[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":93},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2023-07-25T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122328","Algemene wet bestuursrecht","art. 6:19",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122329","Pensioenwet","",{"provisionId":31,"code":32,"article":29,"count":25},"122332","Vreemdelingenwet",[34,44,53,61,69,76,85],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":48,"fullText":49,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":42,"updatedAt":52},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.270Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":57,"fullText":58,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":42,"updatedAt":60},"654","ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","ecli-nl-rbgel-2026-5231","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2579 en 26\u002F2575uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen\n\n(gemachtigde: M.C. Riemersma ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op een Participatiewet (Pw) uitkering van eiser met ingang van 2 oktober 2025 in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2026 is het besluit in stand gelaten en is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, schorst de voorzieningenrechter het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser ontvangt sinds 6 april 2010 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. Hij is al enkele jaren mantelzorger voor zijn ex-vriendin, mevrouw [ex-vriendin] (hierna: [ex-vriendin] ). Omdat eiser meerdere momenten per week bij [ex-vriendin] verblijft, heeft de gemeente Zutphen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen.\n\n2.1.. \n\nBij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 2 oktober 2025 ingetrokken, omdat eiser volgens het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.\n\nHij heeft geen bankafschriften verstrekt en geen gehoor gegeven aan uitnodigingen in verband met een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.\n\n2.2.. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. \n\nDe door eiser verstrekte bankafschriften en het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van eiser hebben geleid tot een herzien primair besluit. Dit betreft het besluit van 25 februari 2026. Hierop is artikel 6:19 Awb van toepassing. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 25 februari 2026 en eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van\n\n20 oktober 2025.\n\n2.4.. Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2026 is het besluit van 25 februari 2026 in stand gelaten met verbetering van de motivering. Volgens het college heeft eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres maar bij [ex-vriendin] . Eiser zou mantelzorg aan haar verlenen, maar volgens het college is niet gebleken dat het gaat om een intensieve zorgbehoefte.\n\n2.5.. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.\n\nIntrekking uitkering\n\n4. Eiser ontkent niet dat hij zijn hoofdverblijf bij [ex-vriendin] heeft en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij stelt echter dat de zorgbehoefte van [ex-vriendin] de aanleiding is om samen te wonen, zodat hij op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt. Eiser is mantelzorger voor [ex-vriendin] . Bij [ex-vriendin] is sprake van een zorgbehoefte en eiser verleent de benodigde zorg. Gelet op deze intensieve zorgbehoefte, kan eiser bij [ex-vriendin] wonen zonder dat dit invloed heeft op zijn recht op uitkering.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samenwoont met [ex-vriendin] . Wel is in geschil of er bij [ex-vriendin] sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het college stelt dat nader onderzoek niet nodig is omdat eiser onvoldoende bewijs voor een zorgbehoefte heeft aangeleverd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van de zorgbehoefte voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het op de weg ligt van het college om nader onderzoek te doen als het college zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte.\n\n4.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de personen is, die zich op deze in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, genoemde uitzondering beroepen, om de feiten en omstandigheden, aannemelijk te maken, waaruit volgt dat deze uitzondering van toepassing is.Omdat eiser zich beroept op een uitzondering, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij mantelzorg moet verlenen aan een zorgbehoeftige.\n\n4.3.. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.\n\n4.4.. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [ex-vriendin] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [ex-vriendin] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg- of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [ex-vriendin] . Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [ex-vriendin] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan niet-professionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde\u002Fexterne sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast.”Het betoog van eiser slaagt.\n\n4.5.. \n\nTen overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser op zitting heeft gesteld dat [ex-vriendin] bereid is mee te werken aan dit onderzoek. Mocht om wat voor reden dan ook [ex-vriendin] bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, komt dat voor rekening en risico van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt afgewezen.\n\n5.1.. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, aanleiding het besluit van 25 februari 2026 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\n5.2.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 54,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- schorst het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,-) aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van beroep van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2201 en van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487.\n\n Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","2026-07-13T00:28:41.439Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":42,"updatedAt":68},"1579","ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","ecli-nl-rbgel-2026-5069","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8843\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [plaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 30 augustus 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Het betreft een nihil aanslag. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met haar fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. Belanghebbende en haar fiscaal partner hebben op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende geeft ook aan dat zij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n7. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de fiscaal partner van belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt aan de fiscaal partner van belanghebbende een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. De fiscaal partner heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n8. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan de fiscaal partner van belanghebbende waarin hij refereert naar telefonisch contact waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n9. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n10. De fiscaal partner van belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. De fiscaal partner geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. De fiscaal partner haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n11. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n14. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n15. Belanghebbende heeft betoogd dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft zij recht op de maximale vergoeding.\n\n16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n17. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n18. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n19. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief daadwerkelijk is verzonden.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de datum van de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat zij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 20 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","2026-07-13T00:29:28.192Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":73,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":42,"updatedAt":75},"1580","ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","ecli-nl-rbgel-2026-5066","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.\n\n7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.\n\n22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","2026-07-13T00:29:28.258Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":80,"fullText":81,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":83,"parsedAt":42,"updatedAt":84},"538","ECLI:NL:RBGEL:2023:6588","ecli-nl-rbgel-2023-6588","2023-12-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 21\u002F5584\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n \n [eisers] , uit [woonplaats] , en\n\n [eisers] ,uit [woonplaats] ,\n\nsamen: eisers\n\n(gemachtigden: R. Smit, mr. E.L.C. Soors d'Ancona en H.B.M. van Rooijen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. J van Dodewaard en A. Millerson).\n\nAls derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde-partij] en [derde-partij], beiden uit [woonplaats] , eigenaren van Landgoed Pijnenburg.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoeken om handhavend op te treden tegen de afsluiting van twee paden die zijn gelegen op Landgoed Pijnenburg in de gemeente [woonplaats] .\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 10 juni 2021 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eisers zijn bij de rechtbank Midden-Nederland in beroep gegaan tegen het bestreden besluit. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep voor de behandeling doorverwezen naar deze rechtbank.\n\n1.3.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg hebben ook schriftelijk gereageerd.\n\n1.4.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college en\n\n [derde-partij] , voornoemd, bijgestaan door [naam] , rentmeester.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Op Landgoed Pijnenburg bevindt zich een aantal paden. De eigenaren van het landgoed hebben in 2019 twee paden afgesloten voor fietsverkeer door middel van hekwerken. Fietsers kunnen daardoor geen gebruik meer maken van deze paden.\n\n2.1.. \n\nEén pad wordt hierna aangeduid als ‘Buurtlaan\u002FEmilialaan’. Dit betreft een pad dat aansluit op de Wieksloterweg te Soest . Het pad komt aan de andere kant van het landgoed uit op de 300 Roedenlaan. Het andere pad wordt hierna aangeduid als ‘Stulpselaan’.\n\nDit pad is ten westen van de Buurtlaan\u002FEmilialaan gelegen. Het pad begint tegenover restaurant ’t Spiehuis. Aan de andere zijde van het landgoed komt dit pad ook uit op de 300 Roedenlaan.\n\n3. Eisers willen graag dat fietsers van deze twee paden gebruik kunnen (blijven) maken en hebben het college daarom verzocht handhavend op te treden tegen de afsluiting daarvan.\n\n4. Het college heeft besloten niet over te gaan tot handhaving. Het college legt daaraan ten grondslag dat beide paden geen openbare wegen in de zin van de Wegenwet zijn, zodat het college in dit geval niet bevoegd is handhavend op te treden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de verzoeken van eisers om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de twee paden gelegen op Landgoed Pijnenburg. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n6. Het beroep is gegrond voor zover het op de afsluiting van het pad Stulpselaan betrekking heeft. Het college heeft zich onterecht niet bevoegd geacht om daartegen handhavend op te treden. Ten aanzien van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan heeft het college zich wel terecht op het standpunt gesteld dat zij niet handhavend kan optreden tegen de afsluiting van dat pad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n [partij] is geen afzonderlijke partij\n\n7. Het beroep is mede ingediend namens het [partij] . Op de zitting is door de gemachtigde van de [eisers] toegelicht dat het [partij] een onderdeel is van de [eisers] . Daarom wordt het [partij] door de rechtbank niet afzonderlijk als eiser aangemerkt.\n\nBeoordelingskader\n\n8. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nIn de Verordening fysieke leefomgeving Baarn (Verordening) staat dat het verboden is de weg of een gedeelte van de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Met wegen worden in de Verordening bedoeld alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.\n\n8.1.. In de Wegenwet is geregeld wanneer een weg openbaar is. Die wet is ook van toepassing op voetpaden en rijwielpaden.\n\n8.1.1.. Een weg is openbaar wanneer die weg dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\n8.1.2.. Een weg is ook openbaar als die tien jaar voor een ieder toegankelijk is geweest en de weg in die periode is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap.\n\n8.1.3.. Verder is een weg openbaar als de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.\n\n8.1.4.. In de situaties die zijn genoemd in 8.1.1. en 8.1.2. wordt een weg toch niet openbaar wanneer de rechthebbende op de weg in de periode van dertig of tien jaar heeft aangegeven dat de weg slechts ‘ter bede’, dat wil zeggen met zijn toestemming, toegankelijk is. Een eigenaar kan dat doen door het plaatsen van een bordje met opschrift “eigen weg”, “private weg” of een soortgelijke aanduiding.\n\n8.1.5.. In de Wegenwet is verder geregeld dat een gemeente een wegenlegger heeft waarop is aangegeven bij wie een weg in onderhoud is. Als een weg op de wegenlegger staat wordt de weg aangemerkt als openbaar, tenzij wordt bewezen dat de weg na plaatsing daarvan op de legger heeft opgehouden openbaar te zijn.\n\n9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken – volgt dat degene die zich op de openbaarheid van een weg beroept, die openbaarheid aannemelijk dient te maken.Hij of zij moet dan niet alleen aannemelijk maken dat het feitelijk mogelijk was om de weg te betreden en dat dit ook is gebeurd, maar ook dat dit niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende was.\n\n9.1.. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat vanwege het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien een concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden zo onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.\n\n10. Het bevoegd gezag, in dit geval het college, is alleen bevoegd om handhavend op te treden tegen de afsluiting van een weg, als die weg openbaar is in de zin van de Wegenwet. Als een weg openbaar is, heeft de eigenaar\u002Frechthebbende op die weg het openbaar verkeer op die weg te dulden.\n\nZijn de paden openbaar in de zin van de Wegenwet?\n\n11. Op de zitting is de wegenlegger van de gemeente Baarn getoond. Vaststaat dat beide paden niet op de wegenlegger staan, zodat de paden niet op grond daarvan als openbaar kunnen worden aangemerkt.\n\n11.1.. Hierna zal de rechtbank van elk pad afzonderlijk bespreken of eisers erin zijn geslaagd aannemelijk te maken dat het betreffende pad openbaar is.\n\nHet pad Buurtlaan\u002FEmilialaan\n\n12. Eisers stellen dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan een openbare weg is, omdat het pad reeds lange tijd in gebruik is door fietsers en daarmee een functie voor velen vervult. Het openbaar karakter blijkt volgens eisers uit een vergunning aan de [vereniging] uit 1986, verschillende kaarten, de verschillende jaarverslagen van die [vereniging] en verklaringen van gebruikers.\n\nVerder blijkt volgens eisers uit diverse stukken dat het pad van overheidswege werd onderhouden.\n\nRekenend vanaf het ontstaan van het pad in 1986\u002F1987 tot aan het moment dat er in 2004 borden “eigen weg” zijn geplaatst is de fietsroute Buurtlaan\u002FEmilialaan volgens eisers tenminste 17 jaren voor een ieder toegankelijk geweest en ruim langer dan 10 jaren onderhouden geweest.\n\n12.1.. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg stellen zich – kort gezegd – op het standpunt dat de borden “eigen weg” al lange tijd geleden bij dit pad zijn geplaatst, waardoor het pad niet openbaar is geworden. Dat fietsers de borden niet hebben gezien of negeren, maakt dat niet anders.\n\n12.2.. Het college ziet in de stukken die eisers hebben overgelegd geen overtuigend bewijs dat de borden “eigen weg” pas in 2004 op het landgoed zouden zijn geplaatst. Het college kent een zwaarder gewicht toe aan de (eigen) verklaringen van de eigenaren van het landgoed en de rentmeester van het landgoed. Het college ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling dat de borden “eigen weg” al zeer langdurig op het landgoed en ook op de betreffende fietsroutes aanwezig zijn. Daarmee is door de landgoedeigenaren lopende de termijn van 10 of 30 jaar kenbaar gemaakt dat de weg slechts met toestemming toegankelijk was en is het pad daarmee niet aan te merken als openbare weg in de zin van de Wegenwet.\n\nGeldt een termijn van 10 jaar of van 30 jaar?12.3.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en dat wat op de zitting is besproken niet blijkt dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan enige tijd van overheidswege is onderhouden. In de door eisers overgelegde stukken komt naar voren dat er subsidie zou zijn verleend voor de aanleg van het pad. De eigenaren van het landgoed bestrijden dat deze stukken op het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan betrekking hebben, maar de rechtbank kan in het midden laten of dat juist is. Ook als wordt aangenomen dat subsidie is verleend voor onderhoud van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan, volgt daaruit namelijk niet dat sprake is van onderhoud van overheidswege. De rechtbank is daarom van oordeel dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan slechts openbaar kan zijn als het pad gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\nIs het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan 30 jaar lang voor een ieder toegankelijk geweest?12.4.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan in 2006 deels is omgelegd als gevolg van de bouw van een woning nabij het pad. Dit omgelegde deel van het pad kan nog niet openbaar zijn geworden. Er waren vanaf de aanleg van deze omlegging in 2006 tot aan het moment van afsluiting immers nog geen 30 jaren verstreken.\n\nUit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is aannemelijk dat het overige gedeelte van het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan niet eerder dan in 1987 in gebruik is genomen. Dit leidt de rechtbank af uit een brief van de provincie Utrecht (uit 1986) en een brief van het ministerie van Landbouw en Visserij (uit 1987) waarin wordt gesproken over de plannen voor de aanleg van dit pad en de subsidie voor die aanleg. Eisers hebben weliswaar gesteld dat deze route al vóór 1987 in gebruik was, maar zij hebben deze stelling niet met stukken of andere bewijsmiddelen aannemelijk gemaakt.\n\nNiet in geschil is dat op dit pad uiterlijk in 2004 borden “eigen weg” zijn geplaatst. De periode tussen de aanleg van dit deel van het pad in 1987 en de plaatsing van de borden eigen weg bedraagt dan ook minder dan 30 jaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan geen openbare weg is.\n\n12.5.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich voor wat betreft het pad Buurtlaan\u002FEmilialaan terecht op het standpunt stelt dat dat pad niet openbaar is en dat zij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het afsluiten van de toegang tot dat pad. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHet pad Stulpselaan\n\n13. Eisers stellen dat het pad Stulpselaan openbaar is, omdat het pad reeds lange tijd in gebruik is door fietsers en daarmee een functie voor velen vervult. Het openbaar karakter van dit pad blijkt volgens eisers uit de verschillende kaarten met fietsroutes, een krantenartikel uit het Algemeen Handelsblad van 26 juli 1927, het jaarverslag van 1927 van de [vereniging] en een artikel uit het tijdschrift De Kampioen van 23 december 1939. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het pad in ieder geval al sinds eind jaren ’20 door fietsers gebruikt is geweest als doorgaande route en ook als zodanig op fietskaarten is aangegeven.\n\n13.1.. De eigenaren van Landgoed Pijnenburg stellen zich op het standpunt dat de borden “eigen weg” al lange tijd geleden bij het pad Stulpselaan zijn geplaatst, waardoor ook dit pad niet openbaar is geworden. Zij hebben een e-mail van de huidige rentmeester overgelegd van april 2021, waarin staat dat de borden meer dan 30 jaar aanwezig zijn. In die e-mail staat verder dat de huidige rentmeester vanaf 1991 bij het beheer van het landgoed is betrokken en dat de borden door zijn voorganger zijn geplaatst. Verder hebben de eigenaren van het landgoed een verklaring overgelegd van 22 februari 2022 van [naam] , BOA en zoon van de voormalige jachtopziener van het landgoed. Deze verklaart dat hij vanaf zijn geboortejaar (1968) tot 1995 op het landgoed heeft gewoond en dat hij als kind de borden “eigen weg” elk jaar moest poetsen van zijn vader.\n\n13.2.. \n\nOok voor het pad Stulpselaan stelt het college zich op het standpunt dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan de (eigen) verklaringen van de eigenaren van het landgoed en de rentmeester van het landgoed. Het college ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling dat de borden “eigen weg” al zeer langdurig op het landgoed en ook op de betreffende fietsroutes aanwezig zijn. Daardoor is het pad volgens het college niet openbaar geworden.\n\nGeldt een termijn van 10 jaar of van 30 jaar?13.3.. De rechtbank overweegt dat uit het dossier en dat wat op de zitting is besproken niet blijkt dat het pad Stulpselaan enige tijd van overheidswege is onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat het pad Stulpselaan slechts openbaar kan zijn, als het pad gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk is geweest.\n\nIs het pad Stulpselaan gedurende 30 jaar voor een ieder toegankelijk geweest?13.4.. Eisers hebben een kaartje overlegd dat dateert uit 1927 en waarop het pad Stulpselaan is te zien. Daaruit blijkt weliswaar dat het pad destijds al bestond, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat het pad op dat moment ook voor een ieder toegankelijk is geweest. Eisers hebben wel aannemelijk gemaakt dat het pad Stulpselaan in ieder geval al sinds 1939 voor een ieder toegankelijk is geweest als fietspad. De uitgave van de Kampioen van 23 december 1939 die door eisers is overlegd, maakt dit voldoende aannemelijk. Hierin wordt het pad Stulpselaan genoemd als onderdeel van een fietsroute.\n\n13.5.. \n\nEisers stellen dat de borden “eigen weg” op dit pad pas in 2004 zijn geplaatst. De rechtbank volgt hen daarin niet. Uit de verklaringen die de eigenaren van het landgoed hebben overgelegd komt naar voren dat de borden met opschrift “eigen weg” al geplaatst zouden zijn door de vorige rentmeester. De vorige rentmeester heeft tot en met 1991 gewerkt op het landgoed. Daarnaast is er de verklaring van de zoon van de voormalige jachtopziener, geboren in 1968, die stelt dat hij als kind de borden “eigen weg” elk jaar moest poetsen. Ook bevindt zich in het dossier een brief van de eigenaren van het landgoed aan het college van 5 december 2005 waarin hij het volgende schrijft: “In uw brief stelt u dat u geconstateerd heeft dat er onlangs borden met opschrift \"eigen weg\" langs de Wieksloterweg tussen de Biltseweg en de Pijnerburgergrift geplaatst zijn. Deze borden staan al tenminste 29 jaar bij de toegangen van het landgoed.”Gelet op deze verklaringen is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de borden “eigen weg” eerder dan in 2004, maar niet eerder dan in de jaren ’70 bij het pad Stulpselaan zijn geplaatst.\n\nAangezien de rechtbank er van uitgaat dat het pad Stulpselaan in ieder geval voor een ieder toegankelijk was vanaf 1939 en de borden met opschrift “eigen weg” op z’n vroegst zijn geplaatst in de zeventigerjaren van de vorige eeuw, kan worden aangenomen dat het pad een periode van meer dan 30 jaar voor fietsverkeer toegankelijk is geweest. De plaatsing van de borden met opschrift “eigen weg” na het verstrijken van die termijn van 30 jaar kon niet meer voorkomen dat het pad Stulpselaan openbaar is geworden.\n\n13.6.. Ten overvloede, maar ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank er op dat ook als voorafgaand aan de afsluiting voorwaarden waren gesteld aan de toegankelijkheid van de paden, dat niet van invloed is op de vraag of die paden openbaar zijn.\n\n13.7.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich voor wat betreft het pad Stulpselaan ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit pad niet openbaar is en dat zij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen het afsluiten van de toegang tot dat pad. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het college hoeft ten aanzien van de afsluiting van de Emilialaan\u002FBuurtlaan geen nieuw besluit te nemen. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dat ziet op de afsluiting van het pad Stulpselaan. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal met inachtneming van wat onder 9.1 is overwogen, opnieuw moeten beoordelen of zij handhavend moet optreden tegen de afsluiting van het pad Stulpselaan. Het college zal daartoe een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Zij krijgt hiervoor zes weken de tijd na de datum van verzending van deze uitspraak.\n\n14.1.. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet het college aan eisers het door hun betaalde griffierecht van € 360 vergoeden. Er is niet gebleken dat eisers proceskosten hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen de afsluiting van het pad Stulpselaan;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers ten aanzien van het pad Stulpselaan met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt het college op het betaalde griffierecht van € 360 aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink-Eertink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nWegenwet\n\nArtikel 1\n\n1. Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.\n\n2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:\n\nI. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik.\n\nArtikel 4\n\n1. Een weg is openbaar:\n\nI. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;\n\nII. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;\n\nIII. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.\n\n2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.\n\n3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.\n\nArtikel 14\n\n1. Behoudens de beperkingen in het gebruik, als bedoeld in artikel 6 en behoudens het bepaalde bij het volgend lid, hebben de rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg alle verkeer over den weg te dulden.\n\nArtikel 49\n\nEen weg, welke op den legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.\n\nVerordening Fysieke Leefomgeving [woonplaats]\n\nArtikel 1:1\n\nIn deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\nweg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nArtikel 2:1\n\n1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:\n\na. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg.\n\nWegenverkeerswet\n\nArtikel 1\n\n1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:\n\nb. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.\n\nOp grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129, ABRvS 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3727 en ABRvS 27 november 2013, ELCI:NL:RVS:2013:2109.\n\n Vergelijk de uitspraak van Afdeling van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7552, onder 4.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:6588","2023-12-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.717Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":29,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":89,"summary":29,"language":7,"source":39,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":42,"updatedAt":92},"545","ECLI:NL:RBGEL:2023:4236","ecli-nl-rbgel-2023-4236","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 19\u002F2059\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2023\n\nin de zaak tussen\n \n [Eiser A] , uit [plaats B] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats D], (het college)\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade.\n\nHet college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 maart 2016 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2019 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nHet college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2021 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. G. Sterenborg.\n\nBij beslissing van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) als deskundige benoemd.\n\nDe STAB heeft vervolgens een deskundigenbericht uitgebracht, neergelegd in het verslag van 1 september 2022 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen hebben op de concept-versie daarvan gereageerd.\n\nPartijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld op het definitieve deskundigenbericht te reageren. Het college heeft op 13 oktober 2022 een nadere reactie gegeven en eiser op 14 oktober 2022.\n\nOp verzoek van het college heeft de rechtbank het beroep op 13 juli 2023 nogmaals op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens het college mr. G. Sterenborg, gemachtigde mr. L.J. Gerritsen en mr. J.H.J. van Erk (SAOZ). Op de zitting zijn ook mr. G.A. Keus (STAB) en drs. J.Z. van ’t Hul (taxateur) als deskundigen gehoord.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is sinds 2 januari 2012 volledig eigenaar van de percelen aan [het adres C] te [plaats D] . Hij heeft het college op 31 december 2014 verzocht om een tegemoetkoming in de directe planschade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestemmingsplan “Groot Sypel” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) dat op 18 april 2013 is vastgesteld en op 13 juni 2013 in werking is getreden. In het verzoek heeft eiser aangegeven dat onder het oude bestemmingsplan de ruime bedrijfsbestemming “Industrie” gold. In het nieuwe bestemmingsplan is een bedrijfsbestemming aan de gronden toegekend die de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden aanzienlijk beperkt. Alleen de bestaande functies (waaronder een bouwmarkt en een tankstation) zijn als zodanig bestemd, de verkoop van LPG is geheel wegbestemd en enige uitbreiding van het bebouwingsoppervlak is niet meer mogelijk. Eiser verwijst in de aanvraag naar taxaties die in zijn opdracht door Troostwijk Taxatie b.v. (hierna Troostwijk) en door Brandt Bedrijfshuisvesting (hierna Brandt) zijn verricht. Bij deze taxaties is de waardevermindering van een tankstation als gevolg van het wegbestemmen van de LPG-verkoop niet meegenomen. Troostwijk taxeert de waardevermindering op € 400.000 en Brandt op € 422.500. In de aanvraag gaat eiser uit van een schadebedrag van € 411.250 voor het bedrijfsonroerend goed (exclusief tankstation).\n\n2. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ). In het planschadeadvies van december 2015 heeft de SAOZ een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Uit deze vergelijking heeft de SAOZ de conclusie getrokken dat het nieuwe bestemmingsplan niet heeft geleid tot een nadeligere positie voor eiser.\n\nDe SAOZ stelt dat er enerzijds sprake is van een beperking in de bebouwingsmogelijkheden en anderzijds van een verruiming van de gebruiksmogelijkheden omdat het gebruik dat werd gedoogd, nu positief is bestemd. De beperking wordt aangemerkt als een planologisch nadeel. Het feit dat de bestaande detailhandel onder het oude regime werd gedoogd en op grond van het nieuwe regime positief is bestemd, kan volgens de SAOZ als een planologisch voordeel worden beschouwd. Naar het oordeel van de SAOZ laat de nieuwe bedrijfsbestemming daarnaast niet alleen de bestaande functies toe, maar ook de functies die in artikel 3.1, onder a, van het nieuwe bestemmingsplan zijn vermeld.\n\nOm na te gaan of het nieuwe bestemmingsplan per saldo heeft geleid tot een waardevermindering, heeft de SAOZ aan VTA Vastgoed Taxatie Advies (hierna: VTA) opdracht gegeven met inachtname van de planvergelijking een taxatie te verrichten. In de taxatie staat dat als gevolg van het bestemmingsplan “Groot Sypel” de waarde van de percelen met € 100.000,- is toegenomen. Volgens VTA blijkt uit de berekening dat eventuele uitbreidingen, dan wel sloop en nieuwbouw geen meerwaarde opleveren vanwege de hoge bouw-\u002Finvesteringskosten die daar mee gemoeid zijn. In feite ontlenen de percelen hun hoogste waarde aan de bestaande feitelijk aanwezige opstallen en het bestaande feitelijke gebruik.\n\nHet college heeft dit advies aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.\n\n3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\nHet college heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de motivering van het besluit is verwezen naar de nadere adviezen van de SAOZ van 23 mei 2018 (met bijbehorend taxatierapport) en 9 oktober 2018, met het advies van de bezwaarschriftencommissie en de nadere taxatie in opdracht van de SAOZ van 26 februari 2019.\n\nHeropeningsbeslissing\n\n4. De rechtbank heeft in de heropeningsbeslissing het volgende overwogen met betrekking tot de planvergelijking in de SAOZ-adviezen.\n\n“Uitleg nieuwe bestemmingsplan2.1.. Artikel 3.1 van het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel” luidt als volgt:\n\nDe voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\nbedrijven zoals die zijn opgenomen in bijlage 1 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging', met dien verstande dat de bedrijven uit categorie B en C niet aanpandig worden uitgevoerd aan gevoelige functies;\n\nde verkoop van motorbrandstoffen, lpg daaronder niet begrepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg';\n\ntankshop ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 50 m2, met dien verstande dat:\n\n1. voor het perceel Hoofdweg 4 een maximum verkoopvloeroppervlak geldt van 110 m2;\n\n2. voor het perceel Verkeersweg 3 geldt dat het maximum verkoopvloeroppervlak van de tankshop tezamen met de broodjeszaak (onder i.) niet meer bedraagt dan 50 m2;\n\nuitsluitend een wasstraat, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1';\n\nuitsluitend een werkplaats, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 2';\n\nuitsluitend een bouwmarkt, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 1';\n\nuitsluitend bloemenwinkel [sic], ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 2';\n\nhoreca in de categorie 1a zoals opgenomen in bijlage 2 'Staat van horeca-activiteiten', uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1 en met een maximum verkoopvloeroppervlak van 180 m2;\n\nbroodjeszaak, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 2', met dien verstande dat het maximum verkoopvloeroppervlak van de broodjeszaak tezamen met de tankshop (onder c2) niet meer bedraagt dan 50 m2;\n\n(…)\n\n2.2.. Eiser stelt dat in het nieuwe bestemmingsplan met het gebruik van de term “uitsluitend een wasstraat\u002Fwerkplaats\u002Fbouwmarkt\u002Fbloemenwinkel, ter plaatse van (…)” in artikel 3.1, leden d, e, f en g, van de planregels enkel de genoemde functies zijn toegestaan, met uitsluiting van het in artikel 3.1, lid a, toegestane gebruik voor bedrijvigheid. Daarmee is volgens eiser sprake van een aanzienlijke beperking van de aanwendingsmogelijkheden, waar verweerder in het bestreden besluit geen rekening mee heeft gehouden.\n\n2.3.. \n\nIn het verweerschrift verwijst verweerder naar het uitgebrachte SAOZ-advies van 20 juli 2020. In dit advies verwijst SAOZ naar haar eerdere adviezen uit 2015 en 2018.\n\nIn deze adviezen geeft SAOZ aan dat het evident is dat het niet de bedoeling is dat enkel de genoemde functie, en geen normale bedrijvigheid is toegestaan. Het gaat om het verankeren van feitelijk bestaand gebruik, naast de normale toegestane bedrijvigheid. De toelichting onderschrijft deze uitleg, omdat daaruit blijkt dat bestaande detailhandelsfuncties wel zijn toegestaan, maar nieuwe detailhandelsfuncties niet.\n\nBeoordeling rechtbank2.4.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraak van 23 oktober 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:3579, rechtsoverweging 15), volgt dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn.\n\n2.5.. De rechtbank is van oordeel dat bij een letterlijke lezing, gelet op de plaats van het woord ‘uitsluitend’ bij de leden d tot en met g, deze leden niet anders kunnen worden gelezen als dat ter plaatse van deze aanduiding enkel en alleen de genoemde functie is toegestaan. Door de plaatsing van het woord ‘uitsluitend’ voorafgaand aan het specifiek beoogde gebruik vindt er een uitsluiting plaats van overig gebruik binnen de desbetreffende aanduiding, waarmee ook het gebruik ten dienste van bedrijven zoals bedoeld in artikel 3.1, lid a, van de planregels niet is toegestaan. De rechtbank vindt steun voor deze opvatting in het feit dat de planwetgever bij andere leden, bijvoorbeeld c, en i, niet het woord ‘uitsluitend’ heeft opgenomen.\n\n2.6.. De rechtbank maakt uit het verweer van verweerder op dat het de bedoeling van de planwetgever is om de locatie waarin het van het in artikel 3.1, lid a, afwijkende gebruik te specificeren, zodat dit gebruik niet binnen het gehele perceel kan plaatsvinden maar enkel binnen de specifieke aanduidingen. In dat geval had het op de weg van de planwetgever gelegen om een gelijksoortige redactie als in de leden b en h te hanteren, waar het woord uitsluitend van toepassing wordt verklaard op de desbetreffende aanduiding. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:607, r.o. 3.2.).\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is de planvergelijking op dit punt gebrekkig.\n\nDetailhandelsgebruik in relatie tot het oude bestemmingsplan2.7.. Artikel 23 van het oude bestemmingsplan “Wijziging voorschriften detailhandel Industrieterrein” (hierna: wijziging) luidt als volgt:\n\nDetailhandel op industrieterreinen is verboden, met dien verstande, dat dit verbod niet van toepassing is op de verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit vanuit een bedrijf van in dat bedrijf vervaardigde goederen, met uitzondering van detailhandel in de sectoren textiel, schoeisel en lederwaren, voedings- en genotmiddelen en huishoudelijke artikelen.\n\nArtikel 34a van de wijziging luidt als volgt:\n\n1. Het is verboden om gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of voor doeleinden, welke strijdig zijn met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemming van die gronden en opstallen.\n\n2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit artikel, zolang in de aard van het gebruik geen wijziging wordt gebracht. Onder wijziging in de aard van het gebruik wordt in het kader van de uitoefening van detailhandel ook nadrukkelijk begrepen het wijziging brengen in de categorie van de te verkopen goederen.\n\n3. (…)\n\n2.8.. Eiser stelt dat op basis van de oude uitbreidingsplannen “Harderwyk 54” en Harderwyk 55” binnen de bestemming “Industrie” ook detailhandel was toegestaan. Dit blijkt ook uit het feit dat in februari 1985 de wijziging is vastgesteld, waarin artikel 23 van de uitbreidingsplannen is gewijzigd, waardoor detailhandel niet meer is toegestaan. In artikel 34a van de wijziging werd bestaande detailhandel op het moment van kracht worden van het artikel gelegaliseerd.\n\n2.9.. Eiser stelt dat het perceel op het moment van inwerkingtreding gebruikt werd voor detailhandel (bloemenwinkel, bouwmarkt, verkoop motorbrandstoffen, wasstraat en tankshop). Eiser heeft per brief van 26 september 2018 informatie aangeleverd waaruit volgens hem blijkt dat op de peildatum zoals genoemd in artikel 34a van de wijziging het perceel in gebruik was als bouwmarkt. De bezwaarschriftencommissie heeft deze informatie volgens eiser niet betrokken in haar advies. Bij het beroepschrift heeft eiser nieuwe informatie gevoegd waaruit volgens hem blijkt dat het gebruik als bouwmarkt onder de werking van artikel 34a van de wijziging valt.\n\n2.10.. Verweerder geeft met het SAOZ advies dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd aan, dat detailhandel binnen de bestemming “Industrie” in het uitbreidingsplan in onderdelen “Harderwijk 55” niet was toegestaan. Verweerder onderbouwt dit standpunt met verwijzing naar uitspraken van de toenmalige Afdeling rechtspraak Raad van State waarin dit is uitgesproken. Het gebruik als bloemenshop is volgens verweerder wel toegestaan op grond van artikel 34a, lid 2, van de wijziging. Het gebruik als bouwmarkt, tankshop\u002Fbroodjeszaak en wasstraat valt volgens verweerder niet onder toegestaan gebruik op grond van artikel 34a, lid 2. Verweerder stelt dat met de door eiser aangeleverde informatie voor wat betreft het gebruik als bouwmarkt wellicht is aangetoond dat er detailhandel plaatsvond, maar stelt dat deze detailhandel ondergeschikt was aan de groothandelsactiviteiten op het perceel.\n\nBeoordeling rechtbank2.11.. \n\nIn het kader van de beslissing op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen het planologische regime na de inwerkingtreding van de wijziging, waarvan wordt gesteld dat deze schade heeft veroorzaakt, en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologisch regime. In die vergelijking neemt het bij een bestemmingsplan behorende overgangsrecht een speciale plaats in. Dit overgangsrecht strekt tot bescherming van een op grond van het oude planologische regime bestaande situatie die afwijkt van de nieuwe bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. Dat die situatie niet past binnen de nieuwe bestemmingsregeling, betekent dat wordt beoogd om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode, zoals de Afdeling onder meer bij uitspraak van 12 februari 1997 (AB 1997, 232) heeft overwogen. Die situatie mag dan voorlopig blijven bestaan. De bescherming van een overgangsregeling reikt echter minder ver dan de mogelijkheden die een positieve bestemming geeft.\n\nIn voormelde uitspraak van 12 februari 1997 heeft de Afdeling voorts overwogen dat de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan van een andere orde zijn dan de bestemmingsvoorschriften en dat het niet is toegestaan om een vergelijking te maken tussen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude planologische regime en de mogelijkheden ingevolge de bestemmingsvoorschriften van het nieuwe planologische regime. De mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude regime worden niet betrokken bij het antwoord op de vraag of het nieuwe regime een planologische verslechtering voor de aanvrager betekent. Hetzelfde geldt, in beginsel, voor de schadetaxatie, omdat deze plaatsvindt op basis van de planvergelijking. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:856 volgt dat deze hoofdregel bij de beoordeling van vermogensschade, als in dit geval, onverkort van toepassing is.\n\n2.12.. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 34a van de wijziging als overgangsrecht worden aangemerkt, nu het gaat om een uitsterfregeling, aangezien in de aard van het gebruik geen wijziging mag worden aangebracht. Hoewel verweerder op zitting heeft aangegeven dat deze bepaling niet als overgangsrecht moet worden gezien, neemt verweerder daarmee een ander standpunt in dan waar in het bestreden besluit vanuit wordt gegaan. Zo wordt artikel 34a van de wijziging in het besluit zelf, maar ook in het onderliggende SAOZ-advies van mei 2018 specifiek aangemerkt als overgangsrecht. Omdat het artikel moet worden aangemerkt als overgangsrechtelijke bepaling moet het bij de planvergelijking buiten de vergelijking worden gehouden.\n\n2.13.. De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat bij een maximale planologische invulling het gebruik voor detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, op grond van het gebruiksverbod in artikel 23 van de wijziging verboden is.\n\n2.14.. Nu er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen reden is om een uitzondering te maken op de hoofdregel zoals genoemd in overweging 2.12, volgt dat de detailhandelsfuncties, zelfs al zouden zij onder het overgangsrecht van artikel 34a van de wijziging zijn toegestaan, niet als maximale planologische mogelijkheden onder de oude planologie mochten worden meegenomen bij de planvergelijking. Nu verweerder de bloemenshop als passend onder het overgangsrecht van artikel 34a heeft meegenomen in de planvergelijking, is de planvergelijking op dit punt gebrekkig.”\n\nConclusie planvergelijking\n\n5. De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze overwegingen terug te komen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.\n\nInschakeling STAB\n\n6. De rechtbank heeft, om een finaal oordeel over dit geschil te geven, de STAB als deskundige benoemd en haar in overleg met partijen de volgende vragen voorgelegd:\n\n1. Heeft de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot Sypel”, rekening houdend met de conclusies in de heropeningsbeslissing van 30 juni 2021 van de rechtbank, geleid tot een planologische verslechtering ten opzichte van het voorgaande planologische regime voor de onroerende zaak van eiser?\n\n2. Zo ja, heeft deze planologische verslechtering op de waardepeildatum geleid tot een waardevermindering van de onroerende zaak?\n\n3. Zo ja, komt deze waardevermindering voor vergoeding in aanmerking?\n\n4. In hoeverre is er met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot-Sypel -\n\nVerkeersweg 3” sprake van compensatie in natura?\n\nSTAB-advies\n\n7. De STAB heeft een vergelijking gemaakt tussen de maximale gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van het oude planologische regime (het “Uitbreidingsplan in onderdelen van de gemeente Harderwijk 54” in combinatie met het “Uitbreidingsplan in onderdelen van de gemeente Harderwijk 55” ,de “Herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen van de gronden ten oosten van de Verkeersweg” en de herziening “Wijziging voorschriften detailhandel Industrieterrein”) en de maximale gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel”.\n\nPlanvergelijking7.1.. \n\nDe STAB concludeert dat het nieuwe planologische regime ten opzichte van de oude situatie enerzijds heeft geleid tot een planologisch voordeel, nu de gronden in het geheel voor detailhandel mogen worden gebruikt. Daarentegen is er ook planologisch nadeel ontstaan omdat er voorheen een zeer ruime bedrijfsbestemming bestond die nu is ingeperkt tot detailhandel waarbij slechts specifiek benoemde detailhandel op specifiek aangeduide locaties is toegestaan. Dit is ten opzichte van de oude planologische situatie een forse beperking van de gebruiksmogelijkheden. Daar komt bij dat de genoemde detailhandel alleen ter plaatse van het bouwvlak is toegestaan en niet buiten dit bouwvlak.\n\nOok is sprake van een beperking van de bouwmogelijkheden omdat de toegelaten oppervlakte aan bebouwing is verkleind van circa 5.500 m² naar circa 3.027,5 m² en de bouwhoogte is verlaagd van 15 meter naar 10 meter. Hierdoor is een bouwvolume van maximaal 29.925 m³ mogelijk terwijl voorheen naar schatting een bouwvolume van maximaal circa 82.500 m³ mogelijk was. Bovendien is in de nieuwe situatie de realisatie van een bedrijfswoning niet meer mogelijk. Deze wijziging heeft volgens de STAB voor eiser per saldo geleid tot een planologische verslechtering.\n\nDe planvergelijking is in het advies als volgt weergegeven:\n\n7.2.. Taxateur drs. J.Z. van 't Hul MRICS RT— CIS HypZert (MLV) van Cushman en Wakefield (hierna: de taxateur) heeft de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] aan de hand van deze planvergelijking in de oude planologische situatie getaxeerd op € 1.360.000 en in de nieuwe planologische situatie op € 960.000. Uit de taxaties blijkt dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot Sypel” voor eiser heeft geleid tot planschade in de vorm van een waardevermindering van de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] ter hoogte van € 400.000.\n\nActieve en passieve risicoaanvaarding7.3.. De STAB concludeert dat er geen sprake is van actieve risicoaanvaarding. Voor wat betreft passieve risicoaanvaarding overweegt de STAB dat eiser in verband met het voorontwerp-bestemmingsplan tussen 11 oktober 2012 en 20 december 2012 kennis kon hebben van het vervallen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden en een bouwvergunning had kunnen aanvragen om de maximale bouwmogelijkheden te realiseren. Deze periode van 2 maanden is volgens de STAB, gelet op de bestaande bebouwings- en verhuursituatie en de voorbereidingstijd die nodig is, te kort om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor bouwen aan te vragen of een nieuwe huurder te zoeken, zodat aan eiser geen passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen.\n\nNormaal maatschappelijk risico7.4.. De STAB gaat in het advies uit van een aftrek van 2 % wegens normaal maatschappelijk risico. Omdat de oude waarde op € 1.360.000 is getaxeerd, bedraagt de aftrek € 27.200 (2 % van € 1.360.000). Rekening houdend met deze vermindering, bedraagt het bedrag dat voor tegemoetkoming in planschade in aanmerking komt € 372.800.\n\nCompensatie in natura in verband met bestemmingsplan Groot-Sypel -Verkeersweg 37.5.. \n\nNaar aanleiding van het advies van de SAOZ heeft de gemeenteraad van Harderwijk op 23 november 2017 het bestemmingsplan “Groot-Sypel -Verkeersweg 3” vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 18 januari 2018 in werking getreden.\n\nIn dit bestemmingsplan is de formulering van de regels voor de bestemming “Bedrijf” gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat ter plaatse van de aanduidingen voor de wasstraat, werkplaats, bouwmarkt, bloemenwinkel en de broodjeszaak niet meer uitsluitend deze functies zijn toegestaan, maar deze functies én de bedrijven die zijn opgenomen in de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging' van het bestemmingsplan “Groot Sypel”.\n\nDaarnaast is voor wat betreft de bouwmogelijkheden het bouwvlak aan de noordzijde vergroot en is het maximum bebouwingspercentage komen te vervallen.\n\nDe STAB is naar aanleiding van vraag 4 van de rechtbank ingegaan op dit bestemmingsplan en geeft aan dat door de gebruikswijziging het aantal toegelaten bedrijven op het perceel aanzienlijk is uitgebreid in vergelijking met de gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan “Groot Sypel” bood. Ook de bouwmogelijkheden zijn uitgebreid tot een oppervlakte en bouwvolume van ongeveer 5.000 m² en 50.000 m³.\n\nDit ziet er in tabelvorm als volgt uit:\n\nVolgens de STAB hebben de verruiming van de gebruiksmogelijkheden en de vergroting van de bebouwingsmogelijkheden voor eiser geleid tot een planologische verbetering.\n\n7.6.. De taxateur heeft met inachtneming van deze planvergelijking een nieuwe taxatie verricht. Hij heeft de onroerende zaak in de oude planologische situatie direct vóór de peildatum van 18 januari 2018 getaxeerd op € 1.170.000. Hij heeft deze onroerende zaak in de nieuwe planologische situatie per peildatum van 18 januari 2018 getaxeerd op € 1.370.000. Uit de taxaties blijkt dat de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Groot-Sypel - Verkeersweg 3” voor eiser heeft geleid tot een waardevermeerdering van de onroerende zaak aan de Verkeersweg 3 te [plaats D] ter hoogte van € 200.000. Door deze compensatie in natura resteert een bedrag van € 172.800 (€ 372.800 - € 200.000) aan tegemoetkoming in planschade.\n\nPlanvergelijking (bebouwingspercentage)\n\n8. Het college is het niet eens met de planvergelijking en betoogt dat de STAB de bouwmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan “Groot Sypel” heeft onderschat. Volgens het college geldt het maximale bebouwingspercentage van 75% op grond van de definitie van “bebouwingspercentage” in artikel 1.10 van de planregels niet voor het bouwvlak, maar voor het bouwperceel. Het nieuwe bestemmingsplan staat daarom een grotere oppervlakte aan gebouwen toe dan waar de STAB van is uitgegaan.\n\n8.1.. \n\nIn artikel 3.2, onder a van de planregels staat het volgende:\n\n“Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:\n\n1. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;\n\n2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' bedraagt het bebouwingspercentage niet meer dan het aangegeven percentage;”\n\nIn artikel 1.10 is “bebouwingpercentage” als volgt gedefinieerd:\n\n“het in de regels aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.”\n\nIn artikel 1.24 is “bouwperceel” als volgt gedefinieerd:\n\n“een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.”\n\n8.2.. \n\nUit de bouwregel volgt dat ter plaatse van het aanduidingsvlak het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan het aangegeven percentage. In dit geval is dat 50 en 75 %. Deze bouwregel kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan dat het bebouwingspercentage is gekoppeld aan het aanduidingsvlak op de plankaart, en niet aan het (gehele) bouwperceel. De definitie van “bebouwingspercentage” is hiermee niet in tegenspraak, nu uit deze definitie volgt dat het bebouwingspercentage ook kan zijn gekoppeld aan een deel van het bouwperceel. Een deel van een bouwperceel kan ook een specifiek aanduidingsvlak zijn.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nTaxatie onder het oude planologische regime\n\n9. Het college stelt zich, onder verwijzing naar een reactie van de SAOZ van 13 oktober 2022, op het standpunt dat de waarde van het perceel onder het oude bestemmingsplan door de taxateur te laag is getaxeerd. De SAOZ geeft aan dat een marktwaarde van € 44 per m² te hoog is. Volgens de SAOZ zijn drie van de zes gehanteerde vergelijkingsobjecten (Handelsweg 4, Van Leeuwenhoekstraat 10 en Drielandendreef 34) onvoldoende representatief. Als deze objecten buiten beschouwing worden gelaten, moet worden geconcludeerd dat de representatieve huur van algemene bedrijfsruimte per m² gelegen moet zijn in een maximale bandbreedte van € 37 tot € 43 per m². De SAOZ geeft daarnaast aan dat een grote vloeroppervlakte resulteert in een lagere huurprijs per m², wat ook uit de tabel kan worden herleid. Volgens de SAOZ moet dat er toe leiden dat een representatieve huurprijs per m² meer in de orde van € 37 tot maximaal € 40 per m² moet worden vastgesteld.\n\nDe SAOZ geeft daarnaast aan dat het aanvangsrendement onjuist is. Het is gebruikelijk om voor een algemene bedrijfsruimte als de Verkeersweg 3 een aanvangsrendement te hanteren dat ten minste 2% hoger ligt dan het aanvangsrendement van een detailhandelsfunctie.\n\n9.1.. Zoals de Afdeling in overweging 8.11 van de overzichtsuitspraak heeft overwogen kan de bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend toetsen.Daarbij is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen. De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen.\n\n9.2.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de taxateur op zorgvuldige wijze verslag gedaan van zijn taxatie. In het taxatierapport heeft de taxateur inzichtelijk gemaakt welke factoren hij bij zijn taxatie heeft betrokken, welke referentieobjecten hij heeft gehanteerd en op welke punten deze referentieobjecten beter of minder zijn dan het perceel Verkeersweg 3. Dat drie van de zes opgevoerde referentieobjecten zich volgens het college niet goed laten vergelijken en dat is uitgegaan van een te laag aanvangsrendement, daargelaten of dit klopt, brengt op zichzelf niet met zich dat de taxatie op basis van verkeerde uitgangspunten heeft plaatsgevonden. Zoals hierboven is overwogen, spelen kennis, ervaring en intuïtie bij taxatie een rol, en er zijn in de taxatie meer factoren en vergelijkingsobjecten meegenomen dan waar het college gronden tegen heeft aangevoerd.\n\nDe rechtbank ziet in hetgeen het college naar voren heeft gebracht over het taxatierapport daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het rapport zodanige gebreken bevat, dat het niet kan worden gevolgd.\n\nActieve risicoaanvaarding\n\n10. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van actieve risicoaanvaarding. Volgens het college volgt uit de ontwerp-structuurvisie Groot Sypel, die vanaf 25 augustus 2021 gedurende 6 weken ter inzage heeft gelegen, dat een redelijk denkend en handelend koper\u002Feigenaar er op basis van deze structuurvisie rekening mee had moeten houden dat de planologische mogelijkheden zouden worden beperkt tot de bestaande situatie en dat uitbreidingsmogelijkheden zouden komen te vervallen. Het was volgens het college gelet op de passages op pagina 23, 31 en 33 van de structuurvisie duidelijk dat de huidige functies volgens het gemeentebestuur niet wenselijk waren en dat op termijn ingezet zou worden op een herontwikkeling tot woningbouw.\n\n10.1.. In artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is bepaald dat burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak betrekken.\n\n10.2.. \n\nDe voorzienbaarheid van een planologische wijziging moet beoordeeld worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld op het moment van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij moet rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.\n\nIndien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling op het moment van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard.\n\n10.3.. \n\nIn de kennisgeving wordt anders dan het college aangeeft niet gesproken over een ontwerp-structuurvisie, maar over een concept-structuurvisie. Ook op het voorblad staat “Concept gebiedsgerichte structuurvisie Groot Sypel”. Een concept-structuurvisie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen. In de conceptfase van een structuurvisie zal een redelijk denkend en handelend koper rekening houden met de mogelijkheid dat die structuurvisie gewijzigd wordt vastgesteld.\n\nDe structuurvisie is pas vastgesteld op 2 februari 2012. Dit is na de (volledige) verkrijging van het eigendom door eiser, zodat actieve risicoaanvaarding niet aan eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank is het daarnaast met de STAB eens dat de structuurvisie ziet op de herontwikkeling naar woningbouw en dat hieruit niet volgt dat bestaande onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden zullen worden wegbestemd, zodat ook daarom aan eiser geen actieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nPassieve risicoaanvaarding\n\n11. Het college stelt zich ook op het standpunt dat er sprake is van passieve risicoaanvaarding. Volgens het college had eiser vanaf 25 augustus 2011 tot 20 december 2012 de mogelijkheid om de planologische mogelijkheden te benutten door bijvoorbeeld het indienen van een bouwaanvraag. Deze periode is nog langer voor de gebruiksmogelijkheden omdat de aanhoudingsplicht als gevolg van het ontwerp-bestemmingsplan niet aan gebruikswijzigingen in de weg staat. Eiser kon daarom tot juni 2013 gebruikswijzigingen doorvoeren. Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:409) en heeft op de zitting ook nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2541).\n\n11.1.. \n\nVoor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op diens perceel zouden vervallen passief heeft aanvaard, is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren.\n\nVoor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.\n\nIndien wordt geoordeeld dat de nadelige planologische wijziging voorzienbaar was, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen. Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en indien geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.\n\n11.2.. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de (concept)structuurvisie geen concreet beleidsvoornemen op grond waarvan voor eiser aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin, zodat voor risicoaanvaarding niet moet worden uitgegaan van de datum van 25 augustus 2012 (concept-structuurvisie) of 2 februari 2012 (vastgestelde structuurvisie), maar van de datum van het voorontwerp-bestemmingsplan.\n\n11.3.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen knip kan worden gemaakt tussen de bouw- en de gebruiksmogelijkheden. De benutting van de maximale bouwmogelijkheden hangt onlosmakelijk samen met de gebruiksmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan, aangezien de aanvraag op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wabo moet worden aangehouden als het aangevraagde bouwwerk in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan. Het is ook vaste jurisprudentie dat van een redelijk denkende en handelende eigenaar niet kan worden verwacht een bouwplan op te stellen en in te dienen, wetende dat een besluit op een aanvraag om bouwvergunning moet worden aangehouden en dat er een grote kans bestaat op voortzetting van de voorbereidingsbescherming.De door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022 maakt het voorgaande niet anders, want in die zaak waren enkel de gebruiksmogelijkheden verslechterd, en niet de bouwmogelijkheden.\n\nDe rechtbank ziet daarom geen aanleiding om voor passieve risicoaanvaarding een langere termijn aan te houden dan de door de STAB gehanteerde termijn van 2,5 maanden tussen het voorontwerp-bestemmingsplan en het ontwerp-bestemmingsplan.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is deze periode van 2,5 maanden te kort om concrete pogingen te ondernemen tot verwezenlijking van de planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden. Aan eiser kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij geen aanvraag heeft ingediend om de bouw- en gebruiksmogelijkheden nog maximaal te benutten. Daar komt bij dat op dat moment sprake was van een bestaand huurcontract.\n\nIn de door het college aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 9 februari 2022 en 24 juli 2019 was sprake van een veel langere periode waarin de aanvrager concrete benuttingspogingen kon ondernemen, namelijk respectievelijk één jaar en één jaar en vier maanden. Deze uitspraken zijn daarom niet vergelijkbaar.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\nCompensatie in natura\n\n12. Het college stelt dat de STAB een onjuiste systematiek heeft gehanteerd. Volgens het college dient bij de vraag of er sprake is van compensatie in natura primair beoordeeld te worden of de bouw- en gebruiksmogelijkheden met de vaststelling van het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” weer zijn terugbestemd. Is dat het geval dan is de schade in natura gecompenseerd en is het niet nodig om de waarde van het perceel opnieuw te taxeren. Het college stelt dat de door de STAB gehanteerde systematiek ertoe leidt dat, ondanks dat eerder vervallen mogelijkheden volledig zijn terugbestemd, toch planschade als gevolg van het eerder vervallen van deze mogelijkheden overblijft. Volgens het college is met het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” sprake van een volledige compensatie in natura.\n\n12.1.. \n\nIn het rapport van de STAB is ingegaan op het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3”. De STAB heeft overwogen dat met dit bestemmingsplan niet alle vervallen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn hersteld, zodat er nog steeds sprake is van planologisch nadeel. Van volledige compensatie in natura is daarom – anders dan het college betoogt – geen sprake. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat de STAB in het rapport van een verkeerde systematiek is uitgegaan.\n\nDe rechtbank ziet op dit punt geen aanleiding om het deskundigenadvies niet te volgen.\n\n13. Het standpunt van eiser dat de compensatie in natura geen onderdeel uitmaakt van de omvang van het geschil volgt de rechtbank niet. Door het bestemmingsplan “Groot Sypel – Verkeersweg 3” buiten beschouwing te laten zou eiser immers twee maal worden gecompenseerd voor zijn planologisch nadeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nOver finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft in zijn reactie en op de zitting aangegeven de schade (nogmaals) in natura te willen compenseren.\n\nCompensatie in natura is in beginsel niet onredelijk. Het bestuursorgaan mag bij het tegemoetkomen in de schade uitgaan van de wijze van compenseren die de laagste kosten met zich brengt. De vergoeding moet namelijk in dit geval uit schaarse publieke middelen worden bekostigd.In zijn reactie en op de zitting heeft het college echter niet concreet gemaakt waaruit de compensatie dan zou bestaan. De enkele verwijzing naar een kruimelgevallenafwijking die zou zijn verleend, maar niet is overgelegd, is onvoldoende omdat onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, de waarde van het perceel als gevolg van deze kruimelgevallenafwijking zal toenemen.\n\nOmdat het college de (tweede) compensatie in natura naar het oordeel van de rechtbank niet concreet heeft gemaakt en hij al een eerdere poging heeft gedaan om tot compensatie in natura over te gaan, wat gedeeltelijk is gelukt, ziet de rechtbank geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\nDe rechtbank neemt daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing door te bepalen dat aan eiser een tegemoetkoming in planschade van € 172.800 wordt toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat deze planschadeprocedure al geruime tijd duurt; het schadeveroorzakende plan dateert uit 2013.\n\nProceskosten en griffierecht14.1.. \n\nOmdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.394,25 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek en 1 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 837). Voor de vaststelling van de wegingsfactor merkt de rechtbank het gewicht van de zaak, gelet op de complexiteit daarvan, als ‘zwaar’ aan.\n\nDe deskundigenkosten voor de taxaties die voorafgaand aan de aanvraag zijn verricht komen niet voor vergoeding in aanmerking. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt namelijk dat onder redelijkerwijs gemaakte kosten als bedoeld in artikel 6.5, onder a, van de Wro geen kosten vallen die een aanvrager maakt vóór het indienen van de aanvraag.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 5 maart 2019;\n\n- bepaalt dat het college aan eiser als tegemoetkoming in planschade een bedrag van € 172.800, te vermeerderen met de wettelijke rente, betaalt;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 174,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 4.394,25 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2023\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.\n\n Zie overweging 5.23 en 5.24 van de overzichtsuitspraak.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:282, r.o. 11.1.\n\nZie overwegingen 5.32 – 5.34 uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.\n\n Zie overweging 5.37 uit de overzichtsuitspraak\n\n Zie overweging 7.1 de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:615).\n\n Zie overweging 2.8.1 uit de uitspraak van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1032).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2023:4236","2023-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.045Z",20]