[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-media-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},144,"media-law-nl","Media Law","NL","2026-07-08T16:58:35.958Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444","","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.048Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1024","ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","ecli-nl-rbams-2026-3948","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht, voorzieningenrechter\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F784270 \u002F KG ZA 26-150 NB\u002FEvK\n\nVonnis in kort geding van 15 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij bij dagvaarding van 18 maart 2026,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.T.L.A. Mulders en mr. C.C. Kanjels,\n\ntegen\n\nMEDIAHUIS NEDERLAND B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Mediahuis,\n\nadvocaat: mr. Ch.E. Koster.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 1 april 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. Mediahuis heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.1.2.. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:\n\n [eiser] , met mr. Mulders en mr. Kanjels,\n\nnamens Mediahuis: [naam 1] , hoofdredacteur van De Limburger, [naam 2] , journalist van de Limburger, [naam 3] , journalist van de Limburger, en O.M. Mulder, bedrijfsjurist van Mediahuis, met mr. Koster.\n\n1.3.. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] investeert in vastgoed.\n\n2.2.. Mediahuis is uitgever van (onder meer) dagblad De Limburger.\n\n2.3.. De Limburger heeft twee artikelen gepubliceerd over het vakantiepark [naam vakantiepark] , te [plaats] . Dit vakantiepark is eigendom van de familie [eiser] .\n\n2.4.. \n\nHet eerste artikel verscheen op 16 september 2022 in de Limburger met de titel: “Topman Miljoenenfonds provincie steekt eigen geld in omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] : gouverneur start onderzoek” (hierna: het 2022-artikel). Het 2022-artikel gaat samengevat over een investering van investeerder [naam 4] in vakantiepark [naam vakantiepark] . [naam 4] is beheerder van het Limburgs Energie Fonds (LEF), een investeringsfonds van de provincie Limburg opgericht voor financiering van duurzaamheidsinitiatieven. [naam 4] zou ‘kwetsbaar’ of zelfs chantabel zijn doordat hij (privé) ruim € 1 miljoen heeft geïnvesteerd in vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] , welk vakantiepark volgens het artikel omstreden zou zijn. Eigenaresse en bestuurder van dit vakantiepark is de moeder van [eiser] . In het artikel wordt over [eiser] (in het artikel aangeduid als [eiser] , of [eiser] ) onder meer vermeld dat hij strafrechtelijke veroordelingen op zijn naam heeft staan voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en in het verleden is verdacht van witwassen. Ook wordt benoemd dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat hij zaken heeft gedaan met de ondernemer, [naam ondernemer] , waarover wordt geschreven dat hij volgens justitie betrokken is bij grootschalige witwaspraktijken.\n\nVoor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“De provincie Limburg laat een onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar privé-investeringen van topman [naam 4] van het Limburgs Energiefonds (LEF), waarin zo'n driehonderd miljoen euro gemeenschapsgeld zit. [naam 4] investeert privé in het vakantiepark [naam vakantiepark] in [plaats] waaraan de overheid de handen vol heeft. Ook politie en Openbaar Ministerie zijn op de hoogte gebracht.\n\nOnderzoek\n\n(…) Ook de familie die al sinds jaar en dag eigenaar is van [naam vakantiepark] is niet van\n\nonbesproken gedrag. Zo is [eiser] , de contactpersoon van [naam 4] bij het [naam park] , veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en is hij in het verleden verdacht van witwassen. Diens broer [naam broer] , die de leider zou zijn van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd.\n\n(…)\n\nEn daarbij: bedenkelijke signalen rond de familie achter het park.\n\n(…)\n\nErfverpachter\n\n(…) Het onderhoud van de algemene voorzieningen, de infrastructuur en de afvalverwerking gebeurt door Bungalowpark [naam bungalowpark] . Juridisch eigenaar van de bv's is [naam 5] (72). Haar vijftigjarige zoon [eiser] , ook wel [eiser] genoemd, is bestuurder van de Stichting Administratiekantoor [naam administratiekantoor] .\n\n(…)\n\nWitwaspraktijken\n\nContactpersoon bij [naam vakantiepark] [eiser] is ook een drukbezet man. Hij is (vastgoed)belegger, voornamelijk actief in Duitsland en Spanje. Naast zijn adviesrol bij [naam vakantiepark] - dat tot voor kort ook een park met dezelfde naam bezat in [plaats] - was hij, samen met de Turkse Eindhovenaar [naam ondernemer] , lang eigenaar van vele tientallen (studenten)panden in de [plaats] . Aan [naam ondernemer] kleeft een luchtje. Volgens Justitie is hij betrokken bij grootschalige witwaspraktijken, waarbij vermoedelijk drugsgeld wordt ingezet in de vastgoedwereld. Om die reden vordert Justitie, in een reeds jaren slepende procedure, 24 miljoen euro van hem terug.\n\nBij deze kwestie is [eiser] niet betrokken, al is ook hij in de loop der jaren nadrukkelijk in het vizier van de opsporingsautoriteiten. Hij heeft twee veroordelingen wegens opiumwetdelicten op zijn naam, blijkt uit gerechtelijke stukken. De aard van die delicten staat niet vermeld.\n\nOok wordt in vonnissen aangehaald dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht, ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen in Nederland had. Volgens de rechtbank was er sprake van 'een redelijke verdenking van witwassen'. Welk vervolg die verdenking heeft gekregen, is onduidelijk.\n\nStrafrechtelijk\n\nIn een beschikking uit 2014 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staat dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] loopt en dat de administratie van de [naam vakantiepark] in beslag is genomen. Het zou gaan om 'onttrekking van gelden' aan de holding. De Ondernemingskamer gelast daarnaast een onderzoek naar de geldstromen binnen het [naam vakantiepark] -concern en benoemt een onafhankelijke bestuurder. Of en hoe de zaak bij de Ondernemingskamer is afgelopen, is onduidelijk. [eiser] stelt dat de strafrechtelijke kwestie is geseponeerd en dat hij een schadevergoeding heeft gekregen voor de „onterechte verdenking\". Hij stuurt een half screenshot als bewijs maar gaat niet in op verdere vragen. „Dat is allemaal privé\".\n\nIn 2015 is hij, voortvloeiend uit de witwasverdenking, tot in hoger beroep veroordeeld voor hypotheekfraude en gesjoemel met een salarisstrook rond [naam vakantiepark] . Twee jaar later krijgt hij 500 euro boete vanwege het antedateren van documenten rond de samenvoeging van de twee [naam vakantiepark] -parken in [plaats] en [plaats] . In die zaak wordt moeder [naam 5] eveneens veroordeeld.\n\nIn 2016 wordt [eiser] , samen met zakenpartner [naam ondernemer] , na een vormfout vrijgesproken van vermeend gesjoemel met elektriciteitsmeters in hun Eindhovense panden. Een jaar eerder legt de gemeente Eindhoven 1 miljoen aan dwangsommen op wegens vermeende gebreken aan de studentenhuizen; daarvan wordt uiteindelijk 125.000 euro geïnd.\n\nGeliquideerd\n\n [eiser] broer [naam broer] was een grote jongen in de Brabantse drugswereld; hij was volgens Justitie de leider van de regionaal befaamde [naam bende] , die rond 2011 werd opgerold. [naam broer] werd op 17 november 2012, kort voor de rechtszaak, geliquideerd.\n\nOp de bezittingen van [naam broer] wordt beslag gelegd door de Belastingdienst, (…). Die beslagen liggen ook op sommige kavels op [naam vakantiepark] , gezamenlijk eigendom van [naam broer] en [eiser] .\n\n [eiser] , woonachtig in het buitenland, krijgt zelf ook te maken met geweld: in november 2019 ontploft een explosief, vermoedelijk een handgranaat, bij een van zijn panden in [plaats] . [eiser] klaagt in de publiciteit en in de rechtszaal meermaals dat er een 'heksenjacht' op hem gaande is. Volgens hem wordt hij in een kwaad daglicht gesteld vanwege zijn broer [naam broer] , én omdat hij samen met [naam ondernemer] in onroerend goed zat.\n\nInval\n\nDie tactiek lijkt te werken. [naam ondernemer] vertelt tegenover De Limburger dat hij in juni 2017 alle zakelijke banden met [eiser] heeft verbroken. „Bij mij is in 2016 een inval geweest vanwege die verdenking van witwassen. [eiser] had ook continu problemen, vooral vanwege zijn broer. Maar zelf had hij ook wat onderzoekjes en wat dingen met de overheid. Het bleef wringen, telkens waren er belemmeringen. Hij vond dat het aan mij lag, ik vond dat het aan hem lag. Het is net als een huwelijk: als het niet meer gaat, dan ga je uit elkaar\", zo motiveert hij de 'scheiding'. Via de notaris en met toestemming van het Openbaar Ministerie is alle bezit verdeeld, aldus [naam ondernemer] . „Op panden van hem lag beslag door de Belastingdienst, bij mij door Justitie. Het Openbaar Ministerie heeft toestemming gegeven voor de verdeling\".\n\nTwee maanden daarvoor verstrekt [naam 4] zijn lening van 1 miljoen euro aan Bungalowpark [naam bungalowpark] BV . Bij de besprekingen is [eiser] aanwezig. Als onderpand wordt een hypotheek van 1,8 miljoen euro verstrekt. In november 2018 volgt nog een tweede lening van 140.000 euro, vallend onder dezelfde hypotheek. [naam vakantiepark] en [naam 5] staan vermeld in de akte maar de deal is geregeld via [eiser] , aldus [naam 4] .\n\nHij en [eiser] kennen elkaar „al een jaar of tien\". [naam 4] : „Het was een van de honderd contacten die ik had toen ik werkte voor [naam 6] \".\n\n(…)\n\nGeldschieter\n\nIn 2016 komen beiden dus opnieuw bij elkaar uit als [naam vakantiepark] een geldschieter zoekt voor de aankoop van een flink aantal kavels op het [naam park] . Een tussenpersoon doet een warme aanbeveling bij de familie [eiser] (…).\n\n [naam 4] is een private financier. Hij zoekt een belegging met hoog rendement en „zonder al te veel tijd qua beheer” om zijn pensioenvoorziening veilig te stellen, legt hij tegenover De Limburger uit. Maar hij was op zijn hoede, stelt hij nu. „Ik wist van het akkefietje rond de broer, die liquidatie in het kickbox-circuit. Die broer, [naam broer] , was actief in de drugscriminaliteit, denk ik. En [eiser] legde me uit dat de bank hem geen financiering wilde verlenen vanwege de associatie met [naam broer] . Daarom was ik zeer terughoudend, én kritisch over de familieleden. Ik wilde [eiser] dus ook éérst zien en spreken, om een gevoel te krijgen bij de persoon. Dat doe ik normaal nooit bij dit soort financieringen\".\n\n [eiser] : „Wat [naam 4] zegt over de weigering van de bank, klopt niet. Wij hadden gewoon op meerdere plekken een offerte gevraagd en hij kwam als beste uit de bus\".\n\n [naam 4] deed onderzoek „voor zover dat kon\", zo stelt hij. „Maar ik kwam geen berichten tegen die negatief waren, niets over een strafrechtelijk verleden\".\n\n(…)\n\n'Verontrustend’\n\nNu geconfronteerd met de achtergronden van de familie [eiser] schrikt [naam 4] zichtbaar. „Dit is zéér verontrustend. Al deze signalen wekken zeker een bepaalde schijn. Ik wil natuurlijk geen associatie met drugscriminelen of fraudeplegers.\" Met de kennis van nu had hij de lening niet verstrekt, bezweert hij. „Maar ik kan het contract niet zomaar opzeggen. Dat kan alleen als er in strijd wordt gehandeld met de vergunning, maar ik weet niet eens of ze die nodig hebben.\"\n\n(…)\n\n [eiser] : 'Er is niets aan de hand'\n\n [eiser] reageert geïrriteerd op de vragen van De Limburger. „Er is niets aan de hand. Ik heb niets met [naam vakantiepark] te maken, nooit bestuurlijke verantwoordelijkheid gehad. Ik heb geadviseerd bij het regelen van de lening van [naam 4] , dat klopt, maar verder niets. En mijn verleden is privé en totaal niet relevant voor de zakelijke relatie tussen [naam 4] en [naam vakantiepark] . Met de fiscus heb ik nooit problemen gehad en witwassen is me nooit ten laste gelegd. Ik vind uw insinuaties ongefundeerd.” (…)”\n\n2.5.. Na verschijning van dit artikel heeft [eiser] gevraagd om een rectificatie vanwege schending van zijn privacy. Mediahuis heeft aan dit verzoek geen gehoor te geven.\n\n2.6.. Op 22 september 2022 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de RvJ) tegen de hoofdredacteur van de Limburger. De kern van zijn klacht is dat zijn (privacy)belangen door het 2022-artikel onnodig zijn geschaad. De RvJ heeft op 10 januari 2023 uitspraak gedaan en de klacht ongegrond bevonden. De RvJ heeft hierover, voor zover relevant, als volgt geoordeeld:\n\n“(…) Het was maatschappelijk en journalistiek relevant om onderzoek te verrichten naar en te berichten over de handelwijze van [naam 4] , die als directeur van het Limburgs Energie Fonds verantwoordelijk is voor ongeveer 270 miljoen euro aan publieke middelen en vanwege zijn private financiering in bungalowpark [naam vakantiepark] ‘kwetsbaar en mogelijk zelfs chantabel’ is.\n\nOm die kwetsbaarheid te duiden was het relevant ook aandacht te besteden aan klager op de wijze zoals is gedaan. Daarbij is mede van belang dat [naam 4] zelf een verband heeft gelegd met klager en op meerdere momenten in de publicatie wordt aangehaald over de rol van klager bij de investering. Overigens is klager in de gelegenheid gesteld daarop te reageren en is zijn reactie ook in het artikel verwerkt.\n\nNaar het oordeel van de Raad zijn de (privacy)belangen van klager niet disproportioneel aangetast. Dat zijn volledige naam in het artikel is vermeld, maakt dat niet anders. De Limburger heeft in dat verband aangevoerd dat klagers naam in eerdere publicaties is vermeld en voorkomt in openbare stukken rond het bungalowpark, en dat klager niet heeft gevraagd om anonimisering. Klager heeft dat niet weersproken.(…)”\n\n2.7.. In 2024 heeft [eiser] Google verzocht om het 2022-artikel te blokkeren in haar zoekresultaten voor zoekopdrachten naar “ [eiser] ” of “ [eiser] ”, op grond van het recht om vergeten te worden. Google heeft dit verzoek afgewezen. Vervolgens is [eiser] bij de rechtbank Den Haag een verzoekschriftprocedure gestart tegen Google met hetzelfde verzoek. De rechtbank Den Haag heeft dit verzoek bij beschikking van 28 augustus 2025 afgewezen. In de beschikking is, voor zover relevant, het volgende overwogen:\n\n“4.27 De rechtbank volgt Google in haar betoog. Het artikel waarnaar de URL verwijst is van redelijk recente datum, is feitelijk van aard en betreft een maatschappelijk bijzonder relevant onderwerp: de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat erover dat de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim een miljoen euro eigen geld heeft geïnvesteerd in een volgens het artikel omstreden vakantiepark waarbij [eiser] was betrokken. Door dit onderwerp vormt het artikel een belangrijke bijdrage aan een debat van algemeen belang. Hiervoor is al vastgesteld dat niet is gebleken dat het artikel onjuistheden bevat die een beduidend onderdeel van de publicatie betreffen. Het artikel bevat onder meer informatie over veroordelingen van [eiser] voor valsheid in geschrifte (hypotheekfraude) en het opzettelijk overtreden van de Opiumwet, waarover [eiser] zelf heeft verklaard dat dit te maken had met panden waarvoor hij zakelijk als bemiddelaar optrad. Hypotheekfraude en de opiumwetdelicten zijn ernstige misdrijven en kunnen, anders dan [eiser] meent, in redelijkheid niet worden aangemerkt als “lichte vergrijpen”. Deze informatie heeft te maken met [eiser] professionele activiteiten als vastgoedondernemer en zijn professionele integriteit. Omdat [eiser] nog steeds als vastgoedondernemer werkzaam is, is de informatie over zijn met dat beroep samenhangende strafrechtelijke veroordelingen uit het verleden nog steeds relevant, ook al zijn deze niet recent, zijn de boetes betaald en de proeftijden voorbij. Een vastgoedondernemer speelt door zijn professie een belangrijke rol in het openbare leven. De rechtbank volgt Google in haar standpunt dat bestaande of toekomstige potentiële zakenrelaties van [eiser] daarom de mogelijkheid moeten hebben een eigen afweging te maken of zij met hem zaken willen doen, waarbij de thans voorhanden zijnde informatie op het internet een relevante factor kan en mag zijn. (…)”\n\n2.8.. \n\nHet tweede artikel over [eiser] verscheen op 11 februari 2026 in de Limburger met de titel “Omstreden recreatiepark [plaats] krijgt vergunning van burgemeester ondanks risico op illegale activiteiten: ‘Ongebruikelijk, maar het mag wel’” (hierna: het 2026-artikel).\n\nDit artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning. In dit artikel wordt de familie van [eiser] , als eigenaar van het vakantiepark besproken, waarbij het strafrechtelijk verleden van [eiser] is aangehaald, namelijk de veroordeling voor opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is benoemd dat de broer van [eiser] , [naam broer] , in 2012 is geliquideerd. Voor deze procedure gaat het onder meer om de volgende passages:\n\n“(…) De parkeigenaar is niet van onbesproken gedrag.\n\n (…)\n\nDaar komt bij dat de eigenaar van het park, de Brabantse familie [eiser] , geen al te beste reputatie heeft en zelf de lappendeken aan constructies heeft gecreëerd.\n\n(…)\n\nOok [naam vakantiepark] moest een exploitatievergunning aanvragen. Burgemeester Bob\n\nVostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt. De vergunning is verleend op naam van de exploitatie-bv van directeur [naam 7] . De eigenaar van [naam vakantiepark] is nog steeds de familie [eiser] . De exploitatie-bv stond tot 2023 nog op naam van de 75-jarige [naam 5] . Ook de familie is voor de vergunning gescreend.\n\nGeliquideerd\n\nZoon [eiser] is in het verleden veroordeeld voor opiumdelicten en hypotheekfraude en hij werd verdacht van witwassen. Zijn broer [naam broer] , de vermeende leider van een Eindhovense drugsbende, is in 2012 geliquideerd. Wat de opiumdelicten precies inhouden, is niet bekend. In rechtbankvonnissen over de witwaszaak wordt onder meer gemeld dat [eiser] tussen 1999 en 2008 in totaal 46 panden had aangekocht ter waarde van ruim 5,5 miljoen, terwijl hij volgens de Belastingdienst tussen 2000 en 2007 geen legaal inkomen had in Nederland. Volgens de rechtbank was er ‘een redelijke verdenking van witwassen’. Welke gevolgen die verdenking heeft gekregen, blijft onduidelijk. (…)”\n\n2.9.. Op 11 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis verzocht om voorlopig zijn naam uit het 2026-artikel te verwijderen. Mediahuis heeft dit verzoek afgewezen. Op 12 februari 2026 heeft [eiser] Mediahuis nogmaals verzocht om zijn naam te verwijderen uit het 2022-artikel en 2026-artikel. Mediahuis heeft ook dit verzoek op 13 februari 2026 afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Mediahuis te gebieden, binnen zeven dagen nadat het vonnis is gewezen,\n\nprimairalle vermeldingen naar [eiser] , waaronder in ieder geval de vermeldingen over zijn strafrechtelijke verleden en zijn relatie met zijn broer en [naam ondernemer] , te verwijderen uit de online publicaties van het 2026-artikel en het 2022-artikel en deze verwijderd te houden, althans, voor zover het aanpassen van de artikelen niet mogelijk is, deze artikelen geheel te verwijderen en verwijderd te houden;\n\nSubsidiair: te gebieden, de naam, ‘ [eiser] ’ en ‘ [eiser] ’ overal te vervangen door “X”, in de online publicaties van het 2022- artikel en het 2026-artikel, alsook deze vervanging in stand te houden voor zolang de artikelen online beschikbaar zijn;\n\nII. Mediahuis te verbieden om in de toekomst te publiceren over de strafrechtelijke gegevens over [eiser] die staan in het 2022-artikel of het 2026 artikel alsook over diens band met zijn broer en [naam ondernemer] ;\n\nIII. te bepalen dat Mediahuis een dwangsom verbeurt voor iedere overtreding van het onder I of II gevorderde;\n\nIV. Mediahuis te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] stelt dat zowel het 2022-artikel als het 2026-artikel onrechtmatig zijn omdat hiermee zijn recht op privacy en zijn recht op bescherming van zijn eer en goede naam wordt geschonden. Het is onrechtmatig dat (i) zijn naam en toenaam wordt genoemd (ii) uitgebreid verslag wordt gedaan van zijn strafrechtelijk verleden en (iii) de relatie met zijn broer [naam broer] en met [naam ondernemer] worden aangehaald. [eiser] betwist niet de feiten die in de artikelen staan, maar Mediahuis heeft geen recht en belang bij het opnemen van deze feiten in de artikelen. De feiten omtrent zijn strafrechtelijk verleden, zijn banden met [naam ondernemer] en met zijn in 2012 overleden broer hebben allemaal lang geleden plaatsgevonden. Het publieke belang om daarvan kennis te nemen is er niet meer. Na een tijdsverloop van minimaal 9 jaar moet hij dat achter zich kunnen laten. [eiser] heeft geboet voor zijn daden en hoeft na al die tijd niet meer te dulden dat deze gedragingen hem kunnen worden tegengeworpen. Dit veroorzaakt (reputatie)schade. De artikelen verschijnen in Google als op zijn naam wordt gezocht, zodat privé- en zakelijke relaties er gemakkelijk kennis van kunnen nemen. [eiser] investeert in vastgoed en is als zodanig regelmatig onderwerp van KYC-onderzoeken (‘know your customer’ onderzoek, verplicht cliëntenonderzoek op grond van de Wwft) door banken en notarissen. Deze zoekresultaten kunnen vragen opwerpen in dergelijke onderzoeken, wat een reden kan zijn dat geen samenwerking met hem wordt aangegaan.\n\n3.3.. Mediahuis voert verweer. Mediahuis betoogt dat [eiser] vermeld mag worden in de artikelen zoals dat is gedaan. De artikelen vallen binnen de vrijheid van meningsuiting en Mediahuis heeft voldoende reden gehad om [eiser] te vermelden.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat [eiser] woonachtig is in [woonplaats] en Mediahuis is gevestigd in Nederland. De voorzieningenrechter zal (ambtshalve) beoordelen of hem rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bisbevoegd van de vordering kennis te nemen, omdat gedaagde Mediahuis in Nederland is gevestigd. Daarbij zal Nederlands recht worden toegepast.\n\nToetsingskader\n\n4.2.. Het recht van Mediahuis op vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 EVRM kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een dergelijke beperking is sprake indien de publicaties onrechtmatig zijn jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten alle wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van het Mediahuis is er met name in gelegen dat zij zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties die in de publieke belangstelling staan, terwijl het belang van [eiser] er met name in is gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat zijn privacy niet onnodig wordt geschonden.\n\n4.3.. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Omstandigheden die bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van een perspublicatie een rol kunnen spelen, zijn:\n\nde aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben;\n\nde ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de kwestie die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen \u002F raakt de publicatie aan een discussie die in de publieke belangstelling staat (debate of general interest);\n\nde mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal;\n\nde totstandkoming van de publicatie;\n\nde mate waarin degene op wie de publicatie is gericht een publiek figuur is, waarbij tevens van belang is welke functie hij bekleedt;\n\neerder gedrag van de betrokken persoon (prior conduct);\n\nde aard en het bereik van het medium waarin de uitlating is gedaan.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Mediahuis betwist allereerst dat [eiser] een (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat dit wel het geval is. Hoewel de publicatie van het 2022-artikel al vier jaar oud is, is dit artikel ook weer relevant geworden door de publicatie van het 2026-artikel. Dat [eiser] al over het 2022-artikel heeft geprocedeerd bij de RvJ maakt dit niet anders, omdat zijn recht om hierover het oordeel van de civiele rechter te vragen daardoor geenszins is beperkt. Bovendien zijn beide artikelen nog steeds toegankelijk via de website van De Limburger en stelt [eiser] dat daardoor sprake is van een voortdurende inbreuk op zijn privacyrecht.\n\nKern van het geschil\n\n4.5.. Dit geschil gaat over twee artikelen die in De Limburger zijn gepubliceerd over de vakantiepark [naam vakantiepark] . [eiser] betwist niet de juistheid van de feiten in het artikel. Hij erkent dat hij veroordeeld is geweest voor twee opiumwetdelicten en hypotheekfraude en dat hij verdachte is geweest van witwassen. Ook is juist dat zijn broer, [naam broer] , in 2012 is geliquideerd en dat [eiser] in het verleden zaken heeft gedaan met [naam ondernemer] . [eiser] stelt echter dat het onrechtmatig is om deze feiten in deze context en in deze artikelen op te nemen. Daarom zal per artikel, met inachtneming van de context ervan, worden beoordeeld of dit onrechtmatig is.\n\n2022-artikel\n\n4.6.. Het 2022-artikel gaat (zoals weergegeven in 2.4) over de integriteit van het openbaar bestuur. Het artikel gaat specifiek over [naam 4] , de beheerder van een investeringsfonds van de provincie Limburg, die mogelijk kwetsbaar of chantabel is omdat hij ruim € 1 miljoen eigen geld heeft geïnvesteerd in het volgens het artikel omstreden vakantiepark [naam vakantiepark] . Dat dit onderwerp maatschappelijke relevantie heeft, is aannemelijk en is tussen partijen ook niet in geschil.\n\n4.7.. De relevantie om ook [eiser] in dit artikel aan te halen heeft Mediahuis voldoende toegelicht. Ten eerste is dit vakantiepark eigendom van de familie [eiser] . [eiser] is daarbij (mede)bestuurder van de STAK, die de aandelen houdt in de holding van de moeder van [eiser] en (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van Bungalowpark [naam bungalowpark] Hoewel [eiser] ontkent dat hij direct betrokken is geweest bij de door [naam 4] verstrekte financiering en alleen zijn moeder in deze kwestie heeft geadviseerd, bleek de persoon van [eiser] voor [naam 4] zelf wel relevant. In het artikel haalt [naam 4] zelf namelijk aan dat de deal is geregeld via [eiser] . [naam 4] wijst vervolgens ook zelf naar [eiser] en zijn verleden, waardoor er sprake zou zijn van integriteitsrisico’s. Het is dan een logisch gevolg dat Mediahuis onderzoek gaat doen naar dat verleden van [eiser] en hierover publiceert. Dat maakt dat de rol van [eiser] en zijn achtergrond, en daarmee zijn strafrechtelijke antecedenten, zijn broer, [naam broer] , die geliquideerd is, en zijn zakelijke banden met [naam ondernemer] met wie hij een groot gezamenlijk vastgoedportofolio had en die verdacht werd van witwassen, daardoor onderdeel zijn geworden van een kwestie die in de publieke belangstelling staat. Het is dan ook niet onrechtmatig dat Mediahuis over [eiser] en deze feiten in het kader van het 2022-artikel heeft geschreven.\n\n4.8.. Het verwijt van [eiser] dat al deze feiten zich in het verleden hebben afgespeeld doet er hier niet toe. Enkel tijdsverloop speelt geen doorslaggevende rol. Het gaat erom of het publiek recht heeft op kennis over de strafrechtelijke informatie en gebeurtenissen uit het verleden, met name wanneer deze relevant blijven voor kwesties die in de publieke belangstelling staan en dat heeft Mediahuis in het kader van 2022-artikel voldoende toegelicht. Bovendien is de informatie die in het 2022-artikel is verwerkt opnieuw relevant geworden door de ontwikkelingen die zich in 2026 (zie hierna over het 2026-artikel) hebben voorgedaan.\n\n2026-artikel\n\n4.9.. Het 2026-artikel gaat samengevat over de aan vakantiepark [naam vakantiepark] verleende exploitatievergunning, ondanks dat het Landelijk Bureau Bibob (LBB) deels negatief had geadviseerd over die vergunning (zie 2.8). De context van dit artikel is dat deze exploitatievergunning moet dienen om ondermijning en criminele activiteiten tegen te gaan. Ook hier is tussen partijen niet in geschil dat dit onderwerp op zichzelf een kwestie is die in de publieke belangstelling staat.\n\n4.10.. Mediahuis heeft ook voor dit artikel de relevantie van het noemen van [eiser] , en familie [eiser] , zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer, [naam broer] , voldoende toegelicht. De gemeente heeft namelijk aan Mediahuis gemeld dat voor het verkrijgen van de exploitatievergunning de Bibob-procedure moet worden doorlopen en dat daarvoor zogenoemde 'Bibob-relaties' moeten worden gescreend, dat zijn personen die betrokken zijn bij de vennootschap die de aanvraag heeft gedaan, en daarbij moet worden gedacht aan bestuurders, aandeelhouders en financiers. Hieronder vallen dus ook [eiser] en zijn moeder. Dat betekent dat [eiser] is gescreend voor het verkrijgen van een exploitatievergunning in het kader van de Bibob en dat daarbij zijn strafrechtelijke antecedenten zijn meegenomen, waaronder niet alleen de veroordelingen (wet opiumdelicten en hypotheekfraude) maar ook verdenkingen (witwassen). Ook zal [naam broer] , de broer van [eiser] vanwege zijn strafrechtelijk verleden en liquidatie daarbij relevant zijn geweest. Omdat deze informatie relevant is voor het verkrijgen van een exploitatievergunning, zijn deze onderwerpen daardoor ook onderdeel geworden van het publieke debat. Daardoor is ook het 2026-artikel niet onrechtmatig jegens [eiser] .\n\n4.11.. Anders dan [eiser] verder suggereert, staat in het artikel niet dat er een negatief advies is afgegeven vanwegede strafrechtelijke antecedenten van [eiser] . In het artikel staat namelijk: “Burgemeester Bob Vostermans van Peel en Maas heeft nu besloten die vergunning te verlenen, ondanks het feit dat de eigenaarsfamilie die achter de vergunningaanvrager schuilgaat niet door de Bibob komt.” Er staat hier immers dat de ‘familie’ niet door de screening komt, dat hoeft niet op [eiser] te slaan, maar kan bijvoorbeeld ook zien op zijn moeder. Daarnaast betoogt [eiser] dat de lezer door het benoemen van het strafrechtelijk verleden van [eiser] in combinatie met het feit dat de familie niet door de Bibob-screening komt, zal denken dat een negatief advies komtdoorhet strafrechtelijk verleden van [eiser] , maar dat staat er niet, Mediahuis heeft dat verband niet gelegd.\n\nVolledige naam van [eiser]\n\n4.12.. \n\nDat [eiser] in beide artikelen bij zijn volledige naam wordt genoemd en bijvoorbeeld niet geanonimiseerd is niet onrechtmatig. In de Leidraad voor Journalistiekstaat over het kunnen identificeren van personen (verdachten en veroordeelden):\n\n‘Journalisten dienen te voorkomen dat informatie of beelden worden gepubliceerd waardoor verdachten en veroordeelden door het grote publiek eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel zijn journalisten niet gehouden wanneer:\n\na. de naam een essentieel bestanddeel van de berichtgeving is,\n\nb. wanneer het niet vermelden van de naam wegens de algemene bekendheid van de betrokkene geen doel dient,\n\nc. wanneer door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad,\n\nd. wanneer het vermelden van de naam gebeurt in het kader van opsporingsberichtgeving, of\n\ne. wanneer de betrokkene zelf de openbaarheid zoekt.’\n\n4.13.. Bij beide artikelen is voldoende aannemelijk dat het legitiem is dat de volledige naam van [eiser] is genoemd omdat sprake is van een situatie zoals hiervoor genoemd onder b. Mediahuis heeft voldoende toegelicht dat er meerdere artikelen zijn waarin [eiser] met zijn volledige naam wordt genoemd. Onder meer in een artikel van het Eindhovens Dagblad van 1 februari 2025 wordt [eiser] met zijn volledige naam genoemd, samen met de naam van zijn broer [naam broer] en het feit dat hij geliquideerd is, en dat het vakantiepark [naam vakantiepark] onder een vergrootglas komt te liggen als ‘vermeend crimineel broeinest’. Ook andere publicaties maken dus melding van de band van [eiser] met het vakantiepark [naam vakantiepark] , zodat het weglaten van de naam van [eiser] of het anonimiseren geen doel dient. Het relevante publiek weet toch wel wie wordt bedoeld, ook als in de artikelen van De Limburger zou hebben gestaan ‘ [eiser] .’, ‘ [eiser] . [eiser] ’, ‘X’, of bijvoorbeeld ‘bestuurder van de Stak van het vakantiepark’ of ‘broer van [naam broer] ’ of ‘voormalig zakenpartner van [naam ondernemer] ’. In al die gevallen zou door de eerdere berichtgeving duidelijk zijn dat hiermee [eiser] wordt bedoeld.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.14.. De conclusie is dat het 2022-artikel en het 2026-artikel niet onrechtmatig zijn jegens [eiser] waardoor de onder 4.2 genoemde belangenafweging in het voordeel van Mediahuis uitvalt. De vordering onder I. wordt dus afgewezen.\n\n4.15.. \n [eiser] vordert daarnaast (onder II.) een verbod om in de toekomst over zijn strafrechtelijke antecedenten en de band met zijn broer en met [naam ondernemer] te publiceren. Een algemeen preventief verbod voor de toekomst kan niet worden toegewezen. Een publicatie moet immers getoetst worden aan de hand van de specifieke inhoud en context. Alle omstandigheden van het geval moeten kunnen worden meegewogen in het kader van de onder 4.2 genoemde belangenafweging.\n\n4.16.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mediahuis worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. weigert de gevraagde voorzieningen,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n De Verordening (EU) Nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)\n\n https:\u002F\u002Frvdj.nl\u002Fleidraad\u002F\n\ntype: EvK\n\ncoll: MV","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3948","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:59.784Z",1,20]