[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-asylum-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":121,"limit":122},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2025-09-24T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,49,56,63,71,80,88,96,105,113],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"656","ECLI:NL:RBDHA:2026:18521","ecli-nl-rbdha-2026-18521","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.33159\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.L. Saija),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de door eiser gestelde problemen met zijn oom namelijk terecht ongeloofwaardig geacht. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek, waardoor de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Guinee problemen heeft gehad met zijn oom [naam oom 1] (oom). Zowel eiser als zijn vader zijn van gemengde etniciteit en dat werd in de familie niet geaccepteerd. De vader van eiser is om die reden bedreigd en uiteindelijk in opdracht van de oom tijdens een voetbalwedstrijd vermoord. Eiser heeft toen samen met een vriend van zijn vader een onderzoek laten opstarten zodat de daders opgepakt konden worden. Naar aanleiding daarvan werd ook hij bedreigd. De vriend van zijn vader is door het instellen van dit onderzoek verdwenen. Eiser heeft toch aangifte gedaan en is vervolgens mishandeld door zijn oom. Zijn oom heeft een hoge functie bij de militaire politie en uiteindelijk is eiser opgesloten in een politiecel. Daar is hij gemarteld. Met hulp van een vriend en een bewaker is eiser ontsnapt en vervolgens gevlucht uit Guinee. Eiser vreest dat hij bij terugkeer weer opgepakt en gemarteld zal worden door zijn oom.\n\n3.1.. Ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag en het naar voren brengen van zijn zienswijze heeft eiser geen documenten ter staving van zijn asielaanvraag overgelegd. In de beroepsprocedure is door eiser wel een document overgelegd. Dit betreft een vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van zijn vader. Hierin wordt bevestigd dat de vader van eiser tijdens etnisch geweld om het leven is gekomen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n- identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- problemen met oom.\n\nHet eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig, maar het tweede asielmotief is ongeloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met objectieve documenten, dus heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat niet voldaan is aan artikel 31, zesde lid, onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Eiser heeft volgens de minister namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en zijn verklaringen over het asielmotief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.\n\nIs de geloofwaardigheidsbeoordeling in WI 2024\u002F6 in strijd met het Unierecht?\n\n5. De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste, en in de WI 2024\u002F6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, slaagt niet. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraken van 25 juni 2025en 8 september 2025. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\nMocht de minister de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig achten?\n\nStap 2a – onderbouwing met documenten\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief dat hij problemen heeft ondervonden met zijn oom, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zijn asielaanvraag is ten onrechte afgewezen.\n\n6.1.. Niet is in geschil dat eiser het asielmotief met betrekking tot de problemen met zijn oom niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026.\n\nGeen oprechte inspanning om de aanvraag met documenten te staven (voorwaarde a)\n\n7. Eiser betoogt dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eisers verklaringen zijn namelijk niet beoordeeld in onderlinge samenhang met het door hem in beroep overgelegde document, namelijk de (vervangende) overlijdensakte van zijn vader. De minister had aanleiding moeten zien om de overlijdensakte te laten onderzoeken door Bureau Documenten en integraal bij zijn verklaringen te betrekken en te laten meewegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij heeft eiser betoogd dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij de overlijdensakte niet eerder heeft overgelegd. Een vriend van zijn vader zou het regelen maar hij heeft lange tijd geen contact kunnen krijgen met deze vriend.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielrelaas en zijn asielmotieven met objectieve documenten te staven. Eiser heeft gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag ruim de mogelijkheid gehad om dit document in te brengen. Niet is gebleken dat eiser zich hier tijdig voor heeft ingespannen. Pas na de beslissing op zijn asielaanvraag is verzocht om een afgifte van een bewijs van overlijden van zijn vader, terwijl eiser tijdens het nader gehoorzelf verklaart dat een vriend van zijn vader hier al een geruime tijd mee bezig is. Dat eiser stelt geen contact te krijgen, komt voor zijn rekening en risico. De minister mag eiser daarom aanrekenen dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om eerder in het bezit te komen van deze documenten. Onder 10.1 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het in de beroepsfase overlegde vonnis met betrekking tot het overlijden van de vader van eiser alsnog integraal bij de verklaringen van eiser moet betrekken en meewegen.\n\nVerklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c)\n\n8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn asielmotief is daarom onterecht ongeloofwaardig geacht. In de eerste plaats heeft de minister ten onrechte geen integrale beoordeling verricht van eisers verklaringen, ook in samenhang met de in beroep overgelegde bevestiging van overlijden van zijn vader. Daarnaast is de minister er met betrekking tot de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping uit de politiecel ten onrechte van uitgegaan dat eiser heeft verklaard over één bewaker bij de gevangenis waarin hij was opgesloten. Eiser heeft het gehad over een plan van één bewaker en heeft niet gezegd dat de bewaking slechts uit één bewaker bestond. Hierbij verwijst eiser naar het nader gehoorwaaruit blijkt dat, anders dan de minister stelt, niet tweemaal is gevraagd of slechts één bewaker aanwezig was. Verder bedoelde eiser met de relatie tussen zijn oom en de jongens dat de jongens in dienst waren bij de politie en onder het gezag van eisers oom vielen. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij problemen heeft ondervonden van een andere oom, namelijk [naam oom 2] (de andere oom). De minister had nadere vragen moeten stellen over deze oom en de rol die hij heeft gespeeld bij de moord op zijn vader. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Voor het overige verwijst eiser naar hetgeen hij in zijn zienswijze heeft gesteld.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiser met zijn verwijzing naar de zienswijze in de beroepsgronden, de standpunten van de minister in het bestreden besluit niet gemotiveerd heeft bestreden of betwist. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan.\n\nVerklaringen over andere oom8.2.. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard over een andere oom. Die andere oom werd door eiser omschreven als een extremist en als degene die zijn oom feitelijk de opdracht heeft gegeven zijn vader om te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het bevreemdend is dat eiser tijdens het nader gehoor in het geheel niet over deze andere oom spreekt. Pas op het einde van het nader gehooris het de gehoormedewerker zelf die eiser confronteert met zijn uitlatingen in het aanmeldgehoor en hem vraagt waarom eiser zijn andere oom geen enkele keer heeft genoemd. De stelling van eiser dat de minister hierop had moeten doorvragen, treft dan ook geen doel. Verder heeft eiser in zijn vrije relaas ook geen melding gemaakt van zijn andere oom. Van eiser mag verwacht worden dat hij, indien hij (ook) problemen heeft met deze oom en hierdoor asiel aanvraagt, dit in het vrije relaas naar voren brengt.\n\nEtniciteit ouders8.3.. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser in het aanmeldgehoor ongerijmd heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Eerst verklaart hij dat beide ouders de Koyanke etniciteit hebben. Later heeft eiser echter verklaard dat zijn moeder Gelzé is. Dit is tegenstrijdig. De rechtbank acht dit van groot belang gezien het feit dat eisers ouders een andere etniciteit zouden hebben de kern betreft van zijn asielrelaas.Juist het feit dat zijn ouders een verschillende etniciteit hebben zou de oorzaak van de problemen zijn geweest en de reden waarom de oom van eiser zijn vader heeft laten ombrengen. Dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders, plaatst zijn overige verklaringen in een ander licht en werkt dan ook integraal door in de geloofwaardigheid en de aannemelijkheid daarvan.\n\nOntsnapping uit de gevangenis8.4.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ook terecht op het standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn ontsnapping uit de gevangenis. Eiser heeft in het nader gehoorverklaard dat de bewaker van de gevangenis het plan had om veel (alcohol) te gaan drinken zodat eiser de sleutel gewoon zou kunnen pakken. De minister stelt hierover terecht dat niet valt in te zien dat een bewaker bewust gevangenen laat ontsnappen om vervolgens een kennelijke staat van dronkenschap op te geven als verklaring voor zijn gebrek aan alertheid. Zeker niet nu niet duidelijk is geworden wat die bewaker daarvoor in ruil kreeg aangeboden. Verder heeft eiser verklaard dat hij de sleutel van de bewaker kon pakken om te ontsnappen, terwijl eiser ook verklaart dat de deur ‘kapot was gemaakt’ en dat iedereen begon te rennen.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt eiser echter wél terecht dat uit zijn verklaringen in het nader gehoor niet kan worden opgemaakt dat hij heeft verklaard dat er slechts één bewaker was voor het gehele gevangeniscomplex. Dit leest de rechtbank ook niet zo terug in het verslag van het nader gehoor. Op de verduidelijkende vragen van de gehoormedewerker of er geen andere bewakers achter eiser aankwamen en of het om één bewaker ging, heeft eiser geantwoord dat het een plan was van één bewaker.Daarin leest de rechtbank niet, zoals de minister stelt, dat eiser heeft verklaard dat er maar één bewaker was voor de hele gevangenis. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hieronder onder 9 en verder bespreken wat de gevolgen hiervan zijn voor het bestreden besluit en de afwijzing van eisers asielaanvraag.\n\nDe rol van oom8.5.. Eiser betoogt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat niet duidelijk is wie die jongens zijn die zijn vader hebben gedood en eiser hebben bedreigd. Eiser heeft in het nader gehoor duidelijk uiteengezet dat het gaat om jongens die werken onder het gezag van zijn oom en die door zijn oom worden aangestuurd. Er is daarom ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is vanwege de twee onterechte tegenwerpingen gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nArrest Ebilum\n\n9. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter volgens dit arrest een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichtenen niet behoeft terug te verwijzen naar de minister als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in onderhavige zaak sprake is en zal dat hierna toelichten.\n\nKan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?\n\n10. Naar het oordeel van de rechtbank maken de twee onterechte tegenwerpingen door de minister niet dat het asielmotief van eiser alsnog geloofwaardig moet worden geacht of dat de minister een nieuw onderzoek naar de feiten moet verrichten. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Zoals overwogen onder 8.3 komt aan deze tegenstrijdigheid veel gewicht toe, nu juist het hebben van een verschillende etnische achtergrond van de (groot)ouders van eiser de basis vormt voor de rest van eisers verklaringen over het conflict met zijn oom en de moord op zijn vader. Deze tegenwerping raakt daarmee de kern van het asielrelaas. Verder heeft eiser niets verklaard over de andere oom terwijl die andere oom juist degene zou zijn geweest die op de achtergrond de initiator is geweest van het tegen de vader van eiser gerichte geweld. Ook dit raakt de kern van het asielrelaas. Tot slot heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn ontsnapping, waarbij een bewaker bewust dronken zou zijn geworden zodat eiser kon ontsnappen. Ter zitting heeft de minister gesteld dat deze tegenwerpingen, die niet zijn bestreden, voldoende zijn voor het oordeel dat het asielmotief niet geloofwaardig is. Hieruit volgt dat het wegvallen van de twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zou maken. De rechtbank onderschrijft dit standpunt.\n\n10.1.. Alles in onderlinge samenhang wegend oordeelt de rechtbank dat de minister het asielmotief problemen met de oom terecht ongeloofwaardig heeft verklaard. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om het document vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van de vader van eiser, dat in de beroepsfase is overgelegd, alsnog te laten onderzoeken en te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Uit het document blijkt enkel dat de vader van eiser is overleden. De rol van de oom van eiser bij de dood van eisers vader kan hieruit niet worden afgeleid. De minister hoeft aan dit stuk dan ook niet meer belang te hechten dan dat aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiser door geweld om het leven is gekomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd worden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat zij oordeelt dat de overige tegenwerpingen de ongeloofwaardigheid van het asielmotief en daarmee de afwijzing van eisers asielaanvraag kunnen dragen. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.\n\n11.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per handeling met een waarde per punt van €934,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 14 juli 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,- .\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.\n\n Pagina 17 van het nader gehoor.\n\n Pagina 18 van het nader gehoor.\n\n Pagina 21 van het nader gehoor.\n\n Pagina 4 en pagina 7 van het aanmeldgehoor.\n\n Pagina 19 van het nader gehoor.\n\n Pagina 8 van het nader gehoor.\n\n Pagina 19 van het nader gehoor.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, punt 45. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, r.o. 7.4.\n\n Punt 49 en 50.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18521","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.515Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"707","ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","ecli-nl-rbdha-2026-18471","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42251\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Aden in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20, terecht voor de provincie Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025\u002F20 voor de provincie Aden terecht niet is uitgegaan van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat het besluit was gebaseerd op het eerdere landgebonden asielbeleid (WBV 2024\u002F9) dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar heeft geacht. Pas na het aanvullen van de motivering in beroep heeft de minister het besluit deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wegens discriminatie verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar Jemen het individueel het risico loopt het slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.\n\n1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2), gevolgd door een weergave van het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4). Daarna gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde discriminatie (5), zijn vrees voor rekrutering (6), de vrees vanwege zijn deelname aan een protest en een bijeenkomst in Nederland (7) en zijn vrees wegens zijn verblijf in het buitenland (8). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 9 tot en met 14 of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister een volledige beoordeling heeft verricht, of de minister voor de provincie Aden in Jemen terecht niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser. Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 4 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 23 december 2024 en 12 maart 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 4 december 2025 en 13 maart 2026 verweerschriften ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser komt uit Jemen. Hij is op [geboortedag] 1995 geboren in het dorp [geboortedorp], dat deel uitmaakt van het district Asabeh, in de provincie Taiz. In 2013 is hij gaan studeren in de stad Taiz en verbleef tot 2015 wisselend in Taiz en zijn geboortedorp. Tussen 2016 en 2020 heeft eiser in verband met studie in Sanaa gewoond. Na zijn studie is eiser in 2020 in Aden gaan wonen, waar hij verbleef tot aan zijn vertrek uit Jemen in 2023.\n\nKort samengevat heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de ondervonden discriminatie in Aden (vanwege zijn afkomst uit Taiz) en vanwege de oorlog. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij vreest te worden gerekruteerd door een van de strijdende partijen in Jemen. Hij stelt in dit verband dat de Islah-militie hem twee keer heeft geprobeerd te rekruteren en dat zij na zijn vertrek uit Jemen in 2024 twee keer bij zijn ouders langs zijn geweest om hem te rekruteren. Daarnaast heeft hij gewezen op het risico bij terugkeer vanwege zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland en het lange verblijf in Nederland.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De ondervonden discriminatie op grond van zijn afkomst uit Taiz vindt de minister ook geloofwaardig, maar deze is volgens hem onvoldoende zwaarwegend. De gestelde rekruteringspogingen acht de minister deels niet geloofwaardig en met de poging in 2016 die hij wel geloofwaardig acht is niet aannemelijk gemaakt dat eiser nu nog bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Aden, dat volgens de minister als eisers laatste woonplaats moet worden aangemerkt, heeft de minister een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met specifieke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.\n\nHeeft de minister de gestelde discriminatie in Aden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?\n\n5. Eiser betoogt dat het standpunt van de minister over de in Aden ondervonden discriminatie in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft de omstandigheden waaronder eiser in Aden moest leven gebagatelliseerd. De minister acht ook ten onrechte van belang dat eiser zonder problemen tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen. Dat ziet namelijk op een andere periode (vóór 2020) en op een andere locatie (Taiz) dan de problemen waar eiser op doelt, namelijk discriminatie in Aden vanwege zijn afkomst uit Taiz nadat hij daar ging werken. Vanuit Aden kon eiser alleen naar zijn ouders in Taiz reizen met hulp van een chauffeur\u002Fsmokkelaar die ook geld betaalde bij controleposten. Evenmin kon hij op de normale manier een paspoort krijgen; hij had daar een tussenpersoon voor nodig.\n\n5.1.. In geschil is of eiser met de door hem aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie moet worden aangemerkt als daad van vervolging. Hiervan is volgens paragraaf C2\u002F3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, sprake als hij door deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat van een zodanige situatie geen sprake is. Eiser heeft niet betwist dat hij in Aden beschikte over huisvesting en sinds 2020 in zijn levensonderhoud voorzag door te werken als assistent accountant bij het instituut [instituut] in [plaats]. Dit wijst er niet op dat eiser niet op normale wijze aan de Jemenitische samenleving kon deelnemen. Dat leden van de Zuidelijke Transitieraad (STC) hem en anderen regelmatig lastigvielen op zijn werk, neemt niet weg dat eiser deze werkzaamheden jarenlang heeft kunnen verrichten. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij persoonlijk geen problemen ondervond.Dat eiser uit angst voor checkpoints en de veiligheidssituatie weinig buiten zijn werkomgeving kwamheeft de minister terecht onvoldoende geacht voor een ander oordeel. De minister neemt ook terecht in aanmerking dat eiser documenten, zoals een paspoort en een identiteitskaart, kon verkrijgen. Dat eiser deze documenten, zoals hij stelt, via een tussenpersoon heeft geregeld, doet er niet aan af dat hij ze uiteindelijk wel heeft kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat deze verklaring over de wijze van verkrijging van de documenten niet overeenkomt met eisers eerdere verklaring dat hij het paspoort en de identiteitskaart zelf heeft aangevraagd.De door eiser gestelde vrees om vanwege zijn afkomst uit de regio Taiz bij controleposten gediscrimineerd te worden, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze vrees onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde algemene informatie uit het ambtsbericht over controleposten volgt niet dat de vermelding van Taiz op een identiteitskaart al tot problemen leidt bij controles.De minister heeft er bovendien terecht (en onweersproken) op gewezen dat de in het ambtsbericht genoemde risico’s met name zien op politici, journalisten en activisten, tot welke groepen eiser niet behoort. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij zelf problemen heeft ondervonden bij controleposten. De aanvullende verklaring van eiser in beroep dat hij in de laatste maand voor zijn vertrek bij reizen naar zijn ouders gebruikmaakte van een smokkelaar, waardoor hij problemen kon ontlopen, heeft hij niet eerder naar voren gebracht. Het laat ook onverlet dat hij volgens zijn verklaringen op de dag van zijn vertrek en zijn reis naar de luchthaven geen problemen had bij controleposten.Eiser heeft niet verklaard dat hij ook toen gebruikmaakte van een smokkelaar. De minister heeft zijn standpunt dat eiser probleemloos tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen – dit zag niet op de provincie Aden – op zitting laten vallen, maar dat neemt niet weg dat de minister, gelet op het voorgaande, al voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde discriminatie bij controleposten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.\n\nUit dit alles volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet de vereiste zwaarte heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHeeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op rekrutering?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn relaas over de gestelde rekrutering deels buiten beschouwing heeft gelaten. De minister werpt eiser namelijk ten onrechte tegen dat het relaas innerlijk tegenstrijdig is en dat eiser pas in de zienswijze over de rekrutering heeft verklaard. Hij voert aan dat het nader gehoor van beperkte duur was en dat onvoldoende is doorgevraagd. Gelet op de beleidswijziging voor Jemen had de minister hem bovendien opnieuw moeten horen. In ieder geval had de minister hem naar aanleiding van de zienswijze de gelegenheid moeten geven om nader over de rekruteringspogingen te verklaren.Eiser wijst in dit verband op de samenwerkingsplicht uit Werkinstructie 2024\u002F6. Dat eiser een rekruteringspoging uit 2019 pas in de zienswijze heeft genoemd, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij zich tijdens het nader gehoor niet bewust was van de relevantie daarvan en ervan uitging dat hij op grond van de algemene situatie in Jemen al voor bescherming in aanmerking zou komen. Eiser wijst tot slot op de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard over vier rekruteringspogingen. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat een dorpsgenoot hem in 2016 in Al Ufa heeft gevraagd zich bij de Islah-militie aan te sluiten, wat hij heeft geweigerd. In de zienswijze heeft hij hieraan toegevoegd dat in 2019 opnieuw een rekruteringspoging is gedaan, en dat in april en juni 2024 leden van de Islah-militie naar het ouderlijk huis zijn gegaan om hem te rekruteren.\n\n6.2.. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij alleen de eerste rekruteringspoging geloofwaardig acht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister aldus dat die enkele poging in 2016 niet maakt dat eiser nu nog een reëel risico loopt op gericht geweld wegens rekruteringen dat deze omstandigheid ook geen betekenis heeft bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld.\n\n6.3.. Het betoog dat eiser ten onrechte niet aanvullend is gehoord slaagt niet. Hoewel het nader gehoor kort was, is eiser tijdens dat gehoor uitdrukkelijk gevraagd of hij in Jemen wel eens is benaderd door een strijdende partij om mee te vechten.Hij heeft toen verklaard dat dit éénmaal, in 2016, is gebeurd. Op vervolgvragen heeft hij bevestigd dat het om een eenmalige gebeurtenis ging.De gehoorambtenaar heeft tijdens dat gehoor ook duidelijk gemaakt dat eiser volledig dient te antwoorden op de gestelde vragenen heeft aan het eind van het gehoor gevraagd of eiser nog iets wil toevoegen, wat eiser niet heeft gedaan.Hiermee heeft de minister voldaan aan zijn deel van de samenwerkingsplicht. De enkele beleidswijziging maakt niet dat eiser aanvullend gehoord had moeten worden. Eiser heeft tijdens het nader gehoor naar voren kunnen brengen om welke redenen hij vreest bij terugkeer.\n\n6.4.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de door eiser in de zienswijze genoemde aanvullende rekruteringspogingen terecht niet geloofwaardig heeft geacht. Deze verklaringen zijn niet in overeenstemming met de eerdere (niet met correcties en aanvullingen gewijzigde) verklaring van eiser dat hij slechts eenmaal is benaderd. Dat eiser het belang toen niet inzag om ook over de andere rekruteringspoging in 2019 te vertellen, is geen toereikende verklaring, nu eiser expliciet is gevraagd naar het aantal rekruteringspogingen. Verder heeft de minister terecht gewezen op de onaannemelijkheid dat eiser in 2024 opnieuw twee keer zou zijn benaderd, terwijl al lang bekend moest zijn – de militieleden waren volgens eisers eigen verklaringen immers dorpsgenoten– dat hij was vertrokken. Hierop is eiser in beroep ook niet ingegaan. De overgelegde algemene landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel, nu deze niet ziet op eisers persoonlijke situatie. Ook heeft de minister, gelet op artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, terecht bij de beoordeling betrokken dat gestelde incidenten laat – pas na het voornemen – zijn gemeld. De minister heeft daarom de in de zienswijze genoemde rekruteringspogingen terecht buiten beschouwing gelaten. Over de (wel geloofwaardig geachte) rekruteringspoging in 2016 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en volgens eisers verklaringen niet tot problemen heeft geleid, zodat daaruit geen actueel risico bij terugkeer kan worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLeiden eisers deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland tot een gegronde vrees voor vervolging?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn deelname in Nederland aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s, een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk en zijn posts op sociale media, problemen heeft te verwachten bij terugkeer. Eiser vreest dat zijn activiteiten, ook al zijn deze beperkt, kunnen worden opgevat als activiteiten van een ongelovige en hij is bang dat dit wordt opgepikt in Jemen. De minister onderschat volgens eiser de vergaande mate van monitoring en controle van activiteiten door de Houthi’s, waarbij hij verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 januari 2026.\n\n7.1.. Eiser heeft volgens zijn zienswijze deelgenomen aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s en een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk. Hoewel eiser heeft verklaard dat posts op sociale media zijn geplaatst waarop hij te zien is heeft eiser niet nader onderbouwd waaruit blijkt dat dit demonstraties tegen de Jemenitische autoriteiten of groeperingen betreft, noch dat die op de hoogte zijn van deze, ook volgens hemzelf, beperkte activiteiten, laat staan dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling staat. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor de Houthi’s in verband met hun vergaande monitoring is van belang dat, zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen, eisers laatste woon- en verblijfplaats in de provincie Aden was en dat is geen Houthi-gecontroleerd gebied. De rechtbank merkt ook op dat [geboortedorp] volgens eisers eigen verklaringen geen Houthi-gecontroleerd gebied is.\n\nLoopt eiser vanwege zijn langdurige verblijf in Europa een reëel risico bij terugkeer naar Jemen?\n\n8. Het (met stukken onderbouwde) betoog van eiser dat zijn langdurige verblijf in Europa hem in de negatieve belangstelling zal plaatsen van de Houthi’s, omdat hij als spion zal worden gezien, slaagt om dezelfde reden niet. Zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen hoeft eiser namelijk niet terug te keren naar door Houthi’s gecontroleerd gebied.\n\nLoopt eiser het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade wegens het willekeurige geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n10. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Yen de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024over dit arrest, voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000,verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\n1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;\n\n 2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;\n\n 3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\nIn de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.\n\n10.1.. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n10.2.. De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.\n\n10.3.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20het landenbeleid gewijzigd.\n\nBesluit van 19 september 2024\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 19 september 2024 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024\u002F9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024. In zijn verweerschriften van 4 december 2025 en 13 maart 2026 heeft de minister uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025\u002F20, voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Aden een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.\n\nIs de beoordeling in WBV 2025\u002F20 volledig?\n\n12. Eiser betoogt dat de minister ook zijn beleid in WBV 2025\u002F20, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat beleid is namelijk gebaseerd op de brief van 8 oktober 2025, waaraan de beslisnota van 18 juni 2025 ten grondslag ligt die van vóór de uitspraak van de Afdeling dateert. In deze beslisnota is onvoldoende aandacht besteed aan de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Dit is volgens eiser problematisch omdat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de ernstige humanitaire situatie in Jemen mede het gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen. De effecten op de economie en daarmee op burgers als gevolg van oorlog kunnen worden gezien worden als een ‘indirect gevolg’ van het handelen van strijdende partijen en moeten bij de beoordeling worden betrokken.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, zoals dat luidde tot 12 januari 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n12.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n12.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, zoals genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, het arrest CF en DNen de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister verwezen naar één van deze uitspraken. Uit de daarbij behorende ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld de onder 12.1. genoemde elementen heeft meegewogen. Verder is in de brief per provincie aangegeven welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van landmijnen en explosieve oorlogsresten, recente ontwikkelingen in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, inclusief de omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en nalaten van de strijdende partijen. Deze aspecten zijn daarnaast besproken in de verweerschriften, ook specifiek voor de situatie in Aden. Anders dan eiser betoogt is deze beoordeling volledig en komt deze tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Voor de omvang van de mee te wegen humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 19 mei 2026, waarin is ingegaan op het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en schade als gevolg van humanitaire omstandigheden. Tegen die achtergrond bestond voor de minister geen aanleiding de humanitaire omstandigheden verdergaand in de beoordeling te betrekken, zoals door eiser bepleit, bijvoorbeeld door ook de effecten van de oorlog op de economie en de gevolgen daarvan voor burgers mee te wegen. De rechtbank verwijst ook naar haar eerdere uitspraak van 5 februari 2026.De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?\n\n13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser is in dit verband zowel ingegaan op de veiligheidssituatie in de provincie Taiz als Aden. Ten aanzien van Aden voert eiser aan dat de situatie eind 2025 en begin 2026 wezenlijk is gewijzigd, doordat de STC als machtsfactor grotendeels is weggevallen en kantoren zijn gesloten, waardoor de toekomstige veiligheidssituatie onzeker is. Deze recente ontwikkelingen zijn volgens eiser niet meegenomen in het ambtsbericht of het huidige beleid. De minister moet hierover een standpunt innemen, mede in het licht van de mogelijke invloed van de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran op het conflict in Jemen.\n\n13.1.. Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. In dit geval is dat de provincie Aden, waar eiser van 2020 tot en met 2023 heeft gewoond en gewerkt. Dat Aden niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat eiser daarheen zou zijn gevlucht en het dus geen vrijwillige keuze was, heeft de minister terecht niet gevolgd. Eiser heeft in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij na het afronden van zijn studie in 2020 naar Aden is vertrokken.Dat dit een vlucht zou zijn geweest volgt nergens uit. Gelet hierop dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn beoordeeld te worden in de context van de provincie Aden. Dat de familie van eiser in de provincie Taiz woont, maakt het voorgaande niet anders.\n\n13.2.. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de situatie in de provincie Taiz. Ook bestaat geen aanleiding om de beroepsgrond te bespreken dat Aden ten onrechte als beschermingsalternatief voor een persoon uit Taiz zou zijn aangemerkt, alleen al omdat de minister een dergelijk beschermingsalternatief niet aan eiser heeft tegengeworpen.\n\n13.3.. De minister heeft in zijn beleid voor de provincie Aden geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid in Aden al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De uitleg hiervan staat in de twee bijlagen die aan de brief van de minister van 8 oktober 2025 ten grondslag liggen. De minister heeft dit in de verweerschriften nader toegelicht.\n\n13.4.. \n\nDe rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De rechtbank acht van belang dat uit de ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat sinds april 2022 een bestand van kracht is, dat sinds oktober 2022 feitelijk wordt voortgezet. Hoewel lokaal geweld, mensenrechtenschendingen en een precaire humanitaire situatie blijven bestaan, blijkt uit deze ambtsberichten en de door de minister genoemde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED)dat het aantal vijandelijkheden sinds 2022 aanzienlijk is afgenomen en het aantal burgerslachtoffers is gedaald.De gevechtshandelingen concentreren zich vooral langs de bestandslijnen en niet in de nabijheid van Aden. Sinds 2019 hebben zich in Aden geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Wel vinden incidenteel gewapende incidenten plaats, maar het aantal burgerslachtoffers is beperkt gebleven. Volgens ACLED zijn tussen 1 maart 2025 en 18 februari 2026 275 veiligheidsincidenten geregistreerd, waarvan 56 onder de categorie ‘political violence’ vielen, met in totaal 15 dodelijke slachtoffers, onder wie vier burgers. De rechtbank acht dit aantal, afgezet tegen de omvang van de bevolking, beperkt, hetgeen volgens het Hof van Justitie een relevante factor vormt bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld.\n\nOok heeft de minister de door eiser genoemde recente ontwikkelingen in Aden voldoende in de beoordeling betrokken. De STC en regeringsstrijdkrachten raakten met elkaar in conflict, waarna de situatie eind 2025 veranderd is. De STC is formeel opgeheven en gebieden\n\nvoorheen onder controle van de STC, staan nu grotendeels onder controle van\n\nde internationaal erkende regering. Deze verschuiving in de machtsverhouding heeft niet tot een wezenlijke wijziging van de veiligheidssituatie in Aden geleid.\n\nDaarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Aden geen significante problematiek met landmijnen bestaat en dat actieve ontmijningsprogramma’s worden uitgevoerd, zoals Project Masam en Halo Trust.\n\nVerder volgt uit het ambtsbericht van april 2025 dat Aden niet behoort tot de provincies waar in 2024 nieuwe ontheemding heeft plaatsgevonden als gevolg van het conflict.\n\nWat betreft de humanitaire situatie geldt dat Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebiedenen dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 licht is verbeterd. Ook heeft de minister erop gewezen dat uit de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de wapenstilstand in de zuidelijke provincies van Jemen, zoals Aden, heeft geleid tot betere toegang van hulporganisaties tot hulpbehoevenden.Voor zover eiser heeft gewezen op de humanitaire situatie, merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling eerder heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n13.5.. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’), als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De rechtbank acht het daarom niet onjuist dat de minister voor deze provincie een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nLoopt eiser een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n14. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestond, zoals eiser betoogt, om hem aanvullend te horen over zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. Tijdens het nader gehoor is hem om een toelichting gevraagd waarom juist hij in verband met de algemene situatie in Jemen een risico loopt.Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad om deze persoonlijke omstandigheden naar aanleiding van het voornemen in de zienswijze naar voren te brengen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024, leidt niet tot een ander oordeel.\n\n14.2.. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser aangeeft dat Jemen onveilig is, heeft hij ook expliciet aangegeven dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt.Ook zijn eisers afkomst, de omstandigheid dat in 2016 een poging is gedaan hem te rekruteren en zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland geen risicoverhogende omstandigheden, nog afgezien van de vraag of het bij deze omstandigheden niet gaat om het risico om slachtoffer te worden van gericht, en dus niet willekeurig, geweld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 5 tot en met 7. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM?\n\n15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Jemen terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. In dat verband heeft eiser gewezen op het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011 van het EHRM.\n\n15.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat voor de vraag of uitzetting zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in het betreffende land, onder meer de oorzaken voor die humanitaire omstandigheden van belang zijn.Als die omstandigheden in overwegende mate het gevolg zijn van armoede of de onmacht van de autoriteiten in het land van herkomst om met natuurlijk optredende omstandigheden om te gaan, is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden (‘very exceptional cases’), sprake van een schending. Deze omstandigheden moeten dan overtuigend (‘compelling’) zijn. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk.Wanneer de slechte humanitaire omstandigheden echter in overwegende mate het gevolg zijn van het doelbewust handelen of nalaten van de autoriteiten of niet-statelijke actoren in een land, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’), zoals voedsel, hygiëne en onderdak, en moet de minister rekening houden met eventuele kwetsbaarheid voor misbruik en met het zicht op verbetering van eisers situatie binnen een redelijke termijn. Dit is het criterium zoals gehanteerd in het arrest M.S.S. tegen België.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat in Aden sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie en deze is naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate het gevolg van het jarenlange conflict in Jemen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. Zoals hiervoor onder 5.2. overwogen beschikte eiser in Aden over huisvesting, voorzag hij in zijn levensonderhoud door te werken als assistent accountant en kon hij op normale wijze aan de Jemenitische samenleving deelnemen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bij terugkeer niet opnieuw zou kunnen. De rechtbank betrekt daarbij dat, zoals hiervoor onder 13.3 is overwogen, hulporganisaties aanwezig zijn in Jemen, in het bijzonder ook in Aden, de toegankelijkheid van hulp in 2024 is verbeterd en Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebieden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2024 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 19 september 2024;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. T.G. Noordhof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Zie aanmeldgehoor, p. 5.\n\n De STC is separatistenbeweging in Zuid-Jemen, opgericht in 2017 met steun van de Verenigde Arabische Emiraten. Ze streven naar herstel van een onafhankelijke Zuid-Jemenitische staat en had jarenlang de feitelijke controle over onder meer Aden. Eind 2025 en begin 2026 zijn de machtsverhoudingen verschoven na conflicten met regeringsstrijdkrachten. Daarbij is de STC formeel opgeheven en zijn de meeste gebieden overgegaan naar de internationaal erkende regering.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 5 en zienswijze, p. 2 onder punt 5.\n\n Aanmeldgehoor, p. 4.\n\n Ambtsbericht over Jemen van september 2023 , p. 26.\n\n Aanmeldgehoor, p. 10.\n\n Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Hierop gaat de rechtbank onder 6.3 in.\n\n Dit bespreekt de rechtbank onder 14.1 en 14.2.\n\n Pagina 6.\n\n Pagina 7.\n\n Pagina 2.\n\n Pagina 8.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.\n\n ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025\u002F2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000.\n\n Vóór het arrest X en Y was dit het enige niveau dat erkend werd in het Nederlandse beleid ten aanzien van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, welk standpunt door het arrest niet meer houdbaar was.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.\n\n TK 2025-2026, 19 637, nr. 3489.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1, 3, 4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, onder 9 en 11.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:2066, onder 8.4.3.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n Aanmeldgehoor, p. 5.\n\n [website].\n\n Ambtsbericht 2025, p. 17-19.\n\n Zie het arrest CF en DN, onder 31.\n\n Zie paragraaf 1.2 ‘Leefomstandigheden’ van het ambtsbericht.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 5.8.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.\n\n Punt 42 van het arrest.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Onder 278 tot en met 283.\n\n EHRM 27 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505.\n\n EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","2026-07-13T00:28:44.117Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":48},"1860","ECLI:NL:RBDHA:2026:17995","ecli-nl-rbdha-2026-17995","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.38862\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. W. Volkers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n3. Verzoeker heeft op 18 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 21 november 2022.\n\n3.1.. De minister heeft op 20 augustus 2025 alsnog een besluit genomen en de aanvraag van verzoeker afgewezen. Verzoeker heeft laten weten het niet eens te zijn met dit besluit en heeft daartegen beroepsgronden ingediend.\n\n3.2.. Bij brief van 20 februari 2026 heeft de minister aan verzoeker laten weten dat het besluit van 20 augustus 2025 wordt ingetrokken. De minister heeft vervolgens bij besluit van 27 februari 2026 de aanvraag van verzoeker ingewilligd. Daarop heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Verzoeker heeft de rechtbank daarbij verzocht om een veroordeling van de minister in de proceskosten.\n\nWanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?\n\n4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.\n\n4.1.. Tussen partijen staat vast dat de minister niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van verzoeker. Nu de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op 20 augustus 2025 (alsnog) heeft beslist, is de minister geheel aan het beroep tegemoetgekomen. Vervolgens heeft de minister de aanvraag van verzoeker bij besluit van 27 februari 2026 ingewilligd. Daarmee is de minister ook geheel tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker tegen het besluit van 20 augustus 2025.\n\nWelk bedrag aan proceskosten moet de minister aan verzoeker vergoeden?\n\n5. De minister is bereid om een proceskostenvergoeding te betalen tot een bedrag van € 934,-. De minister gaat daarbij uit van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 1. De minister ziet geen reden om daarnaast nog 0,5 punt toe te kennen voor het indienen van het beroep niet tijdig beslissen. Volgens de minister is er in dit geval slechts één beroepschrift. In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp) staat dat voor een beroepschrift 1 punt wordt toegekend. Er is geen aparte categorie\u002Fpuntentoedeling voor een beroepschrift dat als beroep niet tijdig beslissen is ingediend en daarna is ‘omgeklapt’ naar een inhoudelijk beroepschrift. Ook uit het Bbp zelf blijkt niet dat vanwege het verloop van de huidige procedure 1,5 punt zou moeten worden toegekend, aldus de minister.\n\n6. Verzoeker is het daar niet mee eens en stelt dat er ook 0,5 punt moet worden toegekend voor het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n7. De rechtbank oordeelt dat verzoeker recht heeft op 1,5 punt aan proceskosten en geeft verzoeker gelijk. Daarbij is het volgende van belang. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister niet heeft betwist dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingediend. Verder is van belang dat in deze zaak sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, van de Awb waarbij het beroep vanwege het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege is ‘omgeklapt’ naar een (inhoudelijk) beroep tegen het besluit van 20 augustus 2025. Niet in geschil is dat verzoeker tegen dit besluit inhoudelijke beroepsgronden heeft aangevoerd. Voor de gronden ingediend in het kader van het beroep van rechtswege tegen het alsnog genomen besluit op de asielaanvraag ligt bij de proceskostenveroordeling in beginsel toekenning van 1 punt in de rede, omdat het daarbij om iets anders gaat dan bij het oorspronkelijke beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Deze nadere gronden kunnen voor de toepassing van de bijlage bij het Bpb naar het oordeel van de rechtbank worden gelijkgesteld met het indienen van een beroepschrift. Dat betekent dat verzoeker recht heeft op 0,5 punt voor het op 18 augustus 2025 ingestelde beroep. Dat ging uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag en geldt als eenvoudig. Om die reden wordt wegingsfactor 0,5 toegepast. Verzoeker heeft verder recht op 1 punt, met wegingsfactor 1, vanwege de inhoudelijke beroepsgronden tegen het besluit van 20 augustus 2025. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De slotsom is dat de minister 1,5 punt aan proceskosten aan verzoeker moet vergoeden. De vergoeding bedraagt daarom € 1.401,-.\n\n8. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L.G.C. Lelifeld, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17995","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.489Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"1861","ECLI:NL:RBDHA:2026:18016","ecli-nl-rbdha-2026-18016","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18954\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] v-nummer: [nummer], eiseres\n\nmede namens haar minderjarige kind\n\n [naam minderjarige kind],\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. E. Sweerts).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Jordanië een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarnaast heeft de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van door artikel 8 van het EVRM beschermd familie- of gezinsleven met haar zus. Verder heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mogen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort de achtergrond van de onderhavige zaak. De redenen waarom eiseres een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit en de aanvulling daarop. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind, onder 12, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De minister heeft bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 aan eiseres uitstel van vertrek om medische redenen verleend voor zes maanden op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.18955, op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond van de zaak\n\n3. Eiseres is geboren in Dubai, van Palestijnse afkomst en heeft in december 2020 door haar huwelijk met een Jordaanse man de Jordaanse nationaliteit verkregen. Zij heeft in verschillende landen verbleven vanwege het werk van haar vader als diplomaat. Eiseres heeft een bachelor Finance and Banking behaald, was bezig met een masteropleiding in Caïro en werkte als zelfstandig marketeer voor toeristische bedrijven.\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij niet met haar minderjarige dochter naar Jordanië kan terugkeren. Zij is gescheiden van haar Jordaanse man en vreest dat hij op grond van het Jordaanse familierecht de voogdij dan wel het gezag over hun dochter zal verkrijgen. Daarnaast vreest eiseres dat zij vanwege haar echtscheiding haar Jordaanse nationaliteit zal verliezen. Volgens eiseres is sprake is van corruptie binnen het Jordaanse rechtssysteem en kunnen haar ex-man en ex-schoonvader vanwege hun contacten invloed uitoefenen op procedures die betrekking hebben op haar verblijfsrecht en de positie van haar dochter. Verder vreest eiseres vanwege haar Palestijnse afkomst voor discriminatie bij toegang tot voorzieningen, onderwijs, werkgelegenheid en overheidsdiensten. Zij vreest dat zij als alleenstaande moeder zonder netwerk, woning of inkomen in Jordanië niet in staat zal zijn voor zichzelf en haar dochter te zorgen.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nHet conflict met haar ex-man over de voogdij van hun dochter.\n\n5.1.. De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister stelt zich echter op het standpunt dat deze motieven niet van een zodanige aard en ernst zijn dat sprake is van vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze zal worden ingetrokken. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar Palestijnse afkomst zal worden blootgesteld aan discriminatie die de drempel van vervolging of ernstige schade bereikt. Verder heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij geen bescherming van de Jordaanse autoriteiten kan verkrijgen of dat haar ex-man en ex-schoonvader invloed kunnen uitoefenen op haar nationaliteit of rechtspositie. Het conflict over de voogdij van haar dochter wordt door de minister aangemerkt als een familierechtelijk geschil dat niet raakt aan een verdragsgrond en waartegen rechtsbescherming beschikbaar is in Jordanië. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres haar Jordaanse paspoort bewust heeft vernietigd en dat daarom sprake is van een kennelijk ongegronde aanvraag. Ook is volgens de minister geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven met haar zus als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd. Wel is aan eiseres op grond van artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend.\n\nHeeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij vluchteling is dan wel bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico loopt op ernstige schade?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet leiden tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Hiertoe voert zij aan dat zij met objectieve broninformatie heeft onderbouwd dat Palestijnen het risico lopen dat hun Jordaanse nationaliteit wordt ingetrokken. Zij verwijst naar artikel 8 van de Jordaanse nationaliteitswetgeving, het Human Rights Watch-rapport van 1 februari 2010 en landeninformatie van de helpdesk van VluchtelingenWerk Nederland van 8 april 2026. Volgens eiseres volgt uit deze bronnen dat Palestijnen in de praktijk hun Jordaanse nationaliteit kunnen verliezen en dat dit ook haar kan treffen, omdat zij deze nationaliteit uitsluitend door huwelijk heeft verkregen. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij niet beschikt over documenten waaruit expliciet blijkt dat haar Jordaanse nationaliteit reeds is ingetrokken of dat dit na haar echtscheiding zal gebeuren. Volgens haar volgt uit de overgelegde informatie echter dat dit risico reëel is. Verder voert eiseres aan dat Palestijnen in Jordanië worden gediscrimineerd, ook indien zij beschikken over de Jordaanse nationaliteit.Volgens haar ondervinden Palestijnen beperkingen bij de toegang tot werk, onderwijs, medische voorzieningen en overheidsfuncties. Zij stelt dat onvoldoende is onderzocht of deze omstandigheden, in samenhang bezien met haar persoonlijke situatie als alleenstaande moeder zonder netwerk in Jordanië, leiden tot een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij Jordanië nooit heeft bezocht, daar geen woning, inkomen of sociaal netwerk heeft en verantwoordelijk is voor de verzorging van haar minderjarige dochter. Daarnaast vreest eiseres dat haar ex-man de voogdij dan wel het gezag over hun dochter zal verkrijgen. Volgens eiseres blijkt uit door haar overgelegde stukken dat in Jordanië een procedure aanhangig is over de zeggenschap van haar dochter.Zij stelt dat haar ex-man en ex-schoonvader contacten hebben binnen de Jordaanse autoriteiten en dat zij daardoor het risico loopt haar dochter te verliezen. Ook vreest zij dat zij bij terugkeer niet langer vrij zal zijn haar leven naar eigen inzicht in te richten, omdat zij haar dochter mogelijk verliest indien zij een nieuwe relatie aangaat of opnieuw trouwt.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vluchteling is dan wel bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze bij terugkeer zal worden ingetrokken. De bronnen waar eiseres naar verwijst zijn daarvoor onvoldoende. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 8 van de Jordaanse nationaliteitswetgeving, het Human Rights Watch-rapport uit 2010 en de informatie van VluchtelingenWerk Nederland weliswaar volgt dat intrekking van de Jordaanse nationaliteit in bepaalde gevallen mogelijk is, maar dat daarmee niet is onderbouwd dat eiseres persoonlijk een reëel risico loopt dat haar nationaliteit zal worden ingetrokken of dat dat al is gebeurd. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres zelf heeft erkend dat zij geen documenten bezit waaruit blijkt dat haar Jordaanse nationaliteit reeds is ingetrokken of zal worden ingetrokken als gevolg van haar echtscheiding. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft geconcretiseerd dat zij vanwege haar Palestijnse afkomst persoonlijk zal worden blootgesteld aan discriminatie die de drempel van vervolging of ernstige schade bereikt. De door eiseres aangehaalde landeninformatie laat weliswaar zien dat Palestijnen in Jordanië beperkingen en discriminatie kunnen ondervinden, maar daaruit volgt niet zonder meer dat iedere Palestijn met de Jordaanse nationaliteit daarom een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres een hoogopgeleide vrouw is, beschikt over werkervaring en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in Jordanië niet zelfstandig staande zal kunnen houden. Dat het voor eiseres zonder sociaal netwerk in Jordanië moeilijk is om zich daar te vestigen en dat zij het land nooit heeft bezocht, is onvoldoende om te oordelen dat zij bij terugkeer terecht zal komen in een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de gestelde invloed van haar ex-man en ex-schoonvader heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar vermoedens niet met concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd. Eiseres heeft zelf verklaard dat zij niet kan aantonen dat haar ex-man invloed heeft op de Jordaanse autoriteiten of dat hij haar nationaliteit of rechtspositie kan beïnvloeden. De enkele stelling dat sprake is van connecties en corruptie is daarvoor onvoldoende. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het conflict over de dochter in de kern een familierechtelijk geschil betreft. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat haar vrees vooral voortvloeit uit de Jordaanse regelgeving omtrent gezag en voogdij. Voor zover eiseres vreest dat zij haar dochter zal verliezen indien zij in de toekomst een nieuwe relatie aangaat of hertrouwt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een onzekere toekomstige gebeurtenis. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van vluchtelingschap of subsidiaire beschermingsgronden.\n\nIs tussen eiseres en haar zus sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 8 van het EVRM?\n\n7. Eiseres betoogt dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met haar zus, die ook in Nederland asiel heeft aangevraagd. Volgens haar zijn zij vanwege de vele verhuizingen gedurende hun jeugd altijd sterk op elkaar aangewezen geweest. Daarnaast kampen beide zussen met psychische problematiek en ondersteunen zij elkaar daarbij. Zij stelt dat de band sterker is dan een gebruikelijke band tussen zussen en dat hiermee rekening moet worden gehouden.\n\n7.1.. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarige broers en zussen, als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraakvolgt ook dat de vraag of sprake is van beschermd gezinsleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De minister heeft ruimte bij de weging van die elementen en de uitkomst van die beoordeling toetst de bestuursrechter enigszins terughoudend.\n\n7.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft betrokken en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat daarvan tussen eiseres en haar zus geen sprake is. Dat eiseres en haar zus een hechte band hebben en elkaar ondersteunen bij hun psychische problematiek, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Niet is gebleken van omstandigheden zoals genoemd onder 7.1 die maken dat sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.\n\nHad de minister eiseres uitstel van vertrek moeten verlenen om medische redenen?\n\n8. Eiseres betoogt dat zij al jarenlang psychische klachten heeft, waaronder depressie- en angststoornissen, waarvoor zij medicatie gebruikt en psychiatrische behandeling ontvangt. Zij voert aan dat haar klachten zijn verergerd door haar verblijf in de opvang. In beroep heeft zij recente medische informatie van 27 mei 2026overgelegd waaruit volgt dat sprake is van complexe problematiek (depressieve stoornis, angststoornis en PTSS) waarvoor een langdurig behandeltraject is geïndiceerd. Volgens eiseres heeft zij belang bij voortzetting van de behandeling en zal zij deze zorg niet kunnen verkrijgen in Jordanië. Zij stelt dat vertrek haar klachten zal verergeren en haar vermogen om voor haar dochter te zorgen zal aantasten.\n\n8.1.. De rechtbank overweegt dat de minister bij aanvullend besluit van 10 juni 2026, zoals vermeld onder 2.2, aan eiseres uitstel van vertrek om medische redenen heeft verleend in afwachting van de beoordeling van haar verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.\n\nMocht de minister een terugkeerbesluit opleggen?\n\n9. Eiseres betoogt de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Volgens haar is onvoldoende onderzocht of zij daadwerkelijk toegang zal verkrijgen tot Jordanië. Zij wijst erop dat zij Palestijnse van origine is, nooit in Jordanië heeft gewoond, haar Jordaanse nationaliteit uitsluitend via huwelijk heeft verkregen en niet meer beschikt over een fysiek paspoort. Daarnaast stelt zij dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische problematiek, haar minderjarige dochter en het ontbreken van een netwerk in Jordanië. Volgens eiseres had de minister moeten onderzoeken of adequate opvang aanwezig is voor haar dochter. Zij beroept zich daarbij op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, artikel 24 van het EU Handvest en het arrest T.Q.\n\n9.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat onvoldoende is onderzocht of zij toegang zal verkrijgen tot Jordanië, volgt de rechtbank haar daarin niet. De minister heeft bij zijn beoordeling mogen uitgaan van de Jordaanse nationaliteit van eiseres. Zoals onder 6.2 is overwogen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze zal worden ingetrokken. Dat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd, betekent niet dat reeds daarom moet worden aangenomen dat zij geen toegang tot Jordanië zal verkrijgen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het op de weg van eiseres lag haar stelling dat zij niet tot Jordanië zal worden toegelaten nader te onderbouwen en dat dat niet is gebeurd. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister de belangen van haar minderjarige dochter onvoldoende heeft betrokken. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij de uitvoering van de richtlijn rekening moet worden gehouden met onder meer het belang van het kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit voldoende en kenbaar heeft gedaan. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat de dochter van eiseres afhankelijk is van haar moeder en haar bij terugkeer zal volgen. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het belang van de dochter aan terugkeer naar Jordanië in de weg staat. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres haar stelling dat voor haar dochter geen adequate opvang aanwezig zal zijn in Jordanië niet nader heeft onderbouwd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat haar dochter bij terugkeer zal worden blootgesteld aan een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dat de dochter inmiddels enige tijd in Nederland verblijft en volgens eiseres beter Nederlands dan Arabisch spreekt, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiseres zich beroept op het arrest T.Q., overweegt de rechtbank dat dit arrest betrekking heeft op alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De dochter van eiseres is geen alleenstaande minderjarige vreemdeling, maar verblijft bij haar moeder, zodat reeds daarom geen sprake is van een vergelijkbare situatie.\n\nMocht de minister een inreisverbod opleggen?\n\n10. Eiseres betoogt dat een inreisverbod van twee jaar onevenredig is. Zij voert aan dat haar familie verspreid woont over Europa en dat het inreisverbod haar gedurende twee jaar verhindert deze familieleden te bezoeken. Volgens eiseres raakt het inreisverbod ook haar minderjarige dochter, omdat zij als enige verzorgende ouder altijd met haar dochter reist. Zij verwijst naar het arrest M.A. tegen Belgische Staatwaaruit volgens haar volgt dat rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat in het bestreden besluit op pagina 8 maar één zin is gewijd aan het belang van het kind, meer specifiek dat het inreisverbod niet geldt voor het minderjarige kind.\n\n10.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat van het opleggen van een inreisverbod moet worden afgezien indien dit in strijd komt met artikel 8 van het EVRM of indien bijzondere individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in dit geval geen sprake is. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet heeft onderbouwd dat het inreisverbod leidt tot een onevenredige aantasting van haar familie- of gezinsleven. De enkele omstandigheid dat familieleden van eiseres verspreid over Europa wonen en dat zij deze gedurende de duur van het inreisverbod niet of minder gemakkelijk kan bezoeken, is daarvoor onvoldoende. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres voorafgaand aan haar komst naar Nederland regelmatig naar deze familieleden reisde. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat contact op andere wijze kan worden onderhouden of dat familiebezoeken desgewenst buiten het Schengengebied kunnen plaatsvinden. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het belang van haar minderjarige dochter onvoldoende is meegewogen, volgt de rechtbank haar niet. Weliswaar is de motivering van de minister op dit punt summier, maar uit het besluit blijkt dat de minister heeft onderkend dat eiseres de enige verzorgende ouder van haar dochter is en dat het inreisverbod niet aan de dochter is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende kenbaar heeft betrokken dat de maatregel indirect gevolgen heeft voor de dochter. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de belangen van de dochter nopen tot het achterwege laten van het inreisverbod. De door eiseres gestelde omstandigheid dat haar dochter haar moeder zal volgen bij reizen binnen het Schengengebied is daarvoor onvoldoende. Overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter door het inreisverbod onevenredig wordt geraakt. De verwijzing naar het arrest M.A. tegen Belgische Staat leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van het kind in zijn beoordeling heeft betrokken en dat niet is gebleken dat die belangen onvoldoende gewicht hebben gekregen. De minister heeft daarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiseres kunnen opleggen.\n\nMocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond omdat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd?\n\n11. Eiseres betoogt dat de minister haar aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Zij voert aan dat zij haar Jordaanse paspoort niet heeft vernietigd om haar identiteit of nationaliteit te verhullen. Volgens eiseres verkeerde zij in de veronderstelling dat zij na haar echtscheiding haar Jordaanse nationaliteit zou verliezen en dat het paspoort daarom geen betekenis meer had. Bovendien zou het paspoort op 8 februari 2026 verlopen en kon deze niet meer worden verlengd. Ter zitting heeft zij benadrukt dat zij haar originele Palestijnse documenten heeft overgelegd en dat het Jordaanse paspoort volgens haar niet essentieel is voor het vaststellen van haar identiteit zoals de wetgever bedoeld heeft.\n\n11.1.. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026) kon een aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.\n\n11.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 6 april 2016heeft overwogen dat voor toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026) niet hoeft vast te staan dat een vreemdeling een document te kwader trouw heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan, maar dat voldoende is dat dit waarschijnlijk is. Daarnaast volgt uit die uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 december 2015, dat het feit dat een vreemdeling andere originele documenten heeft overgelegd op basis waarvan de identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld, niet in de weg staat aan het oordeel dat hij zich waarschijnlijk te kwader trouw van een paspoort heeft ontdaan. De minister heeft daarom terecht aan eiseres tegengeworpen dat eiseres met een geldig Jordaans paspoort naar Nederland is gereisd en dat zij dit document na aankomst op Schiphol heeft vernietigd. Dat eiseres een Palestijns paspoort en Palestijnse identiteitskaart heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Deze documenten nemen immers niet weg dat het vernietigde Jordaanse paspoort een relevant identiteits- en reisdocument was. Daarbij heeft de minister de verklaringen van eiseres over de reden van vernietiging van het paspoort onvoldoende mogen achten. Eiseres heeft verklaard dat zij het paspoort heeft vernietigd omdat zij niet wilde worden teruggestuurd naar Jordanië. De minister heeft zich onder deze omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich waarschijnlijk te kwader trouw van haar Jordaanse paspoort heeft ontdaan. De minister heeft de aanvraag daarom mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\n12.1.. De rechtbank ziet in het aanvullend besluit (zie onder 8.1) geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Aan eiseres is namelijk bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, op basis van medische informatie die eiseres pas in beroep heeft overgelegd.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Onder verwijzing naar het rapport van de VN Committee on the Elimination of Discrimination Against Women (CEDAW).\n\n Zie productie 5 Bewijs lopende rechtszaak in Jordanië aangaande het ouderlijk gezag.\n\n Zie bijvoorbeeld Algemeen ambtsbericht over de situatie in Palestijnse gebieden van april 2022, p. 35 en het 2021 Country reports on Human Rights Practices, U.S. Department of State, section 6.\n\n ABRvS 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, r.o. 2.1.\n\n Zie schrijven van psycholoog van 27 mei 2026.\n\n ECLI:EU:C:2021:9.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:197, C-112\u002F20.\n\n ECLI:NL:RVS:2016:1022.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3797.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18016","2026-07-13T00:29:42.539Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":62},"1863","ECLI:NL:RBDHA:2026:18021","ecli-nl-rbdha-2026-18021","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18955uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], v-nummer: [nummer] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. E. Sweerts).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. Zij heeft daartegen ook beroep ingesteld.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL26.18954, op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.18954, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18021","2026-07-13T00:29:42.653Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":70},"1943","ECLI:NL:RBDHA:2026:17992","ecli-nl-rbdha-2026-17992","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.3028\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de gestelde problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht. Ook mocht de minister Mogadishu voor eiser aanmerken als vestigingsalternatief. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiser zijn asielmotief heeft onderbouwd met objectieve documenten. In overweging 7.1. en verder gaat de rechtbank in op de vraag of de minister de problemen met Al-Shabaab terecht ongeloofwaardig heeft geacht omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij gaat de rechtbank ook in op het vermoeden van mogelijk gebruik van kunstmatige intelligentie bij het opstellen van de beroepsgronden. In overweging 9 bespreekt zij of de minister aan eiser een vestigingsalternatief voor Mogadishu op mocht leggen. Aan het eind onder 10 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. Hij woonde in het dorp [naam dorp] toen de Macawisley de controle van het dorp overnamen. Er werd gevraagd wie tot Al Shabaab behoorde en eiser heeft toen verklaard over een dorpsgenoot. Die is vervolgens vermoord. Hij kreeg daardoor problemen met Al-Shabaab. Hij is door Al-Shabaab beschuldigd als spion en zij hebben eiser bedreigd met de dood. Eiser is daarom samen met zijn moeder gevlucht naar zijn oom in [plaats] . Daar is hij telefonisch bedreigd en is een aanslag gepleegd op het huis van zijn oom. Zijn oom is daarbij overleden en de moeder van eiser is gewond geraakt. Zij kon niet worden behandeld in [plaats] , daarom zijn eiser en zijn moeder naar Modagishu vertrokken. Ook hier werd hij weer telefonisch bedreigd en Al Shabaab heeft naar eiser gezocht in het huis van de tante van zijn vader. Daaropvolgend heeft eiser besloten om Somalië te verlaten. Verder heeft eiser verklaard dat hij in [plaats] is gearresteerd door de autoriteiten op verdenking van Al-Shabaab lidmaatschap. Hij is toen 20 dagen vastgehouden en vervolgens vrijgesproken. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser om vermoord te worden door Al-Shabaab. Ook vreest hij dat de overheid hem aanmerkt als Al-Shabaab-lid en dat de Macawisley eiser dwingt om mee te vechten tegen Al-Shabaab.\n\n3.1.. Eiser heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n- identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- problemen met Al-Shabaab;\n\n- problemen met de autoriteiten in [plaats] .\n\nDe minister stelt zich op het standpunt dat hoewel eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd, zijn persoonsgegevens in deze procedure worden aangehouden. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden door de minister geloofwaardig geacht. Dat eiser problemen heeft gehad met Al-Shabaab acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Het asielmotief dat eiser problemen heeft gehad met de autoriteiten in [plaats] wordt door de minister niet beoordeeld. De minister laat de geloofwaardigheid van het asielmotief in het midden, omdat eiser zijn vrees volgens de minister al niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser, afkomstig uit [naam dorp] , stelt dat uit openbare informatie volgt dat deze plaats mogelijk niet bereikbaar is zonder door gebieden te reizen die onder controle staan van Al Shabaab. Voor eiser is daarom een vestigingsalternatief aangenomen, hij kan volgens de minister terugkeren naar Mogadishu.\n\nWat is het juridisch kader?\n\n5. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende WI 2024\u002F6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Hiermee is ook WI 2014\u002F10 ingetrokken. Dit nieuwe beleid is een uitwerking van artikel 31 van de Vw 2000, dat de implementatie is van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en een nadere invulling van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).\n\nHeeft de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig geacht?\n\nStap 2a – onderbouwing met documenten\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief dat hij problemen heeft ondervonden met Al-Shabaab, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zijn asielaanvraag is ten onrechte afgewezen.\n\n6.1.. Niet is in geschil dat eiser zijn problemen met Al-Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De minister acht eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk.\n\nVerklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c)\n\n7. Eiser betoogt dat de minister niet in staat is geweest zijn zienswijze omtrent de problemen met Al Shabbaab te weerleggen. Op de zitting heeft eiser – op de vraag om zijn betoog nader te concretiseren – toegelicht dat de minister gelet op alle bekende informatie niet zomaar kan zeggen dat eisers verklaringen ongeloofwaardig zijn. Uit de (landen)informatie in de beroepsgrondenvolgt dat Al-Shabaab door het gebied beweegt. De minister stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat het vreemd is eiser na de eerste bedreiging nog twee dagen in [naam dorp] heeft verbleven en dat Al-Shabaab hem al die tijd niet heeft opgespoord. Op de zitting heeft eiser verder nog betoogd dat de minister alle gestelde ongerijmdheden niet heeft bezien in het licht van de territoriale controle en het gedrag van Al-Shabaab, daaronder begrepen het systematisch opsporen van een doelwit en de daarbij gehanteerde conflictdynamiek. Tegen die achtergrond zijn eisers verklaringen niet ongerijmd en is het evenmin raar dat eiser nog nadacht over zijn vertrek uit een onveilig gebied. De minister hanteert ten onrechte een normatief vertrek-criterium bij het vertrek uit [naam dorp] terwijl je daar geen norm voor kunt stellen. In zijn algemeenheid formuleert eiser ter zitting de beroepsgrond dat zijn verklaringen niet zijn bezien tegen de achtergrond van de situatie in Somalië.\n\nOordeel van de rechtbank7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister mocht dit asielmotief daarom ongeloofwaardig achten. De rechtbank legt dit hieronder verder uit. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser zijn betoog dat de minister zijn verklaringen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, niet nader gespecificeerd heeft onderbouwd en gemotiveerd. Met het enkel herhalen en inlassen van de zienswijze heeft eiser niet toegelicht waarom de motivering in het bestreden besluit ondeugdelijk of onjuist zou zijn, noch waarom hij zich niet met die motivering kan verenigen. Ook haalt eiser in zijn beroepsgronden veel documenten en stukken aan ter onderbouwing van zijn betoog dat de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft echter nagelaten om te specificeren en te onderbouwen in welk verband de stukken worden aangehaald, terwijl ook een vindplaats niet altijd wordt genoemd. Er wordt verder niet gewezen op van belang zijnde passages, niet verwezen naar paginanummers, terwijl de directe betekenis van de stukken in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling niet altijd duidelijk is. Verwijzingen naar jurisprudentie zijn bovendien niet altijd relevant, bijvoorbeeld de verwijzing in punt 26 van het beroepschrift die ziet op een uitspraak over een iMMO-rapport. Dit doet vermoeden dat gemachtigde bij het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van kunstmatige intelligentie, zonder te controleren of de uitkomsten juist zijn en voor de zaak zelf relevantie hebben. Eisers gemachtigde is hierover op zitting bevraagd, waarbij hem is voorgehouden dat een werkwijze, waarbij een groot aantal verwijzingen wordt gegeven naar documenten zonder daarbij nadere duiding te geven, niet kan worden aanvaard. Om die reden zal de rechtbank niet afzonderlijk ingaan op alle door eiser overgelegde informatie.\n\n7.2.. Verder heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers verhaal over de bedreigingen door Al-Shabaab een aantal ongerijmdheden kent en daarom terecht ongeloofwaardig is geacht. Om te beginnen heeft eiser verklaard dat hij enkele uren na het overlijden van [naam dorpsgenoot] (de door eiser aangewezen dorpsgenoot) telefonisch is bedreigd door Al-Shabaab. Vervolgens heeft eiser nog twee dagen in [naam dorp] verbleven zonder dat hij door Al-Shabaab is benaderd. Niet valt in te zien dat eiser volgens zijn eigen verklaringen zodanig in de aandacht stond dat hij kort na de dood van de dorpsgenoot telefonisch is bedreigd en dreigberichten ontving, maar dat Al-Shabaab in die twee dagen niet langs eisers woning is gegaan of naar eiser heeft gezocht. De rechtbank volgt de minister daarbij in zijn standpunt dat dit mede ongerijmd is omdat het dorp volgens zeggen van eiser zelf enkel overdag door de Macawisley werd bewaakt en Al-Shabaab in de avond en nacht ongehinderd in het dorp kon komen. Op de zitting heeft eiser hier weliswaar over verklaard dat conflictpartijen als Al-Shabaab en de Macawisley zich dynamisch door een gebied bewegen en niet altijd op een vaste plaats blijven, maar dat verklaart het gebrek aan interesse van Al-Shabaab in eiser niet. Zeker niet in het licht van de gebeurtenissen die daarop zijn gevolgd, zoals het steeds traceren van nieuwe telefoonnummers van eiser en de bomaanslag op de woning van de oom van eiser, waarover de rechtbank hierna zal oordelen. Uit het relaas van eiser volgt een grote mate van interesse van Al-Shabaab in de verblijfplaats van eiser, en daarbij past niet dat Al-Shabaab hem niet heeft kunnen traceren tijdens zijn verblijf in [naam dorp] en dat eiser niet direct na de geuite bedreigingen is vertrokken. Dat eiser eerst heeft nagedacht wat hij zou doen, en dat uiteindelijk zijn moeder heeft voorgesteld om naar zijn oom in [plaats] te gaan, geeft aan dat eiser geen onmiddellijk gevaar voor zijn leven vreesde. De rechtbank volgt het betoog van eiser in dit verband niet. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser zijn echtgenote en kinderen in [naam dorp] heeft achtergelaten en daarmee aan Al-Shabaab een eenvoudig drukmiddel gaf om eiser te laten terugkeren. Ook hiervoor heeft eiser geen afdoende verklaring gegeven.\n\n7.3.. Daarnaast heeft eiser ongerijmd verklaard over het feit dat Al-Shabaab hem vervolgens in [plaats] heeft gevonden. Zeker gelet op eisers verklaring dat Al-Shabaab wist waar hij verbleef omdat ze hem via zijn telefoon konden traceren, terwijl hij regelmatig van telefoonnummer wisselde.Terecht heeft de minister het ongerijmd geacht dat Al- Shabaab steeds achter zijn nieuwe nummer kwam, hem daarmee kon traceren maar dat eiser desondanks zes maanden onder de radar kon blijven in [plaats] voordat hij werd gevonden door Al-Shabaab. Te meer nu eiser zelf heeft verklaard dat hij in die periode op de markt heeft gewerkt en een tijd in detentie heeft gezeten. Hij was dus relatief eenvoudig te traceren. Verder verklaart eiser ongerijmd over de bomaanslag die op de woning van zijn oom is gepleegd. De minister heeft terecht betrokken dat het vreemd is dat eiser verwachtte dat Al-Shabaab iets zou ondernemen, dat hij daarom in het huis van de buren van zijn oom verbleef, maar tegelijkertijd zijn moeder en oom in de woning van de oom achterliet. Eisers enkele verklaring dat hij zijn zorgen niet aan zijn moeder en oom heeft verteld omdat het alleemaal in korte tijd gebeurde en hij ze niet ongerust wilde maken, doet aan deze ongerijmdheden niet af.Daarbij kan ook niet worden gevolgd hoe eiser weet dat zijn moeder op het moment van de bomaanslag op het gebedskleed zat en zijn oom op een stoel bij de muur.Eiser was immers niet zelf aanwezig.\n\n7.4.. Tot slot heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn aansluitende vertrek naar Mogadishu. Volgens zijn eigen verklaring is hij vrijwel direct opgespoord en door Al Shabaab bedreigd en heeft Al-Shabaab de woning van zijn tante in Mogadishu bezocht. Eiser maakt niet duidelijk hoe Al-Shabaab zijn nieuwe verblijfplaats zo snel kon vinden. Concluderend mocht de minister eisers verklaringen over de bedreigingen van Al-Shabaab ongeloofwaardig achten.\n\nMag de minister Mogadishu voor eiser aanmerken als vestigingsalternatief?\n\n8. Eiser betoogt dat de minister Mogadishu voor hem ten onrechte aanmerkt als veilig vestigingsalternatief. De minister moet een individuele risicobeoordeling maken, hetgeen in het bestreden besluit ten onrechte niet is gebeurd. Er is namelijk geen concrete individuele analyse verricht met betrekking tot de vraag of eiser juist in Mogadishu risico loopt vanwege zijn profiel. Dit terwijl uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor een vestigingsalternatief een individuele en feitelijke analyse vereist is. Het bestreden besluit is dan ook tot stand gekomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht aan eiser een vestigingsalternatief voor Mogadishu opgelegd. Zij legt dit hieronder uit.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat uit openbare informatie volgt dat eisers dorp van herkomst - [naam dorp] - mogelijk niet te bereizen is zonder door het gebied te gaan waar Al-Shabaab de macht heeft of waar Al-Shabaab het gebied controleert. Verder is niet in geschil dat in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, van de Vw 2000. Eiser kan echter wel terugkeren naar Mogadishu. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat eiser ongeveer twee maanden in Mogadishu heeft verbleven voordat hij vertrok uit Somalië. Dat maakt dat hij eerder heeft verbleven in het gebied buiten het gebied van herkomst. Daarnaast heeft eiser twee maanden bij zijn tante in Mogadishu verbleven, zodat de minister ook heeft gekeken naar de aanwezigheid van grootfamilie. Ook eisers echtgenote en kinderen bevinden zich naar zijn zeggen inmiddels in Mogadishu. Uit openbare informatie volgt voorts dat de Hawiye bevolkingsgroep, waartoe eiser behoort, de dominante clanfamilie is in Mogadishu.Eiser kan daarom in Mogadishu terugvallen op zijn stam. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht. Dit heeft de rechtbank hierboven in rechtsoverweging 7.2 en verder ook bevestigd. Daarbij komt dat ook de inval door Al-Shabaab die bij de tante van eiser zou hebben plaatsgevonden door de minister terecht niet geloofwaardig is geacht. Eiser heeft (ook) in Mogadishu niet te vrezen voor Al-Shabaab. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU, de Kwalificatierichtlijn, is per 11 juni 2026 vervallen en met de inwerkingtreding van het Europees Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026 vervangen door Verordening 2024\u002F1347\u002FEU, de Kwalificatieverordening.\n\n De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepsgronden weliswaar heeft verwezen naar een aantal bronnen, maar hiervan geen vindplaatsen, data of passages heeft aangehaald.\n\n Pagina 19 van het nader gehoor.\n\n Pagina 16 van het nader gehoor.\n\n Pagina 20 van het nader gehoor.\n\n Algemeen Ambtsbericht Somalië april 2025, pagina 33.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17992","2026-07-13T00:29:46.626Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":30,"updatedAt":79},"1703","ECLI:NL:RBDHA:2026:17557","ecli-nl-rbdha-2026-17557","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.16863\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. B.G. Smouter),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot verlenging van de termijn om eiser aan Frankrijk over te dragen (de overdrachtstermijn). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet in stand kan blijven, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser is ondergedoken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn van eiser verlengd.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Eiser heeft op 9 december 2024 een asielaanvraag ingediend. Op grond van de (toen geldende) Dublinverordening heeft de minister vastgesteld dat niet Nederland, maar Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag. De minister heeft Frankrijk daarom op 17 januari 2025 verzocht om eiser terug te nemen. Frankrijk heeft dit verzoek op 28 januari 2025 geaccepteerd.\n\n3.1.. De minister heeft de asielaanvraag van eiser vervolgens met het besluit van 5 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit besluit omvat ook een overdrachtsbesluit. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 maart 2025. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dit beroep met haar uitspraak van 27 juni 2025 ongegrond verklaard.Eiser heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op dit hoger beroep nog geen uitspraak gedaan.\n\n3.2.. Met het bestreden besluit heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd, omdat hij vindt dat eiser is ondergedoken.\n\nIs eiser ondergedoken?\n\n4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zou zijn ondergedoken. Het bestreden besluit behelst immers slechts de vaststellingdat eiser is ondergedoken (zonder nadere motivering) en uit het dossier blijkt ook niet welke feiten aanleiding zouden kunnen hebben gegeven tot de conclusie dat eiser is ondergedoken. Bovendien was feitelijk gezien ook geen sprake van onderduiken. Eiser verbleef naar eigen zeggen op de dag van de geplande (vrijwillige) overdracht (2 april 2025) op zijn kamer in het opvangcentrum. In de ochtend klopten medewerkers van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) bij eiser aan om hem op te halen voor de geplande vlucht. Eiser heeft toen geweigerd om mee te gaan. Zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag zou namelijk enkele dagen later (op 10 april 2025) op zitting worden behandeld en eiser wilde de uitkomst van die procedure in Nederland afwachten. De medewerkers van de DV&O hebben dat genoteerd, en zijn toen (zonder eiser) weer vertrokken. Voor zover dat volgens de minister voldoet aan de definitie van ‘onderduiken’, is dat standpunt onjuist.\n\n4.1.. De minister heeft de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser volgens hem is ondergedoken. In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser ruim van tevoren is geïnformeerd over de datum van de geplande overdracht en het geplande ophaalmoment, en dat hem (meermaals) is verteld dat hij beschikbaar moest blijven voor de verwijderingsprocedure en medewerking moest verlenen aan de overdracht. Omdat eiser op het geplande ophaalmoment echter niet aanwezig was op zijn kamer op de opvanglocatie en ook niet elders (zichtbaar) aanwezig was op het terrein van de opvanglocatie,is sprake van onderduiken in de zin van de Dublinverordening. De minister stelt verder dat ook als moet worden uitgegaan van de feiten zoals door eiser gepresenteerd volgens hem sprake is van onderduiken. Eiser heeft in dat geval niet meegewerkt aan een verplichte overdracht. Bovendien wist hij dat hij zijn beroep tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten, omdat het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat beroep was afgewezen.4.2.. De beroepsgrond van eiser slaagt. De minister heeft de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd op de grond dat eiser is ondergedoken.\n\n4.2.1.. Van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening is sprake als een asielzoeker er doelbewust voor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het oog om deze overdracht te voorkomen. Dat wordt vermoed het geval te zijn wanneer de vreemdeling zijn woonplaats verlaat zonder de bevoegde autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te stellen én de vreemdeling van tevoren is geïnformeerd over de verplichtingen die in dat kader op hem rusten.\n\n4.2.2.. Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser van tevoren is geïnformeerd over de overdracht en dat hem van tevoren is verteld dat hij daaraan moest meewerken. Eiser heeft echter wel (gemotiveerd) betwist dat hij op het moment van het ophaalmoment niet op zijn kamer of op de opvanglocatie verbleef. De minister stelt zich op het standpunt dat dit uit het overgelegde TBBA-formulier voldoende blijkt, maar de rechtbank volgt dat standpunt niet. Afgezien nog van het feit dat het formulier een standaardformulier lijkt te zijn dat verder niet op eiser is toegespitst en niet volledig is ingevuld (omdat enkele data ontbreken), is het onduidelijk door wie en in welke hoedanigheid het formulier is ingevuld en is het niet ondertekend. Hoewel dit – zoals de minister heeft gesteld – op zich geen afbreuk doet aan de (rechts)geldigheid van het formulier, heeft het wel gevolgen voor de bewijswaarde van het formulier. Zonder ondertekening kan de rechtbank aan het overgelegde TBBA-formulier niet dezelfde bewijswaarde toekennen als aan (bijvoorbeeld) een op ambtseed of -belofte opgemaakt proces-verbaal, en behelst het formulier slechts een schriftelijke herhaling van het standpunt van de minister zoals vervat in het bestreden besluit en het verweerschrift. Vanwege de beperkte bewijswaarde en gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser, gaat de rechtbank niet uit van de feiten zoals gepresenteerd in het TBBA-formulier. Omdat de minister zijn standpunt dat eiser zich op het ophaalmoment buiten bereik van de autoriteiten bevond op dit TBBA-formulier heeft gebaseerd, heeft dit oordeel tot gevolg dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser op 2 april 2025 is ondergedoken.\n\n4.2.3.. Ook als de rechtbank uitgaat van de feiten zoals door eiser gepresenteerd, kan niet worden gesproken van ‘onderduiken’ in de zin van de Dublinverordening. In dat geval zou het onderduiken gelegen zijn in de weigering van eiser om met de medewerkers van de DV&O mee te gaan. Uit de rechtspraak volgt echter dat dit slechts gelijk zou kunnen staan aan het frustreren van de overdracht,maar – zoals eiser terecht heeft gesteld – niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser op het moment van de geplande overdracht buiten het bereik van de autoriteiten was en dus is ondergedoken. In zoverre is dus ook niet van belang wáárom eiser de overdracht heeft gefrustreerd en dat hij zijn beroep niet in Nederland mocht afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser is ondergedoken. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals eiser heeft verzocht, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser en\u002Fof dat de minister eiser moet opnemen in de nationale procedure. Dat heeft immers betrekking op de asielaanvraag van eiser, terwijl dit beroep slechts gaat over de vraag of de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. De rechtbank zou in dat geval buiten de grenzen van het geschil treden.Dat de oorspronkelijke overdrachtstermijn inmiddels ruimschoots is verstreken en de verantwoordelijkheid van Nederland voor de asielaanvraag van rechtswege volgt uit de vernietiging van het bestreden besluit, is geen reden om daar anders over te oordelen.\n\n5.1.. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934, met een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rb. Den Haag (zp Arnhem) 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11344.\n\n Eiser wijst op ABRvS 15 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3787.\n\n De minister wijst ter onderbouwing op het formulier ‘Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten in de zin van de Dublinverordening ter verlenging van de Uiterste Overdrachtstermijn’ (het TBBA-formulier) van 2 april 2025.\n\n Rb. Den Haag (zp Arnhem) (vzr.) 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5540.\n\n ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, met verwijzing naar HvJEU 19 maart 2019, C-163\u002F17, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), r.o. 56, 61-62 en 70. Vergelijk ook paragraaf C1\u002F2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (zoals die gold vóór 12 juni 2026).\n\n ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630, r.o. 7.\n\n Vergelijk artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17557","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.388Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":30,"updatedAt":87},"1704","ECLI:NL:RBDHA:2026:17534","ecli-nl-rbdha-2026-17534","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.46252\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. A. Heida),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. M. Dalhuizen).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Volgens de minister ligt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van die aanvraag bij Duitsland. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal hierna te bespreken beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft de aanvraag daarom terecht niet in behandeling genomen. Omdat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, is het beroep gegrond. Maar de minister heeft dit motiveringsgebrek in beroep hersteld, zodat eiser alsnog geen gelijk krijgt. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n1.2.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop (2) en de relevante feiten (3) uiteen. De rechtbank beoordeelt eerst onder 4 of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarbij betrekt zij het arrest Qassioun.Vervolgens beoordeelt de rechtbank of een overdracht aan Duitsland indirect refoulement oplevert (5). Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn (6). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (7).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 4 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op een enkelvoudige zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister – mr. P. Boelhouwer – deelgenomen. Het onderzoek is op die zitting gesloten. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van dezelfde datum bepaald dat eiser niet aan Duitsland mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.\n\n2.3.. De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 30 april 2026. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat zijn de relevante feiten?\n\n3. Eiser komt uit Syrië. Hij heeft op 19 april 2024 in Duitsland een asielaanvraag ingediend. De Duitse autoriteiten hebben hem op 15 augustus 2024 internationale bescherming verleend in de vorm van subsidiaire bescherming. Deze status is op 4 juni 2025 ingetrokken. Dat besluit staat sinds 25 juni 2025 in rechte vast. De minister heeft Duitsland daarom op 17 juli 2025 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op 23 juli 2025 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. Daarbij hebben de Duitse autoriteiten meegedeeld dat overdracht niet meer nodig was, omdat eiser zelf al naar Duitsland was gereisd. Eiser heeft zich echter op 4 augustus 2025 opnieuw gemeld bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 15 september 2025 een nieuw terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening bij de Duitse autoriteiten ingediend. Duitsland heeft ook dit verzoek op 19 september 2025 aanvaard.\n\nIs Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvraag?\n\n4. Eiser betoogt dat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is en dat daarom geen sprake is van een rechtsgeldig overdrachtsbesluit. Volgens eiser zijn het claimverzoek, het claimakkoord en het overdrachtsbesluit ten onrechte gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Die bepaling heeft betrekking op afgewezen asielverzoeken. De situatie van eiser verschilt daarvan, omdat Duitsland hem eerst internationale bescherming heeft verleend en deze pas later heeft ingetrokken.\n\n4.1.. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Qassioun geoordeeld dat artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening niet ziet op de situatie waarin een eerder verleende verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Volgens het Hof van Justitie volgt uit de tekst van die bepaling dat in zo’n geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming.Daarom is geen sprake van een ‘afwijzing’ in de zin van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het Hof van Justitie komt op grond van een systematische en teleologische uitleg tot dezelfde conclusie.\n\n4.1.1.. De rechtbank stelt vast dat het in dit geval niet gaat om het niet verlengen van een eerdere verblijfstitel, maar om intrekking van internationale bescherming. Het arrest Qassioun is echter ook op die situatie van toepassing, omdat ook in dat geval eerder positief is beslist op het verzoek om internationale bescherming. De minister heeft dit op de zitting van 30 april 2026 ook niet betwist. Dit betekent dat de minister het overdrachtsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Het besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit.\n\n4.2.. De minister heeft zich in het verweerschrift van 10 november 2025, en op beide zittingen, subsidiair op het standpunt gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.\n\n4.2.1.. \n\nUit het arrest Qassioun volgt dat de situatie van een derdelander met een verlopen verblijfstitel niet in artikel 18, eerste lid, onder d, maar in artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is geregeld.Eiser valt onder die bepaling. Zijn eerdere subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland kan worden aangemerkt als ‘verblijfstitel’.Niet in geschil is dat hij het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten en de verblijfstitel is minder dan twee jaar verlopen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen sprake is van een verlopen verblijfstitel omdat de status is ingetrokken. Met die intrekking is immers een einde gekomen aan de geldigheid van de eerder verleende verblijfstitel. In zoverre verschilt de situatie niet wezenlijk van die waarin een verblijfstitel niet wordt verlengd of vernieuwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de tekst van artikel 12, vierde lid, niet volgt dat deze bepaling uitsluitend ziet op verblijfstitels die door tijdsverloop zijn geëindigd.\n\nIndien de Uniewetgever een onderscheid had willen maken tussen een verlopen, niet-verlengde of ingetrokken verblijfstitel, had het voor de hand gelegen dat expliciet in de bepaling tot uitdrukking te brengen. Voor de door eiser voorgestane beperkte uitleg van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.\n\n4.2.2.. De minister kon het overdrachtsbesluit daarom niet baseren op artikel 18, eerste lid, onder d, maar wel op artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond dat de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is, slaagt dus niet.\n\n4.2.3.. Dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening niet in het claimverzoek en het claimakkoord zijn genoemd, maakt dit niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, betekent het noemen van een onjuiste grondslag in een claimverzoek of\u002Fen claimakkoord niet dat geen geldig claimakkoord tot stand is gekomen. Wel geldt dat de minister de betrokken lidstaat volledig moet informeren.Daaraan is voldaan. In beide claimverzoeken is vermeld dat eiser internationale bescherming had in Duitsland en wanneer die verblijfstitel is ingetrokken. De Duitse autoriteiten konden daarom voldoende geïnformeerd op het claimverzoek beslissen en hebben zich ook tweemaal verantwoordelijk geacht. De rechtbank betrekt hierbij ook dat pas met het arrest Qassioun duidelijk is geworden dat in een situatie als de onderhavige artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening als de juiste grondslag heeft te gelden, en niet artikel 18, eerste lid, onder d.\n\nMoet de minister het risico op indirect refoulement beoordelen?\n\n5. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op refoulement met zich meebrengt, omdat hij vreest dat de Duitse autoriteiten hem direct na overdracht naar Syrië zullen terugsturen.\n\n5.1.. Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023en de Afdeling van 12 juni 2024volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Eiser heeft niet onderbouwd gesteld dat dergelijke systeemfouten zich voordoen. Voor zover eiser in dit verband heeft aangevoerd dat hij in Duitsland geen rechtsmiddel kon instellen tegen de intrekking van zijn asielstatus, volgt de rechtbank hem hierin niet. Eiser heeft zelf een bijlage met rechtsmiddelen-informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij die mogelijkheid wél had.Dat die rechtsbijstand niet gratis is, doet daaraan niet af. De Procedurerichtlijn verplicht enkel tot kosteloze rechtsbijstand bij een procedure tegen de afwijzing van een eerste asielverzoek. Als eiser problemen ondervindt met procedures, zijn gemachtigde of zijn behandeling door de Duitse autoriteiten, moet hij dat voorleggen aan de (hogere) Duitse instanties. Er zijn geen aanwijzingen dat die autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.\n\n5.2.. Het is de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat zich systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen in Duitsland. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat. Dit dient in Duitsland te worden beoordeeld. Bovendien heeft Duitsland met de expliciete claimakkoorden te kennen gegeven de asielaanvraag van eiser te zullen behandelen. Daarbij is Duitsland gehouden de uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM voortvloeiende verplichtingen, waaronder het verbod van (indirect) refoulement, in acht te nemen.Deze beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nIs de uiterste overdrachtsdatum verstreken?\n\n6. Eiser heeft in beroep opgemerkt dat de overdrachtstermijn op 23 juli 2025 (de datum van het eerste claimakkoord van de Duitse autoriteiten) is gaan lopen en niet pas op 19 september 2025 (de datum van het tweede claimakkoord). Voor zover eiser hiermee betoogt dat de overdrachtstermijn is verstreken, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zelfs als wordt uitgegaan van 23 juli 2025 als aanvangsdatum, is de overdrachtstermijn niet verstreken. De voorzieningenrechter heeft namelijk op 10 december 2025, en dus binnen zes maanden na 23 juli 2025, een voorlopige voorziening getroffen. Daarmee is de overdrachtstermijn opgeschort. Na deze uitspraak vangt daarom een nieuwe overdrachtstermijn van zes maanden aan.Alleen daarom al slaagt deze beroepsgrond niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom. De rechtbank laat uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.401,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 30 april 2026, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 22 september 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401,00 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid mr. R. Barzilay, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n HvJEU (Qassioun) 30 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:838.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:23823.\n\n Punt 54.\n\n Punten 56-65.\n\n Punt 59. Zie ook conclusie bij dit arrest, punt 43 en 58.\n\n Zie ook de ruime definitie van ‘verblijfstitel’ in artikel 2, onder l, van de Dublinverordening. Dat het begrip ruim moet worden opgevat volgt ook uit HvJEU (E.S.) 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:683 onder 35.\n\n Uit het besluit van de Duitse autoriteiten van 4 juni 2025 blijkt niet dat sprake is van een intrekking met terugwerkende kracht.\n\n ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1 en ABRvS 24 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2289, onder 7.3 en ABRvS 19 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1563, onder 2.1.\n\n Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n Duitse intrekkingsbesluit van 4 juni 2025, pagina 12.\n\n ABRvS 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, onder 4.\n\n ABRvS 27 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3506, ABRvS 18 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5523 en ABRvS 23 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8549. Zie ook HvJEU (Petrosian) 29 januari 2009, ECLI:EU:C:2009:41, onder 45 en 53 en HvJEU (Khir Amayry) 13 september 2017, ECLI:EU:C:2017:675, onder 55.\n\n De rechtbank heeft in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2025 al een punt toegekend voor de zitting van 11 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17534","2026-07-13T00:29:34.428Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":92,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":30,"updatedAt":95},"1064","ECLI:NL:RBDHA:2026:17061","ecli-nl-rbdha-2026-17061","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9309\n uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Taiz in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20, terecht voor de provincie Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. Ook bespreekt de rechtbank voor het eerst wat de gevolgen zijn van het arrest Ebilumvan het Hof van Justitie voor de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025\u002F20 voor de provincie Taiz mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in plaats van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Taiz wegens zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat de minister zijn standpunt, dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn, niet toereikend heeft gemotiveerd. De minister hoeft echter geen nieuw besluit te nemen, omdat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen daaraan zijn verbonden.\n\n1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank beoordeelt eerst het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen (5-7). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld (8-12): daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (10), of de minister voor de provincie Taiz de hoogste gradatie van willekeurig geweld had moeten aannemen (11) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (12). Onder 13 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het langdurige verblijf in het Westen (14). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (15).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft, gelet op de loopbrief, op 27 augustus 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en op 26 februari 2026 en 19 mei 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 15 mei 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren in Taiz. Hij heeft Jemen in 2008 of 2009 op vijfjarige leeftijd met zijn familie verlaten en is opgegroeid in Saoedi-Arabië. Na afronding van de middelbare school keerde hij op 27 juli 2023 terug naar Jemen om daar te studeren. Eiser stelt dat hij na zijn terugkeer door de Houthi’s is aangehouden, omdat zij hem vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië van spionage verdachten. De Houthi’s wilden hem rekruteren en eiser moest verplicht deelnemen aan een herintegratiecursus, waarna hij naar het front zou worden gestuurd. Om daaraan te ontkomen heeft hij toestemming gevraagd om zijn oma te bezoeken. Nadat dit verzoek was ingewilligd, is hij gevlucht en heeft hij Jemen verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw in de negatieve belangstelling van de Houthi’s zal komen te staan. Daarnaast beroept hij zich op de slechte algemene veiligheidssituatie in Jemen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser die problemen onvoldoende met documenten heeft onderbouwd, omdat het door hem overgelegde arrestatiebevel een kopie is en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser loopt volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Taiz heeft de minister een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.\n\nIs het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig geacht?\n\nIs Werkinstructie (WI) 2024\u002F6 in strijd met het Unierecht?\n\n5. Eiser betoogt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in\n\nWI 2024\u002F6 in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. De minister had de beantwoording van die prejudiciële vragen moeten afwachten.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 25 juni 2025en 8 september 2025geoordeeld dat WI 2024\u002F6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. In dat wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De minister was dan ook niet gehouden de beantwoording van de door zittingsplaats Roermond gesteld prejudiciële vragen af te wachten voordat hij op de aanvraag besliste. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zelf besluitvorming heeft afgedwongen door het instellen van een beroep wegens niet tijdig beslissen.\n\nHeeft eiser het relaas voldoende met documenten onderbouwd?\n\n6. Eiser betoogt dat de inhoud van het door hem overgelegde arrestatiebevel zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s ondersteunt. Volgens hem mag de minister het document niet terzijde schuiven enkel omdat het een kopie betreft, te meer nu in Jemen van gewapende groeperingen geen originele documenten kunnen worden verkregen.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser het arrestatiebevel alleen in kopie heeft overgelegd. Een kopie kan echter niet op echtheid worden onderzocht, zodat de minister daaraan terecht minder bewijswaarde heeft toegekend.Dat eiser een goede verklaring stelt te hebben waarom hij geen origineel kon overleggen, neemt dat niet weg. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielrelaas niet voldoende met documenten heeft onderbouwd (stap 2a van WI 2024\u002F6). Gelet hierop heeft de minister terecht beoordeeld of eiser, gelet op zijn verklaringen, het voordeel van de twijfel moet krijgen en het asielrelaas alsnog geloofwaardig is (stap 2b). In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6.2.. Uit de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025 volgt dat de minister bewijsmateriaal dat niet voldoende sterk is als onderbouwing van een asielmotief in stap 2a, ook betrekt bij de beoordeling of een betrokkene het voordeel van de twijfel moet krijgen, onder stap 2b. Dat blijkt, voor wat betreft kopieën van documenten, ook uit WI 2024\u002F6.De minister heeft in het verweerschrifterkend dat hij ten onrechte – naar de rechtbank begrijpt in het kader van stap 2b van WI 2024\u002F6 – niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Het betoog dat de minister het arrestatiebevel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt daarom en het beroep is om die reden gegrond. Wat de gevolgen hiervan zijn, bespreekt de rechtbank onder 7.4.\n\nZijn de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel?\n\n7. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.Aan dat standpunt heeft hij in het besluit vier argumenten ten grondslag gelegd. In het verweerschrift heeft de minister het vierde argument – inhoudende dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn – niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal hierna de drie resterende argumenten bespreken aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.\n\nKan tegelijkertijd sprake zijn van een verdenking van spionage en een rekruteringspoging?7.1.. Eiser betoogt dat zijn verklaringen over de aandacht van de Houthi’s niet vreemd zijn. Volgens hem kunnen de Houthi’s hem enerzijds verdenken van spionage vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië, terwijl zij hem anderzijds willen rekruteren. Eiser heeft toegelicht dat de Houthi’s ervan uitgaan dat personen die hun ideologie nog niet aanhangen, door middel van een verplichte integratiecursus kunnen worden geïndoctrineerd en overtuigd van hun ideologie.\n\n7.1.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum,het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet valt in te zien dat de Houthi’s eiser enerzijds als spion beschouwden vanwege zijn verblijf in Saoedi-Arabië en hem anderzijds wilden rekruteren. Daarbij is van belang dat eiser volgens zijn verklaringen een verrader is genoemd en verdacht is van steun aan Saoedi-Arabiëen is opgepakt, verhoord en mishandeld,maar een dag later is gerekruteerd.De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gang van zaken niet aannemelijk is. Het ligt immers niet voor de hand dat de Houthi’s een persoon zouden rekruteren die zij verdenken een spion te zijn. Dat zou immers grote risico’s voor de Houti’s kunnen opleveren. Dat eiser eerst een integratiecursus zou moeten volgen, neemt dat risico niet weg. De minister heeft deze tegenwerping daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.\n\nWas het aannemelijk dat eiser onbegeleid zijn oma mocht bezoeken?7.2.. Eiser betoogt dat het niet onaannemelijk is dat de Houthi’s hem toestemming hebben verleend, voordat hij zou beginnen met de herintegratiecursus, om afscheid te nemen van zijn oma, mede gelet op de bemiddeling en garantstelling door lokale gezagsdragers. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het in Jemen geldende referentiekader, waarin bemiddeling en garantstelling door familieleden en dorpsoudsten gebruikelijk zijn.7.2.1.. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemding wekt dat eiser, die door de Houthi’s werd beschouwd als spion, al na korte tijd in de gelegenheid is gesteld om onbegeleid of met beperkte controle zijn oma te bezoeken.Het ligt juist in de rede dat de Houthi’s, gelet op die verdenking en het vluchtgevaar, eiser in de gaten zouden willen houden, te meer nu hij eerder door hen was aangehouden, verhoord en mishandeld. Daarbij komt dat eiser geen overtuigende verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van een minder risicovolle optie, zoals het laten overkomen van zijn oma, die dichtbij woonde, naar de plaats van detentie. De enkele verwijzing naar de invloed van dorpsoudsten binnen de Jemenitische samenleving, welke stelling niet met objectieve landeninformatie is onderbouwd, doet aan het voorgaande niet af. Ook deze tegenwerping heeft de minister daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.\n\nIs het aannemelijk dat eiser de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren?7.3.. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij tijdens zijn vlucht de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren. Hij heeft in zijn zienswijze toegelicht dat meerdere routes naar de door hem gepasseerde grensovergang van Alwadia leiden en dat hij hoofdzakelijk door regeringsgebied heeft gereisd. Dit verklaart volgens hem ook de duur van de reis van circa twee dagen. De route is volgens eiser bovendien door een vriend van zijn oom geregeld, omdat hij zelf na veertien jaar afwezigheid niet bekend was met de situatie ter plaatse. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen (ambtsbericht) van april 2025en een kaart van het district Mawiyah, waaruit volgens hem blijkt dat niet alle routes door Houthi-gebied lopen.\n\n7.3.1.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten kon ontwijken. Daarbij is van belang dat de minister zijn tegenwerping grotendeels heeft gebaseerd op algemene informatie over controleposten in de omgeving van Taiz en veronderstellingen over de reisroute van eiser, terwijl die route tijdens het nader gehoor slechts beperkt is uitgevraagd. Weliswaar is eiser gevraagd via welke grensovergang hij Saoedi-Arabië is ingereisd, maar niet via welke route hij het door de Houthi’s gecontroleerde gebied heeft verlaten. Dat klemt temeer nu eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van zijn vertrek in Mawiyah verbleef, ten oosten van Taiz en dichterbij regeringsgebied.Daarom valt niet in te zien waarom de minister ervan uitgaat dat eiser langs een zodanig aantal controleposten is gereisd dat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn. Het aangehaalde aantal controleposten langs de weg tussen Taiz en Aden is in dit verband ook niet relevant, omdat eiser, die uit Mawiyah vertrok en naar Saoedi-Arabië reisde, in ieder geval Jemen niet op deze wijze heeft verlaten.\n\nDaarbij komt dat eiser een concrete verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van controles. Zo heeft hij verklaard dat hij zich tijdens de reis verborgen hield in het voertuig.Ook heeft hij volgens zijn verklaringen gebruik gemaakt van de diensten van personen die tegen betaling reizigers begeleiden via routes waar zo veel mogelijk controleposten worden vermeden, dan wel die beschikken over contacten waardoor controles achterwege blijven.Dat eiser en een vriend van zijn oom, die hem heeft geholpen, volgens eisers verklaringen zelf van te voren geen plan bedachten om uit te reizen is daarmee niet in strijd, nu eiser kennelijk, ook gelet op de toelichting ter zitting, de keuze van de route aan deze personen heeft overgelaten. De minister is op deze verklaringen niet kenbaar ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Ook om deze reden is het beroep gegrond.\n\nKan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?7.4.. Zoals hiervoor is overwogenis het beroep gegrond, omdat de minister in het besluit ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Daarnaast is het beroep gegrond omdat de minister twee van de vier tegenwerpingen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd: dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn heeft de minister zelf laten vallenin het verweerschrift en, zoals hiervoor is geoordeeld, de tegenwerping dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten heeft kunnen ontwijken, is onvoldoende door de minister gemotiveerd. Dit betekent dat het besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter, volgens dit arrest, een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichtenen niet behoeft terug te verwijzen als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden.Deze situatie is hier aan de orde en dat zal de rechtbank hierna toelichten.\n\n7.4.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat de minister het door eiser overgelegde arrestatiebevel in beroep alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat aan dit document slechts beperkte bewijswaarde toekomt, gelet op de inhoud en de daarin ontbrekende of ongerijmde gegevens. Uit de vertaling van dit stukblijkt enkel dat eiser wordt gezocht wegens de weigering om zich te melden bij het hoofdkwartier van het Jemenitische Openbaar Ministerie. In dit document worden de door eiser gestelde gebeurtenissen zoals de aanhouding, de detentie en de training die eiser zou moeten volgen, niet genoemd. Daarnaast ontbreken, afgezien van de naam van eiser, nadere persoonsgegevens, zoals een geboortedatum. Ook is als woonplaats Taiz genoemd, terwijl eiser woonachtig was in Saoedi-Arabië en hij tijdelijk verbleef bij zijn oma in het dorp [naam dorp] (district Mawiyah), wat niet onder de plaats Taiz valt. De minister heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat het arrestatiebevel weinig bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde gebeurtenissen.\n\nVervolgens is van belang dat de tegenwerpingen die de rechtbank onder 7.1.1 en 7.2.1 heeft besproken wél in stand blijven. Deze tegenwerpingen raken naar het oordeel van de rechtbank de kern van het asielrelaas van eiser: ze zien op de aanleiding voor de gestelde aanhouding, de daaropvolgende behandeling door de Houthi’s en de wijze waarop eiser daaraan zou zijn ontkomen. De minister heeft dit op zitting ook bevestigd en toegelicht dat het wegvallen van de andere twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zouden maken. De rechtbank volgt dit. Daarom bestaat aanleiding om in zoverre de rechtsgevolgen in stand te laten.\n\nLoopt eiser het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer naar Taiz een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid van de minister en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n9.1.. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraken was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit ambtsbericht.\n\n9.2.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20 het landenbeleid gewijzigd. In dat beleid is, net als in WBV 2024\u002F9, voor de provincie Taiz aangenomen dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit beleid ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.\n\nIs de beoordeling in WBV 2025\u002F20 van de veiligheidssituatie volledig?\n\n10. Eiser betoogt dat de minister in WBV 2025\u002F20, dat volgens hem vrijwel ongewijzigd is ten opzichte van het voorheen voor Jemen geldende beleid, onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd welke humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Ook had de minister een diepgaander onderzoek moeten doen naar de algemene veiligheidssituatie in Taiz. Eiser wijst op meerdere uitspraken, waaronder uitspraken van zittingsplaats Rotterdam, Roermonden Den Haag.\n\n10.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals die luidde tot 12 juni 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n10.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het toenmalige landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n10.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 10.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de meer recente confrontaties in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van de strijdende partijen. De minister heeft in de bijlage 15c-beoordeling namelijk erkend dat de humanitaire situatie slecht is en dat Jemen gekenmerkt wordt door armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise. Ook is daarbij betrokken dat de Houthi’s op grote schaal langs de frontlijnen landmijnen hebben geplaatst in bewoonde gebieden en landbouwgebieden waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, dat vooral de Houthi-beweging de toegang tot humanitaire hulp dwarsboomt waarbij zij de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp inzet als wapen in de strijd, dat de levering van humanitaire hulp bemoeilijkt werd doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden en humanitaire goederen het land hierdoor niet in konden komen en dat de niet-gouvernementele organisatie Assessment Capacities Project constateerde dat tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp zichtbaar was.Daarnaast is bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan, waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak, waartegen hoger beroep is ingesteld, wordt ervan uitgegaan dat de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid zijn betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist: sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota.De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.\n\n10.4.. De minister hoefde de relevant te achten omstandigheden ook niet diepgaander in zijn beoordeling van de algemene situatie te betrekken. Uit het arrest CF en DN volgt dat bij die beoordeling alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name die welke de situatie in het land van herkomst kenmerken, globaal in aanmerking worden genomen.De term ‘globaal’ dient, mede gelet op de andere taalversies, aldus te worden verstaan dat de 15c-beoordeling allesomvattend moet zijn, in de zin dat alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken moeten worden. Het betekent niet dat de minister ieder relevant aspect afzonderlijk tot in detail in het beleid moet analyseren, net zoals het niet betekent dat de minister kan volstaan met een oppervlakkige beoordeling van de situatie in het land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze beoordelingsmaatstaf op een juiste wijze heeft toegepast. Uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’ volgt dat de veiligheidssituatie in Jemen en Taiz is beoordeeld aan de hand van relevante indicatoren en actuele landeninformatie en deze beoordeling is niet oppervlakkig van aard. Daarmee is voldaan aan de vereisten uit het arrest CF en DN. De minister kon daarom volstaan met deze beoordeling. Ook in zoverre slaagt de beroepsgrond niet.\n\nHad de minister een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?\n\n11. Eiser betoogt dat hij niet kan terugkeren naar Taiz. De minister had volgens eiser in WBV 2025\u002F20 moeten uitgaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in de provincie Taiz. Dat onderbouwt eiser met een verwijzing naar hetzelfde ambtsbericht waarop WBV 2025\u002F20 is gebaseerd, notities van VluchtelingenWerk Nederland van 19 december 2925 en 5 januari 2026 en een groot aantal nieuwsberichten en artikelen die deels ook dateren van na de verslagperiode van het ambtsbericht van april 2025.\n\n11.1.. De minister heeft in WBV 2025\u002F20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van de middelste gradatie van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht hij van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet een uitzonderlijk, niveau van willekeurig geweld.\n\n11.2.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat uit de ambtsberichten van september 2023en april 2025volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich sinds het bestand van 2022 en het daaropvolgende de facto bestand kenmerkt door een structurele afname van grootschalige militaire escalaties. Waar voorheen sprake was van wijdverspreide gevechten en regelmatige luchtaanvallen, is sindsdien een meer stabiele, zij het fragiele, situatie ontstaan met vooral lokale en langs frontlinies geconcentreerde soms oplaaiende vijandelijkheden.Gegevens van Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) laten zien dat de geregistreerde incidenten, gecodeerd als ‘gevechten’ en ‘explosies en geweld op afstand’, en het aantal dodelijke slachtoffers daarbij, sinds 2022 gestaag daalden. Uit deze gegevens blijkt wel dat tegenover de daling van de vijandelijkheden aan de bestandslijnen een stijging van het aantal incidenten van geweld tegen burgers stond, hoewel aantallen geregistreerde dodelijke slachtoffers daarbij niet stegen. De twee grootste veroorzakers van burgerslachtoffers waren landmijnen en explosieve oorlogsresten door de toenemende bewegingsvrijheiden willekeurige aanvallen op burgerdoelen (door de Houthi’s met drones of luchtaanvallen door de internationale coalitieen Israël). Het Civilian Impact Monitoring Project (CIMP) registreerde in 2023 de laagste aantallen burgerslachtoffers in Jemen sinds jaren en in 2024 daalde dat aantal verder.Al het voorgaande wijst op een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau.\n\nVoor de provincie Taiz, dat een inwonertal van circa 3.516.000 heeft, blijkt uit deze ambtsberichten dat het geweld zich concentreert langs langdurige frontlinies tussen Houthi-troepen en anti-Houthi-coalities, waarbij de controle over gebieden sterk is verdeeld. Hoewel Taiz nog steeds een van de provincies is met de meeste gewelddadige incidenten, blijkt uit de ambtsberichten dat het geweld zich vooral concentreert langs vaste bestandslijnen en niet het gehele grondgebied in gelijke mate treft. De recente gegevens laten bovendien zien dat het aantal burgerslachtoffers in Taiz in 2023 en 2024 is gedaald (naar 222 en 189), wat door de minister terecht is betrokken als indicatie dat de intensiteit van het geweld niet het niveau bereikt dat vereist is voor de meest uitzonderlijke situatie.\n\nDe minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft volgens de minister gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau.\n\nTaiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerden dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten.Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door aanwezigheid een reëel risico loopt.\n\nVoorts volgt uit de ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen.De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren.\n\nDe humanitaire omstandigheden in Jemen zijn slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, door aanvallen op landbouwgronden, waterinfrastructuur en andere voorzieningen die essentieel zijn voor de voedselvoorziening. Daarnaast hebben de Houthi’s op grote schaal landmijnen geplaatst in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, en de toegang tot humanitaire hulp, waaronder voedseldistributie, werd beperkt. Hierdoor kwam de toegang van de bevolking tot voedsel en water verder onder druk te staan.In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, hoewel tegelijkertijd Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid.Daar komt bij dat overstromingen, aardverschuivingen en extreme weersomstandigheden aanzienlijke schade hebben toegebracht aan infrastructuur, landbouwgronden en watervoorzieningen, waardoor de toch al kwetsbare leefomstandigheden van de bevolking verder zijn verslechterd.Hoewel de humanitaire situatie zorgelijk is, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.\n\n11.3.. Alles in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – biedt de landeninformatie onvoldoende grond voor het oordeel dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij allereerst op dat eiser heeft verwezen naar omvangrijke producties, zonder concreet te duiden op welke passages hij zich beroept. Uit de overgelegde stukken blijkt verder hoofdzakelijk van de aanvallen van de Houthi’s op internationale scheepvaart in de Rode Zee en de daaropvolgende luchtaanvallen van de Verenigde Staten op doelen in Houthi-gebied, van spanningen in Zuid-Jemen en van Israëlische aanvallen op doelen in Sanaa. Deze ontwikkelingen hebben echter geen of slechts een beperkte relatie met de veiligheidssituatie in Taiz. Ook uit de door eiser overgelegde notities van VluchtelingenWerk Nederland volgt niet dat de veiligheidssituatie in Taiz wezenlijk is verslechterd ten opzichte van het beeld dat uit het ambtsbericht van april 2025 naar voren komt. Hoewel uit die notitie blijkt dat zich in 2025 nog steeds geweldsincidenten, aanvallen op burgers en gevechten langs de frontlinies hebben voorgedaan, bevestigt deze informatie het beeld van een militaire patstelling met periodieke escalaties. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister in zijn beleid niet mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincie Taiz, zonder dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\nLoopt eiser een verhoogd risico het slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n12. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n12.1.. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat juist hij een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij heeft erop gewezen dat eiser zelf tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij geen verhoogd risico loopt.Tegen dit standpunt heeft eiser niets aangevoerd in beroep. Eiser heeft wel in beroep genoemd dat hij in Taiz geen woning, werk en netwerk heeft. Eiser heeft echter eerder verklaard dat zijn familieleden en zijn vrouw in de provincie Taiz verblijven en is tijdens zijn eerdere verblijf in Jemen ook door familieleden geholpen. Los hiervan zijn deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om aan te nemen dat eiser op grond daarvan een verhoogd risico loopt in Taiz het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSlaagt het beroep op het arrest Sufi en Elmi?\n\n13. Eiser betoogt dat uit de door hem overgelegde landeninformatie blijkt dat de humanitaire situatie in Jemen zodanig ernstig is dat hij bij terugkeer niet in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Daarom heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi.\n\n13.1.. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een situatie waarin de algemene humanitaire omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Wanneer sprake is van humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van doelbewust handelen of nalaten van partijen bij een conflict, zoals hier, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’).\n\n13.2.. De rechtbank volgt de minister erin dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het risico loopt dat hij niet zal kunnen voorzien in zijn basisbehoeften. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser kan terugvallen op familieleden in Jemen, waaronder zijn vrouw, schoonouders en oom, die zich daar staande kunnen houden.De situatie van eiser is dus niet vergelijkbaar met de situatie van de twee Somalische vreemdelingen uit het arrest Sufi en Elmi die geen familie hadden naar wie ze konden terugkeren en die in vluchtelingenkampen terecht zouden komen waar de slechte humanitaire omstandigheden tot een schending van artikel 3 van het EVRM zouden leiden. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten aanwezig dat eiser in Jemen geen toegang zal hebben tot basisvoorzieningen als onderdak, voedsel of medische zorg. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser eerder in staat was om in Jemen te studeren, wat het doel was van zijn reis naar Taiz.De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade wegens verblijf in het Westen?\n\n14. Eiser betoogt dat de minister zijn langdurige verblijf in Nederland van anderhalf jaar had moeten betrekken in de beoordeling of eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hij verwijst daartoe naar informatie van een onderzoeker aan het Sanaa Center for Strategic Studies. Daaruit volgt dat elke Jemeniet die banden heeft met het Westen ervan beschuldigd kan worden een verrader te zijn in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden.\n\n14.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de informatie, die dateert van juli 2024, betrekking heeft op een persoon die werkzaam was voor de Nederlandse ambassade en juist vanwege die werkzaamheden problemen heeft ondervonden. Niet is gebleken dat dit een vanuit het Westen teruggekeerde Jemeniet betrof, dat eiser vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht of zich in vergelijkbare omstandigheden bevindt, zodat hieruit niet volgt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat het motiveringsgebrek in beroep is hersteld. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.\n\n15.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 16 februari 2026;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay – Cenik, voorzitter, en mr. G.W.B. Heijmans en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:136.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.\n\n Rb. Den Haag 12 november 2025, NL25.41617 (niet gepubliceerd).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3.\n\n P. 5.\n\n P. 3.\n\n Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 9.\n\n Nader gehoor, p. 8.\n\n Nader gehoor, p. 11.\n\n P. 58.\n\n [website 1] .\n\n Aanmeldgehoor, p. 10.\n\n Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor, p. 2.\n\n Onder 6.2.\n\n Zie onder 7.\n\n Onder 7.3.1.\n\n Punt 45.\n\n Punt 49 en 50.\n\n Nader gehoor, p. 4.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920.\n\n 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1,3,4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n P. 1 en 2.\n\n P. 4 en 5.\n\n Rb Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.\n\n Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:9143, onder 20.\n\n HvJ EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, onder 40 en 45. Zie ook ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2, ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, onder 5.4 en 6.1 en ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 7.\n\n Volgens de Engelse versie moet de minister een ‘comprehensive appraisal of all the relevant\n\ncircumstances’ maken. De Franse versie hanteert de formulering ‘une prise en compte globale de toutes les circonstances’ en de Duitse versie spreekt over ‘eine umfassende Berücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls’.\n\n P. 7, 17 en 20.\n\n P. 17.\n\n Ambtsbericht 2023, p. 22. Ambtsbericht 2025, p. 17 en 18.\n\n ACLED is een niet-gouvernementele organisatie die zich heeft gespecialiseerd in het verzamelen, analyseren en in kaart brengen van conflictgegevens. ACLED registreert alleen dodelijke slachtoffers, en maakt geen onderscheid tussen burgers en combattanten.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 17-19.\n\n Deze slachtoffers vielen hoofdzakelijk in de provincie Al Hudayda aan de westkust van Jemen.\n\n In reactie op de Houthi-aanvallen in de Rode Zee lanceerden de Verenigde Staten in\n\ndecember 2023 Operation Prosperity Guardian, een internationale coalitie van meer\n\ndan twintig landen met een (defensief) mandaat om de scheepvaart in de Rode Zee\n\nen Golf van Aden te beschermen.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20 en 21.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20 en 59.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 60.\n\n [website 2] .\n\n Ambtsbericht 2025, p. 20.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 100.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 14.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 13.\n\n Ambtsbericht 2025, p. 15 en 16.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.\n\n Punt 42 van het arrest.\n\n Nader gehoor, p. 17.\n\n EHRM (Sufi en Elmi) 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Punt 279.\n\n Nader gehoor, p. 18.\n\n Nader gehoor, p. 7.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17061","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.234Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":100,"fullText":101,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":30,"updatedAt":104},"1038","ECLI:NL:RBDHA:2026:15586","ecli-nl-rbdha-2026-15586","2026-06-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.63213\n uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Kennis).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser, die zijn hele leven buiten Jemen heeft gewoond, terugkeren naar de provincie Hadramaut in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank heeft deze zaak meervoudig behandeld omdat eiser de Jemenitische nationaliteit heeft maar nooit in Jemen heeft verbleven. De rechtbank gaat in op de vraag hoe de minister in zo’n geval moet beoordelen of bij terugkeer naar Jemen een reëel risico bestaat op ernstige schade door willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c-situatie).\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie op juiste wijze heeft verricht. Hij heeft terecht de situatie beoordeeld in de provincie Hadramaut in Jemen en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daar zowel ten tijde van het besluit als in beroep geen sprake is (geweest) van willekeurig geweld, als bedoeld in die bepaling. Toch acht de rechtbank het beroep gegrond: de minister heeft namelijk geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling verricht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.3.. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas en onder 4 het standpunt van de minister. De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank bespreekt eerst of eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld: daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (7), de minister een binnenlands beschermingsalternatief heeft tegengeworpen (8), hoe de minister in een situatie dat een betrokkene nooit in het land van herkomst heeft verbleven de 15c-beoordeling moet verrichten (9) en of in de provincie Hadramaut sprake is van een 15c-situatie (10). Onder 11 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser een individueel risico loopt om slachtoffer te worden van op hem gericht geweld. Onder 12 gaat de rechtbank in op de mededeling van de minister, na sluiting van het onderzoek op zitting, dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank op het beroep en de gevolgen daarvan (13).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 9 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op [geboortedag] 1992 geboren in Egypte en woont vanaf eenjarige leeftijd in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Omdat hij vanaf 2022 geen werk meer had in de VAE en hij niet kon terugkeren naar Jemen is hij in 2022 naar Europa vertrokken. Hij legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. In 2017 heeft eisers vader op een bruiloft in Jemen, toen tijdens het feesten in de lucht werd geschoten, per ongeluk iemand geraakt. Het slachtoffer, een lid van de [naam familie]-familie, is als gevolg daarvan overleden. Zijn vader is vervolgens halsoverkop uit Jemen gevlucht. Volgens eiser zint de familie van de overleden persoon op wraak, waardoor hij nergens in Jemen veilig is. De angst voor die familie is volgens eiser reëel want zijn broer heeft tijdens een verblijf van een week in Jemen in januari 2022 ernstige problemen ondervonden met deze familie. Een ander probleem is dat eiser tussen 2018 en 2022, namens zijn werkgever in de VAE, aanzienlijke geldbedragen heeft overgemaakt naar een filiaal in Jemen. Omdat de VAE de Zuidelijke Overgangsraad (STC) – tegenstanders van andere machthebbers in Jemen – steunt, vreest eiser dat hij ook om die reden bij terugkeer naar Jemen problemen zal ondervinden.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Eiser loopt op grond van de algemene veiligheidssituatie in Jemen geen reëel risico op ernstige schade. In de provincie Hadramaut, waar zijn familie woont, is volgens het toepasselijke beleid geen sprake van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De door eiser gestelde bloedwraak vanwege de problemen van zijn vader acht de minister niet geloofwaardig, evenals de problemen vanwege geldtransacties, zodat hij daarom ook geen gevaar loopt bij terugkeer naar Jemen.\n\nWillekeurig geweld\n\n5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n6. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n6.1.. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraken was het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van april 2025 (ambtsbericht) al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit ambtsbericht.\n\n6.2.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20het landenbeleid gewijzigd. In dat beleid is voor de provincie Hadramaut aangenomen dat geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Dit beleid ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.\n\nIs de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?\n\n7. Eiser betoogt dat het huidige landenbeleid niet volledig is. Hij verwijst hiertoe naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025.\n\n7.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n7.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het toenmalige landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n7.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 7.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten, de meest recente confrontaties in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van de strijdende partijen. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister hoefde deze omstandigheden ook niet uitvoeriger in zijn beoordeling te betrekken. Eiser licht ook niet concreet toe op welke punten de beoordeling tekortschiet. De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nNaar welke provincie moet eiser terugkeren?\n\n8. De rechtbank stelt vast dat eiser nooit in Jemen – het land waarnaar hij volgens het terugkeerbesluit moet terugkeren – heeft verbleven. Dit roept de vraag op hoe in dat geval de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moet plaatsvinden.\n\n8.1.. In zijn reactie van 16 februari 2026 op vragen van de rechtbank heeft de minister toegelicht dat een Jemeniet die nooit in Jemen heeft verbleven in beginsel naar elke regio binnen dat land kan terugkeren. In dit geval is de minister van dit uitgangspunt afgeweken, omdat het volgens hem, vanwege de aanwezigheid van familieleden, voor de hand ligt dat eiser zal terugkeren naar de provincie Hadramaut. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eiser bij terugkeer naar die provincie een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n8.2.. Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied, de daadwerkelijke bestemming moet betrekken.Als de betrokkene eerder in het land van herkomst heeft verbleven kan deze bestemming worden bepaald aan de hand van de laatste woon- of verblijfplaats voorafgaand aan vertrek. Als, zoals hier, de betrokkene nooit in het land van herkomst heeft gewoond, kan dit criterium niet worden toegepast. In dat geval mag de minister in beginsel aannemen dat terugkeer naar elke regio mogelijk is. Dat uitgangspunt geldt namelijk ook als de betrokkene wél woonachtig is geweest in het land van herkomst, maar het niet mogelijk is om, vanwege ongeloofwaardige verklaringen over de herkomst, de woon- of verblijfplaats voorafgaand aan vertrek vast te stellen.Het voorgaande kan anders zijn als er concrete aanwijzingen zijn voor een specifieke bestemming. Die zijn hier aanwezig, omdat eiser heeft verklaard dat zijn ouders in Hadramaut zijn geboren, zijn oma en oom daar woonachtig warenen zijn broer ook tijdens zijn tijdelijke terugkeer naar Jemen in Hadramaut heeft verbleven. Eiser heeft ook niet bestreden dat de minister niet van deze regio mocht uitgaan. De minister heeft daarom terecht beoordeeld of eiser in de provincie Hadramaut een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld.\n\nMag de minister (in het beleid) een binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpen\n\n9. De beroepsgrond van eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025, dat de minister ten onrechte in zijn beleid een binnenlands beschermingsalternatief heeft aangenomen, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen en het besluit geen binnenlands beschermingsalternatief heeft aangenomen. Zoals de minister in het verweerschrift heeft toegelicht, ziet de in het beleid opgenomen mogelijkheid om Hadramaut als binnenlands beschermingsalternatief aan te merken op vreemdelingen afkomstig uit andere regio’s in Jemen, waar zij vanwege willekeurig geweld een reëel risico lopen op ernstige schade. Eiser behoort niet tot deze categorie, nu hij zoals hierboven is overwogen, niet uit een andere regio in Jemen afkomstig is.\n\nSituatie in Hadramaut\n\n10. Eiser betoogt dat hij niet kan terugkeren naar Hadramaut. Volgens hem zijn de spanningen in Hadramaut toegenomen en is het risico voor burgers om slachtoffer te worden van willekeurig geweld groter geworden. Ter onderbouwing verwijst hij naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 5 januari 2026 over de actuele veiligheidssituatie in Hadramaut.\n\n10.1.. De minister heeft in WBV 2025\u002F20 aangenomen dat in de provincie Hadramaut geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister uiteengezet dat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de provincie Hadramaut (vrijwel) gevrijwaard was van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Uit de cijfers van Armed Conflict Location & Event Data blijkt dat de geregistreerde gevechten voornamelijk bestonden uit schermutselingen tussen tribale milities. De meeste slachtoffers vielen in deze provincies door ‘explosies of geweld op afstand’ gericht tegen groepen die gelieerd zijn aan de internationaal erkende regering (IRG). Op basis hiervan heeft de minister de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een gewapend conflict, waarbij ook de humanitaire situatie is meegenomen in de beoordeling.\n\n10.2.. De rechtbank volgt dit standpunt. Eiser heeft niet gemotiveerd bestreden dat de minister op basis van deze informatie in het besluit terecht tot deze conclusie is gekomen. In het ambtsbericht staat inderdaad dat Hadramaut, net als eerder, grotendeels gevrijwaard was van het gewapende conflict. De machtsstrijd tussen de door de VAE gesteunde STC enerzijds en door Saoedi Arabië gesteunde groeperingen anderzijds leidde tijdens de verslagperiode van het ambtsbericht niet tot grootschalige gewelddadigheden. Hoewel zich incidenten hebben voorgedaan hebben deze niet een zodanige aard en omvang dat gesproken kan worden van een gewapend conflict. Uit het arrest Diakitévolgt dat daarvoor vereist is dat reguliere strijdkrachten van een staat confrontaties aangaan met een of meer gewapende groeperingen of dat twee of meer gewapende groeperingen onderling strijden. Die situatie was ten tijde van de verslagperiode van het ambtsbericht niet aan de orde. Verder stelt de minister terecht, en dat is ook niet weersproken, dat de provincie Hadramaut volgens het ambtsbericht op een veilige en wettige wijze vanuit Nederland over land is te bereiken via Saoedi-Arabië.\n\n10.3.. De brief van VluchtelingenWerk Nederland, die eiser in beroep heeft overgelegd, ziet op de nadien gewijzigde veiligheidssituatie in Hadramaut. De rechtbank is ook ambtshalve bekend met deze gewijzigde situatie. Hierna volgt onder 10.3.1 en 10.3.2 eerst een beschrijving van deze gewijzigde veiligheidssituatie. Daarna volgt onder 10.3.3 het oordeel van de rechtbank over die situatie.\n\n10.3.1.. Op 2 december 2025 lanceerde de STC een grootschalig militair offensief in Zuid-Jemen. De operatie begon in de provincie Hadramaut, dat destijds onder controle stond van de internationaal erkende, door Saoedi-Arabië gesteunde IRG. De STC rukte snel op en veroverde verschillende door de regering gecontroleerde gebieden in het noorden van Hadramaut, waaronder de steden Seiyun en Tarim. Op 30 december voerde Saoedi-Arabië luchtaanvallen uit op de door STC gecontroleerde havenstad Mukalla. Op 2 januari 2026 lanceerden de Jemenitische regeringstroepen, ondersteund door Saoedische luchtaanvallen, een tegenoffensief om de door de STC veroverde gebieden te heroveren. Met steun van Saoedi-Arabië rukten de regeringstroepen snel op, veroverden Seiyun op 3 januari 2026 en Mukalla de volgende dag, waarmee de winst van de STC werd teruggedraaid.Op 7 januari 2026 begonnen regeringstroepen de hoofdstad van de STC, Aden (in een andere provincie), binnen te trekken te midden van het instorten van het STC-verzet.Vervolgens werd STC-leider Aidarus al-Zoubaidi uit zijn positie in de Jemenitische Presidentiële Raad gezet, beschuldigd van hoogverraad. Hij zou naar verluidt naar de VAE zijn gevlucht. Op 9 januari 2026 kondigde de STC haar ontbinding aan na wijdverspreide territoriale verliezen in het hele land.\n\n10.3.2.. Eind december 2025 was de territoriale situatie in Jemen als volgt:\n\nDe meest recente kaart van Jemen ziet er sinds de herovering van de IRG als volgt\n\nuit:\n\n10.3.3.. In deze gewijzigde situatie in beroep, die de rechtbank op grond van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 bij haar beoordeling betrekt, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien voor een andere conclusie over de vraag of in de provincie Hadramaut sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij is van belang dat het onder 10.3.1 beschreven gewapende conflict van korte duur is geweest en inmiddels is beëindigd met het verlies en de ontbinding van de STC. Bovendien is het aantal slachtoffers in dat inmiddels beëindigde conflict beperkt gebleven. Daarnaast laten de door de minister genoemde cijfers van IOM een sterke en voortdurende afname zien van het aantal ontheemden, wat wijst op herstel van stabiliteit. De brief van VluchtelingenWerk Nederland van 5 januari 2026 leidt niet tot een ander oordeel. De daarin aangehaalde bronnen hebben betrekking op de situatie tot 4 januari 2026 en zien daarmee op de korte periode waarin het conflict zich voordeed. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTussenconclusie10.4.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Hadramaut geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hieruit volgt dat eiser bij terugkeer naar die provincie geen reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n10.4.1.. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of eiser een individueel risico loopt om slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.\n\nProblemen bloedwraak\n\n11. Eiser betoogt dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij zijn verklaringen over de gestelde bloedwraak, in verband met de problemen van zijn vader, onvoldoende met documenten heeft onderbouwd. Volgens eiser heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de (kopieën van) documenten over de arrestatie van zijn vader geen betrekking hebben op eisers persoonlijke situatie. Deze documenten ondersteunen volgens eiser juist de aannemelijkheid van zijn vrees, omdat zij aansluiten bij zijn relaas. Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet is ingegaan op zijn zienswijze dat hij tijdens het nader gehoor niet over deze documenten is bevraagd, wat volgens hem onzorgvuldig is. Tot slot betoogt eiser dat de minister de verklaringen van zijn broer en vader ten onrechte terzijde heeft geschoven, zonder deugdelijk te motiveren waarom deze niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees voor bloedwraak.\n\n11.1.. \n\nUit Werkinstructie (WI) 2024\u002F6 volgt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid plaatsvindt in twee stappen.\n\nStap 1 is het verzamelen van de relevante informatie. De vreemdeling en de minister hebben tijdens deze fase, waarin de feiten en omstandigheden worden vastgesteld, een samenwerkingsverplichting. Het is aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken (zo snel mogelijk) naar voren te brengen. De minister moet actief met de vreemdeling samenwerken om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen (de samenwerkingsplicht van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn). Zo kan de minister de vreemdeling tegemoet komen in de op de vreemdeling rustende bewijslast door zelf onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren.\n\nAan de hand van de verzamelde relevante informatie verricht de minister daarna – op grond van stap 2a en 2b – de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij beoordeelt de minister eerst of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten, worden de asielmotieven aan de hand van de door de betrokkene afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid beoordeeld (stap 2b).\n\n11.2.. \n\nEiser heeft de volgende documenten overgelegd:\n\n1. een kopie arrestatiebevel van de vader van 21 maart 2017;\n\n2. een kopie arrestatiebevel van de vader van 4 april 2017;\n\n3. een kopie aankondiging van het arrestatiebevel van 7 april 2017;\n\n4. een aangifte van eisers broer bij de politie van 17 januari 2022;\n\n5. een tweetal verklaringen van de broer en de vader over de gebeurtenissen.\n\n11.3.. \n\nDe beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat de documenten niet zijn besproken tijdens het nader gehoor en hierover zijn ook geen vragen gesteld. De minister mocht deze documenten niet zonder meer buiten beschouwing laten. Eiser heeft hiermee immers zijn verklaringen over de gestelde bloedwraak willen onderbouwen. De documenten zijn weliswaar zonder vertaling overgelegd, maar de minister heeft eiser niet overeenkomstig artikel 4:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld een vertaling aan te leveren. Ook heeft de minister de documenten niet zelf laten vertalen, terwijl WI 2024\u002F5 daarvoor in de algemene asielprocedure ruimte biedt als documenten relevant zijn voor de beoordeling van het asielrelaas. Niet is gebleken dat de minister de documenten niet relevant achtte. Dat de minister in het verweerschrift stelt dat de inhoud van de documenten overeenkomt met het asielrelaas, en daarom geen noodzaak bestond voor het stellen van vragen over deze documenten, maakt dit niet anders. Zonder vertaling kan de rechtbank dit niet vaststellen. Bovendien diende de minister, gelet op zijn samenwerkingsplicht, tijdens het nader gehoor in ieder geval stil te staan bij de overgelegde documenten. Dat het gaat om kopieën leidt niet tot een ander oordeel.\n\nZoals verder volgt uit de uitspraak van 8 september 2025van deze rechtbank en zittingsplaats worden andere documenten dan objectieve bewijsstukken niet uitgesloten van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister betrekt alle overgelegde bewijsmiddelen bij de beoordeling of voldoende onderbouwing is gegeven van een asielmotief, bedoeld in stap 2a en deze kunnen, ook als ze niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, relevantie hebben in stap 2b van de geloofwaardigheidsbeoordeling.\n\n11.4.. Hieruit volgt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Alleen hierom al is het beroep gegrond. Dat wat eiser heeft aangevoerd over de rest van de geloofwaardigheidsbeoordeling (stap 2a en stap 2b van WI 2024\u002F6) bespreekt de rechtbank daarom niet.\n\nMelding ‘met onbekende bestemming (mob) vertrokken’ na sluiting onderzoek\n\n12. Na sluiting van het onderzoek op zitting heeft de minister bij bericht van 20 maart 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 31 maart 2026 laten weten dat zij nog contact heeft met eiser. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en nader onderzoek te doen naar de ontvankelijkheid van het beroep. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat zij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf te voorzien of een tussenuitspraak te doen. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Als de minister besluit om eiser aanvullend te horen en dat binnen deze termijn aan eiser meedeelt, moet de minister binnen twaalf weken opnieuw beslissen.\n\n13.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 18 december 2025;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; als de minister binnen deze termijn aan eiser meedeelt dat hij hem aanvullend wil horen, moet hij binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw beslissen;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1,3,4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.\n\n ABRvS 31 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2891, onder 2.3.2.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6\n\n Nader gehoor, p. 6.\n\n 30 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:39, punten 28 tot en met 35.\n\n Ambtsbericht, p. 30 en 105.\n\n [website 1]\n\n [website 2]\n\n [website 3]\n\n [website 4]\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3.\n\n 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15586","2026-06-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.671Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":109,"fullText":110,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":30,"updatedAt":112},"1929","ECLI:NL:RBDHA:2026:7284","ecli-nl-rbdha-2026-7284","2026-03-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.47709 en NL25.47710\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaken tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser\n\n [eiseres],v-nummer: [nummer 2], eiseres\n\nmede namens hun minderjarige dochter,\n\n [minderjarige dochter],v-nummer: [nummer 3],\n\n(gemachtigde: mr. I. Petkovski),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiser als ongegronden de die van eiseres als kennelijk ongegrond.Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet ten onrechte afgewezen, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ze bij terugkeer naar Colombia gevaar lopen. Ook heeft de minister eiseres niet ten onrechte tegengeworpen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eisers. Onder 4 zet de rechtbank de totstandkoming van het bestreden besluit uiteen. Vanaf 5 gaat de rechtbank in op de bestreden besluiten. De rechtbank behandelt eerst de gezamenlijke beroepsgronden van eisers samen onder 7. Daarna behandelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser onder 8 en tenslotte de beroepsgrond van eiseres onder 9.\n\nProcesverloop\n\n2. Eisers hebben allebei aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 3 september 2025 afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres is met het bestreden besluit van 26 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De vader van eiser is telefonisch bedreigd vanuit de gevangenis. Eiser is zelf ook bedreigd door middel van een pamflet dat hij kreeg van een voorbijganger op straat. Hierop stonden bedreigingen die waren gericht aan eiser. Enige tijd later is eiser opnieuw in persoon bedreigd toen hij op weg was naar zijn werk. Eiser voelde zich toen niet langer veilig en besloot om het land te ontvluchten. Toen eiser is gevlucht werd eiseres geobserveerd, geïntimideerd en achtervolgd door dezelfde groepering. Eiseres is toen ondergedoken bij haar moeder en heeft vervolgens het land verlaten.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n4. Eisers hebben hun asielvragen los van elkaar, op verschillende momenten, ingediend. De eerste asielaanvraag van eiser is afgewezen met het besluit van 15 augustus 2023. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank Haarlem gegrond verklaard op 4 maart 2025, omdat de minister de door eiser aangeleverde documenten niet kenbaar in het besluit had betrokken.De rechtbank heeft de minister de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen en dit alsnog te doen. De rechtbank heeft daarom de overige beroepsgronden van eiser niet beoordeeld. Dit nieuwe besluit is genomen op 3 september 2025 (het bestreden besluit). Eiseres heeft geen eerdere procedure gehad en het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt is het eerste besluit.\n\nDe bestreden besluiten\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister twee asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. bedreigingen naar eiser en zijn vader vanwege de werkzaamheden van de vader van eiser.\n\n5.1.. Het eerste asielmotief is in het voornemen niet geloofwaardig geacht. Dit herstelt de minister in het bestreden besluit. Dit is per abuis opgenomen. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn wel geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.De inhoud van de overgelegde documenten komen namelijk niet overeen met de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn vader werd bedreigd omdat hij medicijnaanvragen deed voor anderen. In de door eiser overgelegde documenten blijkt dat hij werd afgeperst door zijn journalistieke werkzaamheden. Bovendien verklaart eiser vaag en summier over de bedreigingen. Zo weet eiser niet of zijn vader op dit moment nog bedreigd wordt, weet hij niet wie hem bedreigde en hoeveel er betaald moest worden. Bovendien is het onduidelijk of de verbale dreiging tegen hem gericht was, kan eiser niet verklaren hoe de daders weten dat hij de zoon van zijn vader is, wanneer de bedreigingen zijn gestart en wat de datum van de aangifte is. Ook over de daders van de bedreigingen verklaart eiser summier. Zo kan hij de persoon die hem het pamflet overhandigde niet omschrijven en weet hij ten aanzien van de verbale bedreiging niet door hoeveel personen hij is bedreigd. Ook weet eiser niet op welke dag de verbale dreiging plaatsvond en waar hij die dag vandaan kwam.\n\n6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister twee asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen van eiseres door het vertrek van haar man.\n\n6.1.. Het eerste asielmotief is door de minister geloofwaardig geacht, omdat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst heeft onderbouwd met een origineel bevonden paspoort. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.Het asielrelaas van eiseres is gebaseerd op het asielrelaas van eiser. De minister heeft de problemen van eiser ongeloofwaardig geacht en verwijst dan ook voor deze beoordeling naar het voornemen in de procedure van eiser. Eiseres heeft het verband tussen de gestelde bedreiging van eiser en haar eigen problemen niet inzichtelijk gemaakt. Ook zijn de verklaringen van eiseres dat de gewapende groepering naar haar op zoek is gebaseerd op vermoedens. Verder werpt de minister eiseres tegen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend en dat zij daarvoor geen goede verklaring heeft.Dit is voor de minister ook reden om de aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHeeft de minister de bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\nHad de minister de asielaanvragen gezamenlijk moeten behandelen?\n\n7. Eisers betogen dat de minister hun asielaanvragen ten onrechte apart heeft behandeld. Dit is in strijd met de eenheid van het gezin. Ook is het van belang dat de argumenten van eiseres niet zijn betrokken in de procedure van eiser. Het geloofwaardigheidsoordeel is een volledige afweging van alle feiten en omstandigheden in een zaak. Als twee personen asiel aanvragen en hun asielrelaas met elkaar verweven is, moet dit worden betrokken in het geloofwaardigheidsoordeel in allebei de zaken. Dat is in deze zaak niet gebeurd en daarom heeft er geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden. Dit kan niet worden gerepareerd in beroep. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat dit vooral van belang is met betrekking tot medische verklaring van 10 mei 2023 die ziet psychische gesteldheid van eiseres. Dit is namelijk een direct gevolg van de problemen die eiseres heeft ervaren in Colombia. Om die reden hangt dit direct samen met het asielrelaas van eiser en vormt dit een onderbouwing van zowel het asielrelaas van eiser als van eiseres.\n\n7.1.. De rechtbank is het met eisers eens dat het wenselijk was geweest om de asielaanvragen gezamenlijk te behandelen. Dit heeft de minister op zitting ook erkend. De rechtbank volgt eisers echter niet in hun betoog dat de besluitvorming om deze reden onzorgvuldig is geweest. De minister merkt in beroep terecht op dat de kern van de asielrelazen van eisers, de problemen zijn die eiser stelt te hebben gehad naar aanleiding van de activiteiten van zijn vader. De problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden vloeien hieruit voort. De minister heeft in de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres betrokken dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In die geloofwaardigheidsbeoordeling zijn de door eiser overgelegde documenten meegenomen. Verder is het asielrelaas van eiseres op zijn eigen merites beoordeeld en ook ongeloofwaardig geacht. Dat de medische verklaring van 10 mei 2023 niet is meegenomen bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser, maakt de geloofwaardigheidsbeoordeling in de zaak van eiser niet onzorgvuldig of onjuist. De minister heeft hierover op zitting terecht opgemerkt dat uit deze verklaring weliswaar blijkt dat bij eiseres sprake is van psychische problemen (depressie en een angststoornis), maar niet wat hier de oorzaak van is. In zoverre vormt deze verklaring dan ook geen onderbouwing van het asielrelaas van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiseres de mogelijkheid gehad tot het indienen van correcties en aanvullingen?7.2.. Eiseres voert aan dat de minister het bestreden besluit overhaast heeft genomen. Het voornemen om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen werd één dag na haar gehoor uitgebracht, zonder de mogelijkheid om via de gemachtigde van eisers correcties of aanvullingen in te dienen. Dit duidt op een procedurele onrechtmatigheid.\n\n7.3.. Uit artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) blijkt dat eiseres uiterlijk op de tweede dag in de gelegenheid dient te worden gesteld om opmerkingen te maken over het nader gehoor. Als de minister voornemens is de aanvraag af te wijzen brengt hij op de derde dag een voornemen uit.Tussen partijen is niet in geschil dat het voornemen een dag te vroeg is uitgebracht, namelijk op dag 2. Dit betekent echter niet dat eiseres hierdoor geen correcties en aanvullingen had kunnen indienen. Dit had zij immers ook op dezelfde dag kunnen doen dan wel gelijktijdig met de zienswijze. Dit is door eiseres op zitting ook erkend. Van deze mogelijkheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt. Eiseres heeft verder niet onderbouwd hoe zij door deze gang van zaken in haar belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie7.4.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de bestreden besluit zorgvuldig tot stand zijn gekomen.\n\nHeeft de minister de bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van de vader van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht?\n\nHeeft de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar in de besluitvorming betrokken?\n\n8. Eiser betoogt allereerst dat de minister nog steeds niet heeft voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2025. Hierin heeft de rechtbank de minister opgedragen om alle door eiser overgelegde documenten kenbaar te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en eveneens kenbaar te maken welke waarde aan deze documenten toekomt. Uit het voornemen blijkt dat de minister enkel drie brieven heeft betrokken bij de besluitvorming. Dit is onvoldoende, aangezien er veel meer documenten zijn overgelegd. Ook heeft de minister alle door eiser ingediende links naar nieuwsartikelen niet betrokken bij de besluitvorming. Daarnaast blijkt uit de besluitvorming niet duidelijk welke waarde de minister aan de documenten hecht.\n\n8.1.. In haar uitspraak van 3 maart 2025 heeft deze rechtbank met zittingsplaats Haarlem het volgende overwogen:\n\n6.1. “. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiser een groot aantal documenten heeft aangeleverd ter staving van zijn asielrelaas. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder deze documenten in het voornemen niet kenbaar heeft betrokken. Nadat eiser in de zienswijze hierop heeft gewezen, heeft verweerder in het bestreden besluit het volgende overwogen:\n\n“In reactie hierop wordt overwogen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen\n\nbij de beoordeling van uw asielaanvraag, hoewel ze niet altijd expliciet in het voornemen\n\nzijn vermeld. Voor de duidelijkheid wordt overwogen dat meerdere documenten enkel gaan\n\nover het werk dat uw vader heeft verricht, en dus niet over de gestelde problemen. Van de\n\ndocumenten die wel spreken over de problemen wordt geoordeeld dat dit kopieën zijn\n\nwaarvan niet geverifieerd kan worden wie de afzender is. De overgelegde documenten\n\nleiden dan ook niet tot een ander oordeel.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldaan aan zijn\n\nmotiveringsplicht. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\ndient verweerder een besluit deugdelijk en kenbaar te motiveren. Dit om de bestuursrechter\n\nin de gelegenheid te stellen die motivering daadwerkelijk en effectief te toetsen. Door enkel\n\nte overwegen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen, is niet duidelijk op\n\nwelke manier verweerder de documenten heeft betrokken in zijn besluitvorming. Ook is\n\nhiermee niet duidelijk welke bewijswaarde verweerder aan de documenten heeft toegekend.\n\n[…]\n\n6.3.. \n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de documenten in onderlinge\n\nsamenhang met de verklaringen van eiser en wat bekend is uit openbare bronnen dient te\n\nbeoordelen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een\n\ndergelijke beoordeling heeft gemaakt. Er blijkt namelijk niet uit welke documenten zijn\n\nmeegewogen, welke waarde verweerder aan de verschillende documenten heeft toegekend\n\nen hoe zwaar de documenten hebben meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van\n\nde verklaringen van eiser. Dit had gemoeten, te meer nu het om meerdere bewijstukken gaat\n\ndie de verklaringen van eiser ondersteunen. Het bovenstaande geldt ook voor de\n\ndocumenten die zien op het werk van eisers vader.”\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat in het voornemen alle stukken zijn opgenoemd die eiser heeft overgelegd. Op de inhoud van de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023, de brief van Abogados de Santander van 31 augustus 2023 en de brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 is de minister in het voornemen in het bijzonder ingegaan. Hierover stelt de minister dat de inhoud niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Ook de overige documenten zijn besproken, waarbij de minister opmerkt dat deze vooral zien op het beroep van eiser als radio-omroeper en het werk van zijn vader als journalist en daarmee geen onderbouwing vormen voor het asielrelaas van eiser. Ook de brief van de vader van eiser wordt door de minister in het voornemen benoemd. Daarvan stelt de minister dat het geen objectieve bron is. Daarnaast heeft de minister de links naar de artikelen betrokken in de besluitvorming. Hierover stelt de minister in het bestreden besluit dat hieruit weliswaar blijkt dat eiser bedreigd wordt wegens zijn werkzaamheden als journalist, maar ook dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier beperkte waarde aan toekomt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken en eveneens duidelijk is welke bewijswaarde daaraan wordt toegekend. Op de inhoud van de documenten en de waarde die de minister hieraan toekent zal de rechtbank hierna ingaan.\n\nHeeft eiser met de door hem overgelegde documenten aannemelijk gemaakt dat hij bedreigd is in zijn land van herkomst?8.3.. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een aantoonbaar risico loopt in Colombia, zodat zijn zaak onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM valt. Eiser heeft in Colombia problemen ondervonden vanwege het werk van zijn vader, waarvoor zijn vader ook is bedreigd. Dit is door de minister ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Het dossier bevat informatie van de nationale politie uit Colombia dat het bestaan van de dreigingen bevestigt. De vader van eiser heeft beschermingsmaatregelen opgelegd gekregen met daarbij de verplichting om zich elke zes maanden te verplaatsen. Dit toont aan dat de dreigingen aanhouden. Ook toont dit de ernst van de bedreigingen aan. Het vertrek van eiser werd gepubliceerd in landelijke kranten, wat de impact bewijst en daarmee ook de risico’s bij terugkeer aantoont en vergroot. De brief van de vader van eiser moet bovendien worden betrokken in de besluitvorming, omdat dit dient als onderbouwing van het asielrelaas van eiser. Het enkele feit dat sprake is van een vader-zoon relatie maakt niet dat de inhoud van de brief om die reden niet objectief is. Eiser heeft verder documenten overgelegd van een mensenrechtenorganisatie die aantonen dat hij om internationale bescherming heeft verzocht voor zijn gezin. Ook heeft hij een klacht ingediend bij de hoogste autoriteit in Colombia. Dit heeft de minister niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. Eiser betoogt dat hij tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen waardoor hij hier niet uitgebreid over heeft kunnen verklaren. De brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 bevestigt het verhaal van eiser. Dat in de brief wordt gesproken over aanvallen maakt dit niet anders, omdat dit ook kan zien op enkel verbale bedreigingen.\n\n8.4.. De rechtbank stelt voorop dat de minister het asielrelaas van eiser, voor zover dit ziet op de bedreigingen die eiser en zijn vader zouden hebben ontvangen, niet enkel heeft beoordeeld naar aanleiding van de door eiser overgelegde documenten. De minister heeft ook de verklaringen van eiser meegewogen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen die eiser zou hebben ontvangen en dat hij summier heeft verklaard over de daders van de bedreigingen. Deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep niet betwist. Wél betwist eiser dat de documenten zijn verklaringen en de gestelde vrees niet onderbouwen. Op de inhoud van de documenten gaat de rechtbank hierna in.\n\n8.5.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de brieven van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 en de Advocaten van Santander van 31 augustus 2023 niet overeenkomen met de verklaringen van eiser. Uit de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 blijkt dat de bedreigingen van eiser verband hielden met de journalistieke werkzaamheden van zijn vader. Ook in de brief van de advocaten van Santander van 31 augustus 2023 wordt geen melding wordt gemaakt van bedreigingen van de vader vanwege medicijnaanvragen, maar wordt enkel het werk van eisers vader als journalist benoemd. Dit is anders dan de verklaring van eiser, omdat eiser heeft verklaard dat de bedreigingen voortkwamen uit de werkzaamheden van zijn vader waarin hij medicijnaanvragen deed. Omdat het aanvragen voor dure medicijnen waren dachten de afpersers dat de vader van eiser veel geld had, aldus eiser.Dat de hulp bij de medicijnaanvragen volgens eiser voortvloeit en samenhangt met de journalistieke werkzaamheden van de vader van eiser maakt dit niet anders. Dit strookt niet met de verklaring van eiser dat specifiek de medicijnaanvragen reden waren voor de bedreigingen omdat de afpersers daardoor dachten dat de vader van eiser veel geld hadden. Daar komt bij dat eiser op zitting heeft toegelicht dat de brief van de Raad voor de Journalistiek is opgesteld nadat de vader van eiser ze heeft geïnformeerd over de bedreigingen. Dat de brieven een algemeen karakter hebben zoals eiser in beroep stelt volgt de rechtbank dan ook niet. Ook is niet gebleken dat eiser tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit te verduidelijken in het nader gehoor. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat ook de brief van de geïntegreerde coöperatie niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Uit de brief blijkt dat eiser het slachtoffer is geworden van aanslagen op zijn fysieke en mentale integriteit door gewapende misdaadgroeperingen. Door eiser is echter niet verklaard dat hij het slachtoffer is geworden van fysieke aanvallen, zo merkt de minister in het bestreden besluit terecht op. Dat uit de brief enkel volgt dat eiser het slachtoffer is geworden van bedreigingen volgt de rechtbank niet. De woorden ‘vervolging, gewelddadigheden en aanslag op de fysieke integriteit’ duiden op een ander soort bedreiging dan enkel verbaal of schriftelijk, zoals eiser heeft verklaard. Over de nieuwsberichten heeft de minister in het bestreden besluit gesteld niet ten onrechte gesteld dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier slechts beperkte waarde aan kan worden gehecht. Over de brief van de vader van eiser heeft de minister verder terecht opgemerkt dat deze niet afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron, zodat de bewijswaarde hiervan beperkt is. Bovendien is de inhoud hiervan ook tegenstrijdig aan de door eiser afgelegde verklaringen. Immers de vader van eiser verklaart hierin te worden bedreigd vanwege zijn journalistieke werkzaamheden. Dit komt niet overeen met de verklaring van eiser. Tenslotte stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de documenten waaruit blijkt er ten aanzien van de vader van eiser beschermingsmaatregelen zijn genomen niet overeenkomen met de verklaring van eiser dat zijn vader al langere tijd geen problemen meer ervaart.Bovendien merkt de minister op zitting terecht op dat ook als wordt uitgegaan van het bestaan van de beschermingsmaatregelen uit de door eiser overgelegde documenten niet blijkt dat deze te maken hebben met de bedreigingen die eiser stelt te hebben ondervonden in zijn land van herkomst.\n\n8.6.. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de door eiser gestelde bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van zijn vader niet geloofwaardig zijn. Het betoog dat eiser bij terugkeer naar Colombia risico loopt op behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM slaagt dan ook niet.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond. De zaak van eiseres bevat ernstige elementen: de bedreigingen in Colombia, de geschiedenis van vervolging van familieleden en zowel haar medische situatie als die van haar dochter. Om die reden kan de minister zich niet op het standpunt stellen dat de aanvraag ‘kennelijk’ ongegrond is. Het feit dat eiseres de asielaanvraag een maand na haar binnenkomst heeft gedaan doet niet af aan de rechtmatigheid van haar aanvraag. Eiseres heeft eerst hulp gezocht bij een internationale organisatie, die hen heeft begeleid om een aanvraag te doen in Ter Apel. Eiseres heeft bewust gewacht met het indienen van haar asielaanvraag zodat ze haar dochter van vijf jaar oud kon voorbereiden op een scheiding van het gezin. Haar dochter heeft autisme en veel moeite met veranderingen. Daar had de minister dan ook rekening mee moeten houden. Eiseres betoogt dat de minister hierbij bovendien ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar medische situatie. Eiseres is in afwachting van een behandeling voor een posttraumatische stressstoornis door wat zij in Colombia heeft meegemaakt. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de gezinssituatie van eisers. Het was nooit haar bedoeling om de procedure uit te stellen. Eiseres wilde hierdoor de psychologische en emotionele integriteit van haar dochter beschermen.\n\n9.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres, anders dan de enkele herhaling van de gestelde problemen die zij in Colombia zou hebben ondervonden. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling zodat de rechtbank hier in haar beoordeling vanuit zal gaan. Dit betekent dat alleen de vraag voorligt of de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.\n\n9.2.. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.\n\n9.3.. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 juni 2023 Nederland is ingereisd en op 22 juli 2023 asiel heeft aangevraagd. Dit betreft een periode van 7 weken. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres, gelet op het feit dat haar dochter autisme heeft, er zorg voor heeft willen dragen dat zij zo goed mogelijk heeft kunnen landen in Nederland. Eiseres heeft toegelicht dat zij daarom na aankomst in Nederland verschillende gesprekken heeft gevoerd met een stichting om de asielprocedure zo goed mogelijk voor te bereiden. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat het laatste gesprek met de stichting op 3 juli 2023 heeft plaatsgevonden en dat eiseres en haar dochter zich pas op 22 juli 2023 in Ter Apel hebben gemeld om een asielaanvraag in te dienen. Daar komt bij dat, zoals de minister terecht stelt, eiser al enige tijd in Nederland was en werd bijgestaan door een gemachtigde die ook de benodigde begeleiding kon bieden. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde reden heeft gegeven voor een dergelijk late indiening van haar asielaanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de overige voorwaarden zoals genoemd in artikel 30b, eerste lid aanhef en onder h, van de Vw 2000, namelijk de onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige verlenging.\n\n9.4.. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nOverige gronden\n\n10. De rechtbank merkt tot slot op dat eiser en eiseres in de gronden veel hebben aangevoerd over de medische situatie van eiseres en de dochter van eiseres. Ook hebben zij erop gewezen dat ze inmiddels goed zijn geïntegreerd en diverse cursussen met succes hebben afgerond. Op zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat er enkel aandacht is gevraagd voor de medische situatie van de dochter van eiseres met betrekking tot het verwijt dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De overwegingen in de besluitvorming dat eiseres en haar dochter geen uitstel van vertrek toekomt op grond van artikel 64 van de Vw 2000 worden hier niet mee bestreden. De rechtbank zal hier dan ook aan voorbij gaan. Voor wat betreft de integratie van eisers in Nederland heeft de minister in het verweerschrift terecht opgemerkt dat dit prijzenswaardig is, maar dat dit geen invloed heeft op de geloofwaardigheidsbeoordeling in beide besluiten. Ook hieraan gaat de rechtbank dus voorbij.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres heeft de minister mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In de zaak van eiseres, NL25.47710 moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In de zaak van eiser, NL25.47709, moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit baseert de minister op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Dit baseert de minister op artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Haarlem 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3958.\n\n De minister verwijst hierbij naar artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.\n\n Idem.\n\n Daarbij verwijst de minister naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Daarbij verwijst de minister naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 3.114, eerste lid, van het Vb 2000.\n\n Zie p. 6, 11 en 13 van het rapport nader gehoor.\n\n Zie p. 14 en 15 van het nader gehoor.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7284","2026-07-13T00:29:45.997Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":119,"parsedAt":30,"updatedAt":120},"325","ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","ecli-nl-rbdha-2025-17656","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.31147\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], v-nummer [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.N. Lammers).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep over de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n1.1.. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAchtergrond van deze zaak\n\n4. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en behoort tot de Fars bevolkingsgroep. Hij heeft op 17 augustus 2017 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Op 12 januari 2018 is die aanvraag afgewezen, omdat de minister de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en zijn bekering tot het christendom niet geloofwaardig heeft geacht. De afwijzing van die aanvraag staat in rechte vast.\n\n4.1.. Vervolgens heeft eiser op 11 september 2019 opnieuw asiel aangevraagd vanwege zijn gestelde geloofsgroei. Op 12 september 2019 is deze opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is op 18 september 2019 uitgezet naar Iran met zijn eigen paspoort.\n\n4.2.. Op 21 februari 2022 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat toen hij werd teruggestuurd naar Iran hij diverse problemen heeft ondervonden. Daarnaast stelt hij afvallig te zijn en zegt hij dat er sprake is van geloofsgroei in het christelijke geloof. Eiser vreest bij terugkeer naar Iran voor de gevolgen dat hij afvallige is en vanwege de bekering tot het christendom van de zijde van de maatschappij, de Iraanse autoriteiten en zijn familie. Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:\n\n- kopie scheidingsdocument;\n\n- kopie verblijfsvergunning Turkije;\n\n- kopie bewijs inname paspoort;\n\n- kopie beslissing van de Iraanse rechtbank van eisers ex-vrouw;\n\n- brief van de Evangelische gemeenschap van Sneek;\n\n- brief aanmelding bij GGZ in Noord-Holland.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n 1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n 2. afvalligheid;\n\n 3. problemen bij aankomst vliegveld Iran;\n\n 4. geloofsgroei.\n\nDe minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Verder is de afvalligheid in deze procedure geloofwaardig geacht. De minister acht het ook geloofwaardig dat eiser problemen had bij zijn aankomst op het vliegveld in Iran. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de geloofsgroei van eiser niet geloofwaardig is. Eisers bekering is in 2017 volledig beoordeeld. Dit is destijds niet geloofwaardig geacht en dit is ook met de uitspraak op 1 juli 2019 in rechte vast komen te staan. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers verklaringen geven namelijk geen verder inzicht in zijn geloofsgroei dan in zijn vorige procedure. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is, zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Verder krijgt eiser uitstel van vertrek om medische redenen met ingang van 9 juli 2025 tot maximaal 9 januari 2026. De minister concludeert dat eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond is.\n\nWat vindt eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat hij wordt vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom én vanwege de afvalligheid van de islam. De minister heeft de impact en het belang van de geloofwaardig geachte afvalligheid miskend. Hierbij stelt de minister ten onrechte dat eiser zich wel terughoudend en onzichtbaar zou moeten kunnen staande houden in geval van terugkeer naar Iran, terwijl eiser duidelijk en gedetailleerd heeft benadrukt dat dit voor hem niet mogelijk is. Eiser is niet bereid bij terugkeer een document te ondertekenen waaruit blijkt dat hij nog moslim zou zijn en hij is niet bereid om mee te doen aan islamitische rituelen en feesten terwijl dat wel verplicht is. Uit het algemeen ambtsbericht Iran(het ambtsbericht) blijkt ook dat het niet meedoen aan de ramadan kan leiden tot vervolging en lijfstraffen. Verder betoogt eiser dat de minister ten aanzien van de bekering niet heeft voldaan aan de drie pijlers en voorschriften uit de Werkinstructie (WI) 2022\u002F3en dan in het bijzonder de verplichte toetsing aan de compensatie-optie. De minister heeft ten onrechte in zowel het voornemen als in het bestreden besluit niet gereageerd op de pijlers, de inhoud en strekking van Bijbelkennis, de activiteiten zoals bedoeld onder pijler 3 en de compensatie-mogelijkheid.\n\n6.1.. In zijn aanvullende gronden van 5 augustus 2025 voert eiser nog het volgende aan. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte uitzetting heeft aangezegd, terwijl uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Verder betoogt eiser dat het nog de vraag is of hier sprake is van een opvolgende aanvraag. Eiser voert hiertoe aan dat de minister een dubbel spoor is ingeslagen, nu bijvoorbeeld wel ambtshalve een (volgens eiser terechte) toets artikel 64 van de Vw 2000 plaatsvindt, hetgeen alleen het geval is bij een eerste aanvraag. Bij opvolgende aanvragen moet de vreemdeling zelf de complete artikel 64-aanvraag indienen. Daarvan is niet gebleken. Ook blijkt het nader gehoor van 4 maart 2024 betiteld te zijn als “Rapport nader gehoor” en niet “Opvolgende aanvraag”.\n\n6.2.. Eiser betoogt in zijn aanvullende gronden ook dat de minister eerder een voornemen tot afwijzing heeft uitgebracht en deze vervolgens om onduidelijke redenen heeft ingetrokken. Volgens eiser had de minister moeten motiveren waarom het eerste voornemen is ingetrokken.\n\n6.3.. Verder betoogt eiser in zijn aanvullende gronden dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om eisers bekering te toetsen aan het geldende recht en beleid. De eerdere beoordeling heeft namelijk plaatsgevonden in 2017. Dit is een lange tijd geleden en de minister dient de asielaanvraag ex nunc te toetsen, dus op basis van de gegevens die nú zijn aangedragen. Eiser verwijst hierbij wederom naar WI 2022\u002F3 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2022, waaruit volgt dat de minister opnieuw moet onderzoeken en beoordelen of de vreemdeling bij terugkeer naar Iran risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling wegens afvalligheid of toegedichte afvalligheid en de gestelde bekering tot het christendom. Ook zou de minister nadat hij de afvalligheid heeft onderzocht en beoordeeld, opnieuw moeten onderzoeken en beoordelen of de gestelde bekering geloofwaardig is.\n\n6.4.. Tot slot heeft eiser verwezen naar een rapport van Stichting Gave, een uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 4 juli 2025, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 28 april 2025, een nieuwsartikel van New York Post van 4 juli 2025en een nieuwsartikel van Iran International van 19 juli 2025.\n\nIs de minister terecht uitgegaan van een opvolgende asielaanvraag?\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 1 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijnwordt als opvolgende aanvraag aangemerkt een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1. Dit wordt ook bevestigd in uitspraken van de Afdeling.\n\nVerder volgt uit de WI 2023\u002F7dat een opvolgende asielaanvraag kan worden ingediend middels een M35-O formulier. Wanneer sprake is van één van de omstandigheden van artikel 3.50 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 hoeft de opvolgende asielaanvraag niet middels model M35-O te worden ingediend en wordt model M35-H gebruikt.\n\nUit de WI 2024\u002F2volgt dat, in tegenstelling tot eerste asielaanvragen, bij herhaalde asielaanvragen geen ambtshalve toets van artikel 64 van de Vw 2000 wordt gedaan na afwijzing van de asielaanvraag.Wel vindt in beginsel een dergelijke toets van medische omstandigheden plaats bij de uitvaardiging van een terugkeerbesluit.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers aanvraag terecht aangemerkt als een opvolgende aanvraag in plaats van een eerste aanvraag. De minister heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag van eiser. Uit het dossier blijkt ook dat eiser een M35-O formulier heeft ingediend op 6 februari 2022. Dat het gehoor van eiser als “nader gehoor” is betiteld, maakt dat niet anders. Tijdens de zitting heeft de minister uitgelegd dat het gehoor “nader gehoor” is genoemd, omdat het format is gebruikt naar aanleiding van de Dublinprocedure waarmee eiser Nederland is binnengekomen. Daar komt bij dat de minister in het voornemenheeft benoemd dat eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgt, omdat het een opvolgende aanvraag betreft. In het bestreden besluitstaat dat eiser medische documenten heeft overlegd en dat de minister hem op dat punt volgt, waardoor eiser uitstel van vertrek om medische redenen heeft gekregen. De minister heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij in het bestreden besluit onder punt 5 per abuis heeft opgenomen dat eiser zijn beroep niet in Nederland mag afwachten. Onder punt 4 van het bestreden besluit staat namelijk dat eiser nu rechtmatig in Nederland verblijft, omdat hij voorlopig uitstel van vertrek heeft gekregen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser betoogt dat de minister in deze procedure moet voortborduren op hetgeen eiser in zijn eerdere procedure heeft aangevoerd. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de minister eisers asielaanvraag terecht heeft aangemerkt als een opvolgende aanvraag, juist omdat eiser heeft betoogd dat hij is gegroeid in zijn geloof waartoe hij is bekeerd, zoals hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn eerste procedure. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister het eerste voornemen kunnen intrekken zonder nadere motivering?\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit bevoegd was om zijn voornemen van 4 februari 2025 te vervangen door een nieuw voornemen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat er geen rechtsregel is die met zich meebrengt dat de minister nader dient te motiveren waarom hij tot een ander inzicht is gekomen in het nieuwe voornemen.Eiser is ook in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven en op alle elementen van het nieuwe voornemen te reageren. De rechtbank begrijpt dat de werkwijze van de minister gezien het tijdsverloop van de procedure leidt tot onbegrip en frustratie. Dit maakt echter niet dat de rechtbank de werkwijze van de minister onzorgvuldig acht. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister de gestelde geloofsgroei van eiser ongeloofwaardig kunnen achten?\n\n9. Eiser heeft zijn opvolgende aanvraag ingediend in verband met geloofsgroei. Uit de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022volgt dat op eiser een verzwaarde bewijslast ligt, omdat in rechte vaststaat dat de minister de bekering van eiser tot het christendom in de eerdere asielprocedure(s) ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Het asielrelaas waar eiser op voortborduurt, is eerder ongeloofwaardig geacht en die beoordeling is het uitgangspunt van de opvolgende procedure. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister de gestelde geloofsverdieping, gezien de verklaringen van eiser, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.\n\n9.1.. Volgens de WI 2022\u002F3 dient de vreemdeling in het geval van een opvolgende aanvraag aan de hand van verklaringen over zijn motieven voor en proces van bekering aannemelijk te maken dat hij tot intensivering van zijn geloof is gekomen. De nieuwe verklaringen dienen te worden gewogen in samenhang met de verklaringen die de vreemdeling tijdens de voorgaande procedure(s) over deze onderwerpen heeft afgelegd. Indien de vreemdeling de nadruk legt op toegenomen of gewijzigde kennis en\u002Fof activiteiten mag worden verwacht dat hij overtuigend verklaart over zijn ervaringen met en persoonlijke beleving van de nadien voortgezette of ontplooide activiteiten en opgedane kennis. Enkel de verklaringen over voortzetting, intensivering of wijziging van activiteiten en\u002Fof vergroten van kennis, zonder dat daarbij overtuigende verklaringen worden afgelegd over de persoonlijke beleving hiervan, zullen dus in de regel onvoldoende zijn om niet-overtuigende verklaringen over het proces en de motieven van de bekering te compenseren. Bij dit alles is dus van belang dat indien de vreemdeling voortborduurt op een eerder ongeloofwaardig geachte bekering of afvalligheid, er een verzwaarde bewijslast rust op de vreemdeling om zijn afvalligheid of bekering geloofwaardig te maken.\n\n9.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de geloofsgroei van eiser beoordeeld in het licht van de WI 2022\u002F3. Het standpunt van de minister komt er, kortgezegd, op neer dat eisers verklaringen over zijn groei in het christelijke geloof een herhaling vormen van wat hij hierover al in de eerdere asielprocedure heeft verklaard en dat eiser er niet in is geslaagd zijn innerlijke geloofsgroei inzichtelijk te maken.\n\n9.3.. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit niet specifiek de drie pijlers benoemt, zoals weergegeven in de WI 2022\u002F3. Hierbij gaat het om de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen. Dit brengt echter niet met zich mee dat de minister eisers gestelde geloofsgroei niet heeft beoordeeld aan de hand van de WI 2022\u002F3. De rechtbank overweegt hiertoe dat de minister tijdens het aanvullend gehoor heeft gevraagd naar de ontwikkelingen als het gaat om eisers geloof in de afgelopen jaren en voorbeelden van gebeurtenissen waardoor hij zijn geloofsgroei meemaakte. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit verwezen naar de WI 2022\u002F3 en deze betrokken bij de beoordeling van bijvoorbeeld de gestelde activiteiten van eiser, zoals het evangeliseren van twee mensen. De kennis over de Bijbel, waar volgens eiser niets over is geschreven in het bestreden besluit, is wel meegenomen en beoordeeld in het eerdere besluit van de minister van 12 januari 2018 . De minister heeft uiteengezet dat eiser hiermee niet verder inzicht heeft gegeven in zijn gestelde geloofsgroei, omdat eiser zich voornamelijk heeft herhaald in zijn opvolgende aanvraag.\n\n9.4.. Uit de WI 2022\u002F3 volgt verder dat het zwaartepunt ligt bij de motieven en het proces van bekering. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit ‘compenseren’, mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te ‘compenseren’. De vreemdeling zal wel een genoegzame verklaring moeten geven voor de omstandigheid dat hij op één van de elementen minder goed kan verklaren. Daarbij dient uiteraard rekening gehouden te worden met het referentiekader van de vreemdeling en het gegeven dat niet iedere vreemdeling gewend is om over zijn persoonlijke gevoelens te vertellen. Wat betreft deze compensatie-mogelijkheid waar eiser zich op beroept heeft de minister op de zitting toegelicht dat eiser zijn geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt doordat hij in herhaling viel bij zijn opvolgende aanvraag, terwijl er voldoende is doorgevraagd naar de ontwikkelingen die eisers gestelde geloofsgroei zouden kunnen onderbouwen, waardoor niet getoetst kan worden of de compensatie-mogelijkheid dient te worden toegepast. De rechtbank is daarom ook van oordeel dat de compensatie-mogelijkheid verder niet aan bod hoefde te komen door de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers geloofsgroei.\n\n9.5.. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser de gestelde geloofsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank deelt het standpunt van de minister dat de huidige verklaringen en overgelegde stukken geen nieuw inzicht of verdere diepgang vertonen in vergelijking met zijn eerdere verklaringen over het geloof. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat de voorbeelden van geloofsgroei die eiser heeft genoemd, namelijk de ontmoeting met de Armeense vriend, dat vergiffenis hielp met groeien in eisers geloof, dat eiser rust krijgt van zijn geloof en het incident met de politie bij de douane, voorbeelden zijn waarover eiser in de eerdere procedure al heeft verklaard. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat deze herhaling van verklaringen niet getuigt van enige geloofsgroei of verdieping. Evenmin is eiser erin geslaagd om dit in de beroepsprocedure duidelijk te maken. Wat daarover in het bestreden besluit is opgenomen is daarvoor voldoende dragend gemotiveerd. De minister heeft in dat verband kunnen overwegen dat eisers verklaringen in deze asielprocedure geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, namelijk dat eisers vrouw vreemd ging, in eisers koffer een crucifix was gevonden bij aankomst op het vliegveld in Iran, de ontmoeting bij de psycholoog en de boottocht van Turkije naar Italië, geen verder inzicht geven dan in zijn vorige procedures. De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voorgaande voor hem een wonder was en waarom dit impact had op zijn persoonlijke geloof. Wat betreft de evangelisatie heeft de minister niet ten onrechte geconcludeerd dat het enkel vermelden van één voorbeeld van hoe eiser anderen heeft geëvangeliseerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk geloofsgroei heeft doorgemaakt. Verder is gebleken dat eiser na zijn doop niet meer naar de kerk van zijn doop is geweest. De minister heeft hierbij mogen stellen dat dat vreemd is nu eiser in zijn opvolgende aanvraag van 2019 het voorgaande heeft verklaard om zijn geloofsgroei aan te tonen. Daar komt bij dat uit de verklaring van de Evangelische gemeenschap is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met de kerk waar hij gedoopt is. De minister heeft dit kunnen betrekken bij de geloofwaardigheid van eisers gestelde geloofsgroei. De minister heeft de verklaring van de Evangelische gemeenschap betrokken bij de beoordeling en heeft gemotiveerd dat uit de verklaring blijkt dat de gemeenschap vrijwel geen contact meer heeft gehad met eiser. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het in deze zaak om een opvolgende aanvraag gaat, in tegenstelling tot de zaak in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Die situatie gaat in onderhavige zaak niet op en de verwijzing naar die uitspraak baat eiser niet. Het rapport van Stichting Gave biedt ook geen reden voor een ander oordeel. Op de zitting heeft de minister hierover niet ten onrechte gesteld dat stichting Gave geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.\n\n9.6.. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister de gestelde geloofsgroei van eiser niet ten onrechte heeft beoordeeld als ongeloofwaardig. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLoopt eiser een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran?\n\n10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022en het arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012volgt dat de minister van eiser niet mag verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, in Iran terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid. De minister moet, zo blijkt uit de Afdelingsuitspraak, onderzoeken en beoordelen of, en zo ja, hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid en of de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn. Als de vreemdeling daarover niet uitdrukkelijk verklaart, moet de minister ervan uitgaan dat die vreemdeling na terugkeer op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid wil geven zoals hij in Nederland heeft gedaan. In het Informatiebericht 2023\u002F35 van de minister is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, de minister conform WI 2022\u002F3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van de religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, als ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit.\n\n10.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalligheid een belangrijk onderdeel is van zijn leven en dat dit dermate deel uitmaakt van zijn religieuze identiteit dat hij zich bij terugkeer naar Iran hierover openlijk en actief zal gaan uiten. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet en beoordeeld hoe eiser in Iran uiting gaf aan zijn afvalligheid, hoe eiser zich in Nederland heeft geuit en hoe eiser zich bij terugkeer zou willen uiten. Eiser heeft verklaard dat hij tot 2013 moslim was en daarna nog jarenlang in Iran heeft gewoond als afvallige. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij niet altijd op tijd het gebed deed, hij niet naar de moskee ging en hij niet aan vasten deed. De minister heeft hierbij terecht gesteld dat dit afbreuk doet aan de aannemelijkheid van eisers vrees. Verder heeft eiser verklaard dat zijn afvalligheid enkel zijn overtuiging was, die in zijn hoofd zat en dat het voor hem niet nodig was om dit naar buiten te uiten. Daarnaast heeft eiser bij zijn eerdere terugkeer immers een verklaring\u002Fdocument ondertekend waarna hij het vliegveld mocht verlaten. Verder blijkt uit algemene landeninformatie niet dat iedere terugkeerder ondervraagd zal worden bij terugkeer in Iran.Er bestaat weliswaar een risico dat eiser ondervraagd zal worden over zijn verblijf in het buitenland, vanwege zijn verblijf in het buitenland, maar de minister stelt zich terecht op het standpunt dat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk staat aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Uit het ambtsbericht volgt dat het aantal terugkeerders dat problemen ondervindt bij terugkeer beperkt is.De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser voor zijn (legale) vertrek niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Hetgeen eiser op sociale media heeft gedeeld is niet direct aan hem te linken.\n\n10.2.. Verder oordeelt de rechtbank dat de door eiser aangehaalde jurisprudentie en bronnen niet leiden tot een ander oordeel. De uitspraken waar eiser naar heeft verwezen betreffen andere situaties. Verder heeft de minister tijdens de zitting aangegeven dat eiser wel is gevraagd naar zijn terugkeer naar Iran in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft geoordeeld in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg. Met betrekking tot de nieuwsartikelen over Iran heeft de minister terecht opgemerkt dat niet blijkt dat de situatie zoals omschreven in die artikelen niet is meegenomen.\n\n10.3.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de minister dat niet wordt ingezien waarom eiser zich bij terugkeer in Iran anders zal gedragen met betrekking tot de uiting van zijn afvalligheid ten opzichte van daarvoor. Ook volgt de rechtbank de minister in zijn conclusie dat eiser zodoende niet dusdanig in zijn religieuze identiteit wordt geraakt dat hij bij terugkeer niet anders kan dan zichzelf als afvallige te uiten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de geloofsvrijheid. Van eiser mag dus worden verlangd dat hij in Iran een geloofsbelijdenis aflegt. De rechtbank wijst tot slot nog op het ambtsbericht, waaruit volgt dat personen die zich hebben afgewend van de islam niet op voorhand in de problemen komen en maatschappelijk ook niet gedwongen worden deel te nemen aan islamitische rituelen.De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zaaknummer NL18.2906 (niet gepubliceerd).\n\nOp grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2023.\n\n Werkinstructie 2022\u002F3 Bekering en afvalligheid.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:5349.\n\n Zaaknummer NL24.21839.\n\n Zaaknummer NL24.51040.\n\n New York Post, ‘Iran regime cracks down on its own people with a ‘North Korea-style model’ of ‘terrifying’ repression’.\n\n Iran International, ‘Iran military base guards shoot four people dead amid post-war jitters’.\n\n Richtlijn 2013\u002F32.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2021:76 en ECLI:NL:RVS:2019:1969.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.\n\n Werkinstructie 2024\u002F2 Artikel 64 van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 6.1e van het Vreemdelingenbesluit hoeft alleen bij een eerste aanvraag tot het verlenen van een VVA bepaalde tijd ambtshalve getoetst te worden of er reden is tot toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Zie ook paragraaf C1\u002F4.5 en A3\u002F7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Op pagina 9.\n\n Op pagina 3.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4449,\n\n13 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4116, en 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3350.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:2713.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:94.\n\n ECLI:EU:C:2012:518.\n\n Zie ook het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 115.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 117-118.\n\n Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 85 en 86.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17656","2025-09-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.494Z",1,20]