[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":45,"total":16,"page":25,"limit":112},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-02-24T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39,42],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122349","Burgerlijk Wetboek","art. 10:56",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123060","art. 3:178 lid 3",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123063","art. 3:175",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123064","art. 3:172",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"123120","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 224",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"123121","art. 7:175 lid 2",{"provisionId":43,"code":37,"article":44,"count":25},"123122","art. 170",[46,57,64,72,80,89,97,104],{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":56},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.621Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":61,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":63},"913","ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","ecli-nl-rbdha-2026-18537","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.4117\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. B.D. Lit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nInleiding\n\n1.1.. Met een tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRMte herstellen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, gelet op de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand, omdat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dus terecht afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en daarmee het bestreden besluit van 11 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n2.3.. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een aanvullend besluit genomen op het bestreden besluit van 11 januari 2024. Verweerder heeft in dit besluit een nieuwe belangenafweging gemaakt, met inachtneming van de tussenuitspraak.\n\n2.4.. Eiseres heeft op 16 februari 2026 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen op 9 april 2026 laten weten een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het jongvolwassenenbeleid af te wachten. De Afdeling heeft op 27 mei 2026 drie uitspraken gedaan over dit onderwerp.De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraken. Eiseres heeft op 24 juni 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.\n\n3.2.. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen.De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.\n\n3.3.. Eiseres voert aan dat verweerder met het aanvullende besluit van 20 januari 2026 nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nEerste toelating\n\n4.1.. Eiseres wijst allereerst op overweging 3.4 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de factor dat eiseres nooit eerder rechtmatig verblijf heeft gehad wel mag meenemen in de belangenafweging, maar dat deze factor niet in het nadeel van eiseres mag wegen. Volgens eiseres heeft verweerder in het aanvullende besluit echter wel in haar nadeel gewogen dat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is, dat zij daar bezig is met haar studie en dat nergens uit blijkt dat het voor de uitoefening van het gezinsleven noodzakelijk is dat zij hier in Nederland onder één dak woont, of dat er een specifieke afhankelijkheid is waarom eiseres niet zonder haar ouders kan. Verweerder heeft ook meegenomen dat eiseres geen banden heeft met Nederland, omdat zij daar nooit heeft gewoond.\n\n4.2.. De rechtbank volgt hierin eiseres niet. In overweging 3.4ging het er om dat de omstandigheid dat sprake is van een eerste toelating niet als factor op zichzelf in het nadeel van een betrokkene mag meewegen in de belangenafweging. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft die omstandigheid neutraal meegewogen, zo heeft verweerder dat gesteld op pagina 3 van het aanvullende besluit:\n\n‘U hebt nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Het gaat in dit geval om een eerste toelating. Rekening houdend met rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak weeg ik in deze belangenafweging neutraal mee dat het gaat om een eerste toelating.’\n\nVerweerder heeft verder de omstandigheid dat eiseres nooit in Nederland heeft gewoond alleen meegenomen om te bepalen hoeveel gewicht er toekomt aan andere belangen. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nOmstandigheden van het jongvolwassenenbeleid\n\n5.1.. Eiseres wijst verder op overweging 3.5 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid is betrokken in de belangenafweging. Volgens eiseres heeft verweerder nog steeds nagelaten om in positieve zin mee te wegen dat het zijn van een jongvolwassene inhoudt dat er nog altijd een sterke afhankelijkheid bestaat ten opzichte van de ouders.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit voorop gesteld dat eiseres als jongvolwassene wordt gezien. Verweerder heeft verder de omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid expliciet genoemd, namelijk dat eiseres ten tijde van de aanvraag nog bij haar ouders woonde, dat zij na vertrek van haar vader naar Nederland bij haar moeder en broertje heeft gewoond en dat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Uit het aanvullende besluit volgt ook dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft echter beoordeeld hoe sterk het familieleven is, en in dat kader heeft verweerder overwogen dat aan het familieleven tussen een jongvolwassene en diens ouders minder gewicht toekomt dan aan het familieleven van een kerngezinslid en diens ouders. Verweerder heeft in dat kader ook overwogen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie, en dat het de verwachting bij een jongvolwassene is dat deze op korte termijn zelfstandig zal worden.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullende besluit blijkt dat verweerder de omstandigheden die tot de toepassing van het jongvolwassenenbeleid hebben geleid, expliciet en voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Verweerder heeft deze omstandigheden echter ook meegenomen bij de weging van hoe sterk het familielieven is, en in dat kader heeft verweerder een ander gewicht toegekend aan die omstandigheden dan eiseres zou wensen. Dat maakt echter nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n5.4.. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken (en dat in dit geval dus ook heeft gedaan) als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat namelijk los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers.Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen.Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert.De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar standpunt dat verweerder de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid in positieve zin had moeten meewegen.\n\nOmstandigheden ten tijde van de aanvraag\n\n6.1.. Eiseres wijst op overweging 3.6 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging moet worden gemaakt op basis van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Volgens eiseres wijdt verweerder echter een te groot deel van het aanvullende besluit aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag. Zo heeft verweerder meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie. Volgens eiseres heeft verweerder verder nagelaten inzichtelijk mee te nemen dat eiseres ten tijde van de aanvraag net achttien jaar oud was.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit vooropgesteld dat de belangenafweging is gemaakt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij genoemd dat eiseres ten tijde van de aanvraag achttien jaar oud was en dat zij als jongvolwassene wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerder is uitgegaan van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag en dat eiseres net achttien jaar oud was. Verweerder heeft echter, voor de weging van het familieleven, meegenomen dat eiseres op dit moment studeert en dat zij al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit mogen doen. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening mag houden met de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder een te groot deel van het aanvullende besluit heeft gewijd aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag.\n\nRestrictief toelatingsbeleid\n\n7.1.. Eiseres wijst op de volgende overweging van verweerder uit het aanvullende besluit: ‘Mijn conclusie is dat, alles samengenomen, uw belang om familieleven uit te oefenen in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.’\n\nVolgens eiseres miskent verweerder hiermee dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is, maar een middel om een ander belang te bevorderen, zoals het economisch belang.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In de overweging van verweerder die eiseres heeft geciteerd, heeft verweerder wel alleen het restrictief toelatingsbeleid genoemd als algemeen belang. Uit het aanvullende besluit blijkt echter verder dat verweerder ook andere belangen van de Nederlandse overheid heeft genoemd, namelijk het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden opgemaakt dat verweerder niet is uitgegaan van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang. Dat verweerder alleen het restrictief toelatingsbeleid heeft genoemd in de overweging die eiseres heeft geciteerd, maakt dit niet anders.\n\nEconomisch belang\n\n8.1.. Eiseres voert aan dat het aanvullende besluit niet voldoet aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader in de uitspraken van 27 mei 2026. Verweerder heeft ten onrechte een categorische weging van het economisch belang gedaan en volstaat met algemene, abstracte verwijzingen naar het restrictieve toelatingsbeleid. Verweerder heeft niet kenbaar inzichtelijk gemaakt waarom het economisch belang in dit concrete geval prevaleert boven het gestelde gezinsleven. Verweerder had in dit geval het economisch belang minder zwaar moeten wegen, omdat referent al meer dan vier jaar onafgebroken in Nederland werkzaam is als kok en in het onderhoud van eiseres kan voorzien.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het aanvullende besluit volgt dat verweerder aan eiseres haar beroep op de openbare kas en de oververhitte woningmarkt niet meer heeft tegengeworpen. Verweerder heeft wat dat betreft dus voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak in overweging 3.9. Verweerder heeft verder in de weging van het economisch belang meegenomen dat referent de kosten kan dragen en dat eiseres bij referent kan wonen. Verweerder heeft dit in het voordeel van eiseres gewogen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder een categorische weging van het economisch belang heeft gedaan. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiseres betrokken in de weging en heeft deze in haar voordeel gewogen. Verweerder heeft aan die omstandigheden echter niet doorslaggevend gewicht toegekend, zoals eiseres wel zou wensen. Maar dat maakt niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n8.3.. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte als negatieve factor de onzekere toekomstige gebeurtenis heeft betrokken dat eiseres als jongvolwassene op korte termijn zelfstandig zou worden. Verweerder heeft nagelaten te waarderen hoe concreet de verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Volgens eiseres had verweerder dit wel moeten doen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 27 mei 2026 in het kader van de weging van het economisch belang geoordeeld hoe verweerder om moet gaan met een beroep van een vreemdeling op te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Volgens de Afdeling mag verweerder, wanneer een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. In het geval van eiseres heeft verweerder de verwachting dat zij op korte termijn zelfstandig zal worden meegenomen in de weging van hoe sterk het familieleven is. In de weging van het economisch belang heeft verweerder niet in het nadeel van eiseres meegenomen dat zij op korte termijn zelfstandig zou worden, maar heeft verweerder juist in haar voordeel betrokken dat referent voor haar de kosten kan dragen en dat zij bij referent kan wonen. De rechtbank kan deze weging volgen, zoals al is geoordeeld in overweging 8.2. Verweerder heeft verder in de weging van hoe sterk het familieleven is wel meegenomen dat eiseres op korte termijn zelfstandig zou worden, maar daar heeft verweerder wel gewaardeerd hoe concreet deze verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Verweerder heeft hier namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is en dat zij bezig is met haar studie. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nBanden broertje met Nederland\n\n9.1.. Eiseres voert aan dat verweerder in het aanvullende besluit voor het eerst stelt dat haar broertje nog niet veel banden heeft met Nederland en zich nog goed kan aanpassen. Volgens eiseres is dit standpunt gebaseerd op eigen aannames van verweerder en eiseres betwist dit.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het aanvullende besluit heeft gesteld dat eiseres niet heeft betwist dat haar broertje ook nog niet zo veel banden heeft met Nederland en dat hij zich goed kan aanpassen aan een nieuwe situatie in Nepal. Verweerder heeft daarom gesteld niet anders te kunnen concluderen dan dat het gezinsleven ook in Nepal kan worden uitgeoefend. Verweerder heeft dit meegenomen bij de weging hoe sterk de banden van het gezin met Nederland is. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder dat in dat kader heeft meegenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn aanvullende besluit het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft afgewezen.\n\n10.2.. \n\nOmdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de reactie na de uitspraken van de Afdeling van\n\n27 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048 en ECLI:NL:RVS:2026:3049.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.\n\n En zo blijkt dit ook uit WI 2020\u002F16, waarnaar de rechtbank in overweging 3.4 heeft verwezen.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.\n\n Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449. Dit heeft de Afdeling ook recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","2026-07-13T00:28:54.273Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":71},"909","ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","ecli-nl-rbdha-2026-18491","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.30546 (voorlopige voorziening)\n\n NL25.43387 (beroep)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoekster] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. J. Werner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvvom bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.\n\nVerzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten.\n\nDe voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste.\n\nOmdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 17 januari 2025 wees de minister de aanvraag van verzoekster om een mvv af. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar.\n\n1.1.. Met de beslissing op bezwaar van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) verklaarde de minister het bezwaar ongegrond.\n\n1.2.. Verzoekster stelde hiertegen op 8 september 2025 beroep in. Op 1 juni 2026 vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister haar tijdens de beroepsprocedure moet toelaten tot Nederland. Op zitting vulde verzoekster dit verzoek aan: als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat de minister haar tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland moet toelaten.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter behandelde de zaken op 29 juni 2026 op zitting. Referent, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.\n\nOverwegingen\n\n2. Na afloop van de zitting kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awbniet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\nInleiding\n\n3. Verzoekster trouwde op [datum] 2023 in Marokko met referent. Referent woont sinds 1992 in Nederland en heeft vanaf 1999 de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.1.. Op 13 juni 2024 vroeg verzoekster een mvv aan, omdat zij bij referent in Nederland wil verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De minister zag geen aanleiding om verzoekster van dat vereiste te ontheffen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag.\n\nDiscriminatieverbod\n\n4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen, gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit\u002Fras.\n\n4.1.. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, alleen op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De voorzieningenrechter zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest. De beroepsgrond slaagt.\n\nHoorplicht\n\n5. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord.\n\n5.1.. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.\n\n5.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de bezwaargronden onder andere zagen op de zaakoverstijgende vraag over het discriminatieverbod, maakt niet dat het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft verzoekster er juist terecht op gewezen dat de conclusie dat een bezwaar kennelijk ongegrond is, zich slecht verhoudt tot het feit dat er zodanige twijfel is over het antwoord op de rechtsvraag dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verzoekster in beroep heeft toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en nog nadere stukken in kon dienen, wat mogelijk is tot tien dagen voor de hoorzitting. Door het onverwacht nemen van een beslissing op bezwaar, is dit niet gebeurd. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over bijvoorbeeld hoelang verzoekster lessen heeft gevolgd, wat deze lessen inhielden en wat de achtergrond van de docent is. Een hoorzitting was bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen. De beroepsgrond slaagt.\n\nOntheffing\n\n6. Verzoekster stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister heeft miskend dat zij zich over een lange periode heeft ingezet om het examen te behalen en gelet daarop voor ontheffing in aanmerking komt.\n\n6.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een vreemdeling kan ontheffing krijgen van de plicht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Of de vreemdeling ontheffing krijgt, hangt volgens de minister onder andere af van de inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Deze inspanningen om te slagen voor het examen mogen niet zo lang duren dat gezinshereniging onmogelijk of heel erg moeilijk wordt gemaakt.\n\n6.2.. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en te slagen voor het examen. In bezwaar heeft verzoekster ter onderbouwing van haar inspanningen slechts een verklaring van [persoon] van 30 mei 2024 overgelegd. Daarin staat onder andere dat verzoekster vanaf september 2023 tot heden (30 mei 2024) de inburgeringscursus Nederlandse taal heeft gevolgd en vanaf september 2023 tot begin april 2024 privélessen thuis heeft gekregen, vier uur per week, twee uur per les. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat de verklaring summier is, geen informatie geeft over de inhoud van de gestelde cursus of wat de achtergrond van de lerares is, niet is toegelicht wat verzoekster concreet heeft gedaan tijdens de cursus en op welke manier zij werd begeleid. De door verzoekster in beroep overgelegde uitslagen van drie basisexamen maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel uit de besluitvorming van de minister volgt dat behaalde scores voor afgelegde examens een indicatie geven voor de geleverde inspanningen, volgt hieruit niet dat verzoekster ook daadwerkelijk voldoende inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (alle onderdelen van) het examen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen van het beroep\n\n7. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit discriminatoir is en de minister de hoorplicht heeft geschonden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.\n\nVoorlopige voorziening\n\n8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de primair verzochte voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet verder ook geen aanleiding om de subsidiair verzochte voorzieningtoe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n8.1.. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen en daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen sprake is van een bijzonder zwaarwegend spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt op basis van de verklaring van de huisarts vast dat referent wordt geopereerd aan zijn linkeroor en dat er een trommelvliessluiting zal plaatsvinden. Referent mag nadien niet tillen, bukken of huishoudelijk werk verrichten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor referent wenselijk is dat verzoekster hem (emotioneel en) praktisch kan ondersteunen na de operatie, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist zij de zorg aan referent moet verlenen en zorg door bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige dan wel huishoudelijk hulp (via de gemeente) niet voldoende zou zijn. De door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat haar de toegang tot Nederland moet worden verschaft nog voordat er opnieuw is besloten op haar bezwaar.\n\nProceskosten\n\n9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;\n\ndraagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nwijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af;\n\nbepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Hoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3412, rechtsoverweging 8, waaruit volgt dat aangenomen kan worden dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18491","2026-07-13T00:28:54.120Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":76,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":55,"updatedAt":79},"665","ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","ecli-nl-rbams-2026-6627","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F768717 \u002F FA RK 25-3298\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nBeschikking echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. S. Toughza uit Amsterdam,\n\nen\n\n [de man],\n\nhierna te noemen de man,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. J. Werner uit Amsterdam.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie 1] , hierna te noemen: de Raad.\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\nJeugdbescherming Regio Amsterdam,\n\ngevestigd te [locatie 2] ,\n\nhierna te noemen: JBRA.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift van de vrouw, ontvangen op 6 mei 2025;\n\nhet verweerschrift van de man, met daarin een zelfstandig verzoek, ontvangen op 18 september 2025;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 13 oktober 2025 met daaraan gehecht een brief van de Raad waaruit blijkt dat de Raad naar aanleiding van door Veilig Thuis gemelde zorgen een beschermingsonderzoek zal doen naar [minderjarige] ;\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 29 mei 2026 met de mededeling dat een audio-opname via Zivver wordt nagestuurd;\n\neen brief van de man van 2 juni 2026 waarin zijn advocaat reageert op het door de vrouw ingediende audiobestand en het zelfstandige tegenverzoek wordt gewijzigd;\n\nhet F-9 formulier van de vrouw van 4 juni 2026 waarin zij de rechtbank verzoekt dat de gezinsvoogd graag een uitnodiging krijgt voor de mondelinge behandeling en\n\nhet F9-formulier van de vrouw van 4 juni 2026 met daaraan gehecht een productie.\n\n1.2.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nPartijen en hun advocaten, mevrouw [persoon 1] van de Raad en mevrouw [persoon 2] , gezinsvoogd werkzaam voor JBRA en een collega.\n\nPartijen hebben over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is beschikking bepaald op heden.\n\n2. Wat vaststaat\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] , België.\n\n2.2.. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft de Algerijnse nationaliteit.\n\n2.3.. Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [plaats 2] .\n\n2.4.. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij brief van 16 september 2025 de vrouw bericht dat na aanleiding van een melding van Veilig Thuis [locatie 3] een beschermingsonderzoek zal worden verricht naar de situatie van [minderjarige] .\n\n2.5.. Op 2 februari 2026 heeft deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBRA met ingang van 2 februari 2026 tot 2 november 2026.\n\n3. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is\n\n3.1.. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken en Nederlands recht is van toepassing.\n\nEchtscheiding\n\n3.2.. \n\nOp grond van artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van het minderjarige kind van partijen. In dit geval ontbreekt een door beide ouders ondertekend ouderschapsplan. Er is voldoende onderbouwd waarom partijen geen ouderschapsplan hebben overgelegd. De rechtbank zal derhalve onder toepassing van artikel 815 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het verzoek tot echtscheiding inhoudelijk behandelen. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.\n\nHoofdverblijfplaats\n\n3.3.. Beide partijen verzoeken de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hen te bepalen.\n\n3.4.. De vrouw stelt dat zij altijd hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest.\n\n3.5.. De man stelt dat beide partijen gezamenlijk de zorg over [minderjarige] hebben gedragen, er was nooit één hoofdverzorger. De man betwijfelt of de vrouw wel geschikt is om (alleen) voor de zoon te zorgen. De vrouw blowt veel en er komen bij haar thuis voortdurend mensen over de vloer waarbij er ook wel sprake is van drugsgebruik, de man wil daarover verder niet in detail treden. Dit zorgt voor een onvoldoende stabiele en veilige thuissituatie. De man denkt dat het meest in het belang van [minderjarige] is als hij het hoofdverblijf bij de man zal krijgen, echter op dit moment kan er geen sprake zijn van het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem; de verhuurder staat niet toe dat [minderjarige] langer dan twee nachten elkaar bij de man verblijven. De man hoopt binnenkort een geschikte woning te krijgen waar [minderjarige] langer bij de man kan verblijven.\n\n3.6.. De rechtbank begrijpt het standpunt van de man aldus dat hij zijn verzoek op dit moment in feite niet langer handhaaft en dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw. Omdat [minderjarige] zijn feitelijke hoofdverblijf bij de vrouw heeft en de rechtbank het in zijn belang acht dat deze situatie ook juridisch wordt vastgelegd en de man daartegen niet langer verweer voert, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. De Raad heeft het verzoek van de vrouw gesteund omdat [minderjarige] bij de vrouw woont.\n\nZorgregeling\n\n3.7.. Beide partijen hebben verzocht een zorgregeling vast te stellen.\n\n3.8.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat [minderjarige] bij de man is elke dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt voor de Lidl bij [locatie 4] .\n\n3.9.. In het verleden is er sprake geweest van huiselijk geweld, waar [minderjarige] ook getuige van is geweest. De vrouw onderschrijft het belang van contact tussen de man en [minderjarige] en heeft dit ondanks het verleden van partijen ook nooit geweigerd, maar zij maakt zich wel zorgen en wil dat er voorzichtig wordt omgegaan met [minderjarige] . [minderjarige] ziet zijn vader nu elke dinsdag. Inmiddels verloopt de regeling steeds beter. [minderjarige] had in het begin veel moeite om naar zijn vader toe te gaan. De vrouw wil dat de regeling rustig wordt uitgebreid, in afstemming op [minderjarige] . Op dit moment vindt na overleg met de gezinsvoogd de overdracht plaats in het appartementencomplex waar de vrouw en [minderjarige] wonen. [minderjarige] loopt de trap af en de man vangt hem daar op. De vrouw heeft niet het idee dat de man werkelijk naar een co-ouderschap wil toewerken. Zij vermoedt dat de man denkt dat een co-ouderschap de kansen van de man op een verblijfsvergunning verhoogt. De vrouw vindt het fijn dat JBRA en Sipi, de betrokken hulpverleningsorganisatie, meekijken. Zij hoopt dat er ook de mogelijkheid zal zijn dat [minderjarige] met een psycholoog kan praten. [minderjarige] slaapt heel erg onrustig end dat baart de vrouw zorgen. De vrouw is niet tegen een uitbreiding op termijn met overnachtingen, maar vindt dat de uitbreiding in het tempo moet gaan van [minderjarige] . Omdat de vrouw doordeweeks werkt na kantoortijden en in het weekend moet er in de regeling ruimte zijn voor haar om [minderjarige] op haar vrije momenten te zien. Als de man in het weekend de zorg niet kan dragen dan moet er een manier gevonden worden om de vrije momenten te delen. De vrouw zou de dinsdag willen aanhouden en daarbij een regeling in het weekend.\n\n3.10.. De man heeft verzocht om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag tot zondagavond (na het eten) en waarbij de overdracht plaatsvindt op [locaties] .\n\n3.11.. Voor de man is het essentieel dat [minderjarige] en hij met grotere regelmaat en voor een langere tijd per keer omgang hebben. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij is blij en vrolijk bij de man. De man kan goed voor [minderjarige] zorgen en het gaat steeds beter. De man wil een uitbreiding ook stap voor stap doen in het belang van [minderjarige] . De man wil zijn rol als vader serieus oppakken. De man wil wel graag duidelijkheid over wat er op termijn mogelijk zal zijn. De man heeft werk dat zich in het weekend concentreert. Daarom moet er een compromis gevonden worden waarin beide partijen tijd met [minderjarige] kunnen doorbrengen op hun vrije momenten. Overdag kan de man de zorg dragen in het weekend, maar hij werkt in het weekend ’s avonds. De man betwist dat hij enkel een co-ouderschap op papier zou willen om een verblijfsvergunning te kunnen krijgen. Zijn diepste wens is om meer tijd door te brengen met [minderjarige] .\n\n3.12.. De gezinsvoogd heeft op de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat sinds de afgelopen maanden dat JBRA betrokken is de situatie is verbeterd. Er is veel gebeurd in het verleden. Beide ouders werken nu goed mee met de hulpverlening. Op dit moment is Sipi betrokken die helpt bij de omgang. JBRA vindt het belangrijk dat uitbreiding van de zorgregeling veilig gebeurt. Gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het belangrijk dat er wordt uitgebreid door vaker kortere momenten te organiseren. Het zou fijn zijn voor [minderjarige] als er meer duidelijkheid komt.\n\n3.13.. De raadsmedewerker heeft op de mondeling behandeling het volgende naar voren gebracht. De overdracht zoals die nu plaats vindt van [minderjarige] van de ene naar de andere ouder is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is twee jaar en daarmee veel te jong om alleen de oversteek in het trappenhuis te moeten maken van moeder naar vader. Door de overdracht op deze manier te doen heeft [minderjarige] geen support van zijn ouders, geen toestemming om naar de andere ouder te gaan, en dat moet echt anders. Het is fijn dat Sipi helpt bij het organiseren van een goed veilige omgang. De vrouw moet vragen kunnen stellen over de omgang van [minderjarige] bij vader en vader andersom ook. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat beide ouders betrokken zijn, ook als [minderjarige] op dat moment niet bij hen is. Het is dus ook belangrijk dat informatie over het adres waar [minderjarige] met de man verblijft, kenbaar wordt gemaakt aan de vrouw. Ouders dienen zich te allen tijde af te vragen wat zij zelf kunnen doen om het voor [minderjarige] gemakkelijker te maken. Het is voor alle betrokkenen fijn om een stip op de horizon te hebben naar de toekomstige situatie waarin de zorgregeling verder is uitgebreid. Maar het voorstel van de man geeft te veel onrust. [minderjarige] is nog erg klein en de zorgregeling moet worden opgebouwd. Er zit nu teveel spanning op. De Raad wil meegeven dat er voorzichtig en langzaam naar uitbreiding met eerst een nachtje moet worden toegewerkt. Naar de vrouw toe geeft de Raad mee dat kinderen onrustiger gaan slapen als er spanningen zijn, maar dit ook past bij de leeftijd. [minderjarige] bevindt zich midden in de fase van het opbouwen van hechting met de man. Daar hoeft de vrouw zich nu geen zorgen over te maken. Het is belangrijk dat [minderjarige] terugkijkt op deze periode later en vindt dat zijn ouders dit best wel goed voor hem hebben geregeld. Omdat [minderjarige] nog heel klein is, is het extra belangrijk dat er goed naar [minderjarige] wordt gekeken. Als het een keer niet zo goed gaat, breng hem dan terug. Vader gaat steeds belangrijker worden. De Raad adviseert om in overleg met Sipi en JBRA op termijn uit te breiden naar contact op bijvoorbeeld maandag en van donderdag op vrijdag, dan is er iets meer ruimte tussen de contactmomenten. Toewerken naar twee nachtjes op termijn is een mogelijkheid. Maar het is afwachten hoe [minderjarige] daarop zal reageren. Kan hij met toestemming van beide ouders en onbelast toewerken aan een uitgebreidere zorgregeling? Het zal waarschijnlijk een stuk sneller gaan als de spanningen tussen partijen eindigen. Misschien kunnen partijen in overleg met hun advocaten kijken naar de werktijden van beide ouders en komen tot een plan.\n\n3.14.. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank zal de huidige zorgregeling vastleggen en daarbij bepalen dat deze regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA plaatsvindt, die zich terzake laat informeren en adviseren door Sipi. Deze zorgregeling wordt op termijn uitgebreid naar een regeling waarbij [minderjarige] ook bij zijn vader zal overnachten. Dat zal eerst een nacht per week zijn en, indien dit goed gaat en JBRA daartoe aanleiding ziet, naar twee nachten per week. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de voorgeschiedenis van partijen moet deze uitbreiding behoedzaam en in afstemming op [minderjarige] plaatsvinden. Met betrekking tot de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige regeling, waarbij de twee-jarige [minderjarige] zelf het trappenhuis van de flat alleen naar boven en naar beneden moet lopen, niet in het belang van de minderjarige is. De overdracht dient bij de vrouw voor de deur plaats te vinden zodat [minderjarige] de toestemming voelt om naar de andere ouder te gaan. Van de ouders mag verwacht worden dat zij zich ervoor inspannen dat de overdracht voor [minderjarige] rustig en prettig verloopt. De man dient [minderjarige] bij de vrouw op te halen en weer terug te brengen.\n\nMitsdien wordt beslist als volgt.\n\n4. De beslissing\n\n4.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 21 oktober 2022 in [plaats 1] (België);4.2.. stelt vast dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;4.3.. \n\nstelt vast dat [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man is:\n\n- iedere dinsdag van 12.00 uur tot en met 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en weer terugbrengt,\n\nwelke regeling onder regie en aanwijzingen van JBRA wordt uitgebreid met een nacht per week en in de verdere toekomst twee nachten per week, in afstemming op [minderjarige] ;\n\n4.4.. deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad met uitzondering van de echtscheiding;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.B. Sluijs, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. van den Berg, griffier op 3 juli 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.\n\n Echtscheiding: art. 3 Brussel II-ter en art. 10:56 BW. Ouderlijke verantwoordelijkheid: art. 7 Brussel II-ter en art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6627","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.987Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":55,"updatedAt":88},"1071","ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","ecli-nl-rbams-2026-6717","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F769715 \u002F HA ZA 25-1090\n\nVonnis van 1 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [woonplaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] (en samen [eisers] ),\n\nadvocaat: mr. M.J. Koning,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 3] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat voorheen mr. D.B. den Hartog en nu zonder advocaat.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 15 mei 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord tevens een tegenvordering (eis in reconventie), met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in de tegenvordering (reconventie), met producties,\n\n- het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en\n\n- de door [eisers] op 7 april 2026 overgelegde akte met een productie en de op 18 mei 2026 door [eisers] overgelegde vertaling van die productie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser 1] en [gedaagde] zijn in Marokko met elkaar getrouwd en zij hebben drie meerderjarige kinderen. [eiser 2] is een van hun zonen. Hij is geboren op [geboortedag] 1981. De rechtbank Amsterdam heeft in oktober 2022 de echtscheiding tussen [eiser 1] en [gedaagde] uitgesproken, maar die beschikking kon niet worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand wegens onduidelijkheid over de huwelijksdatum en daarom zijn [eiser 1] en [gedaagde] nog met elkaar getrouwd.\n\n2.2.. Partijen zijn sinds 2005 gezamenlijk - ieder voor 1\u002F3e deel - de eigenaar van het appartement(srecht) aan de [adres 1] (hierna: het appartement). Op het appartement rust een hypothecaire geldlening. [eiser 2] heeft het appartement in 2015 verlaten en [eiser 1] in 2020. [gedaagde] woont nog in het appartement.\n\n3. Het geschil\n\nde vordering van [eisers] (conventie)\n\n3.1.. \n\n [eisers] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen op grond van artikel 3:185 lid 2 sub c BW;\n\nII. te bepalen dat het appartementsrecht betreffende het appartement als volgt wordt verkocht:\n\na. [eisers] te machtigen om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] of, als [naam] niet beschikbaar is, aan een andere in [plaats] gevestigde makelaar, om het appartement te taxeren en te bemiddelen bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\nb. te bepalen dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een en ander behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nc. te bepalen dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;\n\nd. te bepalen dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\ne. partijen te gebieden hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop- en leveringsakten en de overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening en\n\nf. te bepalen dat indien en voor zover enige partij de sub d en\u002Fof e bedoelde medewerking niet voortvarend verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking;\n\nIII. althans subsidiair ten opzichte van het gevorderde onder II te bepalen dat het appartementsrecht zal worden verkocht en geleverd op een door de rechtbank te bepalen andere wijze;\n\nIV. te bepalen dat partijen de kosten van de makelaar en alle overige kosten verbonden aan het verkoop- en leveringsproces aan de kant van verkopers door partijen naar rato van hun aandeel in de eenvoudige gemeenschap moeten dragen;\n\nV. te bepalen dat de netto-opbrengst gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;\n\nVI. [gedaagde] te verbieden het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of het gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel van overtreding van dit verbod, met een maximum van € 250.000,00;\n\nVII. [gedaagde] te veroordelen (ook eigen) bewoning en gebruik van het appartement binnen tien dagen na de verkoop van het appartement te doen eindigen, het appartement binnen die termijn te (doen) ontruimen en schoon te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat (volledige) voldoening aan deze veroordeling uitblijft, met een maximum van € 250.000,00 en\n\nVIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] en subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten. Meer subsidiair voert [gedaagde] als verweer dat het appartement aan hem moet worden toegedeeld onder aftrek van een regresvordering van € 81.478,97 en een korting wegens executierisico van 10% van de marktwaarde. Uiterst subsidiair moet het appartement worden verkocht op de door [gedaagde] beschreven wijze waarbij [gedaagde] het appartement niet eerder dan na twaalf maanden na de betekening van het vonnis hoeft te ontruimen. Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzend vonnis en moet [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nde tegenvordering van [gedaagde] (reconventie)\n\n3.4.. \n\n [gedaagde] vordert - samengevat - om te bepalen dat:\n\nI. [eisers] hoofdelijk is gehouden tot het betalen aan [gedaagde] van € 81.478,97, zijnde het bedrag aan door [gedaagde] betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;\n\nII. voor het geval dat de rechtbank beslist tot verkoop van de woning: het onder I gevorderde bedrag zal worden verrekend met de netto-opbrengst, voordat het restant wordt uitgekeerd aan partijen en\n\nIII. [eisers] wordt veroordeeld in de proceskosten.\n\n3.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eisers] en de tegenvorderingen van [gedaagde] worden deze samen behandeld.\n\n4.2.. De rechtbank acht het van belang om vooraf het volgende op te merken. [gedaagde] heeft nu geen advocaat en hij heeft zich tijdens de mondelinge behandeling niet laten bijstaan door een advocaat. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om een advocaat te stellen en ook de rechtbank heeft moeite gedaan om ervoor te zorgen dat [gedaagde] juridische bijstand kon krijgen. Zo heeft de griffier na de mondelinge behandeling contact gezocht met mr. I.R. Feddema die in stukken van [gedaagde] wordt genoemd als mogelijke nieuwe advocaat. Mr. Feddema heeft laten weten dat zij niet als advocaat zal optreden in deze procedure. De rechtbank heeft [gedaagde] nog de gelegenheid gegeven zelf een andere advocaat te vinden, maar er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. [gedaagde] wordt ook bijgestaan door een maatschappelijk werker die namens hem communiceert met de rechtbank. Ook daarvan is niets meer vernomen. Daarom moet de rechtbank afgaan op hetgeen staat in de conclusie van antwoord\u002Fde tegenvordering die de voormalig advocaten namens [gedaagde] hebben ingediend en op hetgeen [gedaagde] (in gebrekkig Nederlands) zelf tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht.\n\n4.3.. Hierna zal de rechtbank tot het oordeel komen dat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap bestaat en dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld. De woning zal moeten worden verkocht aan een derde.\n\ngeen huwelijksgoederengemeenschap\n\n4.4.. \n\nPartijen zijn allen voor een gelijk deel (1\u002F3e deel) eigenaar van het in 2005 gekochte\n\nappartement. [eiser 1] en [gedaagde] zijn op 13 juni 1980 met elkaar in Marokko\n\ngetrouwd, zo neemt de rechtbank aan. De rechtbank heeft gevraagd om een kopie van de\n\nhuwelijksakte, maar die is niet in het geding gebracht.\n\nIn de Marokkaanse akte ‘afschrift van herroeping’ die [eisers] heeft overgelegd, staat\n\nniet wanneer de datum van het huwelijk was. [eiser 1] en [gedaagde] hebben allebei\n\nverklaard dat zij op 13 juni 1980 in Marokko met elkaar zijn getrouwd. Daarvan gaat de\n\nrechtbank uit, ook omdat [eiser 2] in augustus 1981 is geboren.\n\n4.5.. \n\nWelk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, moet gelet op\n\nde datum van de huwelijkssluiting worden beslist door het toepassen van de\n\nconflictregels uit het Chelouche\u002F Van Leer-arrest.\n\n4.6.. \n\nBij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten,\n\nwordt het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime bepaald door de\n\ngemeenschappelijke nationaliteit op het moment van het sluiten van het huwelijk. Dat is de\n\nMarokkaanse nationaliteit en dat betekent dat Marokkaans recht van toepassing is.\n\n4.7.. Het Marokkaanse recht kent geen huwelijkse gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Dit staat er niet aan in de weg dat echtgenoten goederen in gezamenlijk eigendom kunnen hebben. In dit geval hebben [eiser 1] en [gedaagde] , samen met hun zoon [eiser 2] , een appartement gekocht. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat de woning valt in de huwelijksgoederengemeenschap en dat eerst die gemeenschap moet worden ontbonden voordat het appartement in een verdeling kan worden betrokken. Op de vordering van [eisers] kan dus ook worden beslist (geen niet-ontvankelijkheid).\n\n4.8.. Het appartement(srecht) en de hypotheekschuld vallen in een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vorderingen over de verdeling zullen worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht.\n\nde verdeling\n\n4.9.. \n [eisers] vordert dat de wijze van verdeling van het appartement wordt vastgesteld en dat wordt bepaald dat het appartement wordt verkocht. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] wenst in de eerste plaats dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW) en dat als tot de verdeling wordt overgegaan het appartement aan [gedaagde] wordt toebedeeld.\n\n4.10.. Het uitgangspunt van artikel 3:178 lid 1 BW is dat iedere deelgenoot op elk moment de verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. De rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend.\n\n4.11.. \n [gedaagde] stelt dat de woning vanaf oktober 2005 zijn thuisbasis is en dat hij mede door sociale bindingen in de buurt emotioneel gehecht is aan de woning. Verder is sprake van een kwetsbare gezondheidssituatie en zou een gedwongen verhuizing zijn gezondheid in gevaar kunnen brengen. Gelet op de schaarste op de woningmarkt en de huurprijzen in de regio Amsterdam die afgezet tegen het bedrag van € 235,- dat [gedaagde] nu betaalt hoog is, is het zeer onzeker of [gedaagde] passende woonruimte zal kunnen vinden.\n\n4.12.. \n\nIn dit geval wegen de belangen van [eisers] bij verdeling zwaarder dan de belangen van [gedaagde] om de verdeling voor de duur van drie jaren uit te sluiten. [eisers] heeft er belang bij uit de onverdeeldheid te geraken. [eiser 1] woont nu bij haar zoon en zij heeft niet de beschikking over het vermogen dat in de woning zit. Ook [eiser 2] kan zijn vermogen nu niet aanwenden. Van hen kan niet langer worden gevergd in de onverdeelde gemeenschap te blijven. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat [gedaagde] gehecht is aan de woning en dat hij daarin zou willen blijven wonen, maakt dat niet dat zijn belang groter is. [gedaagde] woont al sinds 2020 alleen in de woning die ten dele toebehoort aan [eisers] [gedaagde] had in ieder geval vanaf 2020 maatregelen kunnen treffen om het aandeel van [eiser 1] en [eiser 2] over te nemen of om passende vervangende woonruimte te zoeken. Hij heeft geen aanstalten gemaakt om over te gaan tot de verdeling.\n\n [gedaagde] heeft steeds te kennen gegeven dat hij de woning niet wil verlaten.\n\n [gedaagde] heeft verder niet onderbouwd dat het vinden van vervangende woonruimte niet zal lukken of dat zijn gezondheidssituatie dusdanig is dat hij niet kan verhuizen. Stukken daarover ontbreken. Verder moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] na de verkoop van de woning geld ontvangt en dat hij daarmee en met zijn inkomen (AOW en pensioen) voldoende geld heeft om een andere geschikte woning te vinden.\n\n4.13.. Dit betekent dat de verdeling niet zal worden uitgesloten voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Die houdt in dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt aangesloten bij de vorderingen van [eisers] onder I, II, IV en V. De primaire vordering van [eisers] wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing weergegeven, zodat de rechtbank niet toekomt aan het beoordelen van de subsidiaire vordering onder III.\n\n4.14.. \n [gedaagde] heeft als verweer op de vordering een route voorgesteld voor de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden. [gedaagde] wordt niet in de gelegenheid gesteld om het aandeel van [eisers] in het appartement over te nemen (het appartement wordt niet aan [gedaagde] ‘toebedeeld’). [gedaagde] heeft niet aangeboden [eisers] uit te kopen en ook op geen enkele manier aangetoond dat hij dat zou kunnen. [eisers] heeft verder belang bij een spoedige verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Daarom zal ook niet worden bepaald dat [gedaagde] niet eerder dan na twaalf maanden na betekening van het vonnis is gehouden tot het ontruimen van de woning. [gedaagde] weet dat hij in een gemeenschappelijke woning woont en dat die situatie een keer zal eindigen. Dat hij ook in de afgelopen tijd geen andere woning heeft gevonden is niet doorslaggevend, omdat hij na de verkoop in een andere financiële situatie zal verkeren. De woning heeft namelijk overwaarde.\n\n4.15.. De netto-opbrengst zal in gelijke mate tussen partijen moeten worden verdeeld. Hierna zal blijken dat [gedaagde] geen vergoedingsrecht op de eenvoudige gemeenschap heeft. Verder heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom van de verkoopopbrengst een korting van 10% wegens executierisico in mindering moet worden gebracht. Daarmee zal geen rekening worden gehouden.\n\ngebruik woning door derden en gebruik door [gedaagde] na de verkoop\n\n4.16.. \n [eisers] vordert dat [gedaagde] (een deel van) het appartement niet in gebruik mag geven aan derden en in het geval [gedaagde] dat wel doet, hij een dwangsom moet betalen. [eiser 2] heeft verklaard dat hij ziet dat anderen in de woning verblijven als [gedaagde] in Marokko is. [gedaagde] weerspreekt dat hij de woning regelmatig aan derden in gebruik geeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat soms één andere persoon in het appartement is. Alhoewel onduidelijk is in welke mate derden in het appartement verblijven, heeft [gedaagde] daarmee in ieder geval te kennen gegeven dat soms een andere persoon de woning gebruikt. Op basis van de verklaring van [gedaagde] lijkt het erop dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen hem en een of meer anderen. Voor zover daarvan wel sprake is, is dat een beschikkingsdaad die zonder toestemming van [eisers] niet is toegestaan (artikel 3:175 BW). [eisers] heeft er belang bij dat met het oog op de verkoop van het appartement derden daarin niet verblijven. De vordering zal daarom worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd.\n\n4.17.. Daarnaast zal worden bepaald dat [gedaagde] de bewoning en het gebruik van het appartement drie dagen voorafgaand aan de levering van het appartement moet staken en dat hij het appartement op dat moment ontruimd en schoongemaakt moet hebben. Aan het ontruimen van de woning wordt een dwangsom verbonden, die zal worden gemaximeerd zoals in het dictum staat. [eisers] vordert dat ‘elke (d.w.z. ook eigen) bewoning en gebruik’ wordt geëindigd, maar met de toewijzing van het verbod om het appartement aan derden in gebruik te geven, heeft [eisers] geen belang bij de vordering voor zover het gaat om anderen dan [gedaagde] zelf. Daarom is de vordering enkel toewijsbaar voor zover het gaat om de bewoning en het gebruik door [gedaagde] .\n\nuitvoerbaar bij voorraad\n\n4.18.. Tot slot voert [gedaagde] verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Volgens [gedaagde] ontbreekt de vereiste spoedeisendheid of een ander zwaarwegend belang en kan het tenuitvoerleggen van het vonnis leiden tot onherstelbare schade. Bij de beoordeling van een vordering tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers] om over te gaan tot het verdelen van de eenvoudige gemeenschap weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behouden van de huidige toestand. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nde vordering van [gedaagde]\n\n4.19.. \n [gedaagde] vordert dat [eisers] op grond van artikel 3:172 BW aan hem de met de woning verband houdende kosten moet delen. Aan hypotheekrente en aflossing is dat over de periode 2002-2025 een bedrag van € 79.884,72 en aan OZB\u002Fwaterschapslasten over de periode 2014-2025 een bedrag van € 1.594,25. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.20.. \n\nDe rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 BW in verbinding met artikel 6:2 BW). Uitgangspunt is dat de deelgenoten de aan de woning verbonden kosten in gelijke mate dragen. [gedaagde] betaalt geen gebruiksvergoeding, dit terwijl uit artikel 3:169 BW volgt dat de deelgenoten voor gelijke delen zijn gerechtigd tot het genot en het gebruik van een gemeenschappelijke goed. Tijdens de samenwoning heeft [eiser 1] bijgedragen aan de gezamenlijke lasten van de woning. Zij werkte en had een eigen inkomen. [eiser 1] heeft verklaard dat zij daarmee bijdroeg in de lasten. Dat heeft [gedaagde] niet concreet weersproken. Ook [eiser 2] stelt dat hij dat – voornamelijk contant – heeft gedaan. [gedaagde] heeft dat wel weersproken en [eiser 2] heeft voor zover hij per bank zou hebben betaald daarvan geen bewijs overgelegd. Ten aanzien van een verplichting tot bijdragen door [eiser 2] in de kosten van het appartement beroept hij zich op verjaring. [eiser 2] heeft de woning in 2015 verlaten. Alleen al door het eigendom zou [eiser 2] verplicht zijn om bij te dragen in de eigenaarslasten, maar hij heeft vanaf dat moment geen genot van het appartement gehad. Daartegenover zou een gebruiksvergoeding hebben moeten staan. Daarvan is geen sprake geweest. Voor dat geval beroept [eisers] zich op verrekening. Voor zover de verplichtingen ouder zijn dan vijf jaar, zijn zij verjaard. Voor zover zij jonger zijn dan vijf jaar, vallen beide verplichtingen ten aanzien van [eiser 2] tegenover elkaar weg. Tot slot betaalt [eisers] nog steeds de gemeentelijke belastingen (over de periode juni 2018 tot en met september 2025 € 1.388,75) en de verzekeringspremies (over de periode maart 2019 tot en met augustus 2025 € 1.688,20). Al deze omstandigheden maken dat [eisers] niets meer verschuldigd is aan [gedaagde] en verder dat het niet redelijk en billijk is om [eisers] bij te laten dragen in de eigenaarslasten. De tegenvordering van [gedaagde] wordt afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.21.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast en bepaalt dat het appartement aan de [adres 1] zal worden verkocht op de navolgende wijze:\n\n5.1.1.. machtigt [eisers] om, mede namens [gedaagde] , opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] ( [adres 2] ), althans als de heer [naam] niet beschikbaar is, aan enige andere in [plaats] gevestigde makelaar, tot bemiddeling bij de verkoop van het appartementsrecht;\n\n5.1.2.. bepaalt dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn\u002Fhaar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een ander behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.3.. bepaalt dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;\n\n5.1.4.. bepaalt dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;\n\n5.1.5.. gebiedt partijen hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop-en leveringsakten, alsmede aan alle overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening;\n\n5.1.6.. bepaalt dat indien en voor zover enige partij de onder 5.1.4. en\u002Fof 5.1.5. bedoelde medewerking niet verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking en wilsverklaring;\n\n5.2.. bepaalt dat partijen de kosten van de dienstverlening van de makelaar, alsmede alle overige kosten die aan verkoperszijde verbonden zijn aan het verkoop- en leveringsproces betreffende het appartementsrecht ieder voor 1\u002F3e dienen te dragen;\n\n5.3.. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van het appartementsrecht gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;5.4.. verbiedt [gedaagde] het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of zodanig gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] het verbod overtreedt, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] de eigen bewoning en het gebruik van het appartement uiterlijk drie dagen voor de levering van het appartementsrecht te doen eindigen en het appartement op dat moment te (doen) ontruimen en schoon te maken, de ontruiming op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nin reconventie\n\n5.8.. wijst de vorderingen af.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\n Arrest van de Hoge Raad (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275).\n\n De rechtbank neemt aan dat dat 2005 is, omdat de woning toen is gekocht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6717","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.560Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":93,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":55,"updatedAt":96},"1988","ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","ecli-nl-ghams-2026-1732","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummer: 200.344.709\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F332362 \u002F FA RK 22-4558\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,\n\nen\n\n [de vader] ,\n\nwonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,\n\nverweerder in het principaal hoger beroep,\n\nverzoeker in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.\n\nHet hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .\n\nIn de procedure heeft een adviserende taak:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,\n\nhierna: de raad.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\nDe moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.\n\nDe vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van\n\n14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).\n\n2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:\n\n- een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,\n\n- een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.\n\n2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.\n\n2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.\n\n2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:\n\n- een bericht van de vader van 26 februari 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,\n\n- een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.\n\n2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en\n\n- de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.\n\n3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:\n\n- artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.\n\n- artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50\u002F50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.\n\n3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.\n\n3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.\n\n4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei\u002Fkerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.\n\n4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.\n\n4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.\n\n4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en\u002Fof psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.\n\n4.7. \n\nOp de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.\n\nVerder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .\n\nHet wettelijk kader\n\n5.2. \n\nUit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:\n\n een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.\n\nDe standpunten\n\n5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.\n\n5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.\n\n5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.\n\nHet advies van de raad\n\n5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.\n\nDe beoordeling door het hof\n\n5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.\n\n5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.\n\n5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.\n\n5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.\n\n5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.\n\n5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nbepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:\n\n [minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1732","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.590Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":101,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":55,"updatedAt":103},"2009","ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","ecli-nl-rbams-2026-6613","beschikking\n\nRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling privaatrecht\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F782767 \u002F FA RK 26-863\n\nBeschikking van 30 juni 2026 betreffende voorziening in het gezag op de voet van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nen\n\n [de stiefvader] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de stiefvader,\n\ngezamenlijk bijgestaan door advocaat mr. A.M.E. Derks te Woerden.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vader] ,\n\nwoon- of verblijfplaats onbekend,\n\nhierna te noemen de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het gezamenlijk verzoek met bijlagen van de moeder en de stiefvader, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026.\n\nVerschenen zijn: de moeder en de stiefvader, bijgestaan door hun advocaat, en de vader.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder en de vader hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd.\n\n2.2.. Uit deze relatie zijn geboren:\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nhierna soms ook te noemen de kinderen.\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de moeder.\n\n2.4.. De moeder heeft, na de verbreking van de relatie met vader, in november 2021 een relatie gekregen met de stiefvader. Op 1 april 2022 is de stiefvader officieel bij de moeder en de kinderen ingetrokken.\n\n2.5.. Op 18 september 2024 zijn de moeder en de stiefvader met elkaar getrouwd. Uit dit huwelijk is geboren: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2024 in [geboorteplaats 1] . De moeder en de stiefvader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.\n\n2.6.. Tussen de moeder en de vader is er geen contact meer. De laatste keer dat er contact was, was op 19 februari 2024 via Whatsapp. Vanaf 2023 is er geen omgang meer tussen de vader en de kinderen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Het verzoek strekt ertoe, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te belasten op grond van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek, en te bepalen dat de griffier dit laat aantekenen in het gezagsregister.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n\nDe moeder en de stiefvader voeren aan dat zij aan de formele eisen voldoen om gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast. Zij dragen al langer dan een jaar de zorg voor de kinderen en de moeder is langer dan drie aaneengesloten jaren alleen met het gezag belast geweest. Er is sprake van een stabiele gezinssituatie waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al jaren deel van uitmaken. In 2024 is hun halfzusje, [minderjarige 3] , geboren. De moeder en de stiefvader zijn dagelijks belast met de verzorging en opvoeding van de kinderen en vinden het in het belang van de kinderen dat de juridische situatie voor wat het gezag betreft, aansluit bij deze feitelijke situatie. Er zijn geen feiten of omstandigheden die maken dat er vrees is dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De vader is in 2023 uit het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verdwenen en sindsdien speelt hij geen enkele rol meer in de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder heeft altijd geprobeerd het contact tussen de kinderen en de vader te behouden. De vader heeft in de afgelopen jaren geen stappen ondernomen om tot contactherstel met de kinderen te komen en heeft niet gereageerd op contactverzoeken van de moeder. De moeder is niet bekend met het woonadres van de vader en in het BRP blijkt hij te zijn uitgeschreven op zijn laatst bekende woonadres. De moeder en de stiefvader zullen het contact tussen de kinderen en de vader bevorderen indien blijkt dat de vader hier ruimte voor heeft in zijn leven en dit ook in het belang van de kinderen kan worden geacht. De kinderen zien stiefvader als een eigen ouder en noemen hem ook ‘papa’. De moeder neemt de gezagsbeslissingen over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al geruime tijd in gezamenlijk overleg met de stiefvader. De stiefvader behandelt [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dezelfde wijze als [minderjarige 3] en draagt ook in financiële zin zorg voor hen. De moeder en de stiefvader vinden het ook van belang dat er qua juridische gezagssituatie geen onderscheid bestaat tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook met het oog als de moeder onverhoopt zou komen te overlijden.\n\nDesgevraagd geeft de moeder aan dat zij bereid is te kijken of het mogelijk is om de vader informatie te verstrekken over de kinderen, mits dit in het belang van de kinderen is en in overleg met de hulpverlening die zij momenteel krijgen. Ook ten aanzien van het opstarten van omgang\u002Fcontactherstel in de toekomst geeft de moeder aan dat dit alleen kan in overleg met de hulpverlening en uiterst zorgvuldig zal moeten gebeuren nu de kinderen niet opnieuw teleurgesteld moeten worden in hun vader.\n\n4.2.. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het verzoek van de moeder en de stiefvader begrijpt en dat hij geen verweer zal voeren. De vader voert aan dat hij uit een lastige periode komt waarin hij zichzelf verloren had, zijn leven niet stabiel was en er sprake was van persoonlijke problematiek. Ook had hij geen eigen woonruimte. Hij heeft hulp gekregen om zijn leven weer op te bouwen en is inmiddels in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. De vader geeft aan dat het laatste contact met de kinderen begin 2023 is geweest. De vader hoopt dat in de toekomst, als zijn situatie weer helemaal stabiel en rustig is, het contact tussen hem en de kinderen hersteld kan worden. Hij begrijpt dat dat zorgvuldig moet gebeuren en dat daarbij gekeken moet worden naar het belang van de kinderen.\n\n5. De beoordeling\n\nWijziging gezag\n\n5.1.. Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:253t, eerste lid, van het BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien:\n\na. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en\n\nb. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nHet derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht vast dat de stiefvader samen met de moeder al ruim vier jaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgt en hen opvoedt. De stiefvader ziet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zijn kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noemen hun vader ‘oude papa’ en zien de stiefvader als hun vader. Aan het vereiste dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en aan het vereiste dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende een aaneengesloten periode van ten minste een jaar gezamenlijk voor hen hebben gezorgd, is dan ook voldaan. Ook is voldaan aan het vereiste van de driejaarstermijn van artikel 1:253t, tweede lid, onder b van het BW, gedurende welke termijn de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast moet zijn geweest. De moeder oefent vanaf de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] namelijk alleen het ouderlijk gezag over hen uit.\n\n5.4.. Verder is de rechtbank niet gebleken van feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zouden worden verwaarloosd als bedoeld in artikel 1:253t, derde lid, van het BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al vanaf begin 2023 geen enkel contact meer met de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij in de toekomst het contact met de kinderen wenst te herstellen als zijn situatie stabiel is en als de kinderen daar aan toe zijn. De vader begrijpt het verzoek van de moeder en de stiefvader en heeft het verzoek ook niet weersproken. De moeder en de stiefvader hebben aangegeven open te staan voor eventueel contactherstel\u002Finformatieverstrekking aan de vader in de toekomst, maar wensen dit in overleg te doen met de hulpverlening nu de kinderen kwetsbaar zijn en niet weer teleurgesteld moeten worden in hun vader. Verder blijkt dat de moeder, de stiefvader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun (half)zusje [minderjarige 3] een gezin vormen en dat het de bedoeling is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien, waarbij de moeder en de stiefvader de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen behartigen. De juridische situatie wordt door toewijzing van het verzoek ook in overeenstemming gebracht met de al jaren bestaande feitelijke situatie, waarbij de moeder beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen en in goed overleg met de stiefvader neemt.\n\n5.5.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder en de stiefvader als niet weersproken en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n5.6.. De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.\n\nProceskosten\n\n5.7.. Gelet op de aard van het geschil zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.\n\n5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. bepaalt dat [de stiefvader] , geboren op [geboortedag 4] 1988 te [geboorteplaats 3] , gezamenlijk met de moeder met de uitoefening van het gezag wordt belast over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017;\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020,\n\nvoor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;\n\n6.2.. draagt de griffier op van deze beschikking een aantekening te maken in het gezagsregister;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door de rechter mr. D.G. Bertsch, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, op 30 juni 2026.\n\nVoor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 \u002F Postbus 1312, 1000 BH). Het beroep moet worden ingesteld: - door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6613","2026-07-13T00:29:49.737Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":50,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":108,"summary":50,"language":7,"source":52,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":110,"parsedAt":55,"updatedAt":111},"1094","ECLI:NL:GHAMS:2026:439","ecli-nl-ghams-2026-439","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht en belastingrecht\n\nTeam III (familie- en jeugdrecht)\n\nzaaknummers : 200.335.313\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : C\u002F13\u002F712123 \u002F HA ZA 22-11\n\narrest van de meervoudige familiekamer van 24 februari 2026\n\ninzake\n\n [de man]\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nappellant in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. B.J. Davidse,\n\ntegen\n\n [de vrouw]\n\nwonende te [plaats B] ,\n\ngeïntimeerde in het principaal hoger beroep,\n\nappellante in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna ook te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. H.J. Loonstein.\n\n1. Het geding in hoger beroep\n\n1.1.. De man is bij dagvaarding van 17 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023 dat is gewezen tussen de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).\n\n1.2.. Partijen hebben daarna (in de hoofdzaak) de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van de zijde van de man;\n\n- memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep, van de zijde van de vrouw;\n\n- akte uitlaten producties tevens antwoord in het principaal appel [het hof begrijpt: incidenteel appel] van de zijde van de man;\n\n- akte houdende uitlating producties van de zijde van de vrouw.\n\n1.3.. De vrouw heeft vóór haar memorie van antwoord een incidentele memorie tot zekerheidsstelling op de voet van artikel 224 Rv ingediend, waarna beide partijen in het incident nog een aantal processtukken hebben ingediend. Het heeft hof op 26 november 2024 in dit incident arrest gewezen. Daarbij is de incidentele vordering van de vrouw afgewezen.\n\n1.4.. De man heeft, onder intrekking van het oorspronkelijk onder primair 2 gevorderde, in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nPrimair\n\nzal bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- verschuldigd is, en dat die betaling strekt tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot betaling van dit bedrag, al dan niet in de vorm van een schenking, met veroordeling van de vrouw tot betaling van voornoemd bedrag, binnen 10 dagen, althans binnen een door het hof in goede justitie vast te stellen termijn, na de in deze te wijzen uitspraak, te verhogen met de wettelijke rente van de dag van dagvaarding in eerste instantie en de kosten van executie;\n\nzal bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de te verdelen inboedel dient te vergoeden aan de man, te weten voor een totaalbedrag van € 44.950,-. In het geval de inboedel op een andere wijze gewaardeerd dient te worden verzoekt de man het hof dat het een deskundige aanwijst die de inboedel zal waarderen;\n\nSubsidiair\n\n3. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 81.739,94 verschuldigd is op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor de betalingen gedaan vanaf de privérekening van de man ten behoeve van aankoop van goederen en zaken en overboekingen naar bankrekeningen van de vrouw;\n\n4. in het geval het hof de in randnummer 33 tot en met 46 genoemde betalingen (van de memorie van grieven) niet kwalificeert als een onverschuldigde betaling doet de man een beroep op vergoeding door de vrouw aan hem van € 81.739,94 op grond van de naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding.\n\n1.5.. \n\nDe vrouw heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd het hoger beroep van de man, althans zijn memorie van grieven, nietig althans niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de man gevorderde af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen.\n\nIn het incidenteel hoge beroep heeft de vrouw gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan haar een bedrag van € 41.500,- aan onrechtmatig verkregen gelden te betalen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van ieder van de onrechtmatige opnames, alsmede op te heffen de door de man uit hoofde van het beslagverlof d.d. 2 februari 2022 gelegde conservatoire beslagen. Daarnaast heeft de vrouw gevorderd om de man in alle instanties te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n1.6.. De man heeft in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.\n\n1.7.. Partijen hebben de zaak ter zitting van 3 december 2025 doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. De man was daarbij in persoon aanwezig, de vrouw niet.\n\n1.8.. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Partijen hebben vanaf medio 2006 een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 27 mei 2020 hebben zij een samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten. Medio juli 2021 is de relatie tussen partijen beëindigd en is de samenlevingsovereenkomst opgezegd.\n\n2.2.. De vrouw houdt alle aandelen in [X] B.V., welke vennootschap op haar beurt alle aandelen houdt in een aantal dochtervennootschappen. De vrouw is daarnaast eigenaar (geweest) van een aantal onroerende zaken, waaronder een tweetal panden aan de [A-straat] te [plaats B] .\n\n3. Beoordeling\n\n3.1. \n\nDe rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, de vordering van de man om de vrouw te veroordelen € 500.000,- aan hem te betalen, afgewezen. Aan deze vordering had de man primair de nakoming van een tussen partijen gesloten overeenkomst ten grondslag gelegd, subsidiair dat sprake is van een vergoedingsrecht uit hoofde van een stilzwijgende afspraak, onverschuldigde betaling en\u002Fof ongerechtvaardigde verrijking en\u002Fof de redelijkheid en billijkheid.\n\nVerder heeft de rechtbank op vordering van de man de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van inboedel vastgesteld. Deze wijze van verdeling houdt in dat partijen om de beurt een inboedelgoed van de door de man overgelegde inboedellijst moeten kiezen totdat de gehele inboedel is verdeeld, een en ander zonder nadere verrekening.\n\nDe (meer subsidiaire) vordering van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in verband met bijdragen aan de verbouwingen aan onroerende zaken van de vrouw is afgewezen.\n\nOok de vordering van de vrouw tot betaling van € 41.500,- door de man in verband met onterechte overboekingen van haar rekening naar zijn rekening is afgewezen.\n\n3.2.. Tegen dit vonnis is de man met een vijftal afzonderlijk genummerde grieven opgekomen. In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw twee grieven gericht tegen het bestreden vonnis.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\n3.3.. \n\nHet meest verstrekkende verweer van de vrouw in hoger beroep is dat de memorie van grieven van de man nietig is, althans dat de man in zijn hoger beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat nergens in de memorie van grieven blijkt tegen welke specifieke rechtsoverwegingen van het bestreden vonnis de man zijn grieven richt. Bovendien geeft de man niet aan waarom hij het met bepaalde rechtsoverwegingen in het bestreden vonnis niet eens is. Volgens de vrouw heeft de man in zijn memorie van grieven (dus) niet voldoende duidelijk gemaakt wat in hoofdlijnen zijn bezwaren tegen het bestreden vonnis zijn en welke grieven opkomen tegen welke specifieke rechtsoverwegingen. De memorie van grieven voldoet volgens de vrouw dan ook niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid.\n\nDe man heeft betwist dat zijn memorie van grieven niet aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Volgens hem is duidelijk op welke onderdelen hij het niet met de uitspraak van de rechtbank eens is en waarom hij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden.\n\n3.4.. Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden aan grieven geen formele vereisten gesteld. Als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij de eis geldt dat die gronden behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voor de rechter en de wederpartij voldoende kenbaar zijn (zie HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242 en HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899). Naar het oordeel van het hof heeft de man in zijn memorie van grieven voldoende duidelijk naar voren gebracht op welke gronden de uitspraak van de rechtbank naar zijn mening moet worden vernietigd. Daartoe heeft de man een vijftal afzonderlijk genummerde grieven aangevoerd, waarbij hij telkens heeft aangegeven welke beslissing van de rechtbank naar zijn mening onjuist is en waarom dit wat hem betreft het geval is. Voor de vrouw was dit blijkens de memorie van antwoord ook voldoende kenbaar, aangezien zij hiertegen verweer heeft gevoerd. Naar het oordeel van het hof is de man dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep en is van nietigheid van de memorie van grieven geen sprake.\n\nInhoudelijke beoordeling van het hoger beroep\n\nIn het principaal hoger beroep\n\nGrief 1 (schenkingsovereenkomst)\n\n3.5.. In grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat het e-mailbericht van de vrouw aan hem van 24 juni 2021 slechts als een voornemen tot schenking kwalificeert en niet als een overeenkomst. Volgens de man was de verdeling van het vermogen al langer onderwerp van gesprek tussen partijen. In dat kader hadden zij eerder al met elkaar afgesproken dat de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- zou betalen. Dat bedrag kwam hem toe, omdat al het vermogen van partijen (waaronder de onderneming en onroerende zaken) vanwege ‘oude’ financiële problemen aan zijn zijde op naam van de vrouw waren gesteld, terwijl de waarde(-stijging) van dit vermogen door gezamenlijke inspanning van partijen is gerealiseerd. Deze ongelijkheid wilden partijen herstellen. Zij zijn vervolgens op 18 juni 2021 op een terras in [plaats C] bij elkaar gekomen om met elkaar te praten over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- aan de man zou worden overgemaakt. Partijen hebben daarbij ook nog over andere onderwerpen gesproken, zelfs over de mogelijkheid dat zij alsnog zouden trouwen. Bij dit gesprek was ook de heer [naam 1] aanwezig. Hij was de financieel adviseur van partijen, en kon partijen onder meer adviseren over de wijze waarop het bedrag van € 500.000,- met zo min mogelijk fiscale consequenties aan de man voldaan kon worden. De man had zelf naar de bespreking een berekening meegenomen, waaruit volgde dat bij betaling van een bedrag van € 500.000,- een bedrag van € 86.476,- aan schenkbelasting betaald zou moeten worden. Volgens de man hebben partijen tijdens het gesprek van 18 juni 2021 definitief met elkaar afgesproken dat de vrouw een bedrag van € 500.000,- aan hem zou betalen. Dit blijkt volgens de man uit de uitvoerige brief die hij op 20 juni 2021 aan de heer [naam 1] heeft gestuurd. Ook verwijst de man naar het appbericht van de vrouw van 23 juni 2021 met daarin de belofte: “Ik ga alles met je delen (..) wacht maar af.” Daarnaast heeft de vrouw de overeenstemming bevestigd in haar e-mailbericht van 24 juni 2021 aan de man en de heer [naam 1] . De man heeft de gemaakte afspraak bovendien nog eens bevestigd in zijn e-mailbericht van 27 juni 2021 (tijdstip 9.11 uur) aan de heer [naam 1] . Vervolgens stelde vrouw in haar e-mailbericht van 27 juni 2021 opeens als aanvullende voorwaarde dat betaling van het bedrag van € 500.000,- tegen finale kwijting zou moeten geschieden. Deze voorwaarde was echter niet eerder overeengekomen. Deze finale kwijting maakte dus geen deel uit van de al eerder gemaakte afspraak. De vrouw kon deze aanvullende voorwaarde dus ook niet meer stellen, aldus de man.\n\n3.6.. De vrouw heeft betwist dat partijen zijn overeengekomen dat zij aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen. De vrouw heeft in het kader van de tussen partijen gevoerde gesprekken weliswaar een bedrag van € 500.000,- genoemd, maar daar is het bij gebleven. Het is aan de man om te bewijzen dat een afspraak tot stand is gekomen. Tijdens het gesprek op 18 juni 2021 is geen overeenkomst tot betaling van een bedrag van € 500.000,- gesloten, en een dergelijke overeenkomst kan volgens de vrouw ook niet uit de latere e-mailberichten van 24 en 27 juni 2021 worden afgeleid.\n\n3.7.. \n\nHet hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat op de man de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die leiden tot het bestaan van een overeenkomst op grond waarvan de vrouw gehouden is om aan hem een bedrag van € 500.000,- te betalen. Hij doet immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten en omstandigheden.\n\nNaar het oordeel van het hof heeft de man voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van een afspraak. Ter onderbouwing van zijn stelling dat partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten, heeft hij gewezen op het gesprek dat partijen op 18 juni 2021 in aanwezigheid van de heer [naam 1] op het terras hebben gevoerd. Daarbij heeft hij de notitie in geding gebracht die hij bij gelegenheid van dat gesprek had meegenomen. In die notitie wordt uitgegaan van een schenking van € 500.000,-. Op de notitie heeft de man met de hand geschreven ‘dure optie’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat deze opmerking betrekking had op de hoge schenkbelasting die verschuldigd zou zijn als ervoor zou worden gekozen om de betaling aan hem in de vorm van een schenking plaats te laten vinden. De man heeft verder gewezen op de uitvoerige brief die hij naar aanleiding van het gesprek op 18 juni 2021 aan de heer [naam 1] stuurde. Daarin schrijft hij onder meer: “Dan over vrijdag (…) op het terras in [plaats C] waar we een afspraak hadden om over de 5 ton schenking aan mij te praten, op welke manier dat nu eindelijk mijn kant op zou komen, eens waren we het al op het moment dat de serveerster aan tafel kwam afruimen en [de vrouw] niet het fatsoen had even haar mond te houden maar juist begon uit varen over verduistering van 9 ton, welke onjuist is, het vreemd gaan e.d. ik vind daar geen enkel excuus voor op zijn plaats, ze had dit nooit mogen doen, beschamend. Jij zat erbij en keer ernaar.” De man heeft verder nog gewezen op het mailbericht van de vrouw aan hem en de heer [naam 1] d.d. 24 juni 2021. Daarin schrijft de vrouw: “Wat er dan wel meteen kan gebeuren in(het hof begrijpt “is”)dat [naam 2] een aanvraag doet om [de man] 5 ton te schenken. Met zo min mogelijk kleerscheuren.” Ook hieruit volgt volgens de man dat partijen met elkaar de afspraak hadden gemaakt dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- zou betalen.\n\n3.8.. De vrouw heeft de door man gestelde feiten echter gemotiveerd betwist. Zo heeft zij erop gewezen dat de man in zijn brief aan de heer [naam 1] (ook) heeft geschreven: “Een gesprek met zijn drieën vond ik zelf eigenlijk geen goed idee, (ik had ook iemand mee moeten nemen die aan mijn zijde stond) het is eigenlijk zo gelopen als ik had verwacht, het escaleerde en draaide uit op niets. We zijn dus geen steek verder gekomen.”. Hieruit volgt volgens de vrouw dat partijen nu juist geen afspraken met elkaar hebben gemaakt. De vrouw heeft verder gewezen op de brief van de advocaat van de man aan haar d.d. 8 juli 2021. In die brief schrijft de advocaat van de man: “Client zou graag afspraken met u willen maken over de verdeling van de (waarde van de) bedrijven, het onroerend goed en overig vermogen. U heeft al aan client toegezegd dat hij in ieder geval recht heeft op een bedrag van EUR 500.000,-“. Als sprake zou zijn geweest van een overeenkomst (aanbod en aanvaarding), had de advocaat van de man volgens de vrouw niet gesproken over ‘een toezegging’ maar had zij nakoming van de overeenkomst gevorderd. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij bij het schrijven van haar e-mailbericht van 24 juni 2021 nog hoopte dat zij haar relatie met de man kon redden. Ze zat op dat moment in een emotionele achtbaan. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om aan de man zo maar een bedrag van € 500.000,- te schenken, ongeacht of haar relatie met de man nu wel of niet zou eindigen.\n\n3.9.. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, is het hof van oordeel dat de door de man gestelde afspraak (vooralsnog) niet is komen vast te staan. De man heeft in hoger beroep echter bewijs van zijn stellingen aangeboden. Daarbij heeft hij onder meer aangeboden om de heer [naam 1] als getuige te horen. Hij kan volgens de man verklaren over de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt. Gelet op de hiervoor geschetste stand van zaken, zal het hof de man toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vrouw aan hem een bedrag van € 500.000,- dient te betalen. In dat kader overweegt het hof nog dat de man spreekt van een schenkingsovereenkomst, maar dat hij tegelijkertijd aangeeft dat het overeengekomen bedrag betrekking had op ‘zijn aandeel’ in het vermogen van de vrouw. In dat laatste geval is van een (civielrechtelijke) schenkingsovereenkomst geen sprake. De grond voor betaling van het bedrag van € 500.000,- is dan geen vrijgevigheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen voorgehouden dat in geval sprake is van een civielrechtelijke schenking, het tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod als aangenomen geldt wanneer deze, na er kennis van te hebben genomen, het niet onverwijld heeft afgewezen (artikel 7:175 lid 2 BW). Aan de aanvaarding van een schenkingsaanbod, en daarmee aan de totstandkoming van een schenkingsovereenkomst, worden dus minder strenge eisen gesteld dan aan een wederkerige overeenkomst. Om die reden is niet alleen van belang of de vrouw een aanbod tot betaling van een bedrag van € 500.000,- aan de man heeft gedaan, maar ook wat het (civielrechtelijke) karakter van dit aanbod is geweest. Ook dit ligt in de hiervoor weergegeven bewijsopdracht aan de man besloten.\n\nGrief 2 (stilzwijgende overeenkomst)\n\n3.10.. Grief 2 van de man heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen geen stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat zij het opgebouwde vermogen bij helfte zullen delen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het in zijn oorspronkelijke petitum onder 2 primair gevorderde ingetrokken. Daarin vorderde de man te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan verdeling van het vermogen dat zij onder zich had op 21 juli 2021, zodanig dat ieder de helft van dat vermogen wordt toebedeeld op grond van de tussen partijen overeengekomen afspraak dat op die wijze zou worden gedeeld. Nu de man deze vordering heeft ingetrokken, behoeft grief 2 geen verdere behandeling. Deze grief zal dan ook bij eindarrest worden afgewezen.\n\nGrief 3 en grief 4 (ongerechtvaardigde verrijking en redelijkheid en billijkheid)\n\n3.11.. Met zijn grieven 3 en 4 komt de man op tegen de afwijzing van zijn vordering tot betaling van een vergoeding omdat hij vanaf zijn privérekening betalingen heeft gedaan voor de verbouwingen van de onroerende zaken van de vrouw. Deze grieven dienen ter onderbouwing van de vorderingen hiervoor vermeld onder 3 en 4 en hebben een subsidiair karakter. Aan beoordeling van deze grieven komt het hof pas toe als de primaire vordering van de man tot betaling van een bedrag van € 500.000,- wordt afgewezen. Vanwege dit subsidiaire karakter zal het hof de beslissing op deze grieven aanhouden in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 5 (inboedel)\n\n3.12.. Grief 5 van de man is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de wijze van verdeling van de inboedel. De rechtbank heeft bepaald dat partijen om de beurt een goed mogen aanwijzen van de door de man overgelegde inboedellijst. Deze lijst blijkt volgens de man echter niet compleet en bovendien waren er op de aan de lijst genoemde goederen geen waarden gekoppeld. De man heeft daarom als productie 23 in hoger beroep een nieuwe inboedellijst in geding gebracht. Daarin is de waarde van de totale inboedel gesteld op een bedrag van € 89.900,-. Volgens de man werkt de vrouw niet mee aan verdeling van de inboedel en heeft zij een groot deel van de inboedel inmiddels verkocht. Om die reden vordert de man in hoger beroep de vrouw te veroordelen om aan hem de helft van de waarde van de inboedel te vergoeden. Aldus dient de vrouw aan hem een bedrag van € 44.950,- te betalen. Indien het hof van oordeel is dat de door de man genoemde waarden van de inboedelgoederen niet gevolgd kan worden, wil hij dat er een deskundige wordt benoemd die de waarde van de goederen vaststelt.\n\n3.13.. De vrouw heeft de inhoud van de aangepaste inboedellijst betwist. Bovendien heeft zij betwist dat zij de op die lijst genoemde inboedelgoederen in haar bezit heeft. De man heeft na beëindiging van de relatie zijn persoonlijke eigendommen meegenomen of uit de garage gehaald. De vrouw kan de door de man genoemde inboedelgoederen dus niet (meer) afgeven. Ook de waarden die de man aan de inboedelgoederen toekent, zijn volgens de vrouw niet juist. Zij zijn door de man ook op geen enkele wijze onderbouwd.\n\n3.14.. Het hof oordeelt als volgt. De man vordert verdeling van de inboedel. Om die reden rust op hem de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang en de waarde daarvan. In eerste aanleg heeft de man als productie 20 een inboedellijst overgelegd. De vrouw heeft op die inboedellijst inhoudelijk gereageerd. In hoger beroep heeft de man een veel uitgebreidere inboedellijst overgelegd, maar de vrouw heeft zowel de omvang als de waarde van de op deze lijst genoemde goederen betwist. Daarbij heeft zij erop gewezen dat de man geen aankoopfacturen of waardebepaling heeft overgelegd. Bij die stand van zaken had het op de weg van de man gelegen om nadere feiten en omstandigheden stellen waaruit volgt dat de door hem genoemde inboedelgoederen aan partijen toebehoorden, dat hij de genoemde inboedelgoederen niet onder zich heeft maar de vrouw wel, en wat de waarden van deze goederen zijn. Dat heeft hij nagelaten. Wel heeft de vrouw in eerste aanleg reeds aangegeven dat zij aan de man het horloge merk Rolex en de dekens en plaids zal afgeven, en dat hij – mits nog aanwezig – zijn Koga Miyata racefiets, Biblos sportfiets en Segwaystep met oplader kan krijgen. Ten aanzien van het zebrakleed heeft de vrouw aangegeven dat dit met de woning is meeverkocht, en wat betreft de Rimowa koffer heeft zij aangegeven dat deze ‘in de plomp ligt’. Het hof is van oordeel dat de vrouw ten aanzien van deze goederen in hoger beroep dan ook niet kon volstaan met de enkele betwisting dat zij deze goederen niet in bezit heeft. Zij had deze zaken blijkbaar wel in haar bezit, dan wel had (als laatste) daarover de beschikking. Evenmin kon zij volstaan met de enkele betwisting van de waarde van deze goederen. Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van deze goederen aan de man dient te vergoeden, waarbij het hof zal uitgaan van de door de man in productie 23 genoemde waarden met dien verstande dat het hof voor de waarde van de Rolex zal uitgaan van een bedrag van € 6.600,-. Dit is de waarde die de man in eerste aanleg aan het horloge heeft toegekend en die hij heeft gebaseerd op een taxatierapport. Waarom het horloge nu (in hoger beroep) € 2.400,- meer waard zou zijn, heeft de man niet toegelicht of onderbouwd. Dat betekent dat de vrouw aan de man ter zake de inboedel per saldo een bedrag van € 6.850,-,- dient te vergoeden. Het hof zal de vrouw bij eindarrest veroordelen om dit bedrag aan de man te betalen.\n\nIncidenteel hoger beroep\n\nGrief 1 (vordering van € 41.500,-)\n\n3.15.. In haar eerste grief in incidenteel appel komt de vrouw op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering van € 41.500,- die zij op de man stelt te hebben. De man heeft volgens de vrouw stelselmatig bedragen van haar bankrekening naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Weliswaar had de man een volmacht om namens haar en\u002Fof haar onderneming ten laste van haar (zakelijke) bankrekeningen betalingen te doen, maar hij mocht op basis van deze volmacht niet zonder medeweten en toestemming van bedragen van haar bankrekeningen naar zijn eigen bankrekening overmaken. De man heeft zijn volmacht dan ook misbruikt en heeft daarmee onrechtmatig jegens de vrouw gehandeld.\n\n3.16.. De man heeft aangevoerd dat partijen gedurende hun relatie onderling regelmatig geldbedragen overmaakten. Volgens de man wist de vrouw van alle overboekingen af en heeft hij geen misbruik gemaakt van de aan hem afgegeven volmacht. De vrouw heeft bovendien niet aangegeven welke overboekingen volgens haar dan precies met misbruik van de volmacht hebben plaatsgevonden.\n\n3.17.. Het hof oordeelt als volgt. Onderdeel van de subsidiaire vordering van de man is terugbetaling door de vrouw van een bedrag van € 47.500,- waarvan hij stelt dat hij dit in de loop van de relatie van partijen aan de vrouw heeft overgemaakt. Volgens de man dient de vrouw dit bedrag aan hem te vergoeden uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Partijen stellen dus over en weer dat de ander bedragen aan hem\u002Fhaar moet vergoeden vanwege overboekingen die in de loop van de jaren tussen hen hebben plaatsgevonden. Het hof wil deze vorderingen zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Daarom zal het hof de beslissing op de eerste grief in het incidenteel appel aanhouden, in afwachting van de uitkomst van de bewijsopdracht die aan de man zal worden gegeven.\n\nGrief 2 (opheffing conservatoir beslag)\n\n3.18.. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de conservatoire beslagen niet heeft opgeheven die de man ten laste van haar heeft gelegd. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat de vrouw de beslagstukken niet in geding had gebracht en in het petitum van haar reconventionele vordering enkel over ‘de beslagen’ had gesproken. Aldus was deze vordering volgens de rechtbank te onbepaald. In hoger beroep heeft de vrouw de beslagstukken alsnog overgelegd. Als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen, is sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door de man ingeroepen recht en dienen de beslagen volgens de vrouw te worden opgeheven.\n\n3.19.. Het hof constateert dat de vrouw zelf stelt dat de beslagen dienen te worden opgeheven als de vorderingen van de man in principaal hoger beroep worden afgewezen. Omdat ten aanzien van de vorderingen van de man nog geen eindbeslissing zal worden gegeven, zal de beslissing over de opheffing van de beslagen ook worden aangehouden.\n\n4. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat de man toe tot het bewijs van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 500.000,- dient te betalen;\n\nbepaalt dat als de man bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van mr. M.C. Schenkeveld, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden mei tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;\n\nbepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste 10 dagen voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. Schenkeveld, mr. J.M. van Baardewijk en mr. T.M. Subelack en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:439","2026-02-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.663Z",20]