[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":56,"total":16,"page":25,"limit":205},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},51,{"min":18,"max":19},"2023-08-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,37,41,44,47,50,53],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122490","Burgerlijk Wetboek","art. 6:108",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121790","Wetboek van Strafvordering","art. 512",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"121791","",{"provisionId":34,"code":35,"article":36,"count":25},"123359","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","art. 4",{"provisionId":38,"code":39,"article":40,"count":25},"122315","Wetboek van Strafrecht","art. 82",{"provisionId":42,"code":39,"article":43,"count":25},"122316","art. 288",{"provisionId":45,"code":39,"article":46,"count":25},"122317","art. 140",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"122319","art. 6:107",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"122321","art. 6:95 lid 2",{"provisionId":54,"code":28,"article":55,"count":25},"123628","art. 513 lid 5",[57,66,74,81,88,95,104,112,119,126,133,140,147,154,161,168,177,184,191,198],{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":61,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.130Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":64,"updatedAt":73},"649","ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","ecli-nl-ghams-2026-1864","2026-07-07T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001277-24\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers\n\n15-322543-21 en 15-025439-23 en 15-186945-22 en 15-259320-22 en 15-316555-23 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1984,\n\ngedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,\n\n1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Samengevat weergegeven heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] herhaaldelijk onjuist zijn vastgelegd in processen-verbaal. Er is volgens de verdediging sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij met grove veronachtzaming het recht van de verdachte op een eerlijk proces is aangetast. Daarbij zijn er volgens de verdediging aanknopingspunten dat er sprake is van doelbewust handelen.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in de zaaksdossiers Ararat en Willich, omdat juist in deze zaken de door de verdediging geconstateerde discrepanties tussen de audio-fragmenten van de verhoren van februari en april 2026 en de processen-verbaal waarin die verhoren zijn gerelateerd het meest aanwezig zijn terwijl die discrepanties op essentiële onderdelen van zijn verklaring zien.\n\nMeer subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitsluiting van alle verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026, omdat de wijze waarop deze verklaringen zijn vastgelegd en verwerkt een aanzienlijke schending van het recht op een eerlijk proces opleveren als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.\n\nOordeel van het hof\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het hof, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:\n\nde hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;\n\nde resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;\n\nhet Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.\n\nDaarbij moet het hof rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.\n\nIs in deze zaak sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim?\n\nDe verdediging stelt dat de processen-verbaal van beide verhoren in 2026 een beeld schetsen waarbij het lijkt alsof medeverdachte [medeverdachte 1] uit zichzelf verklaart, terwijl uit de audiobestanden blijkt dat in werkelijkheid de antwoorden hem door de verbalisanten worden aangereikt. Ook stelt de verdediging dat de politie evident ontlastende verklaringen niet heeft opgenomen in de processen-verbaal, en er ook overigens op meerdere punten sprake is van verkeerde verslaglegging.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] zoals die is opgenomen in de processen-verbaal, niet woordelijk overeenkomt met de verklaring zoals die blijkt uit de uitgeluisterde audiobestanden. Op onderdelen is de verklaring van [medeverdachte 1] samengevat of verkort weergegeven. Dit is echter niet in strijd met enige rechtsregel, en dit levert op zichzelf dus ook geen (onherstelbaar) vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Uit de door de verdediging genoemde voorbeelden blijkt niet dat de verklaring van [medeverdachte 1] door de samenvatting of verkorte weergave inhoudelijk niet juist is weergegeven. Evenmin is gebleken dat de verbalisanten hem antwoorden hebben aangereikt of in de mond gelegd, dat zij verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet hebben opgenomen, of dat de verklaring van [medeverdachte 1] op enig andere wijze onjuist en in strijd met de strekking van zijn verklaring is vastgelegd in de processen verbaal. Dit betekent dat er geen sprake is van een vormverzuim.\n\nTen overvloede overweegt het hof dat zelfs als er wel sprake zou zijn van een vormverzuim, er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zoals de wet vereist. De audioverhoren van [medeverdachte 1] zijn immers ter beschikking van de verdediging gesteld, de verdediging heeft deze uitgeluisterd en audiofragmenten geselecteerd die op zitting zijn beluisterd en vergeleken met de opgemaakte processen-verbaal van die verhoren. Ook is [medeverdachte 1] als getuige op zitting gehoord over de verklaring die hij heeft afgelegd tegenover de politie. Zo er al sprake zou zijn van een vormverzuim, dan is dat hiermee hersteld. De verdediging is daarmee immers in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden en zijn vastgelegd en de gevolgen daarvan voor het proces van waarheidsvinding.\n\nUit het voorgaande volgt dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is in alle zaaksdossiers ontvankelijk in de vervolging.\n\n2. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van de onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief aan hem tenlastegelegde afpersing. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen deze vrijspraken. Hoger beroep door een verdachte tegen een vrijspraak is echter niet mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.\n\n3. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 mei 2026 en 1, 2, 4, 8 en 29 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partijen, de slachtoffers en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.\n\n4. Tenlasteleggingen\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen en voor zover in hoger beroep nog aan de orde is (samengevat) aan de verdachte tenlastegelegd:\n\nFeit 1 (Mainz) – 15\u002F316555-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in De Goorn op 8 augustus 2020;\n\nFeit 2 (Millet) – 15\u002F025439-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in Dreumel op 30 december 2020;\n\nFeit 3 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22\n\nmedeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 5] in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 4 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 5 (Zulpich) – 15\u002F025439-23medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] in Heerhugowaard op 4 juni 2021;\n\nFeit 6 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 10] in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 7 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 10] , met de dood ten gevolge, in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 8 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 11] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 9 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 12] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 10 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 12] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 11 (criminele organisatie) – 15\u002F025439-23deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (overvallen) in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. Vonnis van de rechtbank\n\nHet vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. Het hof is het grotendeels eens met de rechtbank, maar kiest voor een vernietiging van het vonnis ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen, maar wel aanvullen en nuanceren aan de hand van de nieuwe verklaringen die door de verdachten in hoger beroep zijn afgelegd en de overige nieuwe stukken die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Voor de leesbaarheid worden hierna de verdachte en de medeverdachten ook met hun achternamen genoemd, te weten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .\n\n6. Beoordeling van het bewijs\n\n6.1.1. Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen en verklaringen medeverdachten\n\nIn deze zaak bestaat het bewijsmateriaal voor een deel uit getuigenverklaringen. Het Openbaar Ministerie baseert mede daarop het standpunt dat de verdachte verschillende feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleit. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen te onderzoeken en zich daarover een oordeel te vormen.\n\nFactoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid\n\nOp de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn. Factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van de waarnemingen, of op de kwaliteit van de verklaringen daarover. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin de getuige onbelemmerd zicht heeft gehad op de gebeurtenissen: weersomstandigheden, lichtgesteldheid, obstakels, afstand of bijvoorbeeld het afgeleid zijn van de getuige tijdens de waarnemingen;\n\nde complexiteit en de snelheid waarmee die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden;\n\nde aandacht waarmee de getuige zijn waarnemingen heeft gedaan, waarbij een grote impact of onbeduidendheid van de gebeurtenissen een rol kan spelen en de moeite die de getuige heeft gedaan om zijn waarnemingen te onthouden;\n\nde mate waarin het nodig is om, voor een goed begrip van die gebeurtenissen, de context daarvan te kennen en de mate waarin die kennis bij de getuige aanwezig is;\n\nobjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, zoals fysieke belemmeringen van permanente of tijdelijke aard; slechthorend- of, slechtziendheid, een geestelijke stoornis of beperking en bijvoorbeeld drank- of drugsgebruik kunnen van invloed zijn;\n\nsubjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, die een juiste waarneming en verklaring daarover kunnen bevorderen, zoals een beroepsmatige opleiding, ervaring of expertise;\n\nsubjectieve factoren die een juiste waarneming en verklaring daarover in de weg kunnen staan, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen of bevolkingsgroepen, eigen belangen van de getuige of belangen van anderen om een bepaalde verklaring af te leggen, dan wel de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring;\n\nde mate waarin de getuige onder druk staat om een bepaalde verklaring af te leggen;\n\ntijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of en in welke mate de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen.\n\nBij getuigenverklaringen waarin de getuige vertelt over wat hij van een ander heeft gehoord, kan deze waaier aan factoren ook van toepassing zijn op die ander, de bron van deze verklaring.\n\nOok de wijze waarop de getuige is verhoord kan op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring van invloed zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin voor het getuigenverhoor bepaalde kwalificaties bij de verhoorder vereist en aanwezig zijn (bijv. een specifieke opleiding) en of de verhoorder dat tijdens het verhoor laat zien, zowel wat betreft eventueel vereiste (specialistische) voorkennis als wat betreft de wijze van uitvoering van het verhoor;\n\nof in het verhoor open of gesloten vragen, dan wel sturende vragen zijn gesteld en of er informatie aan de getuige is gegeven;\n\nof blijkt van enige vorm van vooringenomenheid bij degenen die het verhoor hebben afgenomen;\n\nals het een kwetsbare getuige betreft, of er passende maatregelen zijn getroffen;\n\nof de getuige is beëdigd of niet.\n\nTaak rechter\n\nHet is de taak van de rechter om de verklaringen van getuigen te wegen en te waarderen in verband met de inhoud van het overige bewijsmateriaal en, als de rechter zover komt, te selecteren welke gedeelten van verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nBij de uitoefening van die taak komt het altijd aan op de bijzonderheden van het geval. Wel is er meer in het algemeen een aantal aanknopingspunten voor de selectie en waardering van getuigenverklaringen.\n\nAanknopingspunten zijn bijvoorbeeld of:\n\nsprake is van de hiervoor beschreven factoren die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring;\n\nde verklaring coherent is of tegenstrijdigheden bevat;\n\nde getuige consistent is in zijn verklaringen of op verschillende momenten verschillend verklaart;\n\nhet bij dergelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties gaat om details of om hoofdlijnen;\n\nen of er voor zulke tegenstrijdigheden of inconsistenties een begrijpelijke verklaring is. Een rol kan daarbij ook spelen of de verklaringen van de getuige globaal en kort of gedetailleerd en uitgebreid zijn en of deze bepaalde kenmerkende details bevat;\n\nde getuige pas na het afleggen van eerdere verklaringen is gekomen met bepaalde feiten en omstandigheden en of de getuige daarvoor een aannemelijke uitleg geeft;\n\nde getuige, in situaties waarin dat voor de hand lijkt te liggen, in staat blijkt meer gedetailleerd te verklaren over de gebeurtenissen en over de context waarin deze plaatsvonden;\n\nde verklaring op zichzelf aannemelijk kan zijn of al op het eerste gezicht verzonnen lijkt;\n\nde verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen en daarin steun vindt, en zo niet, of dat verklaarbaar is, en als dat verklaarbaar is, wat de aard en het gewicht is van die andere bewijsmiddelen in samenhang met de verklaring van de getuige. Onderzoeksresultaten die beschikbaar zijn gekomen na het afleggen van een verklaring, kunnen veel steun bieden aan die verklaring, zeker als het gaat om objectieve feiten waarop de getuige geen invloed kan hebben gehad.\n\nAndere aanknopingspunten bij de waardering van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kunnen zijn of:\n\nde getuige zich toetsbaar opstelt, bijvoorbeeld door de weg te wijzen naar nadere informatie of andere personen (van wie ook voldoende gegevens worden verstrekt) aan de hand waarvan een verklaring getoetst kan worden;\n\nwat de getuige opgeeft als zijn redenen om naar de autoriteiten te stappen en een verklaring af te leggen en of die redenen aannemelijk zijn;\n\nde getuige een oprechte en betrouwbare indruk wekt bij het afleggen van zijn verklaring, bijvoorbeeld wanneer deze met kritische vragen wordt geconfronteerd, onderdelen van zijn verklaring in twijfel worden getrokken of hij met nieuwe gegevens wordt geconfronteerd die zich slecht met zijn verklaring lijken te verdragen.\n\nDe waardering van getuigenverklaringen aan de hand van de aanknopingspunten die daarvoor in het concrete geval bestaan, kan ertoe leiden dat de rechter een bepaalde getuige in het geheel niet geloofwaardig vindt. Ook kan het resultaat van deze waardering zijn dat voor bepaalde delen van wat een getuige heeft verklaard voldoende steun bestaat, zodat de rechter af kan gaan op de juistheid van die delen en deze gebruikt voor zijn beslissing. De rechter hoeft niet altijd verslag te doen van dit proces van bewijswaardering, maar kan volstaan met een weergave van de uitkomst ervan, of dat nu een vrijspraak of een veroordeling is. Dat ligt anders als door de verdediging of het Openbaar Ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en de rechter dat standpunt niet volgt. Dan zal de rechter gemotiveerd op dat standpunt moeten reageren. Daarnaast kent de wet een aantal motiveringsvoorschriften in verband met specifieke soorten getuigenbewijs, zoals anonieme getuigen en kroongetuigen.\n\n6.1.2. Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 op eigen verzoek een uitvoerige verklaring afgelegd bij de politie. Op 14 april 2026 is hij door de politie naar aanleiding van die verklaring nader ondervraagd. Ter zitting in hoger beroep is [medeverdachte 1] in de strafzaken tegen de medeverdachten over de verklaringen als getuige gehoord.\n\nHet standpunt van de verdediging van [verdachte] ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] van 5 februari 2026 en 14 april 2026 zoals bij pleidooi naar voren gebracht, wordt door het hof afzonderlijk besproken in paragraaf 6.1.3.\n\nNiet valt te ontkennen dat [medeverdachte 1] een belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen. Hij heeft belastend over zichzelf en over anderen verklaard ten aanzien van zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest. Ook heeft bij belastend verklaard over anderen ten aanzien van zaaksdossiers waar hij niet bij betrokken is geweest of waarover hij heeft gesteld niet bij betrokken te zijn geweest.\n\nHet hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [medeverdachte 1] in de verschillende zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest terughoudend heeft verklaard over zijn eigen rol. Die terughoudendheid heeft met name betrekking op het toegepaste geweld of bijvoorbeeld over de vraag of het door hem gehanteerde wapen een nepwapen zou zijn geweest. Daarmee ontstaat tevens het gevaar dat hij over de rol van anderen wellicht minder gunstig heeft verklaard. Het hof zal dan ook bij de selectie en waardering van het bewijs in alle zaaksdossiers rekening houden met dat gevaar. Dit betekent dat het hof voor bezwarende onderdelen van zijn verklaringen ten aanzien van anderen, steeds zal beoordelen of deze onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nHet hof zal de verklaring van [medeverdachte 1] niet gebruiken voor zover deze ziet op zijn betrokkenheid bij de feitelijke uitvoering van de overval in het zaaksdossier Ararat. [medeverdachte 1] stelt dat hij daarbij niet betrokken was, maar dit deel van zijn verklaring vindt geen steun in andere onderdelen van het dossier, terwijl meerdere bewijsmiddelen juist wel op zijn betrokkenheid wijzen: de voorbereidingen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben getroffen, ook volgens hun eigen verklaringen, hun aanwezigheid in de loods kort voor de overval, het uitzetten van de telefoons kort voor en tijdens de overval, hun aanwezigheid in de loods na de overval en communicatie met anderen in de dagen nadien. Gelet hierop zal het hof deze verklaring ook niet gebruiken voor het bewijs in de zaak Ararat van de medeverdachten.\n\n6.1.3. Verweren en verzoeken verdediging met betrekking tot getuigenverklaringen\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van getuige\n [getuige 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs. [getuige 1] twijfelt constant en wordt op bepaalde punten in haar verklaring gestuurd door de verhoorders. De verdediging concludeert dat de wijze waarop de verklaringen van [getuige 1] worden gebruikt als bewijs, duidt op sturing en op twijfel. De verklaringen van [getuige 1] zijn inhoudelijk twijfelachtig en van herkenning (van [verdachte] ) is geen sprake.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie stelt vast dat het verweer strekkende tot uitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] van het bewijs ook in eerste aanleg is gevoerd. Gewezen wordt op de overweging van de rechtbank: “Hoewel [getuige 1] over verschillende onderwerpen niet altijd eenduidig of consistent heeft verklaard, maakt dit niet dat haar verklaring in het geheel niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar, omdat deze voldoende gedetailleerde en concreet is en op essentiële onderdelen steun vindt in ander bewijsmateriaal.” Het Openbaar Ministerie concludeert dat de verklaringen van [getuige 1] bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\nMet juistheid kan worden vastgesteld dat [getuige 1] wisselend heeft verklaard over onderdelen van verschillende zaaksdossiers. Ook kan worden vastgesteld dat de verhoorders [getuige 1] sterk afwisselend hebben ondervraagd over de verschillende zaaksdossiers en daarmee springen door de tijd. De verhoorders hebben [getuige 1] met name gevraagd wat in het huis van [medeverdachte 2] heeft plaatsgevonden rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. [getuige 1] heeft verklaard vanaf begin 2020 een relatie met [medeverdachte 2] te hebben gehad en vanaf juli\u002Faugustus 2020 tot aan de aanhouding van [medeverdachte 2] met hem in het huis van [medeverdachte 2] in Noord-Scharwoude te hebben gewoond. (ZD06, p. 854) [getuige 1] heeft ook verklaard dat er altijd mensen over de vloer kwamen, de hele dag door eigenlijk. (ZD06, p. 872) Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het voor [getuige 1] niet eenvoudig moet zijn geweest de dagen rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden voor de geest te halen. Wel kan [getuige 1] zich bepaalde bijzonderheden herinneren.\n\nZo kan de getuige zich een ‘bijtincident’ herinneren. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] in zijn vinger zou zijn gebeten en dat zijn vinger en zijn nagel kapot waren. De verhoorders laten [getuige 1] dan zoeken op haar telefoon naar foto’s van de twee middelvingers (ZD06, p. 924) en geven als data op: 7 en 8 augustus 2020. Vervolgens worden deze data door de verhoorders gewijzigd naar 7 januari waarbij het jaartal 2020 wordt genoemd. Pas verder in het verhoor wordt het jaartal 2021 door de verhoorders genoemd. Deze wijze van ondervragen leidt bij [getuige 1] op enig moment tot de uitspraak: “Ja, maar jullie hebben het nu over een andere dag.” (ZD06, p. 934) “He? ik ben helemaal in de war door jullie…Ik raak echt in de war.” (ZD06, p. 934) Inhoudelijk blijft zij echter bij haar verklaring en heeft zij ook bij de rechter-commissaris wezenlijke onderdelen van haar verklaringen herhaald.\n\nDit alles maakt dat het hof onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] kan en zal gebruiken voor het bewijs indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van medeverdachte\n [medeverdachte 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft mede aan de hand van ter zitting in hoger beroep beluisterde audiofragmenten gewezen op verschillen tussen de daadwerkelijke verklaringen en de inhoud van het proces-verbaal van verhoor van 5 februari 2026 en 14 april 2026. Ook heeft zij gewezen op het weglaten van evident ontlastende verklaringen. Zij verzoekt om uitsluiting van alle verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nVoor het Openbaar Ministerie is er geen enkele reden voor uitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 en 14 april 2026 bekennende verklaringen afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard over zijn eigen rol in verschillende zaaksdossiers en ook over de rol van anderen zowel in zaken waar hij bij betrokken is geweest als in zaken waarin dat niet het geval is geweest. De door de verdediging benoemde verschillen tussen de audio-bestanden van de verhoren van [medeverdachte 1] en de daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn niet van dien aard dat er sprake is van een weergave die inhoudelijk onjuist is Evenmin is gebleken dat verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet zijn opgenomen. Nu het hof van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet onjuist en niet in strijd met de strekking van zijn verklaring in de processen-verbaal zijn vastgelegd, is er geen reden de verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Wel maken de geconstateerde verschillen het noodzakelijk dat op de door de verdediging benoemde punten de verklaringen van [medeverdachte 1] met enige voorzichtigheid worden gehanteerd en zijn deze enkel bruikbaar indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het verzoek om integrale bewijsuitsluiting van opgenoemde verklaringen van [medeverdachte 1] wordt afgewezen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 10]\n\nDe verdediging heeft de getuige [medeverdachte 10] – hoewel het verzoek om hem te kunnen horen als getuige door het hof in het onderzoek Mainz eerder is toegewezen – niet in hoger beroep kunnen horen. Er is geen effectieve en behoorlijke compensatie geboden voor het niet kunnen horen van [medeverdachte 10] . De verklaring van [medeverdachte 10] is ‘decisive’. Daarbij heeft te gelden dat hoe belangrijker de verklaring van de belastend verklarende persoon is, hoe meer ‘counterbalancing factors’ nodig zijn, wil het geheel worden aangemerkt als een eerlijk proces. Nu deze compensatie niet is geboden, dient de verklaring van [medeverdachte 10] te worden uitgesloten van het bewijs.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft in de regiefase het standpunt ingenomen dat het verzoek tot het horen van [medeverdachte 10] kan worden toegewezen. Uiteindelijk is het onmogelijk gebleken [medeverdachte 10] te horen, maar gelet op overige bewijsmiddelen is de verklaring echter niet ‘decisive’ zodat het niet horen niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.\n\nOordeel van het hofHet hof stelt allereerst vast dat [medeverdachte 10] op 9 oktober 2023 in het bijzijn van onder andere de verdediging van [verdachte] is gehoord door de rechter-commissaris.\n\nOp de zitting van 17 januari 2025 is de strafzaak tegen onder andere [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde [medeverdachte 10] andermaal als getuige te horen.\n\nOp 20 november 2025 heeft de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat [medeverdachte 10] , verblijvende in België, kenbaar heeft gemaakt na overleg met zijn advocaat niet mee te willen werken aan een nader verhoor. De raadsheer-commissaris heeft desgevraagd van de Belgische politie vernomen dat het Belgische recht, daar waar het gaat om onwillige getuigen die dienen te worden gehoord in het kader van een buitenlands onderzoek, niet voorziet in dwangmiddelen. De raadsheer-commissaris heeft dan ook geconcludeerd dat het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord.\n\nHet hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 10] niet op zichzelf staat en daarmee niet ‘decisive’ is. In zaaksdossier Mainz is sprake van verschillende bewijsmiddelen tegen de verschillende verdachten die van die overval worden beschuldigd. Dit maakt dat de verklaring van [medeverdachte 10] voor het bewijs gebruikt kan worden nu deze in samenhang met andere bewijsmiddelen kan worden gewaardeerd en de bewezenverklaring dus niet in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 10] wordt gebaseerd.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 11]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [medeverdachte 11] niet te gebruiken voor het bewijs om reden dat deze onbetrouwbaar zijn dan wel hierin terughoudend te zijn.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft bij repliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van het standpunt van de verdediging van [verdachte] inzake de getuige [medeverdachte 11] .\n\nOordeel van hof\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] na zijn aanhouding op 19 juli 2022 aanvankelijk ontkennend heeft verklaard over zijn rol in zaaksdossier Mainz dan wel zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Bij gelegenheid van de eerste verhoren in juli 2022 is [medeverdachte 11] geconfronteerd met verschillende onderzoeksbevindingen zoals de stappenteller met als gegeven dat hij in de nacht van 7-8 augustus 2021 in De Goorn 2,3 kilometer heeft gelopen. (PD 07, p. 50) Ook is hij geconfronteerd met het gegeven dat hij samen met [medeverdachte 3] [getuige 4] is gaan ophalen en ze naar de woning van [medeverdachte 2] zijn gegaan en [medeverdachte 11] haar ook weer heeft weggebracht. (PD07, 44, 46, 49) Verder is hij geconfronteerd met de verkregen informatie uit een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek van [getuige 4] met [getuige 5] waarin erover gesproken wordt dat [medeverdachte 11] tegen [getuige 4] heeft verteld dat hij de vrouw die bij de woningoverval in De Goorn naar buiten kwam lopen had tegengehouden. (PD07, 53) Tot slot kan nog genoemd worden dat [medeverdachte 11] geconfronteerd is met de onderzoeksbevinding dat zijn DNA is aangetroffen op een breekijzer dat is aangetroffen in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] en dat de daders bij de woningoverval in De Goorn breekijzers bij zich hadden. (PD07, 68)\n\n [medeverdachte 11] heeft uiteindelijk op eigen initiatief op 20 oktober 2022 een bekennende verklaring afgelegd over zijn rol in zaaksdossier Mainz alsmede belastend verklaard over de rol van medeverdachten in dat zaaksdossier.\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] in zijn verklaring op 20 oktober 2022 bekennend heeft verklaard maar dat hij daarbij zijn eigen rol op cruciale punten heeft geminimaliseerd. Dit ziet met name op het gegeven dat hij bekend is met de slachtoffers en op zijn rol bij de vrouw die het huis uit is gevlucht ten tijde van de overval en is tegengehouden en teruggeleid naar de woning. Zo heeft hij schoorvoetend verklaard dat de slachtoffers kennissen zijn van de ouders van [getuige 5] (PD07, p. 124) (het Hof begrijpt [getuige 5] , de ex-vriendin van [medeverdachte 11] en moeder van zijn zoon [kind] ). Over de vrouw die bij de overval het huis uit was gevlucht heeft [medeverdachte 11] vanaf 20 oktober 2022 steeds verklaard, ook bij de rechter-commissaris op 20 november 2023, dat zij door [medeverdachte 10] is achterhaald en is teruggeleid naar de woning.\n\nHet hof beantwoordt de vraag of en zo ja welke bewijsrechtelijke betekenis toekomt aan de verklaringen van [medeverdachte 11] op dezelfde wijze als de rechtbank. [medeverdachte 11] heeft zo veel mogelijk weg willen blijven van twee belangrijke aspecten in de verdenking van zijn rol in zaakdossier Mainz: de tipgever en de dader die de wegvluchtende vrouw tegenhoudt en terugleidt naar de woning. Dit maakt echter niet dat de verklaring van [medeverdachte 11] over andere aspecten in dit zaaksdossier niet betrouwbaar zouden zijn. Evenals de rechtbank betekent dit voor het hof wel dat de verklaringen van [medeverdachte 11] die zien op de betrokkenheid van de medeverdachten met de nodige voorzichtigheid moeten worden gewaardeerd. [medeverdachte 11] heeft telkens gelijkluidend verklaard ten aanzien van de strafrechtelijke betrokkenheid van zijn mededaders bij de woningoverval. Daarover heeft hij gedetailleerd, concreet en consistent verklaard: over wie betrokken waren bij de overval, wat de onderlinge rolverdeling was, waar zij zich voorafgaand aan de overval hebben verzameld, waar zij na de overval naartoe zijn gegaan en wie er tijdens de overval zou hebben geschoten.\n\nDit leidt ertoe dat de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt voor zover de verklaringen op de betreffende aspecten steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nVoorwaardelijke verzoeken\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft een drietal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Indien en voor zover het hof voornemens is de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs te gebruiken dan verzoekt de verdediging [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] te mogen horen als getuige en van de verhoren van [getuige 1] de audiobestanden te mogen beluisteren.\n\nHet hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van deze verzoeken.\n\nHet hof overweegt als volgt:\n\nHet hof gebruikt zoals hierna zal blijken onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs. De voorwaarde waaronder de verzoeken zijn gedaan is dan ook vervuld. Het hof wijst het verzoek om de audiobestanden te mogen beluisteren van het verhoor van [getuige 1] en de verzoeken om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] als getuige te mogen horen af en overweegt daartoe het navolgende.\n\nAudioverhoren [getuige 1]\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] erop duiden dat de politie haar in haar verklaring heeft gestuurd en heeft daarnaast gewezen op twijfel die bestaat voor wat betreft de inhoud van haar verklaring. Om die reden verzoekt de verdediging in staat te worden gesteld de audiobestanden te beluisteren zodat de totstandkoming van de verklaring kan worden gecontroleerd.\n\nZoals eerder door het hof overwogen ten aanzien van het verzoek tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] , kunnen onderdelen van haar verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, indien en voor zover de betreffende verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdediging heeft geen aanknopingspunten benoemd voor de door haar gestelde sturing en twijfel die zou blijken uit de processen-verbaal van de verhoren van [getuige 1] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het beluisteren van de audiobestanden niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 1]\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 1] ter zitting in hoger beroep als getuige is gehoord onder meer in de strafzaak tegen [verdachte] . [medeverdachte 1] is door het hof uitvoerig ondervraagd over zijn verklaringen, waaronder ook over de belastende onderdelen voor de verdachte. De verdediging stelt terecht dat [medeverdachte 1] op verschillende vragen van de verdediging zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Het zal de verdediging niet zijn ontgaan dat vragen van de verdediging van medeverdachten aan [medeverdachte 1] , gesteld door het hof, wel werden beantwoord door [medeverdachte 1] . De verdediging van [verdachte] is expliciet aangeboden haar vragen aan [medeverdachte 1] te doen stellen door het hof. De verdediging van [verdachte] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Het verzoek om [medeverdachte 1] andermaal te horen als getuige wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 10]\n\nGelet op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 20 november 2025 wordt het verzoek van de verdediging van [verdachte] om [medeverdachte 10] als getuige te horen, afgewezen omdat – zoals ook op de zitting van 28 mei 2026 door het hof is beslist – het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Bij pleidooi is geen nadere onderbouwing gegeven die maakt dat die beslissing nu anders zou moeten luiden.\n\nDaarnaast overweegt het hof dat het feit dat de verdediging niet in staat is om de getuige [medeverdachte 10] andermaal te horen, niet in de weg staat aan het gebruik van deze verklaring voor het bewijs. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring niet decisiveis en binnen het geheel van de resultaten van het strafvordelijk onderzoek een beperkt gewicht heeft. Bovendien is de verdediging op een eerder moment in de gelegenheid geweest de getuige te ondervragen.\n\nOp 9 oktober 2023 is [medeverdachte 10] immers door de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaak tegen [verdachte] . De verdediging heeft bij die gelegenheid de mogelijkheid gehad [medeverdachte 10] te ondervragen over zijn verklaringen bij de politie op 24 en 25 maart 2023. Daarmee is sprake van voldoende compenserende factoren en is er in het geheel bezien ook bij het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 10] sprake van een eerlijk proces.\n\n6.2.1. Zaaksdossier Mainz\n\nZaaksdossier Mainz gaat over een woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020. Voor dit feit worden de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] vervolgd. De medeverdachte [medeverdachte 11] is al door de rechtbank veroordeeld voor betrokkenheid bij deze overval en die beslissing is inmiddels onherroepelijk.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met geweld is gekomen en verenigt zich met die beslissing. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandighedenOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nOp 8 augustus 2020 tussen 03:08 uur en 03:20 uur heeft een woningoverval plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan de [adres 1] in De Goorn, waarbij telefoons, sleutels en een envelop met een geldbedrag van € 3.000 zijn weggenomen. Vier mannen met bivakmutsen hebben de woning betreden. Zij hebben daartoe een ruit van de woning ingeslagen. Drie van hen hadden een breekijzer en de vierde dader had een vuurwapen. Aangever [slachtoffer 1] is tegen zijn lichaam en hoofd geslagen met een breekijzer en is tegen zijn hoofd geschopt. Toen hij zich wilde verdedigen is door de dader met het vuurwapen twee keer een schot gelost in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . Aangeefster [slachtoffer 2] is bedreigd met het vuurwapen. Toen zij probeerde te vluchten, is zij door een vijfde dader uit het naast de woning gelegen weiland teruggehaald en teruggeleid naar de woning. Deze vijfde dader kwam uit de richting van het toegangshek van het perceel en droeg ook een bivakmuts. Op dat moment was [slachtoffer 1] in gevecht met de andere vier daders. De daders zijn uiteindelijk in een auto weggereden in de richting van Berkhout.\n\nOp 12 augustus 2020 werd door de aangevers in dit onderzoek een koeienriem afgegeven bij de politie. Deze koeienriem zat vóór de overval bevestigd om het toegangshek van het perceel behorend bij de woning. De aangevers hadden de koeienriem aangetroffen op het erf nabij de sloot. Op deze koeienriem is een DNA-mengprofiel aangetroffen met celmateriaal van minimaal vier personen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van de koeienriem, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA van [medeverdachte 11] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen. Het hof gaat er op basis van deze onderzoeksresultaten van uit dat er DNA-materiaal van [medeverdachte 11] op de koeienriem aanwezig is.\n\nVerklaring van [medeverdachte 11]\n\n is bij de politie meerdere keren als verdachte gehoord. Hij heeft aanvankelijk ontkend dat hij wetenschap had van de woningoverval. In het vijfde verhoor heeft hij verklaard over zijn betrokkenheid daarbij. In die verhoren heeft hij ook belastend verklaard over de medeverdachten. Ook heeft hij als getuige een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\nSamengevat komen zijn verklaringen op het volgende neer.\n\nOp 7 augustus 2020 heeft hij in de avonduren – nadat hij door [medeverdachte 3] was benaderd met de vraag om te komen chillen met een meisje, samen met mevrouw [getuige 4] bij [medeverdachte 2] in de tuin gezeten. Nadat hij mevrouw [getuige 4] naar huis had gebracht, is hij doorgereden naar zijn chalet op camping [camping] in Berkhout. Hij had met [medeverdachte 3] daar afgesproken. [medeverdachte 3] had met anderen het plan gemaakt om een inbraak te plegen en heeft [medeverdachte 11] gevraagd of ze daarna weer terug mochten komen naar het chalet. Toen [medeverdachte 11] bij de camping aankwam, was [medeverdachte 3] daar al. Zij hebben een tijdje in het chalet van [medeverdachte 11] gezeten en gesproken over wat zij van plan waren. Volgens [medeverdachte 11] waren ook [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] daarbij. Op de parkeerplaats van de camping is [medeverdachte 11] in de kofferbak van de auto van [medeverdachte 3] gestapt en meegereden naar De Goorn. [medeverdachte 3] heeft zijn auto in een inham voorbij de woning in De Goorn geparkeerd, waarna [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt. [medeverdachte 11] is ook uitgestapt en heeft aan één van deze mannen een breekijzer gegeven. [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn over het weiland naar de woning gelopen. [medeverdachte 3] heeft de auto doorgereden naar het toegangshek en [medeverdachte 11] heeft daar met [medeverdachte 3] staan wachten op de anderen. Ze zijn uiteindelijk samen weer naar het chalet van [medeverdachte 11] gereden. [medeverdachte 11] heeft toen gehoord dat [medeverdachte 2] had geschoten. De anderen waren daar boos over. [medeverdachte 11] heeft een dag later aan [getuige 4] verteld dat hij iets ergs had gedaan, dat hij niet mee naar binnen was geweest en een vrouw had tegengehouden die naar de buren wilde gaan.\n\nZoals hiervoor overwogen acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar voor zover deze zien op de betrokkenheid van anderen nu deze verklaringen op belangrijke onderdelen en in relevante mate steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals de verklaring van [getuige 4] , het telefoongesprek tussen [getuige 4] en [getuige 5] en de verklaring van [medeverdachte 1] zoals hierna wordt overwogen. Het hof acht – uit hetgeen hiervoor over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen is overwogen – zijn verklaringen over zijn eigen rol niet op alle punten geloofwaardig.\n\nUit de verklaring van de aangevers blijkt dat er tijdens de overval is geschoten. Dit wordt ook bevestigd door [medeverdachte 11] . In hoger beroep heeft [medeverdachte 1] een verklaring afgelegd als verdachte, welke verklaring in alle zaken is gevoegd. [medeverdachte 1] is daarnaast als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord.\n\nVerklaring van [medeverdachte 1]\n\n heeft als verdachte ten overstaan van de politie verklaard, welke verklaring hij als getuige ten overstaan van het hof heeft bevestigd, dat hij op 9 augustus 2021 bij [medeverdachte 2] thuis was en dat ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 10] daar waren. [medeverdachte 10] vertelde hem over de overval in De Goorn. [medeverdachte 3] was de chauffeur van de vluchtauto voor die overval in De Goorn. Bij die overval zou een raam kapot zijn geslagen. Toen de bewoners naar beneden kwamen heeft [medeverdachte 10] de mannelijke bewoner met een koevoet geslagen. Toen [medeverdachte 10] nog een keer met de koevoet wilde slaan, is deze door de mannelijke bewoner afgepakt. Een ander heeft vervolgens richting het hoofd van de mannelijke bewoner geschoten. Van anderen, in het bijzonder van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 1] gehoord dat het [medeverdachte 4] is geweest die heeft geschoten. [medeverdachte 11] heeft de vrouwelijke bewoner, die het weiland was ingevlucht, gepakt en naar de woning teruggeleid. Verder was bij die overval aanwezig een kale man met een baard, die – ten tijde van het verhoor in februari 2026 – in [plaats 1] vast zat. Als de verhoorder de naam van [verdachte] noemt, bevestigt [medeverdachte 1] dit. Dat de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover het ziet op dit zaaksdossier betrouwbaar is, is al hiervoor overwogen.\n\nSchotenDat er geschoten is tijdens de overval kan op grond van de verklaring van aangevers, de verklaring van [medeverdachte 11] en de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld.\n\nDat er geschoten is met een wapen dat ook in het onderzoek Ararat is gebruikt en dat dit hetzelfde wapen betreft als het wapen waarmee [medeverdachte 5] om het leven is gekomen, leidt het hof uit het volgende af.\n\nUit het rapport schotrestenonderzoek van 26 april 2022 volgt dat de deskundige het zeer veel waarschijnlijker acht dat op de bemonsteringen die van het gelaat van aangever [slachtoffer 1] zijn genomen schotresten aanwezig zijn, dan dat op die bemonsteringen geen schotresten aanwezig zijn. Het hof gaat er daarom vanuit dat op het lichaam van [slachtoffer 1] schotresten aanwezig waren.\n\nNa het overlijden van [medeverdachte 5] is bij zijn lichaam een vuurwapen aangetroffen. Dit betrof een zilverkleurige revolver, type .357 Magnum van fabrikant Smith & Wesson. In het vergelijkend schotrestenonderzoek van 26 april 2022 is de aangetroffen verzameling deeltjes in het onderzoek Mainz, vergeleken met de verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen in het onderzoek Ararat (de woningoverval met dodelijke afloop in Berkhout) en het onderzoek Waltrop (het onderzoek naar het overlijden van [medeverdachte 5] ).\n\nDe deskundige rapporteerde dat de bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek veel waarschijnlijker zijn als hypothese V1 (de verzameling deeltjes hebben dezelfde bron van herkomst) waar is, dan als hypothese V2 (de verzameling deeltjes hebben een andere bron van herkomst) waar is.\n\nBron van herkomst is hierbij gedefinieerd als schoten met dezelfde vuurwapen-munitie combinatie.\n\nDe rechtbank heeft de opsteller van het rapport, [deskundige] , ter terechtzitting als deskundige gehoord. Het hof begrijpt de inhoud van het rapport, in samenhang met de door de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank gegeven toelichting, als volgt. Onder hypothese V1 (dezelfde bron van herkomst) kan zowel worden begrepen dat is geschoten met hetzelfde wapen met dezelfde munitie, als met eenzelfde soort (merk en type) wapen met dezelfde soort munitie. De aangetroffen verzamelingen deeltjes in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop zijn zeldzaam te noemen. Hierover is in het rapport opgemerkt dat alle drie de verzamelingen deeltjes voornamelijk worden gekenmerkt door deeltjes met elementsamenstellingen PbSbSn (lood, antimoon, tin), waarbij de elementen Sb en Sn in deze deeltjes veelal op spoorniveau aanwezig zijn. Daarnaast zijn in alle drie de verzamelingen deeltjes aanwezig gelijkend op BaAl (barium, aluminium) met (een spoor van) de elementen Pb en Sb. Deze deeltjes worden volgens de deskundige zelden in onderzoeken aangetroffen in combinatie met deeltjes als extra element Sn. Deze deeltjes kunnen afkomstig zijn van het zogeheten memory-effect, wat een aanwijzing kan zijn dat de verzamelingen deeltjes dezelfde bron van herkomst hebben. Weliswaar heeft de deskundige ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld dat het zogenaamdememory-effecthier speelt, maar het lijkt er wel sterk op, omdat de aangetroffen verzamelingen deeltjes anders alleen kunnen worden aangetroffen in de situatie dat in alle gevallen is geschoten met eenzelfde (soort) wapen, en waarmee met dezelfde (soorten) munitie is geschoten en waarbij de munitie dan ook in dezelfde volgorde moet zijn verschoten.\n\nDat de deskundige vervolgens op basis van zijn beschouwing, beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in eerdere onderzoeken tot de bewijskracht “veel waarschijnlijker” komt, wijst erop dat in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop is geschoten met hetzelfde vuurwapen.\n\nDe theoretische mogelijkheid dat is geschoten met eenzelfde soort wapen acht het hof hoogst onwaarschijnlijk, omdat dan – zoals hiervoor al opgemerkt – dezelfde (verschillende) soorten munitie in dezelfde volgorde moeten zijn verschoten.\n\nSchutterAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor de bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wie de schoten heeft gelost.\n\n [medeverdachte 11] heeft in zijn verklaringen aangegeven dat [medeverdachte 2] degene is geweest die de schoten heeft gelost. Hij heeft dat zelf niet gezien, maar van de anderen gehoord toen ze terug waren in zijn chalet. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 10] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] verantwoordelijk is voor het schieten.\n\nNu door [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] verschillende verklaringen worden afgelegd over wie de schutter is geweest en nu zij beiden niet kunnen verklaren uit eigen waarneming, acht het hof het niet mogelijk om vast te stellen wie de schutter is geweest.\n\nWeliswaar blijkt dat in zes bemonsteringen op het wapen dat bij [medeverdachte 5] is aangetroffen en waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit wapen ook bij deze overval is gebruikt, DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] , maar die enkele omstandigheid acht het hof onvoldoende om [medeverdachte 2] als schutter aan te wijzen, omdat niet vastgesteld kan worden wanneer dat DNA op het wapen terecht is gekomen, en het wapen ten tijde van de overval gehanteerd kan zijn zonder dat de dader daarop DNA heeft achtergelaten.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijsHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat (in elk geval) de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en voormalig medeverdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] betrokken zijn geweest bij de woningoverval in De Goorn.\n\nMedeplegenVoor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsmotivering – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit de verklaringen van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] leidt het hof af dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [verdachte] drie van de vier daders zijn geweest die de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen zijn gegaan. Voorafgaand aan de overval is deze gepland. [medeverdachte 3] heeft de vluchtauto geregeld, is bij de voorbespreking en bij het maken van het plan betrokken geweest en heeft de vluchtauto bestuurd. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat iedere betrokkene bij een overval meedeelde in de buit en iedereen een gelijk deel kreeg, dat geldt ook voor de chauffeur van de vluchtauto. Alle bij de overval betrokken personen hebben dus een actieve rol gehad bij de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt bij welke woningoverval geweld is gebruikt, met geweld is gedreigd en waarbij schoten zijn gelost.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\n6.2.2. Zaaksdossier Millet\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;\n\nde DNA match van zowel [slachtoffer 3] als [medeverdachte 2] op de tie-wrap die gebruikt is om de aangever [slachtoffer 3] aan het bed vast te binden;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de gebruikte vluchtauto die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link die [medeverdachte 3] heeft met de aangevers;\n\nde zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, daarover ‘dingen’ heeft besproken, een gedeelte van de buit heeft gekregen en een auto heeft geregeld, maar dat hij niet is meegegaan naar de woning.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Millet gaat over een woningoverval in Dreumel in de nacht van 30 december 2020. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep[medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij door [medeverdachte 3] is opgehaald voor de overval in Dreumel. Onderweg is ook [verdachte] opgehaald. Volgens [medeverdachte 1] waren hij, [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] aanwezig in de woning tijdens de overval. Ze zijn met gezichtsbedekking naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee ze naar Dreumel zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] wist hij een paar dagen van tevoren dat de overval zou gaan plaatsvinden. [medeverdachte 1] was als eerste binnen in het huis nadat hij het raam naast de jacuzzi had opengemaakt met een platte schroevendraaier. In de woning heeft hij boven gezocht naar een kluis, geld of sieraden. [medeverdachte 1] heeft tijdens de autorit naar de overval gehoord dat er € 100.000 in de woning zou liggen. Dit bedrag is ook genoemd tijdens de overval zelf. In de auto op weg naar de overval is vooral [medeverdachte 3] aan het woord geweest. De aangevers lagen beneden in bed en werden verzocht te vertellen waar het geld lag. [verdachte] en [medeverdachte 4] stonden bij de slachtoffers. Volgens [medeverdachte 1] hadden [verdachte] en [medeverdachte 4] wapens mee naar de overval. Hij heeft de wapens gezien toen zij in de woning waren op het moment dat er een wapen werd getrokken. Er was één luchtbuks en twee andere kleinere wapens. [medeverdachte 1] denkt dat de luchtbuks van de eigenaar is; die werd op zolder door een van de verdachten aangetroffen. De aangeefster is door [medeverdachte 4] van haar bed gehaald, waarna [medeverdachte 1] met haar en [medeverdachte 4] naar boven is gelopen om geld te zoeken. De aangeefster zou in een kamer boven een tas hebben aangewezen waarin geld lag. Nadat de aangeefster terug was gebracht naar de slaapkamer zag [medeverdachte 1] dat beide aangevers ‘nee’ naar elkaar schudden. [medeverdachte 1] begreep daaruit dat er meer geld in de woning was dan de aangeefster had aangewezen. [medeverdachte 1] zou daarna naar boven zijn gegaan en daar grondig hebben gezocht. Er werd door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] agressief gereageerd naar de aangeefster. Er werd geschreeuwd en [medeverdachte 2] zou de aangeefster met de platte hand in haar gezicht hebben geslagen. Ook zou [medeverdachte 2] aan de haren van de aangeefster hebben getrokken en is er glas kapot gegooid op de grond. [medeverdachte 1] heeft in het huis meerdere kleine stapeltjes met geld gevonden op verschillende plekken. In totaal is er zo’n € 10.000 gevonden. Er is iets meer dan € 2.000 per persoon buitgemaakt. Ook heeft [medeverdachte 1] een tweetal autosleutels gevonden, waarna besloten is de Audi A8 van de aangevers mee te nemen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de Audi A8 van de aangevers gestapt en daarin zijn ook de buitgemaakte spullen geladen. Vervolgens is [medeverdachte 1] met drie andere personen in de Audi A8 van de aangevers naar een plek gereden vlakbij de woning, waar [medeverdachte 3] stond te wachten in een auto. [medeverdachte 2] heeft de Audi A8 van de aangevers bestuurd. Bij de auto van [medeverdachte 3] zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [medeverdachte 3] ingestapt en zijn zij naar Lelystad gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn in de Audi A8 naar Lelystad gereden. In Lelystad is het geld verdeeld bij een oud bedrijf waar ‘geschuild kon worden’. Dit bedrijf was in de buurt van de plek waar de portemonnee van de aangeefster is gevonden, welke door [medeverdachte 1] in het water is gegooid. Het geld is onder de vijf mannen verdeeld. Iedereen kreeg een gelijk deel. De sieraden zijn door [medeverdachte 1] meegenomen naar huis, maar uiteindelijk zoekgeraakt. [medeverdachte 3] heeft ‘niet met zoveel woorden’ tegen [medeverdachte 1] gezegd dat de tip dat er veel geld lag in de woning van aangevers van zijn vader afkomstig was. [medeverdachte 1] leidde dit af uit ‘de manier waarop [medeverdachte 3] het zei’. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij wist dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie was’ van de aangevers.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat zij lagen te slapen toen vier mannen hun slaapkamer betraden. De mannen droegen allen gezichtsmaskers en handschoenen. Twee mannen hadden een vuurwapen vast en hebben deze op de aangevers gericht. Eén man dreigde met een hamer te slaan en een ander was in het bezit van een luchtbuks, die aangever [slachtoffer 3] herkende als de zijne. De mannen riepen telkens om geld. De mannen bonden de handen en de voeten van de aangevers vast met tie-wraps. Aangever [slachtoffer 3] heeft meerdere keren een vuurwapen tegen het hoofd gezet gekregen. Aangeefster [slachtoffer 4] is aan haar haren van het bed getrokken en heeft twee klappen in haar gezicht gekregen. Uiteindelijk is – onder meer – een geldbedrag, een portemonnee, sieraden en een Audi A8 voorzien van het kenteken [kenteken 1] weggenomen.\n\nDNA-match [medeverdachte 2] op tie-wrapOp het bed van de aangevers zijn meerdere aan elkaar verbonden tie-wraps aangetroffen. Uit de bemonstering van een van deze tie-wraps (het deel tussen het uiteinde en het slotje) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Het DNA-hoofdprofiel komt overeen met het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 3] . Het DNA-nevenprofiel komt overeen met het DNA van [medeverdachte 2] . Van het DNA-nevenprofiel uit de bemonstering is het 13 miljoen keer waarschijnlijker dat [medeverdachte 2] de donor is dan wanneer dit niet zo is.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje.\n\nRoute weggenomen Audi A8 met kenteken [kenteken 1] en de auto met het kenteken [kenteken 2]\n\nOp camerabeelden gemaakt op het terrein van de aangevers is te zien dat op 30 december 2020 omstreeks 02:37 uur een personenauto van het merk Audi die op het terrein stond geparkeerd, wegrijdt nadat om 02:36 uur drie personen zijn ingestapt in het voertuig. Het hof begrijpt dat dit – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – de Audi A8 van de aangevers betreft die is voorzien van het kenteken\n\n [kenteken 1] .\n\nHet kenteken [kenteken 1] is later die nacht twee keer vastgelegd door een ANPR-camera. Om 03:26 uur is de Audi A8 op de A27 ter hoogte van Nieuwegein geregistreerd en om 03:47 uur op de kruising van de N702 met de Polderdreef in Almere-Buiten. Op datzelfde tijdstip (03:47 uur) is door ANPR-camera’s een Audi A8 of S8 met het kenteken [kenteken 2] op diezelfde kruising in Almere-Buiten vastgelegd. Op de ANPR-foto is te zien dat het kenteken op de achterzijde van een personenauto is bevestigd, terwijl dat kenteken hoort bij een camper. Het kenteken [kenteken 2] blijkt eerder die nacht om 03:18 uur door een ANPR-camera te zijn vastgelegd op de A15 ter hoogte van Deil Oost (Gelderland). Uit raadpleging van Google Maps volgt dat dit punt ligt op een van de rijroutes vanaf Dreumel in de richting van de A2. De voertuigen zijn uiteindelijk samengekomen in Almere-Buiten.\n\nUit het dossier blijkt dat het kenteken [kenteken 2] aan [medeverdachte 3] is te koppelen, omdat hij op 24 december 2020 (ongeveer één week voor de overval) een voertuig met daarin twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] heeft opgehaald bij het beslaghuis. Uit de politiesystemen blijkt bovendien dat [medeverdachte 3] vanaf 12 december 2020 een Audi A8, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , op zijn naam heeft staan. [medeverdachte 3] is op 23 december 2020 ook als bestuurder van deze auto gecontroleerd.\n\nHet hof begrijpt – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – dat de auto waarop het kenteken\n\n [kenteken 2] was bevestigd, de auto is geweest waarin [medeverdachte 3] heeft gereden op weg naar de overval en waar [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn ingestapt na de overval op weg naar Lelystad.\n\nLink tussen de aangevers en [medeverdachte 3]Uit het dossier blijkt dat de aangevers (goede) bekenden zijn van de vader van [medeverdachte 3] . Ook heeft de aangeefster [medeverdachte 3] in het verleden twee keer gezien en heeft zij verklaard dat haar man en de vader van [medeverdachte 3] elkaar al lang kennen. Dat [medeverdachte 3] de aangevers kent wordt ook bevestigd door een proces-verbaal dat is gevoegd in hoger beroep van 23 maart 2026. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [medeverdachte 3] de aangever [slachtoffer 3] heeft gebeld op 17 maart 2026 naar aanleiding van de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de politie. [medeverdachte 1] heeft overigens ook verklaard dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie’ was van de aangevers. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij dacht dat de tip dat er € 100.000 in de woning lag van de vader van [medeverdachte 3] kwam, hoewel [medeverdachte 3] dit ‘niet met zoveel woorden’ tegen hem heeft gezegd.\n\nZendmastgegevens van [medeverdachte 3]Uit het politieonderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] ten tijde van de overval de gebruiker was van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Uit zendmastgegevens van dit telefoonnummer blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 3] verschillende reisbewegingen heeft gemaakt die overeenkomen met het verloop van de overval. Zo straalt de telefoon eerst een zendmast aan die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] op 29 december 2020 van 20:54 uur tot 22:11 uur. Daarna maakt de telefoon een reisbeweging naar Amsterdam en straalt de telefoon van 23:23 uur tot 23:46 uur een zendmast aan die dekking geeft aan het adres waar [verdachte] ten tijde van de overval woonachtig was. In de nacht van 30 december 2020 om 00:52 straalt de telefoon een zendmast aan in Lith (Gelderland). Tijdens de overval heeft de telefoon geen verbindingen geregistreerd. Later straalt de telefoon zendmasten aan in Vianen (03:24 uur) en Almere (03:52 uur), locaties die naar voren zijn gekomen in de netwerkmeting uitgevoerd op de route Dreumel-Almere. Iets later die nacht straalt de telefoon een zendmast aan in Lelystad (van 04:43 uur tot 04:58 uur). Uiteindelijk maakt de telefoon vanaf 06:45 uur weer contact met zendmasten in de regio West-Friesland.\n\n [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] in Amsterdam is opgehaald op weg naar de overval door [medeverdachte 3] en dat zij vervolgens zijn doorgereden naar de woning in Dreumel. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij met [verdachte] na de overval weer bij [medeverdachte 3] is ingestapt en dat zij naar Lelystad zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] is het geld verdeeld in Lelystad vlakbij de locatie waar de portemonnee van de aangeefster later is teruggevonden. De zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] sluiten dus aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] . De zendmastgegevens komen ook overeen qua tijdstip en locatie met de twee ANPR-registraties van de weggenomen Audi A8 van aangevers in Vianen (03:24 uur) en in Almere (03:52 uur).\n\nChatberichten voor en na de overval\n\nUit het telefoontoestel van [verdachte] heeft de politie een groot aantal chatberichten uit de applicatie WhatsApp veiliggesteld waarvan een deel was verwijderd. De politie heeft de verwijderde berichten kunnen herstellen, maar hierbij is wel de woordvolgorde ‘gescrambled’ (verwisseld).\n\nGeen van de verdachten heeft betwist de gebruiker te zijn van de door de politie aan hen toegeschreven telefoonnummers. Er is door de verdachten ook niet betwist dat zij de in het dossier opgenomen en aan hen toegeschreven chatberichten hebben verstuurd.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten verschillende gesprekken gevoerd over het aanschaffen van auto’s:\n\nop 4 december 2020 zegt [verdachte] dat een auto (“bak”) moet worden geregeld (“fixen”) en dat ze dan kunnen gaan “happen”.\n\nop 11 december 2020 laat [medeverdachte 3] weten dat hij een A8 kan ophalen voor € 3.000,00 (“3k”). [verdachte] zegt even later dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gesproken die met “ [bijnaam 2] ” was en dat het een goede prijs (“goeie”) is. [medeverdachte 3] schrijft “laat ze daarom wat regelen”, waarop [verdachte] antwoordt dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gezegd “opschieten”.\n\nop 13 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] “die gaat nu naar m’n vader” en hij laat weten op een (andere) auto een aanbetaling te hebben gedaan, maar nog steeds een geldbedrag mist van “ [bijnaam 1] ”. [verdachte] schrijft “we gaat dat regelen met die snotaap”. [medeverdachte 3] antwoordt “ja want dan hebben we 7 serie en a8”. [verdachte] zegt “we hadden nu gewoon twee waggie” en “gaan we het allemaal van hem afhalen”. Het hof merkt hierbij op dat [medeverdachte 1] ook wel “ [bijnaam 2] ” wordt genoemd.\n\nHet hof begrijpt uit deze gesprekken dat er werd gesproken over de aankoop van de Audi A8 en de BMW 735i (7 serie) die vanaf 12 december 2020 (Audi A8) en 21 december 2020 (BMW 735i) op naam van [medeverdachte 3] hebben gestaan. [verdachte] was actief betrokken bij de aankoop van deze twee auto’s. Dit vindt bevestiging in de verklaring die [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. [verdachte] heeft verklaard dat deze berichten gingen over ‘het regelen van auto’s voor een klus en dat hij daar ook wat voor heeft gekregen’. Met ‘happen’ bedoelt [verdachte] – naar eigen zeggen – geld verdienen door het uitvoeren van ‘klussen’. De auto was volgens [verdachte] nodig om de klus te doen. De verklaring van [verdachte] bevestigt daarmee dat de auto’s niet voor [medeverdachte 3] persoonlijk bedoeld waren, maar dat deze geregeld moesten worden voor het uitvoeren van ‘klussen’ (het hof begrijpt: overvallen). Dit vindt ook steun in een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 26 augustus 2021, waarin [medeverdachte 1] zegt – althans, zo begrijpt het hof het bericht – dat de Audi A8 op naam van [medeverdachte 3] “van ons allemaal is”.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten ook verschillende chatgesprekken gevoerd over de planning van de overval:\n\nop 21 december 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] of iedereen klaar (“ready”) is voor volgende week (“next week”) en zegt hij dat hij “honger” heeft. [medeverdachte 3] antwoordt “ik ook”. [verdachte] heeft hier ter terechtzitting in hoger beroep over verklaard dat met deze berichten werd bedoeld dat ‘iedereen geld wilde gaan verdienen met de klus’.\n\nop 22 december 2020 laat [verdachte] aan [medeverdachte 1] weten dat [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) “honger” heeft. [medeverdachte 1] antwoordt “jaa hij komt” en “die [persoon] zit toch vast”. [verdachte] zegt “we vertrouwen op hem”, “ik weet het” en “had hij me gezegt”.\n\nop 25 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 2] dat maandag “aan” is, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “zie je snel”. [medeverdachte 2] zegt “goede dingen”, wat [verdachte] bevestigt met dat hij “ready” is. [medeverdachte 2] zegt dan “nieuwe wagie ook daar”.\n\nop 28 december 2020 chat [medeverdachte 1] met zijn vriend [betrokkene 1] . De politie heeft dit gesprek aangetroffen op de telefoon van [betrokkene 1] . Deze berichten konden zonder dat de woordvolgorde is veranderd veilig worden gesteld. [betrokkene 1] schrijft dan “bigday”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “jaa we gaan in de avond” en “hoop goed daar”.\n\nop 28 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat vandaag de “big day” is, wat [medeverdachte 3] bevestigt. Om 17:51 uur stuurt [verdachte] een locatie naar [medeverdachte 3] “ [adres 6] ”, “grote parkeerplaats”. Om 18:52 uur zegt [medeverdachte 3] “morgen 100 procent”.\n\nop 29 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] naar [verdachte] “vuurwerk vanavond”, wat [verdachte] bevestigt met “vanavond 100”. [medeverdachte 3] zegt “jackpot”. Om 17:19 uur kunnen [medeverdachte 3] en [verdachte] “ [bijnaam 8] ” niet bereiken. [verdachte] denkt dat hij misschien “bij zijn vrouwtje thuis” is. [medeverdachte 3] zegt dat “hij weet wat gaande is”. [verdachte] zegt “geen stress”. Om 21:07 uur laat [verdachte] weten dat hij nu naar Amsterdam gaat rijden. Om 23:05 uur geeft [verdachte] de locatie door “ [adres 6] ”. Om 23:16 uur zegt [medeverdachte 3] “ben er”, waarop [verdachte] antwoordt “wacht effe op me ik ga nu komen ”.\n\nHet hof begrijpt uit deze chatgesprekken dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in eerste instantie op maandag 28 december 2020 met elkaar hebben afgesproken en dat deze afspraak in het teken stond van geld verdienen door het uitvoeren van ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). Het hof begrijpt uit de berichten dat de overval uiteindelijk niet is doorgegaan, omdat [medeverdachte 3] op 28 december 2020 om 18:52 uur schrijft ‘morgen 100 procent’. Dit blijkt ook uit de daarop volgende berichten van 29 december 2020 waarin wordt gesproken over ‘vuurwerk vanavond’. [verdachte] heeft overigens ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de berichten over vuurwerk gingen over ‘die klus’. Hij heeft van tevoren over ‘die overval’ gesproken. De berichten van 29 december 2020 tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] komen ook overeen met de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] en de verklaring van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] onderweg naar de overval in Amsterdam is opgehaald.\n\nIn de periode kort na de overval zijn er ook verschillende chatgesprekken geweest die naar het oordeel van het hof verband houden met de overval in Dreumel:\n\nop 30 december 2020 om 10:49 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “ben net ene uur terug maar lag er niet iedereen 2 kop per man” en “hij had het echt niet”. Om 18:20 uur stuurt [medeverdachte 1] een schermafbeelding van een chatgesprek met ‘ [bijnaam 3] ’ (het hof begrijpt [medeverdachte 3] ), waarin staat geschreven “ik moet zo met me pa naar die man dus niemand moet me appen tot gehoor van mij snap je”. [medeverdachte 1] schrijft “die man heeft vermoedens”. [betrokkene 1] vraagt “kende hij jullie”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “neee”.\n\nop 30 december 2020 vanaf 18:34 uur probeert [verdachte] contact te leggen met [medeverdachte 4] . [verdachte] schrijft “die [bijnaam 3] heeft ons nodig man” en “we moeten deze man gaan helpen”.\n\nop 30 december 2020 om 23:27 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 3] een locatie “ [adres 7] ” en “ [plek] ”, waarop [medeverdachte 3] om 23:31 uur antwoordt “ben er”.\n\nop 2 januari 2021 om 14:34 uur laat [medeverdachte 3] aan [verdachte] weten dat de afspraak is om vanavond met zijn vader te gaan. [verdachte] zegt te willen bespreken “hoe we dit moeten aanpakken”. [medeverdachte 3] schrijft “ben ik op anpr gehit” en zegt “moet straks andere nummerborde klemmen”. [verdachte] zegt “doe dat” en “laat me weten”.\n\nop 2 januari 2021 om 18:46 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “hele gedoe met deze torrie man”. Als [betrokkene 1] vraagt “hoezo”, antwoordt [medeverdachte 1] “ [bijnaam 3] ze vader is bedreigt met gannu” en “die vader van [bijnaam 3] zeg hij heeft daar ligge”.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten dat er na de overval problemen zijn ontstaan tussen de aangevers en (de vader van) [medeverdachte 3] . De berichten zijn relatief kort na de overval gestuurd en sluiten aan bij wat zich – zoals uit het dossier blijkt – na de overval heeft afgespeeld. Aangever [slachtoffer 3] heeft direct na de overval aan de politie ter plaatse verteld dat hij vrijwel zeker wist wie één van de verdachten was. De volgende dag heeft aangever [slachtoffer 3] aan de politie laten weten dat dit vermoeden ziet op [medeverdachte 3] (“de zoon van [vader medeverdachte 4] ”). Aangever [slachtoffer 3] is in de avond van 30 december 2020 naar Noord-Holland gereden om zijn vermoeden met [vader medeverdachte 4] te bespreken en naar [medeverdachte 3] op zoek te gaan. Op 30 december 2020 om 21:56 uur vraagt [vader medeverdachte 4] via de chat aan [medeverdachte 3] om naar huis te komen , zodat zij samen naar aangever [slachtoffer 3] (“mijn naamgenoot”) kunnen gaan. [medeverdachte 3] antwoordt op diezelfde dag om 22:01 uur “morgen gaan we erheen”. Het bericht van [medeverdachte 1] ‘dat het er niet lag’ en dat er ‘2 kop de man’ was sluiten bovendien aan bij de verwachting van alle verdachten dat er € 100.000 in de woning zou liggen en dat ze uiteindelijk ongeveer € 2.000 per persoon hadden gekregen.\n\nHet hof komt tot de conclusie dat de hierboven opgenomen chatberichten allemaal verband houden met de overval in Dreumel. Daarbij merkt het hof op dat [verdachte] in hoger beroep heeft verklaard dat – in elk geval – een gedeelte van de berichten gingen over het regelen van auto’s voor de overval en de wens om geld te verdienen met ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). De berichten sluiten ook aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] en hetgeen hierboven verder is opgenomen over de andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs\n\nHet hof komt tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de overval in Dreumel hebben gepleegd en dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld op grond van:\n\nde verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] in hoger beroep hebben afgelegd;\n\nde verklaringen van de aangevers;\n\nde conclusie dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de personenauto met het kenteken [kenteken 2] die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link tussen de aangevers en [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ;\n\nde chatberichten die hierboven zijn opgenomen.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] daadwerkelijk bij de overval aanwezig is geweest. Hij heeft voorafgaand aan de overval wel afgesproken met [medeverdachte 3] , maar hij is enkel betrokken geweest bij het regelen van een voertuig voor de overval en hij is niet meegegaan.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] wél aanwezig is geweest bij de overval en dat hij daaraan heeft deelgenomen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] bij de overval aanwezig is geweest. Daarbij komt dat [verdachte] zich ook kort na de overval bezig houdt met de problemen die zijn ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Zo stuurt hij op 30 december 2020 aan [medeverdachte 4] (die ook bij de overval aanwezig was) dat ze ‘ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) moeten helpen’. Op 30 december 2020 spreekt [verdachte] nog laat op de avond af met [medeverdachte 3] . Op 2 januari 2021 houdt [medeverdachte 3] [verdachte] nog op de hoogte van het verdere verloop en schrijft [verdachte] te willen bespreken ‘hoe we dit moeten gaan aanpakken’. De verklaring van [medeverdachte 1] en de chatberichten na de overval passen niet goed bij het scenario dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] in Dreumel plaatsen maakt dit niet anders, omdat uit het dossier blijkt dat het voor de verdachten gebruikelijk was om hun telefoon uit te zetten tijdens een overval. [medeverdachte 1] heeft dit ook bevestigd ter terechtzitting in hoger beroep. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zijn telefoon ‘elke keer uit deed als er wat gebeurde om zijn locatie niet aan te geven’. [verdachte] heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij zijn telefoon wel eens bewust uitzette. Hij heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigmodus heeft gezet zodat hij kon voorkomen dat later gezien kon worden waar hij geweest was.\n\nMedeplegen\n\nHet hof stelt – mede gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tijdens de overval in de woning in Dreumel aanwezig waren en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto was. Dit komt overeen met de verklaring van de aangevers, die hebben verklaard dat er vier mannen in hun slaapkamer stonden. Het hof stelt verder vast dat de daders in de slaapkamer hebben gestaan met wapens. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens met de aangeefster [slachtoffer 4] naar boven gegaan om geld te zoeken. De kleine overvaller die volgens de aangeefster aan haar haren heeft getrokken en haar in het gezicht heeft geslagen is [medeverdachte 2] geweest, zoals ook door [medeverdachte 1] is bevestigd.\n\nHet hof leidt hieruit af dat alle verdachten een eigen rol hadden tijdens de overval. [medeverdachte 1] heeft – naar eigen zeggen – via het raam de toegang tot de woning verschaft en (al dan niet met [medeverdachte 4] en de aangeefster) gezocht naar geld. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben bij de slachtoffers gestaan. Nu uit de verklaringen van aangevers blijkt dat er toen wapens waren en dit ook door [medeverdachte 1] wordt bevestigd, gaat het hof er van uit dat [medeverdachte 4] en [verdachte] (in elk geval) toen in de slaapkamer de wapens hadden. [medeverdachte 2] was ook in de woning aanwezig en heeft geweld tegen de aangeefster gebruikt. [medeverdachte 3] heeft als bestuurder van de vluchtauto opgetreden.\n\nDaar komt bij dat de verdachten voorafgaand aan de overval al met elkaar hebben afgestemd wanneer de overval zou plaatsvinden en hebben zij daartoe de nodige voorbereidingen getroffen. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich voor de overval actief bezig gehouden met het regelen van een (vlucht)auto voor de overval. [medeverdachte 3] heeft ook valse kentekenplaten geregeld voor de (vlucht)auto. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat er voorafgaand aan de overval dingen met hem waren besproken over de overval. Er was dus sprake van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan en de verdachten hebben in die wetenschap gehandeld.\n\nDe verdachten zijn nadat zij plannen hadden gemaakt voorafgaand aan de overval vanuit Noord-Holland naar de woning in Dreumel gereisd. Na de overval zijn de verdachten in twee voertuigen, waaronder de Audi A8 van de aangevers weggereden om de buit te verdelen. Hierbij heeft iedereen een gelijk deel gekregen van de buit. Dit blijkt zowel uit chatberichten (‘iedereen 2 kop per man’) als ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] .\n\nHet verweer van de verdediging dat er sprake is van een onvoldoende materiële bijdrage om van medeplegen te spreken, wordt door het hof verworpen. Behalve zijn betrokkenheid in de voorbereiding; in de voorfase, heeft hij ook een actieve en essentiële rol gehad tijdens de overval en ook na de overval was hij aanwezig bij het verdelen van de buit en was hij actief bezig met de problemen die waren ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Dit duidt naar het oordeel van het hof op een bedrage die van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht daarmee het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld bewezen.\n\n6.2.3. Zaaksdossier Zwenkau\n\nOp 7 januari 2021, een week na de overval in Dreumel, wordt een woning overvallen in Avenhorn. Voor deze overval worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte voor betrokkenheid als medepleger van zowel de poging gekwalificeerde doodslag als het medeplegen van diefstal met geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend kan worden veroordeeld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van beide feiten moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van medeplegen van diefstal met geweld is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep heeft het hof op enkele punten in de overwegingen van de rechtbank een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nIn de nacht van 7 januari 2021 heeft rond 01:30 uur in een woning aan [adres 3] in Avenhorn een gewapende woningoverval plaatsgevonden, waarbij onder meer contant geld, een portemonnee met inhoud en autosleutels zijn weggenomen. Aangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en heeft een werkplaats aan huis. [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] lagen te slapen toen drie mannen met bivakmutsen de woning betraden. Twee van de daders hadden een vuurwapen. [slachtoffer 6] heeft in zijn slaapkamer met de overvallers gevochten en is onder andere op zijn hoofd geslagen met een hard voorwerp. Tijdens het gevecht met een van de overvallers heeft [slachtoffer 6] hem hard in een van zijn vingers gebeten. [slachtoffer 5] is haar partner komen helpen en heeft ook met de overvallers gevochten. Toen [slachtoffer 5] haar partner [slachtoffer 6] wilde helpen, is een van de overvallers met een wapen op haar afgekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten.\n\nGebleken is dat [slachtoffer 5] een groot gat in haar hals had en dat sprake was van een schotwond. Uit het dossier, de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] en de slachtofferverklaring zoals die ten overstaan van het hof is afgelegd blijkt dat [slachtoffer 5] tot op heden – onder meer – een blijvende tinnitus heeft opgelopen. De schotwond in de hals en de blijvende tinnitus zijn naar het oordeel van het hof te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nDe verdachten zijn met een BMW gekomen en na de overval ook weer in die BMW vertrokken. Deze BMW was door [medeverdachte 3] en [verdachte] geregeld en werd door [medeverdachte 3] bestuurd.\n\nVerklaring [medeverdachte 1]\n\n heeft verklaard dat hij voor de overval al wist van het plan. Dit heeft hij ook besproken met zijn vriend [betrokkene 1] . Op de dag zelf was hij bij [medeverdachte 2] thuis en daar heeft hij [verdachte] gezien, [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] . Rond een uur of half een (’s-nachts) zijn zij naar woning in Avenhorn gereden. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hadden een schroevendraaier bij zich. [verdachte] en [medeverdachte 4] hadden een wapen mee. [medeverdachte 4] had een wapen van het merk Smith en Wesson mee. [verdachte] had de CZ. Deze had hij ten tijde van de overval ook in zijn handen. [medeverdachte 2] heeft met de mannelijke bewoner gevochten en de mannelijke bewoner heeft [medeverdachte 2] in een van zijn vingers gebeten. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] de mannelijke bewoner met een lamp geslagen. [medeverdachte 1] heeft een schot gehoord. Hij denkt dat [verdachte] heeft geschoten. Ze waren met de BMW van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) gekomen en met die auto zijn ze ook weer vanaf de woning in Avenhorn vertrokken. [medeverdachte 3] was de bestuurder. Voor de overval was er een voorbespreking bij [medeverdachte 2] geweest. Er zou daar (in de woning in Avenhorn) goud zijn en mogelijk ook cash. Het ging om iemand die professioneel met goud bezig was: een goudsmid aan huis.\n\nHet hof is – zoals hiervoor is overwogen – van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebezigd kunnen worden.\n\nDat [medeverdachte 2] door de mannelijke bewoner in zijn vinger is gebeten wordt bevestigd door de verklaring van zijn ex-partner [getuige 1] . Zij heeft ten overstaan van de politie verklaard dat [medeverdachte 2] op een avond ‘toen hij iets ging doen’ in zijn vinger is gebeten. Zij heeft de vinger verzorgd. Dit heeft zij ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Dat de verklaring van [getuige 1] naar het oordeel van het hof voor het bewijs gebruikt kan worden is hiervoor al overwogen.\n\nDat [medeverdachte 2] ten tijde van deze woningoverval in zijn vinger is gebeten leidt het hof af uit het volgende. Volgens [getuige 1] was [medeverdachte 2] in zijn vinger gebeten toen ze ‘met zijn allen op pad gingen’. De ‘ [bijnaam 4] ’ belde via video de volgende dag en had toen ook zijn rug bezeerd, zo heeft zij verklaard.\n\n [verdachte] was in die periode woonachtig in [stad] . Uit berichtenverkeer (Telegram) tussen [verdachte] en zijn ex-partner [getuige 6] op 8 januari 2021 en informatie van de huisarts van [verdachte] van 15 januari 2021 en zijn verklaring ten overstaan van de politie op 25 mei 2022 leidt het hof af dat [verdachte] toen letsel aan zijn ribben had en dat hij over dit letsel in het videogesprek met [medeverdachte 2] sprak waarover [getuige 1] heeft verklaard.\n\nOp grond hiervan concludeert het hof dat het letsel aan de vinger van [medeverdachte 2] door een beet is ontstaan op 7 januari 2021.\n\nVerklaring [verdachte]\n\nTen overstaan van het hof heeft [verdachte] verklaard dat de berichten op 6 januari 2021 in de avond erover gingen dat [medeverdachte 1] hem vroeg of hij ( [verdachte] ) hem ( [medeverdachte 1] ) kon ophalen. Eerder was gesproken over een klus bij een goudsmid. Er waren meerdere personen aanwezig bij die bespreking. Met hem werd gesproken over hoe ze het ongeveer wilden doen. Ook werd er besproken of er goud, ‘goldies’ aanwezig zou zijn. De bedoeling was dat een paar mensen naar binnen zouden gaan om het goud te halen. Er zou een BMW gebruikt worden. Hij zou meedelen in de buit. Het gesprek over ‘cz bro’ gaat over een wapen. Er werd een vraag over een wapen gesteld. Hij kende mensen die in wapens handelen.\n\nDat [verdachte] die avond in Noord-Holland was leidt het hof af uit het feit dat uit ARS-gegevens is op te maken dat een voertuig (Audi A2) met kenteken [kenteken 6] , op 6 januari 2021 rond 23:40 uur (dus in de uren voorafgaand aan de overval in Avenhorn) over de N242, vanaf de [adres 26] in Alkmaar in de richting van Heerhugowaard\u002FBroek op [adres 25] rijdt. Dit voertuig stond op naam van de moeder van [verdachte] , maar werd ook door hem gebruikt. Het hof meent dat dit feit in combinatie met de berichtenuitwisselingen en de verklaring van [medeverdachte 1] de conclusie rechtvaardigt dat [verdachte] die avond naar Noord-Holland is gekomen en mee is gegaan naar Avenhorn.\n\nVerklaring [betrokkene 1]\n\n heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld over de overval in Avenhorn op een goudsmid, dat [medeverdachte 1] daarbij betrokken was, dat [medeverdachte 1] mee naar binnen is gegaan, dat er is geschoten en dat hij heeft gehoord dat er iemand in zijn vinger is gebeten.\n\nDeze verklaring van [betrokkene 1] wordt onderbouwd door chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] uit die periode.\n\nBerichtenuitwisselingenIn de telefoon van [verdachte] bevinden zich berichten die zijn uitgewisseld tussen de verdachten en tussen de verdachten en anderen, die naar het oordeel van het hof gaan over de woningoverval in Avenhorn. Zo zijn er berichten over ‘goud’, ‘gol(d)(ies)’ en ‘goudsmit’.\n\nAangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en hij had een werkplaats aan huis, met een kluis met daarin zijn voorraad goud en zilver. In berichtenuitwisselingen eind december 2020, begin januari 2021 wordt gesproken over goud, gol en goldies. Zo zegt [medeverdachte 8] (een bekende van de verdachten) tegen [verdachte] op 20 december 2020: “Morgen of overmorgen ga ik die ene” (…) “die Goud”. [verdachte] zegt dan “Is cool, check hem goed”. Op 23 december 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [verdachte] : “up ook niet wat goldies dan doen”. Op 3 januari 2021 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] : “ [bijnaam 9] gaan we die gol doen”. Het hof gaat ervan uit dat waar er in deze berichten wordt gesproken over ‘die Goud’, ‘Goldies’ en ‘Gol’, dat er dan wordt gesproken over ‘de goudsmid’, refererend aan het beroep van [slachtoffer 6] . Voor deze interpretatie ziet het hof overtuigend bewijs in de berichtenuitwisseling door [medeverdachte 1] op 6 januari 2021 waarin hij expliciet de benaming goudsmid gebruikt, in combinatie met de term ‘goldies’. Hij zegt namelijk tegen [betrokkene 1] dat hij vanavond “een goeie torri heeft, bij goldies goudsmit in osso”. Het hof begrijpt dit bericht zo dat [medeverdachte 1] hier spreekt over een overval (torri) op een goudsmid in huis (in osso), welke overval dus ook daadwerkelijk die nacht heeft plaatsgevonden.\n\nDe verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard dat de chats over hasj gaan. Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de verklaring van [medeverdachte 1] wordt deze verklaringen als ongeloofwaardig terzijde gesteld.\n\nMedeplegen\n\nUit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de drie daders zijn geweest die (in elk geval) de woning van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] in Avenhorn zijn binnengegaan en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto is geweest. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt dat er voorafgaand aan de overval een overleg heeft plaatsgehad waarin het plan om de woning te overvallen is besproken. Dit blijkt eveneens uit de berichtenuitwisselingen die hebben plaatsgevonden.\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben samen het plan opgevat om de woning te overvallen, zij zijn gezamenlijk naar de woning toegegaan en vervolgens zijn midden in de nacht in elk geval [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en mogelijk [medeverdachte 4] met in ieder geval twee vuurwapens de woning binnen gegaan.\n\nDaarmee hebben zij nauw en bewust samengewerkt om de bewoners in de slaapkamer ‘onder controle te houden’ en de buit mee te nemen. Zij hebben dan ook allen een rol van voldoende gewicht gehad bij de gezamenlijke uitvoering van de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt.\n\nTen aanzien van [medeverdachte 3] overweegt het hof nog het volgende. Voorafgaand aan de woningoverval in Avenhorn hadden al drie overvallen plaatsgevonden: de woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020, de overval op het tankstation in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020, de woningoverval in Dreumel op 30 december 2020 en dan een week later deze overval. In alle gevallen treedt [medeverdachte 3] op als chauffeur en regelt hij de vluchtauto. Bovendien blijkt uit wat ten aanzien van deze andere overvallen is overwogen dat [medeverdachte 3] meedeelde in de buit en ook bij de voorbesprekingen aanwezig was. Gelet op zijn rol bij die overvallen en wat ten aanzien van deze overval hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat ook zijn rol als die van medepleger kan worden gekwalificeerd.\n\nSchutterUit de verklaring van mevrouw [slachtoffer 5] volgt dat een van de overvallers met een wapen op haar af is gekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten. Uit deze verklaring begrijpt het hof dat dit de door haar geduide ‘tweede overvaller’ is geweest. Deze persoon zou tussen de 1.74 en 1.77 meter lang zijn geweest, tussen de 20 en 25 jaar en droeg gezichtsbedekking. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat zowel [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] als hijzelf in de woning zijn geweest. Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 5] , in het bijzonder de kenmerken van de schutter die zij noemt, en de omstandigheid dat meerdere verdachten in de woning\u002Fslaapkamer zijn geweest, komen naar het hof meerdere verdachten in aanmerking voor de vaststelling de schutter te zijn geweest. Immers zowel [verdachte] en [medeverdachte 1] en mogelijk ook nog een derde verdachte passen binnen de vaststellingen die het hof kan doen.\n\nGelet hierop concludeert het hof dat het niet mogelijk is om vast te stellen wie de schutter is geweest. Wel kan worden vastgesteld dat een van de aanwezige daders hiervoor verantwoordelijk is.\n\nConclusieHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Avenhorn en dat dit gekwalificeerd kan worden als medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachten is ook het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag ten laste gelegd. Deze verdenking geldt in hoger beroep nog voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het hof maakt eerst enkele algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Vervolgens licht het hof toe waarom voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in het zaaksdossier Zwenkau aan die eisen is voldaan.\n\nDe wet spreekt van (een poging tot) gekwalificeerde doodslag als er sprake is van (een poging tot) doodslag die is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een ander strafbaar feit. Voor een bewezenverklaring van een poging gekwalificeerde doodslag moet allereerst worden bewezen dat verdachten opzettelijk een ander van het leven hebben proberen te beroven. Onder ‘opzettelijk’ wordt ook begrepen ‘voorwaardelijk opzet’. Dat betekent dat de verdachten niet per sé de uitdrukkelijke bedoeling hoeven te hebben gehad om iemand van het leven te beroven, maar dat het voldoende is als zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd.\n\nTen tweede moet de (poging tot) doodslag zijn gepleegd met het oogmerkom dat andere strafbare feit voor te bereiden, te vergemakkelijken of om – bij betrapping op heterdaad – aan zichzelf of anderen straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren. Anders verwoord: de (poging tot) doodslag moet worden gepleegd met een specifiek doel.\n\nHet hof zoomt voor de verdachten in deze zaak hierna in op beide elementen (opzet en oogmerk).\n\nOpzetOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 5] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en de inhoud van een kluis, geld en waardevolle goederen te bemachtigen. Dat blijkt uit de wijze van binnentreden, uit het feit dat zij (nadat met het vuurwapen is geschoten) de woning beneden nog hebben doorzocht en de verdachten voortdurend hebben geroepen: ‘Waar is het geld’, ‘We willen het grote geld’, ‘We willen geld van achteren’. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 5] .\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 5] . De verdachten zijn de woning binnengedrongen terwijl twee van hen een vuurwapen in de hand hadden. Ook bij eerdere overvallen hadden de verdachten een vuurwapen bij zich. Bij een woningoverval, zeker op een tijdstip in de nacht, bestaat de aanmerkelijke kans dat de bewoners thuis zijn en zich tegen dat binnendringen zullen verzetten. Reeds door een vuurwapen direct bij de hand te hebben waarbij het, gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] over het moment waarop moet zijn geschoten, aannemelijk is dat dit wapen was doorgeladen, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt en (een) bewoner(s) daardoor zodanig ernstig gewond zou(den) raken dat de dood het gevolg zou kunnen zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden de dood tot gevolg kunnen hebben. Bij [slachtoffer 5] is het wapen tegen haar hals gedrukt waarna zij in de hals is geschoten. Algemene ervaringsregels leren dat de hals een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin de luchtpijp en (slag)aders bevinden, waar op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door in de nacht de woning met vuurwapens (waarvan er ten minste één was doorgeladen) binnen te dringen, hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt.\n\nOogmerkOok kan bewezen worden verklaard dat de verdachten deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij na het binnendringen van de woning op weerstand stuitten. Nadat deze weerstand was gebroken door [slachtoffer 5] neer te schieten, zijn de verdachten blijven zoeken naar en roepen om waardevolle goederen en hebben zij onder meer de portemonnee en autosleutels van [slachtoffer 6] meegenomen.\n\nConclusieHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt verder op dat hierbij sprake is geweest van eendaadse samenloop met het medeplegen van de diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachten weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar dat de verdachten in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.4. Zaaksdossier Zulpich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\neen vluchtauto die gekoppeld kan worden aan [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 5] voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] ;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] voor en na de overval;\n\neen foto van [medeverdachte 5] met een wapen die vlak voor de overval is gemaakt en waarbij het wapen overeenkomt met het wapen dat bij de overval is gebruikt;\n\nhet aantreffen van de weggenomen autosleutel op de vluchtroute;\n\nde verklaring van [medeverdachte 11] ;\n\ncamerabeelden.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hof\n\nZaaksdossier Zulpich gaat over een woningoverval in Heerhugowaard in de nacht van 4 juni 2021.\n\nHet hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep bij de politie en ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij wist van de overval, maar dat hij er niet bij aanwezig is geweest. [medeverdachte 1] is wel een week voor de overval op locatie geweest, maar de overval is toen niet doorgegaan omdat er politie kwam aanrijden. [medeverdachte 1] zou achteraf over de overval hebben gehoord in restaurant [eetgelegenheid] (het hof begrijpt: eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer). [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , ‘ [medeverdachte 6] ’ en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de overval. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee naar de overvallocatie is gereden en waarmee na de overval weer is gevlucht. [medeverdachte 1] heeft gehoord dat er € 200 per persoon is buitgemaakt.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffers 7 en 8] en [slachtoffer 8]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat in de nacht van 4 juni 2021 vijf mannen met bivakmutsen hun woning zijn binnengekomen. De overvallers hebben daartoe het rooster van het lichtvenster van de garage verwijderd en het uitzetraam opengebroken, waarna één van de overvallers naar binnen is geklommen en toegang heeft verleend aan de andere overvallers. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en één van hen had een koevoet. Een van de wapens had een demper. De aangevers zijn vastgebonden en geblinddoekt. De aangever [slachtoffer 7] is meermaals geslagen met de koevoet. Zijn vrouw, [slachtoffer 8] , is bedreigd met een vuurwapen. Hun zoon, [slachtoffer 9] , is ook met de koevoet geslagen. Er is ook een hete strijkbout op de bovenarm van de zoon nabij de schouder gezet, waardoor een tweede en derdegraads brandwond is ontstaan. De overvallers zijn in de auto van de aangevers weggereden, een Audi Q7 met kenteken [kenteken 4] . Van de aangevers zijn ook een telefoon en een geldbedrag weggenomen.\n\nCamerabeeldenUit forensisch onderzoek is gebleken dat een hek van gaas op het bedrijventerrein waar de woning van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] \u002F [slachtoffer 8] zich bevindt naar beneden is gedrukt. Op deze manier is het mogelijk geweest voor de overvallers het bedrijventerrein te betreden en naar de achterzijde van de woning te lopen.\n\nOp camerabeelden van een bedrijf gevestigd op het bedrijventerrein is te zien dat omstreeks 02:32 uur een auto van het type Sedan het parkeerterrein van een naastgelegen bedrijf oprijdt. Omstreeks 02:33 uur zijn vijf personen te zien die in de richting van het hekwerk lopen. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat één persoon in de auto achterblijft, omdat er af en toe licht brandt in of bij de auto. Omstreeks 03:58 uur komt er van rechts een auto aangereden die stopt bij de geparkeerde auto. Omstreeks 03:59 uur is te zien is dat één persoon naar de passagierszijde van de geparkeerde auto loopt en dat de verlichting van de auto aangaat. Omstreeks 04:00 uur rijdt de auto weg. De andere auto rijdt er achteraan.\n\nUit de camerabeelden blijkt dus dat één persoon in de auto heeft gewacht op de andere overvallers. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] de bestuurder is geweest bij deze overval.\n\nHet hof gaat ervan uit dat de geparkeerde auto op de beschreven beelden de auto betreft waarmee de overvallers met [medeverdachte 3] als bestuurder naar de plaats van het delict zijn gereden. De tweede auto is de gestolen Audi Q7 van [slachtoffer 7] . Het hof betrekt daarbij dat de aangever [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat zijn gestolen auto wegreed in de richting van [adres 25] . Later zag hij van links weer twee auto’s aankomen, die vlak achter elkaar reden. De achterste auto herkende hij aan het kenteken als zijn eigen auto.\n\nAantreffen Audi Q7 aan de [adres 8] in Winkel\n\nKort na de overval is de gestolen auto van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] teruggevonden aan de [adres 8] in Winkel. Uit de getuigenverklaring van [getuige 7] volgt dat deze auto daar is geparkeerd en dat een groep jongens in een grijze personenauto, type Sedan zijn weggereden. De vluchtauto reed met hoge snelheid weg in oostelijke richting. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij denkt dat een grijze auto is gebruikt. Het zou kunnen dat het een Sedan was. Het hof merkt daarbij op dat op de hierboven beschreven camerabeelden gemaakt van het terrein van de aangevers ook een grijze sedan te zien is. De auto die is gezien door [getuige 7] komt dus qua type overeen met de auto die is gezien op de camerabeelden.\n\nVluchtauto\n\nOp camerabeelden van de [adres 8] in Winkel van 4 juni 2021 vanaf 04:08 uur is een Volvo C70 Coupe uit de jaren 1998-2005 te zien. De politie herkent deze auto als de vluchtauto. Uit onderzoek van de politie blijkt dat deze auto aan [medeverdachte 3] kan worden gekoppeld. In die periode had [medeverdachte 3] zo’n auto op zijn naam staan en uit foto’s opgeslagen in zijn telefoon blijkt dat hij deze auto ook gebruikte in de periode rondom de overval. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ‘het waarschijnlijk wel zo is’ dat deze auto van hem is als deze door de politie aan hem is toegeschreven.\n\nChatberichten\n\nIn het dossier bevinden zich verschillende chatberichten in de periode voorafgaand aan de overval die over het regelen van wapens en het plannen van de overval gaan:\n\nop 11 mei 2021 is er een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] waarin gesproken wordt over 765, dempers, “eropzette” en adapters.\n\nop 24 mei 2021 stuurt [verdachte] een audiobericht aan [medeverdachte 5] , waarin [verdachte] vraagt of alles “ready” is, omdat hij een datum moet gaan prikken voor dat wat ze gaan doen. In een chatbericht dat daarop volgt wordt gesproken over een adapter, een “pijppie” en “erop draaije”. En: “we alles wannrr ready gaan”.\n\nuit chatberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat op 31 mei 2021 een afspraak wordt gemaakt bij eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer. [verdachte] wil even wat dingen bespreken met [medeverdachte 3] Om 17:39 uur maakt de telefoon van [verdachte] verbinding met de wifi van dat restaurant.\n\nop 2 juni 2021 chat [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat “ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) vraagt of hij morgen ready is”. [verdachte] antwoordt hierop bevestigend en chat aan [medeverdachte 1] dat hij niet moet vergeten om contact op te nemen met “ [bijnaam 1] ” en “ie en wat dan hoe weet”, wat het hof vertaalt als ‘dan weet ie hoe en wat’.\n\nHet hof begrijpt de chatberichten zo dat er wapens geregeld moeten worden voor een overval. Als dit geregeld is kan de overval plaatsvinden (“we alles wnnrr ready gaan”). Dat de gesprekken over wapens gaan wordt bevestigd door [verdachte] zelf. Hij heeft in hoger beroep verklaard over deze gesprekken dat het klopt dat hij met [medeverdachte 5] over wapens heeft gepraat. Met de ‘765’ werd een ‘CZ’ wapen bedoeld.\n\n [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn voor de overval in de woning van [medeverdachte 2]\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 5] voor de overval in de woning van [medeverdachte 2] zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit telefooncontacten tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , zendmastgegevens van de telefoon van [verdachte] , telefoongegevens van [medeverdachte 2] en ARS-gegevens van de auto van de (ex-)vriendin van [verdachte] . [verdachte] heeft dit bevestigd door in hoger beroep te verklaren dat hij voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] is geweest.\n\nAanwezigheid in loods [medeverdachte 3] voor en na de overval\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode voorafgaand aan de overval en daarna in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] zijn geweest. Dit kan geconcludeerd worden op basis van:\n\neen pintransactie van [medeverdachte 3] bij tankstation [tankstation] in [plaats 2] om 01:45 uur (zo’n 45 minuten voor de overval) in de nabijheid van zijn loods;\n\nzendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] , die nog geen tien minuten na die pintransactie een zendmast aanstraalt die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] na de overval waaruit blijkt dat beide telefoons een zendmast aanstralen die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] . De telefoon van [medeverdachte 2] blijft tot 07:08 uur een zendmast aanstralen in de omgeving van de loods van [medeverdachte 3] .\n\n [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op de avond van de overval in de loods in [plaats 2] is geweest. Tijdens de overval zijn er geen registraties van de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] , die heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet om te voorkomen dat later gezien kon worden waar hij was geweest.\n\nAantreffen autosleutels\n\nDe autosleutels van de gestolen Audi Q7 zijn een paar dagen na de overval teruggevonden op de [adres 9] in Winkel. Uit raadpleging van Google Maps blijkt dat deze locatie past in de route van de [adres 8] in Winkel naar de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] .\n\nVerklaring van [medeverdachte 11][medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij de overval in Heerhugowaard en dat de gestolen auto is weggereden naar Winkel. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 11] verwijst het hof naar hetgeen daarover is overwogen in paragraaf 6.1.3 Het hof merkt daarbij op dat de verklaring van [medeverdachte 11] overeen komt met het aantreffen van de gestolen auto aan de [adres 8] in Winkel, de camerabeelden hiervan en de later teruggevonden autosleutels van de gestolen auto in Winkel.\n\nGebruikte wapen\n\nIn de nacht van 4 juni 2021 om 00:44 uur is in de woning van [medeverdachte 2] een foto gemaakt van [medeverdachte 5] , terwijl hij een vuurwapen vastheeft dat volgens de politie een CZ Scorpion VZ.61 betreft. Op de foto is het wapen voorzien van een demper. Het hof concludeert net als de rechtbank dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval in Heerhugowaard. De foto is vlak voor de overval gemaakt en het wapen dat op de foto is te zien komt overeen met het wapen dat de aangever [slachtoffer 7] heeft beschreven in zijn aangifte. [slachtoffer 7] heeft verklaard dat er een vuurwapen met een demper was, terwijl het vuurwapen op de foto van [medeverdachte 5] ook is voorzien van een demper. Dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval vindt ook bevestiging in de verklaring die [verdachte] in hoger beroep heeft afgelegd. In de chatberichten waarin het gaat over het regelen van een wapen voor een overval wordt immers gesproken over een ‘.765’ en [verdachte] heeft verklaard dat die berichten over een ‘CZ’ gingen. Hij heeft verder verklaard dat hij op de avond van de overval het wapen heeft gezien waarmee [medeverdachte 5] op de foto staat en dat hij wist dat het wapen mee zou gaan naar de overval.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] is meegegaan naar de overval Zendmastgegevens, forensisch bewijs of camerabeelden die hierop duiden ontbreken immers. De verklaring van [medeverdachte 1] is onvoldoende om bij te dragen aan het bewijs, omdat hij heeft verklaard niet veel te weten over deze overval en er zelf niet bij is geweest. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan. Hij is in de loods achtergebleven om de rolluiken open te doen als de overvallers terug zouden keren na de overval. De gesprekken die hij gevoerd heeft met [medeverdachte 5] gingen wel over wapens, maar hielden geen verband met de overval in Heerhugowaard.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] is meegegaan naar de overval. De gesprekken die [verdachte] voorafgaand aan de overval heeft gevoerd hebben naar het oordeel van het hof betrekking op het regelen van een wapen voor de overval in Heerhugowaard. Het hof betrekt daarbij dat de gesprekken kort voor de overval zijn gevoerd. Uit de gesprekken blijkt dat de overval kan plaatsvinden als er een wapen is geregeld (“we alles wnnrr ready gaan”). Iets meer dan een week daarna bevestigt [verdachte] op 2 juni 2021 dat hij ‘ready’ is en zeer kort daarop wordt de overval gepleegd op 4 juni 2021. Het wapen waarover in het gesprek wordt gesproken (de ‘765’) komt daarnaast overeen met het wapen dat is gebruikt bij de overval. [verdachte] is – zoals hij zelf ook verklaart – de avond van de overval zowel in de woning van [medeverdachte 2] als in de loods van [medeverdachte 3] met de medeverdachten geweest. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] wel kan worden gebruikt voor het bewijs, omdat zijn verklaring bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte bij andere overvallen in die periode betrokken is geweest met gedeeltelijk dezelfde medeverdachten als die bij deze overval betrokken zijn geweest. [medeverdachte 1] verklaart bovendien dat hij eerst zelf deze overval zou plegen, maar dat dit niet is doorgegaan omdat de politie kwam aanrijden. Het is daarmee aannemelijk dat hij geïnformeerd is over deze overval.\n\nDeze bevindingen in onderlinge samenhang bezien maken dat het hof het niet aannemelijk vindt dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de loods. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] op de plaats delict plaatsen maakt dat niet anders, omdat [verdachte] immers zelf heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet zodat kan worden voorkomen dat later gezien kan worden waar hij geweest is.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs en de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [verdachte]Het hof stelt op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat [verdachte] en [medeverdachte 3] , samen met anderen, betrokken zijn geweest bij de woningoverval in Heerhugowaard. Het hof gaat ervan uit dat zij vanaf de loods in [plaats 2] in de auto van [medeverdachte 3] naar de plaats van het delict zijn vertrokken, en dat zij na afloop van de overval daarnaar ook zijn teruggekeerd.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] als medeplegers hebben deelgenomen aan de overval in Heerhugowaard.\n\nVoorafgaand aan de overval zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] beiden betrokken geweest bij de voorbereiding en de planning van de overval. [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] gesproken op 11 en 24 mei 2021 over het regelen van een wapen, munitie en een demper. Hierna zouden ze ‘ready’ zijn om de overval te plegen. Kort na die gesprekken spreken [verdachte] en [medeverdachte 3] op 31 mei 2021 af om ‘dingen te bespreken’. Op 2 juni 2021 worden wat berichten gewisseld over ‘ready’ zijn en kort daarna wordt in de nacht van 4 juni 2021 de overval gepleegd. Uit deze berichten blijkt dat sprake was van onderlinge afstemming voorafgaand aan de overval.\n\nOp de avond van de overval zijn de verdachten in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] , waarvandaan de verdachten gezamenlijk zijn vertrokken naar de woning in Heerhugowaard.\n\nHet hof gaat ervan uit dat [verdachte] een van de vijf overvallers is die te zien zijn op de camerabeelden die in de richting van het hek en het perceel van de woning lopen en dat hij één van de overvallers is geweest die binnen in de woning is geweest. [medeverdachte 3] bestuurde de auto naar de plaats delict en is buiten in de auto blijven wachten.\n\nNa afloop van de overval rijden de verdachten met de gestolen auto naar Winkel, die ze daar vervolgens achterlaten. Daarna zijn de verdachten weer samen naar de loods in [plaats 2] gegaan. Uit de telefoongegevens blijkt dat [verdachte] nog geruime tijd in de loods van [medeverdachte 3] is gebleven, voordat hij daar weer is opgehaald door zijn (ex-)vriendin.\n\nUit het bovenstaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich voorafgaand aan de overval intensief hebben beziggehouden met de planning daarvan. Op de avond van de overval wordt er gezamenlijk gereisd en lijkt sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij [medeverdachte 3] in de auto achterblijft zodat de overvallers na de overval snel weg kunnen komen . Na de overval gaat niet ieder zijn eigen weg, maar verzamelen de verdachten nog in de loods in [plaats 2] .\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Er was sprake geweest van onderlinge afstemming en een gezamenlijk plan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.\n\n6.2.5. Zaaksdossier Ararat\n\nOp 14 juni 2021 wordt in een woning in Berkhout het overleden lichaam van de heer [slachtoffer 10] aangetroffen. Hij heeft een schotverwonding in de borst. Vermoed wordt dat het slachtoffer die nacht in zijn woning is overvallen. Voor deze overval met dodelijke afloop worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Behalve de poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend wordt ook aan de verdachten de gekwalificeerde doodslag verweten.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel medeplegen van een poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend als het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de verdenking poging diefstal met geweld\n\nDe verdediging heeft betoogd dat een integrale vrijspraak voor beide feiten moet volgen.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend en het medeplegen van gekwalificeerde doodslag is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvullingen opgenomen.\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nAantreffen van het slachtoffer [slachtoffer 10]\n\nOp maandag 14 juni 2021 rond 13:55 uur heeft de politie een melding gekregen dat in de woning aan het [adres 10] te Berkhout een overleden persoon lag. De politie is naar de woning gegaan en trof op de grond in de woonkamer, het levenloze lichaam aan van [slachtoffer 10] (geboren op [geboortedatum 2] ). [slachtoffer 10] lag op zijn buik, was op blote voeten en droeg alleen een onderbroek.\n\nSporen in de woning van het slachtoffer\n\nDe voordeur en het kozijn van de woning zijn beschadigd door wrikken met een breekijzer en een schroevendraaier. De ruit van de voordeur is gebroken. Op de vloer van de woning is een bloedsporenpatroon te zien en zijn afdruksporen gevonden die zijn veroorzaakt door blote voeten. Deze sporen liepen van de gang, via de woonkamer en de keuken tot bij de achterdeur in de bijkeuken en vervolgens terug tot aan de plaats in de woonkamer waar het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden. In de bijkeuken is op de grond een hockeystick gevonden. Op de buitenzijde van de voordeur en op de vloer in de gang zijn schoenzoolafdruksporen gevonden met een profiel dat overeenkomt met dat van Nike-schoenen. Moeten (indrukken) in het kozijn van de deur tussen de gang en de woonkamer wijzen erop dat daar een worsteling is geweest waarbij een breekijzer en een hockeystick zijn gehanteerd.\n\nOp de grond in de woonkamer is de vaste telefoon gevonden. Gebleken is dat er om 02:56:43 uur en 02:57:29 uur met deze telefoon is geprobeerd te bellen. Beide keren is er geen verbinding tot stand gekomen.\n\nOnderzoek aan het lichaam van het slachtoffer\n\nOnderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 10] heeft aangetoond dat hij schotletsel aan de borst had waardoor de rechterondersleutelbeenader en rechterlong zijn geperforeerd. Dit heeft geleid tot ademhaling- en longfunctiestoornissen en bloedverlies op basis waarvan het overlijden wordt verklaard. [slachtoffer 10] had ook een schotwond aan zijn linker ellenboog; dit betrof een doorschot en dit letsel is op één lijn te brengen met het schotkanaal door de borst. Verder zijn er meerdere bloeduitstortingen, waaronder één aan de borst die kan zijn opgelopen door een krachtinwerking met een langwerpig voorwerp. Het tijdstip van zijn overlijden wordt door de schouwarts geschat op 14 juni 2021 rond 03:00 uur.\n\nGeluidsopname camerasysteem [adres 11]\n\nEen camerasysteem bij de woning aan het [adres 11] heeft een video- en geluidsopname gemaakt. Op de geluidsopname is omstreeks 02:33 uur en 02:39 uur een auto te horen die een zwaar, sportief geluid maakt. Tussen 02:54 uur en 02:56 uur zijn meerdere dreunen te horen, en om ongeveer 02:55 uur is er een harde knal te horen die nog even na-echoot en waarna de schapen in het weiland beginnen te blaten. Om 02:59:21 uur is de eerder genoemde auto met zwaar, sportief geluid wederom te horen, die ditmaal in tegengestelde richting reed.\n\nTussenconclusie ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer 10]\n\nUit het voorgaande concludeert het hof dat een of meer personen door middel van braak de woning van [slachtoffer 10] zijn binnengedrongen en dat er een gewelddadige confrontatie is geweest tussen deze persoon of personen en [slachtoffer 10] . Hierbij is geschoten wat heeft geleid tot een schotwond in de borst bij [slachtoffer 10] ten gevolge waarvan [slachtoffer 10] op 14 juni 2021 omstreeks 03:00 uur is overleden. Zeer kort daarna zijn de daders weer met een auto vertrokken.\n\nVuurwapen\n\nSporen op de kogel die in het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden zijn vergeleken met sporen op proefkogels uit het zilverkleurige vuurwapen dat op 29 juni 2021 bij het overleden lichaam van [medeverdachte 5] is gevonden. De deskundige heeft in het rapport wapen- en munitieonderzoek gerapporteerd dat de resultaten van dit onderzoek veel waarschijnlijker tot en met zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van dat vuurwapen, dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.\n\nSchotresten op het lichaam van [slachtoffer 10] zijn vergeleken met schotresten op het lichaam van [medeverdachte 5] en schotresten die zijn aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer 1] (het mannelijke slachtoffer in het onderzoek Mainz). De drie verzamelingen deeltjes vertonen volgens de deskundige overeenkomsten. Het hof verwijst naar de overwegingen hierover die zijn opgenomen onder het kopje ‘zaaksdossier Mainz’. Het hof neemt de conclusie van de deskundige over.\n\nOp het in de woning van [medeverdachte 5] aangetroffen wapen is ook DNA-onderzoek verricht. In het rapport van 26 augustus 2021 heeft de deskundige opgenomen dat in drie bemonsteringen (namelijk #21, #23 en #29) DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . In het rapport vergelijkend DNA-onderzoek van 28 oktober 2022 staat beschreven dat de bemonsteringen waarin DNA-materiaal was aangetroffen van op dat moment nog onbekende personen is vergeleken met de DNA-profielen van diverse slachtoffers, verdachten en andere personen. Uit dat rapport volgt dat in nog eens drie bemonsteringen (namelijk #17, #22, #24) DNA-materiaal is gevonden dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . Uit deze zes bemonsteringen zijn telkens mengprofielen van verschillende donoren verkregen. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] komt overeen met deze DNA-mengprofielen. De bewijskracht van de overeenkomsten met het profiel van [medeverdachte 2] variëren van circa 1,3 miljoen tot meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat DNA van [medeverdachte 2] in de bemonsteringen aanwezig is dan de kans dat het DNA betreft van een willekeurige, niet aan hem verwante persoon.\n\nIn één bemonstering (#17) is DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 10] . Het DNA-mengprofiel [profiel] is circa 240 duizend keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 10] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen.\n\nTussenconclusies ten aanzien het vuurwapen\n\nOp grond van het wapen- en munitieonderzoek, het vergelijkend schotrestenonderzoek, de toelichting van de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank en bovengenoemd DNA-onderzoek concludeert het hof dat het wapen dat bij [medeverdachte 5] is gevonden, ook het wapen is geweest waarmee het schot is gelost dat [slachtoffer 10] dodelijk heeft getroffen. Het gebruikte wapen betreft – gelet op het feit dat het ook aan de dood van [medeverdachte 5] kan worden gekoppeld en er DNA van [medeverdachte 2] op is aangetroffen – een wapen dat in verband kan worden gebracht met deze groep verdachten.\n\nCamerabeelden en vluchtauto\n\nOp camerabeelden van [adres 11] is te horen dat rond drie uur ’s nachts een auto komt aanrijden uit de richting van de woning van [slachtoffer 10] . De auto lijkt snel op te trekken en rijdt zonder verlichting. Op diverse camerabeelden is de auto te volgen via Spierdijk tot in Opmeer.\n\nGetuige [getuige 8] heeft de auto die is te horen in een geluidsopname van het camerasysteem van een perceel aan de [adres 12] te Spierdijk herkend als zijn groene Opel Astra met kenteken [kenteken 5] en heeft verklaard dat hij zijn auto op 13 juni 2021 heeft uitgeleend aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nHet hof acht zijn verklaring betrouwbaar omdat zijn verklaringen consistent en gedetailleerd zijn geweest en bovendien bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Zo passen de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van 13 juni 2021 bij de verklaring van [getuige 8] en heeft [medeverdachte 3] in afgeluisterde gesprekken tussen hem en zijn moeder en met zijn toenmalige vriendin bevestigd dat hij de auto van [getuige 8] heeft geleend.\n\nDe Opel Astra met kenteken [kenteken 5] is op 11 november 2021 door [medeverdachte 3] ingeleverd bij een auto demontagebedrijf in Blokker.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de groene Opel Astra\n\nVanwege het tijdstip (zeer kort nadat [slachtoffer 10] dodelijk gewond is geraakt) en omdat de auto zonder verlichting reed en snel optrok, gaat het hof ervan uit dat de groene Opel Astra van [getuige 8] is gebruikt als vluchtauto. Ook deze vluchtauto kan gelet op wat hiervoor is overwogen aan de groep van de verdachten worden gekoppeld.\n\nVoorverkenningen en ‘voorbesprekingen’\n\nOp twee telefoons van [medeverdachte 5] zijn notities gevonden die beide op 5 december 2020 zijn gemaakt. In de notities staat: ‘Berkhout [adres 10] ’ resp. ‘ [adres 10] ’.\n\nOp 6 juni 2021 om 16:14 uur heeft [verdachte] een bericht gestuurd aan [medeverdachte 5] dat luidt: “32 min”. [medeverdachte 5] antwoordde “aii totzo”.\n\nUit locatiegegevens gekoppeld aan de telefoon van [medeverdachte 5] (Google Cloud gegevens) blijkt dat hij op 6 juni 2021 van 16:02 uur tot ten minste 16:57 uur in de buurt van treinstation Hoorn is geweest. Hij is vervolgens over het [adres 27] in Berkhout in de richting van De Goorn gereden, waarbij [medeverdachte 5] rond 17.13 uur ter hoogte van de woning van [slachtoffer 10] reed. Daarna is hij teruggereden naar Hoorn via het [adres 13] in Berkhout. Ook de telefoon van [verdachte] maakt dan contact met een Cell-ID in Hoorn.\n\n [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij op 6 juni 2021 met [medeverdachte 5] vanuit Hoorn is gereden en in de omgeving van Berkhout is geweest. [medeverdachte 5] had gezegd dat ‘dit de omgeving’ was, waaruit [verdachte] begreep dat dit ging om een klus. In de auto hebben zij over de klus gesproken.\n\nUit de Cell-ID gegevens van de telefoons en de verklaring van [verdachte] leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte 5] op 6 juni 2021 samen in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 10] zijn geweest en toen over de geplande overval (de klus) hebben gesproken.\n\nUit chatberichten die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] op 7 juni 2021 vanaf 18:21 uur hebben uitgewisseld en uit de locatiegegevens van hun telefoons leidt het hof af dat zij elkaar hebben ontmoet bij een coffeeshop in Hoorn. De chatberichten suggereren dat ook [medeverdachte 3] daarbij aanwezig is geweest, wat is bevestigd door [medeverdachte 1] .\n\nOp 7 juni 2021 om 21:12 uur heeft [medeverdachte 5] aan [verdachte] geschreven: “mondhoude zitten wij op iedereen wachte die enge en punt ze getallen taart gelijke 100procent stil in punten gaat wel snijden”. [verdachte] antwoordde om 21:23 uur: “krijgt zelfde zowie 100 de deel bro zo iedereen”.\n\nOp 8 juni 2021 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] contact gehad. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 1] bericht: “gezegt heb je die [bijnaam 3] bro”, waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord: “jaaa”, “klaar alles zere wij gaan”. [bijnaam 3] (ook: [bijnaam 3] ) is de bijnaam van [medeverdachte 3] .\n\nOp 9 juni 2021 rond 03:15 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 5] wederom over het [adres 13] in Berkhout bewogen. Aan het eind van het [adres 13] is hij gekeerd en dezelfde weg terug gereden. Voorafgaand aan en na deze reisbeweging is de telefoon van [medeverdachte 5] in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 2] geweest.\n\nOp 9 juni 2021 rond 11:15 uur heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] geschreven: “ [bijnaam 5] checken je komen is”. [medeverdachte 2] antwoordde: “aaai”, “was daaar”, “efe die kijke jwz man moete”. Vervolgens heeft [verdachte] gereageerd met: “ai”, “is maar goeie”, “happen g deze moeten we”, “geen grap”, “alles ready”. In een verhoor heeft [verdachte] verklaard dat “happen” betekent ‘proberen bij te verdienen’.\n\nIn de middag van 9 juni 2021 heeft [verdachte] geprobeerd [medeverdachte 3] telefonisch te bereiken. [medeverdachte 3] heeft vervolgens in chatberichten aan [verdachte] gemeld: “aan stiefmoeder thuis t werk is”, “dat niet te horen bro die hoeft”. [verdachte] antwoordde: “oke bro cool”, “ [bijnaam 6] naar dalijk ga”, “bro en”, “regel alles”, “je weet precies”. [bijnaam 6] is een bijnaam van [medeverdachte 2] .\n\nOp 10 juni 2021 heeft [medeverdachte 1] aan [verdachte] gevraagd: “wie is [bijnaam 10] ”. [verdachte] antwoordde: “ [medeverdachte 2] broertje”. [medeverdachte 1] schreef daarop: “ [bijnaam 10] en hij [medeverdachte 2] halen zegt”. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij door anderen ‘ [bijnaam 10] ’ wordt genoemd en zijn telefoonnummer stond in de telefoon van [medeverdachte 5] opgeslagen als ‘ [bijnaam 10] ’.\n\nOp 11 juni 2021 zijn er chatberichten verstuurd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] uitte daarin zijn onvrede over [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) die hij ‘kk driver’ noemt. [verdachte] antwoordde: “dingen met hem gesproken”, “zondag gaan”, “bro ik die doen torrie weet”, “goed alles hij moet fixen maken”, “ook gaat doen ie”.\n\nOp 12 juni 2021 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] elkaar onderstaande berichten geschreven.\n\n [medeverdachte 3] : [betrokkene 2]\n\n [medeverdachte 1] : ja wat is plan wil je doen wat\n\n [medeverdachte 3] : jagen\n\n [medeverdachte 1] : nooo je blijf rustig vandaag risico lopen nu geen voor ga saus\n\nmorgen belangrijk dag verpeste het niet ga\n\n [medeverdachte 3] : zijn met oke dan rijden pak morgen we [betrokkene 2] even rustig rondje ik en bespreken ook want auto gaan weten te hij hoeft niet veel die eventueel voet licht als ik andere er heb al nieuwe niet\n\n [medeverdachte 1] : niks je hem zegt die je auto pakt gewoon\n\n [medeverdachte 3] : yes op aan kunnen maar wel van moet\n\n [medeverdachte 1] : auto geregeld morgen voor jongen\n\n [medeverdachte 3] : ik pak zijn auto heb gezegd keer tien je al ik anders morgen starten de we alfa en op niet tijds we dat voor bij auto ga verrassingen mar komen pakken te staan zijn\n\n(…)\n\n [medeverdachte 1] : bel [betrokkene 2]\n\nis hoeveel vraag ze tank\n\n [medeverdachte 3] : didii zijn tank is voor hij heeft auto wat astra sport\n\nEn op 13 juni 2021:\n\n [medeverdachte 1] : nu hij onderweg is\n\n [medeverdachte 3] : si\n\nmij ook osso haal.\n\nOp 13 juni 2021 om 22:29 uur heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] gestuurd: “broer moet je halen we”. [medeverdachte 2] antwoordde: “waar jullie”, “reddy”. [medeverdachte 1] schreef vervolgens: “nu obdam”, waarna [medeverdachte 2] chatte: “loods ga wacht”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:06 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] getekst: “Ewa broer, doe je ding goed”. [medeverdachte 1] antwoordde: “Ja broer thans”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:21 uur stuurde [medeverdachte 2] aan [verdachte] : “open dan swa”.\n\nTussenconclusie met betrekking tot voorverkenningen en voorbesprekingen\n\nDe politie heeft de verdachten gevraagd naar de betekenis van de hiervoor genoemde chatberichten. [verdachte] heeft in hoger beroep verklaard dat de tekstberichten van 11 juni en 13 juni 2021 waaraan hij deelneemt over deze klus gaan. Verder is een aannemelijke uitleg voor deze chatberichten uitgebleven. De chatgesprekken die de verdachten met elkaar hebben gevoerd zijn door de verdachten gewist. De politie heeft de chatgesprekken gedeeltelijk kunnen terughalen, maar de woordvolgorde is daardoor gewijzigd (‘scrambled’). Desondanks wijst de inhoud van de berichten op een overval (torrie, happen, iedereen krijgt een gelijk deel) en er wordt ook gesproken over “zondag gaan” en “morgen belangrijk dag” wat past bij de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond (van zondag 13 op maandag 14 juni 2021) en dit is ook door [verdachte] in hoger beroep bevestigd. Uit de voorgaande berichtenuitwisselingen leidt het hof verder af dat er behalve op 6 juni 2021 ook op 7 en 9 juni 2021 kortstondige bezoeken aan het [adres 13] in Berkhout hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in chatgesprekken en door middel van voorverkenningen de overval op [slachtoffer 10] hebben voorbereid.\n\nAanwezigheid van de verdachten in de loods in [plaats 2] in de avond en nacht van de overval (13 op 14 juni 2021)\n\nUit de verklaring van zowel [verdachte] als die van [medeverdachte 2] blijkt dat zij die avond\u002Fnacht in de loods in [plaats 2] zijn geweest. [verdachte] heeft verklaard dat er toen meerdere personen aanwezig waren .\n\nUit telefoongegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in die avond\u002Fnacht contact maken met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de locatie van de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 1] maakte tussen 13 juni 2021 22:50 uur en 14 juni 2021 01:34 uur contact met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de loods in [plaats 2] .\n\nDe telefoon van [medeverdachte 2] heeft op 14 juni 2021 tussen 01:18 uur en 02:05 uur middels data contact gemaakt met Cell-ID’s van een zendmast die dekking biedt aan diezelfde loods.\n\nOp 14 juni 2021 om 01:23 uur maakte de telefoon van [medeverdachte 3] contact met een Cell-ID van diezelfde zendmast.\n\nDe telefoon van [verdachte] maakte om 01:34:06 uur contact met een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] .\n\nUit zendmastgegevens en locatiegegevens van de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat hij tussen ongeveer 18:01 uur en 23:06 uur in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] is geweest en vanaf 00:26 uur in de omgeving van de loods in [plaats 2] aanwezig was.\n\nTussenconclusie met betrekking tot aanwezigheid in de loods voorafgaand aan overval\n\nUit de hiervoor genoemde verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , en uit de gegevens over de locatie van de telefoons van de verdachten leidt het hof af dat [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rond half twee ’s nachts in de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaats heeft gevonden, in de omgeving van de loods in [plaats 2] zijn geweest.\n\nDeze conclusie wordt ondersteund door het hiervoor genoemde chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 13 juni 2021 (“loods ga wacht”), de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie op 12 juli 2022, de ARS-gegevens van de auto van [getuige 9] (de toenmalige vriendin van [verdachte] ), en het volgende chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 13 juni 2021 tussen 21:49 en 00:04 uur:\n\n [medeverdachte 1] : broer al je onderweg ben\n\n [bijnaam 6] wij moeten halen toch\n\n [verdachte] : [bijnaam 5] halen zou ze gaan\n\n(…)\n\n [verdachte] : er ik bijna bro ben\n\n [medeverdachte 1] : toch [plaats 2]\n\n [verdachte] : man ja\n\n [medeverdachte 1] : aii\n\nbroer parra op niet mijn worden\n\nstraks\n\n [verdachte] : waarom\n\nwat\n\n [medeverdachte 1] : [bijnaam 3]\n\n [verdachte] : net die mat wat\n\n [medeverdachte 1] : neus\n\n [verdachte] : met lat hem ze neus\n\nmaar als shit ze ie\n\ndoet\n\nis daat ie\n\n [medeverdachte 1] : ja\n\n(…)\n\n [verdachte] : ben er ik.\n\nHet hof begrijpt uit deze (gewiste maar gescrambled teruggehaalde) berichten dat [verdachte] onderweg was naar de loods in [plaats 2] en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] daar reeds waren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk door [medeverdachte 5] ( [bijnaam 5] ) naar de loods gebracht. [verdachte] is gelet op het chatbericht van [medeverdachte 2] aan [verdachte] (“open dan swa”) kennelijk eerder dan de anderen aangekomen in de loods en moest de deur voor hen openen.\n\nBeeldmateriaal gemaakt in de loods\n\nDat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond half twee ’s nachts in de loods in [plaats 2] waren, wordt verder bevestigd door beeldmateriaal dat daar is gemaakt. Op de telefoon van [medeverdachte 7] stonden foto’s opgeslagen waarop hij en [medeverdachte 2] samen te zien zijn. Die foto’s zijn die nacht gemaakt in de loods om 01:27 uur en 01:28 uur. Om 01:29 uur is in het kantoor van de loods een filmpje gemaakt met de telefoon van [medeverdachte 1] . Op dat filmpje is [medeverdachte 1] te zien en is de stem van onder andere [medeverdachte 2] te horen. Op het filmpje is een tas zichtbaar met daarin een zwart vuurwapen met een houtkleurig handvat (dat volgens verbalisant overeenkomsten heeft met een Scorpion vuurwapen), handschoenen en tape.\n\n [verdachte] heeft bij het hof verklaard dat hij die avond\u002Fnacht in de loods een wapen, te weten een Scorpion, heeft gezien.\n\nTelefoons van de verdachten uitgeschakeld of inactief tijdens overval\n\nKort na de video-opname zijn de telefoons van de verdachten uitgezet of was daarop geen activiteit in de zin van telecommunicatie of geregistreerde stappen. Het hof stelt vast dat dit ook nog zo was gedurende de tijd dat de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond.\n\nLocatie van de telefoons van de verdachten na de overval en de vlucht van [medeverdachte 7]\n\nToen de telefoon van [verdachte] om 03:24 uur weer een dataverbinding maakte, is de verbinding opgebouwd via een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 2] maakte om 04:26 uur een datacontact met een zendmast die dekking bood aan diezelfde loods. De telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] maakten voor het eerst weer contact om respectievelijk 05:52 uur en 05:39 uur, via zendmasten die onder meer dekking bieden aan hun woningen.\n\nDe telefoon van [medeverdachte 7] is om 03:03 uur weer aangezet, dus zeer kort na de overval. [medeverdachte 7] was op dat moment in Berkhout. [medeverdachte 7] is te zien op camerabeelden die zijn opgenomen op het [adres 14] en [adres 15] in Berkhout en de [adres 16] in Hoorn. De kleding en de schoenen die [medeverdachte 7] die avond droeg (te zien op de foto’s die in de loods in [plaats 2] zijn gemaakt om 01:27 uur en 01:28 uur) komen overeen met de kleding en schoenen van de persoon die op deze camerabeelden te zien is en [medeverdachte 7] heeft in verhoren bij de politie en als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris bevestigd dat hij de persoon is die op de camerabeelden is te zien. Behalve [medeverdachte 7] zijn op die camerabeelden geen andere personen te zien. [medeverdachte 7] heeft echter verklaard dat hij samen met anderen in een auto naar de plek in Berkhout is gereden waar – volgens [medeverdachte 7] – zou worden ingebroken.\n\nOm 10:54 uur startte een dataverbinding vanaf de telefoon van [medeverdachte 7] naar een Cell-ID in een zendmast die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] . Uit een om 13:21 uur opgenomen video opgeslagen op de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat [medeverdachte 7] toen in de schuur bij de woning van [medeverdachte 2] was.\n\nVerschillende verdachten hebben verklaard dat de telefoons werden uitgezet als een klus werd uitgevoerd, ook als je uiteindelijk niet mee ging. Dit om te voorkomen dat ze in verband zouden kunnen worden gebracht met een bepaalde inbraak\u002Foverval. Dat dit in elk geval niet voor iedereen gold leidt het hof al af uit het feit dat [medeverdachte 5] ten tijde van de overval op de woning van [slachtoffer 10] in Berkhout zijn telefoon niet had uitgezet. Van [medeverdachte 5] kan worden vastgesteld dat hij niet op de plaats delict was. Naar het oordeel van het hof levert dit een aanwijzing op dat de telefoons werden uitgezet op het moment dat feitelijk naar de woning of het pand werd gereden die\u002Fdat zou worden overvallen.\n\nTussenconclusie aankomst bij en vertrek van de plaats van het delict\n\nHet voorgaande in onderlinge samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat de verdachten in de Opel Astra vanaf de loods in [plaats 2] naar de woning van het slachtoffer zijn gereden. Na de overval is [medeverdachte 7] te voet gevlucht in de richting van Hoorn en hij is in de loop van de ochtend weer bij de woning van [medeverdachte 2] gearriveerd. De andere aanwezigen in\u002Fbij de woning in Berkhout zijn met de groene Opel Astra gevlucht, die via Spierdijk naar de loods in [plaats 2] is gereden.\n\nChat [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] 14 juni 2021\n\nOp 14 juni 2021 om 15:50 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] geschreven: “Was gelukt of niet”. [medeverdachte 1] stuurde [betrokkene 1] vervolgens twee audioberichten, waarin hij onder meer zegt: “Het is uit de hand gelopen broer uhhh.” en “Zoals ik gister al zei broer. Ik ben er klaar mee.”\n\nOntkennende verklaringen verdachten\n\nAlle vier de verdachten hebben – ook ten overstaan van het hof – ontkend bij de overval in Berkhout, waar [slachtoffer 10] in zijn woning om het leven is gekomen, aanwezig te zijn geweest.\n\n [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben kort gezegd verklaard wel op de hoogte te zijn geweest van het plan om deze woning te overvallen. Er zou veel contant geld aanwezig zijn, waarbij een bedrag van 100.000 euro is genoemd. Ook waren zij betrokken bij de voorbereidingen en hebben zij met anderen over het plan gesproken, maar uiteindelijk zijn zij niet meegegaan.\n\n [medeverdachte 2] heeft verklaard geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij dit feit. Hij is wel in de loods geweest, maar dit was om hennep te knippen.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep ook verklaringen afgelegd over dit zaaksdossier. Hoewel het hof eerder heeft overwogen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] die hij als verdachte en als getuige in hoger beroep heeft afgelegd, betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden, geldt dat niet voor zijn verklaringen over het onderzoek Ararat.\n\nUit de inhoud van het dossier bezien in samenhang met de inhoud van zijn verklaringen, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] zijn eigen rol in dit zaaksdossier marginaliseert en ook de rol van verschillende anderen kleiner maakt. Het door hem geschetste alternatieve scenario is in het licht van de inhoud van het dossier ook onvoldoende aannemelijk geworden. Op grond van wat hierna wordt overwogen concludeert het hof dat alle vier de verdachten aanwezig zijn geweest op de plaats delict. Gelet hierop zal het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] over dit zaaksdossier niet als bewijsmiddel gebruiken. Het hof zal de verklaring evenmin in ontlastende zin gebruiken, omdat het geschetste alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk is geworden.\n\nVerklaringen van getuigen met wie de verdachten hebben gesproken\n\n [betrokkene 1] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft toen verteld dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] bij de overval op [slachtoffer 10] betrokken was. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] veel moeite heeft gehad met wat er is gebeurd, er slecht van sliep, geschrokken was en er nachtmerries van had.\n\nHet hof acht de verklaring van [betrokkene 1] bruikbaar voor het bewijs, omdat deze steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 10] .\n\n [getuige 10] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de overval op [slachtoffer 10] en dat bij die overval door [medeverdachte 2] is geschoten met een revolver. Hij hoorde dit van [medeverdachte 1] op de dag na de overval, toen zij bij een feestje bij [betrokkene 3] thuis waren.\n\nHet hof acht deze verklaring van [getuige 10] betrouwbaar. [getuige 10] is consistent en gedetailleerd geweest in zijn verklaringen en niet gebleken is van een motief bij [getuige 10] om een valse verklaring af te leggen. Maar belangrijker nog is dat zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat [slachtoffer 10] is doodgeschoten met een revolver komt overeen met de resultaten van het forensisch onderzoek. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] in een chatbericht op 14 juni 2021 om 18:25 uur (de dag na de overval op [slachtoffer 10] ) aan [medeverdachte 2] getekst: “zit bij [betrokkene 3] ”. Dat bevestigt dat [medeverdachte 1] die dag bij [betrokkene 3] thuis was, zoals [getuige 10] heeft verklaard.\n\nWat verder bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 10] is het feit dat er ook een verklaring is afgelegd door een persoon die op enig moment gedetineerd heeft gezeten in dezelfde penitentiaire inrichting als [medeverdachte 2] . Deze ‘beperkt anonieme medegedetineerde ( [nummer] )’ heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld over een overval met dodelijke afloop. [medeverdachte 2] heeft deze medegedetineerde gezegd dat [medeverdachte 2] voorop liep en gewapend was, dat na het betreden van de woning een aantal stappen gedaan zijn en dat er toen iemand de trap af kwam. Het wapen is toen gericht, er heeft een klein handgemeen plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Het slachtoffer is ter hoogte van zijn borst geraakt. [medeverdachte 2] heeft de getuige ook verteld dat het wapen dat bij de overval is gebruikt, een Smith & Wesson .357 was en dat een vriend van [medeverdachte 2] met hetzelfde wapen zelfmoord gepleegd zou hebben.\n\nOok deze verklaring is naar het oordeel van het hof bruikbaar voor het bewijs. Onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde vinden immers steun in andere bewijsmiddelen. Dat de verdachten slechts enkele stappen in de woning hebben gedaan, dat er een handgemeen is geweest in de buurt van de trap en dat er een schot is gelost en de verdachte(n) vervolgens is\u002Fzijn vertrokken, komt overeen met de sporen die zijn gevonden in de woning van [slachtoffer 10] . Dat zowel [medeverdachte 2] als het slachtoffer het wapen hebben aangeraakt komt overeen met de resultaten van het DNA-onderzoek dat is verricht op het wapen. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het DNA van [medeverdachte 2] op het wapen terecht is gekomen, komt aan deze bevinding wel redengevende betekenis toe gelet op de overige bewijsmiddelen. Verder is juist dat het gebruikte wapen een Smith & Wesson .357 was, dat [slachtoffer 10] in de borst is geraakt en dat ook [medeverdachte 5] met datzelfde wapen om het leven is gekomen. Er is niet gebleken van een motief bij deze getuige om een valse verklaring af te leggen en ook is niet aannemelijk geworden dat deze getuige de informatie in zijn verklaring heeft verkregen uit de media of door het lezen van het (voorgeleidings)dossier van [medeverdachte 2] . Belangrijk om op te merken is dat de medegedetineerde de informatie van [medeverdachte 2] heeft gehoord in december 2021, terwijl pas uit het DNA-rapport van 28 oktober 2022 is gebleken dat er ook DNA van [slachtoffer 10] op het wapen zat. De medegedetineerde kon in december 2021 dan ook niet weten dat in oktober 2022 bevestigd zou worden dat [slachtoffer 10] het wapen heeft aangeraakt. Sommige onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde kloppen weliswaar niet met andere onderzoeksresultaten (namelijk dat er een Audi RS3 is gebruikt en dat degene die te voet vluchtte dezelfde persoon is als degene die zelfmoord pleegde), maar de hiervoor beschreven punten die wel overeenstemmen wegen voor het hof zwaarder.\n\nVerder is van belang om te markeren dat deze getuigenverklaringen elkaar ook onderling ondersteunen.\n\nVerklaring [medeverdachte 11] over rol [medeverdachte 3]\n\n [medeverdachte 11] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) ook bij de overval is geweest op die man in Berkhout. Hij heeft ook toen als chauffeur opgetreden. Dat [medeverdachte 11] hier spreekt over het zaaksdossier Ararat leidt het hof af uit zijn opmerking dat dit die zaak is waar de politie die man op de camera’s heeft gezien, een jongen uit Alkmaar. Dit komt overeen met de informatie in het dossier dat op de camerabeelden [medeverdachte 7] is gezien. [medeverdachte 7] is afkomstig uit Alkmaar en heeft als getuige verklaard dat hij daar toen aanwezig is geweest. Bovendien heeft de getuige verklaard over de door [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) geleende auto van iemand uit Heerhugowaard. Ook dit wordt door de onderzoeksresultaten bevestigd. De auto die gebruikt is bij de overval en te horen is op de camerabeelden is immers herkend door getuige [getuige 8] die bevestigd heeft dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn auto hebben geleend.\n\nTussenconclusie met betrekking tot verklaringen van getuigen\n\nOp grond van het voorgaande concludeert het hof dat verschillende personen hebben verklaard dat zij van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] hebben gehoord dat [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] betrokken is\u002Fzijn geweest bij de overval op [slachtoffer 10] . Voormalig medeverdachte [medeverdachte 11] heeft over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] verklaard. Twee van de getuigen hebben [medeverdachte 2] aangewezen als de schutter. Nu deze verklaringen steun vinden in de resultaten van het forensisch onderzoek, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 2] degene is geweest die het schot heeft gelost als gevolg waarvan [slachtoffer 10] is overleden.\n\nConclusie\n\nHet hof leidt uit het voorgaande af dat alle vier de verdachten betrokken zijn geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de overval op de woning van [slachtoffer 10] . Al in de dagen voorafgaand aan de overval is over de ‘klus’ gesproken en is de omgeving voorverkend. Voor wat betreft de verschillende rollen kan vastgesteld worden dat [medeverdachte 3] de chauffeur was van de vluchtauto en dat [medeverdachte 2] heeft geschoten. Hoewel de rollen van [verdachte] en [medeverdachte 1] niet verder kunnen worden geduid, is het hof van oordeel dat deze rollen in elk geval voldoende waren voor medeplegen. De verdachten hebben immers (allen) in de voorfase overleg gevoerd over de overval, [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] de omgeving voorverkend, ze hebben op het moment van vertrek naar de woning in Berkhout allemaal hun telefoon uitgezet, zij zijn gezamenlijk naar de woning in Berkhout toegegaan waarna [medeverdachte 3] achterbleef in de auto om direct de vluchtauto te kunnen besturen. De overige verdachten (en [medeverdachte 7] ) zijn naar de woning gegaan om het vooraf besproken doel, te weten het halen van een groot contant geldbedrag dat men dacht daar aan te zullen treffen, te realiseren.\n\nDat het geld uiteindelijk niet is meegenomen en dus de diefstal niet is voltooid kan worden verklaard door het schot dat is gelost en in elk geval direct tot levensgevaarlijke verwondingen bij [slachtoffer 10] heeft geleid. Gelet hierop is het aannemelijk dat de verdachten direct na het dodelijke schot de woning hebben verlaten en zijn vertrokken.\n\nHet hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het medeplegen van de poging diefstal met (bedreiging met) geweld de dood ten gevolge hebbend.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is ook het medeplegen ten laste gelegd van gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr). Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom voor [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en een groot geldbedrag buit te maken. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 10] .\n\nVoorwaardelijk opzet\n\nVan belang om te markeren is dat [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorafgaand aan de overval in de woning van [slachtoffer 10] , betrokken zijn geweest bij eerdere overvallen die zij gezamenlijk hebben gepleegd en waarbij vuurwapens zijn gebruikt. In twee gevallen is dat vuurwapen ook daadwerkelijk afgevuurd, namelijk in de onderzoeken Mainz en Zwenkau. In het onderzoek Mainz is met een wapen in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1] geschoten toen hij zich verzette tegen de overvallers. In het onderzoek Zwenkau is komen vast te staan dat het slachtoffer [slachtoffer 5] in haar hals is geschoten toen zij en haar partner zich verzetten tegen de overvallers. Gelet op de betrokkenheid van de verdachten bij deze eerdere overvallen waarbij vuurwapens zijn gebruikt, moesten de verdachten er ook bij deze overval ernstig rekening mee houden dat een of meer wapen(s) zou(den) worden meegebracht en gebruikt. Door kennelijk een vuurwapen direct bij de hand te hebben, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet door [slachtoffer 10] het vuurwapen zou worden gebruikt en dat hij daardoor zodanig ernstig gewond zou raken, dat zijn dood het gevolg zou zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden dit gevolg kunnen hebben. Bovendien is [slachtoffer 10] in de borst geschoten. De borst is een kwetsbaar deel van het lichaam omdat zich daarin vitale organen bevinden.\n\nAangezien deze vier verdachten in (deels) dezelfde samenstelling (in deze aangevuld met [medeverdachte 7] ), wederom midden in de nacht, een tijdstip waarop bewoners doorgaans thuis zijn, gewapend naar een woning zijn gegaan met het doel de bewoner met (bedreiging met) geweld te beroven, hebben zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook bij deze overval de bewoner zou worden neergeschoten in geval van verzet.\n\nDaarnaast is op het filmpje van de tas met de Scorpion (dat is gemaakt kort voor vertrek vanuit de loods naar Berkhout) [medeverdachte 2] te horen en [medeverdachte 1] te zien. [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij die avond in de loods de Scorpion heeft gezien. De verdachten hadden daarom nog meer reden om rekening te houden met de aanwezigheid van een vuurwapen. Voor [medeverdachte 2] geldt bovendien dat hij door het hof als de schutter wordt beschouwd en dus van de aanwezigheid van dat vuurwapen op de hoogte was.\n\nOogmerk\n\nDuidelijk is dat de verdachten uit waren op het contante geld dat in de woning van [slachtoffer 10] aanwezig was. Zij hebben de voordeur van de woning opengebroken, ten minste één van de verdachten heeft de woning betreden, waarna in de hal van de woning een gevecht heeft plaatsgevonden met [slachtoffer 10] en [slachtoffer 10] is daarbij in de borst geschoten. Daarna heeft\u002Fhebben de in de woning aanwezige verdachte(n) de woning van [slachtoffer 10] verlaten.\n\nDe raadslieden van de verdachte hebben betoogd dat het dossier geen aanwijzing bevat dat het schot werd gelost met het oogmerk de overval te begunstigen of straffeloosheid te verzekeren. Oogmerk veronderstelt een bewuste, op een bepaald doel gerichte wilshandeling. Een (impulsief en mogelijk per ongeluk afgevuurd) paniekschot tijdens een worsteling, het onmiddellijk vluchten van de verdachten, het nog leven van het slachtoffer op het moment dat de woning werd verlaten en het feit dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden wijzen juist op het tegendeel, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nBij de eerdere overvallen Mainz en Zwenkau is door de verdachten geschoten op het moment dat de slachtoffers zich verzetten tegen de overvallers. Ook bij de hierna te bespreken overval in het onderzoek Willich is door de overvallers ( [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) geschoten op het moment dat het slachtoffer verzet bood. Uit dit patroon leidt het hof af dat de verdachten bij al deze overvallen kennelijk vuurwapens hebben meegebracht om zo nodig te gebruiken op het moment dat de slachtoffers verzet zouden bieden.\n\nUit de verklaring van de beperkt anonieme medegedetineerde blijkt dat [medeverdachte 2] het wapen heeft gericht op [slachtoffer 10] op het moment dat deze de trap af kwam. Met andere woorden: op dat moment heeft [medeverdachte 2] de keuze gemaakt om het wapen als dreigmiddel te gebruiken tegenover mogelijk verzet. De beperkt anonieme medegedetineerde heeft verder verklaard dat er vervolgens een klein handgemeen heeft plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Deze verklaring is verder weinig concreet en specifiek over de gang van zaken, en hiermee is op zichzelf dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat het schot per ongeluk is afgegaan. Uit de verklaring blijkt bijvoorbeeld niets over het verloop van de worsteling, hoe het kan dat het vuurwapen op de borst van [slachtoffer 10] was gericht, hoe het wapen door het slachtoffer dan zou zijn vastgepakt of hoe hij tegen dat wapen zou hebben geslagen, of het vuurwapen al schietklaar was voorafgaand aan de worsteling of pas later en hoe het kan dat het vuurwapen “is afgegaan” (is het wapen afgegaan zonder dat de trekker werd overgehaald, heeft [medeverdachte 2] in een reflex de trekker overgehaald, of was er nog een andere oorzaak).\n\nDat verdachten na het schot onmiddellijk zijn gevlucht, dat het slachtoffer op dat moment nog leefde en dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden, is weliswaar een aanwijzing dat verdachten voorafgaand aan de overval niet het plan hadden om iemand dood te schieten, maar zegt niets over het oogmerk waarmee het schot tijdens de worsteling werd gelost.\n\nUit het feit dat het gebruik van een vuurwapen past binnen de gebruikelijke werkwijze van de verdachten, waarbij zowel bij overvallen voorafgaand aan deze overval als bij de hierop volgende overval door de verdachten is geschoten op het moment dat slachtoffers verzet boden, het feit dat [medeverdachte 2] een vuurwapen op [slachtoffer 10] heeft gericht op het moment dat hij de trap af kwam en het feit dat [slachtoffer 10] vervolgens verzet heeft geboden, kan het hof, ook bij gebrek aan een betrouwbare verklaring van één van de verdachten uit eigen wetenschap over de aanleiding voor het schot, geen andere conclusie verbinden dan dat [slachtoffer 10] kennelijk door [medeverdachte 2] is neergeschoten omdat [slachtoffer 10] de verdachten in zijn woning betrapte en zich tegen hen verzette, met het oogmerk om hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof acht dus het voor gekwalificeerde doodslag vereiste oogmerk aanwezig. Voor de hand ligt dat – gelet op de betrapping op heterdaad door en het daarop volgende verzet van [slachtoffer 10] – het vuurwapen is gebruikt om de vlucht mogelijk te maken (en dus: straffeloosheid te verzekeren). Uit de rechtspraak volgt overigens dat – zoals in het geval van [slachtoffer 10] – ook sprake kan zijn van het oogmerk om zich het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren in het geval de diefstal (nog) niet is voltooid en dus (nog) niets is weggenomen van het slachtoffer. Dat het wapen is afgegaan voordat er iets uit de woning van [slachtoffer 10] is weggenomen, vormt dus geen obstakel voor het aanwezig achten van het vereiste oogmerk.\n\nOogmerk en medeplegen\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben niet op [slachtoffer 10] geschoten. Ook degene die niet het bijkomende oogmerk had, kan echter voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag worden veroordeeld als hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededader een derde zou doden om bijvoorbeeld de vlucht mogelijk te maken of straffeloosheid te verzekeren. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat daarvan in deze zaak sprake is.\n\nConclusie\n\nDe doodslag is vergezeld van een poging tot diefstal met geweld en is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof merkt op dat sprake is geweest van eendaadse samenloop van de gekwalificeerde doodslag en de poging diefstal met (bedreiging met) geweld, de dood ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.6. Zaaksdossier Willich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\nchatgesprekken voorafgaand aan de overval;\n\ncamerabeelden;\n\nde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 9] ;\n\nde omstandigheid dat het wapen dat is gebruikt bij de overval aan de verdachten gekoppeld kan worden;\n\nde door [medeverdachte 1] in hoger beroep afgelegde verklaringen.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich in dit zaaksdossier op het standpunt gesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die op [slachtoffer 12] heeft geschoten. Uit het dossier blijkt dat het type wapen dat is gebruikt in deze zaak een Scorpion betreft. Volgens de advocaat-generaal kan dit type wapen aan [verdachte] worden gekoppeld. De verklaring van [verdachte] dat hij wist van de overval, maar niet mee is gegaan naar de overval is niet geloofwaardig gelet op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Willich gaat over een woningoverval in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021.\n\nHet hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest in deze zaak.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 4] , ‘ [medeverdachte 6] ’, [verdachte] , [medeverdachte 2] en hijzelf aanwezig waren bij de overval. Er was ook nog een andere jongen bij van wie een DNA-spoor is aangetroffen op de trui van de aangever [slachtoffer 12] . Deze jongen heeft buiten gewacht in de auto. Volgens [medeverdachte 1] was het de bedoeling wiet te stelen. Er moest snel geld [slachtoffer 12] , want het kon elk moment klaar zijn. De groep beroofde vaker wietplantages en het ging altijd goed in die zin dat ‘niemand een kogel kreeg’ en de politie werd niet gebeld door de slachtoffers. [medeverdachte 1] had van ‘ [bijnaam 7] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) gehoord dat er wiet in de woning lag. Hier zou tevoren over zijn gesproken met [bijnaam 7] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en hemzelf. Eén of twee dagen voor de overval zou [medeverdachte 1] zijn gaan kijken op de te overvallen locatie samen met [bijnaam 7] en [medeverdachte 2] .\n\nTijdens de overval is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 6] in de schuur geweest waar de aangever [slachtoffer 11] zich bevond. De schuur werd ook als een woning gebruikt. [medeverdachte 6] had een bijl in zijn hand en rende op de aangever [slachtoffer 11] af, die daarna met tape is vastgebonden door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat daarbij ook een wapen is getoond. De aangever [slachtoffer 11] zou hebben gezegd dat er wiet in het huis lag. Hierna zou zijn gevraagd om sleutels van de hoofdwoning, maar de aangever [slachtoffer 11] had deze niet.\n\n [medeverdachte 1] is de woning van de aangever [slachtoffer 12] binnengekomen door een raam te forceren. [medeverdachte 2] zou naar binnen zijn gegaan en de aangever [slachtoffer 12] gelijk tegen zijn gekomen. [medeverdachte 1] zag dat er binnen een worsteling ontstond tussen [medeverdachte 2] en de aangever [slachtoffer 12] .\n\n [medeverdachte 4] en [verdachte] stonden met [medeverdachte 1] buiten. [verdachte] stond aan de linkerkant en [medeverdachte 4] aan de rechterkant. [medeverdachte 1] stond bij het raam. Aan de linkerkant van [medeverdachte 1] ging vervolgens een wapen af. [medeverdachte 1] hoorde een ‘paf’. Toen het schot was gelost zag [medeverdachte 1] een Scorpion met een demper erop. [medeverdachte 1] zag dat de demper eraf vloog omdat deze er niet goed opgedraaid was. [medeverdachte 1] zag dat [verdachte] de demper van de grond pakte en weer op het wapen draaide. Het was ook [verdachte] die een wapen bij zich had. [medeverdachte 4] zou mensen buiten hebben bedreigd met een zwarte revolver.\n\nHet slachtoffer is naar buiten gevlucht via de voordeur, waarna [medeverdachte 1] naar binnen is gestapt via het kozijn. Hij zag bloed op de grond liggen. [medeverdachte 2] heeft een dweil gepakt en daarmee de grond gedweild om schoensporen uit te wissen. Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar boven gelopen. [medeverdachte 1] heeft geprobeerd een witte deur te openen. Toen dit niet lukte is hij weer naar beneden gegaan. Buiten was het druk geworden met toeschouwers. [medeverdachte 1] is teruggelopen naar de woning en heeft [medeverdachte 2] geroepen.\n\nZe zijn allemaal weggerend en bij de chauffeur in een witte auto gestapt. Na een klein stukje zijn ze uitgestapt en kwamen zij in een steeg terecht. In die steeg zijn [medeverdachte 1] en de andere overvallers te zien op de camerabeelden waarop ze ‘in een treintje achter elkaar lopen’. [medeverdachte 1] is op de camerabeelden naar eigen zeggen de persoon met de gevlekte rugtas. [medeverdachte 6] is naar zijn eigen auto gegaan en in de kofferbak gaan liggen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 4] naar de woning van [medeverdachte 2] gegaan, maar wel via een omweg om camera’s te omzeilen.\n\nBij terugkomst in de woning van [medeverdachte 2] waren daar [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [getuige 1] en [medeverdachte 4] . Gedurende de overval heeft hij zijn telefoon uitgezet.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12]\n\nDe overval heeft vanaf 03:44 uur plaatsgevonden aan de [adres 28] in Noord-Scharwoude. De locatie betreft een woonhuis met daarnaast een steeg en daaraan grenzend een schuur\u002Fgarage met woongedeelte. Aangever [slachtoffer 11] verbleef in de schuur en aangever [slachtoffer 12] in de woning. Beiden waren aan het slapen op het moment van de overval. [slachtoffer 11] is tijdens de overval bedreigd met een wapen, geschopt en vastgebonden met tape. De daders hebben [slachtoffer 11] naar geld en de wiet gevraagd. [slachtoffer 12] is beschoten, heeft gevochten met één van de daders en is ernstig gewond de woning uit gevlucht en naar het ziekenhuis gebracht. Op de eerste verdieping van de woning waar [slachtoffer 12] verbleef zijn een hennepkwekerij en onder andere hennepplantjes gevonden. Bij de overval zijn portemonnees, een sleutel, een telefoon en een breekijzer weggenomen.\n\nLetsel van de aangever [slachtoffer 12]\n\n heeft een schotwond opgelopen in de borst. Verder zijn bij hem gebroken ribben, een klaplong, letsel aan meerdere longkwabben en een bloeding in de borstholte vastgesteld. [slachtoffer 12] heeft vier liter bloed verloren en hij is geopereerd. Het hof is het met de rechtbank eens dat daarmee sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nCamerabeeldenIn het dossier bevinden zich (beschrijvingen van) camerabeelden uit de omgeving van de plaats van het delict en camerabeelden van de omgeving van de [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] in Noord-Scharwoude.\n\nUit de camerabeelden in de omgeving van de plaats delict ( [adres 29] ) volgt dat bij de overval sprake was van één dadergroep van vijf personen. Te zien is dat om 03:44 uur deze groep van vijf personen de steeg van [adres 28] binnengaat. Dit is hetzelfde tijdstip als het tijdstip waarop volgens de aangevers de overval heeft plaatsgevonden. Op de verschillende beelden zijn vijf personen te zien in donkere kleding met hoodies. De getuige [getuige 11] , die vier van de vijf daders de steeg uit zag komen en in de rug werd gelopen door een vijfde dader met een revolver, heeft het over in ieder geval drie personen met gezichtsbedekking (kappen). Omstreeks 04:34 uur verlaten de vijf personen de plaats van het delict.\n\nOmstreeks 04:40 uur is vervolgens een groep van vijf personen in donkere kleding en hoodies te zien op de [straat 1] . Deze groep personen loopt door naar de [straat 2] . Op de beelden van de [adres 20] (in samenhang met de beelden van [adres 21] ) is te zien dat drie van deze vijf personen gezichtsbedekking dragen. Verder is op de camerabeelden van zowel de [straat 5] , als op die van de [adres 21] en [adres 20] te zien dat één van de vijf personen een rugtas draagt met een vlekkerige print, ook wel camouflageprint genoemd. Tenslotte is de portemonnee van aangever [slachtoffer 12] nog dezelfde dag teruggevonden in een speeltuin gelegen achter een woning aan de [adres 22] . Het hof merkt op dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de persoon is op de camerabeelden met ‘de gevlekte rugtas’.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat de vijf personen die te zien zijn op de camerabeelden van de plaats delict dezelfde personen zijn als de personen op de camerabeelden van de omgeving [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het aantal personen, de rugtas met camouflageprint en gezichtsbedekking op de camerabeelden overeen komen . Dat de bovenkleding in het ene proces-verbaal als donker en in het andere proces-verbaal als licht wordt beschreven doet daar niets aan af omdat kleding kan zijn uittrokken. Hiervoor vindt het hof ook bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 1] die heeft verklaard altijd een ‘dubbele laag’ kleding te dragen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] ook verklaard over een dadergroep van vijf personen en een chauffeur die in de auto bleef.\n\nVoorbereiding en afspreken bij [medeverdachte 2]In het dossier bevinden zich verschillende chatgesprekken van 21 juli 2021 waaruit blijkt dat de verdachten met elkaar over het voornemen om een overval te plegen hebben gesproken en naar het oordeel van het hof deze hebben voorbereid:\n\n [medeverdachte 1] heeft contact met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] om een auto (“wagie”) te regelen en hij zegt dat [medeverdachte 1] moet zorgen dat alles klaar is (“regel alles reddy”). [medeverdachte 1] geeft dan aan [medeverdachte 2] aan dat het hem niet lukt om een auto te regelen (“ik kan nu geen waggie fixen”).\n\nOndertussen heeft [medeverdachte 1] contact met [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt: “lekker vanavond bij [bijnaam 6] ”. [medeverdachte 2] heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [bijnaam 6] wordt genoemd. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] of hij ook aanwezig is. [verdachte] zegt dat hij aanwezig is en vraagt aan [medeverdachte 1] of alles geregeld (“gefixt”) is en of er een auto geregeld is om spullen weg te kunnen nemen (“een waggie om spullen te rossen”). [medeverdachte 1] geeft daarop aan dat [medeverdachte 2] een bus heeft geregeld. [verdachte] is dan tevreden (“oke cool bro”). Hij zegt dat hij op dat moment (16:28 uur) in Duinrell is en dat hij er rond 12 is (het hof begrijpt: twaalf uur ‘s nachts).\n\nLater op de avond vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij hem kan ophalen van station Heerhugowaard. [medeverdachte 2] antwoordt dat dat kan en dat hij eraan komt. Om 21:54 uur geeft [medeverdachte 1] aan dat hij [medeverdachte 2] belt als hij er bijna is en om 22:39 uur is [medeverdachte 1] kennelijk gearriveerd, want dan vraagt hij waar [medeverdachte 2] is. Op de camerabeelden van de [adres 20] is vervolgens te zien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] omstreeks 23:02 uur achter elkaar aanlopen in de richting van de woning van [medeverdachte 2] .\n\nOm 23:06 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij met [medeverdachte 2] is en geeft hij aan dat hij zo uit huis gaat.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten in onderlinge samenhang bezien dat de verdachten spreken over het regelen van een auto voor de overval en dat onderling werd afgestemd om voorafgaand aan de overval met elkaar af te spreken bij [medeverdachte 2] thuis.\n\nDeze lezing vindt ook steun in de verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben afgelegd in hoger beroep. [verdachte] heeft bevestigd dat hij heeft gesproken over het regelen van een auto voor ‘de klus’ (het hof begrijpt: de overval) en dat hij de avond van deze overval bij [medeverdachte 2] thuis is geweest. [medeverdachte 1] bevestigt ook dat deze gesprekken gingen over het regelen van een auto voor de overval.\n\nVerklaring van de getuige [getuige 1]De getuige [getuige 1] heeft met betrekking tot de overval van zaaksdossier Willich verklaard dat [verdachte] en zijn vriendin [getuige 9] die nacht bij haar en [medeverdachte 2] thuis waren op de [adres 23] . Ook waren er volgens haar twee andere mannen met een donkere huidskleur aanwezig. [getuige 1] heeft verklaard dat de mannen, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] , in de nacht zijn weggegaan en dat [getuige 9] bij haar is blijven wachten. Zij en [getuige 9] hebben de hele tijd samen gezeten en zijn op enig moment in slaap gevallen. Toen ze terugkwamen zijn [verdachte] en [getuige 9] weggegaan. Over [medeverdachte 1] heeft [getuige 1] verklaard dat zij hem in de ochtend bij haar thuis heeft gezien.\n\n [getuige 1] heeft tijdens haar verhoor bij de politie op 3 oktober 2022 de bewegende beelden van de [adres 21] zoals vertoond in Opsporing Verzocht bekeken, en een still(overzichtsfoto) waarop van links naar rechts de daders 1 tot en met 5 te zien zijn (zoals te zien op p. 581 in Map ZD07). [getuige 1] heeft aangegeven iedereen te herkennen op de beelden. Zij heeft daarover gezegd dat als je met iemand omgaat, dat je diegene dan herkent. Op de overzichtsfoto herkent zij persoon 1 als [medeverdachte 2] . Persoon 2 met de schoudertas herkent zij als [verdachte] . Persoon 3 met de camouflagerugzak is volgens haar [medeverdachte 1] . Personen 4 en 5 zouden volgens [getuige 1] [medeverdachte 4] en een vriend van hem zijn. Dat de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is, is hiervoor al overwogen.\n\nBovendien vindt de verklaring van [getuige 1] steun in andere bewijsmiddelen zoals hieronder weergegeven.\n\nOndersteuning voor de verklaring van [getuige 1]De verklaring van [getuige 1] vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 9] , die net als [getuige 1] aan de politie heeft verklaard dat zij één keer samen met [verdachte] bij [medeverdachte 2] en [getuige 1] thuis is geweest en dat zij toen de hele tijd samen met [getuige 1] in de woonkamer heeft gezeten. Ook heeft [getuige 9] verklaard dat er die avond een groep van vier of vijf mannen in de keuken aanwezig was, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] . [getuige 9] heeft verklaard dat zij op de bank in slaap is gevallen en dat [verdachte] haar wakker heeft gemaakt, waarna [getuige 9] en [verdachte] naar huis zijn gegaan. Zowel [getuige 9] als [verdachte] hebben tegenover de politie verklaard dat zij samen wegrijden in de auto die volgens de camerabeelden om 04:50 uur wegrijdt over de [straat 1] , komende vanaf (de parkeerplaats achter) de [straat 2] . De verklaring van [getuige 9] over het verloop van de avond\u002Fnacht past bij wat [getuige 1] hierover heeft verklaard.\n\nDe verklaring van [getuige 1] vindt daarnaast steun in de camerabeelden, die passen bij het tijdspad waarover [getuige 1] en [getuige 9] verklaren.\n\n [getuige 1] heeft [medeverdachte 2] herkend als degene die op de beelden van de [adres 21] voorop loopt (persoon 1). Zij herkent hem onder meer aan zijn loopje en de beige schoenen en geeft daarbij aan dat hij een muts op heeft, maar geen gezichtsbedekking. [verdachte] heeft zij herkend als persoon 2. Op de beelden van de [adres 21] draagt persoon 2 een sporttas ter hoogte van de rechterheup. Op de beelden van de [adres 20] is te zien dat persoon 1 nog steeds voorop loopt. Op deze beelden is ook te zien dat deze persoon geen gezichtsbedekking draagt, maar een muts op lijkt te hebben met een capuchon daaroverheen, zoals [getuige 1] heeft beschreven. Persoon 2, met de sporttas nu kruiselings om zijn schouder, loopt als derde de steeg in naast [adres 20] .\n\nVervolgens is op de beelden van de [adres 31] te zien dat de personen 1 en 2 omstreeks 04:43 uur achter elkaar aan lopend de steeg naast [adres 20] uitkomen en vanaf de achterzijde van de [straat 2] , recht over de parkeerplaats, richting de [straat 3] lopen. Persoon 2 doet tijdens het lopen de sporttas af en houdt hem in zijn hand. Uit de beelden van [adres 24] en [adres 30] volgt dat personen 1 en 2 doorlopen naar het voetpad richting [straat 4] . Komende vanaf dat voetpad, uit de richting van de parkeerplaats, is de tweede woning aan de rechterkant de woning van [medeverdachte 2] .\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat de personen op de camerabeelden die hierboven zijn beschreven elke keer [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn, die na de overal samen teruglopen naar de woning van [medeverdachte 2] . Het teruglopen van [verdachte] en [medeverdachte 2] sluit daarnaast aan bij het vertrek van [verdachte] en [getuige 9] zeven minuten later vanaf de woning van [medeverdachte 2] naar Rotterdam.\n\nVerder vindt de verklaring van [getuige 1] dat zij persoon 3 op de beelden (de persoon met de rugtas met camouflageprint) als [medeverdachte 1] herkent steun in de verklaring van [medeverdachte 1] zelf, die heeft verklaard dat hij de persoon met ‘de gevlekte rugtas’ is. De verklaring van [getuige 1] dat zij [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] herkent als 4 van de 5 personen die te zien zijn op de camerabeelden vindt ook steun in de verklaring van [medeverdachte 1] , die over al deze personen heeft verklaard dat zij bij de overval aanwezig waren.\n\nGebruikte vuurwapenUit de bewijsmiddelen volgt dat aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een vuurwapen. De kogel die door het lichaam van [slachtoffer 12] heen is gegaan is teruggevonden op de vensterbank van zijn woning. De huls is in de steeg teruggevonden. Uit munitie-onderzoek blijkt dat de huls vermoedelijk is verschoten met een (semi-)automatisch werkend machinepistool van het kaliber 7,65mm Browning type Scorpion, merk Ceska Zbrojovka model 61 of merk Crvena Zastava model 84. De afvuursporen in de kogel passen eveneens bij dergelijke vuurwapens. [slachtoffer 11] heeft verklaard dat hij een machinegeweer met een demper heeft gezien bij de daders.\n\nUit het dossier volgt daarnaast dat ook bij andere overvallen (Zulpich en Ararat) een Scorpion wapen is meegenomen. Zowel in het zaakdossier Zulpich als in Ararat is sprake van een foto dan wel videomateriaal waarop een op een Scorpion (gelijkend) wapen is te zien. Dat de verdachten over een Scorpion wapen beschikten vindt ook steun in de verklaringen van de verdachten zelf. [medeverdachte 1] heeft zowel ten aanzien van zaaksdossier Ararat als Willich verklaard dat hij een Scorpion wapen heeft gezien en dat deze door [verdachte] is meegenomen. [verdachte] heeft verklaard in zaaksdossiers Zulpich, Ararat en Willich dat hij een Scorpion heeft gezien op de avond van de overval. Ten aanzien van onderzoek Willich heeft hij verklaard over een ‘Scorpion met een demper’.\n\nTot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] bij de overval in Willich ‘een Scorpion met demper’ in zijn hand had en dat hij daarmee heeft geschoten.\n\nOp grond van het bovenstaande komt het hof net als de rechtbank tot de conclusie dat de aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een Scorpion.\n\nSchutter\n\nHet hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat wel kan worden vastgesteld wie de schutter is geweest bij de overval in zaaksdossier Willich. Het hof komt tot de conclusie dat [verdachte] de schutter is geweest die van buiten naar binnen heeft geschoten en waarbij aangever [slachtoffer 12] is geraakt. Het hof trekt deze conclusie op basis van de verklaringen van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] de schutter is geweest in onderzoek Willich. Het ging gewoon ‘paf’, er viel wat op de grond, kennelijk had [verdachte] de demper er niet goed opgedraaid van de Scorpion. [verdachte] pakte te demper van de grond en draaide deze er weer op. Bovendien blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] ten aanzien van het zaaksdossier Ararat dat [verdachte] vaker een Scorpion wapen meenam naar overvallen en dat hij dus over een zodanig wapen kon beschikken. [verdachte] heeft overigens ook zelf verklaard dat hij mensen kende die in wapens handelden en dat een paar keer aan hem om wapens is gevraagd.\n\nDat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de woning van [medeverdachte 2] ‘om wiet snel door te kunnen stoten naar Rotterdam’ wordt weersproken door verschillende bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. [getuige 1] verklaart immers dat [verdachte] de woning heeft verlaten en is teruggekomen. Dit vindt ook steun in de verklaring van [getuige 9] . Hoewel zij niet heeft verklaard dat zij [verdachte] weg heeft zien gaan, past haar verklaring met betrekking tot het verloop van de avond wel bij de verklaring van [getuige 1] . Daarnaast blijkt uit zowel de herkenning van [getuige 1] als de verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] te zien is op de camerabeelden voorafgaand aan en kort na de overval. Tot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] mee is gegaan naar de overval en dat hij de schutter is geweest. Dat ‘de overvaller met de donkere huidskleur’ zou kunnen duiden op [medeverdachte 9] wordt verworpen gelet op het voorgaande. Het hof betrekt daarbij dat de verklaring van [medeverdachte 1] ook aanwijzingen bevat dat [medeverdachte 9] wel bij de overval betrokken is geweest, maar dan in de rol als chauffeur. Dat de zendmast is aangestraald ook dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] doet ook niets af aan de conclusie dat [verdachte] bij de overval is geweest. Het hof betrekt hierbij zoals eerder al overwogen ten aanzien van andere zaaksdossiers, dat het gebruikelijk was voor de verdachten om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen.\n\nMedeplegenHet hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie dat (in elk geval) [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en een persoon die “ [medeverdachte 6] ” wordt genoemd, betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Noord-Scharwoude. Deze overval is zoals blijkt uit de chatgesprekken gezamenlijk voorbereid. De verdachten hebben van tevoren gesproken over het regelen van een auto en voorafgaand aan de overval is er bij [medeverdachte 2] thuis afgesproken. Vervolgens zijn de verdachten samen naar de overval gegaan. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 6] de schuur binnengegaan bij de aangever [slachtoffer 11] en hebben hem op gewelddadige wijze gevraagd ‘waar de wiet was’ en gevraagd naar de sleutel van de woning van [slachtoffer 12] . In de woning heeft [medeverdachte 2] gevochten met de aangever [slachtoffer 12] . [verdachte] heeft vervolgens van buiten door het raam geschoten op de aangever [slachtoffer 12] . Nadat [slachtoffer 12] hevig gewond naar buiten is gevlucht heeft [medeverdachte 4] vervolgens omstanders bedreigd met een pistool die op de situatie waren afgekomen. Alle verdachten hebben daarmee dus een actieve rol bij de overval gehad en hebben nauw en bewust samengewerkt. De samenwerking bestond daarbij in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan om een overval te plegen. Dat betekent dat een bewezenverklaring volgt voor het medeplegen van diefstal met geweld (met slachtoffer [slachtoffer 11] ) en medeplegen van diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (met slachtoffer [slachtoffer 12] ).\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is daarnaast het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr) ten laste gelegd. Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van (poging) gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom in het zaaksdossier Willich voor [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 12] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en zo geld, hennep en\u002Fof waardevolle goederen mee te nemen. De daders hebben immers tegen zowel [slachtoffer 11] als de getuige [getuige 11] geroepen ‘waar is de wiet’. Nadat [slachtoffer 12] met het vuurwapen is neergeschoten en hij de woning is uit gevlucht, is de woning nog doorzocht en is in ieder geval [slachtoffer 12] portemonnee weggenomen. Van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 12] is dan ook geen sprake.\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Het hof stelt het volgende vast.\n\nZoals uit de bewijsmiddelen blijkt, heeft [verdachte] van buiten de woning door een raam [slachtoffer 12] met een semi-automatisch wapen in de borst geschoten op het moment dat de overval in volle gang was. Ook bij eerdere overvallen is door verdachten vuurwapengeweld gebruikt met het doel om het verzet van slachtoffers te breken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken dan ook geen andere conclusie trekken dan dat [verdachte] welbewust in de richting van [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Concrete aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het schot per ongeluk zou zijn afgegaan, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, ontbreken in het dossier. [verdachte] heeft hier geen verklaring over willen afleggen.\n\nHet hof overweegt voorts dat dit de laatste overval is in een reeks overvallen die door de verdachten zijn gepleegd. Ook bij de eerdere overvallen zijn één of meer vuurwapens gebruikt, is in meerdere gevallen geschoten en tijdens de voorlaatste overval is een dodelijk slachtoffer gevallen. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de andere verdachten er geen rekening mee hoefden te houden dat een vuurwapen gebruikt zou worden. Integendeel, zij hebben welbewust de kans aanvaard dat er ook tijdens deze overval door een van de verdachten geschoten zou worden en dat daarbij de aanmerkelijke kans op de dood van een van de slachtoffers aanwezig was.\n\nOogmerkTevens kan bewezen worden verklaard dat de daders deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij bij het binnendringen van de woning op de bewoner stuitten. Nadat [slachtoffer 12] zwaar gewond was geraakt en de woning was uit gevlucht, is de woning nog doorzocht op zoek naar waardevolle goederen en is in ieder geval de portemonnee van [slachtoffer 12] meegenomen.\n\nConclusie\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt op dat hierbij wat betreft aangever [slachtoffer 12] sprake is geweest van eendaadse samenloop van de poging tot gekwalificeerde doodslag en diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.7. Zaaksdossier criminele organisatie\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich heeft beziggehouden met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n​Beoordelingskader\n\nVan een 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en\u002Fof rechtspersonen.\n\nVan 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.\n\nVoor 'deelneming' in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het 'oogmerk' tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nHet oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nVoor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven\n\nbeoordelingskader, dus moeten worden vastgesteld dat:\n\n-sprake is geweest van een organisatie;\n\n-deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;\n\n-het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.\n\nOrganisatie\n\nOp grond van het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers stelt het hof vast dat tussen de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een samenwerkingsverband heeft bestaan met een zekere duurzaamheid en structuur.\n\nDe verdachten hebben zich (in wisselende samenstelling) ongeveer een jaar lang beziggehouden met het plegen van (gewapende) gewelddadige overvallen. Hierbij werd voorafgaand veelvuldig met elkaar gecommuniceerd over adressen, het regelen van vluchtauto’s en (de aanschaf van) wapens, dempers en munitie. Na de overvallen werd er ook gecommuniceerd over het verloop van de overvallen en de (mogelijke) problemen die daardoor waren ontstaan. Voor de overvallen werd er vaak verzameld in de woning van [medeverdachte 2] of in de loods van [medeverdachte 3] , waarvandaan vervolgens werd vertrokken naar de locaties die werden overvallen. Uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 10] als [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat de verdachten soms overvallen pleegden nadat zij daarover ‘getipt’ waren. Uit het dossier en de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] die zij in hoger beroep hebben afgelegd blijkt daarnaast dat het voor deze verdachten gebruikelijk was om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen, zodat zij niet traceerbaar zouden zijn voor opsporingsinstanties op het moment dat de overvallen gepleegd werden. Er was dus sprake van onderlinge afstemming tussen de verdachten die functioneel was voor het plegen van de overvallen. Deze afstemming vond zowel voor als na de overvallen plaats.\n\nIn de organisatie was ook sprake van een structuur met een zekere hiërarchie en rolverdeling.\n\nUit het dossier en (onder andere) de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] een bepalende stem had in de groep. Maar ook uit de chatgesprekken blijkt dat [verdachte] de medeverdachten aanstuurde om dingen te regelen. [verdachte] regelde zelf dat er wapens beschikbaar waren en hij is de persoon geweest die een Scorpion wapen heeft meegenomen naar verschillende overvallen. [verdachte] gedroeg zich tijdens verschillende overvallen gewelddadig. In zaakdossier Willich heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die de aangever [slachtoffer 12] door de borst heeft geschoten.\n\n [medeverdachte 1] heeft bij meerdere overvallen ervoor gezorgd dat er toegang is verkregen tot de woningen die werden overvallen, doordat hij ramen en deuren open heeft gemaakt. Tijdens de overvallen heeft [medeverdachte 1] vervolgens gezocht naar geld of andere waardevolle spullen die konden worden meegenomen. Ook [medeverdachte 1] gedroeg zich tijdens de overvallen gewelddadig. In zaaksdossier Oberhof heeft hij een (nep)wapen getoond aan een jonge medewerker van een tankstation, in zaaksdossier Zwenkau heeft hij geweld gebruikt tegen aangeefster en in zaaksdossier Willich heeft hij zich zeer gewelddadig en dreigend opgesteld naar de aangever [slachtoffer 11] .\n\n [medeverdachte 2] is voor de groep een belangrijke schakel geweest, doordat zijn woning een vaste verzamelplek was voor de groep. Bij meerdere overvallen heeft [medeverdachte 2] zich buitengewoon gewelddadig opgesteld naar slachtoffers. In zaaksdossier Zwenkau heeft hij met het mannelijke slachtoffer; de heer [slachtoffer 6] , gevochten, in zaaksdossier Millet heeft [medeverdachte 2] de aangeefster in haar gezicht geslagen en aan haar haren getrokken op het moment dat hij dacht dat de aangeefster niet eerlijk was geweest over de hoeveelheid geld die er in de woning lag. In zaaksdossier Willich heeft hij met het slachtoffer [slachtoffer 12] geworsteld\u002Fgevochten en in zaaksdossier Ararat heeft [medeverdachte 2] het dodelijke schot gelost.\n\n [medeverdachte 3] was bij alle overvallen betrokken als chauffeur. Hij was vaak actief betrokken bij het regelen van auto’s voor de overvallen en had voor de overvallen veelvuldig overleg met de medeverdachten. Ook voorzag hij in zaaksdossier Millet de groep van informatie over de woning van de slachtoffers waar een groot geldbedrag zou liggen. Zijn loods in [plaats 2] was bovendien een belangrijke plek voor de groep om te verzamelen voor en na de overvallen. De rol van [medeverdachte 3] was van dusdanig gewicht dat hij in alle zaken door het hof is aangemerkt als medepleger.\n\nOogmerk van de organisatie\n\nUit het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers blijkt ook dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van overvallen. Er zijn door de groep meerdere overvallen gepleegd waarbij het de bedoeling was dat er geld en andere waardevolle spullen zoals sieraden en auto’s zouden worden buitgemaakt. In chats wordt regelmatig gesproken over geld en het hebben van ‘honger’ (het hof begrijpt: de behoefte om geld te verdienen). [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat er vaker wietplantages werden overvallen en dat zij ‘heel veel wiet en geld’ hebben meegenomen. Kenmerkend in dit verband zijn de overvallen in Dreumel, Avenhorn en Berkhout. Voor de woning in Dreumel geldt dat de verdachten erg gemotiveerd waren om de overval te plegen omdat er naar verluid € 100.000 zou liggen in de woning. In de woning in Avenhorn zou goud en mogelijk ook cash aanwezig zijn en in de woning in Berkhout zou er volgens een tip veel contant geld aanwezig zijn wat de woningen aantrekkelijke objecten maakten om te overvallen.\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen onder ‘organisatie’ blijkt bovendien dat er een duurzame en gestructureerde samenwerking was tussen de verdachten. Daarbij was sprake van een onderlinge verdeling van taken en afstemming van activiteiten. Deze taakverdeling en afstemming gingen op een planmatige manier. Illustratief daarvoor is dat uit het dossier blijkt dat de verdachten van tevoren routes bekeken van en naar de locaties waar overvallen gepleegd moesten worden. Bij het bekijken van deze routes was er ook aandacht voor de locatie van ANPR-camera’s. Er vonden ook voorverkenningen plaats ten aanzien van verschillende overvallen. Het gezamenlijk uitzetten van telefoons tijdens de overvallen toont ook aan dat sprake was een bepaalde organisatiegraad. Deze verdeling en afstemming waren gericht op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, namelijk het plegen van overvallen.\n\nDeelname\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de hiërarchie en de rolverdeling binnen de organisatie blijkt dat elke verdachte een eigen rol had en belangrijk is geweest voor de organisatie. De verdachten zijn daarmee allemaal deelnemers aan de organisatie geweest, omdat zij behoorden tot het samenwerkingsverband en een aandeel hebben gehad in de gedragingen die strekten tot het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie.\n\n7. Bewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op 8 augustus 2020 te De Goorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro), telefoons en sleutels, die aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen en breekijzers ter hand te nemen en\n\nmeermalen met een breekijzer tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\n\nmeermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\n\ndie [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\nmeermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\n\nvervolgens een vuurwapen tegen haar hoofd te drukken en te houden en\n\ndreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\neen voorwerp tegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op 30 december 2020 te Dreumel gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag en sieraden en een luchtbuks en een personenauto (Audi) en een portemonnee en een schroevendraaier en flessen champagne die geheel aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\nvuurwapens en een breekijzer en een hamer ter hand te nemen en\n\ndaarbij dreigend tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen en\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\n\ntegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen tegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te houden en\n\nde handen en voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de hals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,\n\nwelke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en een portemonnee (met inhoud) en (auto)sleutels en sigaretten en een aansteker, gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ,\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan [adres 3] tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag, een portemonnee (met inhoud), (auto)sleutels, sigaretten en een aansteker, die aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nvuurwapens ter hand te nemen en\n\n [slachtoffer 6] bij de keel vast te pakken en\n\neen vuurwapen op die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] te richten en te tonen, en\n\n(met een voorwerp) tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\n\ndreigend te roepen “geld” en \"Ga je geld halen achter\" en \"Schiet hem dood\" en \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\n\nmet kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\n\nmet een vuurwapen op de keel te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.\n\nhij op 4 juni 2021 te Heerhugowaard gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 4] tezamen en in vereniging met anderen een personenauto (Audi Q7) en een mobiele telefoon en een geldbedrag die aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\n\neen heet strijkijzer tegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen met een koevoet tegen het bovenbeen te slaan en\n\nte roepen \"waar is het geld\" en \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en \"Waar is de kluis\" en\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) tegen het zijn been te slaan en\n\neen vuurwapen te tonen aan [slachtoffer 7] en\n\ndie [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] vast te binden en te blinddoeken en\n\ntegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en \"meer geld\" en\n\ntegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en \"We steken het in brand en\n\neen vuurwapen op [slachtoffer 8] te richten en te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen op het bovenlichaam van die [slachtoffer 10] te schieten\n\nwelke doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen, gepleegd tegen die [slachtoffer 10]\n\nen welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op 14 juni 2021 te Berkhout gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen die aan [slachtoffer 10] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak heeft betreden\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n een vuurwapen en breekijzer ter hand te nemen, en\n\nmet een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een sleutel en een portemonnee (met inhoud) en een breekijzer toebehorende aan [slachtoffer 11] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- een vuurwapen op die [slachtoffer 11] te richten en te tonen, en\n\n- dreigend de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijkende dreigende aard en\u002Fof strekking, en\n\n- die [slachtoffer 11] met tape vast te binden\n\n9.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven,\n\nmet dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak, gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee (met inhoud) die aan [slachtoffer 12] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 12]\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nmet een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 12] bij de keel vast te pakken ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen\n\n11.\n\nhij in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van overvallen\n\nHetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden.\n\n8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\n15\u002F316555-23 - Mainz\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\nHet onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat\n\nHet onder 6 en 7 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\npoging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waartoe de schuldige zich de toegang heeft verschaft door middel van braak en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\nHet onder 8 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nHet onder 9 en 10 bewezenverklaarde op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\nhet onder 11 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\n9. Oplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft in een periode van een jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen, met name in de regio West-Friesland. Het hof acht bewezen dat hij samen met anderen de woningovervallen in de zaaksdossiers Mainz, Millet, Zwenkau, Zulpich, Ararat en Willich heeft gepleegd.\n\nBij al deze woningovervallen is buitensporig veel en heftig geweld gebruikt. Bewoners zijn uit het niets, ook als zij meewerkten, met een koevoet geslagen of aan haren van het bed getrokken. Ze zijn bedreigd met vuurwapens, met een hamer en met breekijzers. Ze zijn geschopt, geslagen en vastgebonden met tape of tie-wraps. [slachtoffer 9] is mishandeld met een heet strijkijzer. Slachtoffer [slachtoffer 1] is met de daders in gevecht geraakt en is beschoten met een vuurwapen. Slachtoffer [slachtoffer 5] is in haar hals geschoten en mag van geluk spreken dat zij dit heeft overleefd maar is ernstig gewond geraakt en kampt tot de dag van vandaag met de fysieke en mentale gevolgen daarvan. Slachtoffer [slachtoffer 10] is bij de overval op zijn woning in zijn borst geschoten en had dat geluk niet: hij is korte tijd later aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Het hof acht het met de rechtbank ronduit schokkend dat de verdachte en zijn medeverdachten zich kennelijk niets hebben aangetrokken van het overlijden van [slachtoffer 10] en het leed dat en de onrust die zij daarmee hebben aangericht. Amper een maand na deze fatale overval hebben zij zich immers weer schuldig gemaakt aan een woningoverval (zaaksdossier Willich), waarbij slachtoffer [slachtoffer 12] vrijwel direct na het betreden van de woning eveneens met een vuurwapen in zijn borst is geschoten. Hij is ernstig gewond naar het ziekenhuis gebracht maar heeft het gelukkig wel overleefd. Bij meerdere slachtoffers zijn als gevolg van het uitgeoefende geweld verwondingen ontstaan. Voor anderen geldt dat zij hebben moeten toezien hoe dierbaren zijn mishandeld. Verdachten hebben met hun handelen niet alleen onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan de slachtoffers en aan de nabestaanden van [slachtoffer 10] , maar ook hebben zij ervoor gezorgd dat vele andere mensen in met name West Friesland zich niet langer veilig voelden in hun eigen huis.\n\nUit het herhaalde, buitensporige en heftige (vuurwapen)geweld kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat het gebruik van (vuurwapen)geweld onderdeel was van het plan van de verdachte en zijn mededaders en dat zij bij iedere overval wisten dat er doden of zwaargewonden konden vallen, maar dat hen dat niets kon schelen. Het beschieten van [slachtoffer 1] , de ernstige verwonding van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 12] , de verwondingen van vader en zoon [slachtoffers 7 en 8] , de dood van [slachtoffer 10] : keer op keer werden de gevolgen van het geweld heftiger, keer op keer hadden de verdachten de mogelijkheid om andere keuzes te maken maar keer op keer kozen de verdachten er toch voor om op dezelfde manier verder te gaan met hun gewelddadige overvallen. Zij wilden op een makkelijke en snelle manier veel geld verdienen, waarbij de mogelijkheid dat er doden of gewonden konden vallen ingebakken was in hun gebruikelijke werkwijze. Daarmee is er geen wezenlijk verschil met zaken waarin het om het leven brengen van één of meerdere personen wel het doel is, en het hof zal dit ook tot uitdrukking brengen in de op te leggen straf.\n\nDe verdachte is bij de overval in het zaaksdossier Willich de schutter is geweest. Zonder dat daar een directe aanleiding toe bestond, heeft hij [slachtoffer 12] met een semi-automatisch vuurwapen van buiten de woning door het raam in de borst geschoten, op een moment dat [slachtoffer 12] geen verzet bood. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken geen andere conclusie trekken dan dat de verdachte welbewust op [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Dat er sprake zou zijn geweest van een ongeluk -zoals de verdediging heeft betoogd- acht het hof zonder nadere verklaring over deze gang van zaken volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft hier zelf ook geen verklaring over willen afleggen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ook bij de andere overvallen een actieve rol gespeeld. Hij is telkens één van de daders geweest die de woningen van nietsvermoedende mensen zijn binnengegaan, mensen die dit op geen enkele wijze hadden kunnen voorzien of die zich hadden kunnen of moeten prepareren op overvallen als deze. Verdachte is daarbij een van degenen die geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers. Voorts blijkt uit het dossier -onder andere uit de verklaring van [medeverdachte 1] - dat de verdachte een bepalende stem had binnen de groep. Ook dat weegt mee bij het bepalen van de strafmaat.\n\nOok na het vallen van een dodelijk slachtoffer is de verdachte doorgegaan, en was hij degene die bij de volgende overval met een vuurwapen op een van de slachtoffers heeft geschoten. Uit chatberichten in het dossier blijkt dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid was doorgegaan met het plegen van overvallen als hij niet was gepakt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat deze dingen nooit hadden mogen gebeuren, maar heeft zijn actieve betrokkenheid bij de feiten tot op heden ontkend en heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij blijft zijn betrokkenheid ontkennen en legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf.\n\nPersoon van de verdachteVerdachte is nog niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Het hof zal het strafblad van de verdachte daarom niet in strafverzwarende zin betrekken bij het bepalen van de straf. Verdachte heeft consequent geweigerd om mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek, waardoor de deskundigen geen uitspraken konden doen over de persoonlijkheid van de verdachte en eventuele stoornissen. Er kunnen door de ontbrekende gegevens evenmin conclusies over eventuele psychopathie worden getrokken.\n\nDe op te leggen strafBij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is grote behoedzaamheid en terughoudendheid geboden. Vanwege de veelheid en ernst van de feiten en het excessieve geweld in georganiseerd verband is het hof echter van oordeel dat uit oogpunt van vergelding een levenslange gevangenisstraf de enige passende straf is. Daarbij dient te worden overwogen dat het gewetenloze handelen van de verdachte, waarvoor hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt, maakt dat de samenleving tegen hem maximaal moet worden beschermd.\n\nVerdachte is op dit moment 42 jaar oud en het hof realiseert zich dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf betekent dat hij in beginsel voor de rest van zijn leven vast zal zitten, maar een tijdelijke gevangenisstraf, ook niet de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar doet geen recht aan de ernst van de delicten en de gevolgen voor de slachtoffers en hun naasten.\n\nHet hof overweegt dat na 28 jaar een ambtshalve herbeoordeling van de levenslange straf zal plaatsvinden, waarbij zal worden beoordeeld of de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf nog een redelijk doel dient. Het Adviescollege Levenslang gestraften zal in dat verband na 25 jaar adviseren of de verdachte mag beginnen met re-integratieactiviteiten gericht op een mogelijke terugkeer in de samenleving. Daarbij toetst het college aan vier criteria:\n\nrecidiverisico\n\ndelictgevaarlijkheid\n\ngedrag en ontwikkeling tijdens detentie\n\nimpact op slachtoffers en nabestaanden, mede in het licht van vergelding.\n\nNiet alleen de verdachte, maar ook slachtoffers en nabestaanden zullen in het kader van die procedure worden gehoord.\n\nDe redelijke termijnGelet op de aard van de straf heeft een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen matigende invloed.\n\nConclusie\n\nUit het voorgaande volgt dat het hof aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.\n\n10. Benadeelde partijen\n\n10.1. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 25.988,45 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 5.988,45 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade toegewezen tot een bedrag van € 15.510,23 bestaande uit € 5.510,23 als vergoeding voor de materiële schade en € 10.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 1] kenbaar gemaakt te berusten in de door de rechtbank vastgestelde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 1] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade handhaaft tot het door de rechtbank toegekende bedrag.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat bij [slachtoffer 1] in 2020 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten van [slachtoffer 1] sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schade ter hoogte van € 45.510,23. Onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275) is volgens de advocaat-generaal sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat noopt tot toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de initiële vordering van de benadeelde partij overstijgt.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de posten ‘geldbedrag’ en ‘eigen risico verzekering’. Ten aanzien van de posten ‘installatie alarmsysteem’ en ‘abonnementskosten’ dient de BTW in mindering te worden gebracht nu deze kosten zijn gemaakt door het bedrijf van [slachtoffer 1] . De verdediging heeft bij pleidooi en bij dupliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van de verhoging van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade evenals de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 5.510,23. Deze schade bestaat uit:\n\nweggenomen geldbedrag € 3.000,00;\n\neigen risico verzekering € 113,00;\n\ninstallatie alarmsysteem (minus 21% BTW) € 970,25;\n\nabonnementskosten alarmsysteem (minus 21% BTW) € 1.306,98;\n\nberedderingskosten € 120,00.\n\nDit deel van de gevorderde schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is in deze zaak sprake van een gewapende overval die in de nacht plaatsvond, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen. Hij is meermalen met een breekijzer geslagen en er zijn twee schoten in de richting van zijn hoofd gelost. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat hij hierdoor onder meer een hoofdwond en bloeduitstortingen op zijn lichaam heeft opgelopen. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar een scan van zijn hoofd is gemaakt en de hoofdwond met twaalf hechtingen is gedicht. Hij heeft sinds de overval regelmatig last van zware hoofdpijn, waardoor hij dan moet gaan liggen. Verder heeft [slachtoffer 1] door het geluid van het schot ongeveer een half jaar lang slecht kunnen horen aan één oor.\n\nNu sprake is van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen, worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting op de initiële vordering alsmede uit de aanvulling in hoger blijkt dat de overval grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] . Hij was maandenlang zeer emotioneel waardoor ook zijn relatie onder druk kwam te staan. Hij heeft maandenlang slecht geslapen. Sinds de overval slaapt hij met een dwarsbalk aan de binnenzijde van zijn slaapkamerdeur. Omdat hij zich niet meer veilig voelde op zijn eigen erf en in zijn eigen woning, heeft hij zijn dieren verkocht en een ander huis gekocht. Hij heeft twee keer EMDR-therapie gehad vanwege PTSS-klachten, maar dit heeft hem niet geholpen. Uit eerder genoemde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat [slachtoffer 1] op 2 februari 2026 opnieuw is gestart met behandeling vanwege een toename van bestaande klachten. Het hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024: 1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2020 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDe vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 25.510,23.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 11 november 2020 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag voor de installatie van het alarmsysteem ter hoogte van € 970,25. Het hof zoekt bij het bepalen van die datum aansluiting bij de uiterste betaaldatum van de laatste termijn van de desbetreffende factuur. De wettelijke rente over de abonnementskosten van het alarmsysteem ter hoogte van € 1.306,98 is verschuldigd vanaf 1 december 2021. De abonnementskosten worden gevorderd vanaf september 2020 tot en met februari 2023 en het hof gaat daarom uit van een datum die in het midden ligt van deze periode.\n\nDe wettelijke rente over het eigen risico van de verzekering ter hoogte van € 113,00 is verschuldigd vanaf 2 november 2021, de uiterste betaaldatum van de factuur.\n\nVoor het resterende bedrag ter hoogte van € 23.120,00 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 8 augustus 2020, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander ten aanzien van alle posten tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.2. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 10.120,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 120,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit beredderingskosten.\n\nDe rechtbank heeft de gevorderde materiële schade afgewezen en de gevorderde immateriële schade toegekend tot een bedrag van € 5.000,00.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 2] kenbaar gemaakt te berusten in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade niet handhaaft.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat blijkens een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 4 februari 2021 bij [slachtoffer 2] in 2021 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en een behandelplan is besproken. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal is het eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. De in hoger beroep gevorderde immateriële schade van € 40.000,00 is gezien de aanvullende stukken en de nadere motivering door de advocaat billijk en vatbaar voor toewijzing.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] bij de woningoverval geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in de persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval die plaatsvond in de nacht, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 2] en haar partner zijn binnengedrongen. Bij deze overval is fors geweld uitgeoefend op [slachtoffer 1] , de partner van de [slachtoffer 2] en zijn er twee schoten in zijn richting gelost. Ook [slachtoffer 2] is met het vuurwapen bedreigd. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 2] nog altijd last heeft van wat haar is overkomen. Zij ondervindt gevoelens van angst en onveiligheid, heeft haar huis verkocht en is vanwege aanhoudende psychische klachten naar haar huisarts gegaan. Zij heeft vanwege PTSS-klachten twee EMDR-sessies ondergaan. Omdat dit haar niet hielp heeft zij zich gewend tot een psycholoog, waar zij een jaar lang maandelijks gesprekken heeft gevoerd. Uit een in hoger beroep overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 30.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.3. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een initiële vordering tot schadevergoeding van € 42.150,40 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 39.070,14 aan materiële schade te verminderen met een uitkering van de verzekering ad € 8.919,74. De gestelde schade bedraagt € 30.150,40. In deze berekening heeft de verdediging rekening gehouden met 33% aan afschrijving of waardevermindering\n\nDe gestelde schade bestaat verder uit € 12.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit twee posten:\n\n- gestolen goederen € 29.582,30 minus 33% = € 19.820,14\n\n- gestolen geldbedrag € 19.250,00.\n\nTer zitting in eerste aanleg is de vordering tot schadevergoeding van materiële schade door de advocaat van [slachtoffer 3] aangepast en gesteld op € 39.912,56:\n\ngestolen goederen € 29.582,30 gestolen geldbedrag € 19.250,00\n\nminus vergoeding verzekering € 8.919,74.\n\nDe immateriële schade is gehandhaafd op € 12.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 30.131,13 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\n [slachtoffer 3] heeft bij brief van 22 november 2024 en zijn advocaat heeft ter zitting in hoger beroep de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade kan worden toegewezen zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Daarbij wordt uitgegaan van de dagwaarde van de goederen en niet van de gevorderde aanschafwaarde. Het door de verzekering uitgekeerde bedrag dient in mindering te worden gebracht, wat maakt dat de toewijsbare vordering neerkomt op een bedrag van € 30.131,13. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van € 12.000,00 vatbaar is voor toewijzing. In totaal kan € 42.131,13 worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft kenbaar gemaakt de vordering te weerspreken maar zich te refereren aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nHet hof zal de gevorderde vergoeding voor gestolen goederen toewijzen tot een bedrag van € 26.292,35. Het gaat dan om de volgende posten:\n\n6. Oorbellen Ti Sento € 100,00 7. Oorbellen Zilveren creolen € 55,00 8. Oorbellen Ti Sento € 59,00 13. Zonnebril Miu Miu € 270,00 14. Zonnebril Tiffany & Co € 225,00 15. Zonnebril Guess € 80,00 16. Zonnebril Bulgari € 300,00 17. Zonnebril Prada € 180,00 18. Zonnebril Ray Ban € 150,00 19. Zonnebril Ray Ban € 150,00 20. Zonnebril Ray Ban € 150,00 21. Zonnebril Ray Ban € 150,00 22. Zonnebril Ray Ban € 150,00 23. Zonnebril Ray Ban € 150,00 25. Portemonnee € 64,40 29. Horloge Guess € 109,95 30. Horloge Corum Royal Flush € 3.900,00 31. Moët champagne € 399,00 32. 2x Piper Heidsick (champagne) € 150,00 34. Audi A8 € 19.500,00.\n\nHet hof acht evenals de rechtbank deze posten voldoende onderbouwd, gezien de toelichting met foto’s, aankoopbonnen en\u002Fof verwijzingen naar internetpagina’s met daarop de waarde van vergelijkbare artikelen. Bovendien zijn deze goederen terug te voeren op de aangiften of de nadere verhoren van de aangevers. Bij de begroting van de schade is [slachtoffer 3] uitgegaan van de nieuwwaarde van de weggenomen goederen. Het grootste deel van de goederen is echter al enige tijd geleden aangeschaft, zodat voor vergoeding in aanmerking komt de dagwaarde. Bij gebrek aan concrete gegevens over de dagwaarde zal het hof evenals de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en aansluiting zoeken bij het percentage dat [slachtoffer 3] oorspronkelijk als waardevermindering had gehanteerd, zijnde 33%. Dat er meer goederen zijn weggenomen en dat dit voor [slachtoffer 3] niet te achterhalen of te onderbouwen is, vormt geen reden om dit te compenseren door de afschrijving achterwege te laten. Het hof zal echter evenals de rechtbank geen afschrijving in mindering brengen op de waarde van de Audi A8, nu deze zeer kort voor de overval was aangekocht en mag worden aangenomen dat de aanschafwaarde de dagwaarde vertegenwoordigt. Het hof stelt de dagwaarde van de weggenomen goederen aldus vast op € 26.292,35.\n\nHet hof zal evenals de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de overige gestolen goederen niet-ontvankelijk verklaren, gezien de betwisting daarvan (door in algemene zin te stellen dat de vordering wordt weersproken) en omdat deze goederen niet zijn terug te voeren op de aangiften of de latere verhoren van de aangevers (schoenen), dan wel de waarde daarvan niet met stukken is onderbouwd (overige sieraden en beautycase). Ten aanzien van de make-up overweegt het hof evenals de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld wanneer dat is aangeschaft en tegen welke prijs. Bovendien mag worden aangenomen dat de producten zijn aangebroken\u002Fgebruikt. Er is dan ook niet vast te stellen in hoeverre de make-up artikelen (nog) een waarde vertegenwoordigen. Dit laatste geldt ook voor de opgevoerde parfums. Hiervoor is nadere bewijslevering noodzakelijk, hetgeen een onevenredige belasting vormt voor dit strafgeding.\n\n Wat betreft het gestolen geld zal het hof evenals de rechtbank een bedrag van € 15.000,00 toewijzen, hetgeen aansluit bij het bedrag dat in de aangifte en de aanvullende verhoren is genoemd.\n\n Dit betekent dat de materiële schade in totaal € 41.292,35 bedraagt. Hierop komt het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag van € 8.919,74 in mindering, zodat een bedrag van € 32.372,61 zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 3] geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in zijn persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof evenals de rechtbank in deze zaak dat de aard en de ernst van de normschending, met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 3] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 3] en zijn partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Ook is bij deze overval geweld uitgeoefend op de partner van de [slachtoffer 3] , waardoor zij gewond is geraakt.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 42.372,61. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskosten\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nHet hof ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (diefstal met geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.\n\n10.4. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot immateriële schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 7.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft bij brief van 22 november 2024 haar vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing vatbaar is. Zowel het lichamelijk letsel opgelopen tijdens de overval als het psychisch letsel waar [slachtoffer 4] nog altijd mee kamp, zijn toegelicht en houden rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.Oordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 4] en haar partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 4] door een van de daders van de woningoverval aan haar haren van het bed is getrokken. Hierbij is haar teen uit de kom geraakt, heeft zij snijwonden op haar knieën opgelopen en een kale plek op haar hoofd. Zij is naar de eerste hulp van het ziekenhuis geweest, waar haar teen weer is rechtgezet.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van [slachtoffer 4] en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit het door [slachtoffer 4] uitgeoefende spreekrecht zowel in eerste aanleg als in hoger beroep blijkt dat zij kampt met gevoelens van angst en boosheid en dat haar leven als gevolg van de woningoverval voorgoed veranderd is.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.5. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.388,24‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3 en 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 3.888,24 aan materiële schade en € 40.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\n- de helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] ter hoogte van\n\n€ 2.238,24 en\n\n- zijn eigen materiële schadeter hoogte van € 1.650,00.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 6] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadevan € 1.650,00 bestaat uit vier posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 80,00.\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit drie onderdelen:\n\nimmateriële schade € 15.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00;\n\nshockschade € 8.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de helft van de door [slachtoffer 6] gevorderde gezamenlijke materiële schadetoegewezen tot een bedrag van € 1.911,32. Deze schade bestaat uit 50% van de volgende posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten voor de vloerbedekking is de rechtbank uitgegaan van de dagwaarde die blijkens de toelichting op de vordering door de verzekeraar is vergoed. De rechtbank heeft deze post afgewezen.\n\n De rechtbank heeft de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] toegewezen tot een bedrag van € 1.610,00. Deze schade bestaat uit de volgende posten: d. portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nDe rechtbank heeft:\n\nde gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 toegewezen en het meer gevorderde afgewezen;\n\nde gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 toegewezen;\n\nde gevorderde schokschade ad € 8.000,00 afgewezen.\n\nBij brief van 12 december 2024 heeft [slachtoffer 6] kenbaar gemaakt de vordering te handhaven.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de gevorderde €15.000,00 te worden toegewezen alsmede de gevorderde affectieschade ad €17.500,00. De gevorderde schokschade dient te worden afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 6] naar voren gebracht dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen. Onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal is verder naar voren gebracht dat, hoewel € 15.000,00 is gevorderd, een bedrag tussen de € 41.000,00 en €69.000,00 passend wordt geacht. Verzocht wordt het gevorderde bedrag toe te wijzen en het meerdere ambtshalve alsnog via een schadevergoedingsmaatregel vast te stellen. Het hof begrijpt dat dit een bedrag zou moeten zijn tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00. Tevens is verzocht de gevorderde schokschade toe te wijzen waarbij is gewezen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2019:4594).\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde medische kosten (eigen risico 2021) ad € 385,00 en de inkomstenderving ad € 1.140,00. De gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeEvenals de rechtbank zal het hof de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 3.521,32 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 1.610,00 aan eigen schade).\n\nDe gezamenlijke materiële schadewordt vastgesteld op een bedrag van € 3.822,64 en is als volgt opgebouwd:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nDit gedeelte van de schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit geldt echter niet voor de post ‘vloerbedekking’. Ten aanzien van de vloerbedekking is de benadeelde partij uitgegaan van de kosten voor het laten plaatsen van nieuwe vloerbedekking. In aanmerking voor vergoeding komt echter de dagwaarde van de door de overval beschadigde vloerbedekking. Die dagwaarde is blijkens de toelichting op de vordering al door de verzekeraar vergoed. Dit betekent dat deze post zal worden afgewezen.\n\nOmdat [slachtoffer 6] de helft van de gezamenlijke materiële schadeheeft gevorderd zal het hof voor [slachtoffer 6] een bedrag van € 1.911,32 toewijzen.\n\nHet hof zal de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 1.610,00 toewijzen, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze schade bestaat uit de volgende posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nTen aanzien van de medische kosten merkt het op dat de factuur van 6 maart 2024, die ter onderbouwing is overgelegd, op naam is gesteld van [slachtoffer 5] . Het hof zal evenals de rechtbank dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan een afdoende onderbouwing daarvan.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen midden in de nacht met wapens de slaapkamer van [slachtoffer 6] zijn binnengedrongen. Hij is met de overvallers in gevecht geraakt, waarbij hij in het gezicht is geslagen en met een hard voorwerp (mogelijk een lamp) een klap op zijn achterhoofd heeft gekregen. Zijn partner [slachtoffer 5] is door een van de daders in haar hals geschoten. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] zijn naar het ziekenhuis vervoerd, waar [slachtoffer 6] onder meer een CT-scan heeft gehad. [slachtoffer 6] heeft bloeduitstortingen op zijn lichaam en in zijn gezicht opgelopen en twee hoofdwonden op zijn achterhoofd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat de woningoverval een enorme impact heeft gehad op het gevoel van veiligheid en controle van [slachtoffer 6] . Hij staat nog altijd op scherp en is alert. Hij heeft last van herbelevingen, vooral in de nacht. Hij wordt beperkt in zijn levensvreugde. Ter behandeling van zijn klachten heeft [slachtoffer 6] een uitgebreide sessie gevolgd bij een coach gespecialiseerd op het gebied van trauma’s na geweld. Ook heeft hij contact gehad met Slachtofferhulp Nederland. In aanloop naar de zitting heeft hij zich tot een psycholoog gewend, omdat de nachtmerries en herbelevingen weer de overhand kregen.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00 overweegt het hof als volgt. Het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De door de advocaat bij brief van 15 januari 2024 omschreven klachten van [slachtoffer 6] , thans omschreven als PTSS klachten, dateren van 2021. Het hof concludeert dat geen sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeOok de gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 komt naar het oordeel van het hof en evenals de rechtbank voor vergoeding in aanmerking. Het hof overweegt evenals de rechtbank hiertoe het volgende.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1750) in een zaak waarin affectieschade werd gevorderd, als volgt overwogen:\n\n“2.4 Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Of een naaste aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade wegens “ernstig en blijvend letsel” van de gekwetste als bedoeld in artikel 6:107 BW hangt in belangrijke mate af van de mate van de blijvende functiestoornis bij de gekwetste, waarbij – volgens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis – “een zeer bijzondere ernst van letsel” is vereist. De wetgever heeft daarbij als indicatie genoemd dat in geval van lichamelijk letsel bij een – aan de hand van de AMA-guides vastgestelde – blijvende functiestoornis van 70% of meer in ieder geval sprake is van “ernstig en blijvend letsel”. In het bijzonder in die gevallen waarin niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke hoge en blijvende functiestoornis, kan de rechter ook anderszins de invloed van het letsel op het leven van de gekwetste en de naaste betrekken bij zijn beoordeling of een naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.”\n\n [slachtoffer 6] is de levenspartner van [slachtoffer 5] en valt daarom binnen de kring van personen die recht kan hebben op een vergoeding van affectieschade. [slachtoffer 5] is bij de onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde woningoverval in haar hals geschoten. Zij heeft zich als gevolg hiervan ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft uiteindelijk haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met te veel prikkels en opbouwende vermoeidheid. [slachtoffer 5] heeft onder meer onherstelbare gehoorschade (tinnitus) opgelopen, waardoor zij een voortdurende ruis in haar oren heeft en overgevoelig is voor dagelijkse geluiden. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerkant van het hoofd, ondervindt zij vaak hoofdpijn en oorpijn en steken in haar hoofd. Sinds de woningoverval staat het sociale leven van [slachtoffer 5] nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Hierdoor is de relatie tussen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nTer zitting in hoger beroep heeft [slachtoffer 6] het spreekrecht uitgeoefend. Daarin heeft hij uitvoerig benadrukt wat de blijvende gevolgen van deze woningoverval voor hem en zijn partner zijn.\n\nGelet op het voorgaande concludeert het hof evenals de rechtbank dat het ernstige en blijvende letsel dat [slachtoffer 5] door het onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten heeft opgelopen, blijvend een grote impact op het leven van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zal hebben. Naar het oordeel van het hof is die invloed van dien aard dat [slachtoffer 6] , op grond van artikel 6:107, eerste lid, onder b BW en het Besluit vergoeding affectieschade, aanspraak kan maken op de gevorderde vergoeding voor affectieschade. De hoogte van de vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade vastgesteld op € 17.500,00. Het hof zal evenals de rechtbank dit bedrag aan gevorderde affectieschade toewijzen.\n\nSchokschadeHet hof zal evenals de rechtbank het gevorderde bedrag aan schokschade, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) afwijzen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer de volgende opmerkingen gemaakt over vergoeding van schokschade:\n\n“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.\n\n(…)3.7 Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”\n\nHet hof stelt evenals de rechtbank vast dat onvoldoende is gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van geestelijk letsel dat is veroorzaakt door de confrontatie met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad die is gepleegd jegens zijn partner [slachtoffer 5] . Er is sprake van een woningoverval waarbij de daders ook geweld op [slachtoffer 6] hebben uitgeoefend. Uit de verwijsbrief van de huisarts van 12 januari 2024 in combinatie met de informatie van de therapeut blijkt dat de PTSS-kenmerken bij [slachtoffer 6] verband houden met de overval als zodanig.Uit die stukken blijkt niet dat er geestelijk letsel bij [slachtoffer 6] is ontstaan als gevolg van de emotionele schok door de confrontatie met het geweld tegen [slachtoffer 5] of het letsel dat [slachtoffer 5] heeft opgelopen. Met het letsel dat is ontstaan bij [slachtoffer 6] is al rekening gehouden bij de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat aan hem is toegekend. Het hof zal daarom de gevorderde schokschade afwijzen. De door de advocaat genoemde uitspraak van de rechtbank Overijssel maakt dit oordeel niet anders.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 36.021,32.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021. Het hof zoekt evenals de rechtbank hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Hierbij wordt uitgegaan van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over het eigen risico ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 10 april 2021, de datum van afschrijving door de verzekeraar. De wettelijke rente over de inkomstenderving van € 1.140,00 is verschuldigd vanaf 25 januari 2021. Hierbij wordt uitgegaan van de datum waarop [slachtoffer 6] weer is gaan werken. De wettelijke rente over de medische kosten van € 40,00 is verschuldigd vanaf 19 januari 2024. Uit de factuur blijkt immers dat deze toen al was voldaan. Over het resterende bedrag ter hoogte van € 32.769,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.6. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬124.752,01‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 7.252,01‬ aan materiële schade en € 117.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\nde helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 5] en haar partner [slachtoffer 6] ter hoogte van €2.238,24 en\n\nhaar eigen materiële schadeter hoogte van € 5.013,77.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 5] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadebestaat uit vijf posten:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n huishoudelijke hulp € 2.921,00.\n\nTotaal: € 5.013,77\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit twee onderdelen:\n\nimmateriële schade € 100.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00.\n\nDe rechtbank heeft het aandeel van [slachtoffer 5] in de gezamenlijke materiële schadebegroot op € 1.911,32 en dit bedrag toegewezen. Ten aanzien van deeigen materiële schadeheeft de rechtbank een bedrag van € 2.092,77 toegewezen.\n\nDe rechtbank heeft de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00 en het meer gevorderde afgewezen. De gevorderde affectieschade heeft de rechtbank afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 5] de vordering tot vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 7.252,01 (€ 2.238,24 + € 5.013,77) gehandhaafd. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade, initieel gesteld op € 100.000,00, is ter zitting verhoogd en gesteld op het bedrag van € 133.500,00.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de ter zitting in hoger beroep gevorderde € 113.500,00 (het hof begrijpt: € 133.500,00) te worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft tot slot het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de gevorderde affectieschade.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de reiskosten medische instanties ad € 346,79 en de medische kosten ad € 1.201,98 (totaal). De kosten voor de verzorging van het paard dienen te worden afgewezen. De gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 5.504,09 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 3.592,77 aan eigen schade).\n\nZoals hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer 6] is overwogen, wordt het aandeel van [slachtoffer 5] in de post “gezamenlijke schade” begroot op € 1.911,32. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.\n\nDe “eigen materiële schade” van [slachtoffer 5] zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 3.592,77. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n verzorging paard € 1.500,00.\n\nTen aanzien van de door [slachtoffer 5] gevorderde kosten onder de noemer ‘huishoudelijke hulp’ overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat bij gebreke aan een alternatief aansluiting is gezocht bij de letselrichtlijn huishoudelijke hulphoewel de verzorging van een paard niet zonder meer gelijk te stellen is aan kosten voor huishoudelijke hulp. Het hof is echter van oordeel dat aan [slachtoffer 5] een vergoeding voor de verzorging van haar paard toekomt en heeft deze geschat op € 1.500,00.\n\nNaar het oordeel van het hof vloeit dit deel van de schade in zoverre rechtstreeks voort uit de bewezen verklaarde feiten. Voorts is dit deel van de schade voldoende onderbouwd en komt het hof de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen in de nacht met wapens de woning van [slachtoffer 5] en haar partner zijn binnengedrongen. Zij heeft als gevolg van het bij de woningoverval uitgeoefende geweld verwondingen opgelopen aan haar hoofd. Ook is zij in haar hals geschoten, waardoor een gat in haar hals en brandwonden zijn ontstaan. Zij is naar het ziekenhuis vervoerd, waar de schotwond in haar hals is gehecht. Volgens de toelichting op de vordering heeft [slachtoffer 5] als gevolg van het schieten onherstelbare gehoorschade opgelopen, bestaande uit een voortdurende ruis in haar oren (tinnitus). Zij is overgevoelig voor dagelijkse geluiden. Ook heeft zij schade opgelopen aan haar ogen. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerzijde van haar hoofd, heeft zij vaak hoofdpijn, oorpijn en ervaart zij regelmatig pijnlijke steken in haar hoofd. Door het lopen met gehoorbescherming heeft [slachtoffer 5] vrijwel altijd pijn in haar nek en schouders.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 5] dagelijks wordt geconfronteerd met haar lichamelijke beperkingen. Daarnaast is sprake van vermoeidheid, slecht slapen en zij staat altijd op scherp. Ook voelt zij zich angstig. Zij heeft zich ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft weliswaar inmiddels haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met teveel prikkels en opbouwende vermoeidheid. Sinds de woningoverval staat haar sociale leven nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Ook kan zij geen wedstrijden meer rijden met haar paard, omdat zij geen cap meer kan dragen. Spontane acties en vakanties kunnen niet meer. Hierdoor is ook de relatie met haar partner veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval en de fysieke en mentale gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad en welke gevolgen ook voldoende zijn onderbouwd in de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 100.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ad €33.500,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De gestelde onderdelen van de vordering: aantasting gezichtsvermogen, aantasting gehoor, misvorming van het gezicht\u002Flitteken in het gezicht en PTSS dateren immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeDe gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 dient naar het oordeel van het hof te worden afgewezen, onder verwijzing naar het hiervoor opgenomen arrest van de Hoge Raad van 30 november 2021. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van ernstig en blijvend letsel, op grond waarvan [slachtoffer 5] als naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 105.504,09.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021.\n\nHet hof zoekt hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Het hof gaat hierbij evenals de rechtbank uit van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over de reiskosten ter hoogte van € 346,79 is verschuldigd vanaf 1 januari 2022. De behandelingen hebben plaatsgevonden vanaf 18 januari 2021 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over het eigen risico over 2021 ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 23 april 2021, de datum van betaling aan de verzekeraar. De wettelijke rente over het eigen risico over 2022 ter hoogte van € 166,98 is verschuldigd vanaf 4 april 2022, de datum van indiening van de laatste factuur bij de verzekeraar. De wettelijke rente over de kosten van de EMDR-sessies van € 650,00 is verschuldigd vanaf 1 september 2022. De sessies zijn gevolgd gedurende de periode van 1 juni 2022 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over de kosten van het Spotify abonnement ten bedrage van € 145,00 is verschuldigd vanaf 1 juli 2023. Ook hier gaat de rechtbank uit van het midden van de abonnementsperiode (van december 2022 tot en met januari 2024). De wettelijke rente over de kosten van de softlaser van € 399,00 is verschuldigd vanaf 27 februari 2023, de betaaldatum van de factuur. De wettelijke rente over de kosten verzorging paard is verschuldigd vanaf 28 april 2021 zijnde de laatste dag waarop [betrokkene 4] blijkens haar brief van 9 december 2023 voor het paard van [slachtoffer 5] heeft gezorgd.\n\nOver het resterende bedrag ter hoogte van € 100.224,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal de bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.7. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft een bedrag van € 10.000,00 toegewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering tot schadevergoeding gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft opgemerkt dat [slachtoffer 7] op 14 maart 2026 is overleden. Dit neemt niet weg dat het hof op de vordering dient te beslissen. De vordering is op de voet van artikel 6:95 lid 2 BW vatbaar voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam dan wel erfgenamen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 10.000,00 kan worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van het hofMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 7] is vastgebonden, geblinddoekt en meermaals geslagen met de koevoet. Ook is een vuurwapen op hem en zijn vrouw gericht. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering blijkt dat hij blauwe plekken en zwellingen heeft opgelopen op zijn schedel en zijn benen, waarvoor hij naar de Spoedeisende Hulp in het ziekenhuis is gegaan. In het ziekenhuis zijn foto’s genomen. [slachtoffer 7] heeft ongeveer twee maanden last gehad van zijn linkerbeen. Door een klap op zijn oor heeft hij zeker drie maanden last gehad van constant oorsuizen en verminderd gehoor.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nDe overval heeft flinke impact gehad op [slachtoffer 7] en zijn gezin. Hij hoorde zijn zoon gillen, wat bij hem door merg en been ging. [slachtoffer 7] dacht dat ze zijn zoon gingen vermoorden, maar kon niets voor hem doen. Hij ervaarde een gevoel van machteloosheid en is door de overval veranderd. Hij had nadien onder meer een kort lontje en had vanwege de overval zijn slaapkamer laten ombouwen tot een saferoom.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.8.. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬10.380,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 380,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit medische kosten.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 380,00 betrekking hebbende op EMDR-therapie toegewezen en de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de rechtbank voor wat betreft de toewijzing van de materiële schade. De gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal evenals de rechtbank de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade, bestaande uit medische kosten ter hoogte van € 380,00 toewijzen. Deze schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 8] is vastgebonden, geblinddoekt en is bedreigd met een vuurwapen. Uit de letselrapportage en foto’s in het dossier blijkt dat zij blauwe plekken heeft opgelopen op haar rechter oksel en rechter onderbeen.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering volgt dat de overval voor [slachtoffer 8] een zeer traumatische ervaring is geweest waar zij nog altijd last van heeft. Zij is enorm angstig geweest om het welzijn van haar man en haar zoon. Zij moest toezien hoe haar man geslagen werd met een breekijzer en hoorde ook hoe haar zoon het uitschreeuwde. Ze dacht dat zij haar zoon doodmaakten. Zij moest onder dreiging van een wapen naar de wc lopen. Zij was bang dat zij haar zouden verkrachten of doden. Sinds de overval is [slachtoffer 8] constant angstig en zij slaapt slecht, waarvoor zij slaapmiddelen heeft gekregen van haar arts. Zij heeft vanwege PTSS-klachten hulp gezocht bij een psycholoog en heeft EMDR-therapie gehad, hetgeen niet het gewenste effect heeft gehad. Het leven van [slachtoffer 8] heeft in haar ogen niet meer dezelfde kwaliteit als voorheen. Zij kan minder van het leven genieten. Zij ervaart een blijvend gevoel van onveiligheid en voelt zich beperkt in haar vrijheid. [slachtoffer 8] en haar echtgenoot durfden toen haar man nog leefde ook niet meer op vakantie omdat zij dan hun zoon in de woning alleen achter zouden moeten laten.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.380,00.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 17 januari 2022 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van € 380,00 aan medische kosten. Het hof zoekt hiervoor aansluiting bij de betaaldatum van de factuur.\n\nOver het bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 wordt de wettelijke rente toegewezen gerekend vanaf 4 juni 2021, de datum waarop de overval heeft plaatsgevonden.\n\nEen en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.9.. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 9] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 12.500,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het gevorderde bedrag ad € 20.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 9] is een zak over zijn hoofd getrokken en zijn handen zijn achter zijn rug geboeid. Ook zijn voeten zijn bij elkaar gebonden. Hij is met de koevoet geslagen. Hij had bloeduitstortingen op zijn dij, zijn bovenarm, zijn schouder en zijn onderrug. Ruim een half jaar heeft hij last gehad van gekneusde ribben en hij had twee maanden last met lopen. Er is ook een hete strijkbout op zijn bovenarm gezet, waardoor een brandwond is ontstaan. Deze is in de ambulance behandeld, en later nog een paar keer verschoond en verbonden door de huisarts. Het heeft [slachtoffer 9] een blijvend groot ontsierend litteken opgeleverd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 9] na de woningoverval last had van geheugenzwakte en verstrooidheid. Ook was hij een tijdlang emotioneel labiel. De eerste periode durfde hij niet meer thuis te slapen, uit angst dat de overvallers terug zouden komen . Sinds de overval kan hij niet zo goed tegen “gezeur om kleine dingen”.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal daarbij bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.10.. \n\nInitiële vordering [slachtoffer 11] (feit 8)\n\nOp 1 maart 2022 heeft [slachtoffer 11] een verzoek tot schadevergoeding ingediend die blijkens een poststempel op 4 maart 2022 is binnengekomen bij het Openbaar Ministerie Noord-Holland.\n\nHet hof stelt vast dat genoemd verzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is behandeld en er evenmin een beslissing op is genomen.\n\nOp 14 april 2026 heeft de advocaat-generaal het hof geïnformeerd over het feit dat uiteindelijk contact is geweest met [slachtoffer 11] die heeft aangegeven zijn vordering te willen handhaven in hoger beroep maar dat de formulieren door het Openbaar Ministerie nog niet zijn ontvangen.\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat nu [slachtoffer 11] zijn vordering niet heeft gehandhaafd deze dan ook niet aan de orde is.\n\nHet hof is van oordeel dat de vordering van [slachtoffer 11] niet aan de orde is omdat hoewel de vordering tijdig is ingediend, deze niet door de rechtbank is behandeld en de rechtbank hierop ook niet heeft beslist. Een behandeling eerst in de fase van het hoger beroep is niet mogelijk zodat de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 11] niet aan de orde is.\n\nHet hof heeft in beginsel ook de mogelijkheid om ambtshalve aan [slachtoffer 11] een schadevergoeding toe te kennen op grond van art. 36f Sr. In deze zaak is immers sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin de vordering van [slachtoffer 11] door een fout van justitie niet is behandeld door de rechtbank. Het hof constateert echter dat [slachtoffer 11] de gestelde schade in het geheel niet heeft onderbouwd. Het hof heeft daarmee onvoldoende aanknopingspunten om de hoogte van de schade vast te stellen, en zal daarom geen toepassing geven aan art. 36f Sr.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 140, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep wat betreft de aan hem onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief tenlastegelegde afpersing.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit\n\n€ 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en\n\n€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 8 augustus 2020 over een bedrag van € 3.120,00 ter zake van resterend bedrag - 11 november 2020 over een bedrag van € 970,25 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 november 2021 over een bedrag van € 113,00 ter zake van eigen risico verzekering - 1 december 2021 over een bedrag van € 1.306,98 ter zake van alarmsysteem abonnementskosten\n\nen van de immateriële schade op\n\n8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige, te weten een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit\n\n€ 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit € 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 224,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 23 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2021 - 28 april 2021 over een bedrag van € 1.500,00 ter zake van verzorging paard - 1 januari 2022 over een bedrag van € 346,79 ter zake van reiskosten - 4 april 2022 over een bedrag van € 166,98 ter zake van eigen risico 2022 - 1 september 2022 over een bedrag van € 650,00 ter zake van EMDR - 27 februari 2023 over een bedrag van € 399,00 ter zake van softlaser - 1 juli 2023 over een bedrag van € 145,00 ter zake van spotify\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van €36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit\n\n€ 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en €32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8.326,92 (achtduizend driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 326,92 (driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 269,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 19 januari 2021 over een bedrag van € 40,00 ter zake van medische kosten - 25 januari 2021 over een bedrag van € 1.140,00 ter zake van inkomstenderving - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten vervangen sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 10 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 9] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.W.H.G. Loyson, mr. L.M.G. de Weerd en, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.\n\nBijlage I – tenlastelegging\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2020 te De Goorn, gemeente Koggenland (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 1] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro) en\u002Fof een of meerdere telefoon(s) en\u002Fof een of meerdere sleutel(s), in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\nmeermalen (met een breekijzer, althans een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\u002Fof\n\nmeermalen op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\u002Fof\n\n(daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(meermalen) (met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen haar hoofd te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp in\u002Ftegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op of omstreeks 30 december 2020 te Dreumel, gemeente West Maas en Waal (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag (ter hoogte van 15.000 euro) en\u002Fof sieraden en\u002Fof een luchtbuks en\u002Fof een personenauto (Audi) en\u002Fof een portemonnee en\u002Fof een schroevendraaier en\u002Fof een of meerdere flessen champagne in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) en\u002Fof hamer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en\u002Fof \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen, althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en\u002Fof strekking, en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\u002Fof\n\nop\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\u002Fof\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de nek\u002Fhals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en\u002Fof [slachtoffer 6] welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om zich dat\u002Fdie goed(eren) wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens ter hand te nemen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 6] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\nmeermalen (met een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) (meermalen) dreigend te roepen “geld” en\u002Fof \"Ga je geld halen achter\" en\u002Fof \"Schiet hem dood\" en\u002Fof \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\nmet kracht op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\u002Fof\n\n(met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van de keel\u002Fhals, althans lichaam, van die [slachtoffer 5] te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.hij op of omstreeks 04 juni 2021 te Heerhugowaard (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop de [adres 4] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een personenauto (Audi Q7) en\u002Fof twee mobiele telefoons en\u002Fof een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichelf en\u002Fof andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\u002Fof\n\n(vervolgens) een heet strijkijzer op\u002Ftegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op\u002Ftegen de rug van [slachtoffer 9] te houden, althans te tonen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen, met een koevoet op\u002Ftegen het bovenbeen te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en\u002Fof \"Waar is de kluis\" of woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) op\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof zijn been te slaan en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, te tonen aan [slachtoffer 7] en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] en\u002Fof [slachtoffer 8] vast te binden en\u002Fof te blinddoeken en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"meer geld\" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"We steken het in brand\", althans woorden van soortgelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op [slachtoffer 8] te richten en\u002Fof te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op\u002Fin het (boven)lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot afpersing in vereniging en\u002Fof een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen van zijn\u002Fhun gading, gepleegd tegen die [slachtoffer 10] en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout, (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak en\u002Fof verbreking tegen de wil van die [slachtoffer 10] heeft\u002Fhebben betreden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen, en\u002Fof\n\n(vervolgens) met een vuurwapen op\u002Fin het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een sleutel en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een breekijzer, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 11] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 11] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\n(daarbij) (dreigend) de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en\u002Fof \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 11] met tape vast te binden;\n\n9.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak en\u002Fof verbreking gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317, 312 lid 1 jo lid 2 jo 310 van het Wetboek van Strafrecht), welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een usb stick, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n(met een vuurwapen) in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 12] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof vast te houden ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 – criminele organisatie\n\n11.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 te De Goorn en\u002Fof Nieuwe Niedorp en\u002Fof Dreumel en\u002Fof Avenhorn en\u002Fof Berkhout en\u002Fof [adres 25] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 3] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten het plegen van overvallen (artikel 312\u002F317 Wetboek van Strafrecht).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","2026-07-13T00:28:41.167Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":78,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":80},"1282","ECLI:NL:GHAMS:2026:1860","ecli-nl-ghams-2026-1860","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-002146-24\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 september 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-289458-24 en 02-097110-23 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2002,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats.Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nde door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerkt en aanvult in de op te maken aanvulling op dit arrest na het eventueel instellen van beroep in cassatie;\n\nartikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft op 13 april 2023 een voorwaardelijke straf aan de verdachte opgelegd (parketnummer 02-097110-23). Uit de justitiële documentatie van 9 juni 2026 volgt dat deze straf inmiddels is tenuitvoergelegd. Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 02-097110-23.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. T. de Bont en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1860","2026-07-13T00:29:13.817Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":85,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":87},"773","ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","ecli-nl-ghams-2026-1862","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000367-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en\n\n23-003943-18 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).\n\nde navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:\n\n“Item: 6561241\n\nOmschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder\n\nBevat:\n\nKetamine”\n\nhet hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;\n\nde verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.\n\nOp het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op\n\n1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.\n\nTijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.\n\nHet hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op\n\n1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.\n\nIn reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.\n\nGelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nDe raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze\n\ngrote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.\n\nHet hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van\n\n24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardendat:\n\nde verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;\n\nde verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nde verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmeewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.\n\nVerlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nHeft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","2026-07-13T00:28:47.436Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":92,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":94},"766","ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","ecli-nl-ghams-2026-1861","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000030-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-296136-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen;\n\nde kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde verbeterd leest, in die zin dat sprake is van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaarlichamelijk letsel wordt toegebracht.’\n\nAanvullende bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel omdat (enkel) sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof dient de vraag te beantwoorden of het door de verdachte bij de aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) veroorzaakte letsel naar normaal spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van die vraag kunnen verschillende factoren worden betrokken, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook van belang kan zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen.\n\nUit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij het ongeval een hoofdtrauma (hersenschudding) en verschillende wonden en kneuzingen, waaronder een kneuzing van de enkel, heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast heeft hij EMDR therapie gevolgd in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval (zie onder meer de hierna te noemen stukken van het UWV, p. 3 van de medische rapportage). In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom.\n\nIn hoger beroep zijn nadere stukken omtrent de medische situatie van [slachtoffer] ingebracht (e-mail met bijlagen van [slachtoffer] aan ressortsparket, van 6 maart 2026). Uit die stukken blijkt onder meer het volgende.\n\nIn 2024 zat [slachtoffer] in de ziektewet en was zijn studie ‘on hold’ gezet ten gevolge van zijn klachten (Eindverslag ergotherapie 10 maart 2025). Een specialistenbericht neurologie van\n\n6 februari 2024 vermeldt dat [slachtoffer] kampt met ‘aanhoudende forse postcommotionele klachten’. Ruim anderhalf jaar later waren de klachten nog altijd niet volledig verdwenen. Zo blijkt uit een brief van Chiropractie Harderwijk van 2 september 2025 dat (destijds) maximale cognitieve belasting nog een lichte moeite met procesverwerking opleverde. Bijna twee jaar na het ongeval ondervond [slachtoffer] nog steeds pijn aan zijn linkerenkel (anamnesekaart fysiotherapeut [persoon] , indicatiedatum\n\n21 januari 2025). Ook ruim tweeëneenhalf jaar na dato werd het slachtoffer in zijn dagelijks en werkende leven nog altijd belemmerd door de gevolgen van de aanrijding, zo blijkt uit een diagnose die is gesteld door een verzekeringsarts van het UWV in een medische rapportage van 20 oktober 2025 die luidt: Postcommotioneel syndroom bij status na trauma aan het hoofd, persisterende enkelklachten links. Deze verzekeringsarts heeft op grond van een uitgebreide medische beschouwing, vastgesteld dat bij [slachtoffer] sprake was van stoornis in de energie huishouding, waardoor [slachtoffer] als beperkt belastbaar moet worden aangemerkt. Bij beslissing van 3 november 2025 oordeelde het UWV dat het slachtoffer nog altijd recht had op een Ziektewet-uitkering.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, anders dan de verdediging, dat het door de verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel zodanig ernstig is dat dit moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verkeersgedrag van de verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Volgens de raadsman zou de bewezenverklaring beperkt moeten blijven tot het feit dat de verdachte zich onachtzaam heeft gedragen door een impulsieve, onhandige stuurbeweging te maken, maar niet meer dan dat.\n\nWat dit standpunt betreft, verwijst het hof naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank hierover. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – samengevat – het in het donker, zonder geldig rijbewijs, rijden onder invloed en daarbij plotsklaps naar links afslaan zonder zich er van te vergewissen of er sprake is van enig kruisend (fiets)verkeer, terwijl verdachte plaatselijk goed bekend was en dus moest weten dat hij een fietspad zou kruisen, zonder meer gekwalificeerd moet worden als onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.\n\nOplegging van straffen\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verdachte rondom het ongeval, zijn huidige persoonlijke situatie, de mate van schuld aan het ongeval en de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf en\u002Fof een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte voor gevolgen zouden hebben.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is in de nacht van het ongeval in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat de verdachte ervoor heeft gekozen om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van de verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. De verdachte had zijn rijbewijs op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Tijdens een onverantwoorde stuurmanoeuvre naar links is de verdachte de macht over het stuur verloren en heeft hij het slachtoffer aangereden die op dat moment met zijn fiets rechtdoor op het fietspad reed. Nu, meer dan drie jaar na dato, is gebleken dat het ongeval heeft geleid tot zeer ernstig letsel, waarbij op dit moment volledig herstel bepaald nog niet in zicht is. Het leven van het slachtoffer is door het ongeluk drastisch in negatieve zin veranderd, zoals het slachtoffer op de terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze heeft toegelicht. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de verdachte, nadat duidelijk was geworden dat hij het slachtoffer had aangereden, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich niet om hem heeft bekommerd. De verdachte heeft eerst meermalen geprobeerd om weg te rijden en omdat dat niet lukte is de verdachte van de plek van het ongeval weggerend. Het is aan een oplettende getuige te danken dat de politie de verdachte alsnog heeft kunnen aanhouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en van minachting voor het door hem aangereden slachtoffer. Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.\n\nTen nadele van de verdachte weegt het hof mee dat uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 10 april 2023.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel terwijl sprake is van alcoholgebruik boven de 570 µg\u002Fl een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren genoemd. Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch in het gegeven dat de rechtbank een lagere straf heeft opgelegd, aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal dit daarom volgen. Het hof is zich ervan bewust dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte ingrijpend zal zijn en dat de verdachte hierdoor mogelijk zijn woning en baan zal kwijtraken. De (mogelijke) gevolgen van deze straf en van een lange rijontzegging zijn door de verdediging nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht waarbij er is aangevoerd dat de verdachte (inmiddels) hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik en zijn leven, in positieve zin, heeft omgegooid. Een andersoortige of lagere straf doet naar het oordeel van het hof echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor het slachtoffer. Ook is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van norminprenting en generale preventie een duidelijk signaal moet worden afgegeven.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van7 (zeven) maanden.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J. Hofstee en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","2026-07-13T00:28:47.118Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":64,"updatedAt":103},"942","ECLI:NL:RBAMS:2026:6561","ecli-nl-rbams-2026-6561","2026-07-06T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAMlocatie buurtrechtbank, Albert Camuslaan 38\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F225688-25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nVonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. P.L. Smit) en van wat verdachte en de raadsman (mr. W.H. Jebbink) naar voren hebben gebracht.\n\nDe raadsman heeft op de terechtzitting verzocht om de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen. De politierechter heeft dit verzoek ter terechtzitting mondeling afgewezen.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Gemeente Amsterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd,\n\nonbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde vernieling bewezen kan worden verklaard.\n\n3.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vernieling, maar van het onbruikbaar maken van het Nationaal Monument op de Dam (hierna: het monument).\n\n3.3. Oordeel van de politierechter\n\nVerdachte heeft bekend met rode verf op het monument de tekst “Never Again is Now” te hebben gespoten. De politierechter is van oordeel dat door het handelen van verdachte het monument is beschadigd en niet vernield. Door het verwijderen van de verf kon het monument in de oude staat worden teruggebracht en dat is ook gebeurd.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe politierechter acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025205191-8 bewezen dat verdachte:\n\nop 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam dat aan de gemeente Amsterdam toebehoorde heeft beschadigd.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\n5.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het feit strafbaar.\n\n5.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het bekladden van het monument valt onder de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht (artikelen 10 en 11 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), artikelen 7 en 9 Grondwet en artikelen 19 en 21 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR)). De tekst die verdachte heeft gespoten is een evidente meningsuiting tegen de houding van de Nederlandse regering jegens het handelen van Israël in Gaza. Het monument is bewust gekozen vanwege zijn symbolische waarde. Hiermee zou de mening de grootste impact hebben. Het strafrechtelijk vervolgen levert een te vergaande inbreuk op van voornoemde rechten. Strafrechtelijke vervolging is niet noodzakelijk. Er is sprake van beperkte schade, omdat het monument dezelfde dag nog is gereinigd. Van ernstige schade aan andermans eigendommen die het vreedzame karakter aan de demonstratie ontnemen is dus geen sprake. De raadsman verwijst daarbij naar verschillende jurisprudentie en in het bijzonder naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een zaak waar in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, ook een publiek monument was beklad. In die zaak is geoordeeld dat geen sprake was van hooliganismen de inbreuk op het recht van de vrijheid van meningsuiting ongerechtvaardigd was. Van de vervolging van verdachte gaat een “chilling effect” uit. Verdachte had ook baldadigheid, zijnde een overtreding, ten laste kunnen worden gelegd.\n\n5.3. Oordeel van de politierechter\n\nDe politierechter zal het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging verwerpen en heeft daarbij verschillende uitspraken van de Hoge Raad (waaronder ECLI:HR:2025:1519), de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie en de recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:12907) geraadpleegd.\n\nVaststaat dat verdachte het recht heeft om een mening op een vreedzame manier te uiten en zich al dan niet samen met anderen als onderdeel van een demonstratie mag uiten tegen Israël en de rol van de Nederlandse Staat bij het (nalaten tot) handelen in Gaza. Ook staat vast dat verdachte de wet heeft overtreden bij het uiten van de mening en daarvoor is vervolgd in deze zaak. De vraag die voorligt is of daarmee een inbreuk is gemaakt op het recht op vrijheid van meningsuiting, dan wel het demonstratierecht (hierna tezamen: de rechten). Op grond van de toepasselijke wetten en jurisprudentie is een beperking van de rechten toegestaan als (i) de wet dat toelaat (prescribed by law), (ii) het een gerechtvaardigd belang dient (legitimate aim) en (iii) dit noodzakelijk is in een democratische samenleving (necessary in a democratic society). Aan de eerste twee eisen wordt in deze zaak voldaan (handelen van verdachte is in artikel 350 Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld en dient ter bescherming van de eigendomsbelangen van derden). De vraag is of het vervolgen van verdachte ook noodzakelijk was.\n\nOok daarvan is naar het oordeel van de politierechter in dit geval sprake. De verdachte had ook zonder het monument te bespuiten en daarbij inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de gemeente Amsterdam zich uit kunnen spreken tegen het (gebrek aan) handelen van de Nederlandse Staat tegen Israël. Verdachte had bijvoorbeeld een spandoek met rode letters kunnen ophangen zodat geen schade aan het monument zou worden veroorzaakt en dat eenvoudig verwijderd had kunnen worden. Het bekladden van het monument levert een opzettelijk meer ingrijpende ordeverstoring op dan het vreedzaam protesteren en andere minder schade toebrengende handelingen om de boodschap kracht bij te zetten. Dat dit de enige manier zou zijn om aandacht te vragen voor het onrecht wat volgens verdachte wordt gepleegd in Gaza is dus niet aannemelijk geworden.\n\nDe raadsman heeft zich ook op de uitspraak van het EHRM beroepen in de zaak Genov en Sarbinski tegen Bulgarije. De politierechter leidt daaruit niet af dat in alle gevallen het strafrechtelijk optreden tegen het beschadigen van een monument een inbreuk zou zijn op de rechten. Hooliganismzoals daarin verwoord (indecent actions which grossly infringe public order and show overt disrespect toward society) is niet hetzelfde als vernieling en\u002Fof beschadiging van een zaak. Daarnaast volgt ook uit andere uitspraken van het EHRM dat het strafrechtelijk optreden tegen een beschadiging van een monument wel kan leiden tot een gerechtvaardigde inbreuk op de rechten (zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 53 in de zaak Handzhiyiski tegen Bulgarije en rechtsoverweging 110 in de zaak van Sinkova tegen Oekraïne). Dat is ook zo als het motief dat heeft geleid tot het beschadigen gelegitimeerd was. Het maatschappelijke belang van het monument, de waarden of ideeën die het symboliseert en de mate van het betonen van eer die een monument heeft binnen de gemeenschap zijn belangrijke overwegingen. In deze zaak symboliseert het monument een herdenking aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en inmiddels ook anderen die voor of door Nederland gevallen zijn. Hiermee draagt het monument bij aan een belangrijke functie binnen de maatschappij. De bedoeling daarvan is ook gelegen om mensen eraan te herinneren dat dergelijke wandaden niet opnieuw gebeuren. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard juist ook om die reden op het monument “Never Again is Now” te hebben gespoten. Deze specifieke tekst heeft een politieke lading en daarvoor is het monument niet bedoeld. Het is nu juist opgericht ter nagedachtenis van mensen die het land hebben verdedigd. Bekladding daarvan is maatschappelijk onacceptabel en ook disproportioneel. Ook uit de andere door de raadsman aangehaalde jurisprudentie kan niet afgeleid worden dat een beroep op ontslag op alle rechtsvervolging zou moeten slagen. In de aangehaalde zaak over H&M ging het bijvoorbeeld om een vreedzaam verlopen huisvredebreuk en geen vernieling en\u002Fof beschadiging. In de aangehaalde zaken waar het wel om vernieling en\u002Fof beschadiging ging is het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging evenmin gehonoreerd.\n\nHet strafrechtelijk optreden tegen dit strafbare feit (aanhouding, verhoor en het opleggen van een boete) zijn niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun rechten. Daarbij is van belang dat het optreden tegen en de vervolging van verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan de demonstratie, maar alleen maar ziet op het op eigen initiatief plegen van een strafbaar feit tijdens de demonstratie.\n\nDe veroordeling levert dus geen schending van de rechten op. Verder is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 225,-.\n\n7.2. Het standpunt van de raadsman\n\nBij een veroordeling wordt verzocht om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Verdachte heeft de schade al vergoed.\n\n7.3. Het oordeel van de politierechter\n\nBij het bepalen van een op te leggen straf is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van het monument. Het monument heeft voor veel mensen een belangrijke betekenis en daar heeft verdachte onvoldoende respect voor getoond door het te bespuiten met verf. In beginsel is een boete zoals gevorderd door de officier van justitie dan ook een passende sanctie. Daar staat tegenover dat verdachte first offender is en dit feit heeft begaan om het protest tegen het (gebrek aan) optreden van de Nederlandse Staat tegen Israël in Gaza kracht bij te zetten en niet zozeer met het doel om het monument te beschadigen. Ter terechtzitting is gebleken dat zijn persoonlijke trauma’s in het verleden bij de keuze om het monument te bespuiten ook een rol hebben gespeeld. Daarnaast heeft verdachte de schade van de gemeente Amsterdam al betaald en is de financiële draagkracht van verdachte beperkt. Ook houdt de politierechter rekening met het feit dat verdachte gedurende bijna drie uur lang is verhoord, terwijl verdachte op heterdaad is aangehouden en bekend heeft. Het opleggen van een geldboete (al dan niet voorwaardelijk) dient in de gegeven omstandigheden geen enkel doel meer. Verdachte zal zodoende geen straf of maatregel worden opgelegd.\n\n8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij, de gemeente Amsterdam, vordert € 895,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nTer zitting is gebleken dat de gevorderde schade reeds door verdachte is vergoed en dat de vordering wat de officier van justitie en de raadsman betreft niet meer aan de orde is. Nu de politierechter van de benadeelde partij geen intrekking van de vordering heeft ontvangen, dient deze voor de volledigheid wel beoordeeld te worden. Gelet op het feit dat de schade al is vergoed door verdachte zal de vordering worden afgewezen.\n\nDe benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n9. Beslissing\n\nDe politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVernietigt de aan verdachte opgelegde strafbeschikking.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nBepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nWijst de vordering van de gemeente Amsterdam af.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. van der Kaay, politierechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6561","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.995Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":64,"updatedAt":111},"1213","ECLI:NL:RBAMS:2026:6727","ecli-nl-rbams-2026-6727","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13\u002F113961-26\n\nDatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nUITSPRAAK\n\nop de vordering van 28 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 6 september 2021 door het Amtsgericht Köln, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [opgeëiste persoon],\n\n geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats],\n\n inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:\n\n [adres],\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam.\n\nDe raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nOok heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met de gelijktijdige schorsing van dit bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een arrestatiebevel van het Amtsgericht Kölnvan 14 juni 2021 (dossiernummer: 504 Gs 1914\u002F21).\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.\n\n4. Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:\n\n oplichting.\n\nUit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Duitsland maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.\n\nDit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.\n\n5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW\n\nDe opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Duitsland. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in Duitsland wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe leidinggevende hoofdofficier van justitie in Keulen heeft op 28 april 2026 de volgende garantie gegeven:\n\n“Onder verwijzing naar uw e-mail van 28-04-2026 verzeker ik u dat de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van Kaderbesluit 2008\u002F909\u002FJBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 05-12-2008, pagina 27) ten behoeve van de verdere tenuitvoerlegging van straf naar Nederland wordt teruggezonden.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.\n\n6. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.\n\n7. Toepasselijke wetsartikelen\n\nDe artikelen 2, 5, 6, 7 OLW.\n\n8. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[opgeëiste persoon]aan hetAmtsgericht Köln, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,\n\nmrs. B.M. Vroom-Cramer en J.T.H. Zimmerman rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\nHof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700\u002F21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6727","2026-07-13T00:29:10.303Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":116,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":64,"updatedAt":118},"1211","ECLI:NL:RBAMS:2026:6720","ecli-nl-rbams-2026-6720","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13\u002F115540-26\n\nDatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nUITSPRAAK\n\nop de vordering van 20 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2025 door Prosecutor General's Office of the Republic of Lithuania, Litouwen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [opgeëiste persoon],\n\ngeboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Litouwen),\n\n zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\n nu gedetineerd in [detentieadres],\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Litouwse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nOok heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een aanhougingsbevel, uitgevaardigd door the Vilnius City District Courtop 28 oktober 2025 (No. 01-1-43091-23).\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.\n\nDe raadsman heeft verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, omdat de opgeëiste persoon in Litouwen beroep heeft ingesteld tegen bovengenoemd aanhoudingsbevel, welk beroep op 2 juli a.s. behandeld zal worden. Een positieve beslissing hierop zal mogelijk tot gevolg hebben dat het EAB wordt ingetrokken. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman stukken betreffende de in Litouwen aanhangige procedure overgelegd, die hij van de Litouwse advocaat van de opgeëiste persoon heeft ontvangen.\n\nVolgens de officier van justitie bestaat er geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden wegens het door de opgeëiste persoon ingestelde beroep tegen het aanhoudingsbevel, nu onduidelijk is wanneer in de Litouwse procedure uitspraak zal worden gedaan en wat de uitkomst daarvan zal zijn.\n\nDe rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat het aan het EAB ten grondslag liggende aanhoudingsbevel is opgeschort. De enkele omstandigheid dat daartegen beroep is ingesteld, brengt niet mee dat het aanhoudingsbevel niet langer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Vast staat dat het EAB niet is ingetrokken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden om de uitkomst van de procedure in Litouwen af te afwachten.\n\n4. Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:\n\nfraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.\n\nUit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Litouwen maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.\n\nDit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.\n\n5. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden\n\nInleiding\n\nDe rechtbank heeft in een uitspraak van 12 december 2024 vastgesteld dat in alle detentie-instellingen in Litouwen een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).Het algemeen gevaar ziet – kort weergegeven – op de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel) met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten tot gevolg.\n\nEen brief van de Lithuanian Prison Servicevan 4 mei 2026 bevat, voor zover relevant, de volgende informatie:\n\n“1. With regard to the specific place of detention of [opgeëiste persoon], we note that, should the pre-trial measure — detention on remand — be extended in respect of [opgeëiste persoon], he would be transferred to a prison falling within the territorial jurisdiction of the court which imposed that preventive measure. Persons subject to detention on remand may be held in Vilnius Prison, Kaunas Prison, Siauliai Prison and Panevėžys Prison (women).\n\n2. Remand prisoners are accommodated in small cells intended for 2 to 4 persons. Remandprisoners are not held in large dormitory-type accommodation. The number of single-occupancy cells is limited; such cells are generally allocated to prisoners requiring enhanced supervision or who, by reason of their personality, the nature of the offence committed or their behaviour, cannot be accommodated together with other prisoners in multi-occupancy accommodation.\n\n(…)\n\n4. We further inform you that approximately 30 detainees are assigned to one officer working with prisoners.\n\n(…)\n\n6. In order to manage violence among prisoners, leaders of the informal prison hierarchy, theirassociates and other prisoners exerting a negative influence on other detainees are, insofar as possible, held separately from other vulnerable prisoners. Leaders of the informal prison hierarchy are isolated on separate floors and in separate locked cells.\n\n7. In all Lithuanian prisons, remand prisoners are assessed with regard to the risk of violence\n\nto which they may be exposed or the risk of violence they may pose, and, depending on the identified risk, are classified and accommodated in cells in a manner ensuring their safety. Prison staff continuously monitor the interpersonal climate among remand prisoners and, where a possible risk of violent conflict is identified or information concerning such risk is received, preventive measures are taken to avert violent incidents, including separation of detainees between whom violent conflict may arise, redistribution of detainees among\n\ncells or isolation. Where prison staff observe any signs of violence, including verbal or psychological violence, between remand prisoners or convicted prisoners, they are required to investigate the situation and take measures to prevent violent conduct.\n\n8. Remand prisoners are taken for outdoor exercise together with prisoners from the same cell. [opgeëiste persoon] would be placed in a cell with other remand prisoners only after it has been established that there is no risk of conflict between those prisoners and that they are able to cohabit peacefully within the same cell.\n\nIt should further be noted that activities in prisons are organized according to pre-established schedules, thereby eliminating the possibility for remand prisoners or convicted prisoners between whom there is a potential risk of conflict to meet in common areas and\u002For activities. The safety of [opgeëiste persoon] outside the cell, i.e. in common areas and exercise yards, would be ensured by officers assigned to the relevant posts monitoring the interpersonal climate among remand prisoners and thereby identifying in a timely\n\nmanner any potential risk factors for violent conflict and taking measures to prevent such conflict before it arises; by monitoring through CCTV cameras installed in most common areas of the prison; and by the liaison officer communicating directly with [opgeëiste persoon] and providing him with the necessary assistance.\n\n(a) The microclimate climate among remand prisoners is monitored through officerscommunicating with detainees, gathering relevant information concerning incidents and relationships, analyzing and assessing such information, and exchanging relevant information with other responsible staff members.\n\n(b) Relevant interviews and consultations are conducted with remand prisoners in order toaddress issues of importance to them. Preventive interviews may also be conducted, and remand prisoners may be involved in relevant social activities and occupation programmes.\n\n(c) The measures applied prior to the transfer of prisoners to another cell or their isolation are set out above.\n\n(…)\n\nIt should be noted that training is provided to staff at all levels, aimed at promoting the\n\nestablishment and maintenance of a positive prison culture. We wish to emphasize that prison staff do not tolerate any inappropriate behavior among prisoners. If a prisoner experiences inappropriate treatment, threats or feels unsafe, he may at any time address the prison administration directly. In all such cases, an internal investigation is initiated.”\n\nIn aanvulling hierop heeft de Lithuanian Prison Serviceop 14 mei 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:\n\n“1. In consideration that the detention for [opgeëiste persoon] has been assigned by the District Court of Vilnius City with its ruling of 28 October 2025 and the fact that the pre-trial investigation in respect of him is being conducted in Vilnius, the decision on the extension of the supervision measure must also be made by the District Court of Vilnius City.\n\n2. If the District Court of Vilnius City adopts a decision regarding the extension of the supervision measure — detention — for [opgeëiste persoon], he will be held at Vilnius Prison.”\n\nStandpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat zijn grondrechten in detentie in Litouwen zullen worden geschonden.\n\nDe detentiegarantie van 4 mei 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon slechts over 3,6 vierkante meter persoonlijk leefruimte kan beschikken, waarmee het aantal uren buiten de cel relevant wordt Uit de detentiegarantie volgt niet dat de opgeëiste persoon, naast het dagelijkse uur wandelen, voldoende tijd buiten zijn cel kan verblijven. Dit voldoet niet aan de minimum normen. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of op een andere manier kan worden voldaan aan de vereiste garanties.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft er allereerst op gewezen dat het vastgestelde algemene gevaar in Litouwen niet ziet op de beschikbare persoonlijke leefruimte of op de tijd die gedetineerden in remand prisonsbuiten hun cel kunnen doorbrengen. Het algemeen gevaar dat in december 2024 door de rechtbank is aangenomen ziet op geweld tussen gedetineerden onderling.\n\nVolgens de officier van justitie zijn de maatregelen die zijn vermeld in de aanvullende informatie van 4 mei 2026 van dien aard en in zodanig algemene bewoordingen vervat dat niet alleen aan de opgeëiste persoon, maar ook aan andere gedetineerden in Litouwen voldoende adequate bescherming wordt geboden tegen (de negatieve gevolgen van) het kastensysteem. De officier van justitie stelt zich daarom primair op het standpunt dat niet langer kan worden gesteld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Litouwse gevangenissen. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie het gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit de aanvullende informatie van 14 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd in de Vilnius prison. De rechtbank zal daarom alleen de detentieomstandigheden in deze instelling toetsen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende informatie van 4 mei 2026 en 14 mei 2026, die is toegespitst op de opgeëiste persoon, het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor hem is weggenomen. In deze aanvullende informatie worden voldoende concrete maatregelen genoemd om de opgeëiste persoon te beschermen tegen de informele hiërarchie onder gedetineerden (het kastenstelsel). Deze maatregelen zien niet alleen op het risico op geweld of een vernederende behandeling van de opgeëiste persoon in zijn cel en tijdens activiteiten, maar ook op dergelijke risico’s tijdens het verblijf van de opgeëiste persoon in de gemeenschappelijke ruimtes.\n\nDe rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar primaire standpunt dat de door de Litouwse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie in algemene zin voldoende waarborgen biedt om het eerder vastgestelde algemene gevaar weg te nemen. Immers, de genoemde maatregelen zijn specifiek toegesneden op de situatie van de opgeëiste persoon. Verder zijn de die maatregelen niet zodanig algemeen geformuleerd dat met een enkele detentiegarantie in de onderhavige zaak geoordeeld kan worden dat het vastgestelde algemene gevaar voor alle gedetineerden in alle detentie-instelling in Litouwen is weggenomen.\n\nVoor zover de raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vanwege onvoldoende leefruimte of onvoldoende tijd buiten de cel, overweegt de rechtbank dat het eerder vastgestelde algemene gevaar niet ziet op deze aspecten van de detentieomstandigheden in Litouwen. Ook de door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie in deze zaak biedt geen aanknopingspunten voor het bestaan van structurele of fundamentele gebreken op deze punten. De rechtbank ziet geen aanleiding hierover nadere vragen aan de Litouwse autoriteiten te stellen.\n\nNu de verstrekte informatie het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt, staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg.\n\n6. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.\n\n7. Toepasselijke wetsartikelen\n\nDe artikelen 2, 5 en 7 OLW.\n\n8. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[opgeëiste persoon]aanProsecutor General's Office of the Republic of Lithuania, Litouwen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,\n\nmrs. B.M. Vroom-Cramer en J.T.H. Zimmerman rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n ECLI:NL:RBAMS:2024:8240.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220\u002F18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 87.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6720","2026-07-13T00:29:10.214Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":123,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":64,"updatedAt":125},"1210","ECLI:NL:RBAMS:2026:6718","ecli-nl-rbams-2026-6718","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13\u002F117774-26\n\nDatum uitspraak: 2 juli 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 1 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2026 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Divison, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\n geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),\n\n zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\n thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, advocaat in Maastricht, en door een tolk in de Poolse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nOok heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een vonnis van the District Court for Warszawa-Wola 4th Criminal Divisonvan 2 april 2017, met kenmerk: IV K 45\u002F17.\n\nDe overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden en twee dagen. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De volledige straf resteert volgens het EAB nog.\n\nDe hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.\n\n4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW\n\nUit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot voornoemd vonnis heeft geleid. In rubriek D) is aangekruist dat het vonnis aan hem betekend is op het adres dat hij had opgegeven, maar niet is aangegeven dat hij vervolgens (1) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of (2) niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend.\n\n Het District Court for Warszawa-Wola in Warsawheeft in de aanvullende informatie van 21 mei 2026 – op door de rechtbank geformuleerde vragen – het volgende meegedeeld:\n\n“- a reply to question 1: the convict provided his residence address in the course of the\n\ninvestigation: [adres]\n\n and all the correspondence was being delivered at that address throughout the\n\nwhole both investigation and court proceedings;\n\n- a reply to question 2: the convict received the instruction about his rights and obligations in\n\nthe course of the proceedings, including inter alia his obligation to provide the address for\n\ncorrespondence serving, and failure to do so or failure of staying at the provided address\n\nmeans that the trial or any other action would be rendered in his absentia, and that he is\n\nobliged to appear at any summons and to inform the authority leading the procedure about\n\neach and any change of his residence or stay lasting longer than 7 days, including the case of\n\ndeprivation of liberty in any other case, and also about his obligation to provide other\n\ninformation that would allow contacting him. In case of failure to provide such data, any\n\nletter sent to the provided, known address would be treated as duly delivered, and the\n\naction, for example the trial, would be rendered in absentia. Such instructions were received\n\nby him in written form and he confirmed their receipt by his own signature on 26th January,\n\n2017. In the course of the court proceedings the instruction was also sent to him at the\n\naddress provided by him, i.e. [adres]\n\n. However, the convict failed to make receipt of the mail addressed\n\nto him, and he did not notify about any other address that he was to stay at.”\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de veroordeling en omdat onduidelijk is op welk adres, hoe vaak en wanneer is geprobeerd het vonnis aan hem te betekenen. Daarnaast valt uit het EAB niet af te leiden dat de opgeëiste persoon na overlevering nog in hoger beroep kan gaan en hij dus een verzetgarantie heeft. Ook heeft hij geen advocaat gehad. Hetgeen over de adresinstructie wordt opgemerkt wordt door de opgeëiste persoon betwist. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld en de zaak ten behoeve hiervan moet worden aangehouden.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en ondertekend. Hij heeft tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie en is daarbij gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het niet naleven daarvan. De oproep voor de zitting is naar het opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon is kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.\n\nDe rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.\n\nUit de aanvullende informatie van 21 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens the course of the investigationhet adres[adres]heeft opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden. De opgeëiste persoon heeft getekend voor de ontvangst van deze adresinstructie op 26 januari 2017. Het feit waarvoor hij bij vonnis van 2 april 2017 is veroordeeld, betreft een winkeldiefstal op 9 januari 2017.\n\nVervolgens is alle correspondentie gedurende het onderzoek en tijdens de procedure daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij heeft geen adreswijziging doorgegeven. Aan hem gestuurde post heeft hij niet opgehaald.\n\nDe rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn geweest van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Hij heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten.\n\nArtikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.\n\n5. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.\n\nDe rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.\n\nHet feit levert naar Nederlands recht op:\n\n diefstal door twee of meer verenigde personen.\n\n6. Overige verweren\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat in Nederland nog een strafzaak loopt tegen de opgeëiste persoon (met parketnummer: 20-000978-26). De eerste pro forma zitting bij het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch staat binnenkort gepland en de opgeëiste persoon wil aanwezig zijn bij de (inhoudelijke) behandeling van het hoger beroep.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openstaande straf in de Nederlandse strafzaak mogelijk een beletsel vormt voor de feitelijke overlevering en dat de officier van justitie een vordering zal doen tot uitstel van de feitelijke overlevering, in het geval de rechtbank de overlevering zal toestaan.\n\nDe rechtbank overweegt dat eventueel openstaande strafzaken in Nederland een belemmering voor de feitelijke overlevering kunnen opleveren in de zin van artikel 36 OLW. De toets aan artikel 36 OLW kan echter pas aan de orde komen nadat is beslist dat de overlevering wordt toegestaan. Daarom komt de rechtbank in dit stadium niet toe aan een daartoe strekkend verzoek van de raadsvrouw.\n\n7. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.\n\n8. Toepasselijke wetsbepalingen\n\nDe artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.\n\n9. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[de opgeëiste persoon]aanthe Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Divison, Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,\n\nmrs. B.M. Vroom-Cramer en J.T.H. Zimmerman rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW.\n\n Zie artikel 12, sub d, OLW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6718","2026-07-13T00:29:10.178Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":130,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":132},"669","ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","ecli-nl-ghams-2026-1857","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001329-24\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-241741-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nin de bewijsoverweging op blad 8 van het vonnis de een-na-laatste alinea “In het dossier (…) elkaar zijn afgestemd”schrapt, aangezien in hoger beroep geen verweer is gevoerd op de betrouwbaarheid van de aangifte en de getuigenverklaringen, en\n\nde door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen zal uitwerken indien beroep in cassatie wordt ingesteld.\n\nOplegging van straf\n\nDe politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft – indien het noodweerverweer wordt verworpen – verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Er heeft mediation plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, waarin alles is uitgesproken. De samenleving is daarom niet langer gebaat bij het opleggen van een straf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Na een discussie over geld heeft de verdachte een mes getrokken en hiermee gestoken richting het bovenlichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer is hierbij geraakt in zijn bovenarm. De verdachte heeft het slachtoffer daarmee pijn en letsel toegebracht. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer omdat dit feit op de openbare weg heeft plaatsgevonden.\n\nHet hof heeft acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin worden voor een voltooide zware mishandeling gevangenisstraffen als uitgangspunt genoemd. In deze zaak gaat het echter om een pogingtot zware mishandeling. Daarom zal het hof uitgaan van een lager uitgangspunt.\n\nHet hof houdt in het voordeel van de verdachte verder rekening met het feit dat de verdachte en het slachtoffer een mediation-traject hebben doorlopen. Deze mediation is geslaagd, zoals blijkt uit de slotovereenkomst die door partijen is ondertekend op 5 en 6 februari 2026 en die deel uitmaakt van het dossier. In de slotovereenkomst hebben zij aangegeven te betreuren dat de gebeurtenis zich heeft voortgedaan en dat zij geen behoefte hebben aan voortzetting van de strafzaak. Het slachtoffer heeft aangegeven dat het niet in hun beider belang zou zijn als de verdachte zou worden vervolgd en dat hij niets meer van de verdachte heeft te vorderen. Met het doorlopen van dit mediation-traject heeft de verdachte aangetoond verantwoordelijkheid te nemen en het kwalijke van zijn handelen in te zien.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 12 juni 2024 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 2 juli 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt aldus bijna vier weken. Vanwege deze geringe overschrijding is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\nIn beginsel acht het hof, gelet op de ernst van het feit, de door de politierechter opgelegde taakstraf passend en geboden. Omdat de mediation is geslaagd, zal het hof echter – net zoals door de advocaat-generaal is gevorderd – de helft daarvan in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof acht hierbij ook normbevestiging en generale preventie van belang. Dit belang strekt verder dan het individuele belang van de verdachte en maakt dat een schuldigverklaring zonder straf of een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman bepleit, naar het oordeel van het hof niet op zijn plaats is. Het hof legt daarom op een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uren voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend, strekkende tot schadevergoeding van geleden materiële en immateriële schade tot een totaalbedrag van € 4.412,79.\n\nDeze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.613,79.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep aanvankelijk gehandhaafd. Na een mediationtraject heeft de benadeelde partij voor de inhoudelijke behandeling van de zaak aangegeven dat hij zijn vordering wil intrekken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de vordering niet meer aan de orde is en daarop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1857","2026-07-13T00:28:42.155Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":137,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":64,"updatedAt":139},"1278","ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","ecli-nl-ghams-2026-1856","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000187-22\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-161713-20 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof een of meerdere overige personen) en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en\u002Fof afbeelding zich jegens [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft\u002Fhebben\u002Fzijn hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), zakelijk weergegeven\n\n- de telefoonnummers en\u002Fof vindplaatsen van voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben achterhaald en\u002Fof doorgegeven en\u002Fof\n\n- ( meermaals) naar (de woning van) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] is\u002Fzijn toegegaan en\u002Fof hen hebben opgezocht en\u002Fof (telefonisch) contact met hen heeft\u002Fhebben gezocht\u002Fgehad en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben geïnstrueerd welke verklaring zij moeten afleggen en\u002Fof (daarbij) heeft\u002Fhebben gezegd:\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] moeten zwijgen (onder meer: zijn\u002Fhaar\u002Fhun ‘mondje dicht moeten houden’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking\n\nen\u002Fof\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] de (handels)periode waarover hij\u002Fzij heeft\u002Fhebben verklaard en\u002Fof gaan verklaren aan moet(en) passen (naar onder meer: ‘vanaf begin dit jaar’ en\u002Fof ‘februari\u002Fmaart’ en\u002Fof ‘vanaf februari’ en\u002Fof ‘gewoon dit jaaroes klaar. februari januari’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\n- ( meermaals) (in ruil daarvoor) verdovende middelen (‘slankoe balloe’) heeft\u002Fhebben gegeven en\u002Fof in het vooruitzicht gesteld en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] op dwingende toon heeft\u002Fhebben toegesproken en\u002Fof hij\u002Fzij\u002Fhen ‘heeft aangepakt’ en\u002Fof tegen hij\u002Fzij\u002Fhen heeft\u002Fhebben gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’;\n\n3. hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 , 2 en 3 ten laste gelegde (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard conform de bewezenverklaring van de rechtbank. Dat betekent dat volgens de advocaat-generaal kan worden bewezen verklaard:\n\nten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het medeplegen van (kort gezegd) verkopen van cocaïne aan [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020;\n\nten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het medeplegen van beïnvloeding van een getuige, te weten [persoon 4] , in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020, en\n\nten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het voorhanden hebben van een balletjespistool.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de verkoop van cocaïne aan [medeverdachte 1] . De (enkelvoudige) herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar. [medeverdachte 1] woont in Wassenaar en heeft verklaard dat hij bij hem thuis of ergens ‘onderweg’ drugs liet bezorgen. Omdat de verdachte alleen drugs bezorgde in Amsterdam, biedt het dossier volgens de raadsman geen ondersteuning voor een bewezenverklaring van de verkoop door de verdachte aan [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de overige ten laste gelegde kopers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nDe raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van [persoon 4] heeft hij aangevoerd dat uit zijn verklaring niet blijkt dat hij door de verdachte is benaderd met het doel zijn verklaring te beïnvloeden. Dat de verdachte in het tapgesprek met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij dit wel heeft gedaan, heeft de verdachte enkel gezegd om [medeverdachte 3] zoet te houden.\n\nTot slot heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, omdat het aangetroffen wapen niet geschikt is voor afdreiging. Het is evident zichtbaar dat het een nepwapen is, aldus de raadsman.\n\nOordeel van het hof\n\nFeit 1 (medeplegen handel in cocaïne)\n\nHet hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en deze cocaïne heeft verstrekt aan onder meer [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 3] bolletjes cocaïne heeft verkocht. [medeverdachte 1] heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 3] op foto’s herkend. [medeverdachte 3] was de persoon van wie [medeverdachte 1] drugs kocht. Soms kwam [medeverdachte 3] aan de deur bij [medeverdachte 1] in zijn woonplaats [plaats] en soms kwamen loopjongens van [medeverdachte 3] de drugs bezorgen. Meestal liet [medeverdachte 1] de dealer bij hem aan de deur komen, maar soms was hij onderweg en dan sprak hij op een plek buiten af. [medeverdachte 1] herkent de verdachte op een foto als een van de dealers die hem drie of vier keer drugs heeft bezorgd, nadat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] drugs had besteld.\n\nVoor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een “herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, ondersteunen niet alleen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate maar vormen voor het hof ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] te twijfelen.\n\nWat betreft de pleegplaats acht het hof bewezen dat de verkoop van drugs door de verdachte aan [medeverdachte 1] in Nederlandheeft plaatsgevonden, nu [medeverdachte 1] in zijn verklaring niet heeft gespecificeerd op welke locatie de verdachte de drugs heeft bezorgd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte (onder meer) aan [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt.\n\nFeit 2 (medeplegen beïnvloeding van getuigen)\n\nHet hof acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 samen met een ander getuige [persoon 4] heeft beïnvloed en overweegt daartoe als volgt.\n\n [medeverdachte 3] is op 24 december 2020 veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het samen met anderen beïnvloeden van getuigen. Ter terechtzitting van 11 december 2020 heeft hij verklaard aan ‘ [persoon 1] ’ te hebben gevraagd om getuigen, waaronder ‘ [getuige] ’, te benaderen om te proberen de ten laste gelegde handelsperiode korter te maken. Met [getuige] bedoelde [medeverdachte 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard ook wel [persoon 1] te worden genoemd.\n\nUit onderzoek blijkt dat de verdachte op 11 juni 2020 eenmaal contact heeft gehad met [medeverdachte 3] via het telefoonnummer eindigend op *1745, dat aan de verdachte wordt toegeschreven. Met het andere telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, eindigend op *7380, heeft hij tussen 11 juni 2020 en 2 juli 2020 82 keer contact gehad met [medeverdachte 3] . Uit een tapgesprek in het dossier volgt verder dat de verdachte op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 3] heeft laten weten dat hij onder meer tegen [getuige] had gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit inderdaad tegen [medeverdachte 3] heeft gezegd, maar dat hij dit enkel heeft gedaan om [medeverdachte 3] zoet te houden en dat hij dit niet daadwerkelijk tegen [persoon 4] heeft gezegd. Gelet op de vele contactmomenten tussen de verdachte en [persoon 4] en gezien de rest van de stukken in het dossier, acht het hof deze verklaring echter onaannemelijk. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte in het tapgesprek de waarheid heeft gesproken tegen [medeverdachte 3] en acht dus bewezen dat de verdachte [persoon 4] heeft benaderd met het doel hem te laten verklaren over een kortere handelsperiode.\n\nHet hof zal de verdachte net als de rechtbank vrijspreken van het beïnvloeden van de overige ten laste gelegde personen, omdat niet kan worden bewezen dat zij door de verdachte zijn benaderd.\n\nFeit 3 (voorhanden hebben balletjespistool)\n\nTot slot acht het hof ook het voorhanden hebben van een balletjespistool wettig en overtuigend bewezen. In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant] , taakaccenthouder wapens en munitie, vastgesteld dat het in beslag genomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie is. Het hof heeft geen reden om aan deze vaststelling te twijfelen. Dat aan de achterzijde van het balletjespistool een veer uitsteekt en de handgrepen van het pistool ontbreken, neemt niet weg dat het zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;\n\n2. hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft verdachte\n\n- contact met [persoon 4] gehad en\n\n- [persoon 4] geïnstrueerd welke verklaring hij moet afleggen en daarbij gezegd:\n\ndat [persoon 4] de (handels)periode waarover hij heeft verklaard en\u002Fof gaat verklaren aan moet passen (naar onder meer: ‘maart’), althans woorden van gelijke aard of strekking;\n\n3. hij op 3 juli 2020 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nHetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.\n\nHet onder 3 bewezen verklaarde levert op:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht om in lijn met de eis van de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf op te leggen en rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Cocaïne is zeer verslavend en vormt daarom een groot risico voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in cocaïne en het gebruik daarvan leiden ook tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van maatschappelijke schade en overlast. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander geprobeerd een getuige te beïnvloeden. Dat burgers in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, is van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader die rechtspleging trachten te frustreren. Verder heeft de verdachte een op een vuurwapen gelijkend balletjespistool voorhanden gehad. Ook nepwapens dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook zeer kwalijk.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 was de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte namelijk in meerdere andere zaken een straf opgelegd gekregen. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.\n\nHet hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 januari 2022. In dit rapport gunt de reclassering de verdachte het voordeel van de twijfel en adviseert om geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nHet dossier bevat geen recent reclasseringsrapport. Wel heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht. De situatie van de verdachte is niet verbeterd. Hij kampt met een hardnekkige verslaving en komt daardoor nog af en toe met politie en justitie in aanmerking. De recente veroordelingen en openstaande zaken op zijn strafblad hebben allemaal te maken met zijn verslaving. Hij heeft momenteel geen baan.\n\nBij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en\u002Fof op straat met een handelsperiode tussen de 1 en 3 maanden wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7° wordt in de oriëntatiepunten een geldboete van € 650,00 genoemd. Voor het beïnvloeden van getuigen is geen oriëntatiepunt beschikbaar.\n\nDe ernst van de feiten en de nieuwe verdenkingen op het strafblad van de verdachte maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman verzochte taakstraf. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van deze straf echter matigen, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep in forse mate is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 27 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 2 juli 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar overschreden.\n\nHet hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nBeslag\n\nOnder de verdachte zijn een telefoon en meerdere kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank heeft de telefoon verbeurd verklaard en ten aanzien van de kledingstukken de teruggave aan de verdachte gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft het hof bericht dat – hoewel de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen – deze telefoon volgens de afdeling Beslag bij het arrondissementsparket Amsterdam reeds aan de medeverdachte [medeverdachte 3] is teruggegeven. Om die reden acht de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de telefoon niet langer opportuun en dient de teruggave daarvan aan de verdachte te worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen kledingstukken, die zijn weergegeven in de ter zitting overgelegde aantekeningen van de advocaat-generaal, worden teruggegeven aan de verdachte.\n\nDe raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt. Hoewel de onder de verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, zal het hof de teruggave hiervan aan de verdachte gelasten, gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal. Daarnaast zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen kledingstukken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n STK GSM (Omschrijving: [nummer 1] , Samsung [kenteken] , merk: Zwart, chassisnr: beschadiging op schr)\n\nBroek (Omschrijving: met witte accenten aan achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 2] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 3] )\n\nBroek (Omschrijving: lichtgrijze broek met cartoon op achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 4] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 5] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 6] )\n\nBroek (Omschrijving: met zwarte accenten en scheuren aan de voorzijde; Voorwerpnummer: [nummer 7] )\n\nTrui (Voorwerpnummer: [nummer 8] )\n\nJas (Voorwerpnummer: [nummer 9] )\n\nZonnebril (Omschrijving: in koker; Voorwerpnummer: [nummer 10] )\n\nZonnebril (Omschrijving: met hoesje; Voorwerpnummer: [nummer 11] )\n\nPet (Omschrijving: voorzijde voorzien van logo, voorzijde camouflage kleuren; Voorwerpnummer: [nummer 12] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: zwart; Voorwerpnummer: [nummer 13] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: stoffen; Voorwerpnummer: [nummer 14] )\n\nSchoudertas (Voorwerpnummer: [nummer 15] )\n\nBroek (Omschrijving: zwembroek; Voorwerpnummer: [nummer 16] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 17] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 18] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 19] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 20] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 21] )\n\nShirt (Omschrijving: polo; Voorwerpnummer: [nummer 22] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 23] ).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","2026-07-13T00:29:13.584Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":144,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":64,"updatedAt":146},"475","ECLI:NL:RBAMS:2026:6945","ecli-nl-rbams-2026-6945","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F073833-26\n\nDatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 10 maart 2026 in Diemen heeft schuldig gemaakt aan\n\npoging tot doodslag, danwel poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), door hem in de borst te steken met een mes;\n\nafpersing in vereniging van [slachtoffer] , door hem te dwingen tot afgifte van een tas door hem met een vuurwapen op het hoofd te slaan en te zeggen “geef je horloge en je tas”;\n\nhet voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 1°van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Waardering van het bewijs3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. Op basis van de aangifte, verklaring van getuige [naam getuige] en de waarnemingen van de politie omtrent het letsel, kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn borst heeft gestoken en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.\n\nTen aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing. Verdachte heeft in vereniging met anderen [slachtoffer] met een vuurwapen gedwongen tot afgifte van een tas.\n\nDe officier van justitie stelt zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat aangever zou kunnen te komen overlijden en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.\n\nTen aanzien van feit 2 stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte partieel vrijgesproken dient te worden van de woorden “geef je horloge”.\n\nDe raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.\n\n3.3.1.. Ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken in zijn linkerborst, nabij zijn oksel. In dit deel van het lichaam bevinden zich kwetsbare delen, zoals bloedvaten, zenuwen en pezen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met [slachtoffer] in een worsteling terecht kwam, een mes van [slachtoffer] heeft afgepakt, een afwerende en duwende beweging maakte en daardoor [slachtoffer] heeft gestoken.\n\nPartiële vrijspraak poging tot doodslag\n\nWeliswaar kan het steken in de borst nabij de oksel in het algemeen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een mogelijk dodelijke afloop tot gevolg hebben, maar in deze zaak kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld of het gebruikte mes geschikt is geweest om dodelijk letsel te veroorzaken. Het dossier bevat namelijk onvoldoende informatie over het specifieke mes dat is gebruikt en over de aard en de omvang van dat mes. Gelet hierop is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever heeft veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken voor de ten laste gelegde poging tot doodslag.\n\nPoging tot zware mishandeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte wel voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De kans op zwaar lichamelijk letsel bij het steken met een mes in de borst nabij de oksel, waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Dat de rechtbank niet kan vaststellen welk mes is gebruikt en wat de aard en omvang van dat mes was, doet aan dat oordeel niet af, omdat die vaststelling alleen relevant is voor de vraag of er een aanmerkelijke kans was op het overlijden zoals hierboven is overwogen. Ook het steken met een eventueel kleiner mes in de borstregio levert namelijk evident een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Door tijdens een worsteling een duwende beweging te maken met een mes in de hand in de richting van de borst heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust aanvaard.\n\n3.3.2.. Ten aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank stelt ten aanzien van feit 2 vast dat [slachtoffer] in Diemen had afgesproken om een dure namaaktas te verkopen. Hij is samen met zijn vriendin, getuige [naam getuige] , naar de afgesproken plek in Diemen gereden. Op de afgesproken plek is verdachte er. Hij is bij [slachtoffer] en [naam getuige] in de auto gestapt om de tas te bekijken. Terwijl zij een rondje rijden, worden zij achtervolgd door twee andere auto’s. Nadat zij stil zijn komen te staan, stappen [slachtoffer] en verdachte uit. Vervolgens is [slachtoffer] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen en is de tas meegenomen.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een vuurwapen bij zich had. Op basis van de aangifte in combinatie met de verklaring van getuige [naam getuige] stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] met een vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. Mede door dit handelen voelde [slachtoffer] zich gedwongen om de tas achter te laten. Volgens getuige [naam getuige] is verdachte ook degene geweest die de tas heeft meegenomen. Door het plegen van deze handelingen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing.\n\nVoordat de afpersing plaatsvond stapten uit de twee achtervolgende auto’s twee mannen. Deze mannen hebben zich met de situatie bemoeid. Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze personen elkaar voorafgaand aan het incident al kenden en met elkaar hebben afgesproken om daar met zijn drieën aanwezig te zijn. De afpersing heeft in het bijzijn van de twee andere mannen plaatsgevonden. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders.\n\n3.3.3.. Ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank is van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals omschreven in rubriek 4. Nu verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de in bijlage IIgenoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nop 10 maart 2026 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] eenmaal met een mes, heeft gestoken in de borst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nTen aanzien van feit 2:hij op 10 maart 2026 te Diemen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas, die aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde door die [slachtoffer] meermaals met een vuurwapen op het hoofd te slaan en daarbij die [slachtoffer] de woorden toe te voegen: “geef je horloge en je tas”;\n\nTen aanzien van feit 3:hij op 10 maart 2026 te Diemen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Blow, type Mini 9, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.\n\n5. De strafbaarheid van het feit en de verdachte5.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte wegens beroep op noodweer(exces) moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging en voert daartoe het volgende aan.\n\nDe feitelijke grondslag voor het beroep op noodweer(exces) is op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting in combinatie met de verklaringen in het dossier voldoende aannemelijk geworden. [slachtoffer] is achter verdachte aangerend, waarna een worsteling is ontstaan. Tijdens de worsteling heeft verdachte bij [slachtoffer] een mes gezien. Verdachte heeft deze confrontatie niet zelf opgezocht. Op dat moment is sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het handelen van verdachte dient te worden beschouwd als een reactie op een voor hem dreigende situatie. Er kan niet zonder meer worden aangenomen dat van cliënt redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij zich aan de situatie had onttrokken, waardoor is voldaan aan de eisen van subsidiariteit. In dit geval is sprake geweest van een verschuldigbare overschrijding van de noodzakelijke verdediging. Verdachte bevond zich in een situatie die zonder meer een hevige gemoedsbeweging teweeg kan hebben gebracht en ervoor heeft gezorgd dat cliënt verder is gegaan dan noodzakelijk.\n\n5.2.. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat een beroep op noodweer(exces) niet kan slagen. De officier van justitie acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting is onvoldoende om als basis te dienen voor een geslaagd beroep op noodweer(exces).\n\n5.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nHet beroep op noodweer(exces) wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nOnder rubriek 3.3.2. heeft de rechtbank vastgesteld dat [slachtoffer] slachtoffer is geworden van een afpersing. Zodoende is [slachtoffer] door verdachte en zijn mededaders als het ware in de val gelokt. Korte tijd daarna vindt een nieuwe confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer] . Op basis van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] stelt de rechtbank vast dat verdachte bij deze nieuwe confrontatie een vuurwapen trok en dat dit vuurwapen bij de worsteling is gevallen. De rechtbank beschouwt het trekken van een vuurwapen tijdens een confrontatie als een agressieve handeling, ongeacht of de andere persoon achter je aan rent. Hetgeen verdachte heeft verklaard over dat [slachtoffer] degene zou zijn geweest die het mes heeft getrokken, doet hoe dan ook aan dit oordeel niets af. Te meer omdat in de situatie kort daarvoor – de afpersing – verdachte ook de agressor is geweest.\n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat er geen sprake is van een noodweersituatie. Om deze reden komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van noodweerexces. De rechtbank oordeelt daarom als volgt. Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n6. Motivering van de straffen en maatregelen6.1.. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.\n\n6.2.. Het strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straf te matigen door een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij benadrukt de raadsvrouw de jonge leeftijd van verdachte, zijn licht verstandelijke beperking en de positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt na zijn vorige detentie.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling, afpersing in vereniging en het voorhanden hebben van een vuurwapen. [slachtoffer] is door verdachte en zijn medeplegers naar de ontmoetingsplaats gelokt. Aldaar is door verdachte aan [slachtoffer] een vuurwapen getoond, met het vuurwapen op zijn hoofd geslagen en gedwongen tot afgifte van een tas. Korte tijd later vond een ander conflict plaats waarbij [slachtoffer] door verdachte met een mes nabij zijn oksel is gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte [slachtoffer] niet alleen pijn en letsel toegebracht, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid bij [slachtoffer] en de samenleving in het algemeen veroorzaakt. Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen in het openbaar voorhanden gehad. Dergelijke wapens brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Verdachte heeft dit vuurwapen ook bij de afpersing gebruikt. De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder toe de lichtvaardige wijze waarop hij wapens naar conflicten meeneemt en deze ook gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in dit geval geen sprake is van een voltooide zware mishandeling, maar een poging daartoe. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor straatroof met licht geweld of verbale bedreiging, waarvoor bij recidive een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op staat. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder 1°in de openbare ruimte is een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten in een voorwaardelijke invrijheidsstelling liep voor soortgelijke feiten waarvoor hij op 27 juli 2023 door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils van 2 juni 2026. Uit het rapport volgt dat het toezicht in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling goed verliep. Het Leger des Heils adviseert de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen mogelijkheden gezien worden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag te veranderen. Ook ziet de reclassering geen contra-indicaties voor de oplegging van een gevangenisstraf. De rechtbank ziet op basis van het voorgaande geen aanleiding om de straf deels voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.\n\n7. Beslag\n\nOnder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:\n\n1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095);\n\n1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nHet inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250), dient onttrokken te worden aan het verkeer nu dit voorwerp kan dienen tot het begaan van het door hem begane feit en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.\n\nTeruggave aan rechthebbende\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de inbeslaggenomen 1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095) wordt geretourneerd aan de rechthebbende [slachtoffer] .\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 45, 57, 302, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\npoging tot zware mishandeling;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nafpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBeslag\n\nOnttrekt aan het verkeer 1 STK Mes (voorwerpnummer: G6786250).\n\nGelast de teruggave aan rechthebbende [slachtoffer] van 1 STK GSM (voorwerpnummer: BZBA5095).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Biçer, voorzitter,\n\nmrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en C. Işıtman, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.\n\nBijlage I\n\nTenlastelegging [verdachte]\n\nAan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (aan) [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] een of meermaals met een mes, in elk geval een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, heeft gestoken in de borst, in elk geval het (boven)lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nTen aanzien van feit 2:hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n)door die [slachtoffer] een of meermaals met een vuurwapen op het hoofd te slaan en\u002Fof (daarbij) die [slachtoffer] een of meermaals de woorden toe te voegen: “geef je horloge en je tas”;\n\nTen aanzien van feit 3:hij op of omstreeks 10 maart 2026 te Diemen, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Blow, type Mini 9, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool voorhanden heeft gehad.\n\nBijlage II\n\nDe bewijsmiddelen\n\nTen aanzien van feit 1 en feit 2:\n\n1. De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven;\n\nIk kwam met aangever in een worsteling. Tijdens de worsteling is mijn vuurwapen gevallen en is zijn mes gevallen. Ik pakte het mes op en probeerde mij af te weren. Hij bewoog naar achteren en toen heb ik hem geraakt. Ik maakte met beide handen een duwende beweging. Op dat moment had ik het mes vast.\n\n2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2026060192-30, d.d. 12 maart 2026, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s A27 – A30;\n\nDit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:\n\nWij hoorden een persoon die opgaf te zijn:\n\nAchternaam: [slachtoffer]\n\nVoornamen: [slachtoffer]\n\nHij verklaarde het navolgende:\n\nIk had afgesproken om een tas te verkopen. Er stapte een man uit een Audi a3. De persoon zag er als volgt uit:\n\n- Donkere jongen - Roze Gucci pet - Gucci schouder tas - Beetje dik en lang\n\nDie jongen stapte achterin in.\n\nEr kwam nog een auto aan rijden waar een jongen uit stapte, hij kwam naar mij toe en vroeg wat er aan de hand was. Ik heb het idee dat zij bij elkaar hoorden. De jongen van de Audi a3 trok een vuurwapen uit zijn tasje en sloeg mij een paar keer boven op mijn hoofd. Ik moest ook mijn horloge en tasje afgeven.\n\nIk ben achter hem aan gaan rennen. Hij trok het vuurwapen uit zijn tasje. Ik heb het vuurwapen uit zijn handen geslagen en het viel op de grond. Nadat het vuurwapen op de grond was gevallen stak hij mij meteen neer met een mes.\n\n3. Proces-verbaal van bevindingen met nummer 260310-3728-965, d.d. 11 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina’s A1 – A2.\n\nDit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:\n\nOp 10 maart 2026 waren wij op de Boven Rijkersloot in Diemen. Ik zag dat de man ( [slachtoffer] ) op zijn linkerborst, nabij zijn linkeroksel, een wond had. Ik zag dat deze wond circa twee à drie centimeter was. Ik zag aan de binnenzijde van zijn jas bloed zitten.\n\nTen aanzien van feit 2:\n\n4. Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] , d.d. 26 mei 2026, in de wettelijk vorm vastgesteld door de rechter-commissaris S. Djebali en griffier M. Rieder;\n\nDe rechter-commissaris, hoort als getuige:\n\n [naam getuige]\n\nDe getuige legt de volgende verklaring af:\n\nDe man stapte bij ons in de auto. Ik keek achterom en zag dat [slachtoffer] op zijn hoofd werd geslagen. [slachtoffer] werd op zijn hoofd geslagen door de man die achterin in de auto zat en nog een andere jongen. Er kwam een derde persoon bij. De tas is gepakt door de man die achterin zat.\n\nTen aanzien van feit 3:\n\n1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 juni 2026.\n\n2. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer PL1300-2026060232 Aanvulling, d.d. 1 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina’s A109 – A112.\n\n3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2026060192-30, d.d. 12 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s A27 – A30.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6945","2026-07-13T00:28:32.298Z",{"id":148,"ecli":149,"slug":150,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":151,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":152,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":64,"updatedAt":153},"1772","ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","ecli-nl-ghams-2026-1764","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2023 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-085027-23 (zaak A) en 13-048967-20 (zaak B), alsmede 13-144879-21 (TUL) tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nadres: [adres].\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\n2. Vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nambtshalve acht heeft geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (een overschrijding van ruim 1 jaar en 6 maanden) en in hoger beroep (een overschrijding van ruim 1 jaar), wat het hof niet tot een ander oordeel brengt ten aan zien van de opgelegde straf;\n\nde motivering van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade vervangt door de navolgende overweging.\n\n3. Immateriële vordering benadeelde partij (zaak B)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft € 1.785,00 aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat de benadeelde partij door de in zaak B subsidiair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde mishandeling rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, bestaand uit lichamelijk letsel aan haar lip als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Gelet hierop heeft zij recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Het hof begroot de omvang van de immateriële schade, rekening houdend met bedragen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen en de zogenaamde Rotterdamse schaal, naar maatstaven van billijkheid, net zoals de rechtbank heeft gedaan, op een bedrag van € 1.785,00.\n\n4. Vordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten voor de duur van 4 maanden. De vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging geheel wordt toegewezen, maar wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 240 uren.\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair verzocht de in eerste aanleg toegewezen gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden te halveren. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de voorwaardelijk opgelegde straf is opgelegd voor een andersoortig feit dan het in deze zaak tenlastegelegde, dat de redelijke termijn door het grote tijdsverloop is overschreden en dat de verdachte in een andere zaak meewerkt aan bijzondere voorwaarden en zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nVoorwaardelijke straffen als de onderhavige worden opgelegd om veroordeelden ervan te weerhouden om nogmaals strafbare feiten te plegen. In de onderhavige zaak is dat niet gelukt, nu is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Dat de verdachte is veroordeeld voor een andersoortig feit, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals de verdediging heeft betoogd, en is van oordeel dat de vordering in beginsel dient te worden toegewezen.\n\nOvereenkomstig de vordering van de advocaat-generaal ziet het hof evenwel aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf. Sinds de tenlastegelegde feiten en de rechtsgang in eerste aanleg is namelijk veel tijd verstreken en gedurende die tijd lijkt de verdachte vooruitgang te hebben geboekt, nu hij onder meer een Cognitieve Vaardigheidstraining volgt, een uitkering heeft, zijn schulden afbetaalt en met een jobcoach op zoek is naar een baan. Om deze vooruitgang niet de doorkruisen, maar anderzijds wel recht te doen aan de voorwaardelijke veroordeling, zal het hof in plaats van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf de tenuitvoerlegging van de maximaal op te leggen taakstraf gelasten.\n\nHet hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van 240 uren duur gelasten.\n\n5. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2021 (parketnummer 13-144879-21), voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.J. Hübel, mr. R. van der Heijden en mr. P.K. van Riemsdijk, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen en Y. Amama, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nMr. R.A.J. Hübel, mr. P.K. van Riemsdijk en Y. Amama zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001893-23\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 2 juli 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. C.J. van der Wilt, raadsheer,\n\nI. de Bruijne, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Spruijt, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is wel \u002F nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nRaadsman\u002Fraadsvrouw is wel \u002F nietaanwezig.\n\n(zo ja:) naam raadsman\u002Fraadsvrouw en plaats:\n\nTolk is wel \u002F nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)\n\nDe verdachte heeft wel \u002F geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.(indien VTEin deze zaak is gedetineerd)\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1764","2026-07-13T00:29:38.084Z",{"id":155,"ecli":156,"slug":157,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":158,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":159,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":64,"updatedAt":160},"918","ECLI:NL:RBAMS:2026:6570","ecli-nl-rbams-2026-6570","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nParketnummer: 13\u002F316193-24 (verzoek beëindiging ISD-maatregel)\n\nBESLISSING\n\nHet gerechtshof in Amsterdam heeft op 10 juli 2025 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:\n\n [veroordeelde] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1973,\n\nnu verblijvende in [detentieadres] ,\n\nhierna: veroordeelde.\n\nProcesgang\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:\n\nhet vonnis van deze rechtbank van 24 januari 2025 en het arrest van het gerechtshof in Amsterdam van 10 juli 2025, waarbij de ISD-maatregel aan veroordeelde is opgelegd;\n\nhet verzoek (met stukken) van 1 februari 2026 van de raadsvrouw van veroordeelde,\n\nmr. D. Simo, om de ISD-maatregel te beëindigen, aangevuld met stukken bij e-mail van\n\n18 juni 2026;\n\neen uittreksel Justitiële Documentatie betreffende veroordeelde van 7 mei 2026;\n\neen verslag van 12 juni 2026 van (de casemanager van) [detentieadres] betreffende het verloop van de ISD-maatregel.\n\nDe rechtbank heeft op 18 juni 2026 de officier van justitie mr. J.J. Smilde, veroordeelde, zijn raadsvrouw, alsmede de deskundigen [persoon 1] en [persoon 2] (casemanagers ISD) op de openbare terechtzitting gehoord.\n\nVerloop van het ISD-traject en advies\n\nIn het hiervoor genoemde verslag van 12 juni 2026 is onder meer het volgende vermeld.\n\nDe ISD-maatregel van veroordeelde is op 24 juli 2025 ingegaan.\n\nOp 14 augustus 2025 heeft veroordeelde een intakegesprek gehad met de casemanager.\n\nOp 2 december 2025 is een besluit gemaakt over de invulling van de ISD-maatregel. Er is besloten veroordeelde een ambulant traject aan te bieden, waarbij intramurale behandeling bij [behandelcentrum] wordt voortgezet. Daarnaast zal de casemanager inzetten op begeleid wonen en dagbesteding. Tijdens de ISD-maatregel zal veroordeelde niet uitstromen naar zijn vriendin. Diagnostiek en IQ-onderzoek worden gestart. Na de ISD-maatregel is er geen reclasseringstoezicht voor veroordeelde. De casemanager zal proberen financiële hulp in te schakelen (curator of WSNP).\n\nVeroordeelde is goed in contact met de behandeldriehoek en kan het met zijn medebewoners goed vinden. Daarnaast heeft hij grote stappen gemaakt in zijn ambulante traject. Veroordeelde heeft verschillende trainingen met succes behaald, namelijk de training Sociaal Netwerk, de Budgettraining, Runningtherapie, het Kookproject van Reakt en de aan de bak training.\n\nVeroordeelde heeft zijn behandeling bij [behandelcentrum] op 3 december 2025 met succes afgerond en heeft hier een certificaat voor gekregen. Daarnaast is er door zijn behandelaar vanuit [behandelcentrum] geadviseerd om, als vervolg op de behandeling bij [behandelcentrum] , behandeling in te zetten vanuit [naam instelling] . Veroordeelde geeft bij de behandelaar van [behandelcentrum] aan dat hij graag terug zou willen keren bij zijn oude behandelaar. Het advies is namelijk begeleiding gericht op sociaal maatschappelijk gebied veroordeelde bij de hand te nemen als scherp blijven op risico's voor strafbaar gedrag.\n\nTen aanzien van werk- en inkomen heeft veroordeelde verschillende arbeid verricht gedurende zijn ISD-maatregel. Hij begon met het werken op de arbeidszaal, waarna hij heeft gewerkt als sporthulp. In verband met zijn ambulante traject is veroordeelde vanaf 23 maart 2026 aan het werken bij de lunchroom van 50\u002F50 van het Leger des Heils. Hier werkte hij eerst op de dinsdag en donderdag, maar kon hij al snel uitbreiden naar drie dagen in de week. Sinds veroordeelde zijn uitbreiding van twee naar drie dagen is hij op de maandagen, dinsdagen en donderdagen aan het werken. Tijdens het evaluatiegesprek (met de lunchroom van 50\u002F50) van 29 mei 2026 werd duidelijk dat zij (de werkbegeleiders) enorm tevreden zijn over veroordeelde. Verdere uitbreiding in uren\u002Fdagen is niet mogelijk, maar er is besloten dat veroordeelde op de maandagen, dinsdagen en donderdagen werkzaam blijft bij de lunchroom. Daarnaast hebben zijn werkbegeleiders in het evaluatiegesprek aangegeven dat zij veroordeelde kunnen helpen bij het zoeken naar een betaalde baan. Veroordeelde heeft aangegeven hiervoor open te staan en om die reden worden die mogelijkheden de komende tijd (samen met betrokkene) onderzocht.\n\nDe woonmogelijkheden bij [naam instelling] zijn door de casemanager onderzocht, maar helaas is het niet mogelijk voor veroordeelde om daar tijdens zijn ISD-maatregel te wonen. Kijkend naar het wonen voor veroordeelde tijdens en na zijn ISD-maatregel vindt er op 25 juni 2026 om 9:30 uur een intakegesprek plaats met lndaad. Er komen twee medewerkers van lndaad naar de ISD-afdeling van het [detentieadres] om het gesprek met veroordeelde en zijn casemanager te voeren over de mogelijkheden voor het wonen bij hun locaties. Wanneer het intakegesprek als positief wordt gezien, kan veroordeelde worden aangenomen voor de wachtlijst aldaar. Wanneer dit geen positieve uitkomst biedt, wordt er gekeken naar een andere passende woonvorm. Ondanks het gegeven dat veroordeelde wenst te wonen bij zijn vriendin en zijn vriendin dit ook als optie ziet vinden zowel de GGD, nazorg gemeente [gemeente] en de medewerkers van het [detentieadres] dit niet wenselijk tijdens en na zijn ISD-maatregel. Zij geven aan dat dit wordt gezien als risicovol.\n\nVeroordeelde heeft een betalingsregeling lopen voor zijn openstaande bedragen bij het CJIB. Kijkend naar zijn financiële situatie wanneer veroordeelde weer buiten is, dienen de opties zoals een curator of een WSNP-traject door zijn casemanager te worden onderzocht.\n\nOp 10 juni 2026 heeft veroordeelde zijn eerste sociale verlof naar zijn moeder genoten en dit is goed verlopen. Het aantal uren sociaal verlof per week wordt langzamerhand (volgens een verlofplan, welke gemaakt wordt door betrokken en zijn mentor) uitgebreid. Dit wort gedaan om te wennen aan de vrijheden.\n\nIn het verslag is de volgende conclusie over de voorzetting van de ISD-maatregel opgenomen:\n\nGelet op het verloop van het traject van veroordeelde, evenals de voortdurende zorgen op meerdere leefgebieden, wordt voortzetting van de ISD-maatregel noodzakelijk geacht. Ondanks ingezette hulpverlening, diagnostiek, woonaanmeldingen en begeleiding is er nog onvoldoende sprake van stabiliteit en duurzame resocialisatie.\n\nHet stopzetten van de ISD-maatregel zou leiden tot een verhoogd risico op recidive, onstabiele huisvesting, onvoldoende begeleiding en mogelijk ernstige maatschappelijke en persoonlijke gevolgen.\n\nVoortzetting van de ISD-maatregel is van belang voor het bieden van structuur, (eventueel) voortzetten van behandeling bij [naam instelling] als vervolg op de gevolgde behandeling bij [behandelcentrum] en het realiseren van een stabiele woonvorm. Daarnaast biedt het kader de mogelijkheid om veroordeelde stapsgewijs toe te leiden naar passende begeleiding en huisvesting, binnen zijn regio van herkomst dan wel een andere passende regio. Bij beëindiging van de maatregel bestaat het risico dat veroordeelde opnieuw zorg zal mijden en terugvalt in strafbaar gedrag.\n\nDe ISD wil inzetten op begeleid wonen en het vasthouden van betrokkene zijn dagbesteding bij de lunchroom van 50\u002F50 (mogelijkheden betreft betaald werken worden samen met de werkbegeleiders van de lunchroom van 50\u002F50 uitgezocht), waarbij veroordeelde gedurende de laatste 1 à 2 maanden nog binnen een justitieel kader kan verblijven, zodat toezicht en begeleiding aanwezig blijven om het traject zorgvuldig te laten verlopen.\n\nDe deskundigen hebben dit advies op de openbare terechtzitting bevestigd.\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nDe raadsvrouw heeft betoogd dat voortzetting van de ISD-maatregel niet gerechtvaardigd is, omdat die maatregel niet langer nodig is ter beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive door veroordeelde. Daartoe heeft zij gewezen op – kort samengevat – het positieve verloop van de ISD-maatregel en behaalde behandeldoelen. Het binnen het kader van de ISD-maatregel beoogde begeleid wonen bij Indaad vindt de raadsvrouw niet reëel gelet op de wachttijden van twee tot drie jaar. Daarbij heeft zij opgemerkt dat veroordeelde bij zijn vriendin kan verblijven en daar een stabiele woonplek heeft. De raadsvrouw heeft verder de medische problematiek van veroordeelde (prostaatkanker), de zorgverantwoordelijkheid over zijn zoon (15 jaar) en de bereidheid bij veroordeelde zich ambulant te laten begeleiden door [naam instelling] naar voren gebracht als omstandigheden die pleiten voor beëindiging van de ISD-maatregel..\n\nConcluderend heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht:\n\nprimair:de ISD-maatregel per direct dan wel op een door de rechtbank te bepalen datum (voor einde ISD) te beëindigen dan wel voorwaardelijk te beëindigen;\n\nsubsidiair:te bevelen dat een actueel medisch rapport wordt opgesteld door prof. dr. [naam] (Amsterdam UMC) en de medische dienst [detentieadres] over de urgentie van verdere diagnostiek en behandeling van de prostaatkanker en een nieuw rapport over de recidivekans en de zaak op de kortst mogelijke termijn (binnen 4 maanden) opnieuw op zitting te plannen.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar het advies van de casemanager, op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel moet worden voortgezet. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het uitgangspunt is dat de maatregel twee jaar duurt. Verder gaat de officier van justitie er vanuit dat de medische problemen van verdachte binnen het kader van de ISD-maatregel de vereiste aandacht zullen krijgen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 Sr is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. De rechter toetst daarbij of beëindiging van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein, en of er sprake is van een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt, waardoor voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol meer is.\n\nOp grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde op de openbare terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en dus ter beveiliging van de maatschappij. Uit het voortgangsverslag blijkt dat veroordeelde goed meewerkt aan de maatregel en op de goede weg is. Het loslaten van het ISD-kader waardoor veroordeelde bij zijn vriendin zou komen te wonen is voor de rechtbank echter, gelet op het advies, nu nog te vroeg. De rechtbank heeft oog voor de persoonlijke belangen van veroordeelde, maar die wegen niet op tegen het belang de maatschappij te beschermen tegen recidive. Daarbij gaat de rechtbank er - ook zonder nadere rapportage - vanuit dat voor de medische problemen van veroordeelde binnen het kader van de ISD-maatregel de benodigde zorg beschikbaar is.\n\nGelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire en subsidiaire verzoek van de raadsvrouw afwijzen.\n\nDaarom wordt als volgt beslist.\n\nGezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst af het verzoek van de raadsvrouw en bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.\n\nDeze beslissing is gegeven door\n\nmr. D. Bode, voorzitter,\n\nmrs. J. Thomas en A.L. op ‘t Hoog, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6570","2026-07-13T00:28:54.463Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":165,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":64,"updatedAt":167},"1503","ECLI:NL:GHAMS:2026:1762","ecli-nl-ghams-2026-1762","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000407-23\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-650568-18 tegen\n\n [verdachte] B.V.,\n\ngevestigd te [adres] .\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2026 en 2 juli 2026, en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de vertegenwoordiger van de verdachte, de heer [Naam 1 ] (als bestuurder van [verdachte] Group B.V., op haar beurt bestuurder van de verdachte), de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden) naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is (samengevat) tenlastegelegd dat:\n\nzij, verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, zeer, of in ieder geval aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof nalatig heeft gehandeld door geen, althans onvoldoende, toezicht te houden op het (veilig gebruik maken van het) zwembad en\u002Fof de daar werkzame medewerkers en\u002Fof de aan haar zorg en\u002Fof toezicht toevertrouwde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), waardoor [slachtoffer] is overleden.\n\nDit verwijt is – vereenvoudigd en met letters in plaats van gedachtestreepjes aangegeven – in de tenlastelegging geconcretiseerd in de volgende deelverwijten:\n\na. het Toezichtplan van de verdachte was onvoldoende bekend bij en\u002Fof niet ondertekend door het personeel;\n\nb. in het zwembad waren onvoldoende gekwalificeerde toezichthouders aanwezig;\n\nc. het aanwezige personeel was onvoldoende geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en over het vluchtelingen zwemprogramma;\n\nd. het Toezichtplan was niet of onvoldoende aangepast naar aanleiding van het vluchtelingen zwemprogramma voor volwassenen die onvoldoende zwemvaardig waren;\n\ne. de huisregels waren niet in een andere taal dan het Nederlands aanwezig;\n\nf. de portofoons en de lamellen werkten niet en een verplichte drijflijn ontbrak;\n\ng. voor de gebreken onder f was geen alternatieve werkwijze gekomen.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit arrest en geldt als hier ingevoegd. Niet heeft ter discussie gestaan dat daarin met ’ [verdachte] B.V.' wordt bedoeld ’ [verdachte] B.V.' Het hof beschouwt dat als een kennelijke verschrijving, door verbetering waarvan de verdachte niet in haar belangen is geschaad.\n\n3. Vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring en strafoplegging komt. Het hof neemt wel de delen uit het vonnis van de rechtbank over waarmee het hof het eens is. Daarnaast zal het hof niet meer beslissen op de vorderingen van de benadeelde partijen, omdat die vorderingen in hoger beroep zijn ingetrokken.\n\n4. Overwegingen over het bewijs\n\n4.1. Inleiding\n\nDe verdachte exploiteert bedrijfsmatig als besloten vennootschap het Bijlmerbad in Amsterdam Zuid-Oost . Deze verdachte wordt ‘dood door schuld’ verweten door verdrinking in dat bad op zondag 25 november 2018 van een volwassen man aan wie als vluchteling een verblijfsstatus was verleend, de heer [slachtoffer] . De schuld zou bestaan in meerdere tekortkomingen in en rond het zwembad, geconcretiseerd in een zevental verwijten die hierboven en hierna zijn aangeduid met de letters a. tot en met g.\n\n4.2. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich, aan de hand van haar overgelegd schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden, met uitzondering van het deelverwijt onder e. De tekortkomingen van de verdachte, zoals opgenomen onder a tot en met d en f en g, hebben in onderlinge samenhang bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] . Gelet op het samenstel van deze tekortkomingen is volgens de advocaat-generaal sprake van zeer onvoorzichtig en nalatig handelen door de verdachte. Als de veiligheidsmaatregelen wel op orde waren geweest, had het slachtoffer tijdig kunnen worden herkend als niet-zwemvaardig, beter kunnen worden begeleid en gecontroleerd en zou de verdrinking waarschijnlijk zijn voorkomen. De gedragingen en nalatigheden vonden plaats binnen de bedrijfsvoering van de verdachte en kunnen daarom aan haar, als rechtspersoon, worden toegerekend.\n\n4.3. Standpunt van de verdediging\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe (samengevat) aangevoerd dat geen sprake is geweest van verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig of nalatig handelen door de verdachte. Het overlijden van [slachtoffer] was het gevolg van een noodlottige samenloop van omstandigheden die niet specifiek aan één partij zijn toe te rekenen. Daarbij speelde ook zijn eigen verantwoordelijkheid als volwassene een rol. Niet kan worden vastgesteld wat zich voorafgaand aan de verdrinking precies heeft afgespeeld. Daarom ontbreekt een voldoende causaal verband tussen de verweten gedragingen en het overlijden. De gemaakte verwijten kunnen niet, in ieder geval niet zonder meer, aan de rechtspersoon worden toegerekend. Eventuele individuele fouten van medewerkers of incidentele uitvoeringsgebreken rechtvaardigen volgens de verdediging geen strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte.\n\nBij de specifieke deelverwijten heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende aangevoerd.\n\na. Het personeel was voldoende bekend met het Toezichtplan en voldoende geïnstrueerd over de regels daarin en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Zij werden op meerdere manieren getraind en ingewerkt in het toezichthouden. Dat sommige medewerkers zich bepaalde onderdelen van het Toezichtplan – waaronder de 10\u002F20-regel – achteraf niet goed of onder deze benaming konden herinneren, betekent niet dat zij onvoldoende waren opgeleid of dat de inhoud van het Toezichtplan hun onvoldoende bekend was.\n\nb. Op de dag van het incident waren voldoende (gekwalificeerde) toezichthouders aanwezig. Zowel aan de wettelijke eisen als aan de eisen van het Toezichtplan was in kwantitatief en in kwalitatief opzicht voldaan.\n\nc. en d. De in het Toezichtplan opgenomen regels voor onvoldoende zwemvaardige bezoekers, waaronder ook deelnemers aan het vluchtelingenprogramma, en de aanvullende maatregelen (zoals de oranje polsbandjes) waren toereikend. Een aanpassing van het Toezichtplan of aanvullende instructies waren niet noodzakelijk.\n\ne. Het ontbreken van huisregels in andere talen heeft geen rol gespeeld bij het overlijden van [slachtoffer] .\n\nf. en g. Niet is komen vast te staan dat portofoons ondeugdelijk functioneerden. Voor zover daarvan al sprake was, kan dit niet aan de verdachte worden toegerekend en ontbreekt bovendien een causaal verband met het overlijden. Het defect aan de lamellen is in de eerste plaats niet toe te rekenen aan de verdachte. Bovendien heeft dat, samen met het ontbreken van een alternatieve voorziening daarvoor het zicht van de toezichthouders niet zodanig beïnvloed dat daardoor het ongeval is veroorzaakt. De conclusie dat het slachtoffer daardoor niet is opgemerkt berust op aannames. Ten aanzien van de drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe gedeelte naar het diepe gedeelte heeft de verdediging betoogd dat er die dag geen verplichting was deze drijflijn aan te brengen, maar ook het ontbreken van deze drijflijn of een alternatieve voorziening daarvoor heeft niet aantoonbaar bijgedragen aan het overlijden van [slachtoffer] .\n\n4.4. Oordeel van het hof\n\n4.4.1. Juridisch kader: dood door schuld, begaan door een rechtspersoon\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon, in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de verweten gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging of van het nalaten. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging of het nalaten heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden, de zogenoemde drijfmest-criteria, voordoen (vlg. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;\n\nde rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd gezien de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\nSchuld in de zin van artikel 307 Sr komt in beeld als een verdachte een bepaald gevolg (de dood) van zijn of haar handelen niet heeft willen veroorzaken, maar dat gevolg de verdachte toch verweten kan worden omdat de verdachte niet alleen anders had moeten handelen (vermijdbaarheid) maar ook anders had kunnen handelen (verwijtbaarheid). Daarbij is niet elke fout die wordt gemaakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. In strafrechtelijke bewoordingen moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijke schuld om tot een veroordeling te kunnen komen. Gekeken moet worden naar de manier waarop die schuld in de tenlastelegging is geconcretiseerd en verder naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.\n\nHet uiteindelijke gevolg van de gedragingen van de verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg daarin mee te wegen. Verder is voor schuld vereist dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat en dat het gevolg voldoende voorzienbaar was. Het juridische criterium om dit vast te stellen, is in een geval als dit het toerekenen naar redelijkheid.\n\nAls het gedrag uit nalaten bestaat, komt een eventueel op de verdachte rustende zorgplicht in beeld en kan die zorgplicht voor het bewijs van de aanmerkelijke schuld (culpa) van grote betekenis zijn.\n\nHet hof concludeert uit de wijze van ten laste leggen dat de feitelijk aan de verdachte verweten gedragingen alle bestaan uit nalaten. Daarom ziet het hof zich bij de beoordeling van de vraag of het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat [slachtoffer] is verdronken, voor de volgende vragen gesteld:\n\nHad de verdachte een bepaalde zorgplicht voor [slachtoffer] en, zo ja, wat hield die zorgplicht feitelijk in?\n\nHeeft de verdachte deze zorgplicht (in het licht van de toepasselijke normstelling) geschonden, en, zo ja, op welke wijze?\n\nBestaat tussen de door de verdachte geschonden zorgplicht en het overlijden van [slachtoffer] een causaal verband?\n\nIndien sprake is van dat causaal verband, kan van het schenden van die zorgplicht aan de verdachte dan ten minste een aanmerkelijk verwijt worden gemaakt en zo ja, waarin bestaat dan dit verwijt?\n\nTer beantwoording van deze vier vragen neemt het hof de volgende – naar het oordeel van het hof vaststaande – feiten en omstandigheden in overweging 4.4.2 in aanmerking. Vervolgens bespreekt het hof de vier vragen in de overwegingen 4.4.3 tot en met 4.4.6.\n\n4.4.2. Vaststelling van de feiten\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte exploiteert zoals hiervoor genoemd het Bijlmer Sportcentrum in Amsterdam Zuid-Oost , dat eigendom is van de Gemeente Amsterdam. Dit sportcentrum omvat onder meer een aantal bassins om in te zwemmen, met beperkte recreatieve voorzieningen (het “ Bijlmerbad ”) en wordt hier verder gezamenlijk aangeduid met “het zwembad” of “de badinrichting”.\n\n [Naam 1 ] heeft als de (uiteindelijke) vertegenwoordiger van de verdachte tijdens zijn verhoren verklaard dat dit zwembad in Amsterdam Zuid-Oost een speciaal type zwembad is, omdat daar gezien de multiculturele omgeving een heel ander type bezoeker komt dan in zwembaden elders in het land. Het hof begrijpt dit zo, dat er in dit zwembad eerder sprake zal zijn van niet zwemvaardige volwassenen dan in zwembaden elders in het land.\n\n [Naam 1 ] is overigens bij het hof afgeweken van deze eerdere verklaring en stelt dat hij hierbij alleen jongeren had bedoeld, maar daarin vindt het hof [Naam 1 ] niet geloofwaardig. [Naam 1 ] komt pas in een laat stadium hiermee en dat valt op, omdat het hier gaat om een element dat relevant is in deze strafzaak, namelijk de vraag naar verantwoordelijkheid voor volwassenen die nog niet veilig kunnen zwemmen. De bijgestelde verklaring vindt onvoldoende steun in het verdere dossier. Het hof stelt die nuancering van [Naam 1 ] dan ook terzijde en gaat uit van wat in een eerder stadium door [Naam 1 ] is verklaard.\n\nDe kernactiviteiten van het zwembad bestaan – in ieder geval in het najaar van 2018 – uit het verzorgen van zwemlessen, doelgroepenactiviteiten en een speciaal zwemproject voor vluchtelingen, dat door de gemeente Amsterdam werd aangeboden. Die activiteiten van de verdachte waren daarmee in belangrijke mate gericht op personen die niet of slechts beperkt zwemvaardig zijn. De lessen in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen werden destijds alleen op zaterdagen gegeven. Op zondagen was in het Bijlmer Sportcentrum na 12:00 uur sprake van recreatiezwemmen, ook wel 'vrij zwemmen' genoemd.\n\n [slachtoffer] meldt zich op zondag 25 november 2018 rond 13:05 uur bij [naam 2] , de receptiemedewerker van het Bijlmerbad die op dat moment aan het werk is. [naam 2] ziet dat [slachtoffer] een brief voor deelname aan het vluchtelingen zwemprogramma bij zich heeft. [naam 2] vertelt [slachtoffer] dat er geen zwemlessen plaatsvinden op zondag, maar dat [slachtoffer] mag oefenen als hij een ticket betaalt voor toegang. [slachtoffer] betaalt voor toegang en begeeft zich vervolgens naar de ruimte met kleedhokken en kluisjes. In de brief die aan [slachtoffer] door de gemeente is gestuurd, staat dat hij in het kader van het zwemproject op 18 november 2018 (een zondag) voor de eerste keer wordt verwacht in het Bijlmersportcentrum en dat hij de brief moet meenemen naar zijn eerste les. Uit de verklaring van [naam 8] , de locatiemanager, volgt dat de datum in de brief een fout moet zijn geweest, omdat de lessen aan vluchtelingen alleen op zaterdag werden gegeven. [slachtoffer] zou zijn eerste zwemles op zaterdag 17 november 2018 hebben. De naam van [slachtoffer] is voor de tweede zwemles op zaterdag 24 november 2018 niet afgetekend; hij was daar toen niet geweest.\n\nDe badinrichting omvat verschillende bassins, waaronder een bassin met een breedte van 15 meter en een lengte van 25 meter (hierna: het 25-meterbad). Het 25-meterbad is voorzien van een gedeeltelijk beweegbare bodem om de waterdiepte in het ondiepe deel van het zwembad te kunnen aanpassen. Op 25 november 2018 was de beweegbare bodem van het 25-meterbad afgesteld op een maximale waterdiepte van 1.40 meter. Het beweegbare deel wordt afgesloten met een klep. Het overige (niet beweegbare) deel van de bodem van het bad is niet verstelbaar. De maximale waterdiepte daar is 3.50 meter.\n\nOp zondag 25 november 2018 was het relatief druk in het zwembad en er was van 13.00 tot 16.00 uur als bijzonderheid een kinderfeestje ingepland. In het 25-meterbad lagen drijfmatten, was de duikplank in gebruik en lag geen drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe gedeelte naar het diepe gedeelte. In de lengterichting van het 25-meterbad lagen twee drijflijnen, zodat twee banen waren gecreëerd voor het banenzwemmen.\n\nOm ongeveer 13:15 uur liep [slachtoffer] richting de douches. Voorbij de douches bevinden zich de bassins. Recreant [naam 3] zag [slachtoffer] van de kant van de douches via de trap het ondiepe gedeelte van het 25-meterbad ingaan. [naam 3] heeft [slachtoffer] niet zien zwemmen en weet niet hoe [slachtoffer] ging zwemmen, maar was wel in het 25-meterbad toen [slachtoffer] aankwam en korte tijd later uit het water werd gehaald.\n\nDat gebeurde nadat een negenjarig meisje aan een toezichthouder had verteld dat zij iemand in het water had zien zweven. Een van de toezichthouders heeft toen [slachtoffer] in een bewusteloze toestand uit het 25-meterbad gehaald; hij trof [slachtoffer] na een duik bij een waterdiepte van ongeveer 2.50 meter in het bad aan. Geen van de toezichthouders had [slachtoffer] op een eerder moment in of rond de bassins in het zwembad gezien. Twee toezichthouders startten met reanimeren en het 112-alarmnummer werd gebeld. Omstreeks 13:45 uur namen de ter plaatse gekomen verbalisanten de reanimatie over met behulp van een AED. Vervolgens is [slachtoffer] overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij een dag later is overleden.\n\nHoewel de doodsoorzaak van [slachtoffer] niet met honderd procent zekerheid is komen vast te staan, concludeert het hof dat [slachtoffer] ten gevolge van verdrinking is overleden. Daartoe overweegt het hof het volgende. Er is geen zekere oorzaak gevonden voor het te water onwel worden, de reanimatiebehoefte en de noodzaak tot ziekenhuisopname. Uit zijn medisch dossier volgen geen bijzonderheden en [slachtoffer] was – volgens zijn huisarts – kerngezond. Daarom is het hof van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is van een andere doodsoorzaak, voorafgaand aan de verdrinking. De door de pathologen geconstateerde dubbelzijdige acute longontsteking past ook goed bij het feit dat [slachtoffer] 70 minuten lang is gereanimeerd, in kritieke toestand in het ziekenhuis is opgenomen en daar een dag later is overleden. De bevindingen en conclusies van de forensisch patholoog en de neuropatholoog passen bovendien bij het scenario dat [slachtoffer] als gevolg van zuurstoftekort is verdronken doordat hij onvoldoende zwemvaardig was. Het hof stelt dus vast dat [slachtoffer] alleen door verdrinking is overleden.\n\nTen tijde van de verdrinking waren [naam 4] en [Naam 5] aanwezig bij het 25-meterbad. [naam 4] was werkzaam als toezichthouder en [Naam 5] liep stage. Zij hadden de opdracht toezicht te houden bij het 25-meterbad. Zij bevonden zich hoofdzakelijk aan de lange zijde van het 25-meterbad aan de kant van de recreatiebaden. Aan de overzijde, gezien vanuit die positie, is een grote raampartij. De ramen in die raampartij zijn voorzien van lamellen als zonwering (gemonteerd in de ruimte tussen het dubbele glas), maar dat systeem was (deels) defect. [naam 4] en [Naam 5] kregen van toezichthouder [naam 6] , die niet bij het 25-meterbad stond, te horen dat er mogelijk een man onder water lag in het 25-meterbad. [naam 4] is het water in gesprongen om de man te zoeken en heeft na enige tijd [slachtoffer] uit het water gehaald. [naam 4] en [Naam 5] hebben verklaard dat zij [slachtoffer] vanaf de kant niet konden zien. [slachtoffer] lag recht voor hen in het water, op een afstand van twee tot drie meter verwijderd van de positie waar zij zich bevonden.\n\nIn de periode van de tenlastelegging geldt voor het zwembad het ‘Toezichtplan [verdachte] BV’ (hierna: het Toezichtplan) van augustus 2013, dat destijds voor het laatst was geactualiseerd in november 2016. Het Toezichtplan voorziet, ter waarborging van de veiligheid van gasten, in regels voor het toezicht tijdens verschillende activiteiten, waarvoor het (bad)personeel verantwoordelijk is. Daarin zijn ook de voor de medewerkers geldende afspraken en verantwoordelijkheden uitgewerkt. De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (hierna: Whvbz) en het bezoekerspatroon in het zwembad zijn richtinggevend voor het Toezichtplan.\n\n4.4.3. De zorgplicht van de verdachte voor [slachtoffer] en andere onvoldoende zwemvaardige volwassenen en de feitelijke inhoud van die zorgplicht\n\nIn beginsel rust op ieder zwembad een zorgplicht in de vorm van ervoor zorgen dat alle bezoekers te allen tijde veilig gebruik kunnen maken van het zwembad.\n\nHet hof stelt voorop dat uit de rechtspraak volgt dat in bepaalde gevallen voor personen, of in dit geval een rechtspersoon, wegens hun bijzondere hoedanigheid of een bepaalde functie en beroepsuitoefening, hogere eisen aan hun kennis, beleid, (het betrachten van) oplettendheid en bekwaamheid gesteld kunnen worden dan normaal het geval is en die dus vanwege hun specifieke verantwoordelijkheid als het ware een verhoogde aansprakelijkheid hebben. Dit wordt ook wel de ‘Garantenstellung’genoemd (vlg. HR 19 februari 1963, ECLI:NL:HR:1963:2).\n\nZoals uit de feitenvaststelling volgt, exploiteert [verdachte] B.V. een zwembad met beperkte recreatiemogelijkheden, met een specifieke doelgroep.\n\nHet gaat om een zwembad waarin met name zwemlessen werden verzorgd en waarin ook wekelijks in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen les werd gegeven aan niet-zwemvaardige volwassenen. Op de exploitant van dit zwembad – dus op de verdachte – rust dan ook een bijzondere zorgplicht ten aanzien van (volwassen) bezoekers die niet of onvoldoende zwemvaardig zijn. Die bijzondere zorgplicht geldt in ieder geval tijdens de zwemlessen, maar is daartoe niet beperkt. De ligging van het zwembad in een meer multiculturele omgeving maakte het zwembad ook al bekend met een heel ander type bezoekers – onder wie volwassenen – die veel meer aandacht vragen als het gaat om zwemvaardigheid.\n\nHoewel op het moment van het ongeval geen zwemles werd verzorgd, maar sprake was van vrij zwemmen, doet dat aan de op de verdachte rustende zorgplicht niet af. Juist vanwege de multiculturele doelgroep van het zwembad, de kernactiviteiten van de verdachte en haar bekendheid met de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen binnen het vluchtelingenprogramma, diende de verdachte er ook tijdens vrij zwemmen rekening mee te houden dat niet-zwemvaardige bezoekers van de zwemvoorzieningen gebruik maakten. Zoals blijkt uit het dossier adviseerden sommige zweminstructeurs de deelnemers bovendien dat zij ook buiten de zwemlessen mochten oefenen. Des te meer reden om aan te nemen dat op de verdachte ook buiten de lessen een bijzondere zorgplicht rust.\n\nVerdrinking met dodelijke afloop van een niet-zwemvaardige volwassene, zeker als die zich begeeft in een gedeelte van het zwembad waar hij niet kan staan, vormt een concreet en reëel risico. En het onder water raken en verdrinken voltrekt zich vaak, zo is algemeen bekend, in relatieve stilte in plaats van met alarmerende geluiden of gebaren.\n\nGelet op dit risico en de ernst van de mogelijke gevolgen daarvan, houdt de op de verdachte rustende zorgplicht naar het oordeel van het hof in dat zij haar organisatie, toezicht, veiligheidsvoorzieningen en werkinstructies zodanig inricht dat niet-zwemvaardige bezoekers worden herkend, adequaat worden geïnstrueerd, niet ongemerkt in voor hen gevaarlijke gedeelten van het zwembad of in niet-toegestane bassins terecht kunnen komen en, indien zij toch in de problemen raken, tijdig worden opgemerkt, zodat onmiddellijk kan worden ingegrepen.\n\nOp grond van het voorgaande concludeert het hof ten aanzien van de hierboven als vraag 1 aangeduide vraag dat de verdachte een specifieke zorgplicht heeft voor [slachtoffer] , namelijk dat zij zich ervan vergewist dat voldoende waarborgen aanwezig zijn om te voorkomen dat [slachtoffer] zich, als niet-zwemvaardige bezoeker, in een voor hem onveilige situatie in het water bevindt.\n\n4.4.4. De schending van de zorgplicht door de verdachte\n\nTegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde bijzondere zorgplicht van de verdachte zal het hof in deze alinea beoordelen of de verdachte die zorgplicht in dit geval heeft geschonden. Daartoe zal het hof per deelverwijt nagaan of dat deelverwijt van belang is voor of dienstig aan de (uitvoering van de) zorgplicht en, zo ja, of en hoe de verdachte daarmee haar zorgplicht heeft geschonden.\n\nDeelverwijt a.: Toezichtplan voldoende bekend bij het personeel?\n\nAlleen al omdat de regels in het Toezichtplan zijn opgesteld ter waarborging van de veiligheid van de gasten, vindt het hof de bekendheid daarmee bij het personeel van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht. Het gaat om een kader voor de manier waarop het uitoefenen van toezicht gestalte moet krijgen.\n\nVan de verdachte en haar personeel mag worden verwacht dat zij op de hoogte zijn van de inhoud van het Toezichtplan en dat zij zich daaraan in het algemeen houden. Uit bepaling 1.3 van het Toezichtplan volgt dat medewerkers door middel van ondertekening van het Toezichtplan aangeven het Toezichtplan te kennen. Nieuwe medewerkers worden tijdens hun inwerkperiode begeleid door een mentor, die hen wegwijs maakt in de regels die in het Toezichtplan zijn neergelegd en hen daarop toetst.\n\nVerder zijn in het Toezichtplan regels en afspraken opgenomen die zien op de vereiste vaardigheden waarover een toezichthouder moet beschikken. Zo is onder meer in paragraaf 5 met als titel “Taken\u002Fverantwoordelijkheden medewerkers” in bepaling 5.10 de zogenoemde ‘10\u002F20 regel’ opgenomen. Deze regel houdt in dat toezichthouders binnen tien seconden het aan hen toevertrouwde gebied moeten overzien, waarbij zij systematisch de bodem afzoeken op mogelijke slachtoffers en letten op personen aan de oppervlakte die op enige wijze een gevaar voor zichzelf of anderen vormen. Daarnaast moeten zij in staat zijn om binnen twintig seconden bij een slachtoffer te zijn en alarm te slaan.\n\n [Naam 5] , die ten tijde van de verdrinking van [slachtoffer] als stagiair bij het 25-meterbad stond samen met toezichthouder [naam 4] , heeft verklaard dat hij het Toezichtplan deels heeft gelezen voor zijn stage, maar dat hij zich vooral de huisregels herinnert. Hij heeft het Toezichtplan zonder uitleg ontvangen en hem is nooit gevraagd of hij het Toezichtplan heeft doorgelezen. [Naam 5] heeft verklaard dat hij vanuit zijn opleiding Sport en Recreatie aan het ROC op de hoogte is van de zogenoemde ‘10\u002F20 regel’. Volgens [Naam 5] heeft deze regel betrekking op calamiteiten. Een toezichthouder moet bij een calamiteit tien seconden observeren en binnen twintig seconden reageren.\n\n [naam 4] , die toezichthouder was en op die dag bij het 25-meterbad stond met [Naam 5] , heeft het Toezichtplan ontvangen bij zijn contract. Hij heeft het Toezichtplan destijds gelezen, maar kan zich de inhoud niet herinneren. De ‘10\u002F20 regel’ kent hij niet als zodanig. [naam 4] heeft niet naar de bodem van het bad gekeken, maar keek naar de personen aan de oppervlakte. De bodem is volgens [naam 4] het laatste punt waar hij naar zou kijken. [naam 4] denkt dat het twintig seconden heeft geduurd voordat hij [slachtoffer] zag, vanaf het moment dat hij van een andere toezichthouder te horen kreeg dat er mogelijk een man in het water zou zweven.\n\n [naam 7] , hoofd zwemzaken, heeft verklaard dat zij ervan uitgaat dat alle medewerkers op de hoogte zijn van het Toezichtplan, maar dat de locatiemanager eindverantwoordelijk is om ervoor te zorgen dat het Toezichtplan bekend is bij alle medewerkers. Wanneer nieuw personeel werd aangenomen, werd het Toezichtplan door [naam 7] zelf of de locatiemanager verstrekt.\n\n [naam 8] heeft onder meer verklaard dat zij niet weet of al het op 25 november 2018 aanwezige badpersoneel het Toezichtplan kende en dat het de eigen verantwoordelijkheid van de medewerkers is om bekend te zijn met de inhoud daarvan. Zij weet ook niet of receptioniste [naam 2] het Toezichtplan ooit heeft ontvangen.\n\nHet hof stelt vast dat niet alleen de 10\u002F20-regel onvoldoende bekend was bij het personeel, maar dat dit ook gold voor andere essentiële onderdelen van het Toezichtplan. Zo volgt uit de verklaring van [naam 8] dat zij geen duidelijk onderscheid kon maken tussen een junior toezichthouder en een toezichthouder en ook niet wist of een stagiair als gekwalificeerd toezichthouder kon optreden. Ook uit de verklaringen van [naam 4] en [Naam 5] blijkt dat onduidelijkheid bestond over de kwalificaties en bevoegdheden van toezichthouders. [naam 4] heeft verklaard niet te weten of een stagiair als volwaardig toezichthouder gold, terwijl [Naam 5] niet wist of hij als junior toezichthouder of als toezichthouder werd aangemerkt.\n\nVerder stelt het hof vast dat de kennis van het personeel over de omgang met niet-zwemvaardige bezoekers niet overeenkwam met de uitgangspunten van het Toezichtplan. Uit de verklaringen van verschillende medewerkers blijkt dat zij ervan uitgingen dat volwassen bezoekers zelf verantwoordelijk waren voor het inschatten van hun zwemvaardigheid en dat bijzondere aandacht alleen was vereist voor niet-zwemvaardige kinderen. Zo’n onderscheid tussen kinderen en volwassenen wordt echter niet gemaakt in het Toezichtplan. Zo volgt uit bepaling 5.22 van het Toezichtplan dat bij twijfel over de zwemvaardigheid van bezoekers al bij de receptie actie moet worden ondernomen, zonder daarbij onderscheid te maken naar leeftijd.\n\nHet hof is dus van oordeel dat het Toezichtplan in de periode van de tenlastelegging onvoldoende bekend was bij het personeel van de verdachte. Niet alleen ontbrak bij medewerkers kennis van concrete voorschriften, maar er bestond ook onduidelijkheid over de wijze waarop die voorschriften in de praktijk moesten worden toegepast. Daardoor is op dit onderdeel sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijt b.: voldoende gekwalificeerde toezichthouders aanwezig?\n\nOmdat kwantiteit en kwaliteit van de aanwezige toezichthouders rechtstreeks verband houdt met (de waarborging van) de veiligheid van de gasten, vindt het hof deze punten van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDe aanduiding ‘voldoende toezicht’ is ontleend aan het ten tijde van de tenlastegelegde periode geldende Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (hierna: Bhvbz), een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3 van de destijds geldende wet, de Whvbz.\n\nArtikel 25, eerste lid, van dat Besluit luidt als volgt:\n\n“In de badinrichting wordt gedurende de openstelling in voldoende mate toezicht uitgeoefend”.\n\nUit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt onder meer het volgende.\n\nDe zinsnede “voldoende mate toezicht” in genoemd artikel doelt zowel op het aantal toezichthoudende personen als op de vereiste vaardigheid waarover deze personen moeten beschikken. Wat betreft het aantal houdt dit meestal in dat bij ieder bassin door ten minste één persoon voortdurend toezicht wordt uitgeoefend. Bij grote drukte of wanneer een springplank in gebruik is, zullen over het algemeen meerdere personeelsleden nodig zijn. In bepaalde omstandigheden zal het echter ook aanvaardbaar kunnen zijn dat het toezicht niet voortdurend doch met onderbrekingen wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer het bad slechts door een paar zwemmers in gebruik is en vaststaat dat deze de zwemkunst machtig zijn.\n\nDe strekking van deze bepaling is dan ook dat in een zwembad bij ieder bassin waarin wordt gezwommen, voortdurend door tenminste één persoon feitelijk toezicht wordt gehouden, maar dat bepaalde omstandigheden, grote drukte of het gebruik van een springplank, meer dan één toezichthouder vereisen.\n\nArtikel 25 Bhvbz is geïmplementeerd in bepaling 7.2.8 van het Toezichtplan van de verdachte. Daaruit volgt dat tijdens recreatief zwemmen bij elk bassin een toezichthouder moet staan en dat bij de glijbaan of springplank ook een toezichthouder hoort te staan.\n\nUit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden volgt dat zondag 25 november 2018 een drukke dag was door onder meer een ingepland kinderfeest. Er lagen in het 25-meterbad drijfmatten en een springplank om vanaf te duiken – een duikplank – was in het 25-meterbad geopend en werd gebruikt. Ook waren er twee drijflijnen in de lengte van het bad voor het zwemmen van banen en was er geen drijflijn in de breedte ter hoogte van de overgang van het ondiepe naar het diepe deel van het bad. Gelet op artikel 25 Bhvbz en bepaling 7.2.8 van het Toezichtplan hadden onder deze omstandigheden bij het 25-meterbad (tenminste) twee toezichthouders moeten staan.\n\nUit bepaling 2.4.1 van het Toezichtplan volgt, voor zover hier van belang, dat allemedewerkers die belast zijn met het toezicht over de vereiste diploma’s en vaardigheden moeten beschikken. Alle toezichthouders, zowel de junior toezichthouder als de toezichthouder, moeten de [verdachte] zwemtest met goed gevolg hebben afgelegd en deze test moet ieder jaar opnieuw worden afgelegd.\n\nTen tijde van het incident stonden toezichthouder [naam 4] en stagiair [Naam 5] bij het 25-meterbad. Op grond van het voorgaande voldeed [Naam 5] niet aan de eisen die mede op grond van het Toezichtplan golden om als volwaardig toezichthouder te worden aangemerkt. Hij liep nog stage, zag zichzelf niet als een (volwaardig) toezichthouder en anderen zagen hem ook als een stagiair, omdat het pas zijn derde keer in het zwembad was en hij nog werd ingewerkt. Het hof acht verder de verklaring van [naam 8] van belang, die inhoudt dat een stagiair niet als volwaardig toezichthouder kan worden aangemerkt.\n\nHoewel het aantal aanwezige toezichthouders voor het gehele zwembad voldeed aan de minimale bezettingseisen, stelt het hof vast dat de feitelijke inzet van voldoende gekwalificeerde toezichthouders bij het 25-meterbad ontoereikend was vanwege de daar aanwezige omstandigheden zoals hiervoor beschreven\n\nDaardoor is op onderdeel b. sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijten c. en d.: personeel onvoldoende geïnstrueerd over kwetsbaarheid van niet-zwemvaardige volwassenen en vluchtelingen zwemprogramma en onvoldoende aanpassing van het Toezichtplan\n\nHet hof stelt voorop dat juist de bekendheid van het personeel met de bijzondere kwetsbaarheid van de doelgroepen van het zwembad, die in belangrijke mate bestaan uit niet-zwemvaardige bezoekers, en de met het oog daarop getroffen maatregelen, van rechtstreeks belang zijn voor de veiligheid van die bezoekers, en daarmee van belang voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nHet hof stelt het volgende vast voor de beantwoording van de vragen of de verdachte voldoende heeft zorggedragen voor het tenlastegelegde onder de deelverwijten c. (of het personeel voldoende was geïnstrueerd over niet-zwemvaardige volwassenen, het zwemproject voor vluchtelingen en de kwetsbaarheid van deze deelnemers) en onder d. (of het Toezichtplan voldoende daarop was aangepast).\n\nHet belang van (de inhoud van) het Toezichtplan wordt benadrukt in bepaling 1.2 van het Toezichtplan. Daarin staat dat het plan wordt opgesteld in overleg met alle betrokken medewerkers. Omdat het Toezichtplan feitelijk een werkinstructie betreft voor niet alleen de toezichthouders, maar al het bij de verdachte werkzame personeel, moet het minimaal drie keer per jaar als agendapunt worden besproken bij het werkoverleg. Alle medewerkers behoren ook te worden ingelicht over eventuele wijzigingen, door een gewijzigd Toezichtplan overhandigd te krijgen.\n\nDe beoordeling van de zwemvaardigheid van alle bezoekers komt terug in meerdere bepalingen in het Toezichtplan. Zo volgt impliciet uit bepaling 5.22 dat de receptiemedewerker een eerste filter is als het aankomt op de beoordeling of bezoekers – en dus ook volwassen bezoekers – voldoende zwemvaardig zijn en bij twijfel over onder meer de zwemvaardigheid de toezichtverantwoordelijke moet waarschuwen.\n\nUit bepaling 6.2 volgt dat personen zonder zwemdiploma niet in diepe bassins mogen zwemmen en dat het badpersoneel dat beoordeelt. Ten aanzien van het 25-meterbad volgt uit bepaling 7.1.2 wederom dat het badpersoneel beoordeelt of bezoekers beschikken over een zwemdiploma, wat is vereist om in het 25-meterbad te mogen zwemmen.\n\nUit een interne memo van 15 augustus 2017, van [Naam 9] (het hof begrijpt: [Naam 9] , als kwaliteitsmanager werkzaam bij\u002Fvoor alle [verdachte] ) met een beleid over oranje polsbandjes, volgt dat de receptiemedewerker als eerste aanspreekpunt beoordeelt of sprake is van bijzondere omstandigheden of veiligheidsrisico's. Dat is in lijn met bepaling 5.22 van het Toezichtplan. Bij twijfel over de zwemvaardigheid van een bezoeker moet de receptiemedewerker het toezichthoudend personeel waarschuwen. De strekking van de memo is dat bezoekers die niet kunnen zwemmen herkenbaar moeten zijn voor het personeel. Voor bezoekers ouder dan 12 jaar die niet zwemvaardig zijn, geldt dat zij uitsluitend in de ondiepe baden mogen zwemmen en verplicht een oranje polsbandje moeten dragen. Ook hun begeleider moet een oranje polsbandje dragen. De oranje polsbandjes dienen er dus toe niet-zwemvaardige bezoekers (en hun begeleiders) voor het personeel direct herkenbaar te maken, zodat daarop extra toezicht kan worden gehouden. Als een bezoeker weigert een oranje polsbandje te dragen of niet onder begeleiding komt zwemmen, moet de toegang tot het zwembad worden geweigerd. Bij twijfel over de zwemvaardigheid van een bezoeker moet deze door een toezichthouder worden beoordeeld, zo nodig door middel van een zwemtest.\n\nVolgens [Naam 9] is het beleid met oranje polsbandjes voor niet-zwemmers begin 2018 centraal ingevoerd en gold dat voor alle [verdachte] . De interne memo over de verplichting van de oranje polsbandjes bij niet-zwemvaardige bezoekers zou echter op initiatief van locatiemanager [naam 8] pas twee weken voorafgaand aan het incident op 25 november 2018 zijn verspreid aan de medewerkers van dit zwembad. Hoe dat precies zit, maakt voor de beoordeling van deze zaak geen verschil. Het hof constateert dat dit bericht gezien de aanhef daarvan zag op “kinderen\u002Ftieners die niet kunnen zwemmen”, terwijl verder ook de inhoud daarvan niet specifiek – ook – was gericht op niet zwemvaardige volwassenen. Dus een specifiek beleid met oranje polsbandjes gold (nog) niet voor de volwassenen die niet voldoende zwemvaardig waren, maar de beoordeling van de zwemvaardigheid gold voor alle bezoekers.\n\nMedewerkers op lokaal niveau gingen in principe uit van de eigen verantwoordelijkheid van volwassenen bij het zwemmen. Ook het zwemproject voor vluchtelingen was niet bekend bij alle lokale medewerkers. Uit de verklaringen van stagiair [Naam 5] volgt dat hem is verteld dat bezoekers van achttien jaar of ouder zonder zwemdiploma op eigen risico zwemmen. [Naam 5] was niet op de hoogte van het feit dat in het zwembad lessen werden verzorgd aan vluchtelingen in het kader van het zwemproject voor vluchtelingen. Stagiair [Naam 10] , die op de dag van het incident voor het eerst meeliep, wist nog niet alles over het protocol over toezicht en hij was ook niet bekend met de overige protocollen en afspraken in het zwembad. [Naam 10] heeft verklaard dat hij weet dat onvoldoende zwemvaardige bezoekers naar het recreatiebad gestuurd kunnen worden. Toezichthouder Inocente vraagt volgens eigen zeggen alleen aan kinderen of ze in het bezit zijn van een zwemdiploma. Bij volwassenen gaat hij uit van hun eigen verantwoordelijkheid. Hij is ook niet bekend met het zwemproject voor vluchtelingen. Ook [naam 7] en [naam 8] gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid voor hun zwemvaardigheid en daarmee hun veiligheid van volwassen bezoekers.\n\nReceptiemedewerker [naam 2] heeft verklaard dat aan volwassenen niet wordt gevraagd of ze een zwemdiploma bezitten, omdat die meestal zelf wel weten hoe ver ze kunnen gaan. Zij was op de hoogte van het zwemproject voor vluchtelingen, maar dat was min of meer toevallig, omdat zij ook op zaterdagen werkte en dan werden zwemlessen aan vluchtelingen gegeven. Ondanks het feit dat [naam 2] wist van dit zwemproject voor statushouders, is zij niet aangeslagen op de door [slachtoffer] getoonde brief die alleen bij een eerste les moest worden getoond. Zij heeft niet voor zichzelf bedacht of anderen gewaarschuwd dat het hier naar alle waarschijnlijkheid ging om een niet zwemvaardige volwassene die gebruik van de baden wilde maken.\n\n [Naam 11] , die destijds als horecamedewerker feitelijk ook werkzaam was als receptioniste, is nooit gewezen op het Toezichtplan en heeft verklaard dat de receptiemedewerkers pas sinds het incident volwassenen moeten vragen naar een diploma. Ook zij was alleen op de hoogte van het vluchtelingenzwemprogramma, omdat zij op zaterdagen in de horeca van het zwembad werkte. Ook wist zij dat sommige deelnemers uit deze groep op advies van de zweminstructeur buiten de lesmomenten mochten komen oefenen.\n\nOver het beleid over de oranje polsbandjes volgt uit diverse verklaringen dat medewerkers op lokaal niveau daar geen weet van hadden. Bij de rechter-commissaris verklaarde [Hoofd facilitair] hoofd facilitair van de verdachte en destijds al ruim twintig jaar bij de verdachte in dienst, dat hij niet op de hoogte was van de regeling met oranje polsbandjes en dat deze regeling nog niet werd gehanteerd ten tijde van het incident. [Naam 11] was ook niet bekend met het beleid rond oranje polsbandjes voor niet-zwemvaardige bezoekers. Zij heeft verklaard dat er ten tijde van het ongeval nog geen bandjes waren, maar deze daarna op enig moment zijn besteld. [Naam 5] en [naam 4] hebben in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij tijdens dat verhoor pas voor het eerst hebben gehoord over het beleid rond de oranje polsbandjes en dat zij daar eerder niet mee bekend waren.\n\nHet destijds geldende Toezichtplan was voor het laatst in november 2016 geactualiseerd. Het hof stelt vast dat voorafgaand aan het incident het plan niet was aangepast naar aanleiding van het zwemproject voor vluchtelingen en het beleid rond de oranje polsbandjes. Het is niet gebleken dat deze ontwikkelingen als agendapunten zijn besproken in het werkoverleg, dat volgens bepaling 1.2 van het Toezichtplan drie keer per jaar moet plaatsvinden. Het hof betrekt naast de hiervoor genoemde verklaringen, waaruit duidelijk volgt dat niet alle personeelsleden op de hoogte waren van deze punten, ook de verklaring van toezichthouder [Naam 13] . Op 27 maart 2019 heeft hij namelijk verklaard dat hij het Toezichtplan drie en een half jaar geleden heeft ontvangen en niet weet of het nadien is aangepast.\n\nDe verklaringen van het bij de verdachte werkzame personeel staan haaks op het beleid en de inhoud van het Toezichtplan van de verdachte. Zo volgt uit de hiervoor genoemde verklaringen van personeelsleden dat zij, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de volwassen bezoekers, niet vonden dat zij de zwemvaardigheid van deze bezoekers moesten beoordelen. Verder kan uit die verklaringen worden opgemaakt dat niet alle personeel op de hoogte was van het zwemproject voor vluchtelingen. Het beleid over de polsbandjes was ook niet bekend onder de medewerkers op lokaal niveau.\n\nWeliswaar mag in beginsel van volwassen bezoekers worden verwacht dat zij hun eigen zwemvaardigheid kunnen beoordelen, maar die eigen verantwoordelijkheid heft de op de verdachte rustende zorgplicht niet op. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het Toezichtplan, zoals hiervoor is overwogen, er uitdrukkelijk rekening mee houdt dat bezoekers, ongeacht de leeftijd, niet of onvoldoende zwemvaardig kunnen zijn. Het plan bevat immers voorschriften voor het signaleren van dergelijke bezoekers en voor het treffen van veiligheidsmaatregelen.\n\nDe verdachte wist dat binnen het vluchtelingenzwemprogramma niet-zwemvaardige volwassenen deelnamen en dat deze deelnemers ook wel eens buiten de lesmomenten gebruik konden maken van het zwembad om hun zwemvaardigheid te oefenen. Juist daarom had de verdachte ervoor moeten zorgen dat haar medewerkers voldoende bekend waren met het vluchtelingenzwemprogramma, de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen (ook buiten de lesmomenten) en de extra kwetsbaarheid van deze groep. Het hof stelt vast dat dit onvoldoende is gebeurd. Hoewel uit het beleid rond de oranje polsbandjes blijkt dat de verdachte onderkende dat niet-zwemvaardige bezoekers herkenbaar moesten zijn en extra aandacht behoefden, is onvoldoende gebleken dat dit beleid op de werkvloer bekend was en daadwerkelijk werd toegepast. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte onvoldoende heeft zorggedragen voor de uitvoering van haar eigen – terechte – veiligheidsbeleid en onvoldoende heeft geborgd dat medewerkers alert waren op de aanwezigheid van niet-zwemvaardige volwassenen en de risico's die voor hen golden. Daardoor is op de onderdelen c. en d. sprake van schending van de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijt e.: huisregels in een andere taal dan het Nederlands aanwezig?\n\nHet hof is, met de verdediging en de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder e. tenlastegelegde, alleen al omdat het hof onvoldoende verband ziet tussen de taal waarin deze huisregels met pictogrammen zijn opgesteld en de door het hof vastgestelde, op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nDeelverwijten f. en g.: defecte portofoons en lamellen, een ontbrekende verplichte drijflijn en de afwezigheid van alternatieve werkwijze(n) daarvoor\n\nI. Portofoons\n\nOmdat portofoons het primaire communicatiemiddel waren tussen de aanwezige toezichthouders onderling en de receptie zijn de aanwezigheid en het functioneren daarvan van directe invloed op de waarborging van de veiligheid van de gasten, zodat deze, of een alternatief daarvoor, naar het oordeel van het hof van belang zijn voor de op de verdachte rustende zorgplicht.\n\nVanwege het belang van veiligheid benoemt het Toezichtplan het gebruik van portofoons, ook bijvoorbeeld om vervanging te regelen als je als toezichthouder actief bent. Uit hetzelfde oogpunt van veiligheid wordt ook meerdere keren intern aandacht gevraagd voor het verplichte gebruik van de portofoons en het te melden als een collega zich daaraan niet houdt. Dat volgt uit interne memo’s van 12 januari 2017 en 14 maart 2017.\n\nUit de verklaringen van verschillende personeelsleden volgt echter dat de portofoons al langere tijd niet goed werkten. [Naam 12] heeft verklaard dat de communicatie werd belemmerd, omdat de portofoons niet werkten en [Naam 5] heeft verklaard dat ze stuk waren en pas na het incident zijn vervangen. Uit de verklaringen van onder meer [Naam 5] , [naam 4] en [Naam 12] volgt dat het niet is toegestaan om een (privé)telefoon bij je te dragen tijdens je dienst. Door het gebrek aan communicatiemiddelen nam [Naam 12] haar eigen telefoon toch mee en legde die in het badkantoor, zodat deze binnen haar bereik was bij calamiteiten.\n\nOp 29 oktober 2018 heeft [naam 7] in een e-mailbericht aan het Bijlmersportcentrum facilitair en [naam 8] laten weten dat zij van de toezichthouders heeft doorgekregen dat de portofoons niet meer naar behoren werken (‘het aan het begeven zijn’) en gevraagd of ze daar iets aan kunnen doen. Op 16 november 2018 heeft zij wederom een e-mail gestuurd over deze portofoons. Daarin benadrukt zij dat de portofoons hersteld of vervangen moeten worden, omdat de batterijen snel leeg zijn. Zij benoemt daarin ook expliciet dat de onbruikbare portofoons een onveilige situatie creëren. In december 2018 is het verzoek van [naam 7] om herstel of vervanging van de portofoons nog steeds niet opgepakt. Dat volgt uit haar e-mail van 3 december 2018, met daarin de vraag of er nieuwe portofoons zijn besteld.\n\nNaar het oordeel van het hof is het ervoor zorgen dat de mensen op de werkvloer kunnen beschikken over goed werkende communicatiemiddelen, zoals hiervoor overwogen, wezenlijk voor de veiligheid van de badgasten en daarmee deel van de op de verdachte rustende zorgplicht. Bij afwezigheid van een alternatieve voorziening die dit mankement zou kunnen opheffen, constateert het hof dat de op de verdachte rustende zorgplicht in zoverre is geschonden. Of hier al dan niet een verband valt te constateren met het komen te overlijden van [slachtoffer] , is een vraag die hierna bij de causaliteit aan de orde komt.\n\nII. Lamellen\n\nHet hof oordeelt dat de aanwezigheid van (functionerende) lamellen of een alternatief daarvoor op zichzelf van belang kan zijn voor de waarborging van de veiligheid van de zwemgasten, omdat deze mede bepalend kunnen zijn voor de zichtbaarheid van de badgasten in het water voor de toezichthouders.\n\nOp basis van wat ter terechtzitting in hoger beroep is besproken acht het hof bewezen dat het systeem van de lamellen, dat als zonwering was gemonteerd in de ruimte tussen het dubbele glas, bij de grote raampartijen van het 25-meterbad, (deels) al geruime tijd defect was.\n\nToezichthouder [Naam 13] heeft verklaard dat het goed is om toezicht te houden vanaf de raamzijde, omdat vanaf dat punt de bodem beter zichtbaar is, ondanks de schittering van zonlicht. Het hof maakt uit onder meer de verklaringen van [Naam 5] op dat op 25 november 2018 de zon in ieder geval op momenten scheen. [Naam 5] hield op de bewuste dag toezicht bij het 25-meterbad, was dus aldaar ter plekke en kon constateren hoe het weer toen en daar was. Die concrete omstandigheden worden onvoldoende weerlegd door de weerrapporten van die dag waarnaar de verdachte verwijst en waaruit zou moeten volgen dat er op die dag in het geheel geen zon heeft geschenen of geen sprake is geweest van zonuren. Verbalisant Haagstam heeft geconstateerd dat reflecterend (zon)licht het zicht op de bodem van het zwembad kan verminderen.\n\nHet hof is, ondanks deze omstandigheden, van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid is vast te stellen dat de defecte lamellen en (de daardoor veroorzaakte) schittering van het licht in bepalende mate van invloed zijn geweest op het zicht van de toezichthouders in het 25-meterbad. Zij hebben immers niet verklaard dat zij door deze omstandigheden [slachtoffer] niet hebben gezien of hebben kunnen zien op of richting de bodem van het bad. Naar het oordeel van het hof rustte op de verdachte dan ook geen verplichting om zorg te dragen voor reparatie van dit lamellensysteem of voor het laten aanbrengen van een alternatief daarvoor, althans niet in het kader van deze strafzaak, nog los van de vraag naar de verantwoordelijkheid van de gemeente hierin. De verdachte moet dus van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\nIII. Drijflijn\n\nEen drijflijn in de breedte van het zwembad vormt, naar het oordeel van het hof, een optische barrière voor de zwemmer ter markering van (in dit geval) de overgang van een ondieper naar een dieper gedeelte van het bassin, en draagt in dat opzicht mede bij aan de veiligheid van de zwemmer. Ook dit onderdeel is dus van belang bij de zorgplicht van de verdachte.\n\nDe raadsvrouw heeft zich specifiek ten aanzien van de verplichting van een drijflijn in de breedte op het standpunt gesteld dat (het destijds geldende) artikel 20, tweede lid, Bhvbz niet van toepassing is, omdat deze bepaling volgens haar ziet op situaties waarin zwemmers kunnen uitglijden en een beweegbare bodem, en meer in het bijzonder de klep daarvan, niet als bodem in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.\n\nHet hof volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Dat doet het hof overigens op basis van de regelgeving zoals die ten tijde van de tenlastelegging gold.\n\nArtikel 20 Bhvbz was geplaatst onder paragraaf 6 van het besluit met als titel ‘Diepte van het zwem- en badwater, aanduiding daarvan, technische voorzieningen’.Daaruit blijkt dat deze bepaling betrekking had op diepteverschillen in het bassin en de daarmee samenhangende veiligheidsrisico’s. De in het tweede lid voorgeschreven drijflijn dient om zwemmers te waarschuwen voor de overgang van een ondiep naar een dieper gedeelte van het bad. In artikel 20, tweede lid, Bhvbz is de verplichting neergelegd om, in het geval dat de bodem een steilere helling heeft dan 0.06 meter per strekkende meter, bij waterdieptes tussen 1.10 meter en 1.40 meter op een afstand van 0.50 meter voor het begin van een beweegbare bodem een drijflijn te leggen.\n\nZoals eerder in dit arrest is vastgesteld, is in een deel van het 25-meterbad de waterdiepte verstelbaar door middel van een beweegbare bodem. De beweegbare bodem was op 25 november 2018\n\nin ieder geval volgens de metingen van [Naam 14] , toezichthoudend ambtenaar bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, afgesteld op een waterdiepte van 1.40 meter (en bedroeg feitelijk: 1.37 meter). [Naam 14] heeft vastgesteld dat de helling van de bodem, bij de overgang van het beweegbare deel van de bodem van het zwembad naar het niet beweegbare, diepere deel, steiler was dan 0.06 meter per strekkende meter.\n\nHet hof stelt op grond van het voorgaande vast dat ten tijde van het incident op de verdachte de verplichting rustte om een drijflijn in de breedte te laten hangen. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen reden om een beweegbare bodem of de klep daarvan niet als onderdeel van een bodem aan te merken en dat buiten het bereik van artikel 20, tweede lid, Bhvbz te laten vallen. Daarbij merkt het hof op dat als over een beweegbare bodem kan worden gelopen, daarover ook kan worden uitgegleden. Ook om die reden volgt het hof het onderscheid dat de raadsvrouw maakt tussen een vaste en een beweegbare bodem niet.\n\nDiepteaanduidingen en pylonnen waren ter markering van de diepte – en dus als alternatief – aanwezig. Die konden in beginsel een voldoende alternatief vormen voor een drijflijn. Daarmee heeft de verdachte op zichzelf op dit punt in voldoende mate voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, zodat zij ook van dit deel van dit deelverwijt zal worden vrijgesproken. Wel brengt het ontbreken van een drijflijn in de breedte mee dat van de toezichthouders een verhoogde mate van oplettendheid mag worden verwacht. Een drijflijn vormt immers een duidelijke optische barrière tussen het ondiepe en het diepe gedeelte van het bad. Bij het ontbreken daarvan neemt het belang van adequaat toezicht toe. In zoverre is dit ontbreken van de drijflijn in de breedte bij de beoordeling van deze zaak dus van belang en om die reden ook benoemd bij de vraag naar voldoende toezicht.\n\n4.4.5. De causaliteitsvraag\n\nWil tot een bewezenverklaring van dood door schuld gekomen kunnen worden, dan moet er een zodanig verband bestaan tussen het schenden van de (hiervoor bewezenverklaarde varianten van de op de verdachte rustende) zorgplicht en het overlijden van [slachtoffer] dat dit gevolg redelijkerwijs aan dit verwijtbare handelen en nalaten van de verdachte kan worden toegerekend. Daarnaast moet het gevolg redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest voor de verdachte op het moment dat zij haar zorgplicht schond. Naar het oordeel van het hof kan de verdrinking van [slachtoffer] aan de zorgplichtschending op de hiervoor gesignaleerde onderdelen de verdachte worden toegerekend en was dit ook een voor de verdachte voorzienbaar gevolg.\n\nHet hof neemt hierbij de vastgestelde feiten en omstandigheden en met name het volgende in aanmerking. [slachtoffer] kwam in het zwembad met een brief voor deelname aan zwemlessen in het kader van het vluchtelingenprogramma. De receptiemedewerker, die onvoldoende door de verdachte was ingelicht over de risico’s van de kwetsbare groepen die dit zwembad bezoeken en ook onvoldoende op de hoogte was van haar ‘eerste filter’ functie, heeft hem toegelaten zonder dat (verder) speciale aandacht aan hem werd besteed of speciale aandacht voor hem werd gevraagd bij de aanwezige toezichthouders. [slachtoffer] is vervolgens onopgemerkt door de toezichthouders het 25-meterbad ingegaan, aan de ondiepe kant.\n\nHet was een drukke zondag en in het 25-meterbad ontbrak de vereiste drijflijn tussen diep en ondiep en dat brengt, zoals hiervoor geconstateerd, een verzwaarde plicht tot toezicht en alertheid met zich. [slachtoffer] kon niet of onvoldoende zwemmen – hij had een brief bij zich voor zijn eerste zwemles als vluchteling – en de in het zwembad aanwezige toezichthouders hadden geen bijzondere aandacht voor hem of anderszins instructies hoe om te gaan met deze doelgroep van het zwembad. Volgens bepaling 7.1.2 van het Toezichtplan had [slachtoffer] zonder zwemdiploma niet in het 25-meterbad mogen zijn, dat op zijn diepste punt 3.50 m diep was. Het toezicht bij dat bad was in de omstandigheden van die dag (kwantitatief en kwalitatief) ontoereikend. Het is dan ook duidelijk dat [slachtoffer] onder deze omstandigheden in een zeer risicovolle situatie terecht is gekomen.\n\nHet door de (op meerdere punten) geschonden zorgplicht ingetreden gevolg, te weten de dood van [slachtoffer] , kan redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend, omdat zij juist op cruciale punten van wat vanuit haar bijzondere zorgplicht van haar kon en mocht worden gevergd tekort is geschoten.\n\nConcluderend is het hof van oordeel dat [slachtoffer] is overleden door verdrinking als gevolg van de optelsom van zorgplichtschendingen die direct verband houden met de veiligheid van met name volwassen gebruikers van dit specifieke zwembadencomplex. Als zodanig was dit gevolg ook voor de verdachte voorzienbaar. Als de maatregelen rondom de veiligheid in orde waren geweest, was [slachtoffer] tijdig gesignaleerd als onvoldoende zwemvaardig en had hij op zijn minst een kans gehad op (over)leven.\n\n4.4.6. De mate van schuld\n\nVoor het aannemen van schuld in de zin van artikel 307 Sr (culpa) geldt het juridisch kader dat onder 4.4.1 in dit arrest is opgenomen. De verdachte kon anders handelen en had dat ook moeten doen. De maatstaf waartegen dat wordt beoordeeld, wordt ook bepaald door de bijzondere verantwoordelijkheid die op de verdachte rust als professionele zwembadexploitant, zoals onder 4.4.3 in dit arrest verder is toegelicht.\n\nTen aanzien van de mate van schuld overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende.\n\nHet hof oordeelt dat de hiervoor onder overweging 4.4.4 vastgestelde tekortkomingen, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot aanmerkelijke verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte. Daarbij gaat het niet om een enkele vergissing of een incidentele tekortkoming, maar om een samenstel van tekortkomingen op meerdere voor de veiligheid essentiële onderdelen van de bedrijfsvoering, ook gedurende langere tijd. Als gevolg daarvan is gevaar ontstaan voor de veiligheid van bezoekers van het zwembad en lag een (fatale) verdrinking op de loer. Gelet op het veiligheidsbelang bij de verschillende deelverwijten was dat gevaar voor de verdachte ook voorzienbaar.\n\nGelet op de aard, de duur en de samenhang van de vastgestelde tekortkomingen kwalificeert het hof dit langdurige handelen en nalaten als aanmerkelijk verwijtbaar. Het hof vindt dan ook bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 307 Sr.\n\n4.4.7. De toerekening aan de verdachte\n\nDe vastgestelde nalatigheden kunnen aan de verdachte als rechtspersoon worden toegerekend. Deze nalatigheden vonden plaats binnen de normale bedrijfsvoering van de verdachte en waren dienstig aan het door de verdachte uitgeoefende bedrijf. Deze hadden betrekking op de organisatie, het toezicht en het (veiligheids)beleid binnen het zwembad. Voor zover het gaat om het (niet) handelen of nalaten van een of meer personen geldt dat deze personen voor de verdachte werkzaam waren, in dienstbetrekking of uit anderen hoofde. Het gaat om onderwerpen die tot de verantwoordelijkheid van de verdachte behoren. De verdachte had kunnen en moeten toezien op de wijze waarop op lokaal niveau (geen) uitvoering werd gegeven aan bepaalde regelsl en afspraken. De verdachte had erop moeten toezien, en kon hierover ook beschikken, dat op lokaal niveau alle veiligheidsmaatregelen waren geïmplementeerd en dat daar werd gewerkt conform die regels. De verdachte is gedurende langere tijd tekortgeschoten op meerdere punten, waardoor dit incident heeft kunnen gebeuren en heeft niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van die gedragingen of nalatigheden.\n\n4.5. Vrijspraak van medeplegen\n\nNiet is gebleken dat de verdachte heeft samengewerkt met een ander. Daarom wordt de verdachte\n\nvrijgesproken van medeplegen.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [verdachte] B.V. in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, aanmerkelijk nalatig heeft gehandeld, immers heeft zij, verdachte, in de hiervoor genoemde periode:\n\nonvoldoende zorggedragen dat (de inhoud van) het Toezichtplan bekend was bij het personeel en\n\nop 25 november 2018onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerde en\u002Fof gediplomeerde toezichthouders in het zwembad, en\n\nonvoldoende ervoor zorggedragen dat de in dat zwembad aanwezige toezichthouders en receptioniste voldoende waren geïnformeerd en\u002Fof geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en\u002Fof over extra alertheid rondom het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof de kwetsbaarheid van deze deelnemers, en\n\nonvoldoende ervoor zorggedragen dat het Toezichtplan aangepast werd met betrekking tot het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof\n\nop 25 november 2018onvoldoende zorggedragen voor voldoende werkende portofoons en\u002Fof\n\nop 25 november 2018onvoldoende ervoor zorggedragen dat er een alternatieve werkwijze is gekomen ter vervanging van de niet en\u002Fof gebrekkig en\u002Fof onvoldoende werkende portofoons,\n\nwaardoor het aan de schuld van haar, verdachte, te wijten is geweest dat [slachtoffer] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk (te weten op 26 november 2018) is overleden.\n\nWat meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\n6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.\n\n7. Strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.\n\n8. Oplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 30.000,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, waarvan € 25.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nOp 26 november 2018 is [slachtoffer] overleden als gevolg van verdrinking die een dag eerder plaatsvond in het zwembad van de verdachte. Zijn overlijden heeft onherstelbaar en onomkeerbaar leed veroorzaakt en diepe sporen nagelaten in het leven van zijn vrouw en twee jonge kinderen. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring blijkt hoe groot het verdriet en gemis van de nabestaanden nog altijd is.\n\n [slachtoffer] ging die dag naar het zwembad om te leren zwemmen. Juist voor bezoekers zoals hij, die naar het zwembad gaan voor lessen of om te oefenen, rustte op de verdachte een bijzondere verantwoordelijkheid. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd op meerdere essentiële punten is tekortgeschoten in de zorgplicht die van een professionele zwembadexploitant ook voor volwassenen die niet zwemvaardig zijn, mag worden verwacht. Daardoor heeft de verdachte onvoldoende gewaarborgd dat deze bezoekers veilig gebruik konden maken van het zwembad. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij, ondanks haar bekendheid met deze kwetsbare doelgroep, onvoldoende heeft gezorgd voor passende organisatie, toezicht en alertheid, terwijl juist die maatregelen bedoeld zijn om verdrinkingsgevaar te voorkomen.\n\nHet hof heeft daarbij oog voor het feit dat de verdachte dit gevolg niet heeft gewild. Uit de verklaringen van verschillende (oud-)medewerkers blijkt dat ook zij diep zijn geraakt door het incident en dat het overlijden van [slachtoffer] , jaren later, nog altijd impact op hen heeft. Juist daarom had van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep meer inzicht mogen worden verwacht in de gevolgen die het incident niet alleen voor de nabestaanden, maar ook voor de eigen\n\n(oud-)medewerkers tot op de dag van vandaag heeft gehad. Het meer tonen van verantwoordelijkheid en begrip voor die gevolgen had de vertegenwoordiger van de verdachte gesierd. Oog hebben voor verdachtes eigen aandeel jegens de mensen op de werkvloer is iets dat het hof onvoldoende heeft teruggezien in deze zaak.\n\nBij het bepalen van de straf houdt het hof er verder rekening mee dat de verdachte een rechtspersoon is, zodat een gevangenisstraf of taakstraf niet tot de mogelijkheden behoort. Het hof zal een geldboete opleggen. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding een deel van die op te leggen geldboete voorwaardelijk op te leggen. Het hof ziet ook geen aanleiding om – wat kan in het geval dat de verdachte een rechtspersoon is – een geldboete uit een naast hogere categorie op te leggen. Daarbij betrekt het hof dat inmiddels een vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen de verdachte en de nabestaanden en dat sinds het incident geruime tijd is verstreken. Het hof houdt dus het destijds geldende strafmaximum van € 20.700,00 voor ogen.\n\nDe verdachte heeft tot slot ook verdere maatregelen getroffen om het risico op soortgelijke voorvallen te beperken. In dit laatste is ook een reden gelegen dat het hof geen aanleiding ziet voor het opleggen van een deels voorwaardelijke geldboete.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.\n\n9. Vorderingen benadeelde partijen\n\nDe advocaat van de benadeelde partijen heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vorderingen van de benadeelde partijen, die aanvankelijk in hoger beroep waren gehandhaafd – gelet op de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst – worden ingetrokken. Het hof zal daarom geen beslissing meer nemen op die vorderingen.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 307 Sr.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 20.000,00 (twintigduizend euro).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. J.L. Bruinsma en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van\n\nmr. Z. Hoshmand en E.D. Sabajo, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nGriffier E.D. Sabajo is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\nBijlage 1: de tenlastelegging\n\n [verdachte] B.V. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 25 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof nalatig heeft gehandeld door geen, althans onvoldoende, toezicht te houden op het (veilig gebruik maken van het) zwembad en\u002Fof de daar werkzame medewerkers en\u002Fof de aan haar, verdachtes zorg en\u002Fof toezicht toevertrouwde [slachtoffer] , immers heeft\u002Fhebben, zij verdachte en\u002Fof haar mededader(s) in de hiervoor genoemde periode:\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen dat (de inhoud van) het toezichtplan bekend en\u002Fof ondertekend was door het personeel, in elk geval hier geen zicht op heeft gehad, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor de aanwezigheid van voldoende gekwalificeerd(e) en\u002Fof gediplomeerd(e) toezichthouders\u002Fpersoneel in het zwembad, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat de\u002Fhet in dat zwembad aanwezige toezichthouders en\u002Fof personeel en\u002Fof receptioniste voldoende was geïnformeerd en\u002Fof geïnstrueerd over volwassenen die onvoldoende zwemvaardig zijn en\u002Fof over extra alertheid rondom het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof de kwetsbaarheid van deze deelnemers, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat het toezichtplan aangepast werd met betrekking tot volwassenen die niet kunnen zwemmen vanaf het moment dat het plan van het vluchtelingenprogramma aangenomen was tot en met de start van het vluchtelingenprogramma, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat er (in elk geval gedurende het vluchtelingenprogramma) een vertaling van de huisregels in een andere taal dan het Nederlandse, aanwezig was, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende zorggedragen voor voldoende werkende portofoons, en\u002Fof lamellen en\u002Fof de verplichte drijflijn, en\u002Fof\n\n- niet, althans onvoldoende ervoor zorggedragen dat er een alternatieve werkwijze is gekomen ter vervanging van de niet en\u002Fof gebrekkig en\u002Fof onvoldoende werkende portofoons, en\u002Fof voor de defecte lamellen en\u002Fof voor het ontbreken van de verplichte drijflijn,\n\nwaardoor, althans mede waardoor, het aan de schuld van haar, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s) te wijten is geweest dat [slachtoffer] toen en aldaar is verdronken en uiteindelijk is overleden.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1762","2026-07-13T00:29:24.293Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":173,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":175,"parsedAt":64,"updatedAt":176},"564","ECLI:NL:RBAMS:2026:6790","ecli-nl-rbams-2026-6790","2026-07-01T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F056191-24\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. T. van Wanrooij) en van wat verdachte en zijn raadsman (mr. D. Fontein) naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de verzoeken tot schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]), beiden bijgestaan door mr. C.A. Bouw, en het verzoek tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3]), bijgestaan door mr. M.M. de Boer. De genoemde benadeelde partijen, de vader van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de moeder van [benadeelde partij 3] hebben daarnaast gebruikgemaakt van het spreekrecht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 1], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2014 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, plegen van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2015 tot en met 9 september 2017 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen met [benadeelde partij 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen;\n\nhet op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 2 augustus 2018 in Amsterdam en\u002Fof Amstelveen en\u002Fof Zandvoort met [benadeelde partij 3], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, plegen van ontuchtige handelingen.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nDe verklaringen van de drie aangeefsters zijn betrouwbaar. Van zogeheten storytellingtussen de aangeefsters en andere betrokkenen onderling is geen sprake.\n\nBij feit 1 kan voor wat betreft de leeftijd van [benadeelde partij 1] bij aanvang van de seksuele handelingen uitgegaan worden van haar verklaring dat deze zijn begonnen op haar elfde. [benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over haar leeftijd ten tijde van de start van de seksuele handelingen. Verdachte heeft wisselend verklaard over het startmoment, terwijl zijn verklaring over hoe en onder welke omstandigheden de eerste seksuele handeling (het met de hand in de broek gaan) plaatsvond, wel aansluit bij de verklaring van [benadeelde partij 1]. Het aankoopbewijs van de AirPods waarover [benadeelde partij 1] heeft verklaard, vormt bovendien een bevestiging van haar verklaring. Verdachte heeft alle ten laste gelegde ontuchtige handelingen bekend waar het [benadeelde partij 1] betreft, waaronder ook het binnendringen. Dit alles maakt dat zowel feit 1 als 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 3 kan steunbewijs worden gevonden voor de verklaring van [benadeelde partij 2] in haar dagboek en de door haar geschreven notitie en in de seksueel getinte berichten die verdachte naar haar heeft gestuurd. Ook de verklaring van [benadeelde partij 1] over hetgeen zij van [benadeelde partij 2] heeft gehoord ondersteunt de verklaring van [benadeelde partij 2]. Dit alles maakt dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 4 kan steunbewijs worden gevonden in de herkenning van verdachte van het moment van de door [benadeelde partij 2] beschreven situaties. Over het aanraken van de billen van [benadeelde partij 2] tijdens het spelen van verstoppertje, hetgeen [benadeelde partij 2] direct tegen haar ouders heeft gezegd, is daarnaast contact geweest met de vader van verdachte. Verdachte heeft bevestigd dat dit contact heeft plaatsgevonden. Ook dit alles dient als steunbewijs. Het voorgaande maakt dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\nVoor wat betreft feit 5 kan steunbewijs worden gevonden in de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] het incident op het toilet direct tegen haar moeder heeft verteld. Over dit incident is vervolgens contact geweest met verdachte. Verdachte heeft de situatie bovendien herkend en heeft zijn aanwezigheid bij [benadeelde partij 3] op het toilet bevestigd. Voor het incident in de zee kan steunbewijs gevonden worden in de foto die in het dossier aanwezig is. Ook de omstandigheid dat [benadeelde partij 3] zichzelf op latere leeftijd beschadigd heeft (de gedragsverandering) en de door haar moeder en een vriendin van [benadeelde partij 3] bij haar waargenomen emotie bieden ondersteuning voor de verklaring van [benadeelde partij 3]. Dit alles maakt dat ook feit 5 wettig en overtuigend bewezen kan worden.\n\n3.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft een aantal vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Hun verklaringen bevatten tegenstrijdigheden, onzekerheden en aanwijzingen van onderlinge beïnvloeding. Ook bij de verklaring van [benadeelde partij 3] heeft de raadsman vraagtekens geplaatst. Haar verklaringen bevatten de nodige inconsistenties waar het gaat om de bewijsvraag.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde feit. Verdachte heeft de ten laste gelegde seksuele handelingen bekend. Hij stelt echter dat het eerste seksuele contact heeft plaatsgevonden toen [benadeelde partij 1] al twaalf jaar oud was, namelijk in januari 2020. [benadeelde partij 1] zelf heeft op dit punt niet consistent verklaard. Er is bovendien geen objectief of onafhankelijk steunbewijs dat het eerste seksuele contact in het elfde levensjaar van [benadeelde partij 1] plaatst. Het aankoopbewijs van de AirPods plaatst het eerste seksuele contact na de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1] en biedt daarmee ondersteuning voor de verklaring van verdachte op dit punt.\n\nVolgens de raadsman is feit 2 wettig en overtuigend te bewijzen, maar dient de pleegperiode aan te vangen in januari 2020.\n\nDe raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit voor het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde. Het dossier bevat namelijk geen bewijs dat de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] daadwerkelijk ondersteunt. Het bewijsminimum is daarmee niet gehaald.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. Feiten 1 en 2 ([benadeelde partij 1]): veroordeling\n\nDe rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.\n\nDe verklaring van aangeefster\n\n [benadeelde partij 1] heeft op 15 februari 2024 aangifte gedaan van jarenlang seksueel misbruik door verdachte, haar achterneef. Het misbruik heeft plaatsgevonden tijdens samenkomsten en gezamenlijke vakanties van verschillende gezinnen die deel uitmaakten van dezelfde familie\u002Fvriendengroep. De vader van verdachte is een neef van de vader van [benadeelde partij 1]. Tussen [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007) en verdachte bestaat een leeftijdsverschil van bijna zes jaar.\n\nIn haar aangifte verklaart [benadeelde partij 1] – samengevat – het volgende. Het misbruik is begonnen toen zij elf jaar oud was. [benadeelde partij 1] zat samen met haar zusje ([benadeelde partij 2]) en verdachte op zijn kamer (de rechtbank begrijpt: op het adres van verdachte in [woonplaats 1]). Dit was tijdens een barbecue in de zomer. Op een gegeven moment ging verdachte met zijn hand in de broek van [benadeelde partij 1] en ging hij met een vinger in haar vagina. [benadeelde partij 1] kan zich herinneren dat verdachte scherpe nagels had en dat het pijn deed. Dit vingeren door verdachte heeft in de periode daarna op meerdere momenten plaatsgevonden.Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] opnieuw verklaard dat verdachte meerdere keren met zijn vinger in haar vagina ging.Toen [benadeelde partij 1] (bijna) twaalf jaar oud was, was ze met haar gezin en het gezin van verdachte op vakantie in Zeeland. Dit was in de winter. [benadeelde partij 1] had op dat moment nieuwe AirPods. Verdachte heeft geholpen met het installeren daarvan. Hij begon haar op dat moment opnieuw te vingeren. Ook pakte hij de hand van [benadeelde partij 1] en deed deze in zijn broek, waarna ze hem met haar hand moest aftrekken. Later die avond\u002Fdie nacht is [benadeelde partij 1] op verzoek van verdachte naar zijn kamer gegaan. Daar heeft [benadeelde partij 1] verdachte moeten pijpen. Vervolgens heeft verdachte [benadeelde partij 1] gebeft. Daarna zei verdachte tegen [benadeelde partij 1] dat ze op hem moest komen zitten. Verdachte is uiteindelijk tot de helft met zijn penis in [benadeelde partij 1] geweest. Dit deed heel veel pijn.In de periode daarna heeft [benadeelde partij 1] verdachte vaker moeten pijpen en heeft verdachte [benadeelde partij 1] verscheidene keren gevingerd en gebeft. Verdachte wreef ook met zijn stijve penis langs de vagina van [benadeelde partij 1]. Vanaf een gegeven moment was er ook vaak sprake van seks, waarbij verdachte met zijn penis in de vagina van [benadeelde partij 1] ging en klaarkwam. Al met al denkt [benadeelde partij 1] dat het ongeveer vijftien keer tot seks is gekomen.Tijdens het pijpen kwam verdachte klaar in de mond van [benadeelde partij 1] en moest ze zijn sperma doorslikken.Het is ook voorgekomen dat verdachte de borsten van [benadeelde partij 1] pakte en zijn penis ertussen deed, waarna hij met zijn penis heen en weer bewoog.De seks heeft voornamelijk plaatsgevonden op de slaapkamer van verdachte, maar ook een keer op de slaapkamer van [benadeelde partij 1](de rechtbank begrijpt: op haar adres in [woonplaats 2])en in Zeeland.De laatste keer dat er daadwerkelijk seksueel contact heeft plaatsgevonden was vóór de zomervakantie van 2023.Verdachte heeft na die tijd nog wel meermalen aan [benadeelde partij 1] gevraagd of ze nog een keer seks met hem wilde hebben.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [benadeelde partij 1] betrouwbaar is. Ze heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd en consistent verklaard.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft al de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde seksuele handelingen met [benadeelde partij 1] bekend: het brengen van zijn vingers tussen haar schaamlippen, het likken van haar vagina, het beffen, het brengen van zijn penis in haar mond, het zich door haar laten pijpen en het haar zijn sperma door laten slikken, het pakken van haar hand en arm en het zich door haar laten aftrekken, het zichzelf en zijn penis door haar laten betasten, het duwen van zijn penis tussen haar schaamlippen, het met zijn penis over haar vagina wrijven, het betasten van haar borsten en het met zijn penis heen en weer bewegen tussen haar borsten.\n\nPlaatsing in de tijd\n\nVerdachte heeft alle seksuele handelingen bekend, maar plaatst de eerste keer dat seksueel contact heeft plaatsgevonden (de keer waar ook [benadeelde partij 1] over heeft verklaard, het aanraken van haar vagina op zijn kamer) in januari 2020. Dat zou betekenen dat [benadeelde partij 1] op dat moment al twaalf jaar oud was en dat vrijspraak moet volgen voor het onder 1 ten laste gelegde, zoals de raadsman heeft bepleit. De rechtbank gaat echter uit van de verklaring van [benadeelde partij 1] dat ze ten tijde van het eerste seksuele contact elf jaar oud was. De rechtbank komt tot deze vaststelling op grond van het navolgende.\n\n [benadeelde partij 1] heeft consistent verklaard over het eerste moment dat verdachte verder ging dan vingeren. Ze heeft steeds verklaard dat dat moment tijdens een vakantie in de winter in Zeeland was en dat ze op dat moment nieuwe AirPods had gekregen.Verdachte had haar geholpen met de installatie daarvan. Dit moment in Zeeland was rond de twaalfde verjaardag van [benadeelde partij 1].Het moment van de aanschaf van de AirPods vindt verankering in het dossier. Deze AirPods zijn gekocht in Middelburg op 27 december 2019.Voorafgaand aan dat moment, waarbij verdachte met zijn penis vaginaal is binnengedrongen, is er meerdere keren sprake geweest van vingeren. Volgens [benadeelde partij 1] is dat al begonnen in de zomer voorafgaand aan de vakantie in Zeeland (in december 2019). Ook verdachte heeft verklaard dat sprake is geweest van een opbouw in de seksuele contacten voorafgaand aan die keer in Zeeland, en ook hij heeft verklaard dat het seksuele contact begonnen is met vingeren.Hij heeft echter verklaard dat de verdergaande handelingen (waaronder het met de penis vaginaal binnendringen) hebben plaatsgevonden in de zomer van 2020. Dit was volgens hem tijdens de tweede gezamenlijke vakantie in Zeeland. De rechtbank volgt echter – gelet op het voorgaande – de (betrouwbaar geachte) verklaring van [benadeelde partij 1] en plaatst de seksuele handelingen, waaronder het met de penis vaginaal binnendringen, in december 2019 gelet op de gedetailleerde en onderbouwde verklaring van [benadeelde partij 1] mede over het door verdachte installeren van de AirPods. Ook de verklaring van verdachte is in zoverre ondersteunend dat hij heeft verklaard dat deze handelingen in Zeeland hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat [benadeelde partij 1] in december 2019 twaalf jaar oud is geworden en dat zowel [benadeelde partij 1] als verdachte hebben verklaard dat voorafgaand aan het met de penis vaginaal binnendringen, diverse keren sprake is geweest van ontucht die bestond uit vingeren. Deze handelingen (het vingeren) hebben dus plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan het verblijf in Zeeland in december 2019. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [benadeelde partij 1] op dat moment nog geen twaalf jaar oud was. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom het onder 1 ten laste gelegde (seksueel binnendringen terwijl [benadeelde partij 1] jonger is dan twaalf jaar), en het onder 2 ten laste gelegde (ontucht terwijl [benadeelde partij 1] tussen de twaalf en zestien jaar oud is) worden bewezen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht de onder 1 en 2 aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\n3.3.2. Feiten 3 en 4 ([benadeelde partij 2]): vrijspraak\n\nDe verklaring van aangeefster\n\nOok de zus van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door verdachte en heeft verklaard over een aantal incidenten. [benadeelde partij 2] heeft allereerst verklaard over een incident dat zich zou hebben voorgedaan toen ze op de kamer van verdachte was terwijl hij FIFA aan het spelen was. Hij zou haar billen hebben aangeraakt en zou met zijn vingers in haar vagina zijn gegaan. [benadeelde partij 2] noemt ook nog een keer waarbij verdachte haar aangeraakt zou hebben tijdens het kijken van een film samen met haar zus [benadeelde partij 1]. Van haar ouders heeft [benadeelde partij 2] gehoord dat verdachte ook een keer haar billen aangeraakt zou hebben tijdens het spelen van verstoppertje en dat hij toen gezegd zou hebben dat ze ‘lekkere billen’ had. [benadeelde partij 2] zou ten tijde van dit incident ongeveer vijf jaar oud geweest zijn. [benadeelde partij 2] zelf kan zich dit voorval niet herinneren, maar zou dit destijds aan haar opa en haar ouders hebben verteld. Haar ouders hebben dit later weer aan [benadeelde partij 2] verteld.\n\n [benadeelde partij 2] heeft ook verklaard dat verdachte gedurende een langere periode (vanaf ongeveer haar zevende tot haar dertiende) seksueel getint chatverkeer met haar onderhield. In de in het dossier aanwezige screenshots van deze chats is onder andere te zien dat verdachte aan [benadeelde partij 2] vraagt of ze zichzelf al eens aangeraakt heeft.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nZonder afbreuk te willen doen aan de ervaringen van [benadeelde partij 2], overweegt de rechtbank dat zij de betrouwbaarheid van hetgeen [benadeelde partij 2] heeft verklaard niet voldoende kan beoordelen. De rechtbank stelt vast dat [benadeelde partij 2] onvoldoende gedetailleerd en niet geheel consistent heeft verklaard over welke seksuele handelingen verdachte bij haar zou hebben verricht en wanneer dit heeft plaatsgevonden. Er kan niet worden uitgesloten dat haar herinneringen in enige mate beïnvloed zijn door de gesprekken met [benadeelde partij 1] over haar ervaringen met verdachte, en dat zij ook is beïnvloed door de aangifte van [benadeelde partij 3]. Voor het incident tijdens het spelen van verstoppertje geldt meer in het bijzonder dat [benadeelde partij 2] zich dat incident zelf niet meer kan herinneren.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 2] heeft verklaard al dan niet gebeurd is. In zijn ogen hebben de incidenten niet plaatsgevonden.\n\nSteunbewijs\n\nDaarnaast bevat het dossier ook onvoldoende steunbewijs om te komen tot een bewezenverklaring. Hoewel naar vaste rechtspraak het steunbewijs niet specifiek betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, dient de verklaring van de aangever steun te vinden in (een) ander(e) bewijsmiddel(en), afkomstig uit een andere bron, terwijl tussen dat steunbewijs en de inhoud van de verklaring niet een te ver verwijderd verband mag bestaan, zodat die verklaring niet op zichzelf staat. Onvoldoende is in ieder geval als het steunbewijs ‘slechts’ ondersteuning biedt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever.\n\nVoor het incident waaraan [benadeelde partij 2] geen eigen herinnering meer heeft, geldt dat er enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen over dat incident zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 2]. Daar komt bij dat [benadeelde partij 2] haar opa hierover als eerst heeft geïnformeerd, maar dat haar opa zich van dit incident niets meer kan herinneren. Ook de seksueel getinte berichten tussen verdachte en [benadeelde partij 2] die zich in het dossier bevinden vormen geen concreet steunbewijs voor de incidenten waarover [benadeelde partij 2] verklaard heeft. Uit de berichten valt namelijk niet af te leiden dat er daadwerkelijk seksueel contact is geweest tussen [benadeelde partij 2] en verdachte. Voor de handgeschreven tekst in het dagboek van [benadeelde partij 2] geldt dat deze niet is gedateerd en voor een deel niet of slecht leesbaar is. Om deze reden kan dit dagboek geen voldoende steunbewijs vormen. De dagboeknotitie in de telefoon van [benadeelde partij 2] is van 25 december 2023, met andere woorden: jaren na het vermeende incident. Ook deze notitie kan daarom niet als steunbewijs dienen. Hetzelfde geldt voor de emotie die [benadeelde partij 2] getoond heeft bij het vertellen van haar verhaal, want dit vond pas jaren na het vermeende misbruik plaats, terwijl zij op dat moment al bekend was met de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3].\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat onder 3 en 4 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\nVast staat wel dat verdachte zeer ongepaste en seksueel getinte berichten naar [benadeelde partij 2] heeft gestuurd, terwijl zij zeer jong was en er sprake was van een leeftijdsverschil van meer dan acht jaar met verdachte. Deze berichten zouden aangemerkt kunnen worden als grooming, maar dat is niet aan verdachte tenlastegelegd.\n\n3.3.3. Feit 5 ([benadeelde partij 3]): vrijspraak\n\nDe verklaring van aangeefster\n\n [benadeelde partij 3], een nichtje van verdachte, heeft ook aangifte tegen hem gedaan van seksueel misbruik. Toen [benadeelde partij 3] vijf jaar oud was zou verdachte met haar naar het toilet gegaan zijn en zou hij zijn penis tegen haar billen hebben aangehouden. [benadeelde partij 3] kan zich dit incident niet herinneren, maar zou het destijds tegen haar moeder verteld hebben. Haar moeder heeft het later weer aan [benadeelde partij 3] verteld. [benadeelde partij 3] kan zelf wel een incident op het strand herinneren dat plaatsgevonden zou hebben in augustus 2018. Ze was op dat moment acht jaar oud en zou tijdens een bezoek aan het strand met verdachte in zee zijn geweest. Op een gegeven moment was het te diep voor [benadeelde partij 3] om te staan en zou verdachte haar opgetild hebben. Tijdens het optillen zou hij met zijn hand aan haar vagina gezeten hebben.\n\nDe betrouwbaarheid van de verklaring\n\nZonder op de ervaringen van [benadeelde partij 3] af te dingen, geldt voor wat betreft de betrouwbaarheid van haar verklaring deels hetzelfde als voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij 2]. Aan het incident dat zich op het toilet zou hebben afgespeeld, toen zij vijf jaar oud was, heeft [benadeelde partij 3] zelf geen herinnering. Evenmin kan getoetst worden wat [benadeelde partij 3] precies heeft verteld over wat er gebeurd zou zijn en hoe het gesprek tussen [benadeelde partij 3] en haar moeder verlopen is. De verklaring van [benadeelde partij 3] over het incident in zee daarentegen acht de rechtbank wel betrouwbaar. [benadeelde partij 3] heeft op dit punt consistent en voldoende gedetailleerd verklaard.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nOok over dit feit heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hetgeen waarover [benadeelde partij 3] heeft verklaard al dan niet is gebeurd. Volgens hem hebben de incidenten niet plaatsgevonden. Verdachte kan zich de bewuste dag op het strand wel herinneren. Hij zou toen met meerdere kinderen, waaronder [benadeelde partij 3], in zee hebben gespeeld. Zij waren daar samen met een aantal volwassenen en zij zouden de kinderen in zee hebben gegooid, waarbij hij ook [benadeelde partij 3] heeft vastgehouden.\n\nSteunbewijs\n\nHet dossier bevat ook voor het onder 5 tenlastegelegde onvoldoende steunbewijs om te kunnen komen tot een bewezenverklaring. Voor het incident waaraan [benadeelde partij 3] geen eigen herinnering heeft, geldt dat er op dat punt enkel zogeheten de auditu-verklaringen in het dossier aanwezig zijn. Alle verklaringen zijn immers van horen zeggen en daarbij afkomstig van dezelfde bron, namelijk [benadeelde partij 3]. De chatberichten die zich in het dossier bevinden en die zouden gaan over het bespreken van het incident op het toilet met de vader van verdachte zijn onvoldoende concreet om hier als steunbewijs te dienen. De foto van de stranddag en de verklaring van verdachte dat hij zich die dag kan herinneren, bevestigen dat er een gezamenlijke stranddag was, maar bieden geen steun aan de verklaring van [benadeelde partij 3] voor zover die ziet op de aan verdachte tenlastegelegde handeling. De door anderen, waaronder een vriendin van [benadeelde partij 3] ([vriendin benadeelde partij 3]), bij [benadeelde partij 3] waargenomen emoties kunnen evenmin als steunbewijs dienen, omdat deze emoties pas vele jaren na het vermeende incident (toen [benadeelde partij 3] hierover naar buiten trad) zijn waargenomen. Ook de veranderingen in het gedrag, waarbij [benadeelde partij 3] zichzelf ook heeft beschadigd, zijn ernstig en naar, maar niet zonder meer (alleen) aan de verweten gedragingen te koppelen, en daarmee onvoldoende om op zichzelf als steunbewijs te dienen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat onder 5 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 20 december 2018 tot en met 19 december 2019 te Amstelveen met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het meermalen brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1];\n\nt.a.v. feit 2:\n\nin de periode gelegen tussen 20 december 2019 tot en met 1 juli 2023 in Nederland, met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 2] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1], te weten het een of meermalen,\n\n- brengen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- likken van de vagina van die [benadeelde partij 1] en\n\n- beffen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde partij 1] en\n\n- zich laten pijpen door die [benadeelde partij 1] en\n\n- laten doorslikken van zijn sperma door die [benadeelde partij 1] en\n\n- pakken van de hand en arm van die [benadeelde partij 1] en\n\n- zich laten aftrekken en\n\n- zich laten betasten door die [benadeelde partij 1] en\n\n- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij 1] en\n\n- brengen van zijn, verdachtes, penis tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij 1] en\n\n- wrijven met zijn, verdachtes, penis over de vagina van die [benadeelde partij 1] en\n\n- betasten van de borsten van die [benadeelde partij 1] en het heen en weer bewegen met zijn, verdachtes, penis tussen de borsten van die [benadeelde partij 1].\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n7.1. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie gaat in zijn geheel uit van het volwassenenstrafrecht en het daarbij horende sanctiestelsel. Hij verzoekt de gevorderde gevangenisstraf op te leggen voor het deel van de feiten dat vanaf het 16e levensjaar van verdachte is gepleegd. De rechtbank begrijpt zijn eis met het oog op de wet daarom zo, dat er voor de door de officier van justitie bewezen geachte feiten vóór het 16e levensjaar van verdachte geen straf geëist is.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak wordt opgeheven.\n\nOok heeft de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [benadeelde partij 3] gevorderd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Voor elke overtreding daarvan verzoekt de officier van justitie zeven dagen hechtenis te verbinden, met een maximum van zes maanden.\n\n7.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft allereerst gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn en heeft verzocht om deze overschrijding te verdisconteren in de strafmaat. De raadsman heeft daarnaast gewezen op een aantal strafmatigende omstandigheden. Hij ziet geen reden voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.\n\nVoor het deel van de feiten dat gepleegd is vóór de achttiende verjaardag van verdachte heeft de raadsman verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Voor het deel van de feiten dat gepleegd is ná de achttiende verjaardag van verdachte heeft hij verzocht het adolescenten-strafrecht toe te passen.\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van de feiten laten meewegen. Verdachte heeft gedurende vijf jaar zijn jongere achternichtje, [benadeelde partij 1], vele keren vergaand seksueel misbruikt. Hij heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van haar jonge leeftijd en het grote vertrouwen dat [benadeelde partij 1] in hem had. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] daarnaast ook emotioneel belast door haar voor te houden dat de familie uit elkaar zou vallen als het misbruik uit zou komen. Door de vergaande seksuele handelingen aan [benadeelde partij 1] op te leggen heeft verdachte haar lichamelijke en seksuele integriteit geschonden. Dit heeft bij [benadeelde partij 1] aanzienlijk psychisch letsel tot gevolg. Ze heeft jarenlang met een geheim moeten rondlopen. Haar seksuele ontwikkeling is door verdachte bovendien verstoord en doorkruist. De rechtbank heeft van verdachte het beeld gekregen dat hij vooral en alleen bezig is geweest met zijn eigen seksuele behoeften. In het opzoeken van zijn eigen seksuele grenzen is hij de grens van [benadeelde partij 1] ver overgegaan. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte zich niet heeft kunnen verplaatsen in de jonge leeftijd en daarbij behorende kwetsbaarheid van zijn jongere achternichtje. Op zitting heeft de rechtbank evenmin de indruk gekregen dat hij daar inmiddels wel volledig toe in staat is. Bij dit alles komt ook dat verdachte met zijn handelen veel kapot heeft gemaakt in de onderlinge verhoudingen in zijn familie. Dit raakt alle betrokkenen. De vergaande gevolgen blijken ook uit de slachtofferverklaring van [benadeelde partij 1] op de terechtzitting. Ook in de maatschappij wordt met afkeer en verontwaardiging hierop gereageerd.\n\nDe ernst van de feiten zoals hierboven omschreven weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte zijn problematiek en fouten in enige mate erkent. Hij is op dit punt tot op zekere hoogte open en is in behandeling geweest bij De Waag. Verder heeft hij veel in zijn leven op orde: hij heeft werk, woont samen met zijn vriendin en ervaart steun van zijn ouders en vrienden. Ook weegt de rechtbank in strafmatigende zin mee dat verdachte gedurende een deel van de bewezenverklaarde periode minderjarig was.\n\nVerdachte heeft in het kader van de onderhavige zaak gesproken met een psycholoog, hetgeen geresulteerd heeft in het Pro Justitia-rapport van 16 januari 2025. Bij De Waag is verdachte gediagnosticeerd met een ‘andere gespecificeerde parafiele stoornis’ met ‘niet-exclusieve hebefiele interesse’. Dit betekent volgens De Waag dat verdachte zich aangetrokken voelt tot vrouwen van zijn leeftijd en ouder, maar dat hij ook meisjes in de puberteit seksueel aantrekkelijk vindt waarbij reeds de secundaire geslachtskenmerken rijpen. De Pro Justitia-psycholoog die over verdachte heeft gerapporteerd sluit zich niet aan bij deze diagnose. Volgens deze psycholoog vormt een hebefiele voorkeur in formele zin geen parafiele stoornis. Verdachte is jong en de hebefiele voorkeur is niet erg uitgesproken en lijkt te vallen onder de nog weinig gedifferentieerde waaier van een nog beperkt gerijpte seksuele voorkeur. Volgens de psycholoog is er bij verdachte dan ook geen sprake van een psychische stoornis. Dit brengt met zich mee dat er geen sprake kan zijn van een vermindering van de mate waarin het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend. Het herhalingsgevaar wordt door de psycholoog ingeschat als matig tot laag.\n\nDe reclassering heeft op 1 juni 2026 een rapport aangaande verdachte uitgebracht. Ook de reclassering spreekt van een matig tot laag recidiverisico. De behandeling die verdachte bij De Waag ondergaan heeft is inmiddels positief afgerond. De reclassering geeft aan geen meerwaarde te zien in het voortzetten van reclasseringsinterventies. Over de eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht heeft de reclassering als volgt gerapporteerd:\n\n“Ten tijde van het ten laste gelegde woonde betrokken thuis en leek hij ontvankelijk voor sociale en emotionele ondersteuning van ouders en anderen. Echter is geen sprake van een licht verstandelijke beperking. Betrokkene komt conform kalenderleeftijd over. Er is sprake van voldoende handelingsvaardigheden. Wij hebben de indruk dat de [verdachte] de risico's van zijn handelen goed in\n\nkan schatten, ook ten tijdens het ten laste gelegde; zo geeft hij in gesprek met ondergetekende te kennen dat hij wist dat wat hij deed, niet goed was. Daarnaast is er geen interventie en\u002Fof maatregel nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De [verdachte] staat onder toezicht van de volwassenenreclassering. Alles samenvattend adviseren wij het volwassenenstrafrecht toe te passen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aan het begin van de bewezenverklaarde periode (de periode die hoort bij feit 1) de leeftijd van zestien jaar al had bereikt. Het is om die reden mogelijk om verdachte in zijn geheel volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De rechtbank ziet, mede gelet op het hierboven aangehaalde advies van de reclassering, geen reden om dit niet te doen. Toepassing van het volwassenenstrafrecht is bij feiten die zich zowel tijdens minderjarigheid (vanaf het zestiende levensjaar) als tijdens de volwassenheid hebben afgespeeld het uitgangspunt. Gedurende een aanzienlijk deel van de bewezenverklaarde periode was verdachte meerderjarig. Ook in de manier en de wijze waarop verdachte blijkens de rapportages nu in het leven staat ziet de rechtbank geen reden om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte is dusdanig ontwikkeld dat plaatsing in een jeugdinrichting niet passend is. Verdachte heeft zelf hulp gezocht en heeft zijn behandeling afgerond. Dit alles ondersteunt de vaststelling dat hij als volwassene functioneert. Concluderend kiest de rechtbank voor toepassing van het volwassenenstrafrecht met het bijbehorende sanctiestelsel en houdt daarbij als hiervoor overwogen in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte deels minderjarig was.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt over de strafmodaliteit en de hoogte daarvan. Het doel van de aan verdachte op te leggen straf dient, gelet op het lage tot matige recidiverisico, vooral ter vergelding en in het kader van algemene preventie. Bij feiten als de onderhavige is enkel een gevangenisstraf mogelijk. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de oriëntatiepunten die gelden voor zedenzaken en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De feiten in deze zaak zijn te ernstig om een taakstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank – gelet op het advies van de reclassering – geen reden. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn met een aantal maanden is overschreden. De rechtbank zou zonder overschrijding van deze termijn een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden hebben opgelegd.\n\nAlles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden op, met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de reeds hiervoor genoemde (persoonlijke) omstandigheden van verdachte.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank ziet geen reden om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat de omstandigheden sinds de schorsing niet zijn veranderd.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:\n\neen computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);\n\neen telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).\n\nDe bovengenoemde voorwerpen zijn niet vatbaar voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring en worden om die reden aan verdachte teruggegeven.\n\n9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel\n\n9.1. Benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\n9.1.1. De vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 40.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet materiële deel van de vordering bestaat uit mogelijk toekomstige medische kosten. Deze mogelijke kosten zijn op dit moment nog niet te overzien. De benadeelde partij heeft verzocht om haar in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Het bedrag is enkel gevorderd omdat de vordering in een eventuele procedure in hoger beroep niet meer verhoogd kan worden.\n\n9.1.2. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.1.3. Standpunt van de raadsman\n\nVoor zover de vordering betrekking heeft op de schade die is voortgevloeid uit het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de raadsman, gelet op zijn verweer strekkende tot vrijspraak voor dat feit, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.\n\nDe raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde materiële schade, dan wel om dit deel van de vordering af te wijzen.\n\nOver de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht. Het bestaan van klachten en de PTSS-diagnose wordt niet betwist. De raadsman heeft verzocht het eventueel toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag dat past bij de omvang en de ernst van de bewezenverklaarde handelingen. Daarbij moet onder andere betrokken worden dat verdachte tijdens een aanzienlijk deel van de pleegperiode zelf minderjarig was.\n\n9.1.4. Oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij, conform haar eigen verzoek, niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot schadevergoeding voor zover dat ziet op de gevorderde materiële schade van € 1.000,-.\n\nVast staat daarnaast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit en de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Dat er bij de benadeelde partij sprake is van PTSS blijkt genoegzaam uit de aangeleverde stukken van de psycholoog en is bovendien niet betwist.\n\nDe rechtbank zoekt, net als de benadeelde partij, aansluiting bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank gaat echter uit van andere categorieën. Bij hoofdstuk 14, paragraaf 2 (PTSS) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie c) (middelzwaar). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. Bij hoofdstuk 15, paragraaf 2 (ontucht met binnendringen) zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie a) (meest ernstig). Bij die categorie hoort een bandbreedte van € 12.500,- tot € 32.000,-. Bij de verschillende bandbreedtes is het niet zo dat bedragen bij elkaar opgeteld worden. De verschillende categorieën moeten in samenhang bekeken worden. In het kader van de opgelopen PTSS (door de ontuchtige handelingen) bepaalt de rechtbank de immateriële schade op € 15.000,-. In het kader van de bedragen die bij ontucht horen bepaalt de rechtbank de (aanvullende) immateriële schade op € 5.000,-. De benadeelde partij heeft verzocht om het toe te kennen bedrag twee keer met 25% te verhogen, enerzijds omdat het gaat om een slachtoffer tot en met 14 jaar en anderzijds omdat het een uiterst verwijtbare gedraging betreft. De rechtbank merkt echter op dat deze omstandigheden al zijn verdisconteerd in de in de Rotterdamse Schaal genoemde categorieën. Zo ziet hoofdstuk 14, paragraaf 2 al op PTSS als gevolg van onder andere seksueel misbruik (per definitie een opzetdelict). Hoofdstuk 15, paragraaf 2 ziet daarnaast reeds op ontucht met binnendringen bij benadeelden tot 16 jaar oud.\n\nHet bovenstaande maakt dat de rechtbank de totale immateriële schade waardeert op € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Bij de bepaling van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van de datum die zich in het midden van de bewezenverklaarde periode bevindt.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\n9.2. Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van materiële schade en € 12.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 22.650,- aan vergoeding van materiële schade en € 33.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft ook verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nOmdat verdachte zal worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten die betrekking hebben op benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], zal de rechtbank deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De benadeelde partijen en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;\n\nfeit 2:\n\nmet iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nHeft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nGelast de teruggave aan verdachte, [verdachte], van:\n\neen computer (een HP RTL8821CE-notebook met serienummer [serienummer]) (goednummer PL1300-2024035768-6462760);\n\neen telefoon (een rode Apple iPhone) (goednummer PL1300-2024035768-6462767).\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 20.000 (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat\n\n€ 20.000 (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2021 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]:\n\nVerklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nTen aanzien van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]:\n\nVerklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. A.M. Grüschke, voorzitter,\n\nmrs. Ch.A. van Dijk en A.Ş. Doğan, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en M. Khalil, griffiers,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.\n\n […]\n\n Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 060 onder ‘Aangever’.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, vierde antwoord.\n\n Proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 2 onderaan en blad 3 bovenaan.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord en pagina 062, eerste helft.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina’s 063 t\u002Fm 065.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, vierde en vijfde antwoord.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 066, laatste antwoord.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 067, bovenaan.\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 064, laatste antwoord.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.\n\n Zie naast de reeds besproken aangifte op dit punt ook het proces-verbaal van verhoor [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris op 25 februari 2025, blad 3 (eerste helft), blad 6 (eerste helft), blad 7 (eerste helft) en blad 10 (eerste helft).\n\n Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024035768-17, doorgenummerde pagina 061, laatste antwoord.\n\n Proces-verbaal van bevindingen met nummer 24 en documentcode 19284807, doorgenummerde pagina’s 277 en 278.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 juni 2026.\n\n Gerechtshof Amsterdam, 8 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1576.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6790","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.956Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":181,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":182,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":64,"updatedAt":183},"1631","ECLI:NL:RBAMS:2026:6665","ecli-nl-rbams-2026-6665","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-105198-26\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 7 april 2026 door het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [opgeëiste persoon]\n\n geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres],\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Raza, advocaat in Rotterdam.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Düsseldorfvan 1 april 2026, met dossiernummer 154 Gs 488\u002F26 (52 Js 243\u002F25, 92 AR 452\u002F25).\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.\n\nHet EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.\n\n4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:\n\n illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.\n\nUit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.\n\nDit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.\n\n5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW\n\nDe opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.\n\nZijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.\n\nDe Leitende Oberstaatsanwältin in Düsseldorfheeft op 22 april 2026 de volgende garantie gegeven:\n\n“Uitlevering van de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag]1985 in [geboorteplaats], vanuit Nederland naar Duitsland\n\n(…)\n\nMet referte aan uw e-mail d.d. 21 april 2026 geven wij u de verzekering dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van het Kaderbesluit 2008\u002F909\u002FJBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, bladzijde 27), zoals gewijzigd, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.\n\n6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW\n\nHet EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.\n\nDe raadsman heeft verzocht de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, OLW te weigeren ten aanzien van feit 1. Het gaat hier om de uitvoer van verdovende middelen van Nederland naar Duitsland. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon, met name zijn gezondheid en zijn thuissituatie, bestaat er geen reden om de overlevering voor feit 1 toe te staan. Daarnaast kan de officier van justitie op grond van het opportuniteitsbeginsel besluiten de opgeëiste persoon voor dit feit in Nederland te vervolgen.\n\nDe officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de vervolging in Duitsland is aangevangen, de medeverdachten in Duitsland worden vervolgd, de verdovende middelen waren bedoeld voor de Duitse markt, en het Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon te vervolgen voor feit 1.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat:\n\n- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;\n\n- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;\n\n- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.\n\nDe rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:\n\n- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;\n\n- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;\n\n- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;\n\n- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat feit 1 wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.\n\n7. Overdracht van in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te beslissen tot afgifte van twee onder de opgeëiste persoon in beslag genomen mobiele telefoons aan de Duitse autoriteiten. Het is aan de Duitse autoriteiten om te beoordelen of de mobiele telefoons van belang zijn voor het strafrechtelijk onderzoek in Duitsland.\n\nDe raadsman heeft zich hiertegen verzet. De feiten zijn gepleegd in de periode van december 2024 tot en met 8 januari 2025 en 23 januari 2025. Het is inmiddels juni 2026, waardoor geen redelijk belang (meer) is gediend bij het afgeven van de mobiele telefoons. Daarnaast komt de privacy van de opgeëiste persoon in het gedrang, omdat een smartphone een totaalbeeld kan schetsen van het privéleven.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Artikel 49 OLW regelt de mogelijkheid van inbeslagname van voorwerpen die in het bezit van de opgeëiste persoon worden aangetroffen op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het gaat daarbij volgens de wetgever om voorwerpen ‘die als bewijsstuk kunnen dienen’ of ‘van het strafbare feit afkomstig zijn’ (NV II, Kamerstukken II 2003\u002F04, 29042, 12, p. 36). Artikel 50, tweede lid, OLW bepaalt dat het voor afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gaan om voorwerpen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in onderdeel g) van het EAB heeft verzocht om inbeslagneming van de mobiele telefoon van de opgeëiste persoon, omdat dit mogelijk een bewijsmiddel is. De officier van justitie heeft ter zitting de rechtbank verzocht te beslissen tot afgifte van de twee in beslag genomen telefoons aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank acht het verzoek van de officier van justitie voldoende onderbouwd, aangezien de twee in beslag genomen mobiele telefoons kunnen dienen als bewijs en dus de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of de Duitse autoriteiten een redelijk belang hebben bij de afgifte van de in beslag genomen mobiele telefoons.\n\nGelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot afgifte van de twee in beslag genomen mobiele telefoons aan de Duitse autoriteiten toe.\n\n8. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.\n\nHieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.\n\n9. Toepasselijke wetsartikelen\n\nDe artikelen 2, 5, 6, 7, 13, 49 en 50 OLW.\n\n10. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[opgeëiste persoon]aan hetAmtsgericht Düsseldorf(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nBEVEELTde afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:\n\neen iPhone (zwart) met goednummer PL2100-2026084383-2469773; en\n\neen Samsung S22-Ultra (grijs) met goednummer PL2100-2026084383-2469774.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. M. Scheeper, voorzitter,\n\nmrs. I. Verstraeten en L. Sanders, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700\u002F21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.\n\n Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.\n\n HvJ EU 12 februari 2026, C-712\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev) (punt 42).\n\n HvJ EU 12 februari 2026, C-712\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev) (punt 47).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6665","2026-07-13T00:29:30.567Z",{"id":185,"ecli":186,"slug":187,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":188,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":189,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":64,"updatedAt":190},"1632","ECLI:NL:RBAMS:2026:6667","ecli-nl-rbams-2026-6667","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-060009-26\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 9 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 9 februari 2026 door de Circuit Court of Zielona Góra, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [opgeëiste persoon]\n\nGeboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980,\n\n ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres],\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nZitting van 4 juni 2026\n\nDe behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\nDe rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden tot de zitting van 17 juni 2026 om een nieuwe en integrale vertaling van het EAB op te vragen. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting als bedoeld in de arresten van het Europese Hof van Justitie Höldermann(C-447\u002F24) enKhuzdar(C-95\u002F24) en, zo ja, op welke wijze.\n\nZitting van 17 juni 2026\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, en door een tolk in de Poolse taal.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.\n\n3. Vertaling van het EAB\n\nInleiding\n\nDe rechtbank heeft de behandeling van de zaak op de zitting van 4 juni 2026 voor bepaalde tijd aangehouden om een nieuwe en integrale vertaling van het EAB op te vragen.\n\nHet Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 8 juni 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd een exacte vertaling van het EAB in de Nederlandse of de Engelse taal toe te sturen.\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 17 juni 2026 het volgende antwoord gegeven:\n\n“In response to the message below regarding the ENA translation issued in case II Kop 3\u002F26 – concerning [opgeëiste persoon] – the Regional Court in Zielona Góra, 2nd Criminal Division, kindly informs you that, in principle, the ENA translation is correct, however, the specific names of food products and their unit prices listed in the individual VAT invoices have been omitted from Part E of the ENA form. Most of this data is untranslatable (bank names and invoice numbers); consequently, the charge covering the description of the offence and the total amount of damage caused by the offence has been translated. If it is necessary for the proper adjudication of your case, this Court will arrange for the missing part to be translated without delay.”\n\nStandpunt van de raadsvrouw\n\nDe raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om een juiste integrale vertaling van het EAB op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De basis van een overleveringsprocedure is een volledig vertaald EAB. Tijdens de zittingen van 4 en 17 juni 2026 heeft zij in totaal acht voorbeelden gegeven waaruit volgt dat het EAB onjuist, onvolledig en gedeeltelijk niet is vertaald. Dat het volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen zou gaan over de namen van specifieke producten en de prijzen daarvan is feitelijk onjuist. Zo staat - blijkens een vertaling van Google Translate - in de toelichting bij onderdeel D) in het Poolse EAB een zinsnede over de gestelde aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de rechtbank. Deze zin komt niet terug in de Engelse vertaling van het EAB die door de Poolse autoriteiten is verstrekt.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak kan worden voortgezet aan de hand van de reeds beschikbare vertaling van het EAB. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 juni 2026 volgt dat de vertaling van het EAB in principe correct is, maar dat namen van specifieke producten en de prijzen daarvan niet zijn vertaald omdat deze gegevens niet te vertalen zijn. De omvang van de feiten en de kwalificatie daarvan is wel vertaald, waardoor het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is waarvan hij in Polen wordt verdacht. Het specialiteitsbeginsel kan dan ook worden gewaarborgd, ook zonder vertaling van de namen van specifieke producten en de prijzen daarvan. Bovendien is de opgeëiste persoon de Poolse taal machtig zodat hij het originele EAB kan begrijpen.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 2, vierde lid, OLW dient het EAB te zijn vertaald in de officiële taal of in een van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie neergelegde verklaring heeft aangegeven. De Poolse taal, de taal waarin het originele EAB van 9 februari 2026 is uitgevaardigd, is niet één van de talen zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat van de uitvaardigende justitiële autoriteit, ondanks het verzoek van het IRC van 8 juni 2026 om een exacte vertaling van het gehele EAB, geen nieuwe integrale vertaling van het EAB is ontvangen. De vertaling die wel voorhanden is, blijkt onvolledig te zijn. Het gaat daarbij niet alleen om prijzen, factuurnummers en dergelijke, maar ook (zoals door de officier van justitie op zitting erkend) om andere informatie, zoals een specifieke zinssnede over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het proces. De rechtbank kan er niet op vertrouwen dat het vertaalde EAB alleen van het originele EAB verschilt als het gaat om prijzen en factuurnummers, aangezien er dus ook duidelijke aanwijzingen zijn dat er andere passages niet vertaald zijn en de rechtbank niet zelf kan constateren welke informatie nog meer niet vertaald is. Bij gebrek aan een integrale vertaling van het EAB kan de rechtbank het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon niet inhoudelijk beoordelen. De rechtbank zal de zaak niet aanhouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen om een nieuwe integrale vertaling van het EAB, omdat het IRC op 8 juni 2026 al expliciet heeft gevraagd om een exacte vertaling van het EAB in de Nederlandse of de Engelse taal. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ruimschoots de mogelijkheid gehad om een nieuwe integrale vertaling van het EAB toe te zenden. Bovendien biedt de beslistermijn - die eindigt op 5 juli 2026 - onvoldoende ruimte om nogmaals te vragen om een nieuwe integrale vertaling van het EAB, daarna een zitting te plannen en binnen de beslistermijn uitspraak te doen. Daarom zal de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon weigeren.\n\n4. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Daarom wordt de overlevering - gelet op artikel 28, tweede lid, OLW - geweigerd.\n\n5. Toepasselijke wetsbepalingen\n\nArtikel 2 OLW.\n\n6. Beslissing\n\nWEIGERTde overlevering van[opgeëiste persoon]aan deCircuit Court of Zielona Góra(Polen) voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nHEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van[opgeëiste persoon]. Deze uitspraak is gedaan door\n\nmr. M. Scheeper, voorzitter,\n\nmrs. I. Verstraeten en L. Sanders, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6667","2026-07-13T00:29:30.618Z",{"id":192,"ecli":193,"slug":194,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":195,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":196,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":64,"updatedAt":197},"1633","ECLI:NL:RBAMS:2026:6663","ecli-nl-rbams-2026-6663","RECHTBANK AMSTERDAMINTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER\n\nParketnummer: 13-090505-26\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\n UITSPRAAK\n\nop de vordering van 24 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).\n\nDit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2026 door the Circuit Court in Katowice, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:\n\n [opgeëiste persoon]\n\n geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1970,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres],\n\nhierna ‘de opgeëiste persoon’.\n\n1. Procesgang\n\nDe behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.\n\nDe rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.\n\nTevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.\n\n2. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nTer zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.\n\n3. Grondslag en inhoud van het EAB\n\nHet EAB vermeldt een beslissing van the Katowice-Wschód District Court in Katowicevan 3 november 2025, met kenmerk Kp 764\u002F25, die strekt tot aanhouding van de opgeëiste persoon.\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.\n\n3.1. Genoegzaamheid\n\nStandpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. De feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht zijn op meerdere punten onvoldoende concreet omschreven. Zo ontbreekt een concrete datering en worden geen concrete handelingen benoemd waaruit de rol van de opgeëiste persoon kan worden afgeleid.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In het EAB is duidelijk omschreven waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Aangezien het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. De opgeëiste persoon wordt verdacht van handel in verdovende middelen in de periode van 19 mei 2018 tot 24 december 2020 en van 4 november 2021 tot 24 december 2022 in (onder andere) Polen en Nederland. De opgeëiste persoon zou bij deze feiten als dader betrokken zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Polen wordt verdacht, zal later in Polen moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.\n\nArtikel 2 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.\n\n4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW\n\nDe uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:\n\n illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen\n\nUit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.\n\nDit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.\n\n5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW\n\nStandpunt van de raadsman\n\nDe raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon staat sinds 16 november 2018 ononderbroken ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast zijn verklaringen van het geregistreerd inkomen over de jaren 2020 tot en met 2024 overgelegd, alsmede een huwelijksakte van 9 juli 2019 en de geboorteakten van de twee in Nederland geboren kinderen van de opgeëiste persoon.\n\nDe raadsman verzoekt de rechtbank verder om, ondanks dat een negatief advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is ontvangen, het gelijkstellingsverweer te honoreren. De IND heeft de persoonlijke omstandigheden en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvan hij wordt verdacht onvoldoende meegewogen in het advies. De opgeëiste persoon was slechts een tussenpersoon in het geheel en deze beperkte rol dient als uitgangspunt te worden genomen bij het bepalen van de verwachte strafmaat naar Nederlandse maatstaven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon een sterke binding met Nederland, waar hij de afgelopen acht jaren zijn leven heeft opgebouwd.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat daarmee aan de eerste voorwaarde van artikel 6, derde lid, OLW is voldaan. Aan de tweede in dat lid geformuleerde voorwaarde is echter niet voldaan, aangezien de IND in de brief van 16 juni 2026 aangeeft dat de opgeëiste persoon mogelijk zijn verblijfsrecht verliest wanneer hij in Polen wordt veroordeeld voor de in het EAB omschreven feiten. Ten aanzien van de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvan hij wordt verdacht moet worden uitgegaan van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, namelijk dat hij daarbij betrokken zou zijn geweest als mededader en dader. Bovendien blijkt uit de IND-bevraging door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van 10 juni 2026 dat wel degelijk informatie over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon is gegeven. Deze omstandigheden zijn vervolgens meegewogen in het advies van de IND.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOm in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:\n\n1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;\n\n2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.\n\nDe eerste voorwaarde\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.\n\nWerknemers en zelfstandigen moeten aantonen dat zij ‘reële en daadwerkelijke arbeid verrichten die niet louter marginaal en bijkomstig is’. De rechtbank zoekt bij de invulling van dit criterium aansluiting bij het door de IND gehanteerde beleid. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de IND in ieder gevalsprake als:\n\n- de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm;\n\nóf\n\n- de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.\n\nOok als niet aan deze norm wordt voldaan, kan sprake zijn van rechtmatig verblijf. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval.\n\nDe opgeëiste persoon staat sinds 16 november 2018 onafgebroken in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een adres in Nederland. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon verklaringen van het geregistreerd inkomen overgelegd over de jaren 2020 tot en met 2024, waaruit blijkt dat hij vrijwel steeds meer dan 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend en daarom voldoende inkomen heeft genoten. In het jaar 2023 heeft de opgeëiste persoon minder dan 50% van de bijstandsnorm verdiend. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij in dat jaar de diagnose kanker heeft gekregen en daarvoor onder behandeling stond. Daarnaast had hij problemen met het verkrijgen van een Ziektewetuitkering. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als iemand 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend, maar dat de opgeëiste persoon één jaar niet die norm heeft gehaald maakt niet dat daarom geen sprake zou zijn van reële en daadwerkelijke arbeid. Uit de verklaring van de opgeëiste persoon blijkt dat er een duidelijke reden was voor het lagere inkomen over het jaar 2023. Bovendien blijkt uit de verklaring geregistreerd inkomen over het jaar 2024dat de opgeëiste persoon in 2024 weer ruim meer dan 50% van de bijstandsnorm heeft verdiend. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren, dus ook over 2023, reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en daardoor rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.\n\nDaarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.\n\nDe tweede voorwaarde\n\nHet antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. In de brief van de IND van 16 juni 2026 staat het volgende vermeld:\n\n“In antwoord op uw adviesverzoek van 10 juni 2026 laat ik u weten dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft ertoe kunnen leiden dat de [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest.\n\nBetrokkene heeft de Poolse nationaliteit en ontleent zijn verblijfsrecht rechtstreeks aan het EU-Verdrag. Op basis van zijn inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) op een woonadres is hij op 5 juni 2018 opgenomen als EU-burger. Afgaande op uw gegevens is er verblijfsrecht dat mogelijk duurzaam is geworden. (…)\n\nAan uw verzoek ontleen ik dat de Poolse Justitie betrokkene wegens drugscriminaliteit vervolgt. Tussen 19 mei 2018 en 4 november 2021 en in december 2022 zou de [opgeëiste persoon] zich hebben schuldig gemaakt aan de import en export van grote hoeveelheden verdovende middelen en psychotrope stoffen en aan de handel daarin.\n\nNaar Nederlands recht zou overtreding aan de orde zijn van artikel 2A juncto artikel 10, lid 1 en 5, en van artikel 2B juncto artikel 10, lid 1 en 4, van de Opiumwet. De maximumstraffen zijn tien jaar en acht jaar gevangenis. In een gelijk geval in Nederland eist het openbaar ministerie tien jaar.\n\nOp basis van deze gegevens is verblijfsbeëindiging in beginsel mogelijk. Om de precieze ernst te beoordelen is inhoudelijke informatie uit de strafzaak nodig. Uw omschrijving, de maximumstraffen en de voorziene wijzen niettemin zonder meer op ernstige feiten. De feiten zijn recent en beslaan een langere periode waarin betrokkene kennelijk almaar niet op eigen kracht tot inkeer kwam. De aanvang van de pleegperiode duidt erop dat de [opgeëiste persoon] (mede) met het oogmerk om misdrijven te plegen naar Nederland is gekomen. Ik acht alleszins mogelijk dat wordt voldaan aan bovengenoemde criteria: ‘actuele en ernstige bedreiging’ en ‘ernstige redenen van openbare orde’. Uw beschrijving wijst op een langdurige en herhaalde betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen. Wie daarvoor kiest en voorbijgaat aan de nadelige gevolgen voor gebruikers en samenleving, die ontbreekt het aan normbesef. (…)\n\nIn de uiteindelijke besluitvorming zullen de persoonlijke feiten en omstandigheden worden betrokken. Beoordeeld moet worden of de leeftijd, de gezondheidstoestand, de gezinssituatie, de economische situatie, de sociale en culturele integratie en\u002Fof de binding met het land van herkomst wellicht tot een andere uitkomst leiden. Feiten en omstandigheden die al bij voorbaat aan beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan, zijn mij vooralsnog niet bekend.”\n\nUit artikel 6, derde lid, OLW kan worden afgeleid dat alleen vereist is dat de verwachting wordt uitgesproken dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. De Nederlandse wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de beoordeling van de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, afwijkt van de beoordeling in voornoemd advies. Gelet op voornoemd bericht van de IND kan niet worden gezegd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Het IRC heeft in de IND-bevraging van 10 juni 2026 een omschrijving gegeven van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, die overeenkomt met de feitomschrijving in het EAB. Daarnaast blijkt uit de IND-bevraging dat het IRC over de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon heeft medegedeeld dat hij sinds 5 juni 2018 in Nederland staat ingeschreven, hier woont met zijn vrouw en drie (minderjarige) kinderen en op dit moment een werkloosheidsuitkering krijgt. Uit het advies van de IND van 16 juni 2026 blijkt vervolgens dat deze feiten en omstandigheden niet bij voorbaat al aan beëindiging van het verblijfsrecht in de weg staan. Daarmee zijn de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon dus meegewogen door het IND in zijn advies. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.\n\n6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW\n\nHet EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.\n\nDe officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Polen is aangevangen, het bewijsmateriaal zich in Polen bevindt, de medeverdachten in Polen worden vervolgd en de verdovende middelen in Polen in circulatie zijn gebracht.\n\nDe raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW te weigeren omdat Nederland steeds als pleegplaats wordt genoemd in de omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Ten aanzien van feit 3 wordt alleen de plaats Oss in Nederland als pleegplaats genoemd.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat:\n\n- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;\n\n- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;\n\n- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.\n\nDe rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:\n\n- de aard en kenmerken van het strafbare feit, en in het bijzonder, de eventuele internationale dimensie daarvan of de omstandigheid dat het feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie;\n\n- de plaats waar de nadelen van het feit zich verwezenlijken;\n\n- de beschikbaarheid en nabijheid van bewijs en getuigen;\n\n- en de staat waarin de strafprocedure zich bevindt in de uitvaardigende lidstaat en, in voorkomend geval, in de uitvoerende lidstaat.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de omstandigheden die de officier van justitie heeft genoemd, het gegeven dat de feiten wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.\n\n7. Artikel 11 OLW\n\n7.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU\n\nDe rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.\n\nNu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.7.2. Detentieomstandigheden in Poolseremand regimes\n\nInleiding\n\nNu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime.\n\nDe rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regimein Polen terechtkomen.Het kernpunt is dat in hetremand regimeslechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.\n\nDe vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regimekan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.\n\nOm te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regimein Polen waar hij zal worden gedetineerd.\n\nIn het kader van dit onderzoek heeft het IRC op 8 mei 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.\n\nBij brief van 21 mei 2026 heeft the Circuit Prosecutor’s Office in Katewicede volgende antwoorden gegeven:\n\n“In the event of surrender (…), [opgeëiste persoon] will be placed in the Remand, where he will be provided with at least 3 m2 of floor space in the living cell, excluding the sanitary facilities area. In accordance with applicable regulations, the time of his stay outside the prison cell may not be shorter than 2 hours per day. Incarcerated persons at the Remand Centre [Areszt Śledczy] in Tarnowskie Góry have access to the following activities and forms of spending time outside their prison cells: walks (1 hour a day), activities in the common room (1 hour per day), religious services (depending on declared needs), ongoing consultations with rehabilitation officers and psychologists. In addition, incarcerated persons may use the prison library collection and newspapers available at the Remand Centre, as well as participate in cultural and educational activities. It is not possible to specify precisely how much time per day [opgeëiste persoon] would be able to spend outside his cell, as this depends on his own decisions and the forms of activity chosen by him; however, he must be outside his cell for 2 hours per day.\n\nAt the same time, it should be noted that, according to the information contained in the Central Database of Persons Deprived of Liberty, [opgeëiste persoon] is a multiple penitentiary recidivist who has previously been held in penitentiary isolation conditions on 12 occasions since 1987.”\n\nStandpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat voornoemde garantie van 21 mei 2026 afkomstig is van de aanklager en niet van de directie van de detentie-instelling zelf. Daarnaast vermeldt de garantie dat de opgeëiste persoon staat geregistreerd als een ‘multiple penitentiary recidivist’ die al twaalf keer eerder in isolatie heeft gezeten. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in een isolatieregime zal worden geplaatst. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten nader te bevragen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon in het licht van zijn status als ‘multiple penitentiary recidivist’.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Het door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele detentiegarantie, aangezien de opgeëiste persoon in een cel van ten minste 3 m2 (exclusief sanitair) zal worden geplaatst en hij twee uur per dag buiten de cel moet verblijven. De mededeling van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon eerder in een isolatieregime heeft gezeten maakt niet dat de opgeëiste persoon niet in het regime zoals omschreven in de detentiegarantie zal worden geplaatst. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Poolse autoriteiten.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 21 mei 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.\n\nUit de voornoemde detentiegarantie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in the Remand Centre in Tarnowskie Górywordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, wordt gegarandeerd.\n\nZoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2in ieder gevalweggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen.\n\nUit de voornoemde detentiegarantie begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten zijn cel moet verblijven. De opgeëiste persoon kan één uur per dag wandelen en één uur per dag deelnemen aan activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte. In aanvulling daarop kan de opgeëiste persoon onder andere deelnemen aan religieuze, culturele en educatieve activiteiten en gebruikmaken van de bibliotheek.\n\nDe rechtbank kan uit de individuele detentiegarantie niet afleiden dat de opgeëiste persoon in een isolatieregime zal worden geplaatst, nog daargelaten dat er geen objectieve gegevens voorhanden zijn waaruit een algemeen gevaar kan worden afgeleid dat in Polen een isolatieregime en de daaraan mogelijk verbonden beperkingen op zichzelf al een inhumane of vernederende behandeling opleveren noch dat gedetineerden in Polen, zonder objectieve gronden en zonder rechterlijke waarborgen, worden onderworpen aan een isolatieregime en de daaraan mogelijk verbonden beperkingen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg.\n\n8. Slotsom\n\nDe rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.\n\n9. Toepasselijke wetsartikelen\n\nDe artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.\n\n10. Beslissing\n\nSTAAT TOEde overlevering van[opgeëiste persoon]aanthe Circuit Court in Katowice(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.\n\nDeze uitspraak is gedaan door\n\nmr. M. Scheeper, voorzitter,\n\nmrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.\n\nIngevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.\n\n Zie artikel 23 Overleveringswet.\n\n Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.\n\n Zie onderdeel e) van het EAB.\n\n Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.\n\n HvJ EU 12 februari 2026, C-712\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev) (punt 42).\n\n HvJ EU 12 februari 2026, C-712\u002F25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev) (punt 47).\n\n Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.\n\n Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562\u002F21 PPU en C-563\u002F21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).\n\nRechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.\n\nHof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220\u002F18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.\n\n Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6663","2026-07-13T00:29:30.664Z",{"id":199,"ecli":200,"slug":201,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":202,"summary":32,"language":7,"source":62,"sourceUrl":203,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":64,"updatedAt":204},"1753","ECLI:NL:GHAMS:2026:1755","ecli-nl-ghams-2026-1755","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-003331-23\n\ndatum uitspraak: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-104210-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1995,\n\nadres: [adres 1].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025 en 17 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. primair hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer], door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan de [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer], (die [slachtoffer]) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];\n\n1. subsidiair\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer], door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan de [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer], (die [slachtoffer]) heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het\n\nlichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];\n\n2. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door, (na binnenkomst in de woning gelegen aan de [adres 2]) die woning (gelegen aan de [adres 2]) af te sluiten en\u002Fof de deur van die woning op slot te doen en\u002Fof (daarna) de sleutel van de (buiten)deur weg te halen;\n\n3. primair hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een pil met amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt;\n\n3. subsidiair hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, (die [slachtoffer]) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, te weten de inname van amfetamine, althans de inname van een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, door haar een pil met (deze) amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nProcesverloop\n\nDe zaak is behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025. Het hof heeft bij tussenarrest van 9 april 2025 geoordeeld dat het zich onvoldoende voorgelicht achtte over wat zich precies tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en op welke momenten bepaalde gedragingen zich hebben voorgedaan, omdat een directe verklaring van [slachtoffer] ontbrak. Het hof heeft het gesloten onderzoek daarom heropend en verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het doen horen van [slachtoffer] als getuige. Dit verhoor heeft op 25 augustus 2025 plaatsgevonden.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.\n\nOverwegingen hof\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair. De feiten kunnen worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer]. Zij heeft consistent verklaard en haar verklaring wordt ondersteund door het whatsappgesprek tussen [slachtoffer] en de verdachte en de verklaringen van getuigen die kort na het feit contact met [slachtoffer] hebben gehad en beschrijven dat zij zeer geëmotioneerd was. De verklaring die [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd komt overeen met de verklaring die zij eerder heeft afgelegd, aldus de advocaat-generaal.\n\nDe raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de dwangelementen die voor een bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 subsidiair vereist zijn, ontbreken. Ook feit 2 kan niet bewezen worden, nu het enkel op slot doen van een deur niet meebrengt dat iemand daarmee wederrechtelijk van zijn of haar vrijheid wordt beroofd.\n\nHet hof overweegt als volgt\n\nVerklaring aangeefster\n\nDe aangeefster is via een dating app met de verdachte in contact gekomen. Zij hebben telefoonnummers uitgewisseld, waarna zij via WhatsApp met elkaar hebben afgesproken in Amsterdam om wat te gaan drinken in een bar of een club. Nadat zij elkaar hadden ontmoet op het metrostation, zijn ze samen gaan lopen. Aangeefster bemerkte dat ze in een woonwijk terecht kwamen en bedacht dat dat niet een plek was waar een club of bar zou zijn. Zij nam aan dat de verdachte in die woonwijk woonde. Ze heeft de verdachte niet gevraagd of hij daar woonde en is met hem meegegaan. Ze wilde liever naar huis, maar heeft dit niet tegen de verdachte gezegd. Toen ze bij de verdachte in zijn huis kwamen, zag aangeefster dat de verdachte met zijn sleutel de voordeur op slot draaide. De sleutel liet hij in het slot zitten. Op een gegeven moment zijn ze op de bank gaan zoenen. Aangeefster weet niet meer wie daarmee was begonnen. Zij heeft verklaard dat ze niet verder wilde dan zoenen en daarom aan de verdachte vroeg waarom ze niet naar de club gingen. De verdachte zei dat zij daar zo meteen of later heen zouden gaan.\n\nDe aangeefster heeft verklaard dat zij na het zoenen aan de verdachte liet merken dat zij niet van hem gediend was, door te vragen of ze nog naar de club zouden gaan. Zij heeft niet tegen hem gezegd dat ze niet van hem gediend was. De verdachte raakte haar vervolgens aan op haar borsten. Aangeefster vroeg toen aan de verdachte waar de wc was en is daarheen gegaan. In de wc heeft aangeefster aan een vriendin onder andere de tekst ‘help’ geappt. Toen ze de wc uitstapte, zag ze dat de verdachte de sleutel uit de voordeur haalde en in zijn broekzak stopte. Aangeefster verklaarde dat zij daardoor in paniek raakte, maar dat ze dat niet aan de verdachte heeft laten merken door te huilen, te schreeuwen of er iets van te zeggen.\n\nVervolgens zijn de verdachte en aangeefster terug naar de woonkamer gegaan, waar de verdachte de kleding van aangeefster en zijn eigen kleding heeft uitgetrokken, en zijn ze naar de slaapkamer gegaan. De aangeefster weet niet meer of zij zelf heeft voorgesteld om naar de slaapkamer te gaan, of dat de verdachte dit heeft gedaan. In de slaapkamer heeft de verdachte een pil uit een lade gepakt. Aangeefster moest die doorslikken. Zij weet niet meer of zij de pil in haar hand kreeg, of dat de verdachte deze in haar mond heeft gedaan. Zij nam de pil niet vrijwillig maar heeft de pil wel doorgeslikt. Op het bed zijn de seksuele handelingen verder gegaan. Zij lag onderop en deed zelf niets. De aangeefster weet niet meer of zij heeft gezegd dat de verdachte moest stoppen en of zij heeft gezegd dat ze seks wilde. Het gaat om dingen die zij nooit heeft gewild.\n\nBetrouwbaarheid\n\nHet hof overweegt dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaring van de aangeefster. Haar verklaring vindt steun in de WhatsApp gesprekken met de verdachte en met [naam 1] en in de door diezelfde avond door de verbalisanten en de getuigen [naam 2] en [naam 3] waargenomen emoties. Het hof gaat voor de vaststelling van de feiten dan ook uit van de verklaring van de aangeefster. Daarnaast merkt het hof op dat de verklaringen van de aangeefster en van de verdachte voor een groot deel overeenkomen. De verklaringen verschillen echter als het gaat over de vrijwilligheid van de aangeefster tot het ondergaan dan wel dulden van seksuele handelingen en het innemen van de pil. De aangeefster heeft verklaard dat zij de seks en de pil niet wilde. De verdachte meent dat de aangeefster daarvan niets heeft laten blijken.\n\nDe vraag die voorligt, is of bewezen kan worden dat er seksuele handelingen met de aangeefster hebben plaatsgevonden en zij een pil heeft ingenomen op onvrijwillige basis en waartoe zij door geweld of feitelijkheden werd gedwongen.\n\nFeit 1\n\nDwang\n\nOp 1 juli 2024 is de zedenwetgeving op een belangrijk punt gewijzigd: voor een bewezenverklaring van aanranding en verkrachting is het niet (meer) nodig dat het slachtoffer tot de seksuele handelingen is gedwongen. Van een ontbrekende wil onder deze nieuwe wetgeving is sprake indien er geen positieve wilsuiting is. De aan de verdachte ten laste gelegde feiten hebben zich echter afgespeeld in 2022, ruim vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, zodat het hof de feiten zal beoordelen aan de hand van de \"oude\" zedenwetgeving.\n\nBij de artikelen 242 (oud) en 246 (oud) van het wetboek van Strafrecht (Sr) staat het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid dwingen van de ander tot (het plegen of ondergaan van) de seksuele handelingen centraal.\n\nVan de voor verkrachting of aanranding vereiste dwang kan sprake zijn wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van geweld, bedreiging met geweld of van zogenaamde ‘feitelijkheden’, zijnde gedragingen die in de gegeven omstandigheden iemand kunnen dwingen de seksuele handelingen te dulden of te plegen. Te denken valt aan het aanwenden van overwicht en\u002Fof het gebruik van gebiedende woorden of onverhoeds handelen. Deze dwang kan gedurende een seksuele ontmoeting geleidelijk of plotseling ontstaan.\n\nIn de dwang ligt het vereiste opzet bij de verdachte besloten: vast moet komen staan dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen tegen zijn\u002Fhaar wil heeft ondergaan of geduld. Hiervan zal doorgaans sprake zijn als door de verdachte op het slachtoffer geweld wordt uitgeoefend of wordt gedreigd met geweld voorafgaand aan of tijdens de seksuele handelingen, of wanneer sprake is van (aanhoudende) uitlatingen en bewegingen van het slachtoffer die duiden op kenbaar verzet tegen de seks.\n\nMaar van verkrachting of aanranding kan ook sprake zijn als de verdachte door middel van feitelijkheden opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige\n\nafhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen het seksuele binnendringen of de aanranding heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.\n\nNaarmate die feitelijkheden minder als vanzelfsprekend dwingend zijn, zal meer gewicht toekomen aan het samengaan met een kenbare vorm van verzet bij het slachtoffer, en naarmate dat verzet juist minder of niet kenbaar is, zal meer gewicht toekomen aan de dwingende aard van de feitelijkheden om te kunnen komen tot de conclusie dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen tegen zijn\u002Fhaar wil heeft ondergaan.\n\nHet hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak onvoldoende vast is komen te staan dat er sprake was van dwang in de zin van de artikelen 242 en 246 (oud) Sr. Daartoe overweegt het hof dat uit de verklaring van aangeefster en het dossier niet volgt dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot seks. De verklaring van aangeefster biedt daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan of geduld. Hoewel aangeefster heeft verklaard dat zij niet wilde, viel dit voor de verdachte uit de uiterlijke verschijningsvorm van haar gedragingen niet af te leiden. Uit de verklaring van aangeefster volgt immers niet dat zij zich heeft verzet of anderszins aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij niet wilde. Hoewel het hof aanneemt dat de aangeefster de seks niet wilde en ook onplezierig vond, levert dat niet een verkrachting en evenmin een aanranding in juridische zin op.\n\nFeit 3\n\nNaar het oordeel van het hof kan evenmin met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot het innemen van een pil. De verdachte heeft verklaard dat hij in de slaapkamer een pil heeft gepakt, aan aangeefster heeft aangeboden en dat zij de pil wilde slikken. Uit de verklaring van de aangeefster volgt niet, althans daaruit komt onvoldoende concreet naar voren, dat zij door de verdachte is gedwongen om de pil in te nemen. Zij heeft zich niet verzet en de verdachte heeft geen geweld gebruikt of daarmee gedreigd en ook kan niet worden vastgesteld dat hij de pil (tegen haar wil) in haar mond heeft gestopt.\n\nFeit 2\n\nNaar het oordeel van het hof levert het op slot draaien van de voordeur en de sleutel daaruit halen niet zonder meer opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Sr op. Niet kan worden bewezen dat de aangeefster niet de mogelijkheid had de woning te verlaten. De verdachte heeft weliswaar bij binnenkomst in de woning de voordeur op slot gedraaid, maar hij heeft toen de sleutel in de voordeur laten zitten tot in elk geval het moment dat aangeefster naar de wc ging. Aangeefster was op dat moment nog gekleed, zag dat de sleutel in de voordeur zat en heeft de woning niet verlaten. Uit haar verklaring volgt verder dat zij, nadat zij van de wc kwam en zag dat de verdachte de sleutel uit het slot haalde, op geen enkel moment tegen de verdachte heeft gezegd dat zij weg wilde dan wel anderszins aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij de woning wilde verlaten.\n\nConclusie\n\nNaar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 3 primair en 3 subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.918,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.525,69. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nVerklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.L. Leenaers en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juli 2026.\n\n=========================================================================\n\nproces-verbaal uitspraak\n\n_______________________________________________________________ _ _\n\nGERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-003331-23\n\nProces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 1 juli 2026.\n\nTegenwoordig zijn:\n\nmr. H.A. Stalenhoef, raadsheer,\n\nmr. R.M. ter Horst, griffier.\n\nHet openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. A.H. Buijsman, advocaat-generaal.\n\nDe raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.\n\nDe verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe raadsman is niet aanwezig.\n\nDe raadsheer spreekt het arrest uit.\n\nDe raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1755","2026-07-13T00:29:37.080Z",20]