[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-social-housing-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":56,"limit":57},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},141,"social-housing-nl","Social Housing","NL","2026-07-08T16:58:35.899Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-04-17T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1566","ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","ecli-nl-rbams-2026-5665","","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 25\u002F6463\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres], uit [woonplaats], eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. Eiseres heeft in deze procedure veel (aanvullende) gronden ingediend. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan.In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door eiseres is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor het haar oordeel. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de medische urgentiecategorie en de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Ook beoordeelt de rechtbank of verweerder de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast.\n\n3.2.. Eiseres stelt dat aan haar een urgentieverklaring op medische gronden zou moeten worden verleend. Zij heeft psychische problemen door trauma’s en is hiervoor onder behandeling van een psycholoog. Verder stelt eiseres dat er aan haar een urgentieverklaring op sociale gronden kan worden verleend omdat zij te maken heeft met de dreiging van eer gerelateerd geweld door haar ex-partner. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel.\n\nMedische urgentie\n\n4.1.. Voor alleenstaanden geldt dat een urgentieverklaring alleen kan worden verleend in geval van ernstige en chronische medische problematiek, gerelateerd aan de woonsituatie en die levensontwrichtend van aard is, waardoor hij\u002Fzij niet meer in staat is om zelfstandig te functioneren.Bij psychische problematiek geldt als extra voorwaarde dat de aanvrager op het moment van de aanvraag minimaal zes maanden onder behandeling moet zijn bij een specialistische tweedelijns GGZ instelling of psychiater.De achterliggende gedachte van die voorwaarde is dat deze periode minimaal nodig is om een goed beeld te vormen van de ernst van de psychische klachten en de benodigde behandeling daarvan.\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aan de voorwaarden voor een medische urgentieverklaring voldoet. Uit de stukken die eiseres in de gehele procedure heeft overgelegd blijkt niet dat eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was (en is) voor haar psychische problemen. Ook blijkt niet dat bij deze psychische problemen sprake is van een ernstige en chronische medische problematiek die levensontwrichtend is en waarvoor met spoed een zelfstandige woning nodig is. Uit het dossier blijkt dat eiseres op 27 januari 2025 een intake had bij [bedrijf]. Vervolgens blijkt uit de brief van GZ-psycholoog [naam] van 6 februari 2025 dat eiseres op dat moment in behandeling is maar dat de behandeling niet kan worden voortgezet vanwege de instabiele situatie van eiseres. De behandeling zal pas worden hervat als er meer stabiliteit in het dagelijks leven van eiseres is gerealiseerd. Vervolgens blijkt uit de e-mail van 8 oktober 2025 dat het dossier van eiseres voorlopig wordt gesloten. Gelet op het voorgaande voldeed eiseres tijdens de aanvraag en tijdens de beslissing op bezwaar niet aan de voorwaarde dat de psychische problemen aantoonbaar chronisch zijn en eiseres minimaal zes maanden onder behandeling was van een tweedelijns GGZ instelling of psychiater. Voor wat betreft de lichamelijke aandoeningen, zoals de traag werkende schildklier, heeft eiseres onvoldoende stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze aandoening levensontwrichtend is. De huisarts heeft in 2025 geadviseerd dit medicamenteus te behandelen en er zijn geen aanknopingspunten dat deze aandoening dermate ernstig is dat hiervoor een medische\n\nurgentieverklaring noodzakelijk is.\n\nSociale urgentie\n\n5.1.. \n\nUit artikel 13 van de Nadere regels volgt dat een urgentieverklaring op sociale gronden wegens bedreiging of geweld alleen kan worden verkregen indien de aanvrager zijn of haar woning als gevolg van een levensbedreigende situatie door stelselmatig geweld of bedreiging acuut heeft moeten verlaten. Ook moet de levensbedreigende situatie blijken\n\nuit een proces-verbaal en een verklaring van de politie waaruit blijkt dat de aanvrager vanwege veiligheidsredenen niet langer in zijn of haar eigen woning kan verblijven, ook niet na een opgelegd straat- of contactverbod.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet valt onder de sociale urgentiecategorie ‘geweld of ernstige bedreiging’. Eiseres beschikt niet over een eigen zelfstandige woning. Ook heeft eiseres onvoldoende concreet duidelijk gemaakt dat er sprake was van ernstige bedreiging en geweld, dat dit stelselmatig was en dat zij ten gevolge hiervan de woning van haar moeder acuut heeft moeten verlaten. Dat er sprake is geweest van een levensbedreigende situatie blijkt niet uit een proces-verbaal van de politie. Ook heeft eiseres geen beroep gedaan op voorliggende voorzieningen en is er geen verklaring van de politie waaruit blijkt dat\n\neiseres uit veiligheidsoverwegingen niet langer in de woning van haar moeder kan verblijven overgelegd. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres moeilijk kan zijn om aangifte te doen en verdere stappen te ondernemen zoals vereist om op deze gronden in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring maar daar tegenover staat dat verweerder niet slechts af hoeft te gaan op de verklaringen van eiseres, zonder objectieve onderbouwing daarvan met stukken van bijvoorbeeld de politie. Onbekend blijft wat de gestelde bedreigingen en het geweld concreet en feitelijk hebben behelsd en waar en wanneer dit precies heeft plaatsgevonden en of dit stelselmatig was.\n\nHardheidsclausule\n\n6.1.. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Uit artikel 25 van de Nadere regels volgt dat het bij medische problematiek moet gaan om een uitzonderlijke noodsituatie en dat sprake moet zijn van een acuut levensbedreigend probleem.\n\n6.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een lastige (woon)situatie bevindt en dat deze situatie niet bevorderlijk is voor het herstel van haar psychische klachten. Hoewel dit door eiseres wellicht niet zo zal worden ervaren, is deze situatie helaas in Amsterdam niet dusdanig bijzonder. Het komt vaker voor dat woningzoekenden met psychische klachten, vaak ook met (vermoeden van) PTSS zoals ook het geval bij eiseres, te maken hebben met\n\nuitgestelde behandeling vanwege de woonsituatie. Dit is niet dermate uniek, bijzonder en\n\nschrijnend dat dit toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Verweerder was daarom niet gehouden om alsnog een urgentieverklaring te verlenen op grond van bijzondere hardheid.6.3.. \n\nDaarnaast weegt de rechtbank bij het beroep op de hardheidsclausule mee dat eiseres op basis van haar opgebouwde woonpunten kansrijk is bij het vinden van een\n\nwoning. Eiseres heeft inmiddels 10 wachtpunten en 29 zoekpunten. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat het met 39 woonpunten heel goed mogelijk moet zijn om op eigen kracht een woning te vinden, mits eiseres gericht zoekt naar geschikte woningen. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat eiseres kort na het betreden besluit, in december 2025, gereageerd heeft op een eenkamerwoning van 23 m2 aan de [adres] en hierbij eerste kandidaat was. Eiseres had deze woning dus kunnen\n\ngaan huren maar heeft dit geweigerd. Wat de precieze reden van de woningweigering is geweest is niet duidelijk, maar eiseres had haar huisvestingsprobleem kunnen oplossen door deze woning te accepteren. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is derhalve ook geen sprake.\n\n6.4.. Tot slot merkt de rechtbank op dat deze procedure alleen gaat over een urgentieverklaring en daarmee over het verkrijgen van een woning. De rechtbank ziet echter in het dossier dat eiseres op veel gebieden geen gemakkelijk leven heeft en graag hulp wil. Zij heeft ook bij diverse instanties aangeklopt voor hulp. Met name bij Veilig Thuis, de Blijfgroep en de maatschappelijke opvang. Eiseres heeft zich daar onvoldoende gehoord gevoeld en heeft niet de zorg en hulp gekregen die zij wenste. Dit valt te betreuren. Anderzijds constateert de rechtbank ook dat eiseres op een gegeven moment niet meer verder geholpen wilde worden door beide instanties, hoewel deze wel hulp bleven aanbieden. Eiseres heeft moeite met het vertrouwen van instanties en wil instanties niet mondeling te woord staan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres zich nog steeds kan melden voor hulp, bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het is hiervoor echter wel noodzakelijk dat eiseres een aanvraag doet en naar (mondelinge) afspraken komt. Om eiseres te kunnen helpen, is het namelijk belangrijk dat zij haar situatie in persoon komt toelichten. De rechtbank wil eiseres daarom meegeven dat het belangrijk is dat zij, eventueel met een begeleider, naar afspraken van instanties gaat, zodat zij de hulp kan krijgen die ze nodig heeft.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring heeft mogen weigeren. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6005.\n\n Artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv).\n\n Paragraaf 11 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (de Nadere regels).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5665","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.435Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":30,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1564","ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","ecli-nl-rbams-2026-5662","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: AMS 26\u002F307\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de verlening van een urgentieverklaring aan eiseres. Eiseres is het op een aantal punten niet eens met de verleende urgentieverklaring. Zij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de urgentieverklaring.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Eiseres heeft op 26 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2025 toegewezen op grond van maatwerk. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en de gemachtigde van eiseres waren niet aanwezig. De rechtbank heeft de zaak behandeld en het onderzoek gesloten. Op 30 april 2026 heeft de gemachtigde van eiseres de rechtbank laten weten dat zij niet op de hoogte was van de zitting van 29 april 2026 omdat zij geen zittingsuitnodiging had ontvangen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens heropend en het beroep op\n\n13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. Eiseres is een 43-jarige alleenstaande vrouw. Eiseres heeft één minderjarig kind, geboren op [geboortedag] 2014 (11 jaar) en twee meerderjarige kinderen. Eiseres staat sinds 23 oktober 2015 ingeschreven op het adres [adres] . Het betreft een vijfkamerwoning van 125 vierkante meter. De woning heeft twee woonlagen en is gelegen op de begane grond. Op 26 mei 2025 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een veiligheidsurgentie. Bij de aanvraag heeft eiseres aangegeven dat er tussen 15 januari 2025 en 13 mei 2025 vijf explosies hebben plaatsgevonden bij haar woning en dat de burgemeester met het besluit van 16 mei 2025 de woning met onmiddellijke ingang heeft gesloten voor de duur van drie maanden.\n\n3.2.. Op 25 augustus 2025, heeft eiseres een urgentieverklaring aangeboden gekregen voor een passende vierkamerwoning. Eiseres heeft deze geweigerd, omdat zij eerder per e-mail een toezegging had ontvangen voor een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op basis van maatwerk heeft eiseres vervolgens op 1 september 2025 een nieuw besluit ontvangen met een urgentieverklaring voor een vijfkamerwoning. Op 3 september 2025 is eiseres teruggekeerd naar haar eigen woning. Het bezwaar van eiseres richt zich op het feit dat zij medische klachten heeft en geen trappen kan lopen met boodschappen. Eiseres wenst daarom etagebinding waarbij zij enkel in aanmerking komt voor een gelijkvloerse woning of een woning bereikbaar met lift. Daarnaast vindt eiseres de wachttijd voor een nieuwe woning te lang en wenst zij dat de nieuwe woning van een gelijkwaardig afwerkingsniveau is als haar huidige nieuwbouwwoning.\n\n3.3.. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de medische situatie van eiseres niet eerder is meegenomen bij de verlening van de urgentieverklaring omdat dat tijdens de aanvraagprocedure niet is aangevoerd. Eiseres heeft de urgentieverklaring aangevraagd vanwege veiligheidsredenen. In het kader van het bezwaar heeft verweerder de medische situatie van eiseres alsnog meegewogen en beoordeeld. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de aanvullende voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 11 van de Nadere regels van de Huisvestingsverordening 2024 voor het verkrijgen van een eventuele etagebinding of een gelijkvloerse woning. De overgelegde medische informatie beschrijft weliswaar dat eiseres langdurig rugpijn ervaart, met uitstraling naar de benen en een beperkt uithoudingsvermogen, maar de arts kwalificeert deze klachten niet als ernstig of levensontwrichtend. Er ontbreekt een medische duiding van de gevolgen van deze klachten voor de dagelijkse levensvoering van eiseres. Daarnaast stelt verweerder dat een urgentie op basis van veiligheidsredenen eiseres geen snellere toewijzing van een woning oplevert. Na toekenning komt eiseres op dezelfde wachtlijst terecht als andere woningzoekenden met urgentie. Factoren zoals woninggrootte en uitgesloten wijken bepalen de wachttijd. Tot slot benadrukt verweerder in het bestreden besluit dat er op diverse vlakken coulance is getoond naar eiseres, zoals het meenemen van haar meerderjarige kinderen bij de urgentieverklaring en het toestaan van het uitsluiten van stadsdelen, maar dat verweerder niet kan tegemoetkomen aan alle wensen van eiseres. Zo kan er geen rekening worden gehouden met het afwerkingsniveau van de woning, zoals een nieuwbouwwoning.\n\nOverwegingen\n\n4. Eiseres voert in haar beroepschrift aan dat verweerder de inhoud en strekking van de overgelegde medische informatie miskent. Uit de specialistische bevindingen van de afdeling orthopedie van het OLVG volgt immers dat eiseres beperkt is in haar loopafstand, dat opwaartse belasting - waaronder traplopen - leidt tot directe toename van radiculaire pijn en dat sprake is van progressieve neurologische klachten. Traplopen vormt voor eiseres een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom en veroorzaakt verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit. De functionele beperkingen zijn daarmee structureel en rechtstreeks van invloed op haar woonsituatie. Voor zover verweerder meent dat onvoldoende expliciet is benoemd dat sprake is van een medische noodzaak voor een gelijkvloerse woning of liftvoorziening, geldt dat behandelend specialisten hun diagnoses en bevindingen opstellen vanuit medisch inhoudelijk perspectief en niet vanuit het specifieke toetsingskader van de verordening. Het enkele feit dat een specialist niet letterlijk de terminologie van het toetsingskader hanteert, kan niet afdoen aan de objectieve medische bevindingen die de functionele beperkingen van eiseres aantonen. Indien verweerder van oordeel was dat nadere medische duiding noodzakelijk was, had het op zijn weg gelegen om eiseres op te roepen voor een onafhankelijk medisch onderzoek, bijvoorbeeld via de GGD of een andere deskundige instantie. Door dit na te laten en zonder nader onderzoek te concluderen dat geen sprake is van ernstige of structurele beperkingen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n5. Eiseres heeft ter zitting verduidelijkt dat zij, gelet op haar problemen met traplopen, graag een woning op de begane grond of bereikbaar met lift wenst. Een woning met meerdere woonlagen, zoals bij een woning met een benedenverdieping en een bovenverdieping, is geen probleem. Eiseres kan, net als in haar huidige woning, ongeveer 15 traptreden lopen.\n\n6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) volgt dat verweerder niet de eis kan stellen dat uit de verklaring van een medische behandelaar de medische noodzaak blijkt voor een urgentieverklaring. Een verklaring waarin de arts een oordeel geeft over de patiënt en of die patiënt bijvoorbeeld in aanmerking moet komen voor een (andere) woonruimte, is een geneeskundige verklaring. Op grond van de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) mogen behandelend artsen geen geneeskundige verklaring afgeven over hun eigen patiënten. Een dergelijke verklaring kan alleen door een onafhankelijke arts worden afgegeven. Voorgaande neemt niet weg dat verweerder wel de eis kan stellen dat de aanvrager stukken, zoals bijvoorbeeld een diagnose van de behandelend arts of een afschrift van het medisch dossier, moet overleggen waaruit de ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem volgt. Als een dergelijke verklaring voldoende aanknopingspunten bevat dat de medische problematiek samenhangt met het huisvestingsprobleem, ligt het in de rede dat verweerder de GGD om advies vraagt voor een onafhankelijk advies.\n\n7. In bezwaar heeft eiseres medische informatie van de afdeling orthopedie van het OLVG West van 10 september 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat eiseres bekend is met chronische rugklachten en een lichte scoliose. Eiseres heeft last van uitstralende pijn maar in het onderzoek zijn geen duidelijke afwijkingen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze medische informatie geen aanleiding hoeven zien om de GGD om advies te vragen. Deze medische informatie bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het vermoeden dat de medische problemen van eiseres van zodanige ernstige en levensontwrichtende aard zijn en bovendien samenhangen met haar huisvestingsprobleem, dat verweerder aan haar een indicatie voor een woning op de begane grond of een woning met lift had moeten toekennen. De stelling van eiseres dat uit de medische informatie zou volgen dat traplopen voor haar een medisch niet-uitvoerbare belasting van de lumbale wervelkolom veroorzaakt en dat traplopen een verergering van zenuwpijn, verhoogd valgevaar en verdere beperking van haar mobiliteit veroorzaakt, volgt de rechtbank niet. In de medische informatie die eiseres heeft overgelegd wordt dit namelijk niet vermeld. Er blijkt ook niet uit dat eiseres niet meer in staat is om trap te lopen of andere aanknopingspunten dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is. Kortom, de medische informatie toont aan dat eiseres rugklachten heeft, maar onderbouwt onvoldoende dat een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift noodzakelijk is.\n\n8. Daar komt bij dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft opgemerkt dat sprake is van contra indicaties voor de stelling van eiseres dat zij niet kan traplopen. De huidige woning van eiseres heeft namelijk een trap van de benedenverdieping naar de bovenverdieping die eiseres gebruikt en waar zij geen problemen mee heeft. Daarnaast heeft eiseres in het voortraject voorafgaand aan het toekennen van de urgentieverklaring nooit aangegeven dat sprake was van medische problematiek. Eiseres heeft in een adviesgesprek bij verweerder juist aangegeven geen woning op de begane grond te wensen en dat er desgevraagd geen problemen waren met traplopen.\n\n9. Op basis van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat eiseres (dusdanige) medische problemen heeft met traplopen dat verweerder de GGD daarover om advies had moeten vragen. Verweerder heeft dan ook terecht besloten om aan de urgentieverklaring van eiseres niet de voorwaarde voor een woning op de begane grond of bereikbaar met een lift toe te voegen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4157 en 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:420.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:5662","2026-07-13T00:29:27.348Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"623","ECLI:NL:RBAMS:2025:1617","ecli-nl-rbams-2025-1617","2025-03-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 24\u002F1799\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit Amsterdam, eiser\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Gebuijs),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.\n\n1.2.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.2.1.. Eiser is een man van 42 jaar. Hij is sinds [datum] 2020 gescheiden en heeft met zijn ex-partner zes kinderen. In de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2020 is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Bij beschikking van de rechtbank van 15 juni 2022 is, op verzoek van eiser en zijn ex-partner, het ouderschapsplan gewijzigd en draagt eiser de zorg over twee meerderjarige kinderen (waaronder [naam 1] ) en een minderjarig kind, genaamd [naam 2] .\n\n2.2.. Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiser van 5 maart 2021 tot 1 mei 2023 ingeschreven op het briefadres aan het [adres 1] in Amsterdam. Het oudste kind van eiser stond ingeschreven op het adres van de ex-partner. [naam 1] en [naam 2] stonden ingeschreven op het briefadres van eiser, maar verbleven bij hun moeder. Sinds 8 mei 2023 zijn [naam 1] en [naam 2] weer opnieuw ingeschreven bij hun moeder. Eiser staat eiser sinds 4 april 2024 ingeschreven op het adres [adres 2] in Amsterdam. Van 3 april 2024 tot en met 3 april 2025 heeft eiser tijdelijk een huurovereenkomst voor dit adres via Gapph vastgoedbeheer (leegstandbeheer).\n\n2.3.. Op 16 augustus 2022 heeft eiser een urgentieverklaring aangevraagd. Met het primaire besluit van 20 oktober 2022 heeft het college deze aanvraag afgewezen. De reden van afwijzing is dat de echtelijke woning beschikbaar is voor de kinderen waardoor de kinderen niet dakloos zijn. Met het besluit van 23 januari 2023 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens het college is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem omdat eiser vooralsnog niet dakloos is en de kinderen bij hun moeder kunnen blijven wonen.\n\n2.4.. In de beroepsprocedure bij de rechtbank tegen het besluit van 23 januari 2023 heeft de rechtbank in haar uitspraak van 17 januari 2024 het beroep van eiser gegrond verklaard.De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld dat in het geval van eiser geen sprake is van inwoning bij familie en vrienden en dat eiser met zijn minderjarige zoon een gezin vormt op grond van de beschikking van de kinderrechter van 15 juni 2022. Het college moet een nieuw besluit nemen.\n\n2.5.. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 verklaart het college het bezwaar van eiser wederom ongegrond. Het besluit van 23 januari 2023 is daarmee in stand gelaten en aangevuld met de weigeringsgronden uit de artikelen 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: Hvv) en paragraaf 14 van de Nadere Regels. Hierbij is toegevoegd dat eiser en zijn gezin niet onder de sociale-medische urgentiecategorie vallen. Tot slot is er bij eiser en zijn gezin geen sprake van een schrijnende situatie waardoor de hardheidsclausule dient te worden toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.3.1.. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring mocht afwijzen op grond van de Hvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3.2.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nSociaal-medische urgentie\n\n4. Eiser voert aan dat sprake is van dakloosheid met de zorg voor een minderjarig kind door zijn echtscheiding en dat hij daarom tot de sociale urgentiecategorie behoort. Eiser voert aan dat hij als gevolg van de echtscheiding advies heeft gevraagd bij het college om met urgentie een woning te kunnen krijgen. De woonsituatie van zijn kinderen bij hun moeder is volgens eiser onhoudbaar en schadelijk voor de gezondheid en ontwikkeling van de kinderen. Volgens eiser is hij door het college geadviseerd om met de beschikking van de rechtbank betreffende de wijziging van de verblijfplaats van de oudste kinderen een urgentieverklaring aan te vragen.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat eiser en zijn kinderen voor wie hij zorgdraagt als een huishouden dienen te worden aangemerkt en dat hij niet als een alleenstaande moet worden gezien. In het bestreden besluit heeft het college eiser en zijn kinderen dan ook terecht aangemerkt als een gezin. Dit geeft eiser evenwel niet zonder meer aanspraak op een urgentieverklaring. Op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv komen alleen woningzoekenden in aanmerking voor een urgentieverklaring die op grond van medische of sociale redenen dringend een woonruimte nodig hebben. Hierin is opgenomen dat de woningzoekende moet worden geconfronteerd met ernstige medische problemen, (dreigende) dakloosheid met minderjarige kinderen of geweld of ernstige bedreiging. Aanvullende voorwaarden uit paragraaf 10, 12 en 14 van de Nadere regels zijn van toepassing indien er sprake is van een in Amsterdam woonachtige aanvrager die door een verbroken relatie of door echtscheiding een acuut woonprobleem heeft. Bij een echtscheiding dient de aanvraag voor een urgentieverklaring binnen één jaar na datering van de echtscheidingsbeschikking ingediend te worden bij het college (paragraaf 14, punt d).\n\n4.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van paragraaf 14, onder punt d, van de Nadere Regels. Het huwelijk van eiser is op [datum] 2020 uitgesproken en op 19 februari 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De aanvraag van eiser dateert van 16 augustus 2022 en is dus anderhalf jaar later ingediend bij het college. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat zij moeten vasthouden aan de grens van één jaar vanaf het moment van datering van de echtscheidingsbeschikking. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college de bevoegdheid heeft om ruimer met deze grens om te gaan, heeft de gemachtigde van het college op zitting toegelicht dat het geen bijzondere of unieke situatie is dat ouders na de echtscheidingsbeschikking nog wijzigingen aanbrengen in het ouderschapsplan of de omgangsregeling voor de kinderen. Ouders kunnen onderling overeenkomen om, nadat de echtscheiding is uitgesproken, het hoofdverblijf van de kinderen te verplaatsen naar de andere ouder, maar dit kan in beginsel geen recht doen ontstaan op een urgentieverklaring. Deze afspraken kunnen worden gemaakt, maar van de ouders wordt dan verwacht dat zij zelf een oplossing zoeken om aan het ouderschapsplan uitvoering te geven. De rechtbank kan deze door het college gegeven toelichting volgen. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de aanvraag van eiser kon afwijzen op grond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv.\n\nUrgent huisvestingsprobleem\n\n5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat het college de weigeringsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv niet kon tegenwerpen aan eiser. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat geen sprake is van inwoning bij familie en\u002Fof vrienden. Het college diende daarom een nieuw besluit te nemen.\n\n5.1.. In het bestreden besluit heeft het college, ondanks de uitspraak van de rechtbank, de afwijzingsgrond uit artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv tegengeworpen aan eiser. Hangende de beroepsprocedure heeft het college in het verweerschrift deze afwijzingsgrond alsnog laten vallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze weigeringsgrond ten onrechte aan eiser is tegengeworpen in het bestreden besluit. Op dit punt is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is niet aannemelijk geworden dat eiser door dit gebrek is benadeeld, nu het college de urgentieverklaring mocht afwijzen op de weigeringsgrond van artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Hvv en één weigeringsgrond voldoende is voor een afwijzing van de aanvraag. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.\n\nHardheidsclausule\n\n6. Eiser doet tot slot een beroep op de hardheidsclausule. Door de huidige woonsituatie van [naam 1] en [naam 2] bij hun moeder bestaat er een reëel risico op het verergeren van de problemen in hun ontwikkeling. Het risico is aanwezig dat de kinderen door het verergeren van de sociaal psychische problemen ontsporen. Deze omstandigheden leiden dan ook tot een schrijnende situatie. Zolang eiser geen woonruimte heeft, waar ook zijn kinderen kunnen verblijven, zal deze situatie verergeren, aldus eiser.\n\n6.1.. De rechtbank heeft oog voor de omstandigheden waarin eiser zich bevindt. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college eiser niet op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring hoefde te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij eigenlijk niet aan de voorwaarden voldoet die de Hvv stelt. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.Gelet op de grote vraag naar en het grote tekort aan sociale huurwoningen in Amsterdam, acht de rechtbank dit beleid niet onredelijk.De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.\n\n6.2.. De situatie van eiser kan – hoe moeilijke deze ook voor hem en zijn gezin is – niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. De ex-partner van eiser kampt, blijkens de ingediende stukken, met medische klachten waardoor voor haar de zorg voor zes kinderen zwaar valt. Uit de verklaringen die zijn overgelegd blijkt tevens dat tussen moeder en de kinderen spanningen zijn en dat de woning waar de kinderen verblijven te klein is voor het gezin. Ook de school en het Ouder- en Kindteam onderschrijven dat de woning van de ex-partner te klein is voor een gezin met zes kinderen, hetgeen zou kunnen worden opgelost door het verstrekken van een urgentieverklaring aan eiser. Het college heeft toegelicht dat het belang van eiser en zijn kinderen op dit moment niet zwaarder weegt dan het belang van een evenwichtig en rechtvaardige woonruimteverdeling. De kinderen van eiser hebben onderdak bij hun moeder waar zij altijd hebben gewoond en kunnen hun vader blijven zien. [naam 1] en [naam 2] staan sinds 8 mei 2023 ook weer opnieuw ingeschreven bij hun moeder. In Amsterdam zijn er veel gezinnen die in een te kleine woning wonen, waar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor alle gezinsleden hetgeen tot spanningen leidt en die niet allemaal kunnen verhuizen naar een grotere woning of een extra woning kunnen krijgen. Te klein wonen is niet ideaal, ook niet voor kinderen, maar niet uniek en niet van dien aard dat direct voorrang moet worden verleend op de woningmarkt. Het dossier geeft verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een acuut levensbedreigende situatie bij eiser of zijn kinderen op grond waarvan het college meer onderzoek had moeten laten doen naar de medische situatie. Stress, spanningen, gebrek aan privacy en slechte woonomstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden die tot de afgifte van een urgentieverklaring kunnen leiden. De rechtbank kan deze toelichting van verweerder volgen en is daarom van oordeel dat het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de hardheidsclausule in de situatie van eiser niet toegepast hoefde te worden en dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van de kinderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.\n\n7.1.. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.1. moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:176 (zaaknummer AMS 23\u002F832).\n\n Artikel 2.10.11 van de Hvv.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2815.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1617","2025-03-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.781Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"524","ECLI:NL:RBAMS:2024:2193","ecli-nl-rbams-2024-2193","RECHTBANK AMSTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AMS 22\u002F6324\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder, hierna: het college\n\n(gemachtigde: mr. F. Schuttenhelm).\n\nInleiding\n\n1.1.. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.\n\n1.2.. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 november 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3.. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. S. Kocak als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1.. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring kon afwijzen op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n2.2.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond van de zaak\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is een alleenstaande moeder van 26 jaar met een kind van vier jaar. Eiseres woonde vanaf haar geboorte tot 2020 in Amsterdam. In april 2020 is eiseres bij haar (toenmalige) partner, de vader van haar kind, in Almere ingetrokken. Na de relatiebreuk heeft hij de woning verkocht. Er was sprake van een ongezonde relatie met onder andere huiselijk geweld, waarbij de buren meerdere keren de politie hebben gebeld. Eiseres is met haar kind naar Amsterdam gekomen in december 2020 en verbleef tijdelijk bij een vriendin. Eiseres staat sinds 25 maart 2021 ingeschreven op het briefadres bij het daklozenloket aan de [adres] in Amsterdam. Eiseres verblijft met haar kind bij verschillende kennissen.\n\nHeeft het college de schaarste op de woningmarkt voldoende onderbouwd?\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat het college niet duidelijk uiteengezet heeft hoe de gemeente Amsterdam de schaarste op de woningmarkt tijdens de duur van de Hvv heeft aangepakt. Daarbij merkt eiseres op dat het rapport ‘schaarstepatronen op de Amsterdamse woningmarkt’ dateert van 2019 en daardoor onvoldoende is ter onderbouwing van de huidige Hvv, nu er geen informatie bekend is gemaakt over de jaren 2019 en 2020.\n\n4.2.. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is in haar uitspraak van 19 oktober 2022 uitvoerig ingegaan op de onderbouwing van de schaarste op de Amsterdamse woningmarkt. Het college heeft daarbij niet alleen gewezen op het rapport van 2019, maar ook op de daarna verschenen rapporten en jaarberichten van onder andere de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties. De Afdeling heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat de woningmarkt in Amsterdam verstopt raakt en doorstroming uit de goedkope woonruimte naar middeldure woonruimte noodzakelijk is, maar moeizaam gaat, doordat er schaarste is in alle prijssegmenten. Dit effect werkt in Amsterdam door in alle segmenten van de woningmarkt.\n\n4.3.. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de ontwikkelingen op de Amsterdamse woningmarkt zeer goed te volgen zijn. De uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022 bevestigt dat uit verschillende rapporten volgt dat er sprake is van schaarste op de Amsterdamse woningmarkt, ook in 2019 en 2020. De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegelicht dat de schaarste aan woningen in Amsterdam elke vier jaar opnieuw onderzocht wordt bij de totstandkoming van de huisvestingsverordening. In de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024, de opvolger van de Hvv 2020, is de woningschaarste opnieuw onderzocht. Uit het rapport ‘Woningschaarste en leefbaarheid in Amsterdam, 2023’ volgt dat in het gehele grondgebied van Amsterdam en wat betreft alle categorieën woonruimten nog steeds sprake is van schaarste. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd dat alle woonruimten in Amsterdam schaars zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoldoet eiseres aan de bindingseis?\n\n5.1.. Eiseres stelt dat de bindingseis haar niet tegengeworpen kan worden. Eiseres heeft 24 jaar in Amsterdam gewoond en maar slechts elf maanden in Almere. Eiseres is een alleenstaande moeder met een minderjarig kind. Ook doet eiseres een beroep op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022.Eiseres is van mening dat het college een te strikte interpretatie van de bindingseis hanteert. Uit artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 (Hw 2014) volgt welke ondergrens gehanteerd moet worden en eiseres voldoet aan deze ondergrens.\n\n5.2.. De rechtbank is met het college van oordeel dat in de zaak van eiseres de algemene weigeringsgrond van onvoldoende binding van toepassing is. Een vereiste om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring is dat iemand - voorafgaand aan de aanvraag - minimaal onafgebroken vier jaar ingeschreven moet hebben gestaan in de Basisregistratie personen (BRP) in Amsterdam (de bindingseis).Gelet op de dwingendrechtelijke formulering van artikel 2.6.5, eerste lid en onder i, van de Hvv bestaat er geen ruimte om feiten en omstandigheden zoals aangevoerd door eiseres in deze beoordeling mee te nemen. De Afdeling keurt de bindingseis nog altijd goed in haar recente uitspraken.Eiseres staat pas vanaf 25 maart 2021 weer ingeschreven in Amsterdam op een briefadres en dus nog geen vier jaar ten tijde van de aanvraag op 4 juli 2022. Zij heeft daarvoor van 20 april 2020 tot en met 3 maart 2021 in Almere gewoond. Omdat er een algemene weigeringsgrond van toepassing is, moest de gemeente de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring weigeren. De gemeente hoefde daarom niet verder te toetsen en te kijken of eiseres in aanmerking kan komen voor een urgentieverklaring vanwege sociale of medische redenen en in dat kader advies te vragen aan de GGD.\n\n5.3.. De verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam, maakt dit oordeel niet anders. Artikel 14, derde lid, van de Hw 2014 gaat, anders dan de rechtbank Rotterdam oordeelde, niet over urgentieverklaringen, maar over het verkrijgen van een huisvestingsvergunning en de voorrang die daarbij kan worden gegeven aan bepaalde woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding. De bepalingen over urgenties in de Hvv 2020 zijn een uitvloeisel van artikel 12 en 13 van de Hw 2014. Het restrictieve beleid dat de gemeente met betrekking tot urgenties voert is door de rechtbank Amsterdam en de Afdeling niet onredelijk geacht.De rechtbank Amsterdam heeft eerder al geoordeeld dat het beleid - waarbij de gemeente de bindingseis van vier jaar als algemene weigeringsgrond tegenwerpt bij het verkrijgen van een urgentieverklaring - niet onredelijk is. Dat eiseres eerder 24 jaar in Amsterdam heeft gewoond, maakt dus niet dat zij daarmee wel aan de bindingseis zou voldoen. Eiseres woonde voorafgaand aan haar aanvraag immers niet al vier jaar in Amsterdam en dat is wat getoetst moet worden bij de bindingseis in het kader van een urgentieaanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nGeen urgent huisvestingsprobleem\n\n6.1.. Eiseres stelt dat er in haar situatie sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Eiseres is dakloos geworden ten gevolge van huiselijk geweld. Eiseres heeft geen vaste verblijfplaats en zij leeft constant in de onzekerheid dat zij dakloos kan raken, omdat zij nergens voor langere duur kan verblijven. Daarnaast zit haar ex-partner in de gevangenis en kan hij geen rol spelen in het leven van haar kind.\n\n6.2.. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Eiseres kan om te overnachten met haar kind terecht bij verschillende kennissen. Hierdoor is eiseres met haar kind inwonend bij een of meerdere huishoudens en is er geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Het inwonen bij of met derden – hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres een verre van ideale situatie is – is in Amsterdam voor velen een oplossing in verband met de huidige woningschaarste. Het college heeft daarom strenge regels opgesteld en expliciet in de regels opgenomen dat inwonen geen urgent huisvestingsprobleem oplevert. De weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, onder b, van de Hvv kon daarom door het college worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nKan eiseres een beroep doen op de hardheidsclausule?\n\n7.1.. Eiseres stelt dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Eiseres haar situatie in schrijnend, omdat zij geen plek heeft om voor langere duur te verblijven met haar kind. Het college heeft niet onderbouwd waarom de situatie van eiseres voorzienbaar was en de belangenafweging heeft geleid tot de eisen en voorwaarden zoals opgenomen in de Hvv.\n\n7.2.. De rechtbank begrijpt dat eiseres het liefst een eigen en vaste verblijfplaats heeft voor haarzelf en haar kind. Toch is de rechtbank van oordeel dat het college haar op grond van de hardheidsclausule niet alsnog urgentie hoeft te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past het college de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.\n\n7.3.. De situatie van eiseres (ook in vergelijking met andere gevallen) kan niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem of dat er ernstige medische problemen spelen bij eiseres dan wel haar kind. De rechtbank erkent dat de situatie van eiseres moeilijk is, maar dit neemt niet weg dat eiseres met haar kind bij kennissen kan verblijven en zij een dak boven hun hoofd hebben. Dit tezamen maakt niet dat sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3011.\n\n Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1689.\n\n Artikel 2.6.5, eerste lid en onder i, van de Huisvestingsverordening 2020.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2010 en van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:351.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:2193","2026-07-13T00:28:34.736Z",1,20]