 27 mei 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. De echtgenote betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afnemer, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de echtgenote, aan Dexia heeft gestuurd.\n\n4.6.. Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op de echtgenote, nu Dexia erkent dat de afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016.\n\n4.7.. Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens de echtgenote enige verjaring te stuiten. In grief I voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist. Leaseproces heeft na deze brief een zeer groot aantal volmachten aan Dexia toegezonden, maar daaronder bevond zich volgens Dexia geen volmacht van de echtgenote.\n\n4.8.. Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afnemer als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de echtgenote te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de echtgenote is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenote op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afnemer en de echtgenote ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 28 oktober 2020 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.\n\n4.9.. Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de echtgenote aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling. Ook de grief in het incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking. Voor de (toewijsbaarheid van de) vordering van de echtgenote is deze grief niet van belang.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat namens de echtgenote de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.11.. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.\n\n4.12.. Dexia is in het principaal hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Bij de uitkomst in het incidenteel hoger beroep past dat de echtgenote wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de echtgenote begroot op € 772,00 aan verschotten, € 1.935,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nveroordeelt de echtgenote in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 645,00 voor salaris;\n\nverklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1858","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.649Z",{"id":130,"ecli":131,"slug":132,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":133,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":127,"parsedAt":63,"updatedAt":135},"855","ECLI:NL:GHAMS:2026:1859","ecli-nl-ghams-2026-1859","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.312.704\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9508348 EL 21-271\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nwonend te [plaats] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe afnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van de afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de echtgenote de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 2 juni 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 17 maart 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met productie;\n\n- memorie van antwoord, met producties;\n\n- akte uitlaten producties, met productie.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n31-3-2000\n\nLegio BespaarPlan\n\n60 mnd\n\n30-3-2005\n\n-\u002F- € 3.648,68\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n18-5-2000\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\n36 mnd\n\n19-5-2003\n\n-\u002F- € 21.903,12\n\n3.2.. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 21 december 2005 aan Dexia dan wel bij brief die door Dexia op 30 maart 2006 is ontvangen (hierna: de vernietigingsbrieven) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de echtgenote uit onverschuldigde betaling. Dexia stelt dat zij na vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten dan wel na het uitbrengen van de opt out-verklaring in 2007 niets meer van de echtgenote vernomen heeft. De echtgenote voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 21 december 2005 dan wel 30 maart 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. De echtgenote betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012, 27 oktober 2016 en 20 januari 2017 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afnemer, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de echtgenote, aan Dexia heeft gestuurd.\n\n4.6.. Ten aanzien van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op de echtgenote, nu Dexia niet betwist dat de afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016.\n\n4.7.. Dexia betwist voorts dat Leaseproces gemachtigd was om namens de echtgenote enige verjaring te stuiten. Dexia voert in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld of gebleken dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afnemer als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de echtgenote te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de echtgenote is verzonden. De stuitingsbrieven van 27 oktober 2016 en 20 januari 2017 bouwen hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenote op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afnemer en de echtgenote ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 20 januari 2017 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 21 januari 2017 uitgebracht, namelijk op 28 oktober 2020 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.\n\n4.9.. Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de echtgenote aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat namens de echtgenote de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.11.. Bij verdere bespreking van de grieven bestaat geen belang. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.\n\n4.12.. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:\n\ngriffierecht € 783,00\n\nsalaris advocaat € 1.290,00(tarief II, 1 punt)\n\ntotaal € 2.073,00\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt het vonnis waarvan beroep;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de echtgenote begroot op € 2.073,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;\n\nverklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1859","2026-07-13T00:28:51.431Z",{"id":137,"ecli":138,"slug":139,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":140,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":141,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":63,"updatedAt":142},"1215","ECLI:NL:GHAMS:2026:1710","ecli-nl-ghams-2026-1710","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.354.470\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F345714\u002F HA ZA 23-612\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] ,\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\nappellant,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. E. Hoekstra te Alkmaar,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] h.o.d.n. [bedrijf] ,\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellant,\n\nadvocaat: mr. M.M. Hazewinkel te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDeze zaak draait om de vraag of tussen [geïntimeerde] en [appellant] een overeenkomst tot stand is gekomen, die – kort gezegd – inhoudt dat beide partijen in gelijke mate delen in de (toekomstige) opbrengsten afkomstig uit bemiddeling van vier voetballers naar betaald voetbalorganisaties. [appellant] heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst betwist. De rechtbank heeft [geïntimeerde] in het gelijk gesteld. [appellant] heeft tegen dit oordeel hoger beroep ingesteld en [geïntimeerde] heeft zijn vorderingen in (incidenteel) hoger beroep gewijzigd.\n\nHet hof komt tot het oordeel dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de (op die overeenkomst gebaseerde) vorderingen en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellant] is bij dagvaarding van 8 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 8 januari 2025 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven;\n\n- memorie van antwoord, tevens houdende verandering van eis, met producties.\n\nOp 7 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] heeft de zaak laten toelichten door mr. Hoekstra, voornoemd. [geïntimeerde] heeft de zaak laten toelichten door mr. Hazewinkel, voornoemd, en mr. J. Blakborn (advocaat te Amsterdam). De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.24 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de (relevante) feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. \n [geïntimeerde] en [appellant] begeleiden en\u002Fof vertegenwoordigen voetballers bij de totstandkoming van arbeidsovereenkomsten met een voetbalclub (‘intermediairs’ of ‘zaakwaarnemers’). Intermediairs ontvangen voor hun werkzaamheden van de betrokken voetbalclub een overeengekomen commissie, vaak een percentage van 5 tot 10% van het bruto jaarloon van de speler en\u002Fof een percentage van de toekomstige transfersom die een nieuwe voetbalclub aan de oude club betaalt voor de transfer van een speler.\n\n3.2.. Vanaf begin 2018 hebben [geïntimeerde] en [appellant] veelvuldig contact gehad over interessante voetballers en over een mogelijke gezamenlijke samenwerking met een Engels zaakwaarnemerskantoor (USM). Een onderdeel van de contacten tussen [geïntimeerde] en [appellant] uit deze periode zijn de volgende Whatsapp berichten:\n\n 12 maart 2018\n\n [geïntimeerde] : He kerel alles goed? De spelers die we hebben besproken zoals [naam 1] , die van Galatasaray etc\n\n Wat is hun status nu\n\n Kunnen we nog bepaalde deals regelen?\n\n Want ik heb deze spelers namelijk niet besproken met USM.\n\n [appellant] : Hey [geïntimeerde] , alles goed man. Met jou?\n\n [geïntimeerde] : Lekker\n\n [appellant] : Ik zal je morgen even wat spelers doorsturen\n\n [geïntimeerde] : Ok top\n\nSpreek je morgen\n\n [appellant] : Stuur ik je een lijstje met spelers waarmee we kunnen werken[emoticon duim omhoog]\n\n 3 april 2018\n\n [geïntimeerde] : Ik denk dat ze[USM, toevoeging hof] eerst een deal willen zien\n\nVoordat ze gaan investeren\n\n [appellant] : Ja begrijp ik maar zo werkt het niet\n\nWant stel dat we toptalent hebben dan kunnen we die ook zelf doen\n\n £ 200.000 - £ 300.000\n\n Voor ons zelf ipv te delen\n\n 16 april 2018\n\n [appellant] : Ja man commissie hoeveel % denk je aan\n\nPer speler[ziet op gewenste vergoeding van USM, toevoeging hof]\n\n [geïntimeerde] : 30%\n\n [appellant] : Ben ik het mee eens\n\nTevens in de eventuele doorverkoop\n\n [geïntimeerde] : Dat soort dingen moeten allemaal worden opgenomen in het contract, om miscommunicatie te verkomen\n\n [appellant] : Ja laat daar maar aan mij over\n\n [geïntimeerde] : Daar heb ik allang over nagedacht. Jij was die puzzelstukje die ik miste. Samen 1 team\n\n [appellant] : Sowieso\n\n 24 april 2018\n\n [geïntimeerde] : Ze[USM, toevoeging hof]weten toch dondersgoed dat jij het contract gaat weigeren\n\n [appellant] : We gaan het zelf wel doen\n\n [geïntimeerde] : Tuurlijk\n\n [appellant] : Hebben die gasten niet nodig om wat te gaan opbouwen\n\n [geïntimeerde] : Komt goed\n\n [appellant] : Sowieso man\n\n 30 april 2018\n\n [appellant] : Zo is er al nieuws?\n\n Van USM\n\n [geïntimeerde] : [naam 2] 18 jaar\n\nSpeler fortuna Sittard\n\n [appellant] : Thanks! Ik ga hem checken\n\n3.3.. Eind april 2018 is duidelijk geworden dat er geen samenwerking tussen [geïntimeerde] en [appellant] enerzijds en USM anderzijds tot stand zal komen. [geïntimeerde] en [appellant] zetten ook nadien hun communicatie via Whatsapp voort, zoals onder meer blijkt uit de volgende berichten:\n\n 9 juli 2018\n\n [geïntimeerde] : Hij[een voetballer van een Engelse voetbalclub, toevoeging, hof]vroeg of ik hem over 30 min kan bellen\n\n [appellant] : Heeft nog een 2 jarig contract dus kijken of we hem kunnen verhuren\n\n [geïntimeerde] : Wat is allemaal belangrijk te weten\n\nJuist\n\n [appellant] : Of hij een zaakwaarnemer heeft en of hij daarmee getekend heeft\n\nZo ja dan kunnen we niets\n\n [geïntimeerde] : Ok ik laat je weten\n\nWant als hij geen agent heeft is dit echt een interessante speler\n\nVoor ons samen\n\n [appellant] : ja dan duiken we er vol op\n\n 2 augustus 2018\n\n [appellant] : Ik wil hem[Spaanse spits, toevoeging rechtbank]hier\n\n [geïntimeerde] : Mooie club [x]\n\n [appellant] : Ja man\n\nEn voor ons goed om nog een spits in de jupiler te hebben\n\n [geïntimeerde] : precies\n\n 3 november 2018\n\n [appellant] : Sowieso zal ik je deze week even programma sturen zodat we aantal wedstrijden kunnen gaan bekijken en tevens interessante spelers die we kunnen benaderen\n\n [geïntimeerde] : Kunnen we niet met hem mee naar Arsenal\n\nIk heb een goede speler voor ons\n\nDie jongen waar ik het over had van Dord\n\n […] We gaan zeker binnenkort wedstrijd kijken daar\n\nHoe heet die jongen van Dord\n\n [geïntimeerde] : [naam speler]\n\n15 jaar[ …]\n\n [appellant] : Kunnen hem zsm gaan bekijken\n\n3.4.. Op 31 januari 2019 is de vennootschap Global Football Management B.V. (hierna: GFM) opgericht. [appellant] is vanaf de oprichting activiteiten gaan verrichten voor GFM, eerst in loondienst en vanaf 25 mei 2020 als (middellijk) aandeelhouder. Vlak nadien hadden [appellant] en [geïntimeerde] via Whatsapp contact over de voetballer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), en wisselden de volgende berichten uit:\n\n 13 januari 2019\n\n [appellant] : Bro! Vandaag ff bellen? In tussentijd check of je aan het nr van [naam 3] kan komen van Excelsior Maassluis. Is bij jou daar in de buurt\n\n [geïntimeerde] : Is goed bro\n\n We bellen straks\n\n Wat is met [naam 3]\n\n [appellant] : Ja super interessant voor profvoetbal\n\n Hij doet het heel goed daar\n\n [geïntimeerde] : Ok is goed ik ga het regelen\n\n […] [naam 4] ..vcf (bestand bijgevoegd)\n\n Vader [naam 3]\n\n Ze zijn op de hoogte\n\n Noem mij naam maar\n\n [appellant] : Top. Ik bel hem vandaag\n\n[…] Heb ff met die pa[van [naam 3] , toevoeging hof]gesproken over de telefoon\n\n [geïntimeerde] : Ok beter\n\nSnel handelen is belangrijk\n\n [appellant] : Precies\n\nVeel makelaars hebben ze al gebeld\n\n Ze hebben ook afspraken gehad\n\n Maar blijkbaar nog niet de juiste\n\n [geïntimeerde] : Wij zijn de juiste\n\nSamen sterk\n\n [appellant] : Sowieso bro!\n\n3.5.. Op 2 april 2019 heeft [appellant] [geïntimeerde] het volgende Whatsapp-bericht gestuurd:\n\nJij bent met mij. Wij zijn samen. Wij zijn 1. Dus alles wat ik doe daar weet jij vanaf.\n\n3.6.. Op 5 april 2019 heeft [naam 3] een overeenkomst getekend met voetbalclub ADO Den Haag. [geïntimeerde] en [appellant] zijn samen met [naam 3] bij zijn officiële presentatie daar op de foto vastgelegd.\n\n3.7.. Naar aanleiding van het tekenen van een overeenkomst door voetballer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) bij voetbalclub Fortuna Sittard hebben op 27 mei 2019 [geïntimeerde] en [appellant] elkaar de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:\n\n [geïntimeerde] : Maarja [naam 2] moet gewoon knallen en dan volgende stap\n\n [appellant] : Precies dat bro\n\nIn die paar dagen Polen stel ik wel ff wat op voor ons zodat we gelijken zijn voor nu en in de toekomst. Dat je recht hebt op doorverkoop etc\n\n […]\n\n [appellant] : Jij en ik hebben 10% bij [naam 2][ [naam 2] , toevoeging hof]\n\n [naam 2] zelf ook 10%\n\n [geïntimeerde] : […] Prima deal\n\n3.8.. Op 31 juli 2019 heeft voetballer [naam 5] (hierna: [naam 5] ) een overeenkomst getekend met voetbalclub Go Ahead Eagles. [geïntimeerde] en [appellant] waren daarbij beiden aanwezig.\n\n3.9.. Een broer van [geïntimeerde] , [naam 6] (hierna: [naam 6] ), is professioneel voetballer. In de zomer van 2019 hebben [geïntimeerde] , [appellant] namens GFM en een derde intermediair, [naam 7] , [naam 6] begeleid bij zijn transfer van voetbalclub Huddersfield naar Rode Ster Belgrado, tegen een bedongen commissie te betalen door die club. De overeenkomst over de verdeling van de commissie bepaalt dat GFM, [geïntimeerde] en [naam 7] ieder recht hebben op een gelijk deel van de commissie.\n\n3.10.. Op 10 december 2019 heeft [appellant] [geïntimeerde] gevraagd om een bijdrage in de kosten voor [naam 3] :\n\n [appellant] : Broerr, alles goed? Ben even met administratie bezig en je zei mbt etentje van [naam 3][ [naam 3] , toevoeging hof]de helft te willen doen, toch?\n\n Laat mij maar even weten dan stuur ik je een tikkie.\n\n [geïntimeerde] : Ja toch\n\nStuur maar een tikkie\n\n3.11.. Op 12 maart 2020 heeft [appellant] RH Holding B.V. (hierna: RH Holding) opgericht. [appellant] is enig bestuurder en aandeelhouder van RH Holding. Op 25 mei 2020 werd [appellant] via RH Holding middellijk bestuurder van GFM en gevolmachtigde van GFM.\n\n3.12.. Op 15 juni 2020 hebben [geïntimeerde] en [appellant] elkaar de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:\n\n [geïntimeerde] : [naam 3] is een goed voorbeeld voor die jongen\n\n [appellant] : Zeker weten en heb dat ook tegen hem gezegd dat wij 2, [naam 3] naar ADO hebben gebracht\n\n3.13.. In navolging van [appellant] heeft ook [geïntimeerde] in 2020 voor GFM gewerkt. In dat kader heeft GFM een overeenkomst opgesteld. Daarvoor hebben [naam 8] , indirect bestuurder van GFM (hierna: [naam 8] ), en [geïntimeerde] op 19 juni 2020 de volgende Whatsapp-berichten gestuurd:\n\n [naam 8] : Zal morgen de commissie contracten meenemen voor [naam 2] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 6] . Nog iemand vergeten?\n\n [geïntimeerde] : [naam 3]\n\n [naam 8] : Yes[emoticon duim omhoog]\n\n [geïntimeerde] : Hoe laat spreken we af?\n\n [naam 8] : Wat is jouw KvK-nummer en het adres van QSM?\n\n 10 uur Almere zoals besproken met [appellant][ [appellant] , toevoeging hof]\n\n3.14.. Op 23 juni 2020 heeft GFM aan [geïntimeerde] de overeenkomst in concept gestuurd. Daarin is onder meer opgenomen dat partijen overwegen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij succesvolle bemiddeling tussen voetballers [naam 2] , [naam 6] , [naam 3] , [naam 5] , [naam 10] en [naam 9] en een voetbalclub en in dat kader afspraken overeenkomen over inkomsten die daaruit voortvloeien indien deze spelers een vertegenwoordigingsovereenkomst tekenen met GFM door toedoen van [geïntimeerde] . In die gevallen zou [geïntimeerde] tijdens de duur van de vertegenwoordigingsovereenkomst met GFM recht hebben op 50% van de door GFM ontvangen commissie over het bruto jaarsalaris dat deze spelers ontvangen van een voetbalclub (na aftrek van gemaakte kosten). De voorgestelde duur van de overeenkomst was twaalf maanden.\n\n3.15.. \n [geïntimeerde] is niet akkoord gegaan met dat aanbod. Op 28 september 2020 heeft [geïntimeerde] GFM een tegenvoorstel gedaan, dat door GFM niet is geaccepteerd. [geïntimeerde] en GFM zijn ook daarna niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3.16.. In november 2020 is de bemiddeling van GFM voor [naam 6] beëindigd.\n\n3.17.. Op 14 december 2020 heeft [geïntimeerde] aan [naam 8] laten weten te stoppen bij GFM met het volgende e-mailbericht:\n\n“He [naam 8] alles goed? Ik heb veel nagedacht maar door situatie met me broertje zit niets anders op dan me terug te trekken en te stoppen bij GFM. We hebben nog wat spelers samen alleen dat is ook onzeker hoe dat verder gaat lopen. Ik wens jullie het beste en hoop dat je me keuze snapt.”\n\n3.18.. Bij e-mail van 24 juni 2021 heeft [geïntimeerde] GFM onder meer aangesproken voor betaling van commissie inzake succesvolle bemiddeling van de in het conceptcontract genoemde spelers. GFM heeft in haar reactie onder meer laten weten dat zij geen overeenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten.\n\n3.19.. \n [naam 3] is in de zomer van 2021 van ADO Den Haag naar SC Heerenveen overgestapt. GFM was als zijn zaakwaarnemer bij deze transfer betrokken.\n\n3.20.. Op 19 oktober 2022 heeft RH Holding samen met een andere partij Iconics opgericht. RH Holding is medebestuurder van Iconics.\n\n3.21.. In 2023 is [naam 3] overgestapt van SC Heerenveen naar Coventry City. Iconics was als zaakwaarnemer bij deze transfer betrokken.\n\n3.22.. \n [geïntimeerde] heeft van [appellant] , RH Holding, GFM en\u002Fof Iconics geen commissie ontvangen in verband met bemiddeling van voetballers naar betaald voetbalorganisaties.\n\n3.23.. Bij e-mail van 3 mei 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] (onder meer) geschreven:\n\n“Client heeft nog steeds vorderingen op u uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst en uit hoofde van de commissieverdelingsovereenkomst met betrekking tot de transfer van [naam 6] .”\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n [geïntimeerde] heeft bij de rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant] in privé en de vennootschappen GFM, RH Holding en Iconics. Inzet van de procedure was een verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en de gedaagden een 50\u002F50 betalingsafspraak ten aanzien van zes voetballers bestaat, op basis waarvan de gedaagden hoofdelijk schuldenaar zijn van 50% van alle reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen commissies en vergoedingen die zij hebben of nog zullen ontvangen voor deze spelers. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] een hoofdelijke veroordeling van de gedaagden tot betaling van 50% van deze commissies en vergoedingen.\n\n4.2.. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de tegen GFM, RH Holding en Iconics ingestelde vorderingen afgewezen, omdat deze vennootschappen niet gebonden zijn aan een betalingsafspraak met [geïntimeerde] . Voor het overige heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] grotendeels toegewezen en voor recht verklaard dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50\u002F50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle betaalde en nog te betalen commissies die [appellant] heeft ontvangen en nog zal ontvangen voor bemiddeling van deze spelers. Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om 50% van deze commissies aan [geïntimeerde] te betalen. Tot slot heeft de rechtbank [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de (na)kosten met rente.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep, incidenteel hoger beroep\n\n5.1.. In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , althans matiging en aanpassing van die vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van de door [appellant] betaalde proceskosten in eerste aanleg en veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n5.2.. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] zijn eis gewijzigd. [geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van het principaal hoger beroep en vordert met inachtneming van deze eiswijziging, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n een verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50\u002F50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle aan hem, RH Holding, GFM en\u002Fof Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook –, reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen opbrengsten van de bemiddeling ten behoeve van deze spelers en de betaald voetbalorganisaties;\n\n veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van € 420.708,08 aan ontvangen opbrengsten voor de bemiddeling ten behoeve van [naam 3] en respectievelijk ADO Den Haag, SC Heerenveen en Coventry City, dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met rente vanaf 18 april 2025 tot aan de dag van betaling;\n\n veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] een bedrag van 50% van alle overige door hem, RH Holding, GFM en\u002Fof Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook – ontvangen en te ontvangen opbrengsten voor de bemiddeling van de betreffende spelers en betaald voetbalorganisaties;\n\nmet veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en rente.\n\n5.3.. De eiswijziging in hoger beroep heeft te gelden als een incidentele grief, omdat [geïntimeerde] daarmee een aanpassing beoogt in het dictum van het bestreden vonnis. Het hof zal daarom beslissen op het door [appellant] ingestelde principaal hoger beroep en op het door [geïntimeerde] ingestelde incidentele hoger beroep.\n\n5.4.. Bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis opnieuw gewijzigd in die zin dat het gevorderde onder (i) als volgt komt te luiden:\n\neen verklaring voor recht dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een 50\u002F50 betalingsafspraak bestaat ten aanzien van [naam 3] , [naam 2] , [naam 5] en [naam 9] , op basis waarvan [appellant] schuldenaar is van 50% van alle aan hem, RH Holding, GFM en\u002Fof Iconics, dan wel aan iedere (rechts)persoon waarmee [appellant] direct of indirect is verbonden – op welke wijze en in welke hoedanigheid dan ook -, reeds betaalde en in de toekomst nog te betalen opbrengsten van de bemiddeling ten behoeve van deze spelers en de betaald voetbalorganisaties, minus de in de betreffende periode voor de betreffende speler(s) gemaakte kosten door één van partijen.\n\n5.5.. \n [appellant] heeft tegen deze eiswijziging (op grond van artikel 130 Rv) bezwaar gemaakt. Het hof zal op dat bezwaar in het hiernavolgende terugkomen.\n\n6. Beoordeling\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n6.1.. Het principaal hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen [geïntimeerde] en [appellant] een betalingsafspraak tot stand is gekomen, op grond waarvan [appellant] gehouden is 50% van de ontvangen en nog te ontvangen commissies voor bemiddeling van de vier onder 4.2 genoemde voetballers te betalen aan [geïntimeerde] . [appellant] betwist dat hij een dergelijke afspraak met [geïntimeerde] heeft gemaakt. [appellant] bestrijdt daarmee ook dat op hem een betalingsverplichting rust tegenover [geïntimeerde] , te meer nu hij in privé nooit commissie stelt te hebben ontvangen (grief 1, 3 en 4). Daarnaast stelt [appellant] dat de betalingsafspraak nietig is wegens strijd met dwingendrechtelijke bepalingen uit de FIFA\u002FKNVB-licentiereglementen, omdat [geïntimeerde] geen licentie heeft voor intermediairswerkzaamheden (grief 2). Voor zover nodig, stelt [appellant] dat [geïntimeerde] bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij geen aanspraak meer zou maken op nakoming van de betalingsafspraak (rechtsverwerking, grief 6). Tot slot heeft [appellant] gesteld dat de door de rechtbank ten laste van hem uitgesproken veroordeling (het dictum) te onbepaald en te executiegevoelig zou zijn (grief 5). De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerde] , die inzet zijn van het incidenteel hoger beroep, hangen tevens af van het bestaan van die betalingsafspraak.\n\n6.2.. De vraag die het hof daarom moet beantwoorden is of tussen [geïntimeerde] en [appellant] de overeenkomst tot stand is gekomen, die [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag legt. Een overeenkomst komt doorgaans tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW), maar dit hoeft niet steeds het geval te zijn. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Daarnaast geldt het vereiste dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn (artikel 6:227 BW).\n\nGeen 50\u002F50 betalingsafspraak tot stand gekomen\n\n6.3.. \n [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij met [appellant] mondeling en via Whatsapp een betalingsafspraak heeft gemaakt, die in de kern inhoudt dat zij gezamenlijk professionele voetballers zouden benaderen en begeleiden en de opbrengsten die daaruit zouden voortvloeien gelijkelijk zouden verdelen (hierna: de 50\u002F50 betalingsafspraak). Begin 2018 zou volgens van [geïntimeerde] al sprake zijn van een bestaand samenwerkingsverband met [appellant] . De taakverdeling tussen partijen was volgens [geïntimeerde] dat hij de spelers via zijn sociale netwerk zou binnenhalen en begeleiden en dat [appellant] vervolgens het zakelijk deel van de werkzaamheden (zoals (contract)onderhandelingen) op zich zou nemen. [appellant] stelt dat hooguit sprake was van een informele samenwerking in een bepaalde periode waarbij hij en [geïntimeerde] soms gezamenlijk optraden richting spelers, maar niet van een afdwingbare 50\u002F50 betalingsafspraak zoals [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag legt.\n\n6.4.. \n\nHet hof stelt voorop dat [geïntimeerde] de relevante feiten en omstandigheden moet stellen (en zo nodig bewijzen) die de conclusie kunnen dragen dat de door hem gestelde 50\u002F50 betalingsafspraak tot stand is gekomen; een afspraak die het karakter heeft van een juridisch afdwingbare overeenkomst waaruit concrete en bepaalbare verbintenissen voortvloeien.\n\nVolgens [geïntimeerde] zijn de afspraken mondeling en via Whatsapp tot stand gekomen. [geïntimeerde] heeft niet concreet gesteld welke afspraken mondeling tot stand zijn gekomen en wanneer. Wel heeft hij gesteld dat alle afspraken blijken uit de Whatsapp-berichten uitgewisseld in de jaren 2018, 2019 en 2020. Bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst, komt het dus aan op wat partijen in die Whatsapp-correspondentie over en weer hebben verklaard, wat zij uit die verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden.\n\n6.5.. Het hof is van oordeel dat, in het licht van de gemotiveerde betwisting van [appellant] , uit de gewisselde Whatsapp-berichten niet is gebleken dat [geïntimeerde] en [appellant] hebben afgesproken dat zij in gelijke mate de opbrengsten zouden delen ten aanzien van spelers die zij vanuit hun samenwerking zouden binnenhalen. De summiere verwijzing naar de “afspraken (…) net als bij [naam 2] , [naam 3] etc.”in het Whatsapp-bericht van [appellant] van 1 juli 2020 is daartoe in elk geval onvoldoende, ook omdat partijen in die periode onderhandelden over een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en GFM. [geïntimeerde] mocht uit dit bericht in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijze afleiden dat [appellant] daarmee bevestigde dat er tussen hem en [geïntimeerde] een 50\u002F50 betalingsafspraak bestond zoals door [geïntimeerde] gesteld. Ook het hiervoor onder 3.7 genoemde bericht van 27 mei 2019 verwijst niet naar een structureel samenwerkingsverband tussen [appellant] en [geïntimeerde] over toekomstige opbrengsten, maar hooguit naar een incidentele afspraak over een bepaalde voetballer. Hetzelfde geldt voor de onder 3.10 genoemde Whatsapp-communicatie, waaruit volgt dat [appellant] en [geïntimeerde] de kosten deelden voor een etentje met [naam 3] . In de periode 2018 – 2020 zijn weliswaar door partijen met enige regelmaat berichten uitgewisseld over het gezamenlijk verkrijgen van inkomsten, maar hoe deze inkomsten zouden worden verdeeld blijkt daaruit niet. Kortom, de kern van de gestelde 50\u002F50 betalingsafspraak, dat [geïntimeerde] en [appellant] de huidige en toekomstige opbrengsten uit bemiddeling van voetballers zouden delen, volgt niet uit deze Whatsapp-berichten.\n\n6.6.. Daarnaast blijkt uit de tussen partijen gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken over de wijze waarop partijen onderling de taken hebben verdeeld. [geïntimeerde] verklaart bovendien zelf dat hem altijd onduidelijk is gebleven waaruit de zakelijke werkzaamheden van [appellant] precies bestonden, welke (commissie)afspraken [appellant] maakte met spelers en clubs en wat hij precies daarmee verdiende. Ook volgt daaruit niet wat precies de rol van [geïntimeerde] zou zijn.\n\n6.7.. Verder blijkt uit gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken ten aanzien van de vraag over welke (toekomstige) commissies of vergoedingen tussen [geïntimeerde] en [appellant] zou moeten worden afgerekend. Ook blijkt niet van afspraken over de vraag hoe deze vergoedingen zouden moeten worden berekend en of hierbij nog bepaalde kosten zouden moeten worden verdisconteerd. Ook ter zitting heeft [geïntimeerde] desgevraagd niet kunnen concretiseren wat partijen hierover hadden afgesproken. Tot slot blijkt uit de gewisselde Whatsapp-berichten niet van concrete en bepaalbare afspraken over de duur van de afspraak, de wijze van beëindiging daarvan en of de werkzaamheden van partijen door anderen zouden kunnen worden voortgezet.\n\n6.8.. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [geïntimeerde] en [appellant] weliswaar enige tijd samen zijn opgetrokken, maar dat hun samenwerking hooguit het karakter had van een intentieafspraak om gezamenlijk geld te gaan verdienen aan de (toekomstige) loopbaan van interessante voetbalspelers. Het hof vindt hiervoor bevestiging in de navolgende feiten en omstandigheden. Ten eerste heeft de samenwerking tussen [geïntimeerde] en [appellant] nooit geresulteerd in een schriftelijke overeenkomst, terwijl [geïntimeerde] heeft verklaard dat dat wel de bedoeling was en hij dat ook belangrijk vond. Daarnaast hebben tussen [geïntimeerde] enerzijds en GFM (onder meer vertegenwoordigd door [appellant] ) anderzijds wel concrete onderhandelingen plaatsgevonden over de verdeling van opbrengsten uit bemiddeling van voetballers. Uit de onder 3.14 genoemde conceptovereenkomst blijkt immers van concrete en bepaalbare afspraken over (onder meer) de berekening van de commissie (50% van het bruto jaarsalaris van met naam genoemde voetballers) en de duur van de afspraak. [geïntimeerde] heeft dit voorstel van de hand gewezen en heeft in december 2020 de gesprekken met GFM beëindigd. Naar [geïntimeerde] ter zitting heeft verklaard, kon hij niet instemmen met de conceptovereenkomst vanwege de beperking in de duur en de verrekening van advocaatkosten. Tot slot heeft [geïntimeerde] pas bij e-mail van 3 mei 2023 weer aanspraak gemaakt op nakoming van de gestelde betalingsafspraak met [appellant] in privé.\n\n6.9.. Het hof komt tot de conclusie dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellant] , op grond waarvan [appellant] gehouden is 50% van de (toekomstige) opbrengsten uit de bemiddeling van voetballers te betalen aan [geïntimeerde] . Omdat de daarop betrekking hebbende grieven 1, 3 en 4 in het principaal appel van [appellant] slagen, behoeven de andere door hem voorgedragen grieven geen behandeling en zal het bestreden vonnis worden vernietigd.\n\nIn het incidenteel hoger beroep\n\n6.10.. In het incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] , na twee eiswijzigingen in hoger beroep, een verklaring voor recht, een veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 420.708,08 wegens bemiddeling van [naam 3] en een veroordeling van [appellant] tot betaling van 50% van (toekomstige) opbrengsten van de andere spelers. Omdat alle vorderingen van [geïntimeerde] zijn gebaseerd op het bestaan van de 50\u002F50 betalingsafspraak en het hof in het principaal hoger beroep tot het oordeel komt dat deze overeenkomst niet tot stand is gekomen, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.\n\n6.11.. \n [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de ter zitting ingediende tweede eiswijziging en betoogd dat deze – wegens strijd met een goede procesorde – buiten beschouwing dient te blijven, althans dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld daarover nog een nadere akte te nemen. Het hof is van oordeel dat bij deze stand van zaken [appellant] geen belang heeft bij zijn bezwaar en het nog mogen nemen van een akte.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.12.. Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt en het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] , zoals gewijzigd in hoger beroep, zullen worden afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.13.. \n [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nEerste aanleg\n\n- griffierecht € 1.301,00\n\n- salaris advocaat (inclusief nakosten) € 2.428,00\n\nTotaal € 3.729,00\n\nPrincipaal hoger beroep\n\n- explootkosten € 148,90\n\n- griffierecht € 362,00\n\n- salaris advocaat € 2.580,00(tarief II, 2 punten)\n\nTotaal € 3.090,90\n\nIncidenteel hoger beroep\n\n- salaris advocaat € 645,00 (helft van tarief II, 1 punt)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep:\n\n7.1. vernietigt het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, en doet opnieuw recht;\n\n7.2. wijst af de vorderingen van [geïntimeerde] , zoals gewijzigd in hoger beroep;\n\n7.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van de proceskosten die [appellant] op grond van het bestreden vonnis heeft voldaan;\n\n7.4.. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu toe in principaal hoger beroep vastgesteld op € 3.090,90 en in incidenteel hoger beroep op € 645,00;\n\n7.5.. veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg, vastgesteld op € 3.729,00;\n\n7.6.. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;\n\n7.7.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. R.D. Lubach, J.F. Aalders en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1710","2026-07-13T00:29:10.419Z",{"id":144,"ecli":145,"slug":146,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":147,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":63,"updatedAt":149},"858","ECLI:NL:GHAMS:2026:1704","ecli-nl-ghams-2026-1704","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.308.779\u002F01\n\nzaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9162043 EL 21-56\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026\n\ninzake\n\n [appellant 1],\n\nwonend te [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,\n\ntegen\n\nDEXIA NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,\n\nPartijen worden hierna afnemer en Dexia genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nAfnemer is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De echtgenote van afnemer heeft deze effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof de vraag of de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging is verjaard.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDexia is bij dagvaarding van 23 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 25 november 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen afnemer als eiser en Dexia als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met productie;\n\n- akte uitlating afnemer, met producties;\n\n- antwoordakte Dexia.\n\nPartijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:\n\nNr.\n\nContractnummer\n\nDatum\n\nNaam\n\nLooptijd\n\nEindafrekening\n\nResultaat\n\n1.\n\n [nummer 1]\n\n18-1-2001\n\n21-1-2004\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\nVerlenging\n\n36 mnd\n\n36 mnd\n\n16-1-2007\n\n-\u002F- € 6.147,98\n\n2.\n\n [nummer 2]\n\n18-1-2001\n\n21-1-2004\n\nWinstVerDriedubbelaar\n\nVerlenging\n\n36 mnd\n\n36 mnd\n\n16-1-2007\n\n-\u002F- € 8.891,07\n\n3.2.. De echtgenote van afnemer (hierna: de echtgenote) heeft afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.\n\n3.3.. Bij brief van 9 juni 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. Afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.\n\n4.2.. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.\n\n4.3.. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rov. 5.8 overwogen dat afnemer geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de verjaring van de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling na 2012 heeft gestuit, zodat de vordering is verjaard. Afnemer voert aan dat hij de verjaring wel tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.\n\n4.4.. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 9 juni 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de echtgenote en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de echtgenote gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).\n\n4.5.. Afnemer betoogt in hoger beroep dat de verjaring is gestuit door de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder afnemer, aan Dexia heeft gestuurd. Dexia stelt dat uit de brieven onvoldoende blijkt welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen zij zich eventueel heeft te verweren. Voorts voert Dexia aan dat zij nooit een sommatiebrief ten aanzien van de vorderingen van afnemer heeft ontvangen.\n\n4.6.. Ten aanzien van de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):\n\n“(…)\n\nDe brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”\n\nDexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.\n\nVoor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”\n\nHet hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dexia betwist ook niet dat afnemer staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016. Door het feit dat de effectenleaseovereenkomsten met een beroep op artikelen 1:88 en 89 BW zijn vernietigd behoorde het voor Dexia redelijkerwijs duidelijk te zijn dat afnemer (dan wel de echtgenote) op enig moment een vordering pretendeerde tot terugbetaling van al hetgeen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\n4.7.. Uit het vorenstaande volgt dat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.\n\nSlotsom\n\n4.8.. Uit het voorgaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.\n\n4.9.. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:\n\nkosten dagvaarding € 131,18\n\ngriffierecht € 783,00\n\nsalaris advocaat € 1.935,00(tarief II, 1,5 punt)\n\ntotaal € 2.849,18\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nen opnieuw recht doende:\n\nverklaart voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten zoals bedoeld in 3.1 zijn vernietigd;\n\nveroordeelt Dexia tot terugbetaling aan afnemer van al hetgeen afnemer uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nveroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van afnemer begroot op € 2.849,18 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;\n\nverklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, W.J.J. Los en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1704","2026-07-13T00:28:51.592Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":157,"parsedAt":63,"updatedAt":158},"1130","ECLI:NL:GHAMS:2026:1564","ecli-nl-ghams-2026-1564","2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.348.116\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F326834\u002FHA ZA 22-227\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [plaats 1]\n\nadvocaat: mr. M.A.M. Euverman\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1]\n\n2. [geïntimeerde 2]\n\ndie wonen in [plaats 2]\n\nadvocaat: mr. H. van Lingen\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] . genoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [appellant] en [geïntimeerden] . hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de rechtbank), op 21 december 2022, 22 november 2023 en 28 augustus 2024 (hierna: de bestreden vonnissen) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep van 8 november 2024\n\nde memorie van grieven van [appellant]\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] .\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [appellant]\n\neen akte van [geïntimeerde 2] van 17 juni 2025 met producties\n\neen antwoordakte van [appellant] van 12 augustus 2025 met producties\n\neen antwoordakte van [geïntimeerden] . van 9 september 2025 met productie\n\neen antwoordakte van [appellant] van 4 november 2025\n\n1.2.. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. \n [geïntimeerden] . heeft in 2017 van [appellant] (en haar voormalig echtgenoot) een perceel grond met onder meer een woning gekocht. In 2021 is [geïntimeerde 2] op de hoogte geraakt van het feit dat de bodem van het perceel verontreinigd is. Volgens [geïntimeerden] . was [appellant] hier ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van op de hoogte. Door [geïntimeerden] . hier niet over in te lichten, althans op dat punt onjuiste informatie te verstrekken, is de koopovereenkomst volgens [geïntimeerden] . onder invloed van dwaling gesloten.\n\n2.2.. \n [geïntimeerden] . heeft bij de rechtbank primair gevorderd voor recht te verklaren dat de tussen [geïntimeerden] . en [appellant] gesloten koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling. Hij heeft de rechtbank gevraagd om de koopovereenkomst op die grond partieel te vernietigen en de gevolgen van de koopovereenkomst te wijzigen ter opheffing van het nadeel geleden door [geïntimeerden] . als gevolg van deze dwaling. [geïntimeerden] . heeft zijn eis op dat punt later concreter gemaakt in die zin dat hij de rechtbank heeft verzocht om ter opheffing van het nadeel ten gevolge van de dwaling de koopprijs te verlagen, in eerste instantie met een bedrag van € 118.580,- (incl. btw) en na een verdere wijziging\u002Fvermeerdering van eis met een bedrag van € 121.193,- (incl. btw). Verder heeft [geïntimeerden] . gevorderd [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerden] . de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.000,- en de proceskosten te betalen.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de primaire vorderingen van [geïntimeerden] . toegewezen. [appellant] is het daar niet mee eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat de vorderingen van [geïntimeerden] . alsnog worden afgewezen. [geïntimeerden] . heeft zelf ook hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis, in die zin dat hij zijn eis in hoger beroep heeft vermeerderd. Hij vraagt in hoger beroep om de koopprijs te verminderen met een bedrag van € 152.072,94 (incl. btw) ter opheffing van het nadeel dat [geïntimeerden] . door de dwaling heeft geleden.\n\n2.4.. Het hof zal beslissen dat zowel het hoger beroep van [appellant] als dat van [geïntimeerden] . niet slaagt. Het hof laat de bestreden vonnissen van de rechtbank dus in stand. Het hof licht hierna toe hoe het tot deze beslissingen is gekomen.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nWat is er gebeurd\n\n3.1.. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 21 december 2022 onder 2.1. tot en met 2.12. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep nog van belang komt het er samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten op neer dat het volgende is voorgevallen tussen partijen.\n\n3.2.. In 2017 heeft [geïntimeerden] . een perceel grond met woning en aanhorigheden aan [straat 1] [nummer 1] te [plaats 2] voor een koopsom van € 620.000,- van [appellant] gekocht (hierna: de woning). De woning is op 15 januari 2018 aan [geïntimeerden] . geleverd.\n\n3.3.. Voorafgaand aan de verkoop van de woning heeft [appellant] een NVM-vragenlijst ingevuld in verband met de verkoop van de woning. Vraag 9e van die lijst luidde op dat moment als volgt:\n\n“Is de grond voor zover bekend verontreinigd?\n\nZo ja, is er een onderzoeksrapport?\n\nZo ja, heeft de gemeente\u002Fprovincie een onderzoeks- of saneringsbevel opgelegd?\"\n\n [appellant] heeft de eerste vraag met ‘nee’ beantwoord, en de tweede en derde vraag onbeantwoord gelaten. Onder het kopje “ONDERTEKENING” staat de volgende passage:\n\n“Verkoper(s) verklaart\u002Fverklaren alle hem\u002Fhaar bekende feiten te hebben vermeld in dit formulier. Verkoper is zich ervan bewust dat hij bij een niet juiste en\u002Fof volledige vermelding van feiten de koper de mogelijkheid geeft om op grond van het Burgerlijk Wetboek schadevergoeding te claimen. (...). Ondergetekende verklaart voorgaande vragen naar waarheid te hebben ingevuld.\"\n\n3.4.. Op 29 januari 2021 heeft [geïntimeerden] . gesproken met de heer [naam 1] , de ex-echtgenoot van [appellant] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] heeft [geïntimeerden] . erop gewezen dat er in het verleden bodemverontreiniging op het perceel was aangetroffen.\n\n3.5.. \n\n [geïntimeerden] . heeft vervolgens contact opgenomen met het bodemloket van de\n\nprovincie Noord-Holland. Hij heeft toen het “Rapport Bodemloket” ontvangen,\n\nopgesteld door Rijkswaterstaat en gedateerd 31 januari 2021. Daaruit kan worden opgemaakt dat er in de periode 1935-1965 een autosloperij gevestigd was op [straat 2] [nummer 2] en dat er een verkennend onderzoek (1994), een oriënterend onderzoek (2005) en een historisch onderzoek (2008) is verricht naar de bodemverontreiniging.\n\n3.6.. Het verkennende onderzoek is uitgevoerd door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] heeft de heer [naam 2] , de toenmalige eigenaar van de woning (hierna: [naam 2] ) bij brief van 14 november 1994 geschreven dat uit de resultaten kon worden geconcludeerd dat het terrein binnen de onderzoeksgrenzen sterk verontreinigd was en dat sanering van de bovengrond een noodzaak was.In de akte van levering van 23 maart 1995, waarbij de woning aan [appellant] en [naam 1] is geleverd door [naam 2] en mevrouw [naam 3] , is in dat kader het volgende opgenomen:\n\n“(...) Evenmin is het verkoper[hof: [naam 2] en [naam 3] , zijn echtgenote]bekend dat het registergoed enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van voormeld gebruik of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van het registergoed, danwel het nemen van andere maatregelen, zijnde de koper[hof: [appellant] en [naam 1] ]bekend met de rapportage van [bedrijf 2] . zoals in de koopakte vermeld. (...)”.\n\n3.7.. De provincie Noord-Holland heeft [naam 2] per brief van 6 december 1994 verzocht een saneringsplan op te laten stellen en ter goedkeuring aan de provincie Noord-Holland aan te bieden.\n\n3.8.. In de zomer van 2005 heeft [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) in opdracht van de toenmalige gemeente Langedijk een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. [bedrijf 3] heeft toen geadviseerd om een uitgebreid locatiebezoek uit te voeren omdat concrete gegevens over de ligging van de potentiële verontreinigingsbronnen van de voormalige autosloperij ontbraken.\n\n3.9.. Bij brief van 11 december 2008 heeft [bedrijf 3] de toenmalige gemeente Langedijk bericht over het uitgebreide historisch onderzoek dat op de locatie [straat 2] [nummer 2] te [plaats 2] is uitgevoerd. In deze brief is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:\n\n\"Gegevens kadaster\u002Feigenaar\n\nUit de gegevens van het kadaster blijkt dat mevr. [appellant] eigenaar van het [straat 2] [nummer 2] is. Met mevrouw [appellant] is op 5 november 2008 telefonisch contact geweest over de locatie. Zij is bekend met de verdenking en het bodemonderzoek uit 1994. De exacte locatie van de activiteiten[hof: van de autosloperij]is haar onbekend. (...)”\n\n3.10.. Vanaf februari 2021 hebben partijen veelvuldig gecorrespondeerd over dit onderwerp. [appellant] heeft in deze periode een verkennend bodemonderzoek uit laten voeren door [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 7 mei 2021. Het is partijen niet gelukt om samen tot een oplossing te komen en uiteindelijk is [geïntimeerden] . deze procedure gestart.\n\nDe beoordeling\n\n3.11.. Voordat het hof ingaat op de inhoud van de zaak, eerst een overweging van procesrechtelijke aard. In hoger beroep geldt de tweeconclusieregel. Die regel houdt kort gezegd in dat partijen, behoudens uitzonderingen, alle stellingen en verweren moeten aanvoeren in respectievelijk de memorie van grieven (appellant) en de memorie van antwoord (geïntimeerde). Dat geldt zowel voor het principaal hoger beroep van [appellant] (waarin in hoofdzaak de vraag voorligt of sprake is geweest van dwaling en zo ja, wat de gevolgen daarvan zouden moeten zijn), als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] . (waarin – kort gezegd – alleen de vraag voorligt wat de hoogte is van het nadeel dat [geïntimeerde 2] als gevolg van de dwaling heeft geleden). Het hof constateert ten eerste dat [appellant] deze regel heeft overtreden door in haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] . opnieuw uitvoerig in te gaan op punten die onderwerp vormen van het principaal hoger beroep. Gelet op genoemde tweeconclusieregel gaat het hof daaraan voorbij aangezien er zich geen omstandigheid voordoet die uitzondering op deze regel rechtvaardigt. Datzelfde geldt voor de nadere (antwoord)aktes die partijen vervolgens nog hebben genomen. Het hof zal alleen in zijn beoordeling meenemen wat partijen in de aktes hebben aangevoerd over de hoogte van het eventuele nadeel van [geïntimeerden] ., waaronder de reactie van een partij op door zijn\u002Fhaar wederpartij in dat kader overgelegde producties, maar niet op stellingen en verweren of producties die geen onderdeel uitmaken van het debat over de hoogte van het eventuele nadeel.\n\n [geïntimeerden] . heeft gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst\n\n3.12.. Voor wat betreft de inhoud van de zaak draait het in de kern om de vraag of [geïntimeerden] . bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gedwaald. De bezwaren (grieven 1, 2 en 3) die [appellant] in dit kader heeft geformuleerd, zal het hof gezamenlijk behandelen.\n\n3.13.. \n\nVoor een geslaagd beroep op dwaling vereist artikel 6:228 BW dat er sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken op dat punt niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Daarbij moet de onjuiste voorstelling van zaken die de dwalende – in dit geval [geïntimeerden] . – heeft, te wijten zijn aan een inlichting van [appellant] (sub a) of juist aan het feit dat [appellant] de dwalende ergens niet over heeft ingelicht (sub b). Dat er sprake is geweest van wederzijdse dwaling (sub c) is in dit geval gesteld noch gebleken, zodat het hof deze vorm van dwaling verder buiten\n\nbeschouwing laat.\n\n3.14.. Vaststaat dat [appellant] bij haar eigen aankoop van de woning is gewezen op het rapport van [bedrijf 1] (zie r.o. 3.6 hiervoor) waaruit volgt dat de bodem was verontreinigd. Omdat [appellant] wenste dat haar kinderen en latere kleinkinderen niet in aanraking zouden komen met de verontreiniging, heeft zij in 1995 de Stichting Gifvrij Nederland en de toenmalige gemeente Langedijk ingeschakeld ter advisering, aldus [appellant] . Deze partijen hebben haar geadviseerd om nieuwe grond te storten ter afdichting. Dit heeft [appellant] vervolgens gedaan. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanaf dat moment in de veronderstelling verkeerde dat de verontreinigingsproblematiek was opgelost en dat er verder niets meer nodig was: het perceel was volgens [appellant] vanaf dat moment “schoon”. Maar in die veronderstelling volgt het hof [appellant] niet. Ook als het hof ervanuit gaat dat [appellant] in 1995 maatregelen heeft getroffen door een nieuwe laag grond te laten storten en bestrating aan te laten leggen, wat [geïntimeerden] . overigens betwist, is dat onvoldoende om aan te nemen dat de grond “schoon” was. Het moet [appellant] allereerst duidelijk zijn geweest dat hiermee de verontreinigde grond zelf niet is aangepakt, maar als het ware alleen “ontoegankelijk” is gemaakt. Ook als deze maatregelen getroffen zijn in overleg met en op advies van de gemeente Langedijk, zoals [appellant] stelt maar [geïntimeerden] . betwist, maakt dat niet dat [appellant] ervanuit mocht gaan dat de grond schoon was of de verontreiniging op een aanvaardbare wijze was opgelost. Dit had dan op zijn minst door een ter zake deskundige moeten worden bevestigd. Dat is niet gebeurd en bovendien is onduidelijk gebleven wat er destijds feitelijk precies is gedaan. In de betreffende archieven is geen melding gemaakt van deze maatregelen en nergens is geregistreerd dat er niet langer sprake is van bodemverontreiniging op het perceel. [appellant] voert aan dat er in 1995 een bouwvergunning aan haar is verleend, die alleen werd verleend als aan alle voorwaarden was voldaan. Maar dat die voorwaarden destijds voorschriften omvatten ten aanzien van de staat van de grond van het perceel, is gesteld noch gebleken. In 2005 en 2008 zijn verdere onderzoeken ten aanzien van de woning en het perceel verricht. In haar brief van 11 december 2008 vermeldt [bedrijf 3] dat de woning op 21 februari 2008 is bezocht en dat er op 5 november 2008 telefonisch contact is geweest met [appellant] . Daarbij heeft [appellant] volgens de brief aangegeven dat zij bekend is met de verdenking en het bodemonderzoek uit 1994. [appellant] betwist weliswaar dat er in 2008 inderdaad contact met haar is gezocht, maar doet dat slechts in algemene woorden. Zij geeft geen verklaring voor het feit dat [bedrijf 3] deze informatie, die zeer specifieke data en uitlatingen bevat, heeft opgenomen. Aan haar blote betwisting gaat het hof dan ook voorbij, zodat tot uitgangspunt strekt dat [appellant] wist dat ook in 2008 nog onderzoek werd gedaan naar de status van de verontreiniging van de grond op haar perceel. Dat [appellant] de verontreinigde grond op enig moment daadwerkelijk door een ter zake kundig bedrijf heeft laten saneren (in de zin van: opgraven en verwijderen) is gesteld noch gebleken. Ook het door [appellant] zelf overgelegde rapport van [bedrijf 4] bevestigt dat het erop lijkt dat in het verleden een bepaalde vorm van sanering heeft plaatsgevonden, maar dat daarbij niet alle verontreinigingen zijn weggenomen.\n\n3.15.. \n [appellant] had [geïntimeerden] . van deze situatie op de hoogte moeten brengen. Het gegeven dat de NVM-vragenlijst een vraag bevat ten aanzien van mogelijke bodemverontreiniging alleen al geeft aan dat informatie daaromtrent voor een koper van belang is. Daarbij komt dat [appellant] zich bewust was van de risico’s van de verontreinigde grond op haar perceel. Dat volgt uit haar eigen stelling dat zij de noodzaak zag om maatregelen te treffen in het belang van haar kinderen en kleinkinderen (zie hiervoor). Eens temeer gold dus dat zij een potentiële koper moest vertellen wat er aan de hand was geweest en welke precieze maatregelen zij in dat verband had genomen. Dat geldt ook als [appellant] meende dat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst geen risico meer bestond om direct in aanraking te komen met de verontreinigde grond. Het is aan een koper om de risico’s (ook de financiële) in dat verband af te wegen. Het is bovendien zeer wel denkbaar dat een koper op enig moment plannen met de woning en\u002Fof het perceel wil realiseren, zoals bijvoorbeeld een verbouwing of een andere inrichting van de tuin, waarvoor graafwerkzaamheden nodig zijn. Een koper moet in zijn plannen in dat geval rekening houden met het feit dat de bodem verontreinigd is. Het lag dan ook op de weg van [appellant] om [geïntimeerden] . in te lichten over de uitkomsten van het rapport van [bedrijf 1] uit 1994 en de werkzaamheden die [appellant] als gevolg van dat rapport in 1995 heeft laten uitvoeren. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast heeft zij op de vraag in de NVM-lijst “is de bodem verontreinigd” ten onrechte geantwoord met een “nee” en heeft zij door ondertekening van die lijst onterecht verklaard alle haar bekende feiten te hebben vermeld.\n\n3.16.. Het voorgaande betekent dat de onjuiste voorstelling van zaken bij [geïntimeerden] . (namelijk dat er geen sprake is van bodemverontreiniging) is veroorzaakt doordat [appellant] [geïntimeerden] . niet, althans onjuist, heeft ingelicht over de bodemverontreiniging terwijl zij daar wel van op de hoogte was en zich had moeten realiseren dat dit voor [geïntimeerden] . in het kader van de aankoop van de woning relevante informatie betrof. Vaststaat namelijk ook dat de verontreinigde staat van de bodem van het perceel ten tijde van de aankoop door [geïntimeerden] . beperkingen met zich meebracht, onder andere voor wat betreft het gebruik van het perceel (bepaalde delen konden niet als moestuin worden gebruikt), de onmogelijkheid tot afgifte van eventuele bouwvergunningen of sloopvergunningen (omdat daarvoor een schoon grondverklaring een vereiste is) en de verplichting om de door [appellant] aangebrachte bedekking in stand te houden (nazorg). Ook als dit niet in de weg staat aan de leefbaarheid van het perceel, zoals [appellant] betoogt, neemt dit niet weg dat de verontreiniging [geïntimeerden] . beperkt in zijn gebruik van het perceel. Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat dit invloed heeft op de waarde van de woning. Deze beperkingen konden (grotendeels) weggenomen worden door volledige sanering, maar daarvoor geldt dat inmiddels duidelijk is dat de kosten daarvan aanzienlijk zijn (daarover hierna meer). In het licht van deze omstandigheden heeft [geïntimeerden] . dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, als hij van de bodemverontreiniging op de hoogte was geweest, de koopovereenkomst niet op dezelfde voorwaarden – want niet zonder nader onderzoek en\u002Fof voor dezelfde prijs – was aangegaan.\n\n3.17.. De conclusie is dat het beroep op dwaling slaagt en de bezwaren van [appellant] op dit punt falen. Dat betekent dat de koopovereenkomst vernietigbaar is.\n\nPartiële vernietiging en opheffing van het nadeel\n\n3.18.. \n [geïntimeerden] . heeft echter geen volledige vernietiging van de koopovereenkomst gevorderd, maar gevraagd om de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het door hem geleden nadeel te wijzigen in die zin dat de koopprijs wordt verminderd (artikel 6:230 lid 2 BW). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en [appellant] maakt daar bezwaar tegen (grief 7). Volgens haar ziet de bij de dwalingsregeling in het leven geroepen vernietigingsgrond op de gehele overeenkomst. [appellant] doet dan ook een beroep op integrale vernietiging, als gevolg waarvan alle prestaties aan beide kanten moeten worden teruggedraaid: zij verkrijgt in dat geval weer de eigendom van de woning en [geïntimeerden] . krijgt de koopprijs terug. Maar daarmee gaat [appellant] eraan voorbij dat het [geïntimeerden] ., de tot vernietiging bevoegde partij, vrij staat om geen algehele vernietiging te vorderen maar om een beroep te doen op de regeling van artikel 6:230 BW, inhoudende instandhouding van de koopovereenkomst met aanpassing van de koopprijs. Het hof zal alleen daarom al geen algehele vernietiging uitspreken en dit bezwaar van [appellant] faalt.\n\n3.19.. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of [geïntimeerden] . nadeel heeft geleden en zo ja, hoe de overeenkomst kan worden gewijzigd om dit nadeel op te heffen. Volgens [appellant] moet bij de vraag of sprake is van nadeel worden beoordeeld of de verkochte zaak, de woning met woonbestemming, nog als zodanig gebruikt kan worden en dat is hier het geval. Er is dus geen sprake van nadeel, aldus [appellant] (grief 5). Maar daar volgt het hof [appellant] niet in. Weliswaar is het mogelijk om in de woning te wonen en de tuin te gebruiken, maar zoals hiervoor in r.o. 3.16 overwogen, bracht de ten tijde van de verkrijging van de woning door [geïntimeerden] . in 2017 nog aanwezige verontreiniging in de ondergrond aanzienlijke gebruiksbeperkingen mee. Inmiddels is ook duidelijk dat, ondanks de getroffen saneringsmaatregelen, het op een enkel punt niet mogelijk was om volledig te saneren. Voor dat punt is een maatwerkvoorschrift opgelegd. Dat houdt in dat [geïntimeerden] . als eigenaar van de woning (bestuursrechtelijk) verplicht is om de afdeklaag op dat punt in stand te houden en te onderhouden (of te vervangen). Een dergelijk maatwerkvoorschrift is ook kenbaar voor eventuele toekomstige kopers en het is aannemelijk dat dit voorschrift een negatief effect heeft op de waarde van de woning. Dit alles overziend komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerden] . nadeel hebben geleden door de dwaling bij het aangaan van de koopovereenkomst.\n\nBegroting van het nadeel\n\n3.20.. Vervolgens is de vraag hoe dat nadeel opgeheven moet worden. Volgens [geïntimeerden] . moet dat door de koopprijs te verminderen met de door hem gemaakte saneringskosten (inclusief herstelkosten van de tuin). [appellant] brengt daar tegenin (grief 6) dat er geen aanleiding was voor de volledige sanering die [geïntimeerden] . heeft laten uitvoeren. Volgens haar heeft het bevoegd gezag enkel een plicht opgelegd tot het wegnemen van de verontreiniging met lood, en niet ten aanzien van alle verontreiniging (dus ook zink, asbest et cetera). Daarbij komt dat de verontreiniging met lood volgens haar nagenoeg overal is afgedekt met verharding (in de vorm van klinkers of tegels), en waar dat niet zo is bevond de verontreiniging zich in de onderlaag en is er dus geen risico op contact. Volgens [appellant] kon volstaan worden met het ter plaatse afdekken van onverharde delen. Het hof volgt [appellant] hier niet in. De Omgevingsdienst heeft, mede op basis van het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, HB Adviesbureau, op 11 april 2024 een besluit genomen, dat – samengevat – inhoudt dat sprake is van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s en [geïntimeerden] . verplicht om deze risico’s zo spoedig mogelijk weg te nemen. [appellant] merkt terecht op dat er vanuit het bevoegd gezag geen harde eis lijkt te zijn geweest om de verontreiniging op te graven en af te voeren en vervolgens te vervangen en dat dit gelet op de bestemming wonen wellicht niet absoluut noodzakelijk was. Maar [geïntimeerden] . heeft er op gewezen dat hij voor deze wijze van saneren heeft gekozen in overleg met de Omgevingsdienst. Het gaat om een woning met een aanzienlijk perceel (1.436 m2); afdekken van het volledige perceel is niet in overeenstemming met het karakter van een groot deel van het perceel van “tuin”. Daarbij komt dat [geïntimeerden] . door de aanwezige verontreiniging zelf in zijn gebruik van het perceel werd beperkt zoals hiervoor in r.o. 3.16 omschreven, en dit daarnaast naar alle waarschijnlijkheid ook een negatief effect zou hebben op de waarde van de woning, mocht [geïntimeerden] . die op enig moment willen verkopen. Het hof is dan ook van oordeel dat van [geïntimeerden] . in deze omstandigheden niet verlangd kon worden om te volstaan met het laten zitten en afdekken van de bodemverontreiniging en dat zij een gerechtvaardigd belang had bij volledige sanering van de verontreinigde grond.\n\n3.21.. \n [appellant] voert verder aan dat de verplichting van het bevoegd gezag om risico’s weg te nemen enkel zag op de verontreiniging met lood, terwijl [appellant] alleen bekend was met verontreiniging van de grond met Pak’s en zink. Maar dat kan haar niet baten. [appellant] heeft door [geïntimeerden] . niet in te lichten over wat zij wist ten aanzien van de bodemverontreiniging [geïntimeerden] . de mogelijkheid ontnomen om nader onderzoek te laten doen. Het ligt in de rede dat deze verdere verontreiniging bij een dergelijk onderzoek naar voren zou zijn gekomen. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om alleen sanering van grond verontreinigd met lood in aanmerking te nemen bij het begroten van het nadeel. Het hof volgt [appellant] verder niet in haar betoog dat de kosten voor verwijdering van grond verontreinigd met asbest buiten beschouwing moeten blijven op grond van de asbestclausule in de koopovereenkomst. Deze clausule bepaalt als volgt:\n\n“In verband met het bouwjaar kunnen in de onroerende zaak[hof: gedefinieerd als het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden]asbesthoudende stoffen aanwezig zijn. Bij het verwijderen van asbesthoudende materialen dienen op grond van milieuwetgeving speciale maatregelen te worden genomen. In afwijking van artikel 6.3. van deze koopovereenkomst komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid en\u002Fof de verwijdering van asbest voor rekening en risico van koper.”\n\nHet hof is van oordeel dat deze bepaling zo uitgelegd moet worden dat zij betrekking heeft op nadelige gevolgen van asbesthoudende stoffen en materialen die in de woning zijn verwerkt, en niet op asbest die in de grond is achtergebleven als gevolg van de aanwezigheid van de autosloperij tientallen jaren geleden. Daarbij komt dat het [appellant] is die van de aanwezigheid van deze voormalige autosloperij op het perceel op de hoogte was, maar [geïntimeerden] . daarover niet heeft ingelicht. Dat maakt dat een beroep van [appellant] op deze exoneratie, voor zover daarop in dit geval wel een beroep zou kunnen worden gedaan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n3.22.. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat het nadeel moet worden begroot aan de hand van de noodzakelijke (volledige) saneringskosten, inclusief kosten van herstel van tuin als gevolg van deze sanering. Omdat er ten tijde van de procedure bij de rechtbank nog niet daadwerkelijk was gesaneerd, heeft de rechtbank een deskundige ingeschakeld om – onder meer – te adviseren over de verwachte saneringskosten. Het voorschot op de kosten van de deskundige heeft de rechtbank door [appellant] laten deponeren. Gelet op de conclusie van het hof hierboven dat er sprake is van dwaling, is dat terecht geweest. Het bezwaar (grief 4) van [appellant] tegen dit oordeel van de rechtbank faalt dan ook.\n\n3.23.. Inmiddels heeft [geïntimeerden] . de grond – gelet op de termijnen die het bevoegd gezag daarvoor heeft gesteld – wel daadwerkelijk laten saneren. Dat betekent dat het hof bij de begroting van het nadeel aansluiting zal zoeken bij de daadwerkelijke kosten. In zoverre is het verweer van [appellant] , dat de risicoreservering opgenomen in de kostenbegroting van HB Adviesbureau niet kan worden betrokken in het nadeel, niet langer relevant. Volgens [geïntimeerden] . komen de daadwerkelijke kosten uit op een bedrag van € 152.072,94. Het hof zal hierna per door [geïntimeerden] . opgevoerde kostenpost beoordelen of en zo ja tot welke hoogte die in aanmerking zal worden genomen.\n\nKosten [bedrijf 5] (€ 10.950,50) en [bedrijf 6] (€ 78.512,28)\n\n3.24.. \n [bedrijf 5] heeft de milieukundige begeleiding en het opstellen van een evaluatieverslag ten behoeve van de uitgevoerde bodemsaneringswerkzaamheden voor haar rekening genomen. [bedrijf 6] heeft de daadwerkelijke saneringswerkzaamheden uitgevoerd. [appellant] meent dat er geen noodzaak was om deze twee partijen in te schakelen, omdat een volledige sanering van de verontreiniging in de bodem onder de verharding voor het doel “wonen” niet noodzakelijk was. Ter onderbouwing legt zij een notitie van [bedrijf 7] over die tot deze conclusie komen. Op dit punt verwijst het hof naar wat het daarover in r.o. 3.20 hiervoor heeft geoordeeld.\n\n3.25.. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat de facturen die [bedrijf 5] en [bedrijf 6] voor hun werkzaamheden hebben uitgebracht buitensporig zijn. Ook [bedrijf 7] , ingeschakeld door [appellant] zelf, oordeelt over de kosten van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] als volgt: “Wij kunnen niet anders dan ervan uitgaan dat de werkzaamheden correct zijn uitgevoerd, de hoeveelheden correct zijn bepaald en de kosten correct zijn doorberekend.” Het hof zal deze kosten dan ook volledig in aanmerking nemen.\n\n [bedrijf 8] (€ 332,75) en Divers (€ 3.300,62)\n\n3.26.. Op het overzicht van gemaakte kosten, vermeldt [geïntimeerden] . dat de kosten van [bedrijf 8] zien op de “verplichte nulmeting”. Maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk om wat voor nulmeting het gaat en op grond van welke verplichting deze moest worden uitgevoerd. Het hof zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten.\n\n3.27.. Ten aanzien van de onder het kopje “divers” opgenomen kosten, voert [appellant] aan dat deze niet zijn onderbouwd met facturen en voor haar niet te verifiëren zijn. Daar volgt het hof [appellant] in. Deze kosten zal het hof dus ook buiten beschouwing laten.\n\n [bedrijf 9] (34.651,78) en [bedrijf 10] (€ 24.325,01)\n\n3.28.. \n\n [bedrijf 9] heeft zorg gedragen voor herstel van de bestrating en plaatsing van de nieuwe schutting. De kosten van [bedrijf 10] zien op het materiaal van de nieuwe schutting.\n\nTen aanzien van de bestrating geldt dat de kosten van herstel daarvan kunnen worden toegewezen. [geïntimeerden] . heeft erop gewezen dat hij bij het terugleggen van de stenen heeft gekozen voor de minst dure bakstenen die er op een eenvoudige manier in zijn gelegd. Dat de hiervoor gemaakte kosten buitenproportioneel zijn, heeft [appellant] met het oog op die toelichting onvoldoende concreet gemaakt.\n\nVoor wat betreft de schutting heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerden] . hinder ondervinden van de nieuwbouw van accommodatie en aanleg van lichtmasten op de naastgelegen voetbalvelden. De nieuwe schutting dient ter afscheiding van deze voetbalvelden en heeft een speciale geluidsisolerende tussenlaag. De kosten daarvan zijn substantieel hoger dan een reguliere afscheiding en kunnen niet voor haar rekening worden gebracht, aldus [appellant] . Het hof overweegt dat niet in geschil is dat er voor de sanering een (3 meter hoge en 1 meter brede) heg van in totaal 70 meter lang op het perceel stond als afscheiding. Deze moest, zo heeft [geïntimeerden] . onbetwist gesteld, verwijderd worden in verband met de saneringswerkzaamheden omdat de verontreiniging zich ook onder de heg bevond. In zoverre ligt het in de rede om kosten voor herstel van een grensafscheiding mee te nemen. Het hof is echter van oordeel dat niet de volledige kosten van aanschaf en plaatsing van de schutting kunnen worden toegewezen. Gelet op wat [appellant] heeft aangevoerd, had het op de weg van [geïntimeerden] . gelegen om meer inzicht te geven op dit punt, bijvoorbeeld door aan te geven wat de kosten zouden zijn geweest als een nieuwe heg had moeten worden aangelegd, of een schutting zonder geluidsisolerende tussenlaag. Maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n3.29.. De vraag is vervolgens welk deel dan wel toewijsbaar is, mede gelet op het gegeven dat de facturen van [bedrijf 9] geen (duidelijk) onderscheid maken tussen werkzaamheden voor de bestrating respectievelijk de schutting. De rechter heeft bij de vraag op welke wijze en in welke mate het nadeel wordt opgeheven een ruime beoordelingsspeelruimte. Het hof ziet in dit geval aanleiding om de kosten van [bedrijf 9] en van [bedrijf 10] tot een bedrag van € 31.730,22 mee te nemen. Dat leidt de facto tot een totaal bedrag aan kosten van € 121.193,- (incl. btw), het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen. De rechtbank heeft daarbij de raming van HB Adviesbureau tot uitgangspunt genomen, en dit bedrag geïndexeerd in verband met gestegen bouwkosten. In deze raming zijn ook herstelkosten voor de tuin meegenomen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen zijn er geen goede redenen om aan de destijds opgestelde begroting van de deskundige te twijfelen. [geïntimeerden] . heeft weliswaar aangevoerd dat de saneringskosten uiteindelijk hoger zijn uitgevallen dan door de deskundige begroot, onder andere omdat er meer verontreinigde grond moest worden afgevoerd dan verwacht, maar hij heeft daar geen concreet bedrag aan gekoppeld. Datzelfde geldt voor de vordering van [geïntimeerden] . om het op de koopprijs in mindering te brengen bedrag te vermeerderen met de waardevermindering ten gevolge van de eventueel resterende bodemverontreiniging die niet gesaneerd is of kon worden. Ook die vordering heeft [geïntimeerden] . niet concreet gemaakt. Het hof zal het door de rechtbank toegewezen bedrag dus in stand laten. In zoverre faalt het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerden] .\n\n3.30.. \n [appellant] heeft ten slotte nog aangevoerd dat de koopprijsvermindering ex tunc moet worden berekend. Op het te begroten bedrag moet volgens haar een indexeringscorrectie worden toegepast naar het moment van het sluiten van de koopovereenkomst. Daar ziet het hof geen aanleiding voor, aangezien voor wat betreft de begroting van het op te heffen nadeel aansluiting is gezocht bij de daadwerkelijk (nadien) gemaakte saneringskosten en kosten voor herstel van de tuin.\n\n3.31.. Het bezwaar dat [appellant] heeft gericht tegen de proceskostenveroordeling en veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten in eerste aanleg (grief 8) behoeft gelet op bovenstaande uitkomst geen verdere behandeling meer, aangezien zij tot uitgangspunt neemt dat er geen sprake was van dwaling en de vorderingen van [geïntimeerden] . moeten worden afgewezen.\n\n3.32.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen verder toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete feiten en stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\nDe conclusie\n\n3.33.. Het (principaal) hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen.\n\n3.34.. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerden] . slaagt ook niet. Omdat [geïntimeerden] . in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] . tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep veroordelen.\n\n3.35.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\n4.1.. bekrachtigt de bestreden vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 21 december 2022, 22 november 2023 en 28 augustus 2024;\n\n4.2.. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerden] . in het principaal hoger beroep. De kosten worden tot nu vastgesteld op € 349,- aan griffierecht en € 3.797,- aan salaris advocaat (1 procespunt x het toepasselijke tarief V van € 3.797,-);\n\n4.3.. veroordeelt [geïntimeerden] . in de proceskosten van [appellant] in het incidenteel hoger beroep. De kosten worden tot nu vastgesteld op € 3.797,- aan salaris advocaat (2 procespunten x de helft van het toepasselijke tarief V van € 3.797,-);\n\n4.4.. bepaalt dat de kosten onder 4.2 en 4.3 moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.5.. veroordeelt [appellant] respectievelijk [geïntimeerden] . tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten door de betreffende partij aan deze veroordeling is voldaan;\n\n4.6.. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, M.E. van Neck en D.W.J.M. Kemperink en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n Zie o.a. HR 18 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7321 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid24220020118c00073hradmusp)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1564","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.672Z",{"id":160,"ecli":161,"slug":162,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":163,"fullText":164,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":63,"updatedAt":166},"1519","ECLI:NL:RBAMS:2026:6560","ecli-nl-rbams-2026-6560","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F776349 \u002F HA ZA 25-1542\n\nVonnis van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. C.H.A. van de Wiel,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] B.V., 2. [gedaagde 2] B.V., 3. [gedaagde 3] , 4. [gedaagde 4] B.V., 5. [gedaagde 5] ,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\nadvocaat: mr. T.J. van Weeren.\n\nGedaagden afzonderlijk worden hierna genoemd: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 september 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord, met producties,\n\n- het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de akte overleggen producties van [eiser] , met producties 18 tot en met 26,\n\n- de akte overleggen producties van [gedaagden] , met producties 6 tot en met 11 en\n\n- de mondelinge behandeling van 13 april 2026 waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] heeft jarenlang een koffiehuis oftewel buurtcafé geëxploiteerd in [plaats] onder de naam [bedrijf 1] .\n\n2.2.. \n [bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2] ) is opgericht op 30 januari 2023. Voorheen heette [bedrijf 2] ‘ [bedrijf 3] B.V.’.\n\n2.3.. De bestuurder van [bedrijf 2] is [gedaagde 1] . De bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 4] en de bestuurder van [gedaagde 4] is [gedaagde 5] . [gedaagde 1] stuurt drie filialen in [plaats] aan van het Griekse restaurant concept [bedrijf 4] .\n\n2.4.. \n [gedaagde 2] is onderdeel van een groep vennootschappen van [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is een van de aandeelhouders van [gedaagde 1] .\n\n2.5.. \n\n [eiser] heeft zijn onderneming verkocht aan [bedrijf 2] . In de activa\u002Fpassiva-overeenkomst van 15 februari 2023 (hierna de overeenkomst) staat dat [bedrijf 2] van [eiser] de onderneming koopt.\n\nVerder staat in de overeenkomst dat de onderneming vanaf de overnamedatum voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend (artikel 4).\n\nIn de overeenkomst is een koopprijs van € 75.000,00 afgesproken, waarvan € 10.000,00 op de datum van overname en € 65.000,00 in 60 maandelijkse termijnen van € 1.083,33 zou worden betaald. Ook is een jaarlijkse rente van 10% afgesproken voor het geval [bedrijf 2] niet aan haar betalingsverplichtingen zou voldoen. Tot slot bevat de overeenkomst een boetebeding van € 250,00 per dag bij niet-nakoming.\n\n2.6.. In de overeenkomst staat in de aanhef dat (de rechtsvoorgangster van) [bedrijf 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 3] .\n\n2.7.. Na de overname op 15 februari 2023 is [bedrijf 1] nog drie weken open gebleven. Daarna is de onderneming gesloten. Op 27 maart 2023 heeft [bedrijf 2] bij de [gemeente] een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van een nieuw filiaal van de horeca-onderneming [bedrijf 4] . De aanvraag is op 4 juni 2024 afgewezen.\n\n2.8.. \n [bedrijf 2] heeft de overeengekomen koopsom ineens van € 10.000,00 en de maandelijkse betalingen van € 1.083,33 tot januari 2025 aan [eiser] betaald. Daarna is [bedrijf 2] gestopt met het doen van de maandelijkse betalingen.\n\n2.9.. \n [eiser] is een kort geding procedure gestart tegen [bedrijf 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van de openstaande termijnen, rente en boete. In een vonnis van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [bedrijf 2] onder meer veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 6.499,98 aan de maandelijkse termijnen, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% per jaar en tot betaling van een boete van € 37.250,00. De vorderingen tegen de andere gedaagden zijn afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - [gedaagden] hoofdelijk en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:\n\n€ 41.166,74 aan schadevergoeding wegens niet te incasseren uitgestelde koopsom;\n\n€ 54.000,00 dan wel € 37.250,00 aan schadevergoeding wegens onbetaalde en niet te incasseren contractuele boete;\n\n€ 1.506,67 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\n€ 3.641,68 aan proceskosten(veroordeling) in kort geding;\n\nde contractuele rente dan wel de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen en\n\nde proceskosten.\n\n3.2.. \n\n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Gedaagden zijn als (in)direct, statutair dan wel feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de wanprestatie van [bedrijf 2] (het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen die [bedrijf 2] heeft tegenover [eiser] ). [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] .\n\nDat [bedrijf 2] niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen, komt doordat zij geen omzet\u002Fwinst heeft gemaakt met het gekochte. De bestuurders hebben de beslissing genomen om niet te exploiteren. Met die beslissing hebben zij bewerkstelligd of in ieder geval toegelaten dat [bedrijf 2] haar betalingsverplichting zou schenden. Zij wisten of hadden moeten weten dat de vergunning die zij nodig hadden om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen, niet zou worden gegeven. Daarmee hebben de bestuurders zodanig onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] is voorafgaand aan of tijdens het sluiten van de overeenkomst niet ingelicht over het gewijzigde concept dat [bedrijf 2] voor ogen had met het gekochte.\n\n3.3.. \n [gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. \n [gedaagden] voert het volgende aan. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn niet aan te merken als (feitelijk) bestuurders van [bedrijf 2] . Daarnaast valt [gedaagden] geen persoonlijk ernstig verwijt te maken. Bij het sluiten van de overeenkomst verkeerde [bedrijf 2] in financieel gezonde toestand en waren er geen aanwijzingen dat zij in de toekomst haar verplichtingen jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen. [bedrijf 2] heeft een jaar en negen maanden aan haar betalingsverplichting voldaan. Verder heeft zij direct na de overname een vergunning aangevraagd voor het kunnen openen van een vierde filiaal van [bedrijf 4] . Er waren geen aanwijzingen dat de vergunning niet zou worden verleend. Vanaf de aanvang was ook bij [eiser] bekend dat [bedrijf 2] een ander concept voor ogen had. [bedrijf 2] had niet de verplichting om de koffiezaak zoals die was voort te zetten, op grond van de overeenkomst. Verder is geen sprake van verhaalsfrustratie of onrechtmatige onttrekkingen. De ondernemersbeslissingen en daarbij behorende risico’s van [bedrijf 2] zijn niet dusdanig dat de bestuurders daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\ntoetsingskader\n\n4.1.. Een door een bestuurder van een rechtspersoon (in dit geval [bedrijf 2] ) in naam van de rechtspersoon verrichte rechtshandeling, treft in haar gevolgen de rechtspersoon. Als een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen, is het uitgangspunt dat alleen die rechtspersoon kan worden aangesproken voor de schade die daaruit voortvloeit. Onder bijzondere omstandigheden kunnen ook (middellijk of feitelijk) bestuurders aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), maar die lat ligt hoog. Daarvoor is vereist dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.2.. Van een ernstig verwijt kan sprake zijn als de bestuurder namens de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan en wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon daaraan niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Beklamel-norm).\n\n4.3.. Van een ernstig verwijt kan ook sprake zijn als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet nakomt. De bestuurder is dan aansprakelijk als hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Ontvanger\u002F [naam] ).\n\ngeen bestuurdersaansprakelijkheid\n\n4.4.. \n [bedrijf 2] is haar verplichtingen jegens [eiser] niet nagekomen. [bedrijf 2] is gestopt met het betalen van de maandelijkse vergoeding en zij heeft ook niet voldaan aan de veroordeling in het kort geding vonnis. Hierna zal blijken dat de aangevoerde verwijten geen grond opleveren voor aansprakelijkheid van de bestuurders. Gelet daarop zal de rechtbank niet beoordelen of [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in feite bestuurders van [bedrijf 2] zijn, zoals [eiser] stelt. Ook in het geval dat die vraag bevestigend zou worden beantwoord, kunnen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet worden aangesproken tot het vergoeden van de schade die [eiser] heeft door de tekortkoming van [bedrijf 2] . Voor zover [eiser] betoogt dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] ook kopers zijn van de onderneming en dat zij in die hoedanigheid aansprakelijk zijn, gaat die stelling niet op. [eiser] heeft met [bedrijf 2] de overeenkomst gesloten en in de overeenkomst is [bedrijf 2] als de koper gedefinieerd. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] enkel als vertegenwoordigers van [bedrijf 2] zijn opgetreden.\n\n4.5.. \n [gedaagden] kan niet aansprakelijk worden gehouden voor het aangaan van de overeenkomst. [eiser] heeft onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat [gedaagden] op het moment van het sluiten van de overeenkomst wist of in redelijkheid had moeten begrijpen dat [bedrijf 2] haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou nakomen. Daaraan staat in de eerste plaats in de weg dat [bedrijf 2] gedurende een langere periode heeft voldaan aan haar verplichting om [eiser] te betalen. [bedrijf 2] heeft op de overnamedatum € 10.000,00 betaald en gedurende een jaar en negen maanden de maandelijkse vergoedingen overgemaakt. Op het moment dat [bedrijf 2] de overeenkomst sloot, kon zij aan haar verplichtingen voldoen en dat heeft zij toen ook gedaan. Verder is van belang dat niet is gebleken dat - toen de overeenkomst werd gesloten - het aanvragen van de voor het kunnen exploiteren van een restaurant benodigde horeca 3 vergunning zo weinig kans had dat voorzienbaar was dat [bedrijf 2] op enig moment zou stoppen met het betalen van de maandelijkse termijnen. Volgens [eiser] was het exploiteren van een restaurant in strijd met het bestemmingsplan, maar mede gelet op het feit dat ook [eiser] over een horecavergunning beschikte (een horeca 1 vergunning), heeft [eiser] niet nader toegelicht waarom de vergunningsaanvraag zou worden afgewezen en dat [gedaagden] dat moest weten. Dat verder de ruimte ongeschikt zou zijn voor het exploiteren van een restaurant, heeft [eiser] tegenover het verweer van [gedaagden] dat in de ruimte eten kon worden gemaakt en dat daarvoor apparatuur aanwezig was, ook niet concreet gemaakt. [eiser] heeft onvoldoende informatie gegeven om vast te stellen dat [gedaagden] een dusdanig groot risico heeft genomen dat [gedaagden] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n4.6.. Evenmin is gebleken van frustratie van verhaal en betaling. [bedrijf 2] heeft kort na de overname in februari 2023, namelijk op 27 maart 2023, de vergunningen aangevraagd voor het exploiteren van een restaurant. Dat heeft [bedrijf 2] gedaan om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen en daarmee de middelen te genereren om de betalingen aan [eiser] te kunnen doen. Niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf 2] geen verhaal zou bieden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] niet laten zien dat het aanvragen van de vergunningen onvoldoende kans van slagen had. Verder is hierbij van belang dat anders dan [eiser] stelt, uit de overeenkomst niet een verplichting voor [bedrijf 2] volgt om de exploitatie van het koffiehuis voort te zetten. In de overeenkomst staat niets over het gebruik en de bestemming van het gekochte na de overnamedatum. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de onderneming vanaf de overnamedatum ‘voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend’. Anders dan [eiser] betoogt, kan uit het woord ‘uitgeoefend’ niet worden opgemaakt dat de onderneming moest worden voortgezet als koffiehuis. [bedrijf 2] mocht een ander concept exploiteren. Of en in hoeverre [eiser] voorafgaand aan of bij het sluiten van de overeenkomst wist dat [bedrijf 2] niet het koffiehuis wilde behouden, maar een nieuw filiaal van het restaurant [bedrijf 4] wilde starten, is dan ook niet relevant.\n\nslotsom en proceskosten\n\n4.7.. Dit leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en\n\n5.4.. verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6560","2026-07-13T00:29:25.150Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":63,"updatedAt":174},"996","ECLI:NL:RBAMS:2026:6702","ecli-nl-rbams-2026-6702","2026-05-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11859401 \\ CV EXPL 25-11923\n\nVonnis van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nQ-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Q-Park,\n\ngemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 augustus 2025, met producties\n\n- de conclusie van antwoord, met producties\n\n- de e-mail van [gedaagde] van 2 september 2025\n\n- het tussenvonnis van 23 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de akte van Q-Park van 1 december 2025, met een productie\n\n- de akte van Q-Park van 28 januari 2026, met producties.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park is verschenen [gemachtigde]. [gedaagde] is niet verschenen, hoewel zij wel voor de mondelinge behandeling was opgeroepen. Q-Park heeft haar standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 517,97, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] heeft op 20 juni 2025 treintje gereden bij parkeeraccomodatie Amsterdam-Byzantium en is daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld van € 68,00 en een schadevergoeding van € 382,41 verschuldigd.\n\n2.2.. \n [gedaagde] voert verweer. Zij heeft inmiddels de hoofdsom voldaan, maar wil niet de bijkomende kosten betalen. Deze zijn onterecht omdat de dagvaarding onjuist is betekend en omdat [gedaagde] voor de behandeling van de zaak de vordering volledig heeft voldaan.\n\n2.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n3.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park heeft voldaan aan bepaalde consumentrechtelijke regels. Dit geldt ook als (een deel van) de hoofdsom al is betaald.\n\n3.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Eisende partij heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.3.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden, waarop Q-Park haar vorderingen baseert of kan baseren, oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).\n\n3.4.. Q-Park heeft ook buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom heeft Q-Park terecht een bedrag van € 67,56 in rekening gebracht.\n\nDagvaarding\n\n3.5.. Q-Park heeft verklaard dat de deurwaarder de Basisregistratie Personen (BRP) op 21 augustus 2025 heeft geraadpleegd en dat daaruit bleek dat [gedaagde] op die datum ingeschreven stond op het adres waarop zij is gedagvaard. De deurwaarder heeft verklaard dat deze inzage zeven dagen geldig is. De deurwaarder heeft de dagvaarding binnen die zeven dagen betekend aan [gedaagde] . De kantonrechter oordeelt dan ook dat de dagvaarding van 26 augustus 2025 rechtsgeldig is betekend aan [gedaagde] .\n\nBeoordeling van de vordering\n\n3.6.. Tijdens de zitting heeft Q-Park aangegeven dat [gedaagde] op 30 augustus 2025 een bedrag van € 517,97 heeft betaald. Wat resteert, is de door Q-Park gevorderde wettelijke rente over dit bedrag. Onweersproken is gebleven dat Q-Park [gedaagde] op 24 juni 2025 kosteloos heeft aangemaand om de vordering te voldoen en vervolgens op 10 juli 2025 nogmaals heeft aangeschreven om de vordering, dit keer inclusief de incassokosten, te voldoen. Omdat [gedaagde] het bedrag pas heeft betaald na het verstrijken van de in die brieven genoemde termijnen, moet zij de wettelijke rente betalen over een bedrag van € 450,41 (het parkeergeld en de schadevergoeding) vanaf 20 juni 2025, de datum van de gedraging, tot 30 augustus 2025, de dag dat zij het bedrag volledig heeft voldaan. Q-Park vordert de wettelijke rente ook over de buitengerechtelijke incassokosten. Deze is alleen toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden.\n\n3.7.. Tot slot vordert Q-Park dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. Onweersproken is gebleven dat Q-Park [gedaagde] verschillende keren heeft aangeschreven om de vordering te voldoen. Omdat [gedaagde] het bedrag na deze brieven niet heeft betaald, had Q-Park het recht om betaling in een gerechtelijke procedure te vorderen. Hiervoor heeft Q-Park kosten moeten maken. Omdat [gedaagde] pas na het uitbrengen van de dagvaarding heeft betaald, komen deze kosten voor haar rekening. Deze kosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n340,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n288,00\n\n(2 punten × € 144,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n820,78\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 450,41, met ingang van 20 juni 2025 tot 30 augustus 2025, en de wettelijke rente over een bedrag van € 67,56 met ingang van 26 augustus 2025 tot 30 augustus 2025,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 820,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6702","2026-07-13T00:28:58.084Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":171,"fullText":179,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":180,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":63,"updatedAt":181},"993","ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","ecli-nl-rbams-2026-6700","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11948366 \\ CV EXPL 25-15047\n\nVonnis van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nQ-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Q-Park,\n\ngemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 28 oktober 2025, met producties\n\n- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord,\n\n- het tussenvonnis van 25 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Namens de gemachtigde van Q-Park waren aanwezig [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]. [gedaagde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] heeft op 9 augustus 2025 geparkeerd op parkeeraccommodatie Emmen- Wildlands. Zij is zonder te betalen direct achter een voorganger onder de slagboom doorgereden.\n\n2.2.. Q-Park heeft [gedaagde] op 21 augustus 2025 aangeschreven om aan Q-Park te betalen het verschuldigde parkeergeld van € 10,45 en een schadevergoeding van € 382,41. [gedaagde] heeft dit bedrag niet betaald.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Q-Park vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 451,79, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. Q-Park legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] op 9 augustus 2025 treintje heeft gereden en dat zij daarom op grond van de algemene voorwaarden het parkeergeld en een schadevergoeding verschuldigd. Omdat zij deze bedragen niet heeft betaald, moet [gedaagde] ook de wettelijke rente hierover en de gemaakte buitengerechtelijke kosten betalen.\n\n3.3.. Volgens Q-Park is het bedrag aan parkeergeld berekend aan de hand van het parkeertarief per uur in de betreffende parkeergarage, uitgaande van het tijdstip waarop het voertuig is binnen gereden en het tijdstip van de gedraging. De schadevergoeding is gebaseerd op de schade die Q-Park lijdt wanneer parkeerders treintje rijden, onder andere vanwege omzetderving, gemaakte kosten, uitgevoerde werkzaamheden, gedane en toekomstige investeringen en het inschakelen van derden. In veel gevallen is ook schade toegebracht aan de slagboom, aldus Q-Park.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat zij contant wilde betalen bij de parkeerautomaat maar dat dit niet mogelijk was. Zij is vervolgens naar de slagboom gereden in de hoop daar een medewerker tegen te komen. Die was er niet, en bij de hulpknop kreeg zij een ingesprektoon. [gedaagde] had een zieke dochter op de achterbank en gefrustreerde automobilisten achter zich, zodat zij uiteindelijk in paniek besloot achter iemand anders aan het parkeerterrein af te rijden. Zij vindt het onterecht dat het bedrag verhoogd wordt, aangezien zij wel heeft geprobeerd te betalen. Bovendien vindt zij de schadevergoeding erg hoog en kan zij het gevorderde bedrag niet in een keer betalen.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.1.. De overeenkomst waarop Q-Park zich beroept, is gesloten met een consument. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd.\n\n4.2.. De overeenkomst is tot stand is gekomen binnen de verkoopruimte. Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l BW.4.3.. De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Zoals al eerder is geoordeeld, worden de voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde bedingen in de algemene voorwaarden (versie 02.2025) niet oneerlijk bevonden (zie bijvoorbeeld het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10294).\n\nBeoordeling van de vordering\n\n4.4.. \n [gedaagde] betwist niet dat zij treintje heeft gereden. Treintje rijden is volgens de algemene voorwaarden niet toegestaan en Q-Park kan dan op grond van de overeenkomst en de algemene voorwaarden het verschuldigd parkeergeld en een schadevergoeding vorderen.\n\n4.5.. Hoewel de kantonechter begrip kan opbrengen voor de omstandigheden waarin [gedaagde] zich volgens haar zeggen bevond, rechtvaardigt dit nog niet de keus van [gedaagde] om de parkeerplaats te verlaten door middel van treintje rijden. Q-Park heeft uitgelegd dat dit voor kosten, overlast en ongemak zorgt. Bovendien treft zij maatregelen om te voorkomen dat treintje rijden nodig is. Zo is er zowel bij de parkeerautomaat als bij de uitrijterminal de mogelijkheid om contact te zoeken met de klantenservice van Q-Park, die 24 uur per dag bereikbaar is. Als de hulpknop bezet is, staat op de informatieborden ook het telefoonnummer van Q-Park. Onbetwist is gebleven dat uit het logsysteem van Q-Park blijkt dat de klantenservice rondom het tijdstip van uitrijden door [gedaagde] bereikbaar was. Ook heeft Q-Park onweersproken gesteld dat uit deze loggegevens niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] contact heeft gezocht met de klantenservice. Daarnaast heeft Q-Park tijdens de zitting verklaard dat gebruikers ook nog binnen drie dagen na het treintje rijden contact kunnen opnemen met Q-Park om de gedraging te corrigeren. Ook dit heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n4.6.. \n [gedaagde] heeft nog de hoogte van de schadevergoeding betwist. Maar deze enkele betwisting is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende. Gelet op wat Q-Park heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat de hoogte van de schadevergoeding in redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de vergoeding is gebaseerd.\n\n4.7.. Verder lijkt [gedaagde] de kantonrechter nog te verzoeken, gezien haar financiële situatie, de schadevergoeding te matigen. De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt en noopt de rechter aldus tot terughoudendheid. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat inroeping van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Met de enkele stelling dat [gedaagde] niet de financiële middelen heeft om de hele vordering te voldoen, heeft zij onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om het beroep op matiging te honoreren.\n\n4.8.. De kantonrechter gaat dan ook voorbij aan het verweer van [gedaagde] . Dit betekent dat de vorderingen van Q-Park tot betaling van het verschuldigd parkeergeld van € 10,45 en de schadevergoeding van € 382,41 toewijsbaar zijn. Omdat [gedaagde] deze bedragen niet op tijd heeft betaald en zij de hoogte hiervan niet heeft betwist, is ook de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen toewijsbaar vanaf de datum van de gedraging (9 augustus 2025).\n\n4.9.. Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 58,93 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.\n\n4.10.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n120,78\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n473,28\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 392,86, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 58,93 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 473,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n57327","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6700","2026-07-13T00:28:57.967Z",{"id":183,"ecli":184,"slug":185,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":186,"fullText":187,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":188,"sourceTimestamp":189,"parsedAt":63,"updatedAt":190},"1895","ECLI:NL:GHAMS:2026:1366","ecli-nl-ghams-2026-1366","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummers : 200.347.962\u002F01 en 200.347.964\u002F01\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\nin de zaak met nummer 200.347.962\u002F01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865905 \\ CV EXPL 24-241) van\n\n [appellant 1],\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] V.O.F .,\n\ngevestigd in [plaats 2] ,\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\n3. [geïntimeerde 3],\n\nwonend in Badhoevedorp,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle,\n\nen in de zaak met nummer 200.347.964\u002F01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865881 \\ CV EXPL 24-238) van\n\n [appellant 1],\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde 4], h.o.d.n.[geïntimeerde 4],\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] genoemd.\n\n1. De zaken in het kort\n\nIn deze procedures vordert [appellant 1] betaling van een contractuele boete van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , omdat zij hun overeenkomst met [appellant 1] hebben opgezegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] menen dat zij die boete niet hoeven te betalen omdat een vertegenwoordiger van [appellant 1] zou hebben toegezegd dat zij de overeenkomst op elk moment kosteloos konden opzeggen. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. Het hof is van oordeel dat bewijslevering nodig is voor het antwoord op de vraag of (i) daadwerkelijk een dergelijke toezegging is gedaan en (ii) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gerechtvaardigd erop hebben mogen vertrouwen dat die toezegging namens [appellant 1] is gedaan.\n\n2. De gedingen in hoger beroep\n\n2.1.. \n [appellant 1] is bij dagvaarding van 9 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van (i) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en (ii) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 4] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: de bestreden vonnissen).\n\n2.2.. Bij tussenarresten van 26 november 2024 is in beide zaken een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 30 januari 2025 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.\n\n2.3.. In beide zaken zijn daarna, afzonderlijk, de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met producties.\n\n2.4.. De zaken zijn verder gezamenlijk behandeld. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 18 februari 2026 hun zaak laten toelichten: [appellant 1] door mrs. E.T. van den Hout en M.A.M. Chin aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd, en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] door hun advocaat. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\n2.5.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat in beide zaken uit van de volgende feiten. Dit zijn de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, voor zover niet in geschil, en met enige aanpassing en aanvulling met andere vaststaande feiten. Daarbij heeft het hof bij de formulering in aanmerking genomen wat [appellant 1] in grief I naar voren heeft gebracht.\n\n3.1.. \n [appellant 1] is een onderneming gespecialiseerd in de handel in en bemiddeling van energiegerelateerde producten en diensten.\n\n3.2.. \n [appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op basis waarvan [naam 1] klanten voor [appellant 1] heeft geworven.\n\n3.3.. \n [naam 1] heeft contact gezocht met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor het sluiten van een overeenkomst met [appellant 1] . Deze overeenkomst zag op (i) het leveren en plaatsen van zonnepanelen voor de bedrijfspanden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zouden bouwen en (ii) de afhandeling van de financiering en de subsidieverstrekking voor de zonnepanelen.\n\n3.4.. \n [appellant 1] heeft in december 2021 een eerste offerte uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Deze offerte heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), gemachtigde van [appellant 1] , persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij.\n\n3.5.. In januari 2022 is [naam 2] opnieuw bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om nieuwe offertes persoonlijk aan hen te overhandigen. [naam 1] was daarbij.\n\n3.6.. Op 7 februari 2022 heeft [naam 1] offertes van 26 januari 2022 per e-mail aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gestuurd.\n\n3.7.. \n [appellant 1] heeft op 30 mei 2022 de definitieve offertes gemaild naar [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 4] en [naam 1] . [naam 2] is toen nogmaals bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest en heeft de definitieve offertes persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben de offertes op 31 mei 2022 ondertekend.\n\n3.8.. In de offertes zijn de algemene voorwaarden van [appellant 1] van toepassing verklaard op de overeenkomsten met [appellant 1] . Artikel 3.8 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:\n\n\"Indien wederpartij om welke reden dan ook geen gebruik zal maken van de diensten van [appellant 1] en\u002Fof de overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding annuleert tussen [appellant 1] en wederpartij is de wederpartij een boete verschuldigd aan [appellant 1] De boete bedraagt 15% van de totale overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding prijs. Deze prijs staat vermeld in de overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding die is afgesloten tussen [appellant 1] en wederpartij.\"\n\n3.9.. Op 12 oktober 2022 heeft [appellant 1] een e-mail gestuurd naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] met daarin de mededeling dat de subsidieaanvraag was goedgekeurd en dat het project binnen 18 maanden gerealiseerd moest worden.\n\n3.10.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben op 23 januari 2023 een afspraak gehad met [naam 2] om de voortgang van het project te bespreken. [naam 1] was bij deze afspraak.\n\n3.11.. Op 27 januari 2023 heeft [geïntimeerde 4] een e-mail gestuurd naar Liander om te vragen wat de status was van de aanvraag grootverbruik. Op 23 maart 2023 heeft Liander hierop gereageerd met de mededeling dat pas in het vierde kwartaal van 2028 de vermogensbeperking van het elektriciteitsnet zou zijn opgeheven (en dus een aansluiting voor het grootverbruik kon worden aangelegd).\n\n3.12.. \n [appellant 1] heeft op 11 mei 2023 facturen gemaild naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor de zonnepanelen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gereageerd met de mededeling dat de werkzaamheden niet doorgaan en dat zij andere offertes hebben aangevraagd. Vervolgens heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , waarbij ook [naam 1] aanwezig was. Op 22 mei 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] aanvullende voorwaarden getekend. Op 14 juni 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] per e-mail bevestigd dat zij niet verder willen met [appellant 1] .\n\n3.13.. \n [appellant 1] heeft deze e-mails van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] beschouwd als beëindiging van de overeenkomsten en heeft op 19 juni 2023 een boete van € 17.662,05 gefactureerd aan zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben deze facturen van [appellant 1] niet voldaan.\n\n4. De procedures bij de kantonrechter\n\n4.1.. Samengevat heeft [appellant 1] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] te veroordelen tot betaling van € 19.444,03 (de hoofdsom van € 17.662,05 vermeerderd met rente tot de datum van dagvaarding en incassokosten), met rente en kosten. [appellant 1] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op grond van artikel 3.8 van de algemene voorwaarden een boete moeten betalen omdat zij de overeenkomsten hebben geannuleerd.\n\n4.2.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant 1] . Daarnaast hebben zij in voorwaardelijke reconventie vorderingen tegen [appellant 1] ingesteld.\n\n4.3.. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [naam 1] namens [appellant 1] mondeling heeft toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst op elk moment kosteloos konden beëindigen en dat [appellant 1] gebonden is aan die mondelinge toezegging omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] die toezegging namens [appellant 1] heeft gedaan. De voorwaardelijk reconventionele vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft de kantonrechter afgewezen omdat niet aan de voorwaarde was voldaan.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant 1] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n5.2.. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] moet het hof de vorderingen van [appellant 1] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. Het draait in deze zaak om de vraag of tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] als gevolg van een toezegging van [naam 1] zijn overeengekomen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst met [appellant 1] op elk moment kosteloos kunnen annuleren.\n\nDe algemene voorwaarden zijn niet vernietigbaar\n\n6.2.. Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of de algemene voorwaarden – waarin het boetebeding staat – van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben in eerste aanleg een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van dit beding omdat hun geen redelijke mogelijkheid zou zijn geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Als de grieven van [appellant 1] slagen, zou dit verweer (dat dan door het hof moet worden beoordeeld) alsnog aan toewijzing in de weg kunnen staan. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] de algemene voorwaarden niet ter hand gesteld en heeft [appellant 1] volstaan met een verwijzing naar een link waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. Bovendien werkte die link niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] .\n\n6.3.. Het hof is van oordeel dat het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden niet slaagt. [appellant 1] heeft aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] een redelijke mogelijkheid geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden van [appellant 1] . Of sprake is van zo'n redelijke mogelijkheid tot kennisname, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als de algemene voorwaarden zonder noemenswaardige inspanning gevonden kunnen worden op of via de website waarnaar in een offerte is verwezen, moet worden aangenomen dat de algemene voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk zijn (vgl. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:835). Daarvan is in dit geval sprake. In de offertes, die ook per e-mail naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zijn gestuurd, staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst en staat een link naar de website van [appellant 1] waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. De algemene voorwaarden waren dus makkelijk toegankelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat de link niet werkte voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in mei 2022, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd. Zij hebben slechts verwezen naar een screenshot van een datum ruim ná het sluiten van de overeenkomst, waarop bovendien staat dat de webpagina niet kan worden bekeken omdat de gebruiker mogelijk offline is of een slechte verbinding heeft. Daaruit kan dus niets worden afgeleid over de beschikbaarheid van de algemene voorwaarden op de website van [appellant 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Bovendien ligt het in de rede dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] het bij [appellant 1] zouden hebben aangekaart als de link naar de algemene voorwaarden niet werkte, maar daarvan is niet gebleken.\n\n6.4.. Het hof neemt bij de verdere beoordeling dan ook als uitgangspunt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 4] .\n\nBewijs nodig voor stelling dat [naam 1] een mondelinge toezegging heeft gedaan\n\n6.5.. De kantonrechter is er bij de beoordeling vanuit gegaan dat [naam 1] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij kosteloos de overeenkomst met [appellant 1] konden opzeggen. De kantonrechter heeft dat oordeel gebaseerd op een gerechtelijke erkentenis van [appellant 1] in haar conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 1] . Daarin staat: \"Een bemiddelaar heeft dit weliswaar aan [geïntimeerde 1] toegezegd, maar (…)\". Een gelijkluidende passage staat in de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 4] . [appellant 1] komt op tegen dit oordeel met grief II. Deze grief slaagt. Het hof licht dit hierna toe.\n\n6.6.. Artikel 154 lid 2 Rv bepaalt dat een gerechtelijke erkentenis kan worden herroepen als aannemelijk is dat zij door een dwaling is afgelegd. Van een erkentenis onder invloed van dwaling is sprake wanneer men door een misverstand tot een bekentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben. Het begrijp dwaling heeft hier een ruimere betekenis dan het begrip dwaling als wilsgebrek. Als uitgangspunt geldt dat een goede procesorde eist dat een herroeping plaatsvindt zodra de herroepende partij daartoe de mogelijkheid heeft.\n\n6.7.. Volgens [appellant 1] heeft zij niet bedoeld te stellen dat een bemiddelaar daadwerkelijk een toezegging heeft gedaan, maar had daar zoiets moeten staan als: \"zou zijn toegezegd\". De bedoelde zin berust op een vergissing – in de formulering – van de deurwaarder die het processtuk heeft geschreven, aldus [appellant 1] . Het hof volgt [appellant 1] in dit betoog. [appellant 1] is niet aanwezig geweest bij de gestelde toezegging door [naam 1] zodat niet voor de hand ligt dat zij hierover een stellige uitspraak heeft willen doen. In dit geval is aannemelijk dat sprake van een vergissing aan de zijde van [appellant 1] in de conclusie van antwoord in reconventie. [appellant 1] heeft deze vergissing gelijk daarna, tijdens de mondelinge behandeling en nogmaals in de memorie van grieven, rechtgezet. Voor zover de hierboven geciteerde zin al kan worden opgevat als een erkentenis door [appellant 1] , heeft zij deze dus tijdig herroepen.\n\n6.8.. Het hof zal daarom alsnog beoordelen of [naam 1] mondeling aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij de overeenkomsten met [appellant 1] op elk moment kosteloos konden beëindigen. [appellant 1] betoogt met grief III dat dat niet het geval is.\n\n6.9.. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden annuleren. Dit is een bevrijdend verweer. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant 1] – de bewijslast. Zij moeten dus feiten en omstandigheden stellen (en bewijzen) waaruit kan worden afgeleid dat [naam 1] een mondelinge toezegging aan hen heeft gedaan.\n\n6.10.. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben het volgende aangevoerd ter ondersteuning van hun stelling dat zij een mondelinge afspraak hadden met [naam 1] die behelsde dat zij kosteloos mochten opzeggen. Vanaf dag één heeft [naam 1] toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kosteloos konden opzeggen. [naam 1] heeft hen nadrukkelijk gegarandeerd dat zij nergens aan gebonden waren en dat zij te allen tijde de samenwerking mochten beëindigen, zonder problemen en\u002Fof discussie en zonder contractuele boete. Nadat zij de overeenkomst hadden opgezegd en [appellant 1] hun een boete in rekening had gebracht, hebben zij contact opgenomen met [naam 1] . Hij heeft hun toen duidelijk te kennen gegeven dat zij nergens aan verbonden waren en dat hij dit met hen had afgesproken. Dit blijkt uit een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 30 juni 2023:\n\n\"Hierbij verklaar ik, Veysel [naam 1] namens energycompany en [appellant 1] , dat ik de opdracht met betrekking tot zonnepanelen installatie van [straat] [nummer 1] en [nummer 2] vanaf dag 1 heb aanvaard. Middels deze schriftelijke verklaring ga ik tevens akkoord met de annulering van de opdracht van de kosten.\"\n\n6.11.. \n\n [appellant 1] heeft betwist dat [naam 1] een dergelijke mondelinge toezegging heeft gedaan. Volgens [appellant 1] blijkt nergens uit wat de precieze woorden van [naam 1] zouden zijn geweest en op welk moment hij deze toezegging zou hebben gedaan. Ook blijkt uit de verklaring van [naam 1] – die dateert van na de opzegging van de overeenkomsten – niet dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij op elk moment kosteloos konden opzeggen. Uit een latere verklaring van [naam 1] volgt juist dat volgens [naam 1] [naam 2] (en niet [naam 1] zelf) deze toezegging zou hebben gedaan:\n\n\"Vervolgens hebben de heer [naam 2] en ik gezamenlijk een afspraak gehad met [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] . Tijdens deze afspraak heeft de heer [naam 2] de offerte toegelicht. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] nergens aan vastzaten, omdat eerst het subsidie- en financieringstraject moest worden geregeld. Daarbij is door hem aangegeven dat, indien de subsidie zou worden toegekend, hij ook de financiering volledig zou kunnen verzorgen, en dat indien dit niet zou lukken, het trajectkosteloos kon worden beëindigd.\"\n\nBovendien is het opmerkelijk dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] deze kosteloze opzeggingsmogelijkheid niet in de overeenkomst hebben laten vermelden, terwijl dit voor hen toch een wezenlijk onderdeel was van de overeenkomst, aldus [appellant 1] .\n\n6.12.. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit heeft tot gevolg dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden te bewijzen dat [naam 1] aan hen mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen. Zij kunnen – als zij dat willen – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.\n\n6.13.. Voor de leesbaarheid zal het hof hierna als uitgangspunt nemen dat [naam 1] de bedoelde toezegging heeft gedaan, zonder daarmee vooruit te lopen op een oordeel of dat daadwerkelijk het geval is.\n\nBewijs nodig voor stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen\n\n6.14.. Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] , met andere woorden of [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet daadwerkelijk zelfstandig bevoegd was [appellant 1] te binden aan zijn toezegging. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat [appellant 1] desondanks gebonden is aan de toezegging door [naam 1] . De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] de toezegging namens [appellant 1] deed en dat zij er ook op hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tegen deze overwegingen komt [appellant 1] op met grieven IV, V en VI. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.\n\n6.15.. Ook als een partij niet daadwerkelijk een volmacht heeft verleend, kan die partij tegenover een wederpartij gebonden worden door een persoon die handelt als gevolmachtigde. Artikel 3:61 lid 2 BW beschermt de wederpartij als sprake is van – kort gezegd – schijn van volmachtverlening. Daarvoor is vereist dat de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van degene in wiens naam is gehandeld heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat wel een toereikende volmacht was verleend aan de persoon die heeft gehandeld als gevolmachtigde.\n\n6.16.. Bij de beoordeling is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen dat [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] en dus dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen.\n\n6.17.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben ter onderbouwing van hun stelling het volgende aangevoerd. Vanaf dag één hebben zij contact gehad met [naam 1] ; hij was hun contactpersoon bij [appellant 1] . [naam 1] stuurde hun de eerste offerte. [naam 1] stelde samen met NRG de offertes op en besprak deze ook met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 2] is nooit hun contactpersoon geweest. [naam 1] is altijd de persoon geweest die hen benaderde en met offertes is gekomen. Tijdens de besprekingen en contactmomenten konden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet vermoeden dat [naam 1] en [appellant 1] een samenwerkingsovereenkomst hadden en dat daaruit moest blijken dat [naam 1] niet bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. [appellant 1] heeft met geen woord gerept van een samenwerkingsovereenkomst. [naam 2] en [naam 1] hebben zichzelf gepresenteerd als medewerkers van [appellant 1] . [appellant 1] heeft [naam 1] in een e-mail zelfs aangeduid als \"collega\". [naam 1] was steeds aanwezig bij besprekingen tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben hem daarvoor niet uitgenodigd. [naam 2] en [naam 1] hebben dus gezamenlijk opgetreden als volledig vertegenwoordigingsbevoegde personen handelend in naam van [appellant 1] . Als [naam 1] [appellant 1] niet kon vertegenwoordigen, dan had [appellant 1] dat duidelijk kenbaar moeten maken.\n\n6.18.. \n\n [appellant 1] heeft de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] betwist. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. [appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] . Deze samenwerking hield in dat [naam 1] tegen vergoeding potentiële klanten aanbracht bij [appellant 1] , waarna [appellant 1] het gehele proces verder op zich nam. Op alle momenten waarop [appellant 1] een afspraak had met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , is zij in de persoon van [naam 2] naar deze afspraken gegaan. [appellant 1] heeft [naam 1] nooit uitgenodigd voor deze afspraken; [naam 1] was daar op uitnodiging van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] beschikt niet over de benodigde inhoudelijke kennis en heeft geen inhoudelijke bijdrage geleverd aan de gesprekken met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] staat los van [appellant 1] en handelt onder de naam [naam 3] . Dat was ook duidelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Zij hebben namelijk verklaard:\n\n\"Wij hebben van [ [naam 1] ] begrepen dat hij werkte voor een bedrijf met de naam [naam 3] . [ [naam 1] ] is later onze tussenpersoon geworden met betrekking tot het aansluiten van elektra- en gasaansluitingen.\"\n\n [appellant 1] is de partij die de offerte heeft uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] en zij heeft omtrent de overeenkomst gemaild met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben steeds [naam 1] , althans zijn bedrijf [naam 3] , toegevoegd aan de e-mails. Het overgrote deel van de communicatie vond plaats met [naam 2] of een andere medewerker van [appellant 1] via het e-mailadres info@nrgcompleet.nl, met de handtekening van [appellant 1] . De offerte en de overeenkomst staan op briefpapier van [appellant 1] . [naam 2] is in december 2021 en januari 2022 al bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om de offertes te overhandigen. Daarnaast staat [naam 2] als behandelaar op de offertes die in die tijd zijn overhandigd. [naam 2] was namens [appellant 1] bij alle besprekingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] mochten er dan ook niet op vertrouwen dat [naam 1] een toezegging namens [appellant 1] kon doen, omdat [naam 2] niet aanwezig was bij een dergelijke toezegging.\n\n6.19.. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen. Het hof merkt in dit verband op dat de rol van [naam 1] tijdens de gesprekken waar [naam 2] en [naam 1] beiden bij aanwezig waren en de vraag hoe [naam 1] kennis kreeg van tijd en plaats waarop de gesprekken plaatsvonden (via [geïntimeerde 1] en\u002Fof [geïntimeerde 4] of anderszins) hierbij een belangrijke rol zullen spelen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kunnen – indien gewenst – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.\n\nGeen dwaling en geen onrechtmatige daad\n\n6.20.. Als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet slagen in het leveren van het hiervoor genoemde bewijs, komt niet vast te staan dat zij een afspraak met [appellant 1] hebben gemaakt over het kosteloos opzeggen van de overeenkomst. Zij moeten dan de boete betalen die [appellant 1] hun op grond van de algemene voorwaarden in rekening heeft gebracht. Voor dat geval hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich op het standpunt gesteld dat zij de overeenkomst met [appellant 1] hebben vernietigd omdat zij de overeenkomst hebben gesloten op basis van een onjuiste voorstelling van zaken (artikel 6:228 lid 1 aanhef en sub a BW). Daarnaast hebben zij als gevolg van de dwaling schade geleden op basis van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Het hof zal deze verweren nu alvast beoordelen.\n\n6.21.. Het hof verwerpt deze verweren en licht dat als volgt toe.\n\n6.22.. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] hen niet duidelijk en correct ingelicht over (i) het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, (ii) de niet-marktconforme prijzen voor de zonnepanelen en (iii) de onmogelijkheid om via Liander een aansluiting grootverbruik te regelen. Deze verwijten gaan niet op. Het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, staat vermeld in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst. Zoals hiervoor is overwogen, hadden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gelegenheid voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hiervan kennis te nemen. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een overeenkomst als deze niet kosteloos kan worden geannuleerd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hadden hier dus op bedacht moeten zijn. Verder hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd dat de prijs die zij in mei 2022 met [appellant 1] zijn overeengekomen, niet marktconform was. Het enkele feit dat de prijzen in de markt volgens hen een jaar later een stuk lager lagen, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat [appellant 1] heeft toegezegd dat een aansluiting grootverbruik haalbaar zou zijn. Volgens hun eigen stellingen heeft [naam 1] – en dus niet [appellant 1] – hen geadviseerd grootverbruik aan te vragen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zelf een aanvraag voor een aansluiting grootverbruik ingediend bij Liander. Het regelen van een aansluiting grootverbruik viel dus onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat volgt ook uit de offertes, waarin een dergelijke aanvraag niet staat in de lijst van werkzaamheden die [appellant 1] zou verrichten.\n\n6.23.. Dit alles brengt mee dat van onjuiste mededelingen van de kant van [appellant 1] – en dus van dwaling als gevolg daarvan – geen sprake is. Evenmin is om deze redenen sprake van een onrechtmatige daad door [appellant 1] .\n\nSlotsom\n\n6.24.. De slotsom luidt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren als hiervoor in 6.12 en 6.19 vermeld. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. laat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] toe tot het leveren van het bewijs (i) dat [naam 1] hun mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen en (ii) van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om die toezegging namens [appellant 1] te doen;\n\n7.2.. verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2026 voor het eventueel in het geding brengen van nadere bewijsstukken door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] ;\n\n7.3.. bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] getuigen willen laten horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. Y. Steeg-Tijms, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 in Amsterdam op een nog te bepalen dag en uur;\n\n7.4.. bepaalt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in dat geval uiterlijk op 9 juni 2026 aan het (enquêtebureau van het) hof moeten laten weten op welke dagen partijen, hun advocaten en de getuigen in de periode beschikbaarzijn in de periode juni tot en met september 2026, en daarbij de namen van de getuigen moeten doorgeven;\n\n7.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, Y. Steeg-Tijms en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1366","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.245Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":195,"fullText":196,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":197,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":63,"updatedAt":198},"1518","ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","ecli-nl-rbams-2026-6559","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 en C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 (gevoegd)\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaken van\n\n [eiser] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. I. Soetens,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. A. Das Gupta.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 juli 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord, met producties,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.2.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 blijkt uit:\n\n- het vonnis in het incident van 21 januari 2026 waarin deze procedure is gevoegd met de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] was voorheen via [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. indirect aandeelhouder van twee derde deel van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. ([bedrijf 3]). Bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 1] ([naam 1]). Een deel van de aandelen in [bedrijf 2] werd ook gehouden door Vermes B.V. (Vermes).2.2.. In 2018 heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) [naam 1] gewezen op de verwerving van vijf online spellen en daartoe heeft [naam 1] (via [gedaagde]) [bedrijf 3] overgenomen. [bedrijf 3] is actief in de branche van online spellen en casino’s.\n\n2.3.. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] is mevrouw [naam 3]. [naam 2] (de echtgenoot van [naam 3]) heeft als consultant (via [eiser]) en als werknemer inkomsten gegenereerd bij [bedrijf 3], na de overname van [bedrijf 3] door [gedaagde].\n\n2.4.. Op 26 juli 2024 hebben [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (samen met andere verkopers) hun aandelen in [bedrijf 3] verkocht aan de Japanse onderneming SegaSammy. Op die dag zijn [bedrijf 2] en SegaSammy ook een earn-out agreementaangegaan.\n\n2.5.. \n\nDe adviseurs van [eiser] en [gedaagde] zijn daarna met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de relatie tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] is vertegenwoordigd door adviseur [naam 4] ([naam 4]) van Strava Advies B.V. en [gedaagde] door adviseur\n\n [naam 5] ([naam 5]) van BDO Nederland. De achtergrond van deze gesprekken was onder meer dat [eiser] zou gaan meedelen in een deel van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3].\n\n2.6.. Op 27 augustus 2024 heeft [naam 5] namens [gedaagde] aan [naam 4] onder meer gemaild dat bij de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus uit de verkoopopbrengst van de [bedrijf 3] aandelen ook de nabetaling vanuit de escrowwordt gedeeld.\n\n2.7.. \n\nOnder bemiddeling van advocaat mr. L.V. Claassens (Claassens) hebben de adviseurs van [eiser] en [gedaagde] op 28 oktober 2024 met elkaar gesproken. Op 29 oktober 2024 heeft Claassens een gespreksverslag opgesteld. Dat verslag is per e-mail gestuurd naar [naam 4] en [naam 5]. In het verslag staat onder meer:\n\n“(…)\n\nGisteren hebben jullie opnieuw bij mij op kantoor met elkaar gesproken. Daarbij zijn de punten besproken die partijen verdeeld houden, voor zover nog aanwezig.\n\nOnder voorbehoud van goedkeuring van de (rechts)personen die jullie vertegenwoordigen, zijn de navolgende afspraken gemaakt. Op bepaalde onderdelen dient nog nadere uitwerking plaats te vinden. Dat zal in principe gebeuren in onderling overleg tussen [naam 4] [[naam 4]] en [naam 5] [[naam 5]].\n\nZij zullen eveneens de inhoud van de concept incentive-overeenkomst nader met elkaar afstemmen en, voor zover aan de orde, aanpassen. (…)\n\nDe afspraken op hoofdlijnen luiden als volgt:\n\nIncentive\n\n(…)\n\nVoor de goede orde wordt opgemerkt dat een gedeelte van de verkoopopbrengst in escrow zal blijven. (…) De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.\n\n(…)\n\nVerrekening bedrag ad € 135.000,00\n\nIndien overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SammySega plaatsvindt op basis van de condities van de getekende SPA en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, kan er door [gedaagde] een bedrag ad € 135.000,00 verrekend worden met het incentive-bedrag, althans daarop in mindering worden gebracht. Anders gezegd, dit gedeelte van de incentive wordt betaald middels verrekening, zodat er effectief een bedrag ad € 135.000,00 minder aan [eiser] wordt overgemaakt.\n\n(…)\n\nBij deze het verzoek aan [naam 4] en [naam 5] om per email aan elkaar te bevestigen dat de familie [naam 2] en [naam 6] akkoord zijn met de afspraken zoals in deze mail zijn weergegeven.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n [naam 4] heeft dezelfde dag aan Claassens en [naam 5] geschreven dat zijn achterban ([eiser]) akkoord is en [naam 5] namens [gedaagde] later die dag aan Claassens en [naam 4] ‘Bij deze ook mijn akkoord’.\n\n2.9.. Daarna hebben de adviseurs van partijen met elkaar contact gehad over de nog te sluiten incentive overeenkomst.\n\n2.10.. \n\nIn dit kader heeft [naam 4] (namens [eiser]) op 11 november 2024 aan [naam 5] ([gedaagde]) onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nBerekening incentive\n\nOp basis van alle correspondentie over en weer kom ik tot de volgende formule voor de berekening van de incentive:\n\n1\u002F3e maal het eigen vermogen van [bedrijf 2] [[bedrijf 2]] zoals dat zal luiden direct na closing\n\nVerminderd met 1\u002F3e deel van het in RBH gestorte aandelenkapitaal van €.300,==\n\nVermeerderd met 1\u002F3e van de eventueel door [bedrijf 2] vanaf datum oprichting tot aan het moment van closing uitgekeerde dividenden\n\nVermeerderd met €.402.933,==\n\nVermeerderd met 21% BTW\n\nMet de op basis van bovenstaande uitgangspunten berekende factuur worden vervolgens verrekend de lening van €.1.425.316,48 alsmede de lening van €.402.933,==\n\nGraag akkoord bij deze berekening zodat ik de incentive-overeenkomst kan finaliseren.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\n [gedaagde] en [eiser] hebben op 13 november 2024 een incentive overeenkomst gesloten waarin onder meer staat:\n\n “(…)\n\nOVERWEGINGEN:\n\nA. [gedaagde] is middellijk houder van het merendeel van de aandelen in het\n\n aandelenkapitaal van [bedrijf 3] BV (“[bedrijf 3]”).\n\n(…)\n\nI. Medio 2024 is er met één van die partijen, het Japanse SegaSammy een koopovereenkomst (…) tot stand gekomen over de verkoop en levering van (100% van de aandelen in het aandelenkapitaal van) [bedrijf 3] aan SegaSammy (de ‘Transactie’).\n\n(…)\n\nK. [eiser] is geen aandeelhouder van [bedrijf 3]. Zij kan derhalve geen enkel (financieel) recht ontlenen aan de verkoop van [bedrijf 3].\n\nL. [gedaagde] is van mening dat [eiser] in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van [bedrijf 3]. Zij is niet alleen degene geweest die [gedaagde] destijds heeft gewezen op de zakelijke opportunity om [bedrijf 3] over te nemen, maar [eiser] heeft ook haar bijdrage geleverd aan de groei en ontwikkeling van de onderneming, welke er mede toe heeft geleid dat [bedrijf 3] (met winst) is verkocht aan SegaSammy. Zonder [eiser] zou dit waarschijnlijk niet hebben kunnen plaatsvinden.\n\nM. [gedaagde], althans haar middellijk aandeelhouder de heer [naam 1], voelt zich om die reden moreel verplicht om [eiser] financieel te laten meeprofiteren van het behaalde succes in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus, een incentive (…) aan [eiser], uiteraard mits de Transactie daadwerkelijk wordt geeffectueerd.\n\n(…)\n\nPARTIJEN ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:\n\n1. Incentive1.1.. Onder de voorwaarde dat de Transactie wordt geëffectueerd en de verkoopopbrengst door [gedaagde], althans een vennootschap waarvan [gedaagde] (middellijk) aandeelhouder of gelieerde is, is ontvangen, heeft [eiser] recht op een eenmalige Incentive, te betalen door [gedaagde] aan [eiser].1.2.. De hoogte van de Incentive bedraagt 33,33% van het eigen vermogen van [bedrijf 2] B.V. zoals dat zal luiden direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie, verminderd met één derde deel van het in [bedrijf 2] B.V. gestorte aandelenkapitaal ten bedrage van € 300,== en vermeerderd met één derde deel van eventuele dividenden vastgesteld vanaf datum oprichting van [bedrijf 2] B.V. tot en met de dag van ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie. De op basis van de voorgaande volzin berekende Incentive zal worden vermeerderd met € 402.933,==, het totaalbedrag vervolgens te vermeerderen met BTW.1.3.. \n\n [gedaagde] zal binnen 2 werkdagen nadat de Transactie is afgerond en de verkoopopbrengst door [bedrijf 2] B.V. is ontvangen, [eiser] hierover per email informeren. [gedaagde] zal binnen 7 werkdagen na afronding van de Transactie de tussentijdse balansen laten opstellen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Dan zullen binnen 7 werkdagen na het opstellen van de tussentijdse balansen via buitengewone aandeelhoudersvergaderingen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. dividendbesluiten worden genomen voor het volledig uitkeerbare bedrag (…). Het Incentive bedrag, zulks vergezeld van de balans van [bedrijf 2] B.V. per datum van de closing (de Transactie), zal binnen 2 werkdagen nadat het dividend is vastgesteld worden uitbetaald op door [gedaagde] te ontvangen factuur (…).\n\n(…)1.5 (…). \n\n(…) Indien aan deze voorwaarden is voldaan, zal [gedaagde] het resterende factuurbedrag\n\nuiterlijk binnen twee werkdagen voldoen aan [eiser], zonder enige vorm van verrekening of anderszins een achterhouding van gelden.\n\n (…)1.7. \n\nEen eventuele betaling aan [gedaagde], althans een vennootschap waarvan zij (middellijk)\n\n aandeelhouder of gelieerde is, uit hoofde van een met SegaSammy overeengekomen\n\n earn-out-regeling komt volledig aan [gedaagde] toe. [eiser], incl. haar bestuurder en\n\n medewerkers, is daartoe op geen enkele wijze gerechtigd.\n\n (…)”\n\n2.12.. Op 25 april 2025 zijn de aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 3] overgedragen aan SegaSammy.\n\n2.13.. \n\nOp 6 mei 2025 heeft [naam 5] namens [gedaagde] een document genaamd afwikkeling incentive overeenkomst(hierna: de afwikkelovereenkomst) gestuurd aan [naam 4] ([eiser]).\n\nIn de begeleidende e-mail schrijft [naam 5] onder meer:\n\n“(…) Ik heb Lars [Claassens] gevraagd ons te berichten over het bedrag van € 135.000. Deze heb ik er nu in gelaten (is afgetrokken van incentive). (…)”\n\n2.14.. \n [eiser] heeft de afwikkelovereenkomst niet voor akkoord getekend. In de voorgestelde afwikkelovereenkomst staat onder meer dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot een additioneleincentive, zijnde 1\u002F3e deel van het werkelijk ontvangen bedrag.\n\n2.15.. \n [eiser] heeft op 21 mei 2025 een factuur gestuurd aan [gedaagde], voor een bedrag van € 11.824.968,00. [gedaagde] heeft daarna in deelbetalingen totaal € 11.705.422 aan [eiser] voldaan.\n\n2.16.. \n\nOver de aandelentransactie zijn geschillen ontstaan. Uiteindelijk hebben [bedrijf 2], SegaSammy, [gedaagde], [naam 1] en [bedrijf 3] een Termination and Settlement Agreement(Vaststellingsovereenkomst) gesloten op 22 juli 2025, ter beslechting van de geschillen. In artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang:\n\n“(…) In full and final settlement of the Dispute and subject to the termination of the EOA in accordance with Clause 3, the Parties hereby agree that SSC [SegaSammy] shall pay to [bedrijf 2] a fixed amount of EUR 5,000,000 (…) (the Settlement Amount), (…) however subject to the terms and conditions of this Agreement. The Settlement Amount shall qualify as a deferred purchase price payment under the SPA payable by SSC to [bedrijf 2] for the Shares (as defined in the SPA) sold and transferred by [bedrijf 2] to SCC. (…)”\n\n2.17.. \n [eiser] heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [gedaagde] beslag gelegd onder ING Bank, de Belastingdienst en [bedrijf 3].\n\n3. Het geschil\n\nC\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:\n\nI. € 119.546,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 dan wel 26 juni 2025 dan wel vanaf 4 juli 2025;\n\nII. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.970,46, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nIII. de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nIV. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten van [gedaagde].\n\nC\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n3.3.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen:\n\nten aanzien van de nabetaling op de koopprijs\n\nprimair\n\nI. aan [eiser] € 1.666.667,00 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2015, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nsubsidiair\n\nII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van € 5.000.000,00 voldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\ni. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\nii. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nten aanzien van de escrow\n\nIII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van de escrowvoldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\niii. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\niv. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 19 december 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nIV. tot het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.675,00, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nV. om aan [eiser] de beslagkosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nVI. om aan [eiser] de proceskosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] (tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat in deze procedure niet om een volledige proceskostenveroordeling wordt gevraagd). Ook verzoekt [gedaagde] om een eventuele veroordeling van haar niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVooraf in beide zaken\n\n4.1.. \n\nPartijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over een door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy. De achtergrond van die afspraken is kort gezegd dat de heer [naam 2] (via [eiser]) een rol heeft gehad in het succes en de groei van [bedrijf 3]. [gedaagde] (haar bestuurder de heer [naam 1]) wilde [eiser] daarvoor belonen.\n\nDe adviseurs van partijen hebben overleg met elkaar gehad en hun afspraken zijn eerst vastgelegd in het zogeheten gespreksverslag van mr. Claassens van 28 oktober 2024 (2.7). Tussen partijen staat vast dat de afspraken daarin bindend zijn. De adviseurs van partijen hebben namens [eiser] en [gedaagde] op 29 oktober 2024 ingestemd met de afspraken die staan in het gespreksverslag. De adviseurs van partijen hebben vervolgens overleg gehad over de incentive overeenkomst waarna die overeenkomst tot stand is gekomen op 13 november 2024. Daarin is onder meer vastgelegd op welke manier de bonus (incentive) van [gedaagde] aan [eiser] moet worden berekend en gefactureerd. [gedaagde] heeft na de aandelenoverdracht een uitkering gedaan aan [eiser]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet aan al haar verplichtingen voldaan. [eiser] vordert dat [gedaagde] de verplichtingen die zij heeft op grond van de afspraken die partijen hebben gemaakt, alsnog nakomt: (i) [gedaagde] heeft ten onrechte een bedrag verrekend en moet het verrekende bedrag uitkeren aan [eiser], (ii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens het ontvangen van een nabetaling op de koopprijs en (iii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens de vrijgekomenescrow. [gedaagde] meent dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer moet betalen aan [eiser].\n\nPartijen geven voor de drie vorderingen die [eiser] heeft ingesteld elk een andere uitleg aan hun afspraken - het gespreksverslag en de incentive overeenkomst - en aan hoe die twee documenten zich tot elkaar verhouden. Die afspraken moeten daarom worden uitgelegd. Bij de uitleg komt het niet alleen aan op de letterlijke tekst van de op schrift gestelde afspraken, maar ook op wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij speelt in dit geval ook mee dat beide partijen beroepsmatig bij de contractuele relatie zijn betrokken en dat zij zijn bijgestaan door professionele adviseurs.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\nMocht [gedaagde] een bedrag van € 119.546,00 verrekenen: ja\n\n4.2.. Op 29 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] met elkaar afgesproken dat als overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SegaSammy plaatsvindt en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, [gedaagde] een bedrag van € 135.000,00 mag verrekenen met hetincentivebedrag. De achtergrond hiervan was het bestaan van een schuld van [naam 2]\u002F[eiser] aan [bedrijf 3]. De verrekening staat in het gespreksverslag waarmee beide partijen akkoord zijn gegaan. Na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy heeft [gedaagde] aan [eiser] deincentivebetaald, nadat zij daarop een bedrag van € 119.546,00 heeft ingehouden (het bedrag van € 135.000,00 dat later is bijgesteld). Hierna zal blijken dat [gedaagde] dat mocht doen.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] niet mocht verrekenen. Dat is uitgesloten in artikel 1.5 van de incentive overeenkomst. Na het akkoord op het gespreksverslag is de verrekening onderwerp van gesprek geweest bij de onderhandelingen over de incentive overeenkomst. Partijen hebben toen andere afspraken gemaakt over de verrekening en die afspraken zijn daarna vastgelegd in de incentive overeenkomst. Ook uit de berekening die adviseur [naam 4] namens [eiser] heeft gemaakt (2.10) en waarin de verrekening niet terugkomt, kan worden afgeleid dat partijen de eerder gemaakte afspraak over het verrekenen hebben aangepast, aldus [eiser].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert hiertegen aan dat de afspraak over het verrekenen uit het gespreksverslag nadien niet is gewijzigd. [gedaagde] heeft haar aanspraken op grond van het gespreksverslag niet prijsgegeven. De incentive overeenkomst bevat geen bepalingen die het gespreksverslag op dit punt vervangen. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst staat niet in de weg aan de verrekening. Dat artikel ziet op de situatie dat betalingen die feitelijk nog door [gedaagde] dienen te worden gedaan niet verrekend kunnen worden of kunnen worden achtergehouden. Na het gespreksverslag is de verrekening zoals die staat in het gespreksverslag niet meer aan de orde gesteld, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. \n [eiser] en [gedaagde] zijn op 29 oktober 2024 overeengekomen dat [gedaagde] bij het voldoen van de incentiveaan [eiser] nog een bedrag mocht verrekenen. Volgens [eiser] is vervolgens opnieuw onderhandeld over de verrekening. [gedaagde] betwist dit. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] niet concreet gemaakt dat de verrekening na 29 oktober 2024 tussen partijen (dan wel hun adviseurs) aan de orde is gesteld en dat partijen daarover toen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Zo is niet duidelijk gemaakt wie met een voorstel tot het wijzigen van de afspraak over het verrekenen van € 135.000,00 kwam, wanneer een dergelijk voorstel is gedaan en ook niet wat de adviseurs op dat punt concreet met elkaar hebben besproken. Verder hebben de adviseurs meerdere e-mails met elkaar gewisseld in de periode tussen 29 oktober 2024 en het ondertekenen van de incentive overeenkomst en in die e-mails staat niets over het terzijde schuiven van de verrekening. Het ligt voor de hand dat dit onderwerp, dat volgens beide partijen een belangrijk geschilpunt was, ook in de e-mails ter sprake zou zijn gebracht, vooral in het geval dat (zoals [eiser] betoogt) de daarover gemaakte afspraak kwam te vervallen. Dat is niet gebeurd. Adviseur [naam 4] heeft in zijn e-mail van 11 november 2024 namens [eiser] uitgelegd hoe deincentivemoet worden berekend. [eiser] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat wegens het ontbreken van de verrekening in die berekening, de verrekening van € 135.000 alsnog werd uitgesloten. De berekening van deincentivegaat vooraf aan de verrekening. De berekening zegt op zichzelf dan ook niets over het al dan niet verrekenen.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft dus niet voldoende onderbouwd dat partijen ná het akkoord op het gespreksverslag hebben afgesproken dat de verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] zoals die staat in het gespreksverslag zou komen te vervallen. Ook artikel 1.5 van de incentive overeenkomst waarin staat dat verrekening is uitgesloten, maakt niet dat [eiser] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de eerder gemaakte afspraak van tafel was. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst is een algemene bepaling en de verrekening uit het gespreksverslag bevat een specifieke afspraak. Nu niet is gebleken dat die specifieke afspraak nog ter discussie is gesteld en ook niet dat partijen akkoord zijn gegaan met het wijzigen van die afspraak, kan [eiser] aan artikel 1.5 niet het vertrouwen ontlenen dat partijen hebben bedoeld ook de verrekening van het bedrag van € 135.000 onder die bepaling te laten vallen.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.7.. Dit betekent dat [gedaagde] mocht overgaan tot verrekening en dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Daartoe voert [gedaagde] aan dat [eiser] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden door in de dagvaarding te zwijgen over de onderhandelingen en het akkoord tussen partijen over het gespreksverslag. [eiser] heeft ook in strijd met de waarheid gehandeld door te knippen en te plakken uit het gespreksverslag, daaruit de pagina over de verrekening weg te laten, dit stuk in te dienen en te doen alsof het stuk is opgesteld door Claassens, hetgeen niet zo is.\n\n4.9.. Toewijzing van de werkelijke proceskosten is denkbaar in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatige daad. Hierbij past terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). [eiser] heeft toegelicht waarom bij de dagvaarding niet het originele gespreksverslag is overgelegd, maar een bewerkte versie waarmee is geprobeerd een te ondertekenen versie te maken van het gespreksverslag. Alhoewel juist is dat [eiser] al in de dagvaarding had moeten laten zien dat de adviseurs namens partijen akkoord zijn gegaan met het gespreksverslag, is van misbruik van recht of onrechtmatige daad geen sprake. [eiser] heeft een stuk met daarin de afspraken overgelegd en dat stuk is qua inhoud hetzelfde als de e-mail van Claassens van 28 oktober 2024, bij de stukken die de rechtbank heeft gekregen ontbreekt niet de pagina over de verrekening en [eiser] heeft later in de procedure erkend dat partijen hebben ingestemd met de afspraken uit het gespreksverslag. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.\n\n4.10.. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n4.11.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n [eiser] maakt geen aanspraak op een deel van de nabetaling\n\n4.12.. Op 22 juli 2025 hebben (onder meer) [gedaagde] en SegaSammy met de Vaststellingsovereenkomst (2.16) een schikking bereikt op grond waarvan door SegaSammy aan [bedrijf 2] een nabetaling van € 5.000.000,00 is gedaan. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of een derde deel van die nabetaling nog moet worden betaald aan [eiser]. [eiser] vindt dat de schikking een nabetaling op de koopprijs inhoudt en dat zij daarom aanspraak maakt op een deel van de nabetaling. [gedaagde] ziet dat anders. Hierna komt de rechtbank tot het oordeel dat aan [eiser] niet een deel van de nabetaling toekomt. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.13.. \n [eiser] stelt dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst de betaling door Segasammy aan [bedrijf 2] is aangemerkt als nabetaling op de koopprijs van de aandelen (‘deferred purchase price payment’). De afspraak was dat partijen alledrie ([eiser], [gedaagde] en Vermes die ook een deel van de aandelen in [bedrijf 3] hield) zouden profiteren van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3]. Nu de koopprijs door de nabetaling aan [bedrijf 2] achteraf is aangepast, moet [gedaagde] de incentive overeenkomst nakomen en alsnog een deel afdragen aan [eiser]. Aanvullend is sprake van onvoorziene omstandigheden (partijen hebben niet voorzien in een aanpassing van de koopprijs) en doet [eiser] een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.14.. \n [gedaagde] voert hiertegen het volgende aan. Voor de hoogte van de uitkering door [gedaagde] aan [eiser] is het peilmoment uit artikel 1.2 van de incentive overeenkomst relevant. Uit onderdeel M van die overeenkomst volgt dat het gaat om een onverplichte uitkering die eenmalig is. Daarnaast heeft de betaling uit de Vaststellingsovereenkomst van € 5.000.000,00 geen effect op de hoogte van de koopsom. De Vaststellingsovereenkomst ziet uitsluitend op de verplichtingen van [naam 1] en zijn vennootschappen ten opzichte van SegaSammy; op afkoop van de managementovereenkomst en hoofdzakelijk op de afkoop van de Earn Out Agreement. De bewoordingen uit de Vaststellingsovereenkomst die erop zouden kunnen duiden dat de koopprijs is aangepast, hebben te maken met de fiscale deelnemingsvrijstelling. Van een aanpassing van de koopprijs is feitelijk geen sprake geweest. De overige verkopers hebben van de nabetaling geen profijt. Zij hebben geen bemoeienis gehad met deEarn Out Agreementof met de Vaststellingsovereenkomst, aldus [gedaagde].\n\n4.15.. Uit artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid dat de betaling aan [bedrijf 2] ziet op de beslechting van het geschil met SegaSammy en op de afwikkeling van de Earn Out Agreement(‘EOA’). [eiser] maakt geen aanspraak op (een deel van) deearn out, zo volgt uit artikel 1.7 van de incentive overeenkomst. In de Vaststellingsovereenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van [eiser] dat de betaling moet worden aangemerkt als een nabetaling op de koopprijs voor de aandelen. In dat licht kan de enkele omstandigheid dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat ‘deferred purchase price payment’dat niet anders maken. [gedaagde] heeft toegelicht dat die bewoordingen zijn gekozen vanwege de fiscale deelnemingsvrijstelling en [eiser] heeft dat niet concreet bestreden. [eiser] kan dan ook geen aanspraak maken op een deel van de nabetaling.\n\n4.16.. Het beroep van [eiser] op onvoorziene omstandigheden en op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan haar niet baten nu daaraan ten grondslag ligt dat de nabetaling onderdeel is van de koopprijs die SegaSammy heeft betaald voor de aandelen in [bedrijf 3]. Uit het voorgaande blijkt dat daarvan geen sprake is.\n\nDe inescrow gehouden bedragen vallen onder deincentive\n\n4.17.. Tussen partijen is tot slot in geschil of hun afspraken inhouden dat de incentiveook moet worden berekend over deescrow. De rechtbank komt tot de slotsom dat op grond van de afspraken [eiser] aanspraak maakt op een deel van het inescrowgehouden bedrag. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.18.. In het gespreksverslag staat onder het kopje ‘Incentive’ onder meer ‘De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.De bewoordingen van het gespreksverslag zijn duidelijk. Het bedrag dat vrijkomt uit deescrow, maakt deel uit van de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus. Dat heeft de adviseur van [gedaagde] ook voorafgaand aan het gespreksverslag aan de adviseur van [eiser] geschreven (2.6). Dat is het uitgangspunt. Het klopt dat deincentivenog nader zou worden uitgewerkt middels de incentive overeenkomst. Ook dat is opgenomen in het gespreksverslag. Dat betekent niet dat het gespreksverslag, zoals [gedaagde] aanvoert, volledig is vervangen door de incentive overeenkomst. Voor zover van de uitgangspunten in het gespreksverslag wordt afgeweken, is nodig dat partijen daarover overeenstemming bereiken. Partijen en hun adviseurs hebben in de periode tussen 29 oktober 2024 en het sluiten van de incentive overeenkomst op 13 november 2024 niet gesproken over deescrow. De situatie dat beide partijen akkoord zijn gegaan met een wijziging van de eerdere afspraak, doet zich niet voor. Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat in de incentive overeenkomst een verwijzing naar deescrowontbreekt, er niet toe leiden dat deincentivemoet worden berekend over de verkoopopbrengst exclusief deescrow. Daarvoor ontbreken feiten en omstandigheden op grond waarvan partijen ervan konden uitgaan of moesten begrijpen dat deescrowniet (meer) zou worden gedeeld.\n\n4.19.. Aan een nabetaling van de escrowstaat volgens [gedaagde] verder in de weg dat partijen zijn uitgegaan van één peilmoment (artikel 1.2 van de incentive overeenkomst) alsook van een eenmalig door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus (onderdeel M van de considerans). Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. In artikel 1.2 van de incentive overeenkomst staat welk deel van het eigen vermogen van [bedrijf 2] relevant is voor de hoogte van deincentive. Dat is het eigen vermogen direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom voor de aandelentransactie. In onderdeel M van de considerans van de incentive overeenkomst staat dat [gedaagde], althans [naam 1], zich moreel verplicht voelt om [eiser] financieel te laten meeprofiteren in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus (deincentive). Deze bepalingen in onderlinge samenhang geven weer dat deincentiveziet op enkel de verkoopopbrengst én dat zal worden uitgekeerd zodra de verkoopopbrengst is ontvangen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat als een betaling is gedaan door [gedaagde] aan [eiser] en daarna nog een deel van de verkoopopbrengst wordt ontvangen, die nabetaling op de koopprijs niet meer ter zake doet. Dat zou ook afbreuk doen aan de achterliggende afspraak dat [eiser] voor een derde deel deelt in het behaalde succes.\n\n4.20.. \n\nTot slot heeft [gedaagde] met het aan [eiser] aanbieden van de afwikkelovereenkomst bevestigd dat de incentiveook wordt berekend over deescrow. [gedaagde] heeft in dat document immers opgenomen dat zij een deel van deescrowdoorbetaalt aan [eiser].\n\nVolgens [gedaagde] was dit geen uitwerking van de bestaande afspraken maar een aanbod aan [eiser] voor een extra vergoeding in het licht van de spanningen die waren ontstaan met koper SegaSammy. De rechtbank ziet voor deze stelling geen ondersteuning. Onder punt 2 van de afwikkelovereenkomst staat dat partijen in het document de financiële verplichtingen vastleggen die zij uit hoofde van de incentive overeenkomst jegens elkaar hebben. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [gedaagde] met dit document heeft beoogd om de hoogte van de vergoeding die zij op grond van de eerder gemaakte afspraken aan [eiser] verschuldigd was in een overeenkomst vast te leggen. Daarmee heeft [gedaagde] bevestigd dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot 1\u002F3e deel van het ontvangen bedrag.\n\n4.21.. De slotsom is dat [gedaagde] ertoe is gehouden een deel van de in escrowgehouden bedragen uit te keren aan [eiser], overeenkomstig de in de incentive overeenkomst gemaakte afspraken. Een deel van het inescrowgehouden bedrag is inmiddels aan [gedaagde] uitgekeerd, zes maanden na 25 april 2025. Het laatste deel zal drie jaren na 25 april 2025 worden uitgekeerd. Betaling aan [eiser] zal plaatsvinden eerst nadat deescrowtot uitkering is gekomen, zo volgt uit het gespreksverslag. Dat betekent dat [gedaagde] ertoe is gehouden aan [eiser] een deel van het al uitgekeerde bedrag te betalen en dat zij in de toekomst een nabetaling zal moeten doen.\n\n4.22.. \n\n [eiser] vordert kort gezegd dat [gedaagde] haar de informatie geeft die nodig is om de hoogte van de incentiveuit hoofde van deescrowvast te stellen en dat [gedaagde] vervolgens na ontvangst van de factuur het gefactureerde bedrag betaalt, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 19 december 2025 althans vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot het geven van inzicht wordt op de wijze zoals in het dictum omschreven toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de reeds vrijgevallenescrowis niet weersproken en zal worden toegewezen, ook op de manier zoals in het dictum vermeld. De wettelijke handelsrente over de nog uit te kerenincentiveover deescrow(die vrijkomt drie jaren na 25 april 2025) is toewijsbaar vanaf het moment van het verstrijken van de betaaltermijn van de factuur.\n\nAan de veroordeling wordt een dwangsom gekoppeld die als volgt wordt bepaald en gemaximeerd.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.23.. De vorderingen van [eiser] onder I en II worden afgewezen. De vordering onder III wordt toegewezen op de hierna te melden wijze.\n\n4.24.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. De kosten moeten worden aangemerkt als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt en worden afgewezen.\n\n4.25.. \n [eiser] vordert tevens vergoeding van de beslagkosten. De conservatoire beslagen zijn gelegd voordat de vermeerdering van eis met betrekking tot de escrowwerd ingesteld. De beslagen zien op de vorderingen tot het betalen van het verrekende bedrag en tot het vergoeden van de nabetaling. Die vorderingen worden afgewezen. Daarom bestaat geen grond voor het vergoeden van de beslagkosten.\n\n4.26.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\n4.27.. \n [gedaagde] is voor een deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Bij de berekening wordt één punt toegekend voor de akte vermeerdering van eis en één punt voor de mondelinge behandeling. Voor de dagvaarding wordt geen punt toegekend (met uitzondering van de kosten van de dagvaarding), omdat de daarmee ingeleide vordering niet is toegewezen. Voor de hoogte van de proceskosten zal aansluiting worden gezocht bij het tarief ‘onbepaalde waarde’, omdat de vordering strekt tot het geven van inlichtingen en betaling van een nader te bepalen bedrag en niet tot veroordeling van een al vaststaand bedrag. Het door [gedaagde] te vergoeden griffierecht wordt ook bijgesteld naar het tarief ‘onbepaalde waarde’. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n119,40\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.328,40\n\n4.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.29.. \n [gedaagde] heeft gevraagd om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet toe te staan en zij heeft daarbij gewezen op een restitutierisico. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat op een (eventueel) rechtsmiddel is beslist. [eiser] heeft belang bij betaling van het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst. [gedaagde] stelt dat sprake is van een ernstig restitutierisico, omdat [naam 2] grote geldbedragen vergokt, maar dit is niet van een concrete toelichting voorzien. Verder is daarmee niet gegeven dat wat betreft [eiser] sprake is van een ernstig restitutierisico. De vordering om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n5.1.. wijst de vorderingen af en\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde] ten aanzien van de escrowtot het verrichten van al die handelingen die op grond van de incentive overeenkomst noodzakelijk zijn om hetgeen op grond van de incentive overeenkomst is verschuldigd aan [eiser] voldaan te krijgen, waaronder wordt verstaan:\n\na. het met stukken inzichtelijk maken welk bedrag [eiser] kan factureren, voor zover het gaat om het al uitgekeerde escrowbedrag binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en voor zover het gaat om deescrowdie nog niet is vrijgevallen binnen veertien dagen nadat deescrowis uitgekeerd en\n\nb. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, waarbij het uit te keren deel dat ziet op de (ten tijde van het wijzen van dit vonnis) al uitbetaalde escrowwordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 19 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening en het uit te keren deel dat ziet op deescrowdie in de toekomst wordt uitgekeerd wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het moment dat de betaaltermijn van de factuur is verstreken tot aan het moment van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met het voldoen aan het onder 5.3 onder a en b bepaalde tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.328,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad en\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","2026-07-13T00:29:25.083Z",{"id":200,"ecli":201,"slug":202,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":203,"fullText":204,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":205,"sourceTimestamp":203,"parsedAt":63,"updatedAt":206},"1027","ECLI:NL:RBAMS:2026:4000","ecli-nl-rbams-2026-4000","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer: 11982362 \\ CV EXPL 25-16438\n\nVonnis van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: eiser,\n\ngemachtigde: R. Janssen en N. Chris (Stichting Rechtswinkel Bijlmermeer),\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: gedaagde,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 oktober 2025;\n\n- het proces-verbaal van 25 november 2025 van het mondeling antwoord;\n\n- het instructievonnis van 9 december 2025;\n\n- de dagbepaling mondelinge behandeling.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. Namens gedaagde is [naam] verschenen. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 26 juli 2025 is eiser bij gedaagde in de garage geweest en heeft een proefrit gemaakt met een Mini Countryman Cooper S (hierna: de auto). Eiser heeft toen een aanbetaling van € 1.000,00 gedaan aan gedaagde.\n\n2.2.. \n\nDiezelfde dag, heeft eiser in de middag het volgende Whatsappbericht gestuurd aan gedaagde:\n\n“Raar, sorry man, ik ga het toch afzeggen”.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Eiser vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde tot betaling van € 1.000,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. Eiser legt primair – samengevat – aan zijn vordering ten grondslag dat er geen rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen. Eiser heeft de aanbetaling onverschuldigd betaald. Subsidiair stelt eiser dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Meer subsidiair stelt eiser dat gedaagde onrechtmatig handelt door de aanbetaling zonder rechtsgrond onder zich te houden. Eiser stelt ten slotte dat gedaagde niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplichten.\n\n3.3.. Gedaagde voert verweer.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of gedaagde door eiser gedane aanbetaling van € 1.000,00 moet worden terugbetaald. Om deze vraag te beantwoorden, dient eerst te worden vastgesteld of er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, in dit geval een koopovereenkomst. Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen (artikel 7:1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Op grond van artikel 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding.\n\nEr is een koopovereenkomst tot stand gekomen\n\n4.2.. Vaststaat is dat er geen schriftelijke overeenkomst is. Anders dan eiser heeft gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat er een mondelinge koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen in de garage, dus binnen de verkoopruimte, van gedaagde. Gedaagde heeft op de zitting op zijn telefoon weliswaar een offerte laten zien, maar een offerte is geen schriftelijke overeenkomst. Uit de gedragingen van partijen volgt echter dat sprake is geweest van aanbod en aanvaarding. Eiser is naar de garage van gedaagde gegaan, heeft daar een proefrit met de auto gemaakt en heeft vervolgens aangegeven dat hij de auto wilde kopen. Aansluitend heeft eiser een aanbetaling van € 1.000,00 verricht. Partijen zijn daarbij een koopprijs van € 6.500,00 overeengekomen, welk bedrag alle kosten omvatte. Tevens is afgesproken dat nadere afspraken over de levering van de auto op een later moment zouden worden gemaakt. Omdat er een overeenkomst tot stand is gekomen is, faalt het beroep van eiser op onverschuldigde betaling.\n\n4.3.. Van een rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst door eiser is evenmin sprake. Voor een geslaagd beroep op ontbinding is een toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan de zijde van gedaagde vereist. Gesteld noch gebleken is dat van een dergelijke tekortkoming sprake is.\n\n4.4.. Evenmin is sprake van een onrechtmatige daad aan de zijde van gedaagde. Eiser heeft aangevoerd dat gedaagde het betaalde bedrag zonder rechtsgrond onder zich houdt. Dit betoog faalt, reeds omdat hiervoor is vastgesteld dat tussen partijen een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen, zodat een rechtsgrond voor de betaling aanwezig is. Van geleden schade bij eiser als gevolg van een onrechtmatige daad is dan ook geen sprake.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4.5.. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd.\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat uit de context van het sluiten van de overeenkomst voldoende blijkt dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van eiser dat niet voldaan is aan het vereiste om leveringsafspraken te maken. Eiser heeft de stelling van gedaagde, dat zij later nog afspraken zouden maken over de levering van de auto, niet weersproken.\n\nDe aanbetaling\n\n4.7.. Partijen berusten zich beiden in het feit dat de overeenkomst niet verder is uitgevoerd. Zij verlangen over en weer beiden geen nakoming. Nakoming is bovendien niet meer mogelijk, nu de betreffende auto door gedaagde inmiddels is verkocht aan een derde. Het gaat nu enkel nog om de vraag of gedaagde de door eiser gedane aanbetaling van € 1.000,- moet terugbetalen aan eiser.\n\n4.8.. Gedaagde stelt zich op het standpunt er geen reden was om de koop te annuleren en dat het beleid is dat aanbetalingen niet worden terugbetaald. Dit doet zij niet, omdat er kosten worden gemaakt voor het offline halen van de auto op verschillende platforms en dat kost per platform geld. Daarbij kunnen andere potentiële klanten dan niet meer reageren op de auto. Dit staat ook in de toepasselijke algemene voorwaarden die op tafel lagen toen de overeenkomst werd gesloten. Op grond van de algemene voorwaarden is eiser bij annulering van de koop 25% van de aanbetaling verschuldigd. Ter zitting heeft gedaagde nog aangevuld dat de kosten die hij gemaakt ongeveer € 750,00 bedragen. Huurder betwist dat hij de algemene voorwaarden heeft ontvangen.\n\n4.9.. Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd hoe hij de algemene voorwaarden ter hand heeft gesteld aan eiser en of deze voorwaarden ook door eiser zijn aanvaard. Tegenover de betwisting van eiser dat hij deze heeft ontvangen, had dit wel op de weg van gedaagde gelegen. Hier komt bij dat gedaagde de algemene voorwaarden waar hij een beroep op doet überhaupt niet heeft overgelegd in dit geding. De enkele stelling van gedaagde dat de voorwaarden op tafel lagen, is onvoldoende om aan te nemen dat de algemene voorwaarden van gedaagde van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst.\n\n4.10.. Dat betekent dat partijen niets zijn overeengekomen voor het geval dat de koop geannuleerd wordt door de koper. Nu beide partijen geen nakoming meer verlangen, moet worden bepaald welke gevolgen dit heeft voor de aanbetaling. De kantonrechter overweegt het volgende in dit kader.\n\n4.11.. Eiser heeft de auto gekocht en kort daarna zonder opgaaf van redenen per Whatsapp meegedeeld dat hij van de koop afzag. Hoewel eiser in beginsel niet gerechtigd was de tot stand gekomen koopovereenkomst te annuleren, heeft gedaagde geen nakoming van de overeenkomst gevorderd. Gedaagde heeft gemotiveerd toegelicht dat hij kosten heeft gemaakt ten behoeve van de verkoop van de auto. Hoewel er geen schriftelijke afspraak tussen partijen tot stand is gekomen op grond waarvan gedaagde die kosten kan verhalen op eiser, heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. In de gegeven omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat eiser gehouden is een vergoeding te betalen voor de door gedaagde gemaakte kosten als gevolg van het zonder rechtsgrond afzien van de koopovereenkomst, terwijl de koop (administratieve) kosten voor gedaagde heeft meegebracht. Bij gebreke van een nadere onderbouwing van deze kosten door gedaagde schat de kantonrechter deze kosten naar redelijkheid op 25% van de door eiser betaalde aanbetaling.\n\n4.12.. Dat betekent dat de gevorderde hoofdsom gedeeltelijk voor een bedrag van € 750,00 wordt toegewezen. De gevorderde rente is als onweersproken toewijsbaar vanaf 14 dagen na de sommatiebrief van 9 augustus 2025, dus vanaf 24 augustus 2025.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n4.13.. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Gedaagde, de schuldenaar, is geen consument. Eiser heeft nagelaten een omschrijving te geven van de voor eisers rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. Uit de door eiser ingediende stukken blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan eiser vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.4.14.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.\n\n61289","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4000","2026-07-13T00:28:59.946Z",{"id":208,"ecli":209,"slug":210,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":211,"fullText":212,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":213,"sourceTimestamp":214,"parsedAt":63,"updatedAt":215},"1014","ECLI:NL:GHAMS:2026:833","ecli-nl-ghams-2026-833","2026-03-24T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.358.870\u002F01 KG\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F365791\u002F KG ZA 25-327\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ngevestigd te [plaats 2] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. R. Bisschop te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\n [nummer 5] . [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. E. Hoekstra te Alkmaar.\n\nPartijen worden hierna ook [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. Gezamenlijk worden geïntimeerden aangeduid als [geïntimeerden]\n\n1. De zaak in het kort\n\nPartijen hebben een overeenkomst gesloten voor de koop en levering van onroerende zaken. Koper vordert onder meer de levering van de verkochte percelen. Verkopers weigeren levering van de percelen, omdat koper volgens hen is tekortgeschoten in de nakoming van een op haar rustende verplichting om zich in te spannen om op de percelen woningen te bouwen. Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat op koper niet een tot woningbouw strekkende inspanningsverplichting rust. Voor zover dat al anders zou zijn, is zij die verplichting nagekomen. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en veroordeelt verkopers tot - onder meer - aanbieding van de percelen aan de gemeente overeenkomstig het daarop gevestigde voorkeursrecht en, in het geval dat de gemeente van haar voorkeursrecht geen gebruik maakt, levering van de percelen aan koper.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellant] is bij dagvaarding van 27 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 30 juli 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis). Bij de appeldagvaarding heeft [appellant] haar oorspronkelijke eis gewijzigd. De appeldagvaarding bevat de grieven en daaraan zijn producties gehecht.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van antwoord;\n\n- de bij H3-formulier van 22 december 2025 ingediende akte wijziging van eis van [appellant] , die ter zitting van 5 februari 2026 is genomen.\n\nOp 5 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is toegelicht door de voornoemde advocaten en zijdens [geïntimeerden] ook door mr. J.W.L. Vader, advocaat te Alkmaar, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en nadere producties in het geding gebracht.\n\nTen slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nDe voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.12. de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere relevante feiten, zijn de feiten de volgende.\n\n3.1.. \n [geïntimeerde 1] is eigenaar van de onroerende zaken plaatselijk bekend als [straat 1] [nummer 1] , [straat 2] [nummer 2] en [nummer 3] en [straat 3] [nummer 4] te [plaats 1] . [geïntimeerde 2] is eigenaar van de onroerende zaken plaatselijk bekend als [straat 3] [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] te [plaats 1] .\n\n3.2.. \n [appellant] is een vastgoedontwikkelaar. Zij heeft op 5 mei 2021 per e-mail een voorstel gedaan voor de koop van de onder 3.1. genoemde percelen (hierna: de percelen). In dat voorstel staat onder meer:\n\nAfname van de grond van Stad Alkmaar bv vindt plaats na #1 het verkrijgen van onherroepelijke omgevingsvergunning en 2# de bedrijfsrelocatie van Stad Alkmaar bv naar [plek] . Dit met een uiterlijke termijn van eind 2024 waarna de grond onherroepelijk door [appellant] afgenomen zal worden.\n\n3.3.. Eind augustus 2021 hebben [appellant] en [geïntimeerden] een intentieovereenkomst gesloten. In deze intentieovereenkomst staat onder meer het volgende:\n\nLevering van het Verkochte door Verkoper aan Koper vindt plaats nadat aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\na. het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de door Koper beoogde ontwikkeling ter plaatse van het Verkochte (in koopovereenkomst nader te omschrijven); en\n\nb. het voltooien van de bedrijfsrelocatie van Verkoper naar de nieuwe locatie in [plek] ,\n\ndoch in alle gevallen uiterlijk op 31 december 2024.\n\n3.4.. Partijen hebben op 22 oktober 2021 een koopovereenkomst gesloten (verder: de koopovereenkomst) voor de koop van de percelen. In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende:\n\nIn aanmerking nemende dat:\n\nA. Koper een projectontwikkelaar gespecialiseerd in woningbouw is.\n\n(…)\n\nE. De Gemeente in de op 5 oktober 2017 vastgestelde Omgevingsvisie [plaats 1] 2040 de ambitie heeft verwoord om de Kanaalzone [plaats 1] te transformeren. Onderdeel van deze ambitie is de transformatie van bedrijventerrein Overdie. Deze gebiedsontwikkeling is grofweg onderverdeeld in twee deelgebieden, te weten Overdie Zeglis en De Driehoek. (…)\n\nDe Driehoek betreft de percelen grond gelegen binnen het gebied dat begrensd is door de straten de [straat 3] , de [straat 1] en de [straat 2] . Koers 2021 van de Gemeente voorziet op dit moment in 15.000 m2 BVO wonen en woonwerkwoningen in De Driehoek.\n\nF. Koper reeds koopovereenkomsten met betrekking tot enkele percelen grond op het bedrijventerrein Overdie heeft gesloten en in samenspraak met de Gemeente bezig is de transformatie van het bedrijventerrein naar gemengd woon\u002Fwerk gebied vorm te geven middels een door koper opgesteld stedenbouwkundig plan.\n\nG. Koper in dat licht interesse heeft getoond in de verwerving van het object met als doel het object te transformeren naar woonruimte. (…)\n\nHOOFDSTUK 3(…)\n\n1. Koopprijs\n\n1) De vaste koopprijs voor het object is EURO 5.150.000,- te vermeerderen met kosten koper.\n\n2) Deze vaste koopprijs zal met een vaste prijs van EUR 17.500,- worden verhoogd per extra woning\u002Fwoonwerkwoning, welke, geheel dan wel ten dele, ter plaatse van het object door of namens verkoper meer gerealiseerd wordt dan de thans voorziene 85 woningen en woonwerkwoningen op het perceel van het object.\n\n(…)\n\nHOOFDSTUK 7\n\n1. Akte en datum van overdracht\n\nDe akte van overdracht (juridische levering) wordt ondertekend bij de notaris op uiterlijk31 december 2024, of zoveel eerder als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\na. het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de door koper beoogde ontwikkeling ter plaatse van het object; en\n\nb. het voltooien van de bedrijfsrelocatie van verkoper naar de nieuwe locatie in [plek] .\n\n3.5.. De koopovereenkomst is op 1 april 2022 op onderdelen gewijzigd door middel van een allonge. In deze allonge staat onder meer het volgende:\n\n4. Akte en datum van overdracht4.1. In tegenstelling tot de genoemde datum van juridische levering in Artikel 1 van hoofdstuk 7 van de Koopovereenkomst wordt de akte van overdracht (juridische levering) ondertekend bij de notaris uiterlijk op vrijdag29 april 2026, of zoveel eerder als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\na. het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de door Koper beoogde ontwikkeling ter plaatse van het Object; en\n\nb. het voltooien van de bedrijfsrelocatie van Verkoper naar de nieuwe bedrijfslocatie in [plek] .\n\nIn geval op 29 april 2026 niet aan één of beide van voornoemde cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, treden Partijen in overleg over een mogelijke verlenging van deze datum waarbij bereidwillig naar de belangen van beide Partijen zal worden gekeken en op beide Partijen een inspanningsverplichting rust om tot een oplossing te komen.\n\n3.6.. De bedrijfsrelocatie van [geïntimeerde 1] naar [plek] heeft inmiddels plaatsgevonden.\n\n3.7.. De gemeente [plaats 1] heeft in een raadsinformatiebrief van december 2024 vermeld dat de ontwikkeling van Overdie naar een nieuwe woon-\u002Fwerkwijk afhankelijk is van de verplaatsing van twee bedrijven met een zware milieubelasting die daar nog aanwezig zijn. Zolang er geen zicht is op verplaatsing, is volgens de raadsinformatiebrief onzeker wanneer de realisatie van de nieuwe wijk tot stand kan komen.\n\n3.8.. Op 12 december 2024 heeft [appellant] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente [plaats 1] voor de bouw van bedrijfsunits op de percelen.\n\n3.9.. Bij brief van 12 mei 2025 heeft de gemeente [plaats 1] aan [appellant] - voor zover van belang - het volgende medegedeeld:\n\nOm te beoordelen of u belang hebt bij uw aanvraag hebben wij op 28 februari 2025 verzocht uw aanvraag aan te vullen. Meer in het bijzonder hebben wij verzocht om schriftelijke toestemming van de eigenaar van de grond waarop u voornemens bent te gaan bouwen. Uit het kadaster blijkt namelijk dat u nog geen eigenaar bent van de grond. Deze toestemming heeft u tot op heden niet aangeleverd. (…) Er is navraag gedaan bij de eigenaar van de grond of u toestemming hebt om het bouwplan waar de aanvraag op ziet te verwezenlijken. (…) De eigenaar heeft onder meer het volgende aangegeven.\n\n“Strekking en bedoeling van deze overeenkomsten was (en is dus nog steeds) dat de Grond door [appellant] zou worden getransformeerd naar woonruimte indachtig het plan ‘Koers 2021’. Ter realisatie van dit voornemen zou [appellant] een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouw van woningen aanvragen bij de gemeente [plaats 1] voor deze beoogde ontwikkeling.”\n\n“De laatste stand van zaken is thans, dat [appellant] – volkomen in weerwil en afwijking van de gemaakte afspraken – een bouwaanvraag heeft ingediend voor het realiserenvan bedrijfsunits.”\n\n“Overigens kan de Gemeente in onze ogen niets anders dan de nieuwe, afwijkende aanvraag afwijzen. Zoals de Gemeente immers zelf terecht aangeeft passen deze plannen niet bij de afspraken die eerder zijn gemaakt. En wij zijn het daar volledig mee eens.”\n\n(…)\n\nMet toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb stellen wij uw aanvraag buiten behandeling. U hebt ondanks herhaaldelijk verzoek van ons daartoe niet de toestemming aangeleverd van de eigenaar. (…) U bent geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aangezien uw bouwplan niet kan worden verwezenlijkt.\n\n3.10.. \n [appellant] heeft [geïntimeerden] bij brief van 13 mei 2025 verzocht aan de gemeente [plaats 1] te bevestigen dat zij de percelen aan [appellant] zullen overdragen en dat het [appellant] na de overdracht vrij staat bedrijfsunits op de percelen te realiseren. Dit hebben [geïntimeerden] niet gedaan.\n\n3.11.. Op 16 mei 2025 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente [plaats 1] om haar vergunningsaanvraag buiten behandeling te stellen. Op 11 juli 2025 heeft de gemeente [plaats 1] het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\n3.12.. Op 20 en 22 mei 2025 heeft [appellant] , met verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir leveringsbeslag op de percelen gelegd.\n\n3.13.. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst op 23 juni 2025 op de voet van artikel 9.9 Omgevingsrecht doen inschrijven in de openbare registers.\n\n3.14.. De Gemeenteraad van de gemeente [plaats 1] heeft op 20 november 2025 besloten om op de voet van artikel 9 lid 1 sub b Omgevingswet een voorkeursrecht op de percelen te vestigen. Het voorkeursrecht is op 25 november 2025 ingeschreven in de openbare registers.\n\n4. Eerste aanleg\n\n4.1.. \n\n [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd - samengevat - dat de voorzieningen-rechter:\n\nI. [geïntimeerden] veroordeelt om de percelen uiterlijk op 29 april 2026 aan [appellant] te leveren, of zoveel eerder als een onherroepelijke omgevingsvergunning is verkregen voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen, op straffe van een dwangsom;\n\nII. [geïntimeerden] gebiedt om schriftelijk aan de gemeente te verklaren dat het [appellant] na overdracht van de percelen is toegestaan om bedrijfsunits op de percelen te realiseren, op straffe van een dwangsom;\n\nIII. [geïntimeerden] gebiedt zich te onthouden van gedragingen die het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen kunnen belemmeren, op straffe van een dwangsom;\n\nIV. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt in de beslagkosten;\n\nV. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten, te vermeerderen rente.\n\n4.2.. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat hij niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan oordelen dat de rechter in een bodemprocedure van oordeel zal zijn dat de koopovereenkomst geen verplichting voor [appellant] inhoudt om woningen te realiseren op de percelen. De voorzieningenrechter heeft verder overwogen dat hij er niet van overtuigd is dat de realisatie van woningen op de percelen niet mogelijk zal zijn, mede gelet op de inhoud van het recent verschenen concept ontwikkelkader van de gemeente [plaats 1] . De voorzieningen-rechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] daarom niet gehouden zijn om tegenover de gemeente te verklaren dat [appellant] op de percelen bedrijfsunits mag realiseren, noch dat haar verboden moet worden gedragingen te verrichten die de afgifte van een omgevingsvergunning daarvoor zouden kunnen belemmeren. Ook heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien om [geïntimeerden] al te veroordelen om de percelen aan [appellant] te leveren. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.\n\n5. Het hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Zij heeft in hoger beroep tweemaal haar eis gewijzigd; eerst in de appeldagvaarding en nogmaals bij akte wijziging eis. Na deze laatste wijziging luidt haar eis, samengevat, als volgt:\n\nPrimair:\n\nI. veroordeling van [geïntimeerden] om de percelen uiterlijk op 29 april 2026 aan [appellant] te leveren of zoveel eerder als een onherroepelijke omgevingsvergunning is verkregen voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen;\n\nII. te bepalen dat het arrest in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [geïntimeerden] die vereist zijn voor de levering van de percelen aan [appellant] , als [geïntimeerden] aan de veroordeling onder I. geen gevolg geven;\n\nSubsidiair, voor het geval op 29 april 2026 nog geen arrest is gewezen:\n\nIII. [geïntimeerden] te veroordelen de percelen aan [appellant] te leveren binnen zeven dagen na betekening van het arrest;\n\nIV. te bepalen dat het arrest in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [geïntimeerden] die vereist zijn voor de levering van de percelen aan [appellant] , als [geïntimeerden] aan de veroordeling onder III. geen gevolg geven;\n\nMeer subsidiair:\n\nV. [geïntimeerden] te veroordelen het bevoegd gezag van de gemeente [plaats 1] schriftelijk uit te nodigen om in onderhandeling te treden over vervreemding van de percelen aan de gemeente [plaats 1] en diezelfde dag afschrift van de uitnodiging aan de gemeente [plaats 1] aan [appellant] te sturen, uiterlijk op 29 april 2026, of zoveel eerder als een onherroepelijke omgevingsvergunning is verkregen voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen, op straffe van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 100.000,- per dag dat [geïntimeerden] daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 10.000.000,- en binnen twee weken vanaf de dag waarop het bevoegd gezag heeft beslist dat het niet bereid is de percelen te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen, of binnen twee weken na het verstrijken van de in artikel 9.13 Omgevingswet bedoelde termijn als het bevoegd gezag niet tijdig een beslissing heeft genomen, de percelen aan [appellant] te leveren;\n\nVI. te bepalen dat het arrest in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [geïntimeerden] die vereist zijn voor de levering van de percelen aan [appellant] , als [geïntimeerden] aan de veroordeling onder V. geen gevolg geven;\n\nIn alle gevallen:\n\nVII. [geïntimeerden] te gebieden om binnen twee dagen na het arrest schriftelijk aan de gemeente [plaats 1] te verklaren dat het [appellant] na overdracht van de percelen is toegestaan om bedrijfsunits op de percelen te realiseren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat [geïntimeerden] daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 10.000.000,-;\n\nVIII. [geïntimeerden] te gebieden zich te onthouden van gedragingen die het verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen kunnen belemmeren, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag dat [geïntimeerden] daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 10.000.000,-;\n\nIX. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten, te betalen binnen veertien dagen na de datum van het arrest en - voor het geval betaling niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met rente;\n\nX. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, inclusief nakosten.\n\n5.2.. \n [geïntimeerden] hebben - samengevat - geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. \n [appellant] heeft tegen het bestreden vonnis drie grieven aangevoerd. Grief I is gericht tegen de door de voorzieningenrechter gehanteerde uitleg van koopovereen-komst en de allonge. Met grief II betoogt [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zij zich voldoende heeft ingespannen om woningen op de percelen te realiseren. Grief III ziet op de motivering van de beslissing van de voorzieningen-rechter om de vordering van [appellant] tot levering van de percelen af te wijzen.\n\nHet spoedeisend belang\n\n6.2.. \n [appellant] heeft aangevoerd dat zij bij de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de gemeente om haar vergunningsaanvraag buiten behandeling te stellen. Zij heeft er belang bij dat het hof arrest wijst voordat de mondelinge behandeling in de beroepsprocedure plaatsvindt, omdat met toewijzing van de vorderingen van [appellant] de reden voor de gemeente om de vergunningsaanvraag niet in behandeling te nemen, zou wegvallen. Verder betoogt [appellant] dat zij er belang bij heeft tijdig te weten of [geïntimeerden] aan hun leveringsverplichting gaan voldoen, zodat zij tijdig een aannemer kan inschakelen en voorbereidingen voor de verkoop van de te bouwen bedrijfsunits kan treffen. In dit alles is naar het oordeel van het hof een voldoende spoedeisend belang gelegen. Dat de genoemde belangen van [appellant] commercieel van aard zijn, doet daaraan niet af.\n\nEiswijziging\n\n6.3.. \n [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat de eerste eiswijziging van [appellant] moet worden geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. Het hof volgt [geïntimeerden] daarin niet. De eiswijziging is door [appellant] direct bij appeldagvaarding gedaan en het gewijzigde petitum bevat - anders dan [geïntimeerden] betogen - geen vorderingen die naar hun aard ongeschikt zijn voor toewijzing in kort geding.\n\nUitleg van de koopovereenkomst\n\n6.4.. Deze zaak draait in de kern om de uitleg van de koopovereenkomst en de allonge, waarbij het debat zich toespitst op de volgende vragen:\n\na. Is [appellant] verplicht om zich in te spannen om woningen op de percelen te realiseren en, zo ja, hoe ver strekt die verplichting?\n\nb. Zijn [geïntimeerden] gehouden de percelen (uiterlijk) op 29 april 2026 aan [appellant] te leveren?\n\nBij de beantwoording van deze vragen stelt het hof voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord enkel op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt\n\n- overeenkomstig de wilsvertrouwensleer - aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.\n\nGeen verplichting tot woningbouw\n\n6.5.. Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] niet hebben gesteld (en dat ook niet is gebleken) dat op [appellant] een resultaatsverplichting tot het bouwen van woningen rust. [geïntimeerden] stellen wel dat [appellant] eeninspanningsverplichting heeft om woningbouw op de percelen te realiseren, en dat zij in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten.\n\n6.6.. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopovereenkomst geen expliciete bepaling bevat die [appellant] verplicht om zich in te spannen om op de percelen woningen te bouwen. De voorzieningenrechter heeft echter overwogen dat er aanwijzingen zijn dat [appellant] toch een dergelijke verplichting op zich heeft genomen. De voorzieningen-rechter heeft daarbij de tekst van de considerans van de koopovereenkomst betrokken en het feit dat de hoogte van het variabele deel van de overeengekomen koopprijs afhangt van het aantal woningen dat op de percelen wordt gebouwd. Met [appellant] is het hof van oordeel dat uit deze bepalingen niet volgt dat [appellant] een inspannings-verplichting tot woningbouw heeft aanvaard. De genoemde bepalingen illustreren weliswaar dat partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst voor ogen stonddat er op de percelen woningen zouden worden gebouwd, maar daaruit volgt nog niet dat [appellant] zich tot woningbouw heeftverplicht. Dat geldt te meer nu partijen hebben verklaard dat zij niet over een verplichting tot woningbouw hebben gesproken, terwijl ook geen correspondentie in het geding is gebracht waaruit de door [geïntimeerden] gestelde afspraak volgt. Het hof betrekt bij zijn oordeel mede dat [geïntimeerden] zich bij de totstandkoming van de koopovereenkomst hebben laten bijstaan door een makelaar en een gespecialiseerde advocaat. Deze laatste heeft de tekst van de koopovereenkomst opgesteld, maar daarin niet de door [geïntimeerden] bepleite inspanningsverplichting opgenomen.\n\n [appellant] heeft voldaan aan eventuele inspanningsverplichting\n\n6.7.. Naar het voorlopige oordeel van het hof volgt uit de door partijen gemaakte afspraken dus geen op [appellant] rustende inspanningsverplichting om op de percelen woningen te realiseren. Als een dergelijke verplichting wel zou bestaan, dan geldt bovendien dat [appellant] naar het voorlopige oordeel van het hof aan die verplichting heeft voldaan. [appellant] heeft erop gewezen dat zij zich al sinds 2018 inspant voor de ontwikkeling van woningen op de percelen. Haar inspanningen hebben betrekking gehad op de volgende werkzaamheden en producten:\n\n- woningbouwbehoefteonderzoek;\n\n- onderzoek (on)mogelijkheid functiemenging;\n\n- stedenbouwkundig plan;\n\n- opstellen gebiedsexploitatie c.q. business case;\n\n- onderzoek naar milieutechnische belemmeringen van omliggende bedrijven dan wel eventuele planologische belemmeringen;\n\n- verwerving van de benodigde gronden in het plangebied;\n\n- overleg met aangrenzende eigenaren en gebruikers over de planontwikkeling en de eventueel noodzakelijke aanpassingen dan wel verwerving van benodigde percelen buiten het plangebied;\n\n- het opstellen van een financiële planning voor de herontwikkeling van het plangebied;\n\n- het maken en vastleggen van afspraken met de gemeente Alkmaar over de percelen; en\n\n- het voeren van gesprekken met een woningcorporatie over mogelijke sociale woningbouw op de percelen.\n\nDat deze inspanningen door [appellant] zijn verricht is door [geïntimeerden] onvoldoende weersproken en het betoog van [appellant] vindt bovendien steun in de door haar overgelegde stukken.\n\n6.8.. \n [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellant] , in aanvulling op de onder 6.7. genoemde inspanningen, ook gehouden was om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de bouw van woningen. Deze stelling miskent echter dat er geen omgevingsplan van kracht is op grond waarvan een dergelijke vergunning aan [appellant] kan worden verleend. De mogelijke inspanningsverplichting van [appellant] strekt niet zover dat zij gehouden is om een vergunning aan te vragen die zij niet kan krijgen. Hetzelfde geldt voor het verwijt van [geïntimeerden] dat [appellant] geen bij woningbouw passend omgevingsplan in procedure heeft gebracht. [geïntimeerden] hebben namelijk in het geheel niet inzichtelijk gemaakt welke zin het zou hebben gehad als [appellant] een dergelijk concept omgevingsplan wel had geproduceerd, zo lang als de hindercirkels van Sterk Beton en IJzerwerf Overdie nog aan woningbouw ter plaatse in de weg staan. [geïntimeerden] betogen verder dat de inspanningsverplichting van [appellant] meebrengt dat zij geen bedrijfsunits mag ontwikkelen en in plaats daarvan moet wachten tot woningbouw in de toekomst alsnog mogelijk wordt. Ook dit betoog heeft geen succes. [appellant] spant zich al sinds 2018 in om woningbouw op de percelen te realiseren. Zij heeft op dit moment echter nog geen enkel concreet uitzicht op de mogelijkheid om woningen op de percelen te bouwen. Het toepasselijke omgevingsplan staat geen woningbouw toe, terwijl ook de twee hiervoor genoemde in het plangebied gevestigde industriële ondernemingen woningbouw verhinderen. De gemeente Alkmaar is al sinds 2020 met deze bedrijven in overleg, zonder dat dit heeft geresulteerd in hun verplaatsing. Niet gebleken is dat dit op korte termijn verandert. Onder deze omstandigheden strekt een mogelijke inspanningsverplichting van [appellant] in ieder geval niet zover dat zij, uitsluitend met het oog op het belang van [geïntimeerden] bij het incasseren van een zo hoog mogelijke (naar zijn aard onzekere) variabele koopprijs, nog langer vasthoudt aan haar oorspronkelijke voornemen om op de percelen woningbouw na te streven. Dat inmiddels door de gemeente een ontwikkelkader is vastgesteld waarin de ambitie wordt uitgesproken om in de toekomst woningen op de percelen te realiseren, doet daaraan onvoldoende af. Het ontwikkelkader is een beleidsdocument waaraan [appellant] geen rechten kan ontlenen. Daar komt bij dat ook in het ontwikkelkader staat dat woningbouw niet mogelijk is zolang de twee hiervoor genoemde industriële ondernemingen niet zijn verplaatst.\n\n6.9.. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] niet jegens [geïntimeerden] is tekortgeschoten in de nakoming van enige (resultaats- of inspannings-) verplichting tot woningbouw. Een beroep op een dergelijke tekortkoming rechtvaardigt dus niet de weigering van [geïntimeerden] om de percelen aan [appellant] te leveren op de overeengekomen uiterlijke leveringsdatum.\n\nVerplichting tot levering\n\n6.10.. \n [geïntimeerden] hebben verder betoogd dat de vordering van [appellant] tot levering van de percelen niet kan worden toegewezen omdat in artikel 4.1 van de allonge staat dat partijen met elkaar in onderhandeling moeten treden over een uitgestelde leveringsdatum als niet aan één of beide van de in de bepaling genoemde voorwaarden wordt voldaan. Het hof volgt [geïntimeerden] ook niet in dit betoog. Uit de tekst van de allonge, mede bezien in het licht van de tekst van de e-mail van [appellant] van 5 mei 2021 (zie 3.2.), de tekst van de intentieovereenkomst (zie 3.3.) en de tekst van de koopovereenkomst (3.4.) volgt dat partijen er steeds van zijn uitgegaan dat levering van de percelen hoe dan ook op de overeengekomen uiterlijke leveringsdatum zou plaatsvinden, ongeacht de status op dat moment van de omgevingsvergunning van [appellant] . In de allonge is een passage aan de tekst van artikel 4.1 toegevoegd die voorziet in mogelijke onderhandelingen tussen partijen over uitstel van de levering. Uit de toelichting die partijen ter zitting hebben gegeven, volgt dat de in artikel 4.1 bedoelde onderhandelingen al hebben plaatsgevonden, maar zonder resultaat. Uit diezelfde toelichting (en uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg) volgt dat het recht om te onderhandelen over uitstel van de leveringsdatum in verband met de afwezigheid van de omgevingsvergunning was overeengekomen ten behoeve van [appellant] , zodat uitsluitend [appellant] een beroep op onderhandelingen over uitstel van de levering kan doen. [appellant] heeft echter om begrijpelijke redenen afgezien van verdere onderhandelingen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellant] immers geen concreet uitzicht op verlening van een omgevingsvergunning voor woningbouw. Verder onderhandelen over uitgestelde levering dient dus geen redelijk doel. De laatste zin van artikel 4.1 van de allonge staat dus niet in de weg aan toewijzing van de vordering tot levering van de percelen op de overeengekomen uiterlijke leveringsdatum.\n\nVoorkeursrecht gemeente [plaats 1]\n\n6.11.. Op grond van de koopovereenkomst kan [appellant] op 29 april 2026 (of zoveel eerder als zij de omgevingsvergunning verkrijgt) dus in beginsel jegens [geïntimeerden] aanspraak maken op levering van de percelen. De Gemeenteraad van de gemeente [plaats 1] heeft echter op 20 november 2025 besloten om een voorkeursrecht op de percelen te vestigen. Dit voorkeursrecht is op 25 november 2025 ingeschreven in de openbare registers. Op grond van artikel 9.7 van de Omgevingswet kunnen [geïntimeerden] als gevolg daarvan niet overgaan tot levering van de percelen zonder dat zij de gemeente [plaats 1] in de gelegenheid hebben gesteld de percelen te verkrijgen. [geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het voorkeursrecht in de weg staat aan toewijzing van de vorderingen van [appellant] .\n\n6.12.. \n [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerden] geen beroep kunnen doen op het voorkeursrecht omdat [geïntimeerden] dit verweer niet reeds in hun memorie van antwoord naar voren hebben gebracht. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. Het is immers [appellant] zelf die het voorkeursrecht eerst in haar akte van 22 december 2025 (en dus na de datum van de memorie van antwoord van [geïntimeerden] ) onderdeel van het processuele debat heeft gemaakt, stellende dat het voorkeursrecht een nieuw gebleken feit was dat rechtvaardigde dat zij, na de datum van haar memorie van grieven, haar eis wijzigde. Zij heeft daarmee zelf een succesvol beroep gedaan op een uitzondering op de twee-conclusieregel. Zij kan [geïntimeerden] vervolgens niet met een beroep op diezelfde twee-conclusieregel het recht ontzeggen om op die eiswijziging te reageren en daarbij in te gaan op het voorkeursrecht.\n\n6.13.. \n [appellant] heeft het hof verzocht om, op de voet van artikel 9.8 sub e Omgevingswet, de levering van de percelen te gelasten zonder dat uitoefening van het voorkeursrecht van de gemeente daaraan voorafgaat. Zij betoogt dat levering van de percelen op grond van een door het hof te wijzen arrest in deze zaak is te kwalificeren als een verkoop op grond van een rechterlijk bevel als bedoeld in voornoemd artikel, in welk geval vervreemding van de percelen zonder inachtneming van het voorkeursrecht van de Gemeente mogelijk is. Ook betoogt zij dat zij bij vernietiging van het bestreden vonnis in de positie moet worden gebracht waarin zij zich zou hebben bevonden als de voorzieningenrechter haar vorderingen in het bestreden vonnis zou hebben toegewezen.\n\n6.14.. Het hof volgt [appellant] niet. Zij heeft in eerste aanleg levering van de percelen gevorderd op 29 april 2026 of zoveel eerder als zij de omgevingsvergunning had verkregen. Het hof acht echter niet (voldoende) aannemelijk dat, als [geïntimeerden] wel de onder 3.10. bedoelde bevestiging aan de gemeente Alkmaar zou hebben gegeven, de aan [appellant] eventueel te verlenen vergunning vóór de afloop van de periode van zes maanden na de inschrijving van de koopovereenkomst onherroepelijk zou zijn geworden. Ook bij toewijzing van de vordering tot levering zou levering van de percelen vermoedelijk dus pas hebben plaatsgevonden na afloop van de periode van zes maanden na de dag van inschrijving van de koopovereenkomst in de openbare registers, zodat ook in dat geval het voorkeursrecht aan vervreemding aan [appellant] in de weg zou hebben gestaan. Door nu een veroordeling tot levering van de percelen uit te spreken met terzijdestelling van het voorkeursrecht van de gemeente, zou [appellant] een gunstiger positie verwerven. Daarvoor bestaat geen rechtvaardiging.\n\nVorderingen\n\n6.15.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de vordering van [appellant] tot levering van de percelen vanaf de overeengekomen leveringsdatum toewijsbaar, maar moet daarbij het voorkeursrecht van de gemeente worden gerespecteerd. Het hof zal daarom de meer subsidiaire leveringsvordering van [appellant] toewijzen, zij het dat de gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd zoals in het dictum bepaald. Omdat uit de opstelling van [geïntimeerden] is gebleken dat zij niet bereid zijn om mee te werken aan levering op de overeengekomen datum, heeft [appellant] er recht op en belang bij dat het hof bepaalt dat dit arrest in de plaats treedt van de (wilsverklaringen) van [geïntimeerden] die nodig zijn voor levering, als [geïntimeerden] – nadat de Gemeente Alkmaar in de gelegenheid is gesteld de percelen te verkrijgen en zij daartoe niet of niet tijdig overgaat – niet binnen vier weken (zoals bepaald onder 1. in het dictum) gevolg geven aan de veroordeling tot levering van de percelen. Anders dan [geïntimeerden] betogen, verzet het karakter van een kort geding zich niet tegen een dergelijke veroordeling.\n\n6.16.. Uit het voorgaande volgt ook dat [geïntimeerden] ten onrechte aan de gemeente Alkmaar hebben verklaard dat [appellant] op grond van de koopovereenkomst is gehouden om woningen op de percelen te realiseren. Het door [appellant] gevorderde gebod om een aangepaste verklaring af te leggen is daarom toewijsbaar, zij het in beperkte vorm. [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld om te verklaren dat de koopovereenkomst geen verplichting bevat om woningen op de percelen te bouwen. De vraag of [appellant] daadwerkelijk bedrijfsunits op de percelen mag bouwen is van meer factoren afhankelijk dan slechts de inhoud van de koopovereenkomst, waarover [geïntimeerden] niet gehouden zijn te verklaren. Anders dan [geïntimeerden] aanvoeren, vormt de door [geïntimeerden] af te leggen verklaring geen onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke besluitvorming; [geïntimeerden] zijn slechts gehouden te verklaren over de – in dit arrest vastgestelde – inhoud van de koopovereenkomst. Dat laat het besluitvormingsproces van de gemeente en de bestuursrechter voor het overige onverlet. Toewijzing van de vorderingen conform het dictum van dit arrest stuit evenmin af op de zogenaamde Windmill-jurisprudentie. Deze jurisprudentie beperkt overheden onder omstandigheden in het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden als zij daarmee op onaanvaardbare wijze een publiekrechtelijke regeling zouden doorkruisen. De beperking geldt niet voor private partijen als [appellant] .\n\n6.17.. Het gevorderde gebod zich te onthouden van gedragingen die het verkrijgen van een omgevingsvergunning door [appellant] zouden kunnen belemmeren is naar het oordeel van het hof te algemeen en te onbepaald geformuleerd en zal daarom worden afgewezen. [geïntimeerden] zullen wel worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte beslagkosten omdat [appellant] gelet op het voorgaande met recht leveringsbeslag op de percelen heeft gelegd.\n\nSlotsom, kosten\n\n6.18.. Het hoger beroep heeft deels succes. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen zullen [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:\n\nEerste aanleg:\n\n- explootkosten € 119,40\n\n- griffierecht € 714,-\n\n- salaris advocaat € 1.107,- (1 punt)\n\nTotaal € 1.940,40\n\nHoger beroep:\n\n- explootkosten € 119,40\n\n- griffierecht € 827,-\n\n- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten)\n\nTotaal € 3.526,40\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het bestreden vonnis;\n\nopnieuw rechtdoende:\n\n1. veroordeelt [geïntimeerden] om uiterlijk op 29 april 2026, of zoveel eerder als een onherroepelijke omgevingsvergunning is verkregen voor de door [appellant] beoogde ontwikkeling ter plaatse van de percelen, het bevoegd gezag van de gemeente Alkmaar schriftelijk uit te nodigen om in onderhandeling te treden over vervreemding van de percelen aan de gemeente Alkmaar en diezelfde dag afschrift van deze uitnodiging aan [appellant] te sturen, op straffe van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 25.000,- per dag dat [geïntimeerden] daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 2.000.000,- en binnen vier weken vanaf de dag waarop het bevoegd gezag heeft beslist dat het niet bereid is de percelen te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen, of binnen vier weken na het verstrijken van de in artikel 9.13 Omgevingswet bedoelde termijn als het bevoegd gezag niet tijdig een beslissing heeft genomen, de percelen aan [appellant] te leveren;\n\n2. bepaalt dat dit arrest in de plaats treedt van de (wils)verklaringen van [geïntimeerden] die vereist zijn voor de levering van de percelen aan [appellant] , indien en voor zover [geïntimeerden] op grond van het bepaalde onder 1. gehouden zijn om de percelen aan [appellant] te leveren maar daartoe niet binnen de onder 1. genoemde termijn van vier weken overgaan;\n\n3. gebiedt [geïntimeerden] om binnen twee weken na dit arrest schriftelijk aan de gemeente Alkmaar te verklaren dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten geen verplichting voor [appellant] bevatten om op de percelen woningbouw te realiseren, op straffe van een dwangsom van € 25.000,- per dag dat [geïntimeerden] daarmee in gebreke blijven met een maximum van € 2.500.000,-;\n\n4. veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van de beslagkosten, te betalen binnen veertien dagen na de datum van het arrest en - voor het geval betaling niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\n5. veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 1.940,40. De kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 3.526,40;\n\n6. veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;\n\n7. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.J.R. Brons, J.C.W. Rang en Z.D. van Heesen- Laclé en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:833","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.105Z",20]