[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-amsterdam-value-added-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},56,"Amsterdam","nl","amsterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-01-15T00:00:00.000Z","2026-03-26T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"871","ECLI:NL:GHAMS:2026:887","ecli-nl-ghams-2026-887","","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerk 25\u002F754\n\n26 maart 2026\n\nuitspraak van de derde meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 23 januari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 24\u002F33 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft bij op naam van [A] B.V. (hierna: [A] B.V.) gegeven beschikkingen van 8 december 2010, door [A] B.V. bij de aangiften omzetbelasting ingediende teruggaafverzoeken over de kwartalen in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 afgewezen.\n\n1.2.. \n [A] B.V. heeft tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 heeft de inspecteur de bezwaren nietontvankelijk verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep in haar uitspraak van 23 januari 2025 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 maart 2025 en nader gemotiveerd bij brief van 4 april 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft op 25 februari 2026 een nader stuk ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [A] B.V. heeft bij brieven van 12 januari 2011 bezwaren ingediend tegen de onder 1.1 vermelde beschikkingen.\n\n2.2.. Op 1 november 2015 heeft [A] B.V. belanghebbende gemachtigd om haar te vertegenwoordigen in de aanhangige (bezwaar)procedures over de beschikkingen.\n\n2.3.. Bij brief van [A] B.V. aan de inspecteur van 30 april 2018 is meegedeeld dat [A] B.V. de vordering die zij meent te hebben op de Belastingdienst uit hoofde van de teruggaaf-verzoeken heeft gecedeerd aan belanghebbende en [Y] (hierna ook: de cessionarissen). In de brief is voorts het volgende opgenomen:\n\n“De cessionarissen zullen de bezwaarprocedure in naam van [ [A] B.V.] maar voor eigen rekening en risico voortzetten.”\n\n2.4.. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Mr. Drs. [X]\n\n[adres]\n\nBetreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]\n\n[ [A] B.V.] (hierna: [A] ) heeft bezwaar gemaakt wegens op aangiften omzetbelasting geweigerde voorbelasting. (…) Bij het onderstaande wil ik opmerken dat met [A] ook wordt bedoeld de betrokken adviseurs.\n\n(…)\n\nConclusie\n\nDe conclusie is dat [A] op grond van het bovenstaande geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. (…)”\n\n2.5.. Bij beroepschrift namens belanghebbende, [A] B.V. en [Y] is op 11 oktober 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.\n\n2.6.. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 september 2021 in de zaak met kenmerk HAA 19\u002F5378 (ECLI:NL:RBNHO:2021:8379) op het beroep van [A] B.V. beslist. In die zaak was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\n2.7.. Het Hof heeft bij uitspraak van 6 juni 2023 in de zaak met kenmerk 21\u002F01718 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1418) op het hoger beroep van [A] B.V. tegen de onder 2.6 vermelde uitspraak van de rechtbank beslist. Ook in de procedure voor het Hof was in geschil of de inspecteur de teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\n2.8.. De Hoge Raad heeft bij arrest van 28 november 2025 in de zaak met kenmerk 23\u002F02948 (ECLI:NL:HR:2025:1793) het door [A] B.V. tegen de onder 2.7 vermelde uitspraak van het Hof ingestelde cassatieberoep – voor zover hier van belang – met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Bij brief van 8 januari 2024 heeft de rechtbank de ontvangst van het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 2 september 2019 bevestigd en meegedeeld dat het beroep is geregistreerd onder kenmerk HAA 24\u002F33.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nPrimair is tussen partijen in geschil of de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:\n\n“1. [A] B.V. in liquidatie (de BV) heeft over de tijdvakken 1 oktober 2008 tot en met 30 september 2010 omzetbelasting teruggevraagd. Verweerder heeft die teruggaven bij beschikkingen van 8 december 2010 geweigerd. De BV heeft daartegen bezwaar gemaakt en bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de bezwaren niet ontvankelijk verklaard. De BV heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft daarop afwijzend beslist en het Hof Amsterdam evenzeer. De BV heeft beroep in cassatie ingesteld.\n\n2. De BV heeft haar, weliswaar betwiste, vorderingen in de vorm van de terug te ontvangen omzetbelasting gecedeerd aan eiser. Als cessionaris heeft eiser beroep ingesteld tegen de uitspraken op de bezwaren tegen de in 1 genoemde beschikkingen. Eiser heeft daarvoor primair aangevoerd dat een cessionaris als rechtsverkrijger onder bijzondere titel een zelfstandig bewaar- en beroepsrecht heeft.\n\nSubsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder hem had moet erkennen als belanghebbende in het bezwaar en dat de uitspraak op het bezwaarschrift (mede) aan hem had moeten worden gericht.\n\nMeer subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming voordoet.\n\n3. Volgens verweerder is eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep omdat hij geen beroepsgerechtigde is in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).\n\n4. In deze zaak procedeert eiser niet als gemachtigde van de BV, maar procedeert hij voor zichzelf als cessionaris. Tussen partijen is niet in geschil dat de cessie rechtsgeldig tot stand is gekomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser als cessionaris een zelfstandig beroepsrecht heeft. Artikel 26a van de Awr bevat een limitatieve opsomming van degenen die beroep bij de belastingrechter kunnen instellen. Deze bepaling – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – vormt het gesloten stelsel van rechtsbescherming. Voor zover hier van belang komt het beroepsrecht volgens dit artikel toe aan degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd, degene die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen, degene van wie de belasting is ingehouden en degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Eiser is dus geen belanghebbende in de zin van deze bepaling. Eiser heeft aangevoerd dat een belastingvordering en daarmee het beroepsrecht overgaat op de rechtsopvolger van de belastingplichtige en het daarbij geen verschil maakt of sprake is van verkrijging onder algemene titel of bijzondere titel. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij een verkrijger onder algemene titel zet de verkrijger volledig de rechtspositie van zijn rechtsvoorganger voort en verkrijgt daarmee van zijn rechtsvoorganger ook de status van belanghebbende of belastingschuldige in de zin van artikel 26a, eerste lid, van de Awr. Voor een verkrijger onder bijzondere titel geldt dit niet. Een verkrijger onder bijzondere titel heeft een nieuwe eigen rechtspositie. Een cessionaris verkrijgt onder bijzondere titel en door de cessie heeft eiser het recht verkregen dat de al dan niet aan de BV terug te geven omzetbelasting aan hem wordt uitgekeerd, maar daarmee heeft eiser niet de status verkregen van de BV als degene tot wie de desbetreffende beschikkingen waren gericht.\n\n5. Het subsidiaire standpunt van eiser stuit ook af op het bovenstaande omdat een uitspraak op het bezwaar tegen een belastingaanslag of een op grond van de belastingwet gegeven beschikking alleen kan zijn gericht tegen degene die het bezwaarschrift heeft ingediend of diens gemachtigde in de bezwaarprocedure.\n\n6. Verweerder heeft aangevoerd dat het meer subsidiaire standpunt van eiser, dat hem een rechtsingang bij de belastingrechter moet worden geboden om te voorkomen dat zich een ongewenst en onbedoeld tekort in de rechtsbescherming zou voordoen,\n\neveneens moet worden verworpen.\n\n7. Aangaande het meer subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank dat het ontbreken van een zelfstandig beroepsrecht van een cessionaris mogelijk een rechtstekort oplevert als de belastingplichtige zelf geen bezwaar maakt, terwijl een bezwaar of beroep wel tot een voor de belastingplichtige gunstige uitkomst had kunnen leiden. In dit geval is daarvan geen sprake omdat de BV wel bezwaar heeft gemaakt en tegen de uitspraak op het bezwaar ook beroep, hoger beroep en beroep in cassatie heeft ingesteld. In rechte is de zaak dus inhoudelijk behandeld. Daarbij is eiser als gemachtigde van de BV – verweerder heeft daar terecht ook op gewezen – steeds in de gelegenheid gesteld gronden aan te voeren in relatie tot zijn ontvankelijkheid en het materiële geschil inzake de eventuele teruggaaf van omzetbelasting aan de BV. Van een rechtstekort is dan ook geen sprake. Daaraan doet niet af dat de hiervoor genoemde procedures door de BV worden gevoerd. Dus ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat aan eiser een zelfstandig beroepsrecht toekomt, kan een zelfstandig beroepsrecht niet tot een voor eiser gunstiger resultaat leiden. Naar aanleiding van hetgeen eiser in zijn pleitnota heeft aangevoerd merkt de rechtbank nog op dat artikel 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 26 van Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet tot een ander oordeel kunnen leiden omdat van een rechtstekort geen sprake is.\n\n8. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in deze zaak geen beroepsrecht heeft. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.\n\n5.2.. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4 terecht vooropgesteld dat artikel 26a AWR een limitatieve opsomming bevat van degenen die beroep kunnen instellen bij de belastingrechter (het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming). Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende, die voor zichzelf procedeert als cessionaris, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van deze bepaling. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar tot hem zijn gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Uit de vermelding van het onderwerp in het geschrift waarin de uitspraken op bezwaar zijn vervat (“Betreft: Uitspraken op bezwaar [ [A] B.V.]”, zie 2.4) alsmede de inhoudelijke overwegingen blijkt onmiskenbaar dat de uitspraken op bezwaar zijn gericht tot [A] B.V., de vennootschap die bezwaar heeft gemaakt tegen de onder 1.1 vermelde, op haar naam gestelde beschikkingen. Het feit dat de uitspraken op bezwaar aan belanghebbende zijn geadresseerd, wordt verklaard door de omstandigheid dat belanghebbende zich in de bezwaarprocedure heeft gesteld als gemachtigde van [A] B.V. De inspecteur heeft de uitspraken op bezwaar daarom met inachtneming van het voorschrift van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan belanghebbende toegezonden in zijn hoedanigheid van gemachtigde van [A] B.V. Gelet op de genoemde inhoudelijke overwegingen van de uitspraken op bezwaar en de aanduiding van het onderwerp van de uitspraken heeft belanghebbende aan de adressering van de uitspraken niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de uitspraken tot hem waren gericht in de zin van artikel 26a, lid 1, onderdeel c, AWR. Dit nog daargelaten de vraag of een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in het onderhavige geval (waarin niet belanghebbende, maar [A] B.V. bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen) zou hebben geleid tot een ontvankelijk beroep.\n\n5.3.. Ook het standpunt van belanghebbende dat het beroepsrecht van [A] B.V. op hem is overgegaan vanwege een rechtsgeldig tot stand gekomen cessie van het vermeende vorderingsrecht van [A] B.V. op de Belastingdienst wordt verworpen, op de door de rechtbank in rechtsoverweging 4 weergegeven gronden. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, reeds omdat rechtsopvolgers onder algemene titel en rechtsopvolgers onder bijzondere titel (zoals cessionarissen) geen rechtens gelijke gevallen zijn. De verwijzing door belanghebbende naar uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) – onder meer ABRvS 1 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ1153 en ABRvS 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9513 – gaat evenmin op, reeds omdat deze uitspraken betrekking hebben op het van artikel 26a AWR afwijkende begrip ‘belanghebbende’ van artikel 1:2 en 8:1 Awb.\n\n5.4.. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nSlotsom5.5.. De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, R.C.H.M. Lips en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 26 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nbij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nhet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:887","2026-04-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:52.214Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"413","ECLI:NL:GHAMS:2026:1766","ecli-nl-ghams-2026-1766","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerken 25\u002F741 en 25\u002F742\n\n15 januari 2026\n\nuitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [X], gevestigd te [Y] , belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van 16 januari 2025 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerken HAA 23\u002F4266 en HAA 23\u002F4267 in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\n1. Procesverloop\n\n1.1.. \n\nIn de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende\n\nbetreffende twee naheffingsaanslagen omzetbelasting, verzuimboeten en beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.\n\n1.2.. Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:\n\neen aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende, en\n\neen verweerschrift door de inspecteur.\n\n1.3.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2025. Partijen zijn daar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):\n\n“1. De activiteiten van eiseres bestaan uit de in- en verkoop van elektrische huishoudelijke apparaten (witgoed). De apparaten worden in Duitsland en Nederland ingekocht. In Duitsland worden de apparaten voornamelijk ingekocht bij [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). Op de facturen van [bedrijf 1] aan eiseres staat het volgende vermeld: “ steuerfrei, Innergemeinschaftliche Lieferung” dan wel \"steuerfrei, (Keine Steuer Innergemeinschaftliche lieferung)\". Eiseres verkoopt de apparaten online aan particulieren in Nederland. Incidenteel wordt verkocht aan particulieren in België. De bij [bedrijf 1] ingekochte goederen worden door eiseres verkocht als gebruikte goederen in de zin van artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de margeregeling).\n\n2. Tijdens een bedrijfsbezoek op 4 november 2021 heeft een van de (middellijk) bestuurders van eiseres verklaard dat het bij de goederen die worden ingekocht bij [bedrijf 1] gaat om producten die door de koper retour zijn gezonden omdat zij niet voldoen aan de verwachtingen of schade hebben.\n\n3. Om zekerheid te krijgen over de hoedanigheid van de bij [bedrijf 1] ingekochte goederen is door verweerder op 9 november 2021 op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 904\u002F2010 de volgende informatie opgevraagd bij de Duitse belastingdienst.\n\n“Verzendende taal : [bedrijf 1] heeft goederen geleverd aan [eiseres]. De goederen zijn ook ontvangen door [eiseres]. Op de factuur van [bedrijf 1] staat dat het gebruikte (2ehands) goederen zijn. Tevens staat op de factuur dat het een intracommunautaire transactie betreft. [bedrijf 1] heeft de levering van de goederen ook gelist. [eiseres] heeft geen verwervingen aangegeven omdat zij van mening zijn dat het marge-goederen (2e hands) betreffen.\n\n[eiseres] verkoopt de goederen als marge-goederen.\n\nZijn de goederen door [bedrijf 1] als marge-goederen of BTW goederen ingekocht. Zijn de goederen als marge- of BTW goederen verkocht door [bedrijf 1] . Is er ten onrechte gelist, of is er wel sprake van intracommunautaire leveringen.\n\nGraag een onderzoek naar de aard van de goederen, marge of BTW goederen. Hoe zijn de in- en verkopen door [bedrijf 1] verwerkt in de administratie.\n\nGemeenschappelijke taal : Die [bedrijf 1] hat Waren an [eiseres] geliefert. Die Waren sind auch von [eiseres] erhalten worden. Auf der Rechnung der [bedrijf 1] steht, dass es sich um gebrauchte Waren handelt. Die [bedrijf 1] hat die Lieferung der Waren auch angegeben. [eiseres] hat keine Erwerbe gemeldet, weil sie der Meinung ist, dass es sich um Differenzbesteuerungsware (gebrauchte Waren) handelt. [eiseres] verkauft die Waren als Differenzbesteuerungsware. Handelt es sich bei den von der [bedrijf 1] bezogenen Waren um Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware? Wurde die Ware von der [bedrijf 1] als Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware verkauft? Wurden die Waren zu Unrecht angegeben oder handelt es sich tatsächlich um eine innergemeinschaftliche Lieferung? Bitte prüfen Sie die Art der Waren, ob es sich um Differenzbesteuerung oder Mehrwertsteuer handelt. Wie werden die Käufe und Verkäufe von [bedrijf 1] in der Verwaltung verarbeitet.”\n\n4. Op 14 januari 2022 heeft de Duitse belastingdienst als volgt op het verzoek gereageerd:\n\n“Verzendende taal : Die [bedrijf 1] hat die verkauften Waren in Deutschland von den Firmen [bedrijf 2] - [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) und [bedrijf 5] (DE(…)) erworben. Es wurde Umsatzsteuer ausgewiesen. Vorsteuer wurde durch die [bedrijf 1] entsprechend geltend gemacht.\n\nEs handelt sich nicht um differenzbesteuerte Waren.\n\nAls Anlage wurden zu zwei exemplarischen Rechnungen jeweils eine Tabelle beigefügt. Aus diesen ist die genaue Warenbezeichnung ersichtlich.\n\nOntvangende taal : Vrije vertaling door CLO:\n\n [bedrijf 1] heeft de verkochte goederen in Duitsland van de ondernemingen [bedrijf 2] - [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) en [bedrijf 5] (DE(…)) gekocht. De BTW werd in rekening gebracht.\n\n [bedrijf 1] heeft dienovereenkomstig aanspraak gemaakt op voorbelasting.\n\nEr is geen sprake van marge goederen.\n\nAls bijlage is bij twee voorbeeldfacturen een tabel gevoegd. Deze bevatten de exacte beschrijving van de goederen.”\n\n5. Eind 2021\u002Fbegin 2022 heeft bij eiseres een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2020 en 2021 is onderzocht. Op 24 mei 2022 is het conceptrapport vastgesteld waarin, onder meer, op grond van de informatie afkomstig van de Duitse belastingdienst de toepassing van de margeregeling op de verkopen van goederen afkomstig van [bedrijf 1] wordt gecorrigeerd. Het conceptrapport is op 14 juli 2022 en op 16 augustus 2022 besproken met eiseres en eiseres heeft op 15 en 16 augustus 2022 per e-mail op het conceptrapport gereageerd.\n\n6. De reacties van eiseres op het conceptrapport en de besprekingen van het conceptrapport hebben verweerder geen aanleiding gegeven zijn standpunt over de toepassing van de margeregeling te wijzigen. Op 26 september 2022 is het definitieve controlerapport vastgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport zijn de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen opgelegd.”\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\nEvenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen terecht en op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Dat is het geval als belanghebbende op de verkoop van de door haar van [bedrijf 1] ingekochte goederen ten onrechte de margeregeling heeft toegepast.\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:\n\n“Juridisch kader\n\n12. Artikel 28b van de Wet OB luidt, voor zover hier van belang als volgt:\n\n“1. Ingeval een wederverkoper gebruikte goederen, (…) levert, wordt, in afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting berekend over de winstmarge. De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.\n\n2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het goed aan de wederverkoper is geleverd door:\n\na. (…);\n\nb. een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r;\n\nc. (…);\n\nd. een andere wederverkoper, met toepassing van het eerste lid; of\n\ne. een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lidstaat, mits het een levering is als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006.”\n\n13. Artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB luidt als volgt:\n\n“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:\n\n(…)\n\nr. de levering van een roerende zaak die in het bedrijf van de ondernemer uitsluitend is gebruikt ten behoeve van vrijgestelde prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16, ingeval ter zake van de voorafgaande levering van die zaak geen belasting in aftrek is gebracht;”\n\n14. Artikel 314 van Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG van de Raad van 28 november 2006\n\nbetreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de\n\nbtw-richtlijn) luidt als volgt:\n\n“De winstmargeregeling is van toepassing op door een belastingplichtige\n\nwederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, (…), wanneer deze goederen hem binnen de Gemeenschap door een der onderstaande personen worden geleverd:\n\na)...;\n\nb) ...;\n\nc)\n\nd) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest.”\n\nIs de margeregeling van toepassing?\n\n15. Volgens eiseres zijn de goederen die zij inkoopt van [bedrijf 1] gebruikte goederen in de zin van de margeregeling, omdat het om goederen gaat die door particulieren aan de leverancier [bedrijf 3] zijn geretourneerd en bijvoorbeeld een kras of deuk hebben. Op de facturen van [bedrijf 1] staat ook vermeld dat het om gebruikte goederen gaat.\n\n [bedrijf 1] is volgens eiseres een andere wederverkoper als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, letter d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Uit de factuur van [bedrijf 1] blijkt dat het gaat om gebruikte goederen. De factuur bevat in plaats van de vermelding ‘btw-verleggingsregeling van toepassing’ of ‘btw verlegd’ de vermelding “Keine Steuer”. De factuur vermeldt weliswaar ook “Innergemeinschaftliche lieferung”, maar gelet op het feit dat [bedrijf 3] heeft gezorgd voor het vervoer van de goederen vanuit Duitsland naar Nederland en de goederen in [Y] namens [bedrijf 1] (door personeel van eiseres) in ontvangst zijn genomen, heeft eiseres mogen aannemen dat [bedrijf 1] een binnenlandse levering aan haar verrichtte, waarvoor [bedrijf 1] een factuur met de vermelding “Keine Steuer” uitreikte, en dus de margeregeling heeft toegepast.\n\nIndien [bedrijf 1] niet valt onder artikel 28b, tweede lid, onderdeel d, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres aan te merken als een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel e, van de Wet OB, aangezien [bedrijf 1] een wederverkoper uit een andere lidstaat is die de margeregeling heeft toegepast.\n\nIndien [bedrijf 1] niet valt onder 28b, tweede lid, letter d dan wel e, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres gelijk te stellen met een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB omdat doel en strekking van de margeregeling is om in alle gevallen dubbele heffing te voorkomen als goederen door een niet-aftrekgerechtigde leverancier aan een ondernemer worden geleverd. [bedrijf 3] heeft voor haar intracommunautaire levering (ICL) vanuit Duitsland een factuur aan [bedrijf 1] gestuurd met 19 percent Mwst. De achtergrond daarvan is dat een ICL per 1 januari 2020 alleen onder het btw-nultarief valt als de verkoper beschikt over een geldig btw-identificatienummer van de koper anders dan de lidstaat van vertrek (artikel 138, eerste lid, onderdeel b, van de btw-richtlijn). [bedrijf 3] beschikte echter enkel over een Duits btw-identificatienummer van [bedrijf 1] , zodat zij een “btw-belaste” ICL verrichtte. In de visie van eiseres is de btw die bij een “btw-belaste” ICL wordt gefactureerd niet aftrekbaar. De achtergrond om een ICL belast te maken als de koper zijn btw-identificatienummer geeft van het land van vertrek, is om fraude te voorkomen en goederen te volgen. Om dat doel te bereiken is het nodig dat de btw op de “btw-belaste” ICL in het land van vertrek niet aftrekbaar is, omdat alleen in dat geval de afnemer gedwongen wordt om een btw-identificatienummer in het land van aankomst aan te vragen en om de verwerving te rapporteren. In de visie van eiseres heeft [bedrijf 1] de door [bedrijf 3] gefactureerde btw voor de ICL dan ook niet in aftrek kunnen brengen, waarbij zij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juli 2022, zaak C-696\u002F20 (Dyrektor Izby Skarbowej w W.), r.o. 49 en 55.\n\n16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat wordt voldaan aan de voorwaarden die aan een leverancier worden gesteld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel d, respectievelijk e, van de Wet OB, nu in de facturen niet staat vermeld dat [bedrijf 1] de margeregeling toepast. Uit de facturen van [bedrijf 1] blijkt juist dat zij de goederen intracommunautair heeft geleverd aan eiseres en niet de margeregeling op de leveringen heeft toegepast. Overigens is door de Duitse fiscus bevestigd dat [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast.\n\n17. Evenmin is sprake van de levering van goederen door een ondernemer met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB. [bedrijf 1] heeft de goederen immers niet in het bedrijf gebruikt voor vrijgestelde prestaties, maar heeft deze ingekocht teneinde ze te verkopen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB analoog moet worden toegepast omdat [bedrijf 1] een niet-aftrekgerechtigde ondernemer is. Wat er ook zij van dat betoog, uit de MvT bij de invoering van de margeregeling blijkt dat de wetgever de margeregeling slechts van toepassing heeft willen laten zijn indien de goederen worden verkregen van specifiek omschreven niet-aftrekgerechtigde leveranciers. Dat betekent dat aan de in het tweede lid van artikel 28b van de Wet OB genoemde leveranciers niet een ruimere betekenis kan worden toegekend. Ook de btw-richtlijn biedt geen aanknopingspunten voor een dergelijke ruimere interpretatie.\n\nVerzuimboetes\n\n21. Verweerder heeft de verzuimboetes opgelegd op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), omdat eiseres de omzetbelasting die zij op aangiften had moeten voldoen niet heeft betaald. Nu de naheffingsaanslagen in stand blijven, is sprake van het beboetbare feit als bedoeld in artikel 67c van de Awr zodat verweerder per tijdvak een verzuimboete van € 5.514 heeft kunnen en mogen opleggen. Eiseres heeft daartegen ingebracht dat voor wat betreft de toepassing van de margeregeling sprake is van een pleitbaar standpunt. De bewijslast dat sprake is van een pleitbaar standpunt rust op eiseres. Met de enkele stelling dat zij redelijkerwijs kon menen juist te hebben gehandeld, is zij daarin niet geslaagd.\n\n22. Eiseres heeft tegen de (hoogte van de) verzuimboetes verder geen afzonderlijke gronden aangevoerd en de rechtbank is van oordeel dat deze verzuimboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.\n\n23. Eiseres heeft niet aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank constateert echter ambtshalve dat de boetes zijn aangekondigd in het concept-controlerapport van 24 mei 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar vanaf het moment dat eiseres op de hoogte is gekomen van het feit dat verweerder de boetes zou opleggen tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet, is overschreden met afgerond acht maanden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de boetes op grond van artikel 6 van het EVRM te verminderen met 10 percent naar € 4.962 (2020) en € 4.962 (2021).\n\nBelastingrente\n\n24. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk V van de Awr in rekening is gebracht.\n\nSlotsom\n\n25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n26. Nu de beroepen ongegrond zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat zij aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling voor ‘gebruikte goederen’ zoals beschreven in artikel 28b Wet OB voldoet, zodat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. De omstandigheid dat de goederen die zij verkoopt nooit eerder door particulieren zijn gebruikt, staat aan toepassing van de margeregeling niet in de weg; de geretourneerde goederen hebben door de verkoop door [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] aan een eindgebruiker blijvend de status van ‘gebruikte goederen’ verkregen, aldus belanghebbende. [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] verkoopt de geretourneerde goederen aan [bedrijf 1] (DE) die deze op haar beurt verkoopt aan belanghebbende (NL), zodat aan de voorwaarden ten aanzien van de leverancier ( [bedrijf 1] ), wordt voldaan; [bedrijf 1] is een wederverkoper die de margeregeling heeft toegepast. Dat laatste volgt uit het feit dat [bedrijf 1] geen omzetbelasting op haar facturen vermeldt en daarop duidelijk aangeeft dat het om ‘gebruikte goederen’ gaat. Dat op de facturen van [bedrijf 1] is vermeld “innergemeinschaftliche lieferung” (intracommunautaire levering), berust op een misvatting van [bedrijf 1] nu laatstgenoemde een binnenlandse (Nederlandse) levering heeft verricht aan belanghebbende. Die misvatting kan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Voor een (verzuim)boete is in geen plaats omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende doet in hoger beroep niet langer een beroep op het vertrouwensbeginsel.\n\n5.2.. De inspecteur verwijst naar zijn verweerschrift in eerste aanleg en schaart zich achter de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt.\n\n5.3.. Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissingen berusten tot de zijne. Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt het Hof in aanvulling daarop als volgt.\n\n5.4.. De doelstelling van de zogenoemde margeregeling is het voorkomen van een dubbele heffing van omzetbelasting en bijgevolg het voorkomen van verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen op het gebied van gebruikte goederen (vgl. arrest van het HvJ van 18 mei 2017, Litdana, C-624\u002F15, ECLI:EU:C:2017:389, punt 25). Deze doelstelling - het vermijden van cumulatie - volgt ook uit art. 314 van de Btw-richtlijn, de interpretatiebasis van art. 28b Wet OB. Deze bepaling beperkt de toepassing van de margelevering tot leveringen door personen die geen vooraftrek genieten (niet-belastingplichtigen of ‘vrijgestelden’) en: ‘ (…) d) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest’(nadruk: Hof).Voor zover belanghebbende betoogt dat zij de goederen heeft gekocht van een wederverkoper zoals bedoeld onder d), wordt dat betoog verworpen, aangezien, zoals is bevestigd door de Duitse belastingdienst (zie r.o. 4 van de rechtbankuitspraak), [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast zodat zij niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige wederverkoper.\n\n5.5.. \n\nIn zijn arrest van 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280\u002F04, ECLI:EU:C:2005:753, heeft het HvJ in punt 35 o.a. overwogen: ‘(…) de regeling betreffende belastingheffing over de winstmarge die door de belastingplichtige wederverkoper bij de levering van gebruikte goederen, (…) wordt behaald [is] een bijzondere BTW-regeling (…), die afwijkt van de algemene regeling van de Zesde richtlijn en die (…) enkel mag worden toegepast voorzover dit ter verwezenlijking van de doelstelling ervan noodzakelijk is (...).’\n\nHieruit leidt het Hof af dat de margeregeling alleen mag worden toegepast als zonder toepassing daarvan cumulatie van omzetbelasting en bijgevolg verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen dreigt. Dat laatste is alleen denkbaar als de goederen eerder aan omzetbelasting onderworpen zijn geweest.\n\n5.6.. Daarvan is in de onderwerpelijke zaak geen sprake. Het betreft immers geretourneerde goederen waarvoor de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden, zodat op [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] de verplichting rustte de gehele koopsom (inclusief de omzetbelasting) aan de koper te retourneren. Door deze ontbinding zijn de goederen (weer) gaan behoren tot de handelsvoorraad van [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] , beiden ondernemers die, naar kan worden aangenomen, volledig recht op vooraftrek genieten.\n\n5.7.. Bovendien heeft [bedrijf 1] , die de geretourneerde goederen heeft gekocht van [bedrijf 3] \u002F [bedrijf 4] en die de leverancier is van belanghebbende, de omzetbelasting die haar daarvoor in rekening is gebracht, in vooraftrek genomen (zie r.o. 4 van de uitspraak van de rechtbank).\n\n5.8.. \n\nIn een dergelijk geval kan bij wederverkoop door [bedrijf 1] aan belanghebbende geen cumulatie van omzetbelasting optreden. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4. en 5.5, mag de margeregeling dan niet worden toegepast. Toepassing van de margeregeling zou in die gevallen juist in strijd komen met de doelstelling van de algemene regeling van de\n\nbtw-richtlijn, die inhoudt dat op de gehelevergoeding die aan de eindgebruiker in rekening wordt gebracht omzetbelasting rust. Door alleen over de winstmarge omzetbelasting te berekenen, heeft belanghebbende de mededinging tussen belastingplichtigen juist verstoord.\n\n5.9.. Daarbij kan in het midden blijven of [bedrijf 1] de goederen al dan niet terecht heeft aangemerkt als een intra communautaire levering (“innergemeinschaftliche Lieferung”) of dat zij de goederen binnenlands (in Nederland) heeft geleverd, zoals belanghebbende betoogt. In beide gevallen mist de margeregeling toepassing en is belanghebbende over de totale door haar in rekening gebrachte vergoeding omzetbelasting verschuldigd naar het algemene tarief.\n\n5.10.. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat van een pleitbaar standpunt van belanghebbende geen sprake is, zodat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding tot matiging van de boete.\n\nSlotsom5.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n6. Kosten\n\nVoor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1766","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.676Z",1,20]