[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-dublin-transfer-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":93},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-10-14T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121924","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","",1,[27,36,45,53,61,69,77,85],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"912","ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","ecli-nl-rbdha-2026-18538","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.19327 (beroep) en NL26.19328 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, met de Nigeriaanse nationaliteit,\n\neiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n1.3.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.\n\n1.4.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van eisers aanvraag stonden die in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.\n\n4.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. De minister heeft daarom op 14 december 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 16 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.\n\nMag de minister ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister in zijn geval ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdelingvan 23 juli 2025. Hieruit volgt dat de minister ten aanzien van België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Niet-kwetsbare alleenstaande mannen krijgen namelijk geen plek in de opvang.\n\n6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische variant van het COa) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.\n\nIn de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.\n\nAlleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.\n\nAangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”\n\n7.1.. Uit de Fedasilbrief maakt de rechtbank op dat 200 van de 2.000 extra opvangplaatsen in ieder geval gereserveerd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Dat betekent dat er maximaal 1.800 opvangplekken overblijven, die aan niet-kwetsbare alleenstaande mannen maar ook aan ‘andere doelgroepen’ kunnen worden toegewezen. Op 27 januari 2026 stonden er 1.535 personen op de ‘doorstroomlijst’ voor deze opvangplekken, zodat er op dat moment nog 265 plekken beschikbaar waren voor alle doelgroepen. Het aantal mensen op deze lijst daalt structureel. De rechtbank maakt verder uit de Fedasilbrief op dat Fedasil niet beschikt over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen en daarmee dus geen inzicht heeft in het aantal mensen dat daar verblijft in afwachting van een plek in de reguliere federale opvang.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel van dit soort mannen daar verbleven.De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het bestreden besluit is om die reden gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het onzeker is wanneer meer duidelijkheid over de opvangcapaciteit van België valt te verwachten.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n8.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.19327:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.19328:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nVerordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Onder 5.3.3 en 5.3.4.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.235Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":40,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":34,"updatedAt":44},"1348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","ecli-nl-rbdha-2026-18167","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.27585 (beroep) en NL26.27586 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. S. de Schutter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. A.R. Menschaart).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is dus ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiser heeft op 16 december 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.\n\n2.2.. Met het besluit van 15 mei 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen.\n\n2.3.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvraag van eiser niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nBesluitvorming\n\n3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad naar aanleiding van zijn asielaanvraag. De minister stelt dat eiser wel is uitgenodigd voor een gehoor. Op 11 februari 2026 is hij gekoppeld aan een advocaat. Maar vanaf dat moment heeft hij niet met de mogelijkheid van correcties en aanvullingen via zijn advocaat kenbaar gemaakt dat hij geen uitnodiging voor een gehoor heeft ontvangen. Hij is vervolgens wederom uitgenodigd voor een gehoor, maar ook na het rapport ‘niet verschijnen voor gehoor’ heeft eiser ondanks een uitnodiging daartoe geen correcties en aanvullingen ingediend en de reden van het niet verschijnen niet laten weten.\n\n3.2.. De minister ziet geen reden om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Dat hij een negatieve ervaring heeft gehad in Duitsland, is op zichzelf niet genoeg. Eiser heeft zijn bijzondere situatie niet kenbaar gemaakt en niet met medische documenten aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland behandeling krijgt voor zijn paniekaanvallen.\n\nBeroepsgronden\n\nGehoor\n\n4.1.. Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen gehoor heeft gehad. Hij heeft de uitnodiging daartoe nooit ontvangen. Eiser verblijft op de [locatie] en keek elke dag of hij post had, maar hij heeft nooit een brief voor het gehoor ontvangen. Daarom heeft zijn gemachtigde gevraagd om nog een keer een uitnodiging te sturen en die te plaatsen in het asielportaal, maar dat is nooit gebeurd. Eiser voert verder aan dat hij geen correcties en aanvullingen kon indienen, omdat hij geen gehoor heeft gehad. Hij heeft wel een zienswijze ingebracht, waarin hij heeft aangegeven dat hij gehoord wenste te worden.\n\n4.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De uitnodigingen voor de gehoren zijn geüpload in het dossier. Deze zijn gericht aan het adres waar eiser verblijft. Eiser heeft niet betwist dat dit het adres is waar hij verblijft. Ook de uitnodiging om correcties en aanvullingen op te sturen is geüpload in het dossier. De minister heeft op de zitting laten weten dat de brieven niet retour gekomen zijn. Dat is volgens de minister een bevestiging dat ze op het adres van eiser zijn aangekomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande voldoende duidelijk dat de minister eiser op de juiste wijze heeft uitgenodigd voor de gehoren. De enkele stelling van eiser dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet hebben bereikt.\n\n4.3.. De rechtbank overweegt verder dat eiser in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht dat hij gehoord wilde worden, maar hij heeft daarin niet geconcretiseerd wat hij zou willen toelichten op een gehoor. Eiser heeft dat ook niet geconcretiseerd in zijn beroepsgronden. De zitting bij de rechtbank was voor eiser ook een mogelijkheid om zijn standpunten nader toe te lichten, maar eiser is niet naar de zitting gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gezegd worden dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het niet houden van een gehoor. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat de minister hetgeen eiser naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze heeft betrokken in de beoordeling. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening5.1.. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Bij eiser is sprake van bijzondere omstandigheden, omdat hij vreest voor indirect refoulement naar Duitsland. Hij heeft paniekaanvallen en eerdere negatieve ervaringen in Duitsland, omdat hij daar geen behandeling heeft gekregen voor zijn paniekaanvallen. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom zijn bijzondere omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n5.2.. De rechtbank stelt voorop dat binnen de Europese Unie het uitgangspunt geldt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat zij hun internationale verplichtingen naleven. Dit wordt het interstatelijke vertrouwensbeginsel genoemd. De minister mag bij Duitsland in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel.En daarmee dus dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRMen artikel 4 van het Handvest.De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de Duitse autoriteiten met het accepteren van het claimverzoek de garantie hebben gegeven om de opvolgende asielaanvraag van eiser met inachtneming van de EU-regelgeving te behandelen.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 17 van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. De minister heeft in beleid opgenomen hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2\u002F5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft hierin een ruime beoordelingsmarge en de rechtbank dient de beslissing van de minister op dit punt terughoudend te toetsen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Hij heeft slechts gesteld dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg voor zijn paniekaanvallen. Hij heeft echter op geen enkele wijze toegelicht of met medische stukken onderbouwd dat hij last heeft van paniekaanvallen, dan wel dat hij in Duitsland geen behandeling kreeg of kan krijgen voor zijn paniekaanvallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook terecht geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en hij aan Duitsland mag worden overgedragen. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27585:\n\n- verklaart het beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27586:\n\n- wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588, en 8 oktober 2025 ECLI:NL:RVS:2025:4770.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18167","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.149Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":52},"795","ECLI:NL:RBDHA:2026:18573","ecli-nl-rbdha-2026-18573","2026-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.10590 (beroep)\n\n NL26.10591 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.W. IJland),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 oktober 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 15 juni 2016 vingerafdrukken heeft afgestaan in Duitsland en daar op dezelfde datum een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is op 22 oktober 2025 Nederland ingereisd en heeft hier op dezelfde dag een asielaanvraag ingediend.\n\n2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (hierna: Dvo).Op grond van de Dvo neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dvo Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 19 november 2025 heeft verweerder een verzoek om terugname verstuurd aan Duitsland. Dat verzoek hebben de Duitse autoriteiten op 21 november 2025 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. Eiser voert als eerste beroepsgrond aan dat verweerder zich ten onrechte niet verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 10 van de Dvo. Eiser is samen met zijn partner [naam 1] Nederland ingereisd en beiden hebben een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van mevrouw [naam 1] wordt wel in Nederland behandeld. Ook in het kader van een terugnameprocedure komt eiser een beroep toe op artikel 10 van de Dvo. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 oktober 2023. Verder komt eiser een beroep op artikel 10 van de Dvo toe omdat de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat gebrekkig is verlopen. Verweerder heeft daarbij in strijd gehandeld met artikel 3.108c, tweede lid en onder b van het Vreemdelingenbesluit, aldus eiser.\n\n3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen beroep op Hoofdstuk IIIvan de Dvo toekomt omdat het hier om een terugnameverzoek gaat. Verweerder verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling. Daarnaast vormden eiser en mevrouw [naam 1] geen gezin in het land van herkomst als bedoeld in artikel 2 sub g Dvo, aldus verweerder.\n\n3.2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser en zijn gestelde partner geen gezin vormden in hun land van herkomst, Ethiopië, zoals bedoeld in artikel 2 sub g van de Dvo. Zij hebben elkaar immers pas in Frankrijk ontmoet. Reeds daarom komt eiser geen beroep toe op artikel 10 van de Dvo. De beroepsgrond behoeft geen verdere bespreking.\n\n4. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij eisers asielverzoek niet aan zich had hoeven trekken als bedoeld in artikel 17 van de Dvo. Eiser is op 7 januari 2025 in Frankrijk via een religieus huwelijk met mevrouw [naam 1] getrouwd. Zij zijn samen op 21 oktober 2025 Nederland ingereisd om hier asiel aan te vragen. [naam 1] is in verwachting van hun kind en zij is uitgerekend op\n\n15 mei 2026. Haar asielverzoek wordt wel in Nederland behandeld. Het belang van het kind vereist dat het kind in het bijzijn van zijn moeder én vader kan opgroeien. Bovendien hebben eiser en mevrouw [naam 1] een relatie. Indien eiser naar Duitsland zou moeten voor zijn asielaanvraag zou dit dan ook van een bijzondere hardheid getuigen, aldus eiser.\n\n4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde zwangerschapsverklaring van mevrouw [naam 1] niet blijkt dat eiser de (biologische dan wel juridische) vader van het ongeboren kind is. En voor zover wel van het vaderschap zou moeten worden uitgegaan dan is van belang dat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiser en de moeder. Het is daarom meer in het belang van het kind om bij de moeder te blijven dan bij eiser. Verder zijn er geen aanwijzingen dat het voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van het (ongeboren) kind noodzakelijk is dat eiser zijn asielprocedure in Nederland dient te doorlopen, aldus verweerder.\n\n4.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is gebleken dat eiser de vader van het ongeboren kind is. Verweerder kan weliswaar worden toegegeven dat uit de door eiser overgelegde zwangerschapsverklaring van 12 december 2025 niet blijkt dat eiser de vader is. Daar staat echter tegenover dat eiser en mevrouw [naam 1] beiden bij aanvang van hun asielaanvraag, als ook daarna, consistent hebben verklaard dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind. Verder heeft eiser in beroep een Pregnancy Verification Document van [bedrijf] overgelegd. In dit op 17 maart 2026 gedateerde document staat dat mevrouw [naam 1] zwanger is en dat zij is uitgerekend op 15 mei 2026. Verder staat op dit document als naam van de moeder vermeld ‘[naam 2]’, als naam van de partner ‘[eiser]’, als mailadres van betrokkenen ‘[mailadres]’,als telefoonnummer bij beiden ‘[telefoonnummer]’ en bij ‘memo partner’ dat ‘Partner woont al langer in Europa. Woonde 10 jaar in Frankrijk’.\n\n4.3. Hoewel verweerderkan worden toegegeven dat hiermee nog steeds niet vaststaatdat eiser de biologische vader is, ligt er naar het oordeel van de rechtbank inmiddels wel veel dat daar op wijst. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich immers vanaf het allereerste moment naar verweerder toe als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich ook naar de [bedrijf] als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd, en hebben op die wijze ook contact met deze praktijk getuige onder andere het genoteerde mobiele telefoonnummer en mailadres.\n\n4.4. De enige manier om vast te kunnen stellen dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind is via een DNA-test. Deze kan echter pas worden afgenomen nadat het kind is geboren. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich in een situatie als deze niet zonder nader onderzoek – bijvoorbeeld door ter zake nadere vragen te stellen aan eiser en de moeder - en motivering op het standpunt stellen dat van een biologische band tussen eiser en het ongeboren kind niet is gebleken. Dat eiser, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, het ongeboren kind nog niet formeel heeft erkend maakt dit niet anders. Het beroep is dan ook gegrond.\n\n5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ook al zou eiser de vader zijn, het niet vanzelfsprekend in het belang van het ongeboren kind is dat deze door zowel de moeder als vader wordt opgevoed, nu van een duurzame relatie tussen beiden niet is gebleken.\n\n5.1. De rechtbank kan deze redenering niet goed volgen. Het is namelijk in beginsel altijd in het belang van het kind om door beide ouders te worden opgevoed. Het maakt daarbij niet uit of de ouders wel – zoals eiser stelt - of geen – zoals verweerder stelt - duurzame relatie hebben. In familie- en jeugdzaken wordt al sinds jaar en dag als uitgangspunt gehanteerd dat het belang van het kind het meest is gediend bij positieve aandacht en zorg van beide ouders. Of dit nu in een en dezelfde ouderlijke woning is, of via co-ouderschap dan wel een andere vorm van zorgregeling. Verweerder kan dan ook zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd in het standpunt dat dit bij het ongeboren kind in eisers situatie anders is omdat eiser geen duurzame relatie zou hebben met de moeder. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aldus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom een overdracht van eisers asielaanvraag aan Duitsland, gelet op de belangen van het ongeboren kind, niet van onevenredige hardheid getuigt.\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Nu de rechtbank op het beroep beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Verweerder wordt voorts veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10590,\n\n- verklaart het beroep gegrond.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10591,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter, in beide zaken,\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nAls hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:18799.\n\n Artikel 10 Dvo valt onder Hoofdstuk III.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie o.a. ECLI:NL:RVS:2019:3672 en ECLI:RVS:NL:2026:984.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18573","2026-07-13T00:28:48.582Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":60},"790","ECLI:NL:RBDHA:2026:18572","ecli-nl-rbdha-2026-18572","2026-03-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.2372 (beroep)\n\n NL26.2373 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nProces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)\n\n(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L. Ludwig).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die er toe strekt dat hij niet zal worden uitgezet tot dat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond; en\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.\n\n2. Eiser heeft op 1 oktober 2025 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Spanje daarvoor op grond van de Dublinverordeningverantwoordelijk is. Dit is gebleken uit onderzoek bij de Nederlandse verbindingsambtenaar in België. De minister heeft Spanje op 20 november 2025 gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening. Op 25 november 2025 is Spanje akkoord gegaan op grond van artikel 13, eerste lid van de Dublinverordening.\n\n3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit onzorgvuldig is, nu de minister heeft volstaan met een standaardvoornemen en daarmee niet is ingegaan op de persoonlijke situatie van eiser. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 1 november 2024.\n\n4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 23 november 2023volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor en in de zienswijze aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.\n\n5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan vanwege het gebrek aan opvangvoorzieningen. Eiser heeft gewezen op de update van april 2025 van het meest recente AIDA-rapport. Uit het aangehaalde rapport blijkt daarnaast dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart in verband met tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in Spanje.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening hun internationale verplichtingen nakomen. De Afdeling heeft dit voor Spanje op 25 november 2025 bevestigd.Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Spanje een fundamentele systeemfout bevat die de drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawovan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n7. Eiser is hier niet in geslaagd. Het door eiser genoemde AIDA-rapport en de druk op de opvanglocaties die daarin wordt geschetst, is namelijk bij de Afdelingsuitspraak van\n\n25 november 2025 betrokken. Hierin overwoog de Afdeling dat het meest recente AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten. Eiser heeft geen meer recente informatie naar voren gebracht waaruit anders blijkt. Omdat uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kunnen mogelijke klachten over opvang voorts in Spanje aan de autoriteiten aldaar worden voorgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in Spanje voor Dublinclaimanten niet kan of bij voorbaat zinloos is.\n\n8. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister is hierbij niet ingegaan op de persoonlijke ervaringen van eiser – hij heeft immers verklaard dat hij geen opvang heeft gekregen in Spanje. De minister mocht hierbij niet volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen is overwogen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2024\n\n9. De rechtbank stelt vast dat de minister alle door eiser benoemde persoonlijke omstandigheden in het bestreden besluit heeft betrokken, ook onder artikel 17 van de Dublinverordening. In het bestreden besluit benoemt de minister namelijk dat eiser in Spanje niemand kent en daar niets heeft geen goede reden is om de aanvraag in Nederland in behandeling te nemen. De minister heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiser nog geen asielaanvraag heeft ingediend in Spanje.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.\n\n11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n12. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nRECHTSMIDDEL\n\nTegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Arrest van 19 maart 2019, C-163\u002F17, ECLI:EU:C:2019:218.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:4348.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5661.\n\n ECLI:EU:C:2019:218.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:20680.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18572","2026-07-13T00:28:48.133Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":68},"1426","ECLI:NL:RBDHA:2026:17922","ecli-nl-rbdha-2026-17922","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.44017\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. K. Ross),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 juni 2025 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.\n\nOp 11 september 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op dezelfde datum heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Op 22 januari 2026is het verzoek door de voorzieningenrechter toegewezen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Driessen-Yousef in de taal Arabisch (Syrisch-Libanees). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\nAchtergrond\n\n1. Eiser heeft in maart 2014 Syrië verlaten en is naar Turkije gereisd. Eiser heeft Turkije op 20 juli 2024 verlaten en is toen naar Bulgarije gereisd. Daarna is eiser naar Duitsland gereisd. Eiser is op 23 juni 2025 Nederland ingereisd.\n\nBesluitvorming\n\n2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Verweerder heeft dit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 6 augustus 2024 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 30 juli 2025 de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, Dublinverordening. Op 4 augustus 2025 zijn de Bulgaarse autoriteiten van hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid onder c, Dublinverordening.\n\nAanmeldgehoor\n\n3. Eiser voert aan dat het aanmeldgehoor niet zorgvuldig is geweest en hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Ten onrechte is er niet doorgevraagd naar eisers bezwaren. Zo is de hoormedewerker helemaal niet ingegaan op het feit dat eiser eerder al een keer is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië, nadat hij vanuit Bulgarije was vertrokken.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van onzorgvuldigheid doordat verweerder onvoldoende zou hebben doorgevraagd tijdens het aanmeldgehoor. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser namelijk voldoende gelegenheid heeft gehad tijdens het gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze, om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije kenbaar te maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad.\n\nStandaardvoornemen\n\n4. Verder voert eiser aan dat ten onrechte een standaardvoornemen is uitgebracht. Verweerder heeft nagelaten om concreet te vermelden welke specifieke verklaringen en omstandigheden in zijn beoordeling zijn meegenomen.\n\n4.1.. De rechtbank overweegt over het standaardvoornemen als volgt. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 23 november 2023volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank overweegt dat in het voornemen voldoende duidelijk is uiteengezet dat, en op grond waarvan, Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien het bestreden besluit uitgebreider is gemotiveerd dan het voornemen en in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiervoor heeft eiser verwezen naar het rapport Matteo van 29 januari 2025, een artikel van Pro Asylum van 19 maart 2025, het AIDA-rapport van maart 2025, en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van\n\n11 augustus 2025. Eiser wijst er op dat de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten over pagina 86 van het AIDA-rapport waaruit volgt dat de toestand van de opvangfaciliteiten sinds 2015 ieder jaar slecht wordt, dat ieder jaar weer delen van de opvang als onbruikbaar worden aangemerkt, dat de opvangcapaciteit afneemt en dat er niet voldoende financiële middelen zijn voor verbetering hiervan. Volgens eiser is klagen bij de autoriteiten in Bulgarije niet mogelijk. Eiser stelt dat verweerder in strijd met de samenwerkingsverplichting aan eiser tegenwerpt dat hij niet heeft onderbouwd dat hij van Roemenië aan Bulgarije is overgedragen. Verweerder heeft toegang tot deze informatie en had dan ook nader onderzoek kunnen doen.\n\n5.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij heeft de Afdeling de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. Eiser heeft niet met recente informatie onderbouwd dat de beoordeling zoals in voornoemde uitspraak niet meer juist is. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 (update 2024) leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, 6 oktober 2025, 17 november 2025en 16 januari 2026waarin het AIDA-rapport (update 2024) is betrokken. De Afdeling heeft in deze uitspraken bevestigd dat uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Met de verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.\n\nBijzondere kwetsbaarheid\n\n6. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Hij heeft last van psychische problematiek. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een stuk overgelegd van Kleur GGZ van 29 januari 2026 en een uitdraai van zijn patiëntendossier. Hieruit volgt dat sprake is van depressie en suïcidaliteit. Bij eiser is de diagnose posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Hij krijgt momenteel medicatie, Quetiapine 12,5 mg. De benodigde behandeling psychotherapie is voor eiser niet beschikbaar in Bulgarije. Dit blijkt volgens eiser uit het AIDA-rapport maart 2025, pagina’s 60 en 108. Ook volgt uit informatie van de European Medicines Agency van 14 oktober 2025 dat er een tekort is aan het medicijn Quetiapine in Bulgarije.\n\n6.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij eiser sprake is van een zodanig bijzondere kwetsbaarheid dat verweerder ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel toch voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen aan Bulgarije. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken blijkt dat de medische klachten niet gelinkt zijn aan eisers overdracht aan Bulgarije, maar aan zijn verleden in Turkije en Syrië. Het is verder uit de aangehaalde informatie niet gebleken dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het uitgangspunt kan worden uitgegaan, dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en dat die ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit de informatie van de European Medicines Agency blijkt dat het tekort niet geldt voor de dosering die eiser nodig heeft. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar zijn werkwijze, in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, waarmee hij met toestemming van eiser medische informatie aan de Bulgaarse autoriteiten kan verzenden over de bijzondere behoeften van eiser.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening\n\n7. Eiser doet voorts een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening en stelt dat overdracht aan Bulgarije door verweerder getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft in dit verband verwezen naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 november 2024, waarin sprake is van een vergelijkbaar geval waarbij toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard dat zijn voeten verwond en bloedend waren en dat hij maagklachten had in Bulgarije. Eiser heeft twaalf dagen in een gesloten opvang gezeten, waar hij soms geen eten kreeg en geen medische zorg kreeg. Zijn voeten raakten ontstoken en er kwamen wormen uit. Ook heeft eiser verklaard dat hij al een keer eerder is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië en toen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar opgelegd heeft gekregen. Ook heeft eiser verklaard dat hij problemen heeft met zijn reisagenten in Sofia.\n\n7.1.. Uitgaande van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Bulgarije vanwege onevenredige hardheid. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij dusdanig getraumatiseerd is door hetgeen dat hem in Bulgarije is overkomen dat van hem redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij naar Bulgarije terugkeert. Verweerder heeft in de persoonlijke ervaringen van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Zaaknummer: NL25.44018.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2023:4348.\n\n Asylum Information Database.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:15059.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2647.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2387.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4765.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5536.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:253.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:19620.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17922","2026-07-13T00:29:20.568Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":76},"1397","ECLI:NL:RBDHA:2026:17914","ecli-nl-rbdha-2026-17914","2026-01-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL25.44018\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. K. Ross)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.\n\n1.2.. \n\nDe minister heeft op 11 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen, omdat de overdrachtstermijn op\n\n4 februari 2026, terwijl de behandeling van het beroep staat gepland op 3 februari 2026.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.\n\n2.1.. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening.Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten groter is dan het belang van de minister om verzoeker op korte termijn te kunnen overdragen aan Bulgarije. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n- veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten van € 907,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) 604\u002F2013.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17914","2026-07-13T00:29:19.574Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":34,"updatedAt":84},"1393","ECLI:NL:RBDHA:2026:17912","ecli-nl-rbdha-2026-17912","2026-01-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.3026\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2002, van Somalische nationaliteit, verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. A. Dogan)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion)\n\nInleiding\n\n1. Verweerder heeft verzoeker op 16 januari 2026 met een kennisgeving geïnformeerd over zijn overdracht op [datum] 2026 om [tijdstip] per vliegtuig met vluchtnummer [vluchtnummer] naar Barcelona, Spanje.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 16 januari 2026 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de overdracht aan Spanje.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. Verzoeker heeft op 5 juli 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft met het besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Het beroep van verzoeker is met de uitspraak van 8 december 2025door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd met de uitspraak van de Afdelingvan 9 januari 2026.\n\n2.2.. Het bezwaar is gericht tegen de feitelijke overdracht van verzoeker aan Spanje, wat een handeling is van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vwmet een besluit gelijk is gesteld.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw tegen de feitelijke overdracht is beperkt tot de wijze waarop van de bevoegdheid tot overdracht gebruik wordt gemaakt.Daarnaast is bij uitzondering bezwaar krachtens die bepaling mogelijk, indien de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit die bevoegdheid voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht mag worden uitgegaan. In dat geval moet de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten aanzien van wat hij heeft aangevoerd (of had kunnen aanvoeren) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw of niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de overdracht, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke overdracht leiden.\n\n2.4.. Verzoeker voert aan dat zijn overdracht, onder verwijzing naar het arrest Paposhvili, in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker stelt dat hij kampt met beperkt functionerende nieren en lever. Verzoeker stelt dat nu hij hier in Nederland onder behandeling is van een specialist, zijn medische behandeling niet gewaarborgd is in Spanje. Door het uitblijven van een medische behandeling in Nederland zal een medische noodsituatie ontstaan. Verzoeker stelt verder dat zijn medische behandeling beschermingswaardig privéleven oplevert. Daarnaast voert verzoeker aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing verwijst verzoeker naar het AIDA-rapport van 30 april 2025: ‘Country report: Spain (2024 update)’ en de inbreukprocedure die is gestart door de Europese Commissie. Verzoeker stelt dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel, nu hij eerder in Spanje ziek is geworden en op straat heeft geleefd.\n\n2.5.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker met wat hij heeft aangevoerd geen nieuwe of relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit van 23 oktober 2025 dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht kan worden uitgegaan. De door verzoeker aangevoerde bezwaargronden zijn reeds betrokken in de uitspraken van 8 december 2025 en 9 januari 2026. Uit deze uitspraken volgt dat ten aanzien van Spanje nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij is het AIDA-rapport van 30 april 2025 betrokken.Hetzelfde geldt voor de door verzoeker gestelde medische problematiek en kwetsbaarheid. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn bezwaar (controle)afspraken overgelegd bij de ziekenhuisafdelingen urologie, radiologie, nefrologie, alsmede bij de GGD voor een controle TBC-bestrijding. Uit deze stukken blijkt dat deze afspraken reeds in november en december 2025 zijn gemaakt, en deze informatie reeds door de rechtbank en Afdeling zijn betrokken. In de uitspraak van 8 december 2025 staat dat niet voldoende is gebleken vanernstigemedische problematiek, noch dat verzoeker daardoor is gebonden aan Nederland dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van verzoeker.Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit nu anders ligt.\n\n2.6.. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat deze grond niet tot een ander oordeel leidt, nu verzoeker dit op geen enkele manier heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Het arrest Paposhvili ziet immers op artikel 3 van het EVRM.\n\n2.7.. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen kans van slagen en bestaat, ook bij afweging van alle betrokken belangen, geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBLIM:2025:12113 (NL25.51922).\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:92.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788.\n\n ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.\n\n Asylum Information Database.\n\n ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Zie r.o. 10 en 10.1. van de uitspraak van 8 december 2025.\n\n Zie r.o. 12.1. van de uitspraak van 8 december 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17912","2026-07-13T00:29:19.453Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":89,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":34,"updatedAt":92},"359","ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","ecli-nl-rbdha-2024-23281","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.24861 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , van Soedanese nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Terpstra),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).\n\nDeze uitspraak is gerectificeerd, omdat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft opgenomen in de originele uitspraak. De originele uitspraak is gedaan op8 oktober 2024. De rechtbank heeft de originele uitspraak in deze gerectificeerde uitspraak aangevuld met de juiste overwegingen over de proceskostenveroordeling.Hieronder geeft de rechtbank de originele uitspraak weer met aanpassingen in cursief, vetgedrukt lettertype.\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 14 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat hij niet wordt overgedragen aan Frankrijk tot vier weken nadat op het beroep is beslist. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraakvan deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juli 2024 toegewezen.\n\nVerweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lotfi als tolk in de taal Arabisch-Soedanees, [de persoon 1] namens Stichting Nidos, [de persoon 2] namens het COaen de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regelgeving staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een verzoek om internationale bescherming (een asielaanvraag) niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n4. Eiser heeft op 17 december 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Uit Eurodacis gebleken dat eiser op 15 november 2023 is aangehouden in Italië en dat hij op 29 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Verweerder heeft daarom op 11 februari 2024 de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 19 februari 2024 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan.\n\n5. De rechtbank gaat verder uit van het volgende. Bij zijn aanvraag heeft eiser als geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 opgegeven. Daarvan uitgaande was eiser ten tijde van zijn asielaanvraag zestien jaar, en dus minderjarig. Eiser is geschouwd door de AVIMen door verweerder. De AVIM heeft geconcludeerd tot evidente minderjarigheid. Verweerder heeft geconcludeerd tot twijfel over de minderjarigheid van eiser. Die twijfel is ingegeven doordat uit Eurodac en ook uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2004 als geboortedatum heeft opgegeven, en dat hij in Frankrijk [geboortedatum 3] 2003 als geboortedatum heeft opgegeven. Verweerder heeft de in Italië geregistreerde geboortedatum van [geboortedatum 2] 2004 aangehouden en eiser dus aangemerkt als meerderjarig.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMocht verweerder de leeftijdsregistratie uit Italië overnemen?\n\n6. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat verweerder niet van de leeftijdsregistratie in Italië mocht uitgaan. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij zijn eerste gehoor met de AVIM en ook tijdens het aanmeldgehoor met verweerder direct heeft gezegd dat hij in Italië en Frankrijk bewust onjuiste geboortedata heeft opgegeven, om de autoriteiten daar te laten denken dat hij meerderjarig was. Dit heeft eiser gedaan om te voorkomen dat hij daar als minderjarige vastgehouden zou worden en in een opvang zou worden geplaatst. Verweerder heeft deze verklaringen ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Bovendien is niet inzichtelijk geworden welk onderzoek de Italiaanse en Franse autoriteiten, los van eisers eigen onjuiste verklaringen, aan hun leeftijdsvaststelling ten grondslag hebben gelegd.\n\n6.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij wel mocht uitgaan van de in Italië opgegeven geboortedatum. Verweer wijst in dit kader op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaruit volgt dat hij bij twijfel over de opgegeven minderjarigheid in beginsel uit mag gaan van de leeftijdsregistratie in andere lidstaten.Uit de verklaringen van eiser volgen ook geen aanknopingspunten op grond waarvan verweerder hier in zijn geval niet vanuit zou mogen gaan.\n\n6.2.. Uit Werkinstructie 2023\u002F6 volgt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum. Een vreemdeling heeft op grond van de werkinstructie echter de mogelijkheid om door middel van adequate en onderbouwde verklaringen aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde leeftijd niet de juiste is. Ook kan hij kan op grond van, bij voorkeur identificerende maar in voorkomende gevallen ook indicatieve documenten, alsnog aannemelijk maken dat de geregistreerde leeftijd onjuist is.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval niet zonder meer heeft mogen aansluiten bij de geregistreerde geboortedatum in Italië. Er zijn namelijk genoeg aanwijzingen dat deze geboortedatum niet de juiste is. Ten eerste hebben de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie in Italië aan verweerder het volgende gestuurd: “Following your request concerning the above named person, this is to inform you, that: (…) He did not submit any documents. No age testing.” De rechtbank leidt hieruit af dat eisers leeftijdsregistratie in Italië enkel tot stand is gekomen op basis van zijn eigen verklaringen. In dit kader acht de rechtbank ook van belang dat eiser zelf direct bij zijn aanmelding bij de AVIM alsook in het aanmeldgehoor bij verweerder heeft toegelicht dat hij bewust een onjuiste, meerderjarige leeftijd heeft opgegeven in Italië en Frankrijk. Ten tweede heeft de AVIM eiser als evident minderjarig heeft geschouwd. Ten slotte heeft eiser ook een foto van een geboorteakte heeft ingebracht, waarop hij staat vermeld als minderjarig. Verweerder merkt weliswaar terecht op dat deze foto niet op echtheid onderzocht kan worden, maar dat betekent niet zonder meer dat hieraan geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht. Ook met indicatieve documenten kan een vreemdeling immers aannemelijk maken dat de in een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum niet juist is.Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, mocht verweerder niet zonder meer uitgaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het bestreden besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd en daarom in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n6.4.. Verder komt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook waarde toe aan de verklaring van [de persoon 1] die eiser in beroep heeft overgelegd. In haar verklaring schrijft zij dat zij eiser sinds [datum] 2024 als jeugdbeschermer begeleidt en vanuit die rol regelmatig contact met hem heeft. Zij schrijft over eiser dat hij hulp nodig heeft bij zowel dagelijkse taken als bij emotionele gebeurtenissen en dat hij gedrag vertoont dat passend is voor een puber in zowel het contact met zijn begeleiders als zijn medebewoners. Zij kwalificeert zijn gedrag als passend bij de opgegeven minderjarige leeftijd van eiser en benadrukt dat voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling van belang is dat hij op een minderjarigenlocatie kan verblijven.’ De rechtbank begrijpt dat verweerder deze verklaring niet heeft kunnen betrekken bij het bestreden besluit, nu deze pas in beroep is overgelegd. Gelet op de ex nunc-toetsingdie in het asielrecht geldt voor zowel de feitelijke als de juridische gronden, acht de rechtbank deze verklaring echter wel relevant.\n\n6.5.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nHeeft verweerder eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw zorgvuldig uitgevoerd?\n\n7. Eiser voert verder aan dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor door verweerder onzorgvuldig is geweest. Voorafgaand aan het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw heeft eiser namelijk geen enkele vorm van voorbereiding met of begeleiding door een wettelijk vertegenwoordiger gehad. Ook was er tijdens het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw zelf geen wettelijk vertegenwoordiger aanwezig. Eiser is ook niet zorgvuldig geïnformeerd over de wijze waarop zijn verklaringen meegewogen zouden worden bij de leeftijdsschouw. Volgens eiser is de leeftijdsschouw daarom in strijd met artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.Ook heeft verweerder zich bij het afnemen van de leeftijdsschouw niet laten leiden door de belangen van het kind als eerste overweging, zodat deze schouw ook in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn. Het op de leeftijdsschouw gebaseerde bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.\n\n7.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de leeftijdsschouw tijdens het aanmeldgehoor wel zorgvuldig is geweest. Deze is namelijk conform werkinstructie 2023\u002F6 uitgevoerd. Het in deze werkinstructie neergelegde beleid verschilt niet wezenlijk van het beleid zoals neergelegd in de voorgaande werkinstructie 2018\u002F19. Dat beleid heeft de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2022 niet onredelijk geacht.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in de Nederlandse asielprocedure de rol van wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling vervuld wordt door een medewerker van Stichting Nidos, de voogdijorganisatie voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in Nederland (hierna: Nidos). De op zitting aanwezigen hebben zich uitgelaten over de wijze waarop verweerder Nidos op de hoogte stelt van de aanmelding en aanmeldgehoren van niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen. Zij hebben daarover het volgende verklaard.\n\n7.2.1.. Niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdelingen worden door verweerder geregistreerd op de dag van hun aankomst (dag 1). Een dag later (dag 2) vragen zij asiel aan bij de AVIM en worden zij gehoord en geschouwd door de AVIM. Weer een dag later (dag 3) vindt een medische controle plaats bij de GZAen worden zij gehoord en geschouwd door verweerder.\n\n7.2.2.. De voogdij van Nidos over een minderjarige niet-begeleide vreemdeling vangt formeel pas aan nadat de kinderrechter in een verzoekschriftprocedure Nidos belast heeft met de (tijdelijke) voogdij. In de regel duurt dit een aantal weken. Nidos heeft met de Nederlandse overheid de werkafspraak dat de voogdij aanvangt op het moment dat Nidos contact heeft gehad met de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling èn zij het verzoekschrift tot de voogdij heeft ingediend. Daarvóór heeft Nidos geen voogdij, niet in formele en ook niet in praktische zin. Het uitgangspunt is dat Nidos vanaf het moment dat de niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdeling geregistreerd wordt door verweerder (dag 1), vijf dagen de tijd heeft om de gestelde minderjarige vreemdeling te spreken, uit te zoeken of er wellicht meerderjarige familieleden in Nederland zijn die de voogdij op zich kunnen nemen, en een verzoekschrift tot voogdij in te dienen indien dit niet het geval is.\n\n7.2.3.. Verweerder legt elke dag (dag 2) een lijst over aan Nidos van alle aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen die de volgende dag (dag 3) plaats zullen gaan vinden. Nidos heeft verklaard dat het, door deze korte termijn die vaak minder dan één dag beslaat, voor haar medewerkers vrijwel onmogelijk is om de betreffende gestelde minderjarigen te spreken vóór het aanmeldgehoor door verweerder, laat staan hen op dit aanmeldgehoor voor te bereiden of het aanmeldgehoor zelf bij te wonen. Het feit dat de gestelde minderjarigen de eerste twee tot drie dagen in beslag worden genomen door hun afspraken bij de AVIM, de GZA en verweerder zelf, bemoeilijkt het tijdig inplannen van een gesprek met de minderjarigen en het verder uitzoeken van hun situatie.\n\n7.3.. De rechtbank overweegt dat tot 1 november 2020 voor minderjarige vreemdelingen gold dat zij na aankomst een kort eerste gehoor kregen. Daarna volgde een rustperiode van drie weken, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag volgde. In deze drie weken sprak Nidos met de niet-begeleide (gestelde) minderjarige vreemdeling, regelde zij de voogdij en kon zij de (gestelde) minderjarige vreemdeling voorbereiden op zijn of haar procedure.Vanaf 1 november 2020 is een nieuwe werkwijze ingevoerd, waarbij de behandeling van minderjarige en meerderjarige vreemdelingen gelijk is getrokken. In deze nieuwe werkwijze is het eerste gehoor vervangen door het (uitgebreidere) aanmeldgehoor. Alle vreemdelingen – meerderjarigen èn minderjarigen – krijgen na aankomst in Nederland het aanmeldgehoor, gevolgd door een rustperiode van ten minste zes dagen, waarna de inhoudelijke behandeling van de asielprocedure volgt.Het aanmeldgehoor dient ertoe om in het kader van de Dublinprocedure snel vast te kunnen stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om te bepalen of er risico’s spelen voor de nationale veiligheid en openbare orde. Anders dan bij het voormalige eerste gehoor,worden in dit aanmeldgehoor de asielmotieven kort uitgevraagd.Ook wordt tijdens het aanmeldgehoor bij de (gestelde) minderjarige vreemdeling de leeftijdsschouw uitgevoerd. Verder worden vragen gesteld over de identiteit, nationaliteit, etniciteit, religie, herkomst, reisroute, documenten, eventueel verblijf in derde landen en de personalia en verblijfplaats van familieleden.Na het aanmeldgehoor vindt het nader gehoor plaats, waarin de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld zo volledig mogelijk de tot staving van zijn of haar aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren.Deze nieuwe werkwijze is geformaliseerd bij besluit van 28 mei 2021 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n7.4.. Nidos heeft zich tijdens de consultatiefase van deze wijziging kritisch uitgelaten over deze nieuwe werkwijze.Ook Vluchtelingenwerk Nederland, de UNHCR, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Kinderombudsman hebben in de consultatiefase opgemerkt dat de procedure onvoldoende rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen.In de onderhavige procedure heeft Nidos haar kritiek uit de consultatiefase herhaald. Nidos heeft daaraan toegevoegd dat in het uitgebreidere aanmeldgehoor veel meer vragen worden gesteld dan voorheen in het korte eerste gehoor, en dat de antwoorden die gestelde minderjarige vreemdelingen hierop geven meer dan voorheen betrokken worden bij het vaststellen van de leeftijd van de vreemdeling in kwestie. Hierdoor is het volgens Nidos extra kwalijk dat de huidige werkwijze van verweerder het haast onmogelijk maakt om de gestelde minderjarige vreemdelingen te spreken vóór dit uitgebreide aanmeldgehoor, hen hierop voor te bereiden en bij het gehoor aanwezig te zijn. Op de zitting hebben Nidos en de gemachtigde van eiser gepleit voor het opnieuw invoeren van het korte eerste gehoor en de drie weken rustperiode voor gestelde minderjarige vreemdelingen, zodat Nidos weer – net als voorheen het geval was – tijd heeft de (gestelde) minderjarige te spreken, de voogdij te regelen en de (gestelde) minderjarige vreemdeling voor te bereiden op zijn of haar procedure.\n\nArtikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn\n\n7.5.. De Procedurerichtlijn stelt normen voor de procedure rondom de toekenning en intrekking van internationale bescherming. In artikel 25 van de Procedurerichtlijn zijn enkele waarborgen opgenomen die lidstaten in dit kader in acht moeten nemen voor niet-begeleide minderjarigen. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn, staat dat lidstaten zo snel mogelijk maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat een niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, staan specifieke waarborgen geregeld voor het persoonlijk onderhoud van niet-begeleide minderjarigen. Volgens dit artikel moeten lidstaten er zorg voor dragen dat de aangewezen vertegenwoordiger uit lid 1, aanhef en onder a, in de gelegenheid wordt gesteld de niet-begeleide minderjarige te informeren over de betekenis en de mogelijke gevolgen van het persoonlijke onderhoud en, indien nodig, over de wijze waarop hij zich op het persoonlijke onderhoud dient voor te bereiden. Ook moeten de lidstaten ervoor zorgen dat een vertegenwoordiger en\u002Fof een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten, bij dat onderhoud aanwezig is en de gelegenheid heeft vragen te stellen en opmerkingen te maken.\n\n7.6.. Het persoonlijk onderhoud waarnaar verwezen wordt in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, is onder andere geregeld in de artikelen 14, 15, en 16 van de Procedurerichtlijn. Uit artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, volgt dat een persoonlijk onderhoud gaat over de inhoud van het verzoek om internationale bescherming. Uit artikel 15, derde lid, aanhef, van de Procedurerichtlijn, volgt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, zorgt de beslissingsautoriteit ervoor dat, bij het afnemen van een persoonlijk onderhoud over de inhoud van een verzoek om internationale bescherming, de verzoeker voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van het verzoek noodzakelijke elementen aan te voeren.\n\n7.7.. De rechtbank overweegt dat het persoonlijk onderhoud, blijkens de hierboven genoemde artikelen uit de Procedurerichtlijn, het onderhoud is waarin een vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielrelaas en -motieven te vertellen en toe te lichten. In de Nederlandse asielprocedure heeft het persoonlijk onderhoud een plek gekregen in de vorm van het nader gehoor. Zoals ook in overweging 7.3 uiteen is gezet, wordt de vreemdeling in dit nader gehoor immers pas inhoudelijk bevraagd over zijn asielmotieven. In het aanmeldgehoor komen de asielmotieven slechts zeer summier aan de orde. Aangezien artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, betrekking heeft op het persoonlijk onderhoud, is het niet van toepassing op het aanmeldgehoor en de tijdens dat aanmeldgehoor gehouden leeftijdsschouw. Eisers beroepsgrond, dat de wijze waarop zijn leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden in strijd is met dit artikel, slaagt daarom niet.\n\nArtikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn\n\n7.8.. Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvesten artikel 3 van het IVRK. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK.\n\n7.9.. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd.\n\n7.10.. Uit artikel 22, eerste lid, van het IVRK volgt voorts dat Staten die partij zijn bij dat verdrag passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind, dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.\n\n7.11.. Artikel 22, eerste lid, van het IVRK, is verder uitgewerkt in General Comment 6.General Comment 6 dient als nadere uitleg bij het IVRK en gaat specifiek over de behandeling van niet-begeleide en gescheiden kinderen buiten hun land van herkomst. General Comment 6 heeft als doelstelling om “richtsnoeren te geven voor de bescherming, zorg en correcte behandeling van niet-begeleide en van hun familie gescheiden kinderen op basis van het gehele wettelijke kader dat wordt geboden door het Verdrag inzake de rechten van het kind”en “bundelt en consolideert de normen die onder meer door middel van de monitoringsinspanningen zijn ontwikkeld en geeft aldus de Staten duidelijke aanwijzingen over de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag met betrekking tot deze specifieke kwetsbare groep kinderen.”In General Comment 6 staat het volgende over artikel 22, eerste lid, van het IVRK (onderstreping door de rechtbank):\n\n“Procedurele waarborgen en ondersteunende maatregelen (art. 3(3))\n\n68. Passende maatregelen die op grond van artikel 22(1) van het Verdrag vereist zijn, dienen rekening te houden met de bijzondere kwetsbaarheid van niet-begeleide en gescheiden kinderen en met het nationale rechtskader en de nationale voorwaarden. Dergelijke maatregelen moeten worden geleid door de onderstaande overwegingen.\n\n69. Een asielzoekend kind dient te worden vertegenwoordigd door een volwassene die bekend is met de achtergrond van het kind en die bevoegd en in staat is om zijn of haar belangen te behartigen (…). Het niet-begeleide of gescheiden kind dient tevens in alle gevallen kosteloos toegang te krijgen tot een bevoegde wettelijke vertegenwoordiger, ook wanneer het verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus volgens de normale procedures voor volwassenen wordt behandeld.(…).\n\n72. De gesprekken dienen te worden gevoerd door vertegenwoordigers van de beslissingsinstantie voor de vluchtelingenstatus, die rekening houden met de bijzondere situatie van niet-begeleide kinderen om de beoordeling van de vluchtelingenstatus uit te voeren en inzicht te krijgen in de geschiedenis, de cultuur en de achtergrond van het kind. Het beoordelingsproces dient een onderzoek per geval te omvatten van de unieke combinatie van factoren behorend bij ieder kind, met inbegrip van de persoonlijke, gezins- en culturele achtergrond van het kind. De voogd en de wettelijke vertegenwoordiger dienen aanwezig te zijn bij alle gesprekken.”\n\n7.12.. Uit het voorgaande volgt dat de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling aanwezig moeten zijn bij alle gesprekken die hij of zij met de beslissingsautoriteit voert. Dat betekent dat een begeleider van Nidos aanwezig had moeten zijn bij eisers aanmeldgehoor en de tijdens dat gehoor gehouden leeftijdsschouw. Niet in geschil is dat bij eisers aanmeldgehoor en leeftijdsschouw geen begeleider van Nidos aanwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wijze waarop het aanmeldgehoor en de leeftijdsschouw hebben plaatsgevonden in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK. De voorbereiding van het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig geweest. Het bestreden besluit is dus genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond van eiser slaagt.\n\n7.13.. De rechtbank overweegt verder dat de wijze waarop eisers aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden niet op zichzelf staat, maar een gevolg is van de werkwijze van verweerder – zoals uiteengezet onder 7.2.1 tot en met 7.2.3 – ten aanzien van het plannen van de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen en het op de hoogte brengen hiervan van Nidos. Deze werkwijze maakt het nagenoeg onmogelijk voor Nidos om deze kwetsbare groep bij te staan en te vertegenwoordigen. De rechtbank stelt vast dat de werkwijze van verweerder heeft geleid tot een besluit dat niet in stand kan blijven. De rechtbank geeft verweerder daarom mee om met Nidos om tafel te gaan over nieuwe werkafspraken, zodat het wel mogelijk is voor Nidos om aanwezig te zijn bij de aanmeldgehoren van niet-begeleide gestelde minderjarige vreemdelingen.\n\n7.14.. De rechtbank volgt verweerder niet in haar stelling dat deze werkwijze is goedgekeurd door de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2022. In deze uitspraak heeft de Afdeling zich namelijk alleen uitgelaten over de wijze waarop (de rechtsvoorganger van) verweerder in Dublinzaken inhoudelijk invulling geeft aan het onderzoek naar de leeftijd als er twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid van een vreemdeling en de vreemdeling in een of meerdere andere lidstaten zowel als minderjarige als meerderjarige staat geregistreerd. De Afdeling heeft zich in deze uitspraak niet, althans niet expliciet, uitgelaten over de wijze waarop verweerder de aanmeldgehoren van gestelde minderjarigen inplant en Nidos hiervan op de hoogte brengt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 6.3, 6.4 en 7.8 tot en met 7.12, in strijd is met artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, artikel 24, tweede lid, van het Handvest, en artikel 3, eerste en derde lid, en artikel 22, eerste lid, van het IVRK, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers leeftijdsregistratie te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.\n\n8.2.. \n\nOmdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nVerweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Bij uitspraak van 22 juli 2024 op de door eiser gevraagde voorlopige voorziening heeft de rechtbank reeds een punt toegekend voor het deelnemen aan de zitting.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het besluit van 14 juni 2024;\n\ndraagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n zaaknummer NL24.24862.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Verordening EU\u002F604\u002F2013.\n\n European Asylum Dactyloscopy Database.\n\n Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Werkinstructie 2023\u002F6, paragraaf 2.4.2.\n\n Artikel 83a van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3147.\n\n GezondheidsZorg Asielzoekers.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3; Nota van Toelichting, Staatsblad 2021, 250, paragraaf 5.5, pagina 30.\n\n Artikel 3.109, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 2;\n\n Artikel 3.108d, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.108d, zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250.\n\n Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 30.\n\n Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen.\n\n Advies van de Raad van State van 24 maart 2021, Staatscourant 2021, nr. 33182, kenmerk W16.20.0500\u002FII, pagina 3 tot en met 4; Nota van toelichting, Staatsblad 2021, 250, pagina 29 en 30.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nVerdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.\n\n Toelichting bij het Handvest, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C305\u002F25. Ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, en artikel 52, zevende lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet de Toelichting bij het Handvest voor de uitlegging van het Handvest in acht worden genomen.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, eerste alinea.\n\n General Comment 6 van het Comité voor de Rechten van het Kind, CRC\u002FGC\u002F2005\u002F6, pagina 7, vierde alinea.\n\n Zaaknummer NL24.24862.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23281","2025-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.995Z",20]