[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":71,"limit":72},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2024-08-22T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,49,57,64],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"773","ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","ecli-nl-ghams-2026-1862","","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000367-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en\n\n23-003943-18 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).\n\nde navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:\n\n“Item: 6561241\n\nOmschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder\n\nBevat:\n\nKetamine”\n\nhet hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;\n\nde verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.\n\nOp het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op\n\n1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.\n\nTijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.\n\nHet hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op\n\n1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.\n\nIn reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.\n\nGelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nDe raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze\n\ngrote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.\n\nHet hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van\n\n24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardendat:\n\nde verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;\n\nde verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nde verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmeewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.\n\nVerlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nHeft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.436Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1278","ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","ecli-nl-ghams-2026-1856","2026-07-02T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000187-22\n\ndatum uitspraak: 2 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-161713-20 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] en\u002Fof een of meerdere overige personen) en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en\u002Fof afbeelding zich jegens [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft\u002Fhebben\u002Fzijn hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), zakelijk weergegeven\n\n- de telefoonnummers en\u002Fof vindplaatsen van voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben achterhaald en\u002Fof doorgegeven en\u002Fof\n\n- ( meermaals) naar (de woning van) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] is\u002Fzijn toegegaan en\u002Fof hen hebben opgezocht en\u002Fof (telefonisch) contact met hen heeft\u002Fhebben gezocht\u002Fgehad en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] heeft\u002Fhebben geïnstrueerd welke verklaring zij moeten afleggen en\u002Fof (daarbij) heeft\u002Fhebben gezegd:\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] moeten zwijgen (onder meer: zijn\u002Fhaar\u002Fhun ‘mondje dicht moeten houden’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking\n\nen\u002Fof\n\ndat voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] de (handels)periode waarover hij\u002Fzij heeft\u002Fhebben verklaard en\u002Fof gaan verklaren aan moet(en) passen (naar onder meer: ‘vanaf begin dit jaar’ en\u002Fof ‘februari\u002Fmaart’ en\u002Fof ‘vanaf februari’ en\u002Fof ‘gewoon dit jaaroes klaar. februari januari’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\n- ( meermaals) (in ruil daarvoor) verdovende middelen (‘slankoe balloe’) heeft\u002Fhebben gegeven en\u002Fof in het vooruitzicht gesteld en\u002Fof\n\n- ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en\u002Fof [persoon 3] en\u002Fof [persoon 2] en\u002Fof [persoon 4] en\u002Fof [persoon 5] op dwingende toon heeft\u002Fhebben toegesproken en\u002Fof hij\u002Fzij\u002Fhen ‘heeft aangepakt’ en\u002Fof tegen hij\u002Fzij\u002Fhen heeft\u002Fhebben gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’;\n\n3. hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 , 2 en 3 ten laste gelegde (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard conform de bewezenverklaring van de rechtbank. Dat betekent dat volgens de advocaat-generaal kan worden bewezen verklaard:\n\nten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het medeplegen van (kort gezegd) verkopen van cocaïne aan [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020;\n\nten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het medeplegen van beïnvloeding van een getuige, te weten [persoon 4] , in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020, en\n\nten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het voorhanden hebben van een balletjespistool.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de verkoop van cocaïne aan [medeverdachte 1] . De (enkelvoudige) herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar. [medeverdachte 1] woont in Wassenaar en heeft verklaard dat hij bij hem thuis of ergens ‘onderweg’ drugs liet bezorgen. Omdat de verdachte alleen drugs bezorgde in Amsterdam, biedt het dossier volgens de raadsman geen ondersteuning voor een bewezenverklaring van de verkoop door de verdachte aan [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de overige ten laste gelegde kopers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nDe raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van [persoon 4] heeft hij aangevoerd dat uit zijn verklaring niet blijkt dat hij door de verdachte is benaderd met het doel zijn verklaring te beïnvloeden. Dat de verdachte in het tapgesprek met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij dit wel heeft gedaan, heeft de verdachte enkel gezegd om [medeverdachte 3] zoet te houden.\n\nTot slot heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, omdat het aangetroffen wapen niet geschikt is voor afdreiging. Het is evident zichtbaar dat het een nepwapen is, aldus de raadsman.\n\nOordeel van het hof\n\nFeit 1 (medeplegen handel in cocaïne)\n\nHet hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en deze cocaïne heeft verstrekt aan onder meer [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 3] bolletjes cocaïne heeft verkocht. [medeverdachte 1] heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 3] op foto’s herkend. [medeverdachte 3] was de persoon van wie [medeverdachte 1] drugs kocht. Soms kwam [medeverdachte 3] aan de deur bij [medeverdachte 1] in zijn woonplaats [plaats] en soms kwamen loopjongens van [medeverdachte 3] de drugs bezorgen. Meestal liet [medeverdachte 1] de dealer bij hem aan de deur komen, maar soms was hij onderweg en dan sprak hij op een plek buiten af. [medeverdachte 1] herkent de verdachte op een foto als een van de dealers die hem drie of vier keer drugs heeft bezorgd, nadat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] drugs had besteld.\n\nVoor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een “herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, ondersteunen niet alleen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate maar vormen voor het hof ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] te twijfelen.\n\nWat betreft de pleegplaats acht het hof bewezen dat de verkoop van drugs door de verdachte aan [medeverdachte 1] in Nederlandheeft plaatsgevonden, nu [medeverdachte 1] in zijn verklaring niet heeft gespecificeerd op welke locatie de verdachte de drugs heeft bezorgd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte (onder meer) aan [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt.\n\nFeit 2 (medeplegen beïnvloeding van getuigen)\n\nHet hof acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 samen met een ander getuige [persoon 4] heeft beïnvloed en overweegt daartoe als volgt.\n\n [medeverdachte 3] is op 24 december 2020 veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het samen met anderen beïnvloeden van getuigen. Ter terechtzitting van 11 december 2020 heeft hij verklaard aan ‘ [persoon 1] ’ te hebben gevraagd om getuigen, waaronder ‘ [getuige] ’, te benaderen om te proberen de ten laste gelegde handelsperiode korter te maken. Met [getuige] bedoelde [medeverdachte 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard ook wel [persoon 1] te worden genoemd.\n\nUit onderzoek blijkt dat de verdachte op 11 juni 2020 eenmaal contact heeft gehad met [medeverdachte 3] via het telefoonnummer eindigend op *1745, dat aan de verdachte wordt toegeschreven. Met het andere telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, eindigend op *7380, heeft hij tussen 11 juni 2020 en 2 juli 2020 82 keer contact gehad met [medeverdachte 3] . Uit een tapgesprek in het dossier volgt verder dat de verdachte op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 3] heeft laten weten dat hij onder meer tegen [getuige] had gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit inderdaad tegen [medeverdachte 3] heeft gezegd, maar dat hij dit enkel heeft gedaan om [medeverdachte 3] zoet te houden en dat hij dit niet daadwerkelijk tegen [persoon 4] heeft gezegd. Gelet op de vele contactmomenten tussen de verdachte en [persoon 4] en gezien de rest van de stukken in het dossier, acht het hof deze verklaring echter onaannemelijk. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte in het tapgesprek de waarheid heeft gesproken tegen [medeverdachte 3] en acht dus bewezen dat de verdachte [persoon 4] heeft benaderd met het doel hem te laten verklaren over een kortere handelsperiode.\n\nHet hof zal de verdachte net als de rechtbank vrijspreken van het beïnvloeden van de overige ten laste gelegde personen, omdat niet kan worden bewezen dat zij door de verdachte zijn benaderd.\n\nFeit 3 (voorhanden hebben balletjespistool)\n\nTot slot acht het hof ook het voorhanden hebben van een balletjespistool wettig en overtuigend bewezen. In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant] , taakaccenthouder wapens en munitie, vastgesteld dat het in beslag genomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie is. Het hof heeft geen reden om aan deze vaststelling te twijfelen. Dat aan de achterzijde van het balletjespistool een veer uitsteekt en de handgrepen van het pistool ontbreken, neemt niet weg dat het zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;\n\n2. hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft verdachte\n\n- contact met [persoon 4] gehad en\n\n- [persoon 4] geïnstrueerd welke verklaring hij moet afleggen en daarbij gezegd:\n\ndat [persoon 4] de (handels)periode waarover hij heeft verklaard en\u002Fof gaat verklaren aan moet passen (naar onder meer: ‘maart’), althans woorden van gelijke aard of strekking;\n\n3. hij op 3 juli 2020 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.\n\nHetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezen verklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.\n\nHet onder 3 bewezen verklaarde levert op:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht om in lijn met de eis van de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf op te leggen en rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Cocaïne is zeer verslavend en vormt daarom een groot risico voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in cocaïne en het gebruik daarvan leiden ook tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van maatschappelijke schade en overlast. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander geprobeerd een getuige te beïnvloeden. Dat burgers in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, is van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader die rechtspleging trachten te frustreren. Verder heeft de verdachte een op een vuurwapen gelijkend balletjespistool voorhanden gehad. Ook nepwapens dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook zeer kwalijk.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 was de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte namelijk in meerdere andere zaken een straf opgelegd gekregen. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.\n\nHet hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 januari 2022. In dit rapport gunt de reclassering de verdachte het voordeel van de twijfel en adviseert om geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nHet dossier bevat geen recent reclasseringsrapport. Wel heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht. De situatie van de verdachte is niet verbeterd. Hij kampt met een hardnekkige verslaving en komt daardoor nog af en toe met politie en justitie in aanmerking. De recente veroordelingen en openstaande zaken op zijn strafblad hebben allemaal te maken met zijn verslaving. Hij heeft momenteel geen baan.\n\nBij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en\u002Fof op straat met een handelsperiode tussen de 1 en 3 maanden wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7° wordt in de oriëntatiepunten een geldboete van € 650,00 genoemd. Voor het beïnvloeden van getuigen is geen oriëntatiepunt beschikbaar.\n\nDe ernst van de feiten en de nieuwe verdenkingen op het strafblad van de verdachte maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman verzochte taakstraf. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van deze straf echter matigen, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep in forse mate is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 27 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 2 juli 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar overschreden.\n\nHet hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nBeslag\n\nOnder de verdachte zijn een telefoon en meerdere kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank heeft de telefoon verbeurd verklaard en ten aanzien van de kledingstukken de teruggave aan de verdachte gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft het hof bericht dat – hoewel de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen – deze telefoon volgens de afdeling Beslag bij het arrondissementsparket Amsterdam reeds aan de medeverdachte [medeverdachte 3] is teruggegeven. Om die reden acht de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de telefoon niet langer opportuun en dient de teruggave daarvan aan de verdachte te worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen kledingstukken, die zijn weergegeven in de ter zitting overgelegde aantekeningen van de advocaat-generaal, worden teruggegeven aan de verdachte.\n\nDe raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt. Hoewel de onder de verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, zal het hof de teruggave hiervan aan de verdachte gelasten, gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal. Daarnaast zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen kledingstukken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n STK GSM (Omschrijving: [nummer 1] , Samsung [kenteken] , merk: Zwart, chassisnr: beschadiging op schr)\n\nBroek (Omschrijving: met witte accenten aan achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 2] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 3] )\n\nBroek (Omschrijving: lichtgrijze broek met cartoon op achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 4] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 5] )\n\nBroek (Voorwerpnummer: [nummer 6] )\n\nBroek (Omschrijving: met zwarte accenten en scheuren aan de voorzijde; Voorwerpnummer: [nummer 7] )\n\nTrui (Voorwerpnummer: [nummer 8] )\n\nJas (Voorwerpnummer: [nummer 9] )\n\nZonnebril (Omschrijving: in koker; Voorwerpnummer: [nummer 10] )\n\nZonnebril (Omschrijving: met hoesje; Voorwerpnummer: [nummer 11] )\n\nPet (Omschrijving: voorzijde voorzien van logo, voorzijde camouflage kleuren; Voorwerpnummer: [nummer 12] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: zwart; Voorwerpnummer: [nummer 13] )\n\nSchoudertas (Omschrijving: stoffen; Voorwerpnummer: [nummer 14] )\n\nSchoudertas (Voorwerpnummer: [nummer 15] )\n\nBroek (Omschrijving: zwembroek; Voorwerpnummer: [nummer 16] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 17] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 18] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 19] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 20] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 21] )\n\nShirt (Omschrijving: polo; Voorwerpnummer: [nummer 22] )\n\nShirt (Voorwerpnummer: [nummer 23] ).\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.\n\nDe jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1856","2026-07-13T00:29:13.584Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":48},"1615","ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","ecli-nl-rbams-2026-6524","2026-02-26T00:00:00.000Z","vonnis\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F192882-25 (A), 13\u002F112519-25 (B), 13\u002F122304-25 (C),\n\n13\u002F187951-25 (D), 13\u002F191282-25 (E) en 13\u002F204470-25 (F) (ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 26 februari 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nZaak A\n\nOpzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 25 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak B\n\nBelediging op of omstreeks 26 februari 2025 te Amsterdam van [persoon 1] .\n\nZaak C\n\nMedeplegen van een auto-inbraak op of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam.\n\nZaak D\n\n1. Veelvuldig zonder noodzaak 112 bellen op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak E\n\n1. Aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\n2. Belediging van een ambtenaar in functie op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam.\n\nZaak F\n\nMedeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 4 juli 2025 te Amsterdam.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.\n\n4.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft de volgende verweren gevoerd.\n\n Met betrekking tot de aangetroffen cilinders staat niet vast dat deze lachgas bevatten. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2025:6672, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat onderzoek aan de chemische samenstelling niet heeft plaatsgevonden en dat evenmin sprake was van bijkomende omstandigheden die als voldoende redengevend voor het bewijs konden worden beoordeeld. Daarnaast is de hoeveelheid lachgas niet te bewijzen omdat niet blijkt dat de gebruikte weegschaal was geijkt.\n\nTen aanzien van zaak B twijfelt de raadsman aan de betrokkenheid van verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd verdachte meteen te hebben herkend, maar dat was pas na vergelijking met een beschikbare politiefoto. Hij heeft niet zonder voorkennis de camerabeelden bekeken. Uit de verklaring van verdachte blijkt onvoldoende dat het om dit incident gaat.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zaak C. De aangever spreekt over 2 en 3 januari 2025, niet over februari. Daarnaast heeft de raadsman twijfels over de zich in het dossier bevindende herkenningen. De stills zijn daar te onduidelijk voor. Verbalisant [verbalisant 3] relateert niet specifiek waaraan hij cliënt herkent en het blijkt ook niet wanneer hij hem voor het laatst heeft gezien. De door verbalisant [verbalisant 2] genoemde specifieke kenmerken zijn op de stills niet te onderscheiden. De bewegende beelden hadden aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Het staat ook niet vast dat de aangever met [verdachte] verdachte bedoelt. Het blijkt niet dat NN5, die als verdachte zou zijn herkend, uitvoeringshandelingen heeft verricht. Hij heeft alleen iets aangepakt en gepraat met NN2, dat is onvoldoende om een gezamenlijke uitvoering aan te nemen.\n\nMet betrekking tot zaak F heeft verdachte betwist dat de cilinders van hem waren. De verklaringen van aangever [persoon 2] zijn onduidelijk. Verdachte zat samen met [persoon 3] in de auto. Zij had een cilinder tussen haar benen staan. Als verdachte dus al op de hoogte was van de aanwezigheid van het lachgas, dan had hij er geen beschikkingsmacht over.\n\n4.3. Oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Zaken A, D (feit 2), E (feit 1) en F – (Opzettelijk) aanwezig hebben van lachgas\n\nDe rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 19, 24 en 25 juni 2025 en op 4 juli 2025 (opzettelijk) de tenlastegelegde hoeveelheid lachgas aanwezig heeft gehad.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in al deze zaken genoegzaam is komen vast te staan dat de inhoud van de cilinders lachgas betrof. Er heeft weliswaar geen onderzoek aan de chemische samenstelling plaatsgevonden, maar in de zaken A, D, E en F zagen verbalisanten dat op de cilinders “FASTGAS” stond met codes. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat zulke cilinders lachgas bevatten. Daarbij komt dat verdachte zowel in zaak A als zaak E heeft verklaard dat hij verslaafd is aan lachgas en hij heeft niet verklaard dat er iets anders in de bij hem aangetroffen flessen zat. In het dossier zitten geen andere aanwijzingen dat er iets anders in de cilinders zou zitten. Verder is het gewicht van het lachgas in de aangetroffen cilinders naar het oordeel van de rechtbank afdoende komen vast te staan. Het gebruik van een digitale weegschaal is in dit geval voldoende en niet is ook gesteld of gebleken waarom ijking in dit geval noodzakelijk is.\n\nMet betrekking tot zaak F overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat het lachgas dat in de auto is aangetroffen van hem was. Aangeefster [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte eerder die avond met lachgascilinders bij haar thuis kwam en aanvullend dat hij alle lachgas had meegenomen de auto in. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte het lachgas in de auto heeft gegooid en dat ze daarna zijn weggereden.\n\n4.3.2.. Zaak B – Belediging [persoon 1]\n\nDe rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 2 februari 2025 de vuilniswagenchauffeur [persoon 1] heeft beledigd. Verdachte is tijdens de belediging gefilmd met een telefoon en verbalisant heeft hem op dat filmpje herkend. De verbalisant relateert ook waaraan hij verdachte herkent. De rechtbank merkt in dit verband op dat verbalisanten geoefend zijn in herkenningen. Verbalisant [verbalisant 1] herkende verdachte vanuit zijn werkzaamheden in het cellencomplex De rechtbank acht deze herkenning betrouwbaar.\n\n4.3.3. -. Zaak C\n\nDe rechtbank acht het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen aan diefstal met braak bewezen.\n\nDe rechtbank ziet de datum 2 januari 2025 in de aangifte als een kennelijke verschrijving. Ten eerste wordt deze in de aangifte gevolgd door ‘3 februari 2025’ en in de omschrijving in de kop van het proces-verbaal staat het wel juist.\n\nTen aanzien van het verweer van de raadsman over de herkenning van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. De stills in het dossier zijn weliswaar niet heel duidelijk, maar verbalisanten hebben verdachte herkend op bewegende beelden die volgens die verbalisanten wel duidelijk zijn. De verbalisanten relateren ook waaraan zij verdachte herkennen. Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn verbalisanten geoefend in herkenningen. De rechtbank acht die herkenningen betrouwbaar. De vraag of de aangever met ‘ [verdachte] ’ verdachte bedoelt kan daarom in het midden blijven.\n\nAnders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen, zoals uitgevoerd door verdachte, als medeplegen zijn aan te merken. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verschillende verdachten. Medeverdachte NN2 keek op enig moment in het voertuig met een zaklamp terwijl de anderen verspreid van elkaar stonden en de omgeving in de gaten hielden. Verdachte keek naar NN2. Vervolgens liep NN2 naar verdachte en overlegden zij met elkaar terwijl ze meerdere malen naar de auto keken. Daarna pakte NN2 een voorwerp en gooide dat richting het raam van de auto. Verdachte staat dan op de hoek en keek naar NN2. NN2 pakte daarna een doos uit de auto en gaf die aan verdachte. Verdachte plaatste deze achter zich en nam een volgende doos aan. Verdachte heeft, door het overleggen en het aanpakken en wegzetten van dozen ook een significante bijdrage aan de diefstal geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde:\n\nop 25 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 660 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\nop 26 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 1] , in het openbaar, mondeling heeft beledigd door die [persoon 1] de woorden toe te voegen: “Kankeraap” en “Ik neuk je moeder”, althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\nop of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen sloffen sigaretten, een fles parfum en een zonnebril die aan [persoon 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door veelvuldig het alarmnummer 112 te bellen;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.200 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas);\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\nop 24 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 6] in het openbaar mondeling heeft beledigd door die [persoon 6] uit te maken voor “Je kankermoeder! Je doet nu wel stoer nu ik handboeien om heb. Ik neuk je kankerhard! Je kankermoeder.”, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nop 4 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas).\n\n6. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. Strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\n8.2.. \n\nStandpunt\u002Fstrafmaatverweer van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gepleit voor een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.\n\n8.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich gedurende een halfjaar schuldig gemaakt aan veel strafbare feiten. Het gaat om hinderlijke feiten die overlast en schade veroorzaken en zorgen voor een gevoel van onveiligheid op straat. Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen inbreken in een auto van een winkeleigenaar om vervolgens in ieder geval vier dozen met sigaretten uit de auto te stelen. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor andermans eigendommen en enkel gedacht aan zijn eigen gewin. Verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan belediging van de politieambtenaar die hem heeft aangehouden. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Door zo te handelen tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een vuilniswagenchauffeur tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden. Door beledigingen te uiten in het openbaar, is deze persoon aangetast in zijn eer en goede naam. Verdachte heeft daarnaast misbruik gemaakt van een noodnummer. Het bellen naar een alarmnummer zonder dat daartoe een noodzaak bestaat, geeft overlast en maakt het voor anderen, die wel dringend hulp nodig hebben, wellicht onmogelijk op tijd in contact te treden met hulpdiensten. Dat kan mensenlevens in gevaar brengen.\n\nTot slot heeft verdachte zich binnen een periode van twee weken vier keer schuldig gemaakt aan het bezit van lachgas voor eigen gebruik. Het gebruik van lachgas draagt bij aan het in stand houden van (drugs)criminaliteit en kan levensgevaarlijke situaties opleveren als de gebruiker onder invloed van het lachgas deelneemt aan het verkeer.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (bezit van softdrugs en belediging van een politieagent). Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van diverse rapportages van de reclassering, waaronder het advies van 26 augustus 2025 en het advies van 26 januari 2026. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.\n\n Verdachte is sinds zijn twintigste verslaafd aan het gebruik van lachgas. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn hieraan gerelateerd.. Verdachte is bekend met problemen op meerdere leefgebieden. Hij heeft in het verleden hulp gehad, onder andere in het kader van de Top 600, waarbij hij ook begeleid heeft gewoond. Verdachte heeft nu geen huisvesting. Hij zou hier graag hulp bij willen. Verdachte heeft ook geen werk en nagenoeg geen werkervaring. Hij ervaart zelf dat verveling bijdraagt aan het lachgasgebruik en daardoor mede aan het plegen van de strafbare feiten. Sinds verdachte uit detentie is heeft de reclassering geen contact meer met verdachte kunnen krijgen. De reclassering acht het uitvoeren van toezicht niet haalbaar. Het risico op recidive en onttrekken aan het toezicht wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de LOVS oriëntatiepunten als uitgangspunt. Alles bij elkaar zal de rechtbank voor de bewezen geachte feiten een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op het advies van de reclassering verbindt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de straf. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verdachte een stok achter de deur om te voorkomen dat hij nogmaals de fout ingaat.\n\nDe rechtbank legt daarmee voor de bewezenverklaarde misdrijven in totaal een hogere straf op dan geëist door de officier van justitie, omdat het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde (zonder opzet aanwezig hebben van lachgas) een overtreding is en daarvoor een aparte straf moet worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gelijktijdige veroordeling voor de overige feiten, aanleiding om aan verdachte ter zake het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde geen afzonderlijke straf of maatregel op te leggen.\n\n9. Beslag\n\nOnder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451)\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759)\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149)\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nNu met betrekking tot deze voorwerpen, met uitzondering van het wapen, het in zaak A, zaak D onder 2 en zaak E onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.\n\nHet in beslaggenomen wapen is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit in zaak C. Ook dit voorwerp is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het kan echter niet dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten en komt daarom niet in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal daarom bevelen dat dit voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zodat de officier van justitie voor vernietiging zorg kan dragen.\n\n10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij [persoon 5] vordert € 5.480,-- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n10.1.. Oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.\n\nZowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten voor de bril, € 395,--, en het parfum, € 315,--, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de BTW die voor de sigaretten is gerekend, € 663,01, eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de benadeelde partij dit als ondernemer terug zal ontvangen. De officier van justitie heeft zich met betrekking tot deze post gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft voorts gesteld dat onduidelijk is of de verzekeringsmaatschappij alleen de schade aan de auto heeft vergoed of ook andere schade. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de brief van OHRA slechts spreekt over autoschade.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de betwisting de vordering tot vergoeding van de bril, het parfum en het bedrag aan BTW onvoldoende is onderbouwd.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aan de vordering gehechte brief van OHRA genoegzaam dat deze verzekeraar alleen de schade aan de auto heeft vergoed.\n\nDe rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.106,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 februari 2025).\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor de betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,--. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding in het geheel niet kan worden toegewezen nu de benadeelde partij niet aanwezig was bij de autokraak. Er is geen sprake van aantasting in de persoon.\n\nOp grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en\u002Fof op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij psychisch letsel. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde de gestelde, met name psychische, schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Voorts ligt het bij een autokraak, waar de benadeelde zelf niet bij aanwezig was, niet voor de hand, zonder een onderbouwing, aantasting in de persoon aan te nemen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.\n\nDe benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f (oud), 47, 57, 142, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\n12. Beslissing\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van het in zaak A en zaak D onder 2 ten laste gelegde:\n\ntelkens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging;\n\nten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde:\n\ndiefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;\n\nten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde:\n\nopzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde:\n\nhandelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;\n\nten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.\n\nTan aanzien van zaak A, zaak B, zaak C, zaak D onder 1 en 2, zaak E onder 2 en zaak F\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijdvan2 jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nTen aanzien van zaak E onder 1\n\nSchuldig verklaring zonder oplegging van straf.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n- 7 STK Gasfles (goednummer G6674451);\n\n- 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759);\n\n- 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149);\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:\n\n- 1 STK Wapen (goednummer G6632395)\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in het materiële deel van zijn vordering is.\n\nWijst het immateriële deel van de vordering af.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van41 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. Smayel, voorzitter,\n\nmrs. J.M. van Hall en B.J. Blok, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026.\n\n [...]\n\n [...]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6524","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.744Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":30,"updatedAt":56},"771","ECLI:NL:RBAMS:2025:753","ecli-nl-rbams-2025-753","2025-02-06T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F324122-24, met daaraan gekoppeld parketnummer 23\u002F003943-18 (TUL)\n\nDatum uitspraak: 6 februari 2025\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nwonende op het adres [GBA-adres] ,\n\nthans gedetineerd te: [detentieplaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2025.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Vermeulen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, naar voren hebben gebracht.\n\nOok heeft de rechtbank ter terechtzitting telefonisch contact opgenomen met mw. [naam 1] , reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland, en kennisgenomen van hetgeen zij naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nFeit 1:\n\nhet medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en een hoeveelheid munitie van categorie III op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nFeit 2:\n\nhet medeplegen van handel in, althans het aanwezig hebben, van ongeveer 5.040,7 gram MDMA op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nFeit 3:\n\nhet medeplegen van handel in, althans het in voorraad hebben, van ongeveer 17.188,5 gram ketamine op 1 oktober 2024 in Amsterdam.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.\n\n4. Waardering van het bewijs\n\n4.1.. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Met betrekking tot het eerste feit, het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie, heeft de officier van justitie gewezen op de bekennende verklaring van verdachte, het aantreffen van de wapens en munitie in de woning van verdachte, de wapenrapporten en het vergelijkend DNA-onderzoek. Met betrekking tot het tweede en derde feit, het medeplegen van het aanwezig hebben van MDMA en het medeplegen van het in voorraad hebben van ketamine, heeft de officier van justitie gewezen op het aantreffen van de (verdovende) middelen in de woning van verdachte, het proces-verbaal forensisch onderzoek –waarbij de goederen indicatief zijn getest- en de laboratoriumrapporten.\n\n4.2.. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich met betrekking tot de feiten grotendeels gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft wel opgemerkt dat het op basis van het dossier onduidelijk is om welke hoeveelheden MDMA en ketamine het precies gaat. De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat hoogstens sprake is van voorwaardelijk opzet, omdat verdachte niet wist dat er verdovende middelen bij hem thuis waren opgeslagen, maar in de veronderstelling was dat dit sportsupplementen betrof.\n\n4.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank gaat bij haar beoordeling van de feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nOp 1 oktober 2024 heeft de zus van verdachte, [naam 2] (hierna: [naam 2] ), aangifte gedaan tegen hun broer, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), wegens bedreiging met de dood. Zij verklaarde dat [naam 3] heeft gezegd dat hij haar zou neerschieten en dat zij deze bedreiging serieus nam, omdat zij wist dat [naam 3] over een vuurwapen beschikte, dat hij zou bewaren in de woning van verdachte. Daarnaast heeft zij verklaard dat [naam 3] in de woning van verdachte ook verdovende middelen bewaart.\n\nNaar aanleiding van deze aangifte heeft de politie op 1 oktober 2024 de woning van verdachte doorzocht. Daarbij zijn in de slaapkamer van verdachte twee vuurwapens en patronen aangetroffen en in beslag genomen en zijn in de berging bij de keuken 28 pakketten met vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen en in beslag genomen. De politie heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de aangetroffen wapens, patronen en pakketten. Uit het proces-verbaal forensisch onderzoek – waarbij de goederen indicatief zijn getest – en de laboratoriumonderzoeken is gebleken dat de pakketten MDMA en ketamine bevatten.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toestemming aan een familielid heeft gegeven om de twee vuurwapens met patronen en spullen in de woning van verdachte te bewaren, maar verdachte stelt dat hij niet wist dat die spullen verdovende middelen betroffen.\n\nDe beoordeling\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee wapens en munitie van categorie III, op basis van de bekennende verklaring van verdachte, het wapenrapport en het aanvullend wapenrapport. De rechtbank stelt op basis van het aanvullend wapenrapport vast dat verdachte de hoeveelheden patronen voorhanden heeft gehad zoals ten laste is gelegd. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden bewezen, op basis van de verklaring van verdachte, de verklaring van [naam 2] en op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek, waaruit blijkt dat er sporen van anderen op een van de wapens zijn aangetroffen. Door toestemming te geven om wapens en munitie van een ander bij verdachte thuis op te slaan volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en de munitie.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTen aanzien van feit 2 en feit 3:\n\nWetenschap en beschikkingsmacht\n\nUit onderzoek is gebleken dat de goederen die zijn aangetroffen in de berging bij de keuken MDMA en ketamine betreffen. Om tot een veroordeling te komen van het aanwezig hebben dan wel het in voorraad hebben van deze goederen is vereist dat verdachte ‘wetenschap had van’ en ‘beschikkingsmacht had’ over deze goederen. Wat die bewustheid betreft moet verdachte daar op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op hebben gehad, wat betekent dat hij tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze goederen zich in zijn woning bevonden.\n\nVolgens vaste rechtspraak is het uitgangspunt dat een bewoner van een woning in beginsel geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Deze aanname kan echter worden weerlegd als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen spullen (pakketten) door een familielid in zijn woning zijn achtergelaten en dat hij in de veronderstelling was dat dit sportsupplementen betrof. Verdachte heeft echter ook bekend dat hij toestemming heeft gegeven aan hetzelfde familielid om vuurwapens te bewaren in zijn woning. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij toestemming heeft gegeven om de spullen in zijn woning op te slaan, omdat hij dacht dat dit familielid in de problemen zat en omdat dit familielid heeft gezegd dat hij de spullen niet bij zijn ouders op kon slaan. Ook heeft de zus van verdachte, [naam 2] , bij de politie verklaard dat er in de woning van verdachte verdovende middelen werden bewaard.\n\nUit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte aan een ander toestemming heeft gegeven om (verboden) goederen in zijn woning te bewaren en dat hij – als hij al niet precies wist om welke goederen het ging – in elk geval wist dat het om serieuze en waarschijnlijk illegale goederen ging, aangezien ditzelfde familielid ook twee vuurwapens bij hem bracht om te bewaren. Aan het eerste vereiste, (voorwaardelijk) opzet op de aanwezigheid, is hiermee voldaan.\n\nAan het tweede vereiste, dat verdachte de beschikkingsmacht had over de goederen, is volgens de rechtbank ook voldaan. De goederen bevonden zich immers in zijn woning in de berging bij de keuken, en dus in zijn machtssfeer.\n\nHoeveelheden\n\nDe rechtbank gaat bij haar beoordeling van de hoeveelheden ketamine en MDMA op grond van de in bijlage II genoemde wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.\n\nDe goederen die zijn aangetroffen in de woning van verdachte, waarvan werd vermoed dat dit verdovende middelen betroffen, zijn onderzocht en de resultaten van deze onderzoeken zijn weergegeven in het proces-verbaal forensisch onderzoek van 3 december 2024, waarbij de verdovende middelen indicatief zijn getest, en de laboratoriumrapporten van 21 oktober 2024, 12 december 2024 en 6 januari 2025. In de hieronder weergegeven tabel (Tabel 1) is een overzicht gegeven van de resultaten van dit proces-verbaal en deze laboratoriumrapporten.\n\nTen aanzien van het testresultaat van goed met goednummer 6561241 was sprake van onduidelijkheid, omdat in het laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 staat vermeld dat dit goed ketamine betreft terwijl in het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 staat vermeld dat dit goed MDMA betreft. Er is vervolgens onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze verschillende resultaten en de bevindingen van dit onderzoek zijn weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 22 januari 2025. In dit proces-verbaal staat vermeld dat bij dit goednummer sprake is van twee verschillende beschrijvingen van de verdovende middelen en twee verschillende sealbagnummers. De inhoud van de zak verdovende middelen met goednummer 6561241 en sealbagnummer 00940831 bestond uit crèmekleurige kristallen en het goed met goednummer 6561241 en sealbagnummer 00321694 heeft de opsporingsambtenaar niet in het beslaghuis kunnen vinden. In het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 is het goed met goednummer 6561241 omschreven als ‘1 plastic zakje met crèmekleurige kristallen’ en is het SIN-nummer AARV3710NL genoemd. In het laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 is het goed omschreven als ‘1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder’ en is geen SIN-nummer genoemd. Aangezien de omschrijving van het goed overeenkomt met het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 en in dit rapport het SIN-nummer is genoemd, gaat de rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van het laboratoriumrapport van 6 januari 2025 en stelt de rechtbank vast dat het goed met goednummer 6561241 MDMA betreft.\n\nTabel 1: overzicht verdovende middelen\n\nGoednummer\n\nSIN\n\nWerkzame stof\n\nGram\n\nHerkomst informatie\n\n6562034\n\nAARV3724NL\n\nKetamine\n\n4048\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561351\n\nAARV3723NL\n\nKetamine\n\n999\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561335\n\nAARV3722NL\n\nKetamine\n\n1013,2\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561362\n\nAARV3721NL\n\nKetamine\n\n1011,5\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561330\n\nAARV3720NL\n\nKetamine\n\n986,9\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561367\n\nAARV3719NL\n\nKetamine\n\n1001,4\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561340\n\nAARV3718NL\n\nKetamine\n\n1000,1\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561366\n\nAARV3717NL\n\nKetamine\n\n1000,4\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561354\n\nAARV3716NL\n\nKetamine\n\n1007\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561370\n\nAARV3715NL\n\nKetamine\n\n1003,3\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561358\n\nAARV3714NL\n\nKetamine\n\n1020,7\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561314\n\nAARV3713NL\n\nMDMA\n\n1020,7\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561360\n\nAARV3712NL\n\nMDMA\n\n1013,2\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561346\n\nAARV3711NL\n\nMDMA\n\n1007,8\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6561241\n\nAARV3710NL\n\nMDMA\n\n1021,1\n\nRapport d.d. 6-1-2025\n\n6562032\n\nAARV3709NL\n\nKetamine\n\n1030,6\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6562032\n\nAARV3708NL\n\nKetamine\n\n1015,3\n\nPV d.d. 3-12-2024\n\n6561251\n\nOnbekend\n\nMDMA\n\n999\n\nRapport d.d. 21-10-2024\n\n6561374\n\nAARV2503NL\n\nKetamine\n\n988\n\nRapport d.d. 12-12-2024\n\nDe rechtbank stelt dan ook op basis van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte 5061,8 gram MDMA voorhanden heeft gehad en 17.125,4 gram ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank komt ook tot het oordeel dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen, op basis van de verklaring van verdachte en de verklaring van [naam 2] . Zowel [naam 2] als verdachte zelf hebben verklaard dat de verdovende middelen van een familielid van verdachte zijn. Door toestemming te geven om spullen bij verdachte thuis op te slaan, heeft verdachte een bijdrage van voldoende gewicht geleverd om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en een of meer anderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte in zijn woning samen met anderen, opzettelijk MDMA aanwezig heeft gehad en opzettelijk ketamine in voorraad heeft gehad, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.\n\n5. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten\n\n- een pistool, van het merk GLOCK, model 22, kaliber .40 Smith & Wesson (S&W), en\n\n- een pistool, van het merk TAURUS, model PT809E, kaliber 9x19mm synoniem 9mm Luger of 9mm Para, zijnde een of meerdere vuurwapens in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, te weten\n\n- 32 patronen van het merk Sellier en Bellot (S&B), kaliber .40 Smith & Wesson (S&W), en\u002Fof\n\n- 6 patronen van het merk Giulio Fiocchi Lecco (G.F.L.), kaliber 9x19mm, en\n\n- 3 patronen van het merk SINTOX (Dynamit Nobel), kaliber 9x19mm, en\n\n- een patroon van het merk NNY (Prvi Partizan), kaliber 9x19mm, en\n\n- een patroon van het merk PMC (Eldorado Cartridge Corporation), kaliber 9x19mm,\n\nvoorhanden heeft gehad.\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5.040,7 gram van een materiaal bevattende MDMA.\n\nten aanzien van feit 3:\n\nop 1 oktober 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zonder registratie, een hoeveelheid werkzame stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub x.1 Geneesmiddelenwet, te weten 17.125,4 gram ketamine, in voorraad heeft gehad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de door het Gerechtshof Amsterdam op 20 november 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf zes maanden ten uitvoer zal worden gelegd.\n\n8.2.. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de door hem overgelegde stukken. Verdachte is gebaat bij oplegging van bijzondere voorwaarden, toont zich hier ontvankelijk voor en is niet eerder behandeld. De raadsman heeft daarom verzocht om een gevangenisstraf op te leggen met een onvoorwaardelijk deel dat niet langer is dan de duur van het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf en\u002Fof een taakstraf, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de reclassering.\n\n8.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten.\n\nVerdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van ongeveer 5.040,7 gram MDMA en het in voorraad hebben van 17.125,4 gram ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samen gaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze grote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nPersoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 december 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.\n\nOok heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 17 januari 2025. Hieruit komt – kort gezegd – naar voren dat de reclassering geen meerwaarde ziet in verdere bemoeienis door de reclassering, gelet op de ontkennende houding van verdachte, het ontbreken van duidelijke criminogene factoren en het ontbreken van een hulpvraag door verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte echter de feiten grotendeels bekend, verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en de hulpvraag geformuleerd dat hij zich weerbaarder op wil kunnen stellen tegenover de druk van zijn familie. De rechtbank heeft daarom op verzoek van de raadsman en in overleg met de officier van justitie ter terechtzitting telefonisch contact opgenomen met de reclasseringswerker die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), met de vraag of zij, gelet op de gewijzigde houding van verdachte, een aanvullend advies wilde geven. [naam 1] heeft hierop aangegeven dat zij, gelet op deze omstandigheden, afwijkt van hetgeen zij heeft geadviseerd in het reclasseringsrapport van 17 januari 2025. Zij acht toezicht door de reclassering passend, gelet op de veranderde houding van verdachte. [naam 1] heeft dan ook geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.\n\nStraf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het voorhanden van een vuurwapen in een woning, gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Voor het aanwezig hebben van vijf tot zes kilo MDMA gaan de oriëntatiepunten uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in beginsel met geen andere straf kan worden volstaan dan met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank gaat niet mee met de stelling van de raadsman dat sprake zou zijn van verminderde toerekeningsvatbaarheid, omdat op basis van het dossier en de door de raadsman overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van deze feiten een psychische stoornis bestond die zijn gedragskeuzes en gedragingen zodanig beïnvloedde dat hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar zou moeten worden geacht.\n\nDe rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, wel aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, in die zin dat zij de geëiste straf enigszins zal matigen. De rechtbank weegt daarbij in strafverminderende zin mee dat uit de verklaring van verdachte en de verklaring van de zus van verdachte, [naam 2] , blijkt dat de wapens en de verdovende middelen niet van verdachte maar van iemand anders waren. Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij inziet dat hij problematische keuzes maakt en dat hij gemotiveerd is om te veranderen en te werken aan zijn alcoholverslaving. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte duidelijk de hulp nodig van de reclassering en dit onderkent verdachte ook. Nu zowel verdachte als de reclassering hebben laten weten dat de wil om te leren betere keuzes te maken er is, wil de rechtbank hem deze kans op hulp ook bieden door een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht het tevens van belang om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, zodat verdachte niet opnieuw strafbare feiten zal plegen.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en middelencontrole.\n\n9. Beslag\n\nOnder verdachte zijn verschillende goederen in beslag genomen, zoals vermeld op de beslaglijst die aan dit vonnis als bijlage III is gehecht en als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.\n\nDe inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 10, te weten: twee pistolen, patronen en patroonhouders, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen verklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling\n\nBij de stukken bevindt zich de op 22 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23\u002F003943-18, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 20 november 2023 van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nTevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen\n\n14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n26 en 55 van de Wet wapens en munitie;\n\n2 en 10 van de Opiumwet;\n\n1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;\n\n38 van de Geneesmiddelenwet.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\neendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie\n\nen\n\nmedeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nten aanzien van feit 3:\n\nmedeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38 van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte] ,daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nBepaalt dat een gedeelte, groot zes maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.\n\nStelt daarbij een proeftijd van twee jarenvast.\n\nDe tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.\n\nDe tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.\n\nStelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering (na afspraak)\n\nVeroordeelde meldt zich op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.\n\nAmbulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nDagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\nMeewerken aan middelencontrole\n\nVeroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\nGeeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.A.E. Somsen, voorzitter,\n\nmrs. H.H.J. Zevenhuijzen en M.L. Kruit, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2025.\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:753","2026-07-13T00:28:47.321Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":63},"774","ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","ecli-nl-ghams-2024-2334","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003364-23\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 in de strafzaak onder parketnummer\n\n13-086634-22 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft\u002Fhebben geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft\u002Fhebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een of meer, althans een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en\u002Fof bij het plegen van welk(e) misdrijf\u002Fmisdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 3 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon\u002Fpersonen voornoemd pand voor het telen\u002Fbereiden\u002Fbewerken\u002Fverwerken van hennepplanten ter beschikking te stellen;\n\n2. hij, in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die\u002Fdat weg te nemen elektriciteit onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om);\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\neen of meer (onbekend gebleven) personen in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (uit een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) en\u002Fof aan verdachte toebehoorde, te weten aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die (onbekend gebleven) personen en\u002Fof hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof dat\u002Fdie weg te nemen goed\u002Fgoederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak en\u002Fof verbreking en\u002Fof een valse sleutel (te weten een gemaakte extra en\u002Fof illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om) bij en\u002Fof tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 23 december 2018 t\u002Fm 03 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en\u002Fof opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft, door aan die (onbekend gebleven) personen voornoemd pand en\u002Fof de aldaar aanwezige elektriciteitsvoorziening(en) (voor de teelt\u002Fhet kweken en\u002Fof het bereiden en\u002Fof bewerken en\u002Fof verwerken van hennepplanten) ter beschikking te stellen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof anders overweegt en tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.\n\nStandpunten\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de feiten zoals onder 1 en 2 tenlastegelegd.\n\nDe verdediging heeft het hof primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte direct heeft verklaard dat hij de woning onderverhuurde aan [naam 1] , een Aziatische man. In dit geval is amper onderzoek gedaan ter controle van de verklaring van de verdachte. De contante stortingen die de verdachte op zijn bankrekening heeft gedaan, kunnen worden verklaard uit de huuropbrengsten en zijn spaargeld. Aangezien alleen de gegevens zijn gevorderd van na 24 mei 2018, is niet onderzocht hoe de financiële situatie van de verdachte was vóór die datum.\n\nSubsidiair heeft de verdediging gesteld, dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake was van een ‘grote hoeveelheid’ hennepplanten. De raadsman heeft de op de foto’s in het dossier zichtbare potten die gevuld waren met aarde geteld en is tot een aantal van 93 hennepplanten gekomen.\n\nBewijsoverwegingen\n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nUit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat op 4 maart 2019 een hennepkwekerij met twee kweekruimtes is aangetroffen in een woning aan de [adres 2] , die werd gehuurd door de verdachte. In de kwekerij werd een (grote) hoeveelheid potten met potgrond aangetroffen; de planten waren geoogst. In ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen. Geconstateerd is dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen; vanuit de hoofdverzekeringenkast is een kabel aangebracht buiten de meter om. De verbalisant trof omstandigheden aan die wijzen op één of meerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij, zoals gedroogde resten van hennepplanten, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen. Er zijn wortelresten van hennepplanten aangetroffen (in de plantenpotten) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nLiander NV heeft aangifte gedaan van diefstal van stroom. De fraudespecialist zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Na het verwijderen van het deksel zag hij dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Hij zag dat deze aansluiting buiten de meter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Uit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten. \n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte zijn in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,- \n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard, dat hij staat ingeschreven op het adres [adres 2] en dat hij zijn woning sinds juni 2018 onderverhuurde aan een Aziatische man, die hij via zijn werkgever bij een project had ontmoet. In een huurovereenkomst die de verdachte bij zich had toen hij op 4 maart 2019 naar de politie ging, is de naam van [naam 1] , een geboortedatum en telefoonnummer vermeld.De verdachte heeft verklaard dat hij de gegevens van de identiteitskaart van de onderhuurder heeft overgenomen, maar daar geen kopie van heeft gemaakt. Als huurprijs is vermeld € 627,- per maand. Verdachte heeft verklaard dat hij in die tijd bij zijn toenmalige vriendin woonde.\n\nDe verdachte heeft 5 jaar gewerkt bij [bedrijf] en heeft verklaard uit die periode een bedrag van € 6.000,- te hebben gespaard. Hij bewaarde dat geldbedrag contant in huis. Als zijn bankrekening moest worden aangevuld, stortte hij daar contant geld op, afkomstig van spaargeld en van de huuropbrengsten.\n\nSinds 1 juli 2018 is de verdachte gestopt met werken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zich een jaar voor 1 juli 2018 ziek heeft gemeld bij [bedrijf] . Ter zitting verklaarde hij dat hij in de tenlastegelegde periode schulden had van tenminste € 45.000,- en BKR geregistreerd stond. Er was ook sprake van loonbeslag. Hij nam zijn salaris op van zijn bankrekening, bewaarde dat in huis en stortte bij op zijn rekening als dat nodig was.\n\nDe verdachte heeft verder verklaard, dat hij tot september 2018 nog af en toe in de woning is geweest; toen zag het er nog normaal uit. De huur ontving hij aanvankelijk contant van de huurder, daarna legde de huurder het geld in de brievenbus in het portiek waar de verdachte het dan uithaalde. Het contact werd steeds minder en op enig moment ontdekte de verdachte dat het slot van de woning was veranderd. De laatste keer dat hij huur heeft ontvangen was eind januari 2019.\n\nOverwegingen\n\nDe verdachte, die huurder was van de woning aan de [adres 2] in Amsterdam en die als enige in de Basisregistratie Personen op dit adres stond ingeschreven, had over deze woning de beschikking. De verdachte heeft evenwel betrokkenheid bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij ontkend en heeft daartoe een alternatief scenario gegeven, namelijk dat een Aziatische man, aan wie hij de woning heeft onderverhuurd, de kwekerij heeft opgezet.\n\nHet hof is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is. De summiere informatie die de verdachte over de onderhuurder heeft verstrekt, is door de politie opgezocht in de beschikbare politiesystemen. Deze persoon, alsmede het telefoonnummer dat op het huurcontract stond, kwamen hier niet in voor. Het telefoonnummer is door de politie gebeld, maar werd niet beantwoord en uit onderzoek bleek dat het nummer niet geregistreerd stond op naam en een prepaid nummer was.Een buurtbewoner heeft desgevraagd verklaard, dat hij geen Aziatische mensen in het trapportaal heeft gezien.\n\nOver de ontmoeting met de Aziatische man heeft de verdachte verklaard, dat hij met hem in contact is gekomen door zijn vorige werkgever. Hij werkte volgens de verdachte op hetzelfde terrein als waar hij werkte voor [bedrijf] .De politie heeft navraag gedaan bij [bedrijf] , maar dat heeft niets opgeleverd. Voor welk bedrijf de man werkte of waar hij woonde, wist de verdachte niet. Het hof acht deze verklaring van de verdachte over de manier waarop hij in contact zou zijn gekomen met de onderhuurder, ongeloofwaardig. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte namelijk verklaard, dat hij een jaar voordat hij ontslag nam bij [bedrijf] , in juli 2018, was ziekgemeld vanwege rugklachten. Daarom is niet aannemelijk, dat hij de man via zijn werk heeft ontmoet. Verder zou de verdachte niets hebben ondernomen toen hij ontdekte dat het slot van zijn woning was veranderd en de huur na eind januari niet meer werd betaald. Verder is in de periode van 25 juni 2018 tot en met 3 januari 2019 in totaal een bedrag van € 10.660,- contant gestort op de rekening van de verdachte.Deze stortingen zijn onregelmatig en meermaals betreft dit een bedrag van € 1.000,- ineens. Hierin ziet het hof een belangrijke aanwijzing dat de verdachte, die in die periode volgens zijn eigen verklaring schulden had en leefde van een uitkering, inkomen kreeg uit de hennepkwekerij. Een andere verklaring voor de contante stortingen is niet aannemelijk geworden.\n\nNaar het oordeel van het hof is de verdachte, die als enige stond ingeschreven in de woning en daarover de beschikkingsmacht had, degene geweest die de hennepplanten heeft gekweekt. Dat hij de woning zou hebben onderverhuurd aan een Aziatische man, is niet aannemelijk. Het door hem overgelegde huurcontract is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende. Het alternatieve scenario kan daarom niet worden gevolgd.\n\nBij het kweken van de hennep is gebruik gemaakt van illegaal afgetapte elektriciteit. Het hof is op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de conclusie voor de hand ligt dat het eveneens de verdachte is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen en daartoe door middel van verbreking een illegale aansluiting heeft geplaatst. Een verklaring die een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor de gedachte dat deze voor de hand liggende conclusie niet juist is, ontbreekt. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de hiervoor genoemde voor de hand liggende conclusie de juiste is. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het telen dan wel de diefstal van elektriciteit heeft samengewerkt met één of meer anderen.\n\nHoeveelheid hennepplanten\n\nIn de kwekerij zijn geen hennepplanten aangetroffen en de aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De raadsman stelt dat op de foto’s in het dossier 93 potten met aarde kunnen worden geteld. De raadsman gaat er bij deze manier om het aantal potten te tellen aan voorbij, dat niet kan worden aangenomen dat op de foto’s alle in de woning aanwezige potten te zien zijn. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich daarom op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeelin de gelijktijdig behandelde ontnemingszaak tegen de verdachte. Hierin is het aantal hennepplanten berekend aan de hand van het aantal assimilatielampen per kweekruimte. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken, omdat niet aannemelijk is dat meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Daarom wordt uitgegaan van 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2. In totaal komt dat op 360 hennepplanten en het hof zal, gelet op dit aantal, het telen van een grote hoeveelheid hennepplanten bewezen verklaren.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] een grote hoeveelheid hennepplanten en\u002Fof delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep;\n\n2. primair hij, in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019 te Amsterdam, uit een pand aan de [adres 2] een hoeveelheid elektriciteit, die toebehoorde aan Liander N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot die weg te nemen elektriciteit heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten een illegale aansluiting voor elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om.\n\nHetgeen onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de voetnoten onder het kopje Bewijsoverwegingen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straffen\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uur, te vervangen door hechtenis van 30 dagen.\n\nDe raadsman heeft in het kader van de strafoplegging aangevoerd dat de verdachte als zelfstandige werkt in de wegenbouw en zijn leven en inkomen goed op de rit heeft. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft in een woonwijk in een kleine bovenwoning een hennepkwekerij in werking gehad met een groot aantal planten. Hij heeft voor de kwekerij stroom gestolen door het aanleggen van een illegale elektriciteitsaansluiting. De verdachte is voorbijgegaan aan de risico’s (van brand en overlast door bijvoorbeeld lekkage van water) voor de omwonenden van een hennepkwekerij. De verdachte heeft alleen gehandeld om financieel voordeel te behalen. Daarbij komt dat het telen van hennep en de handel daarin vaak gepaard gaat met andere vormen van strafbaar gedrag. Het hof acht dit twee ernstige feiten en is daarom van oordeel dat een straf zoals opgelegd door de politierechter niet passend is.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2024 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld.\n\nHet hof heeft aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nHet hof ziet in hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen aanleiding tot matiging van de straf.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Het hof zal de verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren opleggen, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en teneinde te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw strafbare feiten begaat.\n\nHet hof heeft tenslotte acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De verdachte is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het vonnis dateert van 14 december 2023 en het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is op 27 december 2023 ingesteld. Het hof doet uitspraak op 22 augustus 2024. Bij de behandeling in eerste aanleg is de redelijke termijn overschreden met twee jaar en 9 maanden. Dit is reden om een korting op de taakstraf toe te passen van 20 uren.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, passend en geboden.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen ruimlijst zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van1 (één) maand.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door50 (vijftig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een ruimlijst.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\n mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam 2] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 2] , dossierpagina 28 tot en met 40 (aanvullend procesdossier).\n\n Dossierpagina 37.\n\n Dossierpagina 45 (aanvullend dossier).\n\n Dossierpagina 42.\n\n Dossierpagina 45.\n\n Dossierpagina 28 (aanvullend dossier).\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2334","2026-07-13T00:28:47.475Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":68,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":70},"775","ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","ecli-nl-ghams-2024-2335","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 23-003365-23 (ontneming)\n\nDatum uitspraak: 22 augustus 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer\n\n13-086634-22 tegen de betrokkene\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,\n\nadres: [adres].\n\nProcesgang\n\nHet openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 151.215,96, welk bedrag ter terechtzitting in eerste aanleg is verlaagd tot een bedrag van € 108.165,72.\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 14 december 2023 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nDe politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 14 december 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 69.615,48 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.\n\nDe betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2024 veroordeeld ter zake van, kort gezegd, het telen van hennep (feit 1) en de diefstal van elektriciteit (feit 2).\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe vordering\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 150.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal heeft zich gebaseerd op de inhoud van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en is van mening dat sprake is geweest van vier oogsten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het hof primair verzocht bij vrijspraak de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming en subsidiair (bij een veroordeling) de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat aannemelijk is dat één oogst is gestolen en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor vier oogsten. Meer subsidiair is verzocht de vordering af te wijzen omdat, aannemende dat betrokkene de woning verhuurde ten behoeve van de hennepteelt, tegenover de contante stortingen en de huurinkomsten de door betrokkene betaalde huur en de kosten van Liander staan.\n\nIn geval het hof de ontnemingsmaatregel toewijst, heeft de raadsman verzocht uit te gaan van één eerdere oogst van 93 planten, met een opbrengst van € 10.673,98 en aftrek van kosten (onder meer € 1.567,50 aan huurkosten en € 1.483,15 aan kosten Liander netverlies), met een voordeel van in totaal € 6.758,16.\n\nDe grondslag\n\nDe betrokkene is veroordeeld bij arrest van het gerechtshof voor het telen van hennep in de periode van 23 december 2018 tot en met 3 maart 2019. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit dat feit en uit andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene die heeft begaan.\n\nIn het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel(hierna: het rapport) zijn onder meer de volgende aanwijzingen opgenomen:\n\neen (grote) hoeveelheid potten met potgrond, in ruimte 1 hingen 13 assimilatielampen, in ruimte 2 zijn 11 van dit soort lampen aangetroffen, gedroogde resten van hennepplanten in een droognet, vervuiling met stof op de koolstoffilters en de kappen van de assimilatielampen, wortelresten van hennepplanten aangetroffen in de plantenpotten, productiedatum op gipsplaten (24 februari 2017), productiedatum trafo (27 november 2016) en lege verpakkingen van hennepstekken.\n\nUit het door Liander ingestelde onderzoek is gebleken dat in de woning een hennepkwekerij was ingericht in ieder geval van 24 mei 2018 tot 4 maart 2019. Aan de hand van indicatoren, zoals productiedata op gipsplaten (24 februari 2017) en trafo (27 november 2016), aanslag op potten en vervuilde koolstoffilters, is vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere teelten.\n\nOp de ING bankrekening op naam van de verdachte heeft hij in de periode van 25 juni 2018 tot 3 januari 2019 contante geldbedragen gestort, van in totaal € 10.660,00.\n\nVoor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het hof uit van het volgende:\n\nAantal oogsten\n\nVoor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal het hof uitgaan van 3 oogsten. In de kwekerij zijn (na een inbraak) geen hennepplanten meer aangetroffen; de vierde en dus laatste oogst wordt daarom niet meegenomen in de berekening.\n\nAantal planten\n\nDe aangetroffen lege potten zijn niet geteld door de verbalisanten. De stelling van de raadsman, dat gelet op de foto’s in het dossier niet meer dan 93 planten zijn gekweekt per oogst, is niet aannemelijk. Voor het aantal potten van de kwekerij baseert het hof zich op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel.De hierin opgenomen uitgangspunten zijn gebaseerd op gegevens die jarenlang zijn verzameld. Het hof ziet geen reden hiervan af te wijken omdat niet aannemelijk is dat in dit geval (substantieel) meer lampen zouden zijn gebruikt om planten te kweken dan het gebruikelijke aantal lampen. Aannemelijk is dat 195 planten in ruimte 1 en 165 planten in ruimte 2 zijn gekweekt, dat wil zeggen in totaal 360 hennepplanten.\n\nOpbrengst per oogst in grammen\n\nRuimte 1: uitgaande van een opbrengst van 28,20 gram per plant is de opbrengst per oogst:\n\n195 planten x 28,20 gram = 5.499 gram.\n\nRuimte 2: 165 planten x 28,20 gram = 4.653 gram.\n\nOpbrengst in geld\n\nUitgaande van een opbrengst van € 4,07 per gram is de totale opbrengst:\n\nRuimte 1: 5.499 gram x 4,07 = € 22.380,93 per oogst.\n\nRuimte 2: 4.653 gram x 4,07 = € 18.937,71 per oogst.\n\nKosten\n\nRuimte 1\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.499,55\n\nTotaal: € 1.649,55.\n\nOpbrengst € 22.380,93 minus kosten á € 1.649,55 = € 20.731,38 per oogst in ruimte 1.\n\nRuimte 2\n\nKosten investering € 150,00\n\nVariabele kosten € 1.268,85\n\nTotaal: € 1.418,85.\n\nOpbrengst € 18.937,71 minus kosten á € 1.418,85 = € 17.518,86 per oogst in ruimte 2.\n\nTotale opbrengst minus kosten per oogst\n\n€ 20.731,38 + € 17.518,86 = € 38.250,24 aan voordeel uit één oogst.\n\nUitgaande van drie oogsten is het voordeel in totaal:\n\n3x € 38.250,24 = € 114.750,72.\n\nAftrek energiekosten\n\nGezien het rapport op pagina 8, is op de nota van Liander een bedrag van € 5.932,61 genoemd als de totale kosten aan netverlies. Volgens een mededeling van de advocaat-generaal heeft betrokkene de volledige nota van Liander inmiddels voldaan. Anders dan in het rapport zal het hof daarom voor drie oogsten een bedrag van € 4.449,45 (3\u002F4 van € 5.932,61) aftrekken van het voordeel.\n\nAftrek huurkosten\n\nNiet aannemelijk is dat de woning, naast het telen van hennep, is gebruikt voor bewoning. De huur van de woning is betaald en het hof zal daarom de huurkosten van € 441,51 per maand voor een periode van 30 weken (3 oogsten; 3x (2,5 x 441,51=) € 1.103,77 = € 3.311,32) aftrekken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nSchatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\n€ 114.750,72 minus € 4.449,45 (energiekosten) minus € 3.311,32 (huurkosten) = afgerond € 106.989,00.\n\nVerplichting tot betaling aan de Staat\n\nRedelijke termijn\n\nDe betrokkene is op 4 maart 2019 aangehouden en gehoord, het ontnemingsvonnis is uitgesproken op\n\n14 december 2023 en het hof wijst thans op 22 augustus 2024 arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak als de onderhavige dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Daarom is in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg overschreden met twee jaar en 9 maanden. Aangezien in de strafzaak rekening is gehouden met de overschrijding van de termijn, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering daarvan.\n\nAan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 106.989,00.\n\nToepasselijk wettelijk voorschrift\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€106.989,00. (honderdzesduizend negenhonderdnegenentachtig euro).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.A. Groenendijk, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van\n\nmr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van\n\n22 augustus 2024.\n\nMr. I.A. Groenendijk en mr. A.P.M. van Rijn zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.\n\n Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 15 maart 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 30 tot en met 34 en het Rapport, pagina 4.\n\n Een geschrift, te weten een aangifte door fraudespecialist [naam] van Liander NV van 19 maart 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], dossierpagina 1 tot en met 16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 28 tot en met 40.\n\n Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019, opgemaakt door de rapporteurs [verbalisant 1] en [verbalisant 2], dossierpagina 1 tot en met 11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2335","2026-07-13T00:28:47.514Z",1,20]