[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":121},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2023-07-18T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121918","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 196",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121919","art. 194 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121920","art. 204",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121921","art. 196 lid 1",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"121922","art. 22",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"121923","art. 195",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122267","art. 222",{"provisionId":45,"code":46,"article":47,"count":25},"122268","Burgerlijk Wetboek","art. 4:1167",{"provisionId":49,"code":46,"article":50,"count":25},"122269","art. 3:45",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"122271","art. 343",[55,65,73,82,90,98,106,114],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"297","ECLI:NL:GHARL:2026:4281","ecli-nl-gharl-2026-4281","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.368.921\n\nrekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [zaaknummer]\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [appellant] ( [appellant] )\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J.A.M. Kuijlaars\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 7 mei 2026 het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Bij op 13 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. [appellant] verzoekt het hof het vonnis te vernietigen en alsnog het verzoek om toelating tot de wsnp toe te wijzen.\n\n2.2.. Het hof heeft kennisgenomen van:\n\nhet tijdig ingediend beroepschrift met producties;\n\nde brief van 19 juni 2026 van mr. Kuijlaars met producties.\n\n2.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Hierbij is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Kuijlaars.\n\n3. De feiten, het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [appellant]\n\nDe feiten\n\n3.1.. Als gevolg van psychische en lichamelijke klachten ontvangt [appellant] een (oude) Wajong-uitkering van het UWV. Zij heeft schulden laten ontstaan die in mei 2023 zijn opgelost door een (eerder, minnelijk) schuldsaneringstraject. In dat kader stond zij tot 1 september 2023 onder beschermingsbewind. In deze periode is [appellant] , met toestemming van het UWV en met behoud van haar Wajong-uitkering, gestart met de (online) opleiding tot fitnesstrainer A en voedingsdeskundige. Het UWV heeft met [appellant] afgesproken dat zij deze opleiding op haar eigen tempo kan volgen zonder dat zij hiernaast betaald werk hoeft te verrichten.\n\n3.2.. Niet alle schulden waren in het schuldsaneringstraject van mei 2023 in de schuldenlijst opgenomen, waardoor een aanzienlijke schuld (op dit moment de grootste) is blijven bestaan en [appellant] het overzicht over haar financiën kwijtraakte en nieuwe schulden zijn ontstaan. [appellant] heeft zich daarvoor bij de gemeentelijke schuldhulpverlening gemeld. [appellant] heeft geprobeerd om met haar schuldeisers een minnelijke schuldregeling overeen te komen, maar niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Aangezien [appellant] over onvoldoende middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen, heeft zij op 19 januari 2026 een verzoek om toelating tot de wsnp ingediend bij de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n3.3.. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle verplichtingen die horen bij de wsnp naar behoren zal nakomen. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat één van die verplichtingen de arbeids- en sollicitatieplicht is die meebrengt dat een schuldenaar fulltime beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt. Doordat [appellant] een voltijdopleiding volgt is zij naar verwachting voor een jaar niet beschikbaar voor betaalde arbeid en kan zij niet voldoen aan deze inspanningsverplichting. Het feit dat [appellant] door het UWV is ontheven van haar arbeidsverplichting betekent niet dat vooraf vaststaat dat zij van de arbeidsverplichting in de wsnp zal worden ontheven. Indien de schuldenaar niet in staat is om te werken, bestaat de inspanningsverplichting erin dat de schuldenaar zich dient in te spannen om weer arbeidsgeschikt te worden.\n\nHet standpunt van [appellant]\n\n3.4.. \n [appellant] kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij is van mening dat zij wel aan haar inspanningsverplichting kan voldoen. Doordat haar opleiding een flexibele thuisopleiding is, betekent het volgen daarvan niet dat zij niet kan werken. Volgens de Recofa-richtlijnen is het toegestaan om een opleiding te volgen gedurende de wsnp en het is zeer waarschijnlijk dat [appellant] in de wsnp zal worden ontheven van de sollicitatieverplichting. Bovendien geldt voor haar Wajong-uitkering dat, om ervoor in aanmerking te komen, er nooit meer gewerkt kan worden vanwege een ziekte of handicap en er een re-integratieplicht bestaat die niet specifiek beschikbaarheid voor betaald werken impliceert. Door het volgen van een opleiding spant [appellant] zich maximaal in om haar arbeidsperspectief te verbeteren. Tot slot zou het verrichten van betaalde arbeid verrekend worden met haar Wajong-uitkering, waardoor betaalde arbeid niet leidt tot een hogere uitdeling aan de schuldeisers. Het gaat bij de inspanningsverplichting niet om het financiële resultaat, maar om de mate van inspanning, aldus [appellant] .\n\n4. Motivering van de beslissing in hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. Een verzoek om toelating tot de wsnp wordt op grond van artikel 288 lid 1 Fw slechts toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk maakt dat de schuldenaar:\n\nniet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;\n\nten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest; en\n\nde uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nNiet kunnen voortgaan met betalen\n\n4.2.. Volgens het overgelegde crediteurenoverzicht heeft [appellant] een totale schuldenlast van € 20.288,74 bij diverse schuldeisers. Zij ontvangt een Wajong-uitkering van ongeveer € 1.350 netto per maand. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat [appellant] met deze uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden.\n\nTe goeder trouw\n\n4.3.. Het hof stelt vast dat de grootste schuld van [appellant] (€ 9.576,94) is ontstaan op 1 januari 2015 en dus meer dan drie jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellant] haar verzoekschrift tot toepassing van de wsnp heeft ingediend. Dit betekent dat het ontstaan van deze schuld niet in de weg staat aan toelating van [appellant] tot de wsnp. Bovendien heeft [appellant] voldoende toegelicht dat deze schuld in mei 2023 al gesaneerd zou zijn als die toen door de beschermingsbewindvoerder was meegenomen in dat schuldsaneringstraject. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat zij door het feit dat deze schuld nog bestond en door het begin van haar opleiding veel stress heeft ervaren en het overzicht over haar financiële situatie heeft verloren. De overige schulden die binnen de driejaarstermijn zijn ontstaan zijn gelet op de beperkte omvang en de aard van deze schulden niet zodanig aan [appellant] te verwijten dat die aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. [appellant] heeft hulp gezocht bij het oplossen van haar financiële situatie door zich te melden bij de gemeentelijke schuldhulpverlening en gebruik te maken van een budgetbeheerder en een budgetcoach. Deze hulp heeft ertoe geleid dat [appellant] sinds 30 juni 2025 heeft gespaard voor haar schuldeisers en dat de afgelopen zestien maanden geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Voor het inlopen van haar huurachterstand is een betaalplan gemaakt, dat [appellant] nakomt. De schuld aan haar zorgverzekeraar wordt betaald via beslag op haar Wajong-uitkering, waardoor die ook wordt ingelopen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.\n\nNakoming wsnp-verplichtingen\n\n4.4.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in staat zal zijn de uit de wsnp voorvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen en dat zij zich voldoende zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ten aanzien van de inspanningsverplichting oordeelt het hof als volgt. [appellant] volgt momenteel een thuisopleiding. Deze opleiding mag er niet aan de in weg staan dat zij voldoet aan haar arbeids- en sollicitatieplicht. [appellant] heeft er in dat kader terecht op gewezen dat het volgen van deze opleiding geen nadelige gevolgen heeft voor haar Wajong-uitkering. Het UWV heeft haar opleiding bekostigd en [appellant] behoudt haar volledige uitkering gedurende de opleiding. Dat volgt ook uit het werkplan dat [appellant] heeft overgelegd en op de mondelinge behandeling bij het hof heeft toegelicht. Daarnaast heeft [appellant] toegelicht dat de (oude) Wajong-uitkering van [appellant] in beginsel een levenslange uitkering is waarbij het UWV geen mogelijkheden ziet voor betaalde arbeid. Het hof heeft op de mondelinge behandeling benadrukt dat het oordeel van het UWV dat zij geen arbeid kan verrichten niet per definitie wil zeggen dat zij een ontheffing krijgt van haar sollicitatieplicht in het kader van de wsnp. [appellant] heeft daarop verklaard bereid te zijn om gedurende de wsnp een nieuwe arbeidsgeschiktheidskeuring te ondergaan en te solliciteren, zolang de rechter-commissaris geen ontheffing verleent van de sollicitatieplicht.\n\n4.5.. Op de mondelinge behandeling heeft [appellant] op de vraag van het hof ook verklaard dat zij alle relevante informatie aan de bewindvoerder zal verstrekken. Zij heeft daarbij verklaard dat zij nu ook steeds alle relevante informatie aan de betrokken hulpverleners verstrekt en dat zij dit ook logisch vindt om te doen. Ook heeft zij toegelicht dat zij gebruik zal blijven maken van de budgetcoach om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal doen wat binnen haar vermogen ligt om aan haar verplichtingen uit de wsnp te voldoen.\n\nHet alternatieve aanvangsmoment\n\n4.6.. De termijn van de wsnp bedraagt anderhalf jaar (artikel 349a lid 1 Fw). Die termijn begint (a) op de dag van de uitspraak tot toepassing van de wsnp of (b) de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de minnelijke schuldregeling (het alternatieve aanvangsmoment). Het gaat bij het bepalen van het alternatieve aanvangsmoment om de dag waarop de eerste aflossing is gedaan tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening. Als ‘eerste aflossing’ is onder andere aan te merken een aflossing die ten goede is gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan ook als een eerste aflossing worden aangemerkt. Dat geldt ook voor een eerste bedrag dat wordt gespaard tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.\n\n4.7.. Om in aanmerking te komen voor het alternatieve aanvangsmoment, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Als aan de geldende voorwaarden is voldaan moet de rechter het alternatieve aanvangsmoment ambtshalve toepassen, aldus de Hoge Raad.\n\n4.8.. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [appellant] tussen 30 juni 2025 en 30 november 2025 op basis van het vrij te laten bedrag maximaal heeft gespaard voor haar schuldeisers. Op 30 januari 2026 kon [appellant] niet meer sparen voor de schuldeisers, omdat op die datum beslag gelegd is op haar Wajong-uitkering inzake haar schuld aan de zorgverzekeraar. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de door haar ontvangen belastingteruggave ook volledig is gespaard. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, vaststellen dat [appellant] vanaf 30 juni 2025 begon met sparen voor haar schuldeisers en dat zij vervolgens de aflossing heeft voortgezet via het beslag. Het hof is van oordeel dat [appellant] zich daarmee maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor haar schuldeisers te verwerven en dat [appellant] tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening heeft voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien.\n\n4.9.. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] zal worden toegelaten tot de wsnp. Het aanvangsmoment wordt vastgesteld op 30 juni 2025.\n\nConclusie\n\n4.10.. Het hoger beroep slaagt. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 mei 2026 en beslist als volgt:\n\n5.2.. verklaart de wsnp van toepassing ten aanzien van [appellant] , met 30 juni 2025 als aanvangsmoment;\n\n5.3.. verwijst de zaak ter verdere afdoening naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, ter uitvoering van die regeling.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.P. Oosterhoff en J.G.B. Pikkemaat en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\n Hoge Raad 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4281","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.225Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":63,"updatedAt":72},"900","ECLI:NL:GHARL:2026:3985","ecli-nl-gharl-2026-3985","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.366.611\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 11807894\n\narrest in het incident van 16 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n1. [appellant1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [appellant2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna samen te noemen: [appellanten 1 en 2]\n\nadvocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek\n\nen\n\nBewindvoeringsbureau De Toereikende Hand B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde]\n\nhierna: De Toereikende Hand\n\ndie is gevestigd in Dedemsvaart\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [appellanten 1 en 2] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op 21 januari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep;\n\nde incidentele vordering tot schorsing van de executie met producties;\n\nde conclusie van antwoord in het incident met producties.\n\n1.2.. Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [geïntimeerde] , geboren in 1986, is de (stief)dochter van [appellanten 1 en 2] Vanwege de licht verstandelijke beperking van [geïntimeerde] , hebben [appellanten 1 en 2] haar financiën beheerd. [geïntimeerde] heeft in mei 2012 een woning gekocht aan de [adres] in [woonplaats appellanten] . In mei 2019 is [geïntimeerde] verhuisd naar een huurwoning, waarna [appellanten 1 en 2] hun intrek hebben genomen in de woning aan de [adres] . Bij beschikking van 29 mei 2024 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, is [geïntimeerde] onder bewind gesteld met benoeming van De Toereikende Hand tot bewindvoerder.\n\n2.2.. De Toereikende Hand heeft vervolgens bij de kantonrechter onder meer een veroordeling van [appellanten 1 en 2] tot ontruiming van de woning aan de [adres] gevorderd. Bij vonnis van 21 januari 2026 heeft de kantonrechter deze vordering toegewezen en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n2.3.. \n [appellanten 1 en 2] zijn in hoger beroep gekomen van dit vonnis. [appellanten 1 en 2] hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld primair tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming en subsidiair tot voorafgaande zekerheidstelling in het geval de uitvoerbaarheid niet wordt geschorst. De Toereikende Hand heeft verweer gevoerd tegen deze incidentele vorderingen.\n\n3. Het oordeel van het hof\n\nJuridisch kader\n\n3.1.. Het hof begrijpt de vorderingen van [appellanten 1 en 2] als een vordering op grond van artikel 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming. Een veroordeling zoals hier aan de orde is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de kantonrechter. De kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de kantonrechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.\n\n3.2.. \n [appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij het niet eens zijn met het vonnis van de kantonrechter. Omdat [appellanten 1 en 2] zich niet beroepen op een kennelijke misslag zal het hof hierna alleen ingaan op de belangenafweging. Het hof dient in dat kader te beoordelen of het belang van [appellanten 1 en 2] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging daarvan.\n\nBelangenafweging\n\n3.3.. \n [appellanten 1 en 2] voeren aan dat zij verknocht zijn aan de woning aan de [adres] vanwege de buren, vrienden en bekenden. Ontruiming van de woning zou een emotionele impact hebben. Gezien de leeftijd van (stief)vader en moeder, respectievelijk 68 en 65 jaar, de krapte op de woningmarkt en het feit dat vrienden en familie geen onderdak kunnen bieden, is het volgens [appellanten 1 en 2] zeer waarschijnlijk dat zij geen andere woning kunnen vinden. Bovendien zou ontruiming van de woning tot een onomkeerbare situatie leiden waarbij [geïntimeerde] geen verhaal kan bieden voor hun verhuiskosten als het bestreden vonnis wordt vernietigd, aldus [appellanten 1 en 2]\n\n3.4.. De Toereikende Hand voert, kort gezegd, aan dat door het financieel beheer van [appellanten 1 en 2] , een groot deel van het inkomen en vermogen van [geïntimeerde] is aangewend om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud van [appellanten 1 en 2] Hierdoor is [geïntimeerde] volgens De Toereikende Hand in een schuldenpositie gekomen. Op mededeling van [appellanten 1 en 2] is [geïntimeerde] gaan wonen in de huurwoning tegen een maandelijkse huurprijs die ongeveer € 200,- ligt boven de hypothecaire maandlast van haar eigen woning aan de [adres] . Het is in het belang van [geïntimeerde] dat de woning aan de [adres] zo spoedig mogelijk wordt ontruimd, zodat zij hier weer zelf kan gaan wonen en een bedrag van € 200,- per maand bespaart. Op die manier kan zij de maandelijkse schade zo veel mogelijk beperken, aldus De Toereikende Hand.\n\n3.5.. \n [appellanten 1 en 2] hadden naar het oordeel van het hof ermee rekening moeten houden dat zij de woning op enig moment weer zouden moeten verlaten vanwege het financiële nadeel dat [geïntimeerde] sinds 2019 ondervindt door de hogere maandlasten. Dat zij hiermee ook rekening hebben gehouden, blijkt uit randnummer 11 van hun incidentele conclusie waarin ze schrijven dat als [geïntimeerde] terug zou willen naar de woning, zij zich niet als reguliere huurders maar als ouders zouden hebben gedragen in die zin dat zij dat in overleg mogelijk zouden hebben gemaakt. Hun leeftijd is niet dusdanig hoog dat een verhuizing als te bezwaarlijk gezien moet worden. [appellanten 1 en 2] hebben niet onderbouwd waarom de verknochtheid met de buren, vrienden en bekenden niet voortgezet kan worden in een andere woning. In dit kader hebben [appellanten 1 en 2] evenmin onderbouwd waarom zij niet in staat zouden zijn om alternatieve woonruimte te vinden. Ook hebben zij niet toegelicht welke pogingen zij hebben ondernomen om andere woonruimte te vinden sinds zij weten dat [geïntimeerde] de ontruiming vordert en waarom die pogingen tot dusver niet gelukt zijn en ook niet zullen lukken binnen de ontruimingstermijn van zes maanden die hen door de kantonrechter is gegeven. Dit betekent dat [appellanten 1 en 2] niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij het uitblijven van de gevorderde schorsing op straat komen te staan. Verder hebben [appellanten 1 en 2] niet onderbouwd op welke wijze de schorsing van de tenuitvoerlegging de onderlinge relatie tussen [appellanten 1 en 2] en [geïntimeerde] kan herstellen. Het had op de weg van [appellanten 1 en 2] gelegen om hun belang nader te onderbouwen. Tot slot geldt de omstandigheid dat een ontruiming mogelijk onomkeerbaar is en [appellanten 1 en 2] hierdoor schade lijden inherent is aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Dit (mogelijke) gevolg acht het hof ondergeschikt aan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. In dit geval staat bovendien niet vast dat de ontruiming onomkeerbaar is; [geïntimeerde] heeft aangegeven zelf de woning te willen betrekken en deze niet te willen verkopen of verhuren.\n\n3.6.. In het licht van het voorgaande, is het hof van oordeel dat het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming zwaarder weegt dan het belang van [appellanten 1 en 2] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist. Hierbij is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen.\n\nZekerheid\n\n3.7.. Voor de beoordeling van de subsidiaire vordering tot zekerheidsstelling geldt dezelfde toetsingsmaatstaf als voor de beoordeling van de primaire vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring.[appellanten 1 en 2] stellen dat voor de schadebegroting ten gevolge van een onrechtmatige tenuitvoerlegging, kan worden uitgegaan van de verhuis- en herinrichtingskosten van een verhuizing heen en terug, met opslag.\n\n3.8.. Het hof ziet geen aanleiding om aan de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis de voorwaarde van zekerheidstelling te verbinden. De door [appellanten 1 en 2] aangevoerde schadebegroting maakt niet dat het belang van [appellanten 1 en 2] bij zekerheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij het achterwege blijven daarvan. [appellanten 1 en 2] hebben onvoldoende gemotiveerd waarom [geïntimeerde] bij vernietiging van het bestreden vonnis niet in staat zal zijn tot restitutie en\u002Fof tot vergoeding van de door de ontruiming veroorzaakte schade.De enkele stelling dat voor [geïntimeerde] (grote) schade valt te duchten, is onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen.\n\nDe conclusie\n\n3.9.. Het hof wijst de incidentele vordering af. Omdat [appellanten 1 en 2] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten 1 en 2] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n3.10.. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\n4.1.. wijst de vordering af;\n\n4.2.. veroordeelt [appellanten 1 en 2] tot betaling van de proceskosten van het incident van De Toereikende Hand ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van De Toereikende Hand (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);\n\nin de hoofdzaak in hoger beroep\n\n4.3.. bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;\n\n4.4.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.\n\n HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.\n\n HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.\n\n HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.\n\n Vgl. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ1994\u002F591.\n\n Vgl. HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1949, NJ1996\u002F334.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3985","2026-07-13T00:28:53.685Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":81},"1100","ECLI:NL:RBGEL:2026:5268","ecli-nl-rbgel-2026-5268","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: 12094421 \\ CV EXPL 26-1376\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde eiser] ,\n\ntegen\n\nTHUISWINKEL.ORG,\n\ngevestigd te Ede,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Thuiswinkel,\n\ngemachtigde: mr P.A.H.S. Martens en mr. V.H. Romviel (Thuiswinkel.org).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 januari 2026; - de conclusie van antwoord;\n\n- de akte uitlating betaling griffierecht van [de eiser] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [de eiser] vordert - samengevat - dat Thuiswinkel wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis een volledige inzage in zijn persoonsgegevens te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en dat Thuiswinkel wordt veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,-, vermeerderd met rente en kosten.\n\n2.2.. \n [de eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij op 20 november 2025 een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens heeft ingediend bij Thuiswinkel. Hij heeft, ondanks herhaaldelijke herinnering, geen volledige inzage gegeven. De volhoudende weigering van Thuiswinkel om volledig en juist te reageren op zijn verzoek zorgt onder andere voor onzekerheid over de verwerking van zijn persoonsgegevens, verlies van controle over zijn eigen gegevens, stress en een gevoel van rechtsongelijkheid en machteloosheid. De daardoor ontstane schade moet Thuiswinkel vergoeden.\n\n2.3.. Thuiswinkel voert verweer. Zij voert in eerste instantie aan dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 45 lid 3 sub b Rv en artikel 21 Rv nietig is en [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zo heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld in de dagvaarding, ontbreekt een machtiging van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] (hierna: [gemachtigde eiser] ), is het niet zeker dat [gemachtigde eiser] in onderhavige zaak de gemachtigde van [de eiser] is en zijn er twijfels of [de eiser] echt bestaat. Voor het geval het voorgaande niet slaagt voert Thuiswinkel aan de dat de vorderingen van [de eiser] moeten worden afgewezen. Hij gebruikt het recht op inzage voor andere doeleinden dan gegevensbescherming, waardoor hij misbruik maakt van zijn recht op inzage, zijn recht om een gerechtelijke procedure te starten en niet integer handelt.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling\n\nNietigheid dagvaarding\n\n3.1.. Artikel 45 Rv geeft het minimum weer waaraan de inhoud van een exploot moet voldoen. Zo dient op grond van lid 3 sub b van voornoemd artikel een exploot ten minste de naam, en in geval van een natuurlijke persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt te vermelden. In dat kader voert Thuiswinkel aan dat [de eiser] niet zijn volledige voornamen heeft vermeld in de dagvaarding; zijn tweede voornaam ‘ [voornaam eiser] ’ ontbreekt en alleen zijn eerste naam ‘ [voornaam eiser] ’ is vermeld. De dagvaarding is daarom nietig.\n\n3.2.. De kantonrechter gaat hier in eerste instantie aan voorbij. Op grond van artikel 66 Rv leidt de niet naleving van hetgeen in afdeling 6 van titel 1 van boek 1, en dus onder andere in artikel 45 Rv, is voorgeschreven slechts tot nietigheid voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd door het gebrek onredelijk is benadeeld. Thuiswinkel is in het geding verschenen en gesteld nog gebleken is dat zij onredelijk is benadeeld. Daarnaast wordt ook verwezen naar hetgeen in rov. 3.13. wordt overwogen over de identiteit van [de eiser] .\n\nGriffierecht\n\n3.3.. Uit hoofde van artikel 3 lid 1 Wgbz is een eisende partij in een civiele procedure voor de kantonrechter een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel moet de eiser ervoor zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerst dienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Die termijn liep af op 11 maart 2026. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht op 23 maart 2026 is betaald.\n\n3.4.. Bij niet tijdige betaling van het griffierecht wordt Thuiswinkel van de instantie ontslagen (artikel 127a lid 2 Rv). Deze consequentie wordt buiten toepassing gelaten als de rechter van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (artikel 127a lid 3 Rv).\n\n3.5.. \n [de eiser] is in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken waarom het verschuldigde griffierecht te laat is betaald. [de eiser] stelt bij akte dat het griffierecht te laat is betaald, omdat de factuur voor het griffierecht door hem of zijn gemachtigde niet (tijdig) is ontvangen. De factuur is verstuurd naar een onjuist adres. Zijn gemachtigde heeft contact opgenomen met de financiële afdeling van de rechtbank, wegens het uitblijven van de factuur. Na ontvangst van de factuur is het griffierecht alsnog onverwijld voldaan.\n\n3.6.. De kantonrechter heeft het door [de eiser] gestelde gecontroleerd in de administratie van de griffie en daaruit blijkt dat de factuur inderdaad niet naar het adres van de gemachtigde van [de eiser] is gestuurd. De kantonrechter is van oordeel dat op grond daarvan het niet aan [de eiser] te wijten is dat het griffierecht niet tijdig is betaald. Thuiswinkel zal daarom niet van de instantie worden ontslaan.\n\nVerkeerd inleidend processtuk\n\n3.7.. Een procedure dient te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Op grond van artikel 69 Rv is de kantonrechter verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste processtuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.\n\n3.8.. De vordering van [de eiser] gaat onder andere om het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Voor deze zaken is op grond van artikel 35 UAVG een verzoekschriftprocedure voorgeschreven. De kantonrechter is daarom voorlopig van oordeel dat [de eiser] deze zaak dus niet met een dagvaarding had moeten inleiden, maar met een verzoekschrift.\n\n3.9.. Op basis van het voorgaande is de kantonrechter voornemens om op grond van artikel 69 Rv een zogenoemde ‘spoorwissel’ toe te passen. Dit houdt in dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter geeft partijen eerst de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over dit voornemen.\n\nDe kantonrechter is niet bevoegd\n\n3.10.. Naast dat de procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, is de kantonrechter voorlopig ook van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen en dat de zaak moet worden verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Op grond van artikel 42 Wet op de rechterlijke organisatie is het uitganspunt dat verzoekschriften in eerste aanleg behandeld worden door de rechtbank, tenzij in de wet is bepaald dat de kantonrechter deze mag behandelen. Dit laatste is niet het geval voor verzoeken op grond van de AVG.\n\n3.11.. De kantonrechter is daarom voornemens om deze procedure te verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem. Voordat de kantonrechter hierover beslist, worden partijen ook in de gelegenheid gesteld om zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten.\n\n3.12.. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het op grond van artikel 35 lid 4 UAVG voor partijen, zoals normaal gesproken wel het geval is, niet verplicht is om zich bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Partijen mogen dus, als zij dat wensen, zelf zonder bijstand van een advocaat procederen bij deze afdeling.\n\nIdentiteit [de eiser] en zijn gemachtigde\n\n3.13.. Thuiswinkel voert gemotiveerd aan dat [de eiser] niet eerlijk is over zijn identiteit en intenties en over die van zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] . Zo ontbreekt een machtiging van [gemachtigde eiser] , heeft [de eiser] niet zijn volledige voornamen vermeld, procedeert [de eiser] in feite in persoon en worden haar leden in afwisselende constructies (indirect) met [de eiser] en zijn gemachtigde [gemachtigde eiser] geconfronteerd. Volgens Thuiswinkel moet [de eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze verweren van Thuiswinkel zien voor een heel groot deel ook op de inhoudelijke beoordeling. De kantonrechter is, zoals hiervoor voorlopig is geoordeeld, niet bevoegd om (inhoudelijk) van de zaak kennis te nemen. Als de kantonrechter de zaak verwijst, dan zal een rechter van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank hierop nader ingaan. De kantonrechter laat de stellingen hieromtrent daarom vooralsnog buiten beschouwing.\n\n3.14.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen, waarbij zij (gelijktijdig) gelegenheid krijgen om te reageren op het voornemen om zaak te verwijzen naar een verzoekschriftprocedure en naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, locatie Arnhem,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n47414 \u002F 51588","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5268","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.020Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":63,"updatedAt":89},"356","ECLI:NL:GHARL:2026:3510","ecli-nl-gharl-2026-3510","2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.359.925\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 566697\n\nbeschikking van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellante] B.V. ( [appellante] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1]\n\nadvocaat: mr. J.J. van der Goen\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. R.W. de Vrey\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift ex art. 196 jo. 195 jo. 194 Rv tot het bevelen van voorlopige bewijsverrichtingen met producties\n\nde brief van 13 november 2025 van mr. Van der Goen met producties\n\nhet verweerschrift met producties\n\nde akte uitlaten\n\nde antwoordakte.\n\n1.2.. Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [geïntimeerde] royalty’s moet betalen aan [appellante] over de verkoopopbrengsten die [geïntimeerde] heeft gegenereerd met de in 2020 ontwikkelde space-in space-oplossing ‘ [naam1] ’ en de in mei 2025 ontwikkelde space-in space-oplossing ‘ [naam2] ’. Voor wat betreft [naam1] is [appellante] hierover een procedure gestart bij de rechtbank. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] (grotendeels) afgewezen. [naam2] is op de markt gebracht nadat de rechtbank haar vonnis had gewezen.\n\n2.2.. Op 6 oktober 2025 heeft [appellante] een verzoekschrift ingediend waarin zij het hof verzoekt [geïntimeerde] te bevelen bepaalde gegevens aan haar te verstrekken. Vervolgens is op 7 oktober 2025 de dagvaarding van het hoger beroep van [appellante] tegen het vonnis van de rechtbank (hierna: de bodemzaak) bij het hof aangebracht en ingeschreven op de rol. Met het oog op de uitspraak in deze verzoekschriftprocedure is in de bodemzaak aan [appellante] uitstel verleend tot 9 juni 2026 voor het nemen van haar memorie van grieven.\n\n2.3.. Het hof zal het verzoek van [appellante] om [geïntimeerde] te bevelen bepaalde gegevens te verstrekken afwijzen omdat niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 194 tot en met 196 Rv. Het hof licht dit oordeel hierna verder toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\n3.1.. \n [X] is – via zijn vennootschap [appellante] – betrokken geweest bij de ontwikkeling van zogenoemde space-in-space-oplossingen door (een dochtervennootschap van) [geïntimeerde] .\n\n3.2.. In 2014 heeft [appellante] met (de (rechts)voorganger van) [geïntimeerde] een licentieovereenkomst gesloten met betrekking tot de space-in-space oplossing ‘ [naam3] ’. In de licentieovereenkomst zijn afspraken gemaakt over de aan [appellante] toekomende royaltyvergoeding.\n\n3.3.. Naar aanleiding van nieuw ontwikkelde space-in-space-oplossingen hebben [appellante] en [geïntimeerde] in december 2015 en in januari 2019 aanvullende (royalty)afspraken gemaakt (hierna: de december 2015-afspraken en de januari 2019-afspraken).\n\n3.4.. \n [geïntimeerde] heeft [appellante] geen royalty’s betaald over de verkoopopbrengsten van de in 2020 ontwikkelde space-in-space-oplossing [naam1] en ook niet over de verkoopopbrengsten van de in mei 2025 ontwikkelde space-in-space-oplossing [naam2] .\n\nHet geschil bij en het oordeel van de rechtbank\n\n3.5.. In de procedure bij de rechtbank heeft [appellante] gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [geïntimeerde] op grond van de licentieovereenkomst royalty’s aan [appellante] is verschuldigd over de netto omzet van [naam1] en de overige door [geïntimeerde] op de markt te brengen space-in-space-oplossingen en dat dit percentage 2% dan wel 1,25 % bedraagt. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (primair) de over de netto omzet van [naam1] verschuldigde royalty’s dan wel (subsidiair) een schadevergoeding op te maken bij staat. Tot slot heeft [appellante] gevorderd [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen om [appellante] een opgave te verstrekken over het totaal van de verkopen van [naam1] .\n\n3.6.. Met uitzondering van de gevraagde verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst een duurovereenkomst is die nog doorloopt, heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen.\n\nHet verzoek\n\n3.7.. \n [appellante] heeft in de onderhavige verzoekschriftprocedure verzocht om [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen binnen drie weken na deze beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag(deel), op kosten van [geïntimeerde] en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, aan [appellante] te verstrekken:\n\neen opgave als bedoeld in artikel 7.4 van de licentieovereenkomst betreffende het totaal van de verkopen van [naam1] en [naam2] ;\n\nde vijf jaaroverzichten (2016 tot en met 2019) van de door [Y] B.V. en\u002Fof [geïntimeerde] aan [de ontwerper] (hierna: de ontwerper) betaalde bedragen aan royalty’s van de verkoopopbrengst met betrekking tot [naam3] .\n\n3.8.. \n [appellante] wil over deze gegevens beschikken zodat zij haar vordering tot betaling van royalty’s uit hoofde van de licentieovereenkomst in hoger beroep zo concreet mogelijk kan maken en haar rechtspositie kan bepalen. [appellante] wil verder aantonen dat het standpunt van [geïntimeerde] over de bij haar gebruikelijke wijze van vergoeden van royalty’s en wat hierover in het vonnis is overwogen niet correct is.\n\n3.9.. \n [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en verzoekt [appellante] , uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het verzochte af te wijzen en [appellante] te veroordelen in de proceskosten. Volgens [geïntimeerde] is [appellante] ten onrechte een separate verzoekschriftprocedure gestart, heeft zij onvoldoende belang bij de verzochte gegevens en zijn beide inzageverzoeken onvoldoende bepaald. Daarnaast voert [geïntimeerde] –onder meer – aan dat de eisen van een goede procesorde en gewichtige redenen zich tegen inzage verzetten. Voor het geval het verzoek (geheel of gedeeltelijk) wordt toegewezen verzoekt [geïntimeerde] de dwangsom te matigen.\n\nHet toetsingskader van de artikel 194 tot en met 196 Rv\n\n3.10.. Voordat een zaak aanhangig is of – als de zaak aanhangig is gemaakt – voordat de zaak op de rol is ingeschreven, kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen.\n\n3.11.. De rechter wijst op grond van artikel 196 Rv het verzoek van een partij tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting toe, tenzij:\n\nde informatie die wordt verlangd niet voldoende bepaald is;\n\nonvoldoende belang bij de informatie bestaat;\n\nhet verzoek in strijd is met de goede procesorde;\n\nsprake is van misbruik van bevoegdheid; of\n\nandere gewichtige redenen zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzetten.\n\nZo’n voorlopige bewijsverrichting kan bestaan uit het recht op inzage, afschrift of uittreksel (hierna gezamenlijk: inzage) van bepaalde gegevens. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv (dat op grond van artikel 204 Rv van overeenkomstige toepassing is) komt het recht op inzage toe aan een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage beoogt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij voldoende belang heeft. Op grond van het tweede lid hoeft geen inzage te worden verstrekt als sprake is van een verschoningsrecht of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten.\n\nHet hof komt toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek\n\n3.12.. Uit artikel 196 lid 1 Rv volgt dat voordat een aanhangig geding is ingeschreven op de rol, [appellante] het hof om een voorlopige bewijsverrichting kon verzoeken.Er is gedagvaard tegen de roldatum van 7 oktober 2025 en de zaak is vervolgens op deze datum ingeschreven op de rol. Dit betekent dat – anders dan [geïntimeerde] betoogt – het op 6 oktober 2025 bij het hof ingediende verzoek van [appellante] ontvankelijk is (zie hiervoor 2.2). Ook het argument van [geïntimeerde] dat het verzoekschrift tekortschiet omdat het niet een kernachtige omschrijving van het geschil omvat, leidt er niet toe dat het hof [appellante] niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit valt immers uit het verzoekschrift wel degelijk af te leiden en is door [appellante] bovendien nader toegelicht in haar akte.\n\nGewichtige redenen en eisen van een goede procesorde verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek\n\n3.13.. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor van een partij of een derde geen medewerking aan een inzageverzoek kan worden gevergd. Hiervan is – onder meer – sprake als bij degene die over de verlangde gegevens beschikt gewichtige redenen bestaan die zich tegen de gegevensverstrekking verzetten en deze redenen zwaarder wegen dan het belang van degene die om de informatie verzoekt. De bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie valt onder het begrip gewichtige redenen.\n\n3.14.. \n [geïntimeerde] voert aan dat de verkoopgegevens van [naam1] en [naam2] kerncijfers van de onderneming betreffen en als vertrouwelijke bedrijfsinformatie hebben te gelden. Openbaarmaking van deze informatie kan de concurrentiepositie van [geïntimeerde] op de markt van space-in-space-oplossingen (onomkeerbaar) schaden, aldus [geïntimeerde] . Zij voegt hier aan toe dat [appellante] in dezelfde markt van kantooroplossingen opereert als [geïntimeerde] zodat er een reëel risico bestaat dat [appellante] de verkregen informatie voor andere doeleinden zal gebruiken dan uitsluitend voor deze procedure. Volgens [geïntimeerde] weegt haar belang bij de bescherming van haar vertrouwelijke bedrijfsinformatie zwaarder dan het belang van [appellante] bij de inzage in de door haar gevraagde gegevens. Voor wat betreft de verzochte inzage in de royaltybetalingen aan de ontwerper voegt [geïntimeerde] hier haar belang bij de bescherming van vertrouwelijke afspraken met derden en de bescherming van de belangen van de ontwerper die geen partij is in deze procedure aan toe.\n\n3.15.. Het hof stelt voorop dat de rechtbank heeft beslist dat [appellante] geen aanspraak heeft op royalty’s over de verkoopopbrengst van [naam1] . Deze vraag zal, naar het hof mede op grond van de appeldagvaarding aanneemt, in hoger beroep opnieuw worden voorgelegd. Dat geldt ook voor de (eventuele) royaltyaanspraken van [appellante] met betrekking tot de verkoopopbrengsten van de later ontwikkelde [naam2] . Pas wanneer in hoger beroep komt vast te staan dat [appellante] een royaltyvergoeding toekomt over de verkoopopbrengsten van [naam1] en\u002Fof [naam2] , kan de informatie waar [appellante] om verzoekt voor haar van belang zijn in verband met het vaststellen van de omvang van de aan haar toekomende royalty’s. Dit betekent dat het ten tijde van het beoordelen van dit verzoek niet duidelijk is of [appellante] de door haar verzochte informatie nodig zal (gaan) hebben in het kader van de procedure in hoger beroep. Onder die omstandigheden wegen, mede vanwege proceseconomische afwegingen, de belangen van [geïntimeerde] en de ontwerper bij het niet hoeven verstrekken van de hiervoor onder 3.14 omschreven gegevens op dit moment zwaarder dan het belang van [appellante] om kennis te nemen van de door haar verzochte informatie. Anders dan [appellante] betoogt valt deze belangenafweging niet anders uit vanwege een geheimhoudingsverplichting die op haar zou rusten of zou kunnen worden opgelegd. Ongeacht zo’n geheimhoudingsverplichting zou [appellante] immers kennis krijgen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie waarvan op dat moment niet vaststaat dat zij daarover moet kunnen beschikken in het kader van de procedure in hoger beroep. Daar komt bij dat [geïntimeerde] heeft toegezegd dat zij de benodigde inzage in de verkoopcijfers betreffende [naam1] en [naam2] zal verstrekken op het moment dat komt vast te staan dat [appellante] recht heeft op royalty’s over de verkoopopbrengsten van deze space-in-space-oplossingen. Het hof overweegt daarbij ook dat [appellante] tijdens de procedure in hoger beroep zo nodig, op de voet van artikel 22 Rv dan wel op de voet van artikel 195 Rv, kan verzoeken dat het hof alsnog bepaalt dat zij inzage kan verkrijgen in de door haar op dat moment gewenste informatie.\n\n3.16.. Voor wat betreft de in onderdeel 3.7 onder b genoemde, door [appellante] verzochte jaaroverzichten van de aan de ontwerper betaalde royalty’s wordt in de belangenafweging tevens meegenomen dat het verzoek (ook) vertrouwelijke bedrijfsinformatie van een derde betreft met wie – naar nog onweersproken is – [geïntimeerde] geheimhouding is overeengekomen en die geen partij is in deze procedure. Verder geldt dat [appellante] , gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwt op grond waarvan de (royalty)afspraken tussen [geïntimeerde] en de ontwerper relevant zijn voor de uitleg van de tussen [geïntimeerde] en [appellante] bestaande (royalty)afspraken en welk belang [appellante] heeft bij deze gegevens voor het vaststellen van haar rechtsverhouding in de hoofdzaak. Daarnaast licht [appellante] onvoldoende toe op welke wijze de onder b verzochte overzichten inzicht zouden geven in de afspraken op grond waarvan de royaltybedragen door [geïntimeerde] aan de ontwerper zijn betaald en niet uitsluitend aantonen wat de omvang van deze bedragen is geweest.\n\n3.17.. Het voorgaande brengt mee dat de gewichtige redenen aan de zijde van [geïntimeerde] (waaronder begrepen het belang van de ontwerper) tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens zwaarder wegen dan het belang van [appellante] om die gegevens op dit moment te verkrijgen. Daarbij betrekt het hof, zoals eerder vermeld, redenen van proceseconomische aard. Voor wat betreft de in onderdeel 3.7 onder b genoemde informatie geldt bovendien dat niet is gebleken dat [appellante] voldoende belang heeft bij de verzochte inzage zodat het verzoek reeds om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.\n\nGeen dwangsom3.18.. Gelet op hetgeen hiervoor is besproken, kunnen de overige door [geïntimeerde] aangevoerde bezwaren tegen het inzageverzoek onbesproken blijven. Ook de door [appellante] verzochte dwangsom en de daartegen door [geïntimeerde] aangevoerde bezwaren hoeven niet te worden besproken.\n\nDe conclusie3.19.. Het hof wijst het verzoek van [appellante] af. [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] . Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1.. wijst het verzoek van [appellante] af;\n\n4.2.. \n\nveroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] :\n\n€ 1.935 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1,5 x tarief II);\n\n4.3.. bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag en dat als niet op tijd wordt betaald, die kosten dan worden verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.J. van der Korst, C. Bakker en R. Verkijk, ondertekend door mr. C. Bakker en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n Kamerstukken II 2019\u002F20, 35498, nr. 3, p. 43 en 44.\n\nKamerstukken II 2019\u002F20, 35498, nr. 3 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-35498-3.html), p. 51","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3510","2026-07-13T00:28:25.884Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":97},"1057","ECLI:NL:RBGEL:2026:5266","ecli-nl-rbgel-2026-5266","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: 12029865 \\ CV EXPL 25-10261\n\nVonnis in het incident van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nDE VASTGOEDBESCHERMER B.V., T.H.O.D.N. VASTGOEDBESCHERMER.NL,\n\nte Waardenburg,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: De Vastgoedbeschermer,\n\ngemachtigde: mr. P. Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 december 2025; - de incidentele conclusie van eis tot onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak; - de akte overlegging producties van [de eiser] ;\n\n- de conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. De Vastgoedbeschermer vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwijst naar de bevoegde rechter, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten, vermeerderd met rente.\n\n2.2.. Ter onderbouwing van de incidentele vordering stelt De Vastgoedbeschermer – samengevat – dat de kantonrechter niet bevoegd is om van onderhavig geschil kennis te nemen, maar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Daarnaast heeft [de eiser] de procedure met een verkeerd processtuk ingeleid, namelijk een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift.\n\n2.3.. \n [de eiser] vraagt de zaak door middel van artikel 69 Rv voort te zetten volgens de regels van de verzoekschriftprocedure, met behoud van oorspronkelijke datum van aanhangigmaking.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling van het incident\n\nVerkeerd inleidend processtuk\n\n3.1.. Een procedure dient te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Op grond van artikel 69 Rv is de kantonrechter verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste processtuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor.\n\n3.2.. De vordering van [de eiser] gaat onder andere om het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Voor deze zaken is op grond van artikel 35 UAVG een verzoekschriftprocedure voorgeschreven. Dat betekent dat [de eiser] deze zaak dus niet met een dagvaarding had moeten inleiden, maar met een verzoekschrift. De kantonrechter zal daarom, waar [de eiser] ook zelf om vraagt, op grond van artikel 69 Rv een zogenoemde ‘spoorwissel’ toepassen en bevelen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.\n\n3.3.. De kantonrechter acht verbetering of aanvulling van de dagvaarding als bedoeld in artikel 69 lid 1 Rv niet nodig. Evenmin is het nodig partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen aan te passen aan de procesregels die gelden voor een verzoekschriftprocedure (als bedoeld in artikel 69 lid 4 Rv).\n\n3.4.. Opgemerkt wordt dat in artikel 69 lid 1 Rv is bepaald dat wanneer een procedure is ingeleid met een dagvaarding, terwijl dit een verzoekschrift had moeten zijn, de procedure aanhangig geacht wordt vanaf de oorspronkelijke dag van dagvaarding. In dit geval is de inleidende dagvaarding betekend op 5 december 2025.\n\nDe kantonrechter is niet bevoegd\n\n3.5.. Naast dat de procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, is de kantonrechter ook van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 42 RO is het uitganspunt dat verzoekschriften in eerste aanleg behandeld worden door de rechtbank, tenzij in de wet is bepaald dat de kantonrechter deze mag behandelen. Dit laatste is niet het geval voor verzoeken op grond van de AVG. Dat betekent dat niet de kantonrechter, maar een rechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank bevoegd is om deze zaak te behandelen. [de eiser] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de onbevoegdheid van de kantonrechter.3.6.. Op basis van het voorgaande verwijst de kantonrechter de zaak daarom, met inachtneming van het bepaalde in artikel 71 Rv, naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingslocatie Arnhem. Een rechter van die afdeling beslist wat er verder met de zaak gebeurt. De partijen krijgen hier bericht over.\n\n3.7.. Op grond van artikel 35 lid 4 UAVG is het, zoals normaal gesproken wel het geval is, voor partijen niet verplicht om bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Partijen mogen dus, als zij dat wensen, zelf zonder bijstand van een advocaat procederen bij deze afdeling.\n\nGriffierecht\n\n3.8.. \n [de eiser] heeft een bedrag van € 90,00 aan griffierecht betaald. Omdat de kantonrechter de zaak verwijst, geldt mogelijk een hoger griffierecht. Dat bedrag volgt uit de bijlage bij de Wet griffierecht burgerlijke zaken. Als [de eiser] meer griffierecht moet betalen verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan hem. Die factuur moet betaald zijn binnen vier weken na dit vonnis (artikel 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken).\n\n3.9.. Ook De Vastgoedbeschermer moet mogelijk griffierecht betalen, omdat de kantonrechter de zaak verwijst. Als dat het geval is, verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan haar. Die factuur moet betaald zijn binnen vier weken nadat zij een inhoudelijke reactie op het verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend.\n\nProceskosten\n\n3.10.. \n [de eiser] wordt in het incident in de proceskosten van De Vastgoedbeschermer veroordeeld, aangezien de kosten van het incident nodeloos zijn veroorzaakt. Deze worden aan de zijde van De Vastgoedbeschermer begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n253,00\n\n(1 punt × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n379,50\n\n3.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. verklaart zich onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen,\n\n4.2.. beveelt dat de zaak in de stand waarin zij zich thans bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,\n\n4.3.. verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem,4.4.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 379,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.5.. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.6.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\n47414 \u002F 693","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5266","2026-07-13T00:29:01.936Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":105},"1157","ECLI:NL:RBGEL:2026:5270","ecli-nl-rbgel-2026-5270","2026-04-21T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12131203 \\ HA VERZ 26-43\n\nBeschikking in het incident van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\nNETWORKING4ALL B.V.,\n\nte De Meern,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: Networking4all,\n\ngemachtigde: mr. A.W. Haverkort,\n\ntegen\n\n [naam verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [de verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. D.R. Corbeek.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met de producties 1 tot en met 32;\n\n- het verweerschrift met de producties 1 tot en met 17, tevens incident 195 Rv;\n\n- de akte overlegging productie 33 van Networking4all;\n\n- de akte overlegging producties 18 tot en met 20 van [de verweerder] ;\n\n- de akte overlegging producties 34 tot en met 40 van Networking4all;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking in het incident is bepaald op 23 april 2026, maar wordt vandaag bij vervroeging uitgesproken.\n\n2. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n2.1.. \n [de verweerder] heeft een incidentele vordering op grond van artikel 195 Rv ingesteld en verzoekt tot afgifte van de volgende stukken\u002Fgegevens:\n\na. de eigen mailbox van cliënt (volledig: zowel inkomend, uitgaand, verwijderde items\n\n etc.);\n\nde eigen persoonlijke Google Drive van cliënt (alle documenten waar cliënt \"owner\"\n\n van is\u002Fwas in de week voorafgaand aan de schorsing op 9 februari 2026;\n\n de wijzigingslogs van 1 januari 2025 tot het moment van verstrekking in de volgende Google Drive mappen: Administratie, Security, Sales;\n\n de wijzigingslogs van 1 februari 2026 tot het moment van verstrekking in het Excel\n\n document \"Uitgaven Networking4all NL\" inclusief overzicht van wie toegang heeft tot dit bestand, alsmede het bestand \"Uitgaven Networking4AII NL\" zelf;\n\nalle mappen en bestanden uit de volgende Google Drive mappen: [aanduiding verweerder] &\n\n Managing Director inclusief alle wijzigingslogs en toegangsrechten vanaf het begin tot het moment van verstrekking;\n\n Jira board consultancy tickets incl. wijzigingslogs tot moment van verstrekking;\n\n de gehele oude ISMS+KMS omgeving en nieuwe QISMS omgeving incl. logs van\n\n wijzigingen tot het moment van verstrekking;\n\n de rapportages externe audits van Pentest Keurmerk & ISO 9001\u002F27001 in 2025;\n\n uit de Security map in Google Drive de volgende Mystery Guest rapportages gemaakt in 2025 van de volgende klanten: [klanten] ;\n\n uit de Security map in Google Drive de Red, Blue en Purple Team\n\n vergaderingen\u002Fnotulen uit periode 1 januari 2025 tot en met 3 juni 2025;\n\nde interne communicatie (mail\u002Fslack etc) tussen CEO en personeelsleden in de\n\n periode 1 januari 2026 tot en met moment verstrekking waarbij cliënt wordt\n\n genoemd en onder de volgende zoektermen: \" [aanduiding verweerder] \" \" [aanduiding verweerder] \" \"MD\" \"Managing\n\nDirector\" \" [aanduiding verweerder] \" \" [aanduiding verweerder] \";\n\nAutorisatiematrix 2025 (incl. wijzigingslogs vanaf 1 augustus 2025 tot moment van\n\n verstrekking);\n\n KPI's 2026 (incl. wijzigingslogs vanaf 1 januari 2026 tot moment van verstrekking);\n\n getekende VSO's [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 3] .\n\n2.2.. Ter onderbouwing van deze verzoeken stelt [de verweerder] dat de gevraagde stukken\u002Fgegevens noodzakelijk zijn om zich te kunnen verweren tegen de verwijten vanuit Networking4all. Op 9 februari 2026 is hij geschorst en op non-actief gesteld, waarbij ook zijn toegang tot bestanden en e-mail is geblokkeerd. Hij heeft dus geen toegang meer tot de gevraagde stukken\u002Fgegevens.\n\n2.3.. Networking4all voert aan dat de verzoeken in het incident moeten worden afgewezen bij gebrek aan belang en omdat de gevraagde stukken onvoldoende gespecificeerd zijn. Bovendien zijn een deel van de stukken al aan [de verweerder] verstrekt en is aan hem de gelegenheid geboden om stukken\u002Fgegevens op kantoor van Networking4all in te zien en daarop heeft hij niet gereageerd.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling van het incident\n\n3.1.. Vooropgesteld wordt dat Networking4all de gevraagde stukken\u002Fgegevens als bedoeld in rov. 2.1. onder h, i en k aan [de verweerder] heeft verstrekt. [de verweerder] heeft tijdens de mondeling behandeling zijn verzoek hiermee verminderd en vordert geen afgifte meer van deze stukken\u002Fgegevens.\n\n3.2.. In artikel 195 Rv is bepaald dat een partij aan de rechter kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.\n\n3.3.. In dit kader overweegt de kantonrechter dat niet aan alle vereisten van artikel 194 Rv is voldaan. De kantonrechter begrijpt dat [de verweerder] de door hem gevraagde gegevens opvraagt ter verdediging van het door Networking4all ingestelde verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar de verlangde gegevens zijn naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende bepaald. [de verweerder] heeft bij zijn verzoek niet, althans onvoldoende concreet, vermeld waarom juist die informatie relevant is voor hem. Een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concreet verweer of verzoek is dus niet gesteld. Het voorgaande had naar het oordeel van de kantonrechter, te meer gelet op de aanzienlijke hoeveelheid gevraagde gegevens, wel van [de verweerder] verlangd mogen worden. Hij heeft zijn informatieverzoek dan ook onvoldoende nauwkeurig afgebakend. Ook is niet duidelijk dat de door [de verweerder] verlangde informatie is opgenomen in de stukken\u002Fgegevens waarvan hij afgifte vordert en waar deze informatie precies te vinden is. Het toewijzen van de verzoeken zou er mogelijk toe kunnen leiden dat [de verweerder] een grote hoeveelheid informatie krijgt waarop hij geen recht en belang bij heeft. [de verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling voor een groot deel van de gevraagde stukken\u002Fgegevens nader omschreven welke stukken hij precies wenst te ontvangen en waarvoor, maar het is niet duidelijk waarom hij daarmee heeft gewacht tot de mondelinge behandeling. Niet gesteld of gebleken is dat dit niet bij het verzoek had gekund. Verder heeft Networking4all tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat zij door deze handelswijze wordt belemmerd in de mogelijkheden om zich tegen de verzoeken te verweren. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter de aanvulling van [de verweerder] op zijn verzoeken tijdens de mondelinge behandeling te laat en in strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat hierdoor een doelmatige en voortvarende rechtspleging wordt ondermijnd. De door [de verweerder] gegeven aanvulling tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de bepaalbaarheid, is daarom niet meegenomen in de beslissing op het incident.\n\n3.4.. Op basis van het voorgaande is de conclusie dat de verzoeken tot inzage van de stukken\u002Fgegevens zoals geformuleerd in rov. 2.1. worden afgewezen, omdat niet aan alle vereisten van artikel 194 Rv is voldaan.\n\n3.5.. \n\n [de verweerder] wordt in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Networking4all worden begroot op\n\n€ 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nIn de hoofdzaak\n\n3.6.. De kantonrechter beveelt op dinsdag 26 mei 2026 om 14:00 uur een mondelinge behandeling, zoals tijdens de mondelinge behandeling afgesproken, om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.\n\n3.7.. De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.\n\n3.8.. Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.\n\n3.9.. Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.\n\n3.10.. Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.\n\n3.11.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident\n\n4.1.. wijst de verzoeken van [de verweerder] af;\n\n5.2.. veroordeelt [de verweerder] in de proceskosten van € 721,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. E.C. Zandman, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4, op dinsdag 26 mei 2026van14:00tot15:30uur,\n\n5.4.. bepaalt dat [de verweerder] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Networking4all B.V. dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n47414 \u002F 68707","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5270","2026-07-13T00:29:07.241Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":59,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":112,"parsedAt":63,"updatedAt":113},"631","ECLI:NL:GHARL:2026:625","ecli-nl-gharl-2026-625","2026-02-03T00:00:00.000Z","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:625","2026-02-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.121Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":118,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":119,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":63,"updatedAt":120},"1192","ECLI:NL:GHARL:2023:6124","ecli-nl-gharl-2023-6124","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof: 200.317.779\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 382600)\n\narrest van 18 juli 2023\n\nin de zaak van\n\n1. [appellante]\n\n2. [appellant]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep hebben ingesteld\n\nen bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna: samen [appellanten] en ieder afzonderlijk [appellante] en [appellant]\n\nadvocaat: mr. S.P.A.C. Elsendoorn\n\ntegen\n\n [geïntimeerde] ,\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld\n\nen bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. N. Vrugt\n\n1. De procedure bij de rechtbank\n\nDe procedure bij de rechtbank blijkt uit de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 27 oktober 2021 en 13 juli 2022. Het hof verwijst daarnaar.\n\n2. De procedure bij het hof\n\n2.1.. Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:\n\n- de dagvaarding in hoger beroep van 12 oktober 2022,\n\n- de memorie van grieven (met producties),\n\n- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte houdende producties 69-100 (met producties),\n\n- de memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties).\n\n2.2.. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.\n\n3. De beoordeling in hoger beroep\n\n3.1.. Het hof zal een mondelinge behandeling door de meervoudige kamer bepalen als bedoeld in artikel 87 Rv.\n\n3.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, recht doende in hoger beroep:\n\nbepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof;\n\nbepaalt dat de zitting zal plaatsvinden op 14 november 2023 om 09.30 uurin het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;\n\nbepaalt dat, als partijen verhinderd zijn op de hiervoor genoemde datum, zij binnen twee weken na de datum van dit arrest door middel van een H7-formulier een andere dag voor de zitting kunnen verzoeken; bij het verzoek moet een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de periode van augustus 2023 tot en met januari 2024worden gevoegd; als deze opgave ontbreekt, blijft de eerdere dagbepaling van kracht;\n\nbepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten, aan de hand van maximaal twee A4’tjes spreekaantekeningen, het standpunt van partijen mogen toelichten;\n\n bepaalt dat [appellanten] uiterlijk op 11 september 2023voor de te houden mondelinge behandeling het volledige procesdossierin tweevoudaan het hof dient te sturen;\n\nbepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagenvoor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.J. de Vries, S.C.P. Giesen, D.M.I. de Waele en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:6124","2026-07-13T00:29:09.071Z",20]