[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-private-international-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},60,"private-international-law-nl","Private International Law","NL","2026-07-08T16:54:05.559Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-02-23T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122721","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122722","art. 431 lid 2",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"122724","Burgerlijk Wetboek","art. 6:124",[34,45,54],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1908","ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","ecli-nl-rbams-2026-6092","","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F13\u002F783627 \u002F HA RK 26-55\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M.A. Hupkes,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap naar het recht van St. Vincent en de Grenadines KYRREX LTD,\n\ngevestigd te Kingstown, St. Vincent en de Grenadines, 2. de vennootschap naar Maltees recht REAL EXCHANGE (REX) LTD,\n\ngevestigd te Saint Julian, Malta,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen Kyrrex Ltd en Rex Ltd,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 19 februari 2026.\n\n1.2.. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet hebben gereageerd op het verzoek van de rechtbank te laten weten of zij gehoord wensen te worden op het verzoek van [eiser].\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] is in de periode juni tot en met augustus 2025 slachtoffer geworden van online beleggingsfraude via het platform Horizons28. Nadat hij zich via de website van dat platform had aangemeld, is hij benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van Horizons28 en hem hebben bewogen aanzienlijke bedragen te investeren. Daarbij heeft [eiser] in totaal meer dan € 650.000,- overgemaakt ten behoeve van de aanschaf van cryptovaluta, die vervolgens naar door de fraudeurs aangewezen blockchainadressen zijn verzonden.\n\n2.2.. Toen [eiser] in augustus 2025 een deel van zijn vermeende belegging wilde opnemen, bleek dat niet mogelijk. Hij heeft daarop op 4 september 2025 aangifte gedaan van fraude.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft vervolgens onderzoek laten verrichten naar de bestemming van de door hem verzonden cryptovaluta. Uit dat onderzoek blijkt volgens [eiser] dat een aanzienlijk deel van de cryptovaluta uiteindelijk terecht is gekomen op depositadressen die via een zogenoemde nested service-constructie zijn te herleiden tot het platform van Kyrrex, dat volgens [eiser] gezamenlijk door Kyrrex Ltd en Rex Ltd wordt geëxploiteerd.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [eiser] verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kyrrex Ltd en Rex Ltd te bevelen binnen veertien dagen na de te geven beschikking in digitale vorm inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij hen bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van de te geven beschikking.3.2.. Daarnaast verzoekt [eiser] de rechtbank te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd een dwangsom verschuldigd zijn van € 50.000,- indien niet binnen de termijn aan het bevel wordt voldaan, vermeerderd met € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-. Tot slot vraagt [eiser] de rechtbank om Kyrrex Ltd en Rex Ltd te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.3.. Aan zijn verzoek legt [eiser] ten grondslag dat hij de gevraagde gegevens nodig heeft om zijn rechtspositie te kunnen bepalen en om te beoordelen of hij een civielrechtelijke procedure (op grond van onrechtmatige daad) kan instellen tegen de personen of entiteiten die de uit fraude afkomstige cryptovaluta hebben ontvangen, dan wel tegen Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf.\n\n4. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n4.1.. \n [eiser] woont in Nederland. Kyrrex Ltd is gevestigd in Saint Vincent en de Grenadines en Rex Ltd in Malta. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtbank zal (ambtshalve) beoordelen of haar rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.4.2.. Op grond van artikel 3 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de rechtbank rechtsmacht om kennis te nemen van het verzoek van [eiser] tegen Kyrrex Ltd.\n\n4.3.. De rechtsmacht ten aanzien van Rex Ltd moet worden beoordeeld aan de hand van Brussel I-bis, nu het geschil zowel formeel, materieel als temporeel onder het toepassingsgebied van die verordening valt. Rex Ltd is gevestigd in Malta. De aan het verzoek ten grondslag gelegde voorgenomen vordering betreft een vordering uit onrechtmatige daad. [eiser] stelt (onweersproken) dat de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.\n\n4.4.. Het verzoek is gebaseerd op artikel 196 Rv. Dit betreft formeel procesrecht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing.\n\nHet verzoek\n\n4.5.. Voordat een procedure aanhangig is, kan een belanghebbende de rechter verzoeken om inzage in, afschrift van of een uittreksel van gegevens (zie artikel 196 Rv). Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden:\n\na. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek,\n\nb. de aard en het beloop van de vordering,\n\nc. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Op grond van artikel 196 lid 2 Rv moet de rechtbank het verzoek toewijzen, tenzij zij van oordeel is dat:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n4.7.. Omdat Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet zijn verschenen, is geen beroep gedaan op één van voornoemde afwijzingsgronden. Dat betekent dat de rechtbank alleen kan toetsen of het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde (zie Parl. Gesch. Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht 2024\u002FII.33.5\u002FNota naar aanleiding van het Verslag, waarin wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Daarvan is geen sprake.\n\n4.8.. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv, de artikelen 194 Rv, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens heeft als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, ook als dit een derde is die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, is verplicht daarvan inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\n4.9.. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat aan deze vereisten is voldaan. Gezien het voorgaande zal het verzoek om afgifte van de verzochte gegevens worden toegewezen voor zover dat betrekking heeft op informatie waarover Kyrrex Ltd en Rex Ltd zelf beschikken. Conform artikel 194 Rv moet [eiser] de kosten van Kyrrex Ltd en Rex Ltd dragen die voor de verstrekking moeten worden gemaakt.\n\nDwangsom\n\n4.10.. \n [eiser] heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat Kyrrex Ltd en Rex Ltd bij gebrek aan tijdige of volledige nakoming van het bevel tot inzage\u002Fafschrift van de gevraagde gegevens een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per dag zolang de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-.\n\n4.11.. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gevorderde inzage, het belang van [eiser] bij tijdige verkrijging van de gevraagde gegevens, het uitblijven van enig verweer van Kyrrex Ltd en Rex Ltd en de noodzaak de nakoming van het bevel voldoende te waarborgen, aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. De rechtbank acht de hoogte van de gevorderde dwangsom, mede gelet op de ernst van de gestelde feiten en de hoogte van de vermeende schade, gerechtvaardigd.\n\nProceskosten\n\n4.12.. Nu het verzoek wordt toegewezen, zal de rechtbank Kyrrex Ltd en Rex Ltd, zoals verzocht, veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n653,00\n\n(1 punt × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.556,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst het verzoek toe en beveelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd inzake het account dat is gekoppeld aan de volgende depositadressen:\n\n [depositiadres 1]\n\n [depositiadres 2]\n\n [depositiadres 3]\n\n [depositiadres 4]\n\n [depositiadres 5]\n\n [depositiadres 6]\n\n [depositiadres 7]\n\nalsmede de volgende transactiecodes:\n\n [transactiecode 1]\n\n [transactiecode 2]\n\n [transactiecode 3]\n\n [transactiecode 4]\n\n [transactiecode 5]\n\n [transactiecode 6]\n\n [transactiecode 7]\n\nde bij haar bekende identificerende gegevens te verstrekken, te weten:\n\n- de volledige voornamen en achternaam; - de geboortedatum; - het laatst bekende woonadres; - het bij de ‘onboarding’ gebruikte identiteitsbewijs;\n\n- de gezichtsscan en\u002Fof foto;\n\n- het IP-adres van het gebruikte apparaat;\n\n- telefoonnummer en emailadres;\n\nalsmede de mutatieoverzichten te verstrekken over de periode van 26 juni 2025 (de dag van de eerste overboeking naar de fraudeurs) tot en met de dag van deze beschikking;\n\n5.2.. bepaalt dat het verstrekken van inzage in en afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk 15 dagen na betekening van deze beschikking in een digitaal en doorzoekbaar formaat;\n\n5.3.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd tot betaling van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat zij vanaf 15 dagen na betekening van deze beschikking niet aan het bevel in 5.1. voldoen, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt;\n\n5.4.. bepaalt dat [eiser] aan Kyrrex Ltd en Rex Ltd de kosten zal vergoeden die zij eventueel moeten maken voor het verstrekken van de afschriften, binnen twee weken nadat Kyrrex Ltd en Rex Ltd, onderbouwd met stukken, aan [eiser] opgave van die kosten heeft gedaan;\n\n5.5.. veroordeelt Kyrrex Ltd en Rex Ltd hoofdelijk in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Kyrrex Ltd en Rex Ltd niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.E.M James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nde Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6092","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:44.919Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":53},"879","ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","ecli-nl-rbams-2026-3521","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773139 \u002F HA ZA 25-1328\n\nVonnis van 1 april 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\n360 EUROPE ASSET MANAGEMENT LTD,\n\ngevestigd te Amstelveen, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n360 EUROPE CENTRE MANAGEMENT B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: 360 Europe c.s.,\n\nadvocaat: mr. L.P. Lustermans,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 AALSMEER B.V.,\n\ngevestigd te Aalsmeer, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 ALMERE B.V.,\n\ngevestigd te Almere, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 DORDRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 EINDHOVEN B.V.,\n\ngevestigd te Eindhoven, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 HOUTEN B.V.,\n\ngevestigd te Houten, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 INNSBRUCKWEG B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam, 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 LEIDERDORP B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHCI 360 UTRECHT B.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: HCI 360 c.s.,\n\nadvocaat: mr. M. Deckers.\n\n1. De kern van de zaak1.1. 360. Europe c.s. hebben een procedure tegen HCI 360 c.s. gevoerd bij de Engelse rechter. De Engelse rechter heeft in twee vonnissen HCI 360 c.s. veroordeeld om een aantal bedragen aan 360 Europe c.s. te betalen. 360 Europe c.s. willen deze veroordelingen in Nederland ten uitvoer leggen en vorderen daarom in deze procedure dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld tot hetgeen waartoe zij in de Engelse vonnissen zijn veroordeeld.\n\n1.2.. HCI 360 c.s. zijn het met name niet eens met de door 360 Europe c.s. gevorderde hoofdelijke veroordeling. HCI 360 c.s. menen dat het eerste Engelse vonnis zo moeten worden uitgelegd dat geen hoofdelijke veroordeling is uitgesproken, behalve als het gaat om de proceskosten.\n\n1.3.. De rechtbank geeft HCI 360 c.s. hierin geen gelijk en wijst daarom de vorderingen van 360 Europe c.s. toe. Hierna wordt nader uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 14 juli 2025, met producties,\n\n- de exploten van overbetekening dagvaarding aan derden, ontvangen ter griffie op 6 augustus 2025,\n\n- de conclusie van antwoord, tevens houdende verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis, met producties,\n\n- de akte uitlating verzoek tot aanhouding in verband met buitenlandse procedure tot verduidelijking Engels vonnis van 360 Europe c.s., met een productie,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de daarin genoemde stukken, en de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden,\n\n- de berichten van mr. Lustermans en mr. Deckers van 9 maart 2026, waarin verzocht is om vonnis te wijzen.\n\n3. De feiten3.1.. HCI 360 c.s. zijn eigenaar van onroerend goed in Nederland en houden zich bezig met het verhuren van bedrijfsruimte.\n\n3.2. 360. Europe c.s. hebben in opdracht van HCI 360 c.s. werkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit het verrichten van commerciële en beheeractiviteiten voor HCI 360 c.s.\n\n3.3. 360. Europe c.s. zijn een procedure gestart tegen HCI 360 c.s. bij de County Court in Central London, Verenigd Koninkrijk, waarbij zij hebben gesteld dat HCI 360 c.s. hebben nagelaten om afgesproken vergoedingen te voldoen. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis op tegenspraak van 12 mei 2025 (hierna: het eerste vonnis), waarin HCI 360 c.s. onder meer zijn veroordeeld tot betaling van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. Dit is in het vonnis als volgt weergegeven:\n\n“2) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of EUR 960,887.12, (…)\n\n3) By 4pm on 26 May 2025, it is ordered that the Defendants pay the Claimants the sum of £72,577.70, (…)\n\n7) By 4 pm on 26 May 2025, the Defendants shall pay the Claimants the sum of £350,000 on account of costs.”\n\n3.4.. Op verzoek van 360 Europe c.s. heeft de Engelse rechter op 12 juni 2025 een verbeterd vonnis verstrekt, waarbij de juiste namen van de vennootschappen van HCI 360 c.s. op het vonnis zijn vermeld.\n\n3.5.. Bij brief van 21 mei 2025 hebben 360 Europe c.s. HCI 360 c.s. gesommeerd om uiterlijk op 26 mei 2025 om 16:00 uur aan de veroordelingen in het Engelse vonnis te voldoen.\n\n3.6. 360. Europe c.s. hebben in juni 2025 met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank conservatoire beslagen gelegd onder derden ten laste van HCI 360 c.s. en op onroerende zaken van HCI 360 c.s.\n\n3.7.. HCI 360 c.s. hebben in een kort geding procedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank opheffing van de conservatoire beslagen gevorderd. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 28 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het door 360 Europe c.s. gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak van HCI Aalsmeer opgeheven.\n\n3.8.. HCI 360 c.s. hebben in oktober 2025 via een Slip Ruleprocedure de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis te verduidelijken en zo aan te passen dat de veroordelingen (behalve de proceskosten) niet hoofdelijk zijn uitgesproken, maar dat elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen aan 360 Europe c.s. verschuldigde bedragen afzonderlijk worden weergegeven. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 januari 2026 heeft de Engelse rechter dit verzoek afgewezen. Dit heeft de Engelse rechter bij vonnis van 30 januari 2026 (hierna: het tweede vonnis) bevestigd en als volgt geformuleerd:\n\n“(…)the Defendants are jointly and severally liable to pay the Claimants the sums ordered in each of paragraphs 2, 3 (…) and 7 of the Order, which means that each Claimant is entitled to enforce such sums or any part of them against the Defendants or any combination of them in whole or part.”\n\nDaarnaast heeft de Engelse rechter bepaald dat HCI 360 c.s. worden veroordeeld in de kosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,- en dat deze kosten uiterlijk op 5 februari 2026 om 16:00 uur moeten worden betaald.\n\n4. Het geschil4.1. 360. \n\nEurope c.s. vorderen na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat HCI 360 c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van:\n\nI. € 960.887,12, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025,\n\nII. GBP 72.577,70, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIII. GBP 350.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 12 mei 2025, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nIV. GBP 10.000,-, vermeerderd met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 4 februari 2026, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\nV. de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,-,\n\nVI. de beslagkosten,\n\nVII. de proces- en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n4.2. 360. Europe c.s. baseren hun vordering op artikel 431 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij leggen primair aan hun vorderingen ten grondslag dat gezag moet worden toegekend aan de Engelse vonnissen en subsidiair dat een nieuwe inhoudelijke beoordeling van deze rechtbank moet plaatsvinden. 360 Europe c.s. stellen dat de Engelse vonnissen in Nederland moeten worden erkend en ten uitvoer kunnen worden gelegd, omdat aan de in de rechtspraak ontwikkelde criteria is voldaan.\n\n4.3.. HCI 360 c.s. zijn het niet met de vorderingen eens en voeren aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van 360 Europe c.s. in de kosten van deze procedure.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordelingRechtsmacht5.1.. Er is sprake van een internationaal geschil. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van 360 Europe c.s. kennis te nemen. Dat is het geval, omdat gedaagden in Nederland gevestigd zijn (art. 2 Rv.).\n\nToetsingskader5.2.. \n\nDe vorderingen van 360 Europe c.s. zijn gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. Ambtshalve dient de rechtbank echter ook uitvoering te geven aan het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken (Pb EU L 187\u002F4 van 14 juli 2022). Zowel Nederland (door toetreding van de Europese Unie met inwerkingtreding op 1 september 2023) als het Verenigd koninkrijk (door toetreding met inwerkingtreding op 1 juli 2025) zijn partij bij dit verdrag.\n\nHet eerste vonnis valt niet onder de werking van dat verdrag, het tweede vonnis wel en dit wordt op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van genoemd verdrag in Nederland erkend en kan ten uitvoer worden gelegd.\n\n5.3.. Wat het eerste vonnis betreft is de vraag die in deze zaak centraal staat is of HCI 360 c.s. kunnen worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in dat vonnis zijn veroordeeld, dat wil zeggen of in Nederland aan die beslissing gezag toekomt. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal voorwaarden zoals opgesomd in het zogenaamde Gazprombankarrest.Hieruit volgt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:\n\ni) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,\n\nii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,\n\niii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde,\n\niv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.\n\n5.4.. Op het moment dat aan de hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan, moet de Nederlandse rechter als uitgangspunt nemen dat partijen aan de buitenlandse beslissing zijn gebonden. Een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, is dan in beginsel toewijsbaar.\n\nDe veroordelingen in het eerste Engelse vonnis moeten als hoofdelijk worden begrepen5.5.. De kern van het geschil is hoe het eerste Engelse vonnis moet worden uitgelegd. In dat vonnis zijn HCI 360 c.s. veroordeeld tot betaling aan 360 Europe c.s. van € 960.887,12, GBP 72.577,70 en GBP 350.000,-. 360 Europe c.s. vorderen in deze procedure dat deze veroordelingen hoofdelijk worden uitgesproken. HCI 360 c.s. verzetten zich hiertegen en voeren aan dat 360 Europe c.s. in de Engelse procedure geen hoofdelijke veroordeling hebben gevorderd, dat dit niet in het partijdebat naar voren is gekomen en dat een dergelijke veroordeling niet uit het vonnis volgt. Volgens HCI 360 c.s. moeten daarom de veroordelingen in het eerste vonnis niet als hoofdelijk toegewezen begrepen worden, met uitzondering van de proceskosten.\n\n5.6.. De rechtbank volgt HCI 360 c.s. hierin niet. Het eerste vonnis bevat namelijk geen uitsplitsing van het door elk van de door HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk te betalen bedragen, maar slechts de bepaling dat “the Defendants” de daarin genoemde totaalbedragen dienen te betalen. Dat betekent dat de veroordelingen als hoofdelijk moeten worden begrepen, hetgeen ook door de Engelse rechter in het tweede vonnis is bevestigd. HCI 360 c.s. hebben namelijk via de Slip Rule procedure verduidelijking van het eerste vonnis gevraagd. Zij hebben de Engelse rechter verzocht om het eerste vonnis zo aan te passen dat zij niet hoofdelijk zijn verbonden tot betaling van de totaalbedragen aan 360 Europe c.s., maar om de elk door de HCI 360 c.s. vennootschappen afzonderlijk verschuldigde bedragen in de veroordeling te specificeren. De Engelse rechter heeft vervolgens in het tweede vonnis nadrukkelijk overwogen dat HCI 360 c.s. gezamenlijk en hoofdelijk (‘joint and several’) zijn veroordeeld tot de in het eerste vonnis toegewezen bedragen en heeft daarom de gevorderde aanpassing voor individuele veroordelingen van HCI 360 c.s. in het gedeelte van de totaalbedragen afgewezen. De conclusie is dan ook dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken.\n\nHet verweer van HCI 360 c.s. dat niet aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest is voldaan slaagt niet5.7.. HCI 360 c.s. hebben zich erop beroepen dat als hun uitleg van het eerste vonnis niet wordt gevolgd, wat hier aan de orde is, niet voldaan wordt aan de voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest. Volgens HCI 360 c.s. levert een hoofdelijke veroordeling namelijk een strijd op met artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en de Nederlandse openbare orde, omdat een hoofdelijke veroordeling niet in de Engelse procedure was gevorderd. Nu HCI 360 c.s. zich hiertegen niet hebben kunnen verweren, heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Daarnaast zou toewijzing van de vorderingen van 360 Europe c.s. ertoe leiden dat meer van HCI 360 c.s. kan worden geëxecuteerd dan in het eerste vonnis is toegewezen.\n\n5.8. 360. Europe c.s. hebben hiertegen ingebracht dat de tekst van het eerste vonnis van tevoren bij partijen bekend was en dat zij daar commentaar op mochten leveren. Daarnaast is een hoofdelijke veroordeling in de Slip Rule procedure onderdeel van het partijdebat geweest en zijn beide partijen in de gelegenheid geweest hun standpunten toe te lichten. Vervolgens heeft de Engelse rechter in het tweede vonnis het eerste vonnis bevestigd en uitgesproken dat de daarin opgenomen veroordelingen hoofdelijk zijn. Ten slotte hebben HCI 360 c.s. geen gebruik gemaakt van hun mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen de vonnissen.\n\n5.9.. Het betoog van HCI 360 c.s. dat een hoofdelijke veroordeling in strijd is met artikel 6 EVRM en de Nederlandse openbare orde slaagt niet. De voorwaarden (ii) en (iii) uit het Gazprombankarrest hangen met elkaar samen en zien op de behoorlijke rechtspleging. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Er is geen plaats voor een inhoudelijke toetsing (het verbod van révision au fond). Het gaat erom dat voorkomen wordt dat een buitenlandse beslissing naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse orde als fundamenteel worden aangemerkt. Als dat het geval is, kan de buitenlandse beslissing niet in Nederland worden erkend.In dit geval is hier echter geen sprake van. Zoals hiervoor is overwogen kan uit de tekst van het eerste vonnis worden afgeleid dat de veroordelingen hoofdelijk zijn uitgesproken. Verder staat vast dat HCI 360 c.s. via de weg van de Slip Rule procedure hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken dat zij vinden dat het eerste vonnis zo moet worden begrepen dat geen hoofdelijke veroordeling is toegewezen. De daaropvolgende beslissing van de Engelse rechter dat de veroordelingen uit het eerste vonnis wel hoofdelijk zijn toegewezen, is een beslissing die is voorbehouden aan de Engelse rechter. Als HCI 360 c.s. na het uitspreken van het eerste vonnis meenden dat de veroordelingen ten onrechte als hoofdelijk waren uitgesproken, hadden zij hiertegen hoger beroep moeten instellen. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat er geen sprake is geweest van een ‘fair trail’ als bedoeld in artikel 6 EVRM en ook niet dat sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde.\n\nHet Engelse vonnis is voor erkenning en tenuitvoerlegging vatbaar5.10.. \n\nOmdat partijen het er verder over eens zijn dat aan de overige voorwaarden uit het Gazprombankarrest (zie 5.3) is voldaan, kan ook het eerste Engelse vonnis in Nederland worden erkend en ten uitvoer worden gelegd.\n\nSlotsom5.11.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van 360 Europe c.s. hoofdelijk worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde proceskosten van de Slip Rule procedure van GBP 10.000,-, omdat uit het tweede vonnis volgt dat deze kosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. Een hoofdelijke veroordeling betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen. Op grond van artikel 6:123 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen 360 Europe c.s. de vorderingen II tot en met IV executeren in Nederlands geld. Dit moet overeenkomstig artikel 6:124 BW gebeuren door omrekening van de Britse pond in euro’s naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.\n\nRente5.12.. De gevorderde binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk over de vorderingen I tot en met IV wordt toegewezen, omdat deze niet door HCI 360 c.s. is betwist. 360 Europe c.s. vorderen binnenlandse rente over de vorderingen I tot en met III vanaf 12 mei 2025 en over de vordering IV vanaf 4 februari 2026. Uit het eerste vonnis blijkt dat de daarin opgenomen veroordelingen uiterlijk op 26 mei 2025 moeten worden betaald en uit het tweede vonnis volgt dat de proceskostenveroordeling op 5 februari 2026 moet worden voldaan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat vanaf die data binnenlandse rente is verschuldigd. De gevorderde rente wordt dan ook toegewezen zoals hierna in de beslissing is bepaald.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten5.13. 360. Europe c.s. vorderen hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). 360 Europe c.s. hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. 360 Europe c.s. hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 6.775,- hoofdelijk toegewezen.\n\nBeslagkosten5.14. 360. Europe c.s. vorderen HCI 360 c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. HCI 360 c.s. voeren aan dat deze kosten moeten worden afgewezen omdat deze kosten geen deel uitmaken van de procedure als bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv en deze kosten nodeloos zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat artikel 706 Rv bepaalt dat de beslagkosten voor rekening komen van de beslagene. Dit is alleen anders als de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren. In dit geval is het de rechtbank van dit laatste niet gebleken, zodat de beslagkosten voor rekening van HCI 360 c.s. komen. De beslagkosten worden vastgesteld op:\n\n€ 6.293,73 voor kosten deurwaardersexploten (de beslagexploten van 30 juni 2025 voor beslag onder VasteState en Rabobank en op onroerende zaken, de betekening van de beslagen aan HCI 360 c.s. op 2 juli 2025 en de overbetekening van de dagvaarding aan Rabobank op 16 juli 2025 en aan VasteState op 21 juli 2025),\n\n€ 714,00 voor griffierecht,\n\n€ 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt x 4.631,00).\n\nDe beslagkosten bedragen in totaal € 11.638,73 en HCI 360 c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld deze te betalen.\n\nProceskosten5.15.. HCI 360 c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van 360 Europe c.s. worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n143,00\n\n- griffierecht\n\n€\n\n9.474,00\n\n(verminderd met griffierecht voor beslag)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n19.068,00\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.17.. De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.18. 360. Europe c.s. vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. HCI 360 c.s. voeren hiertegen verweer. De rechtbank wijst de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toe en legt hierna uit waarom.\n\n5.19.. Uitgangspunt is dat een veroordeling die is uitgesproken uitvoerbaar moet zijn en ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er nog hoger beroep of een andere hogere voorziening mogelijk is. Dit kan anders zijn als het belang van de veroordeelde om de huidige situatie te behouden totdat op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling wil laten uitvoeren. Bij de beoordeling hiervan kijkt de rechter naar de beslissing die uitgevoerd moet worden en de feiten en oordelen die daaraan ten grondslag liggen. De rechter houdt geen rekening met de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel. Wel kan de rechter bij zijn oordeel betrekken of de beslissing die uitgevoerd moet worden berust op een kennelijke misslag.\n\n5.20.. Omdat het hier gaat om veroordelingen tot betalingen van geldsommen, is daarmee het belang van 360 Europe c.s. bij de tenuitvoerlegging gegeven. Er bestaat in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. HCI 360 c.s. betogen dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaring voor hen tot onomkeerbare financiële gevolgen zal leiden, maar zij hebben het gestelde onaanvaardbare restitutierisico niet verder onderbouwd of toegelicht. Dat brengt mee dat het belang van HCI 360 c.s. niet zwaarder weegt dan het belang van 360 Europe c.s. Het argument van HCI 360 c.s. dat het niet aannemelijk is dat 360 Europe c.s. in hun verhaalsmogelijkheden worden beperkt en zij hun aanspraken kunnen waarborgen via conservatoire maatregelen, gaat niet op. HCI 360 c.s. hebben namelijk zelf tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij enorme verliezen lijden en dat er feitelijk gezien geen verhaal bij haar mogelijk is. De gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt dan ook toegewezen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 960.887,12, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.2.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 72.577,70, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.3.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 350.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 26 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.4.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van GBP 10.000,00, te vermeerderen met de binnenlandse rente van het Verenigd Koninkrijk vanaf 5 februari 2026, tot de dag van volledige betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt,\n\n6.5.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk om aan 360 Europe c.s. te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n6.6.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 11.638,73,\n\n6.7.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 19.068,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als HCI 360 c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. veroordeelt HCI 360 c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.9.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprom).\n\n Zie HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos) r.o. 4.1.3 en 4.1.4.\n\n Hof Amsterdam 28 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:753.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3521","2026-04-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.554Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":43,"updatedAt":61},"877","ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","ecli-nl-rbams-2026-3328","RECHTBANKAMSTERDAM\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11952989 \\ CV FORM 25-15277\n\nBeschikking van 23 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] (Bonaire),\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nMETA PLATFORMS IRELAND LIMITED,\n\ngevestigd te Dublin (Ierland),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Meta,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] (A&L Goodbody LLP).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861\u002F2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening, met bijlagen, een vordering ingesteld.\n\n1.2.. Bij brief van 22 januari 2026 is aan Meta medegedeeld dat een procedure voor geringe vorderingen tegen haar is ingesteld en is een afschrift van het Vorderingsformulier A met bijlagen meegezonden. Meta is in de gelegenheid gesteld te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken te retourneren.\n\n1.3.. De gemachtigde van Meta heeft bij brief van 9 februari 2026 op de door de rechtbank aan Meta gezonden brief van 22 januari 2026 gereageerd en deze brief, met bijlagen, aan de rechtbank geretourneerd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. De gemachtigde van Meta heeft de aan Meta gezonden brief met bijlagen van 22 januari 2026 geretourneerd en aangevoerd dat de documenten niet zijn gesteld in een taal die Meta begrijpt en niet zijn vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van Ierland, zoals vereist in de EPGV-Verordening. De gemachtigde van Meta stelt dat hij om deze reden de ontvangst van de stukken heeft geweigerd. De kantonrechter ziet momenteel (nog) geen aanleiding om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen op de weigering te reageren in verband met het navolgende.\n\n2.2.. De EPGV-Verordening is alleen van toepassing op zaken die “grensoverschrijdend” zijn in de zin van de Verordening. In artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening is bepaald dat onder grensoverschrijdende zaak wordt verstaan, een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.\n\n2.3.. De EPGV-Verordening is bedoeld om de goede werking van de interne markt van de Europese Unie te bevorderen. [verzoeker] heeft haar woonplaats in [woonplaats] , Bonaire. Bonaire is één van de dertien Overzeese land- of gebiedsdelen van verschillende lidstaten van de Europese Unie (hierna: Overseas Countries and Territories ofOCT’s). Zij maken deel uit van die lidstaten of zijn er aan gelieerd. Maar deze OCT’s maken geen deel uit van het grondgebied van de Europese Unie of van de interne markt van de Europese Unie. Wel hebben zij een associatieverdrag met de EU. Omdat Bonaire geen deel uitmaakt van het grondgebied of de interne markt van de Europese Unie, geldt de secondaire EU-wetgeving daar niet. Ook via het associatieverdrag OCT-EU geldt die wetgeving niet in Bonaire. Als een partij niet woont of gevestigd is op het grondgebied van de Europese Unie kan geen beroep worden gedaan op de EPGV-Verordening.\n\n2.4.. Omdat [verzoeker] niet woont op het grondgebied van de Europese Unie, wordt vooralsnog geoordeeld dat geen sprake is van een grensoverschrijdende zaak als bedoeld in artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening. Het verzoek valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening.\n\n2.5.. Artikel 4 lid 3 van de EPGV-Verordening schrijft dan voor dat het gerecht de eiser ervan op de hoogte stelt dat de vordering buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt en dat deze procedure dan, tenzij eiser de vordering intrekt, door het gerecht zal worden behandeld overeenkomstig het procesrecht dat geldt in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd.\n\n2.6.. Gelet op het voorgaande wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te reageren:\n\n2.6.1.. op de omstandigheid dat zij woonplaats heeft op Bonaire, terwijl een vordering op grond van de EPGV-Verordening alleen mogelijk is als beide partijen hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de Europese Unie,\n\n2.6.2.. of zij hierin aanleiding ziet de vordering in te trekken dan wel dat zij wenst dat de procedure wordt omgezet in een dagvaardingsprocedure naar het recht van het Europese deel van Nederland. In het laatste geval dient [verzoeker] ook toe te lichten op welke gronden zij de (kanton)rechter van het Europese deel van Nederland bevoegd acht en welk recht op de vordering van toepassing is en waarom.\n\n2.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. stelt [verzoeker] in de gelegenheid binnen 30 dagen na ontvangst van deze beschikking te reageren op hetgeen onder 2.6 is overwogen,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.\n\n64443","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3328","2026-04-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.449Z",20]