[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-corporate-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},77,"corporate-income-tax-nl","Corporate Income Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.360Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-11-19T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121970","Wet op de omzetbelasting","",1,[27,36,43,52],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"1343","ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","ecli-nl-rbgel-2026-5169","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3061 en 24\u002F4796\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [vestigingsplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 237 en een vergrijpboete opgelegd van € 490.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 29 december 2021 een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 opgelegd naar een te betalen bedrag van € 15.885 en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen van € 2.351 en een vergrijpboete opgelegd van € 5.345.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 21 december 2021 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 met dagtekening 7 december 2023 gegrond verklaard en de navorderingsaanslag, belastingrentebeschikking en vergrijpboete vernietigd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van 31 december 2021 tegen de naheffingsaanslag OB met dagtekening 22 januari 2024 gegrond verklaard, het te betalen bedrag verminderd met € 2.066 tot € 13.819, de vergrijpboete verminderd met € 1.033 tot € 4.312 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur, mr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 5 december 2016 en is een 100% dochtervennootschap van [belanghebbende] ( [belanghebbende] )., waarvan de enig aandeelhouder en bestuurder was de heer [gemachtigde 2] .\n\n2. Tot eind 2016 was de bestuurder van [belanghebbende] namens [belanghebbende] werkzaam voor het advocatenkantoor van [bedrijf] . Vanaf 2017 was de bestuurder namens belanghebbende werkzaam voor [bedrijf] .\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2016\n\n3. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2016 gedaan over een verlengd boekjaar van 5 december 2016 tot en met 31 december 2017 naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 25.103.\n\n4. De inspecteur heeft de aanslag Vpb 2016 overeenkomstig de aangifte opgelegd en gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 400.\n\n5. De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2021 een navorderingsaanslag Vpb 2016 opgelegd naar een belastbare winst en tevens belastbaar bedrag van € 30.868 en gelijktijdig opgelegd een vergrijpboete van € 490 en een belastingrentebeschikking genomen naar een te betalen bedrag van € 237.\n\n6. De inspecteur is bij uitspraak op bezwaar volledig tegemoetgekomen aan het bezwaar en heeft de navorderingsaanslag Vpb 2016 en de gelijktijdig opgelegde vergrijpboete en genomen belastingrentebeschikking vernietigd. Hij heeft een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend. In de uitspraak op bezwaar is het volgende vermeld omtrent het terugnemen van de correctie:\n\n “(…) In het boekenonderzoek is aangegeven dat [belanghebbende] in het jaar 2017 uren heeft gemaakt voor een cliënt die ten onrechte niet als omzet of als onderhanden werk zijn aangegeven. Daarnaast is in het boekenonderzoek aangegeven dat de cliënt waarvoor de uren zijn gemaakt een auto ter beschikking heeft gesteld aan [belanghebbende] Het gebruik van de auto door [belanghebbende] is verrekend met de gemaakte uren voor deze cliënt.\n\nIk ben van mening dat in het boekenonderzoek voldoende aannemelijk is gemaakt dat [belanghebbende] uren heeft gemaakt voor de betreffende cliënt en dat zij deze uren niet heeft gefactureerd. Ook is naar mijn mening aannemelijk gemaakt dat er een auto ter beschikking is gesteld door cliënt aan [belanghebbende] en\u002Fof de heer en mevrouw [gemachtigde 2] . Tijdens het behandelen van uw bezwaarschrift heb ik geconstateerd dat [belanghebbende] en de heer [naam] en zijn vennootschappen overeengekomen zijn om de verrekening van de vordering van [belanghebbende] en het ter beschikking stellen van de auto met gesloten beurzen af te wikkelen. Hierdoor is, per saldo geen sprake van een te belasten winst in [belanghebbende] De in het boekenonderzoek toegepaste correctie ad € 5.765 kan dan ook niet in stand blijven. (…)”\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n7. De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport.\n\n8. Hoofdstuk 4 van het controlerapport bevat correcties die betrekking hebben op de omzetbelasting. Punt 4.12 van het controlerapport bevat de correcties voor de omzetbelasting met betrekking tot het privégebruik van de auto. Daarin staat:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n9. De rechtbank beoordeelt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag Vpb 2016 en naheffingsaanslag OB 2017. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n10. Belanghebbende voert aan dat in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding is toegekend en dat de naheffingsaanslag OB 2017 te hoog is vastgesteld.\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding en dat de naheffingsaanslag OB 2017 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIntegrale proceskostenvergoeding\n\n12. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding na de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2016 ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding heeft toegekend. Volgens haar was het van tevoren al duidelijk dat de correcties waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd geen stand konden houden.\n\n12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat door de inspecteur geen aanslag is opgelegd tegen beter weten in en dat evenmin door de inspecteur in de aanslagregelende\n\nfase of de bezwaarfase onzorgvuldig is gehandeld. Zo al onzorgvuldig is gehandeld –\n\nhetgeen hij betwist – is dit handelen niet zodanig onzorgvuldig dat dit een\n\nintegrale vergoeding van de kosten rechtvaardigt.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is voor een integrale proceskostenvergoeding geen plaats omdat eerst in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat de correctie van € 5.765 (zie 6.) geen stand kon houden, omdat toen pas is gebleken dat belanghebbende en de client beoogden de door belanghebbende gemaakte uren te verrekenen met de terbeschikkingstelling door client van een auto aan belanghebbende. Van een handelen tegen beter weten in of verregaande onzorgvuldigheid is geen sprake. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.\n\nNaheffingsaanslag OB\n\n15. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n16. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 12. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het controlerapport en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n17. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n18. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 15) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport voor de loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nVergrijpboete\n\n20. Ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat aanvankelijk niet is betaald, door opzet of grove schuld van de belastingplichtige.\n\n20. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond.De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist.Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\n22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Dit volgt ook uit de door [gemachtigde 2] en zijn boekhouder gegeven verklaringen. Vaststaat dat slechts voor 1 auto (BMW Cabrio [kenteken] ) in Black Box in de periode tot en met 1 november 2018 een rittenadministratie is bijgehouden, dat voor de resterende periode en de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen omzetbelasting ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. Van schending van het nemo tenetur-beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat de boete niet uitsluitend is gebaseerd op de door belanghebbende afgelegde verklaringen, maar ook op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen voor zover de boete ziet op het privégebruik van de auto. Deze boete wordt dan 25% van € 2.243= € 560. De totale boete is dan € 4.312 -\u002F- € 1.234 = € 3.078. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd tot een bedrag van € 3.078.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n23. Belanghebbende heeft ter zitting een vergoeding verzocht voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.\n\n23. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak niet betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat in beginsel per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of recht bestaat op een immateriële schadevergoeding.\n\n25. De rechtbank stelt ter zake van de procedure die ziet op de navorderingsaanslag Vpb 2016 vast dat belanghebbende op 21 december 2021 bezwaar heeft gemaakt en dat de inspecteur aan dat bezwaar volledig tegemoet is gekomen en de navorderingsaanslag en de gelijktijdig genomen belastingrentebeschikking en opgelegde vergrijpboete heeft vernietigd. De door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie wordt dus geacht ten einde te zijn gekomen op het moment dat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist, namelijk 7 december 2023. Dat is binnen een termijn van twee jaar, zodat geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding voor die procedure. Dat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar omdat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding kan niet worden geacht een voortzetting te zijn van de eerder door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie.\n\n27. Met betrekking tot de procedure die ziet op de naheffingsaanslag OB geldt het volgende. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting op 31 december 2021 ontvangen. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 54 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 30 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 22 januari 2024. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van (19\u002F30 * € 3.000 =) € 1.900 aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.100.\n\n27. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. Het beroep dat betrekking heeft op de naheffingsaanslag OB 2017 is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft. De rechtbank zal die boete verminderen tot een bedrag van € 3.078. Het beroep over de navorderingsaanslag Vpb 2016 is ongegrond. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.200 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2017 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het betrekking heeft op de vergrijpboete;\n\nvermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 3.078;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb 2016 ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.900;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.100;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.200;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en\n\nmr. R.J.W. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Hoge Raad 10 maart 2017; ECLI:NL:HR:2017:392.\n\n Nr. BLKB2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5169","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.914Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":42},"394","ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","ecli-nl-rbgel-2026-5191","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F3064, 24\u002F3065, 24\u002F3066, 24\u002F3067, 24\u002F4948 en 24\u002F5036\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende ] B.V. , uit [vestigingsplaats ] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende gelijktijdig de volgende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nJaar\n\nBelastbaar bedrag\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F11\u002F2020\n\nVpb 2014\n\n€ 116.579\n\n€ 2.413\n\n30\u002F10\u002F2021\n\nVpb 2015\n\n€ 87.880\n\n€ 4.807\n\n€ 4.816\n\n24\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2016\n\n€ 44.305\n\n€ 2.519\n\n€ 2.808\n\n18\u002F12\u002F2021\n\nVpb 2017\n\n€ -2.510\n\nDe inspecteur heeft daarnaast gelijktijdig de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2023 de bezwaren van respectievelijk 29 december 2020, 8 november 2021 en 6 januari 2022 tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 de bezwaren van 7 januari 2021 en 31 december 2021 tegen respectievelijk de naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 ongegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur,\n\nmr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .\n\nFeiten\n\nAlgemeen\n\n1. Belanghebbende is opgericht op 28 mei 2003. [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. [gemachtigde 2] is tevens enig werknemer van belanghebbende.\n\n2. Op 29 december 2010 is belanghebbende certificaathouder geworden van de Stichting [stichting] en [gemachtigde 2] bestuurder van de [stichting] .\n\n3. [gemachtigde 2] verrichtte tot en met 31 december 2016 werkzaamheden als advocaat voor [bedrijf 1] .\n\n4. Op 31 mei 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 aangekondigd. Het onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, uitsluitend voor zover het de bijtelling privégebruik auto betreft. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 november 2021 (het rapport loonheffingen). Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle is het onderzoek tevens uitgebreid naar onder andere de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit onderzoek is op 7 februari 2020 aangekondigd. Tijdens het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb en OB over de jaren 2016 en 2017 onderzocht. Op 16 oktober 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aangiften Vpb over de jaren 2014 en 2015 en de aangiften OB over het jaar 2015. Het conceptrapport heeft als dagtekening 10 juni 2020. De definitieve bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 23 november 2021 (het controlerapport).\n\n5. In onderdeel 2.5.1. van het controlerapport is omtrent de financiële administratie het volgende vermeld:\n\n “De heer [naam 1] verzorgt de administratie van [belanghebbende ] B.V.\n\nDe echtgenote en de dochter van de heer [gemachtigde 2] boeken de kosten (inkoopfacturen, bonnen). (…)\n\nTot en met het jaar werd de facturering (management fees en dergelijke) verzorgd door het kantoor van advocatenkantoor [bedrijf 1] .\n\nDe adviseur, de heer [naam 1] van [bedrijf 2] , haalt in principe éénmaal per jaar de ordners op en voert de administratie in het boekhoudprogramma Snelstart in.\n\n6. In onderdeel 2.6. van het controlerapport is omtrent de adviseur het volgende vermeld:\n\n “(…)\n\n [bedrijf 2] verzorgt de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting en\n\nvennootschapsbelasting”\n\n7. In onderdeel 3.1.5. van het controlerapport is onder het kopje “Tweede helft debiteurenregeling” het volgende vermeld:\n\n“Op 26 januari 2016 heeft [belanghebbende ] B.V. € 25.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met als omschrijving “Afl. Lening tbv 2e helft debiteurenregeling”\n\nDeze betaling is als volgt gejournaliseerd:\n\nAf te dragen BTW € 4.339\n\nManagementfee [bedrijf 1] (wv-rekening) € 20.661\n\nAan Rabobank € 25.000\n\n(…)”\n\n8. Belanghebbende en [bedrijf 1] hebben op 18 november 2009 een managementovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat, indien het resultaat van [bedrijf 1] het toelaat, aan belanghebbende jaarlijks een basismanagementvergoeding toekomt van maximaal € 127.000. Indien het resultaat van [bedrijf 1] het niet toelaat komt aan belanghebbende een gelijk deel van het behaalde resultaat toe. Ook is overeengekomen dat belanghebbende maandelijks een voorschot op de haar toekomende managementfee over het desbetreffende kalenderjaar ontvangt, gerelateerd aan de naar verwachting voor [bedrijf 1] te behalen managementvergoeding over dat jaar.\n\n9. In onderdeel 3.2.3 van het controlerapport is onder het kopje “Managementfee retour” het volgende vermeld:\n\n“Op 31 december 2015 heeft [belanghebbende ] B.V. middels een memoriaalboeking de volgende journaalpost geboekt:\n\nDebet\n\nCredit\n\nManagementfee\n\n€ 41.322,31\n\nBTW af te dragen hoog\n\n€ 8.677,69\n\naan\n\nRekening-courant directie\n\n€ 50.000\n\nDe omschrijving in het grootboek is: Man fee retour [bedrijf 1] ivm debiteuren prive betaald\n\n [belanghebbende ] B.V. heeft geen inkoopfactuur, bankafschrift of andere bewijzen c.q. bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat deze journaalpost terecht is geboekt dan wel bewijzen\u002Fbescheiden waaruit blijkt dat de dga in privé bedragen heeft betaald voor [belanghebbende ] B.V. (…)”\n\n10. Belanghebbende heeft in de periode van 2011 tot en met 2015 de volgende auto’s gekocht:\n\nAuto\n\nDatum aankoop\n\nKostprijs\n\nAudi A8\n\n4 november 2011\n\n€ 78.979\n\nCitroën DS 3 Cabrio\n\n30 december 2013\n\n€ 17.425\n\nBMW 435D X-Drive Aut 8 Cabrio\n\n13 juni 2015\n\n€ 73.125\n\nFiat 500 Twin Air 80\n\n27 juli 2015\n\n€ 11.138\n\n11. Belanghebbende heeft een herinvesteringsreserve van € 12.985 afgeboekt op de kostprijs van de Audi en de Audi geactiveerd voor € 65.994. Zij heeft de Audi op 10 juni 2015 ingeruild voor de BMW en op die inruil een boekwinst behaald van € 26.269. Belanghebbende heeft ter zake van die boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd en die reserve afgeboekt op de kostprijs van de BMW. De BMW is vervolgens geactiveerd voor € 46.269. Belanghebbende is voor alle auto’s uitgegaan van een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nihil.\n\n12. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 op haar zakelijke rekening maandelijks € 1.500 ontvangen van [bedrijf 1] met als omschrijving “Auto- en onkostenvergoeding”.Vennootschapsbelasting\n\n13. Belanghebbende heeft de volgende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan:\n\nJaar\n\nBelastbare winst\n\nBelastbaar bedrag\n\n2014\n\n86.701\n\n86.701\n\n2015\n\n21.131\n\n21.131\n\n2016\n\n6.134\n\n6.134\n\n2017\n\n-5.455\n\n-5.455\n\n14. De inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2014 tot en met 2017 met respectievelijk dagtekening 30 september 2017, 7 oktober 2017, 9 juni 2018 en 6 juli 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.\n\n14. In het onder 4. genoemde controlerapport wordt medegedeeld dat navorderingsaanslagen Vpb zullen worden opgelegd naar aanleiding van de volgende correcties:\n\nCorrectie\n\n2014 (€)\n\n2015 (€)\n\n2016 (€)\n\n2017 (€)\n\nAfschrijving materiële vaste activa\n\n383\n\n778\n\n2.022\n\n2.022\n\nRente rekening-courant aandeelhouder\n\n937\n\n1.920\n\n2.393\n\nTweede helft debiteurenregeling\n\n20.661\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n18.000\n\n18.000\n\n18.000\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n452\n\n430\n\n430\n\nKosten motorrijtuigenbelasting [kenteken ]\n\n716\n\n143\n\nKosten douchescherm\n\n619\n\nPrivédeel administratiekosten\n\n200\n\n200\n\nOmzetbelasting privégebruik auto\n\n-6.533\n\n-6.397\n\n-2.243\n\nManagementfee retour\n\n41.322\n\nTotaal correcties\n\n18.383\n\n54.956\n\n38.171\n\n2.945\n\n16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 opgelegd met inachtneming van de correcties vermeld in het onderzoeksrapport. Voor die jaren heeft de inspecteur ook correcties toegepast vanwege bedragen die aan [bedrijf 3] in rekening zijn gebracht van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft in de beroepsfase deze correcties en de daarbij behorende boetes laten vervallen omdat de bedragen al in 2018 zijn aangegeven en hij heeft de aanslagen ambtshalve verminderd.\n\nOmzetbelasting\n\n17. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd.\n\nDagtekening\n\nTijdvak\n\nBelasting\n\nBelastingrente\n\nVergrijpboete\n\n30\u002F12\u002F2020\n\n01\u002F01\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015\n\n€ 26.002\n\n€ 4.892\n\n29\u002F12\u002F2021\n\n01\u002F01\u002F2016 – 31\u002F12\u002F2016\n\n€ 15.793\n\n€ 2.969\n\n€ 8.092\n\n18. In punt 5.1.1 van het controlerapport staat dat naheffingsaanslagen OB zullen worden opgelegd in verband met de in dat punt genoemde correcties, namelijk:\n\n2015\n\n2016\n\nCorrectie 4.1. Inruil BMW 435D voor Audi A8 TDI\n\n6.734\n\n-\n\nCorrectie 4.2. Omzetbelasting\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.3. Rekening-courant\n\n-\n\n1.105\n\nCorrectie 4.5. Tweede helft debiteurenregeling\n\n-\n\n4.339\n\nCorrectie 4.6. Auto- en onkostenvergoeding\n\n-\n\n3.780\n\nCorrectie 4.7. Omzet [bedrijf 3]\n\n-\n\n0\n\nCorrectie 4.8. Managementfee retour\n\n8.677\n\n-\n\nCorrectie 4.9. Douchescherm\n\n-\n\n130\n\nCorrectie 4.10. Dubbel geboekte administratiekosten\n\n-\n\n-\n\nCorrectie 4.11. Privédeel administratiekosten\n\n-\n\n42\n\nCorrectie 4.12. Privégebruik auto\n\n6.533\n\n6.397\n\nTotaal na te heffen\n\n21.944\n\n15.793\n\n19. In punt 5.1.1. wordt voorts opgemerkt dat de naheffingsaanslag OB 2015 is opgelegd ter behoud van rechten ter grootte van € 26.002 en dat deze naheffingsaanslag ambtshalve wordt verminderd tot € 21.944.\n\n20. In punt 4.12 van het controlerapport wordt de correctie wegens privégebruik van de auto’s van belanghebbende toegelicht. In die toelichting staat:\n\n“De Citroen met kenteken [kenteken 1] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe BMW met kenteken [kenteken 2] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nInzake de fiat met kenteken [kenteken 3] werden tegenstrijdige verklaringen gegeven over wie in deze auto heeft gereden. In eerste instantie zou dat de dochter van de heer [gemachtigde 2] zijn. Later werd aangegeven dat de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] in de auto heeft gereden. In 2017 is de berijder in ieder geval mevrouw [naam 2] , de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] . In beide gevallen is de auto ter beschikking gesteld.\n\nDe Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .\n\nDe Audi A8 met kenteken [kenteken 5] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .\n\nVoor de jaren 2015 tot en met 2017 corrigeren wij tijdsgelang op basis van het forfait van 2,7%.\n\nBelanghebbende stelt in de reactie d.d. 22 september 2021 dat deze correctie moet worden berekend op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde sluitende rittenadministratie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de verhouding tussen de zakelijke en privé kilometers, in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting.\n\nBelanghebbende houdt echter geen administratie bij van de autokosten per auto. Zo wordt op de grootboekrekening autokosten niet vermeld op welke auto deze kosten betrekking hebben. Bovendien blijkt uit het rapport inzake loonheffingen dat belastingplichtige of geen rittenregistratie heeft aangeleverd (Citroen met kenteken [kenteken 1] en de Fiat met kenteken [kenteken 3] ) of dat de rittenregistratie niet betrouwbaar is (BMW [kenteken 2] , Mercedes-Benz [kenteken 4] , [kenteken 5] )\n\nUit de administratie blijkt dan ook niet in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt. Omdat niet blijkt in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen is het forfait als uitgangspunt genomen.”\n\n21. In punt 4.12 is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\n22. In datzelfde punt is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 als volgt berekend:\n\n[afbeelding gepseudonimiseerd]\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n23. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 en naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 terecht en tot de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n24. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen haar oordeel heeft.\n\nNavorderingsaanslag Vpb 2017\n\n25. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende was het duidelijk dat zij ook bezwaren had met betrekking tot het jaar 2017, omdat zij bezwaren had ingediend met betrekking tot de andere jaren die in het onderzoek zijn meegenomen. Omdat het onderzoek de periode 2014 tot en met 2017 betrof, is het volgens haar logisch dat de bezwaren betrekking hadden op die hele periode. Dat de navorderingsaanslagen niet tegelijkertijd zijn verzonden kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voor zover het bezwaarschrift te laat is ontvangen is de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar gezien de connectie met de andere zaken.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende wel afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2014 tot en met 2016, maar niet tegen de navorderingsaanslag 2017. Uit die bezwaarschriften volgt ook niet dat belanghebbende mede heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslag 2017. Daaraan doet niet af dat het volgens belanghebbende logisch is dat zij ook bezwaar had tegen de navorderingsaanslag 2017, aangezien voor het maken van bezwaar is vereist dat belanghebbende een bezwaarschrift indienten dat heeft belanghebbende ten aanzien van die navorderingsaanslag niet gedaan. Dat volgens belanghebbende sprake is van connectie met de andere jaren kan ook niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvoor is vereist dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende heeft zelf niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.\n\nInzage in de stukken\n\n27. Belanghebbende stelt dat zij niet in alle stukken inzage heeft gehad, omdat deze niet beschikbaar of bekend waren.\n\n27. Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft, mede gelet op de uitvoerige toelichting van de inspecteur, onvoldoende geconcretiseerd welke stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming ontbreken of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht.\n\nEindgesprek\n\n30. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen eindgesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties en het voornemen om boetes op te leggen. Uit de stukken volgt dat belanghebbende (in de persoon van [gemachtigde 2] ) in een e-mail van 11 december 2020 heeft aangegeven dat hij geen prijs meer stelde op een eindgesprek. Daarnaast is het concept-rapport op 10 juni 2021 met begeleidend schrijven aan belanghebbende toegezonden en is belanghebbende in gelegenheid gesteld op de bevindingen in het controlerapport, waaronder het voornemen om boetes op te leggen, te reageren. Op 17 september 2021 is een bespreking over de boetes gepland op 29 september 2021. Belanghebbende heeft vervolgens op 22 september 2021 schriftelijk gereageerd, daarbij is tevens ingegaan op de aangekondigde boetes. Na overleg met belanghebbende is de bespreking van 29 september 2021 komen te vervallen.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n32. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.\n\n32. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft belanghebbende niks aangevoerd. Mede gelet op het controlerapport en de toelichtingen die daarin per correctie zijn opgenomen is de rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden.Managementfee retour\n\n34. Belanghebbende stelt dat zij in het verleden door [bedrijf 1] werd verplicht om boven een bepaalde debiteurenstand zelf geld bij te storten op de gemeenschappelijke rekening. [bedrijf 1] kon, zolang uitstaande facturen niet waren voldaan, de opbrengsten uit die facturen namelijk niet gebruiken als bedrijfskapitaal ter betaling van de lopende kosten. Om die reden moesten de vennoten zelf een waarborgsom betalen indien de debiteurenstand een bepaald grens\u002Fpercentage van het totaal overschreed. De waarborgsom werd pas terugbetaald zodra de openstaande facturen werden voldaan. Het betreft daarom een voorschotbetaling. De betaling van € 50.000 houdt verband met de waarborgsom die zij heeft voorgeschoten. Per saldo is met de transactie geen omzet gemaakt.\n\n34. Onder verwijzing naar de memoriaalboeking (punt 9.) stelt de inspecteur dat door de memoriaalboeking een negatief bedrag aan managementfee in aanmerking is genomen. De winst is dus verlaagd met € 41.322. Daarnaast is € 8.677 btw teruggevraagd. Ten slotte is de vordering op [gemachtigde 2] verminderd met € 50.000. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2015 een managementfee van [bedrijf 1] ontvangen. [bedrijf 1] heeft geen creditnota gezonden die betrekking heeft op de managementfee en die de memoriaalboeking verklaart.\n\n36. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de inspecteur € 50.000 heeft gecorrigeerd in verband met een teruggeboekte management fee. Belanghebbende stelt dat zij die kosten wel daadwerkelijk heeft (terug)betaald. Deze stelling van belanghebbende vindt evenwel geen steun in de feiten. Zo is er geen creditnota die betrekking heeft op de managementfee. Het komt de rechtbank dan ook aannemelijk voor dat overboeking verband houdt met de waarborgsom. Het betreft hier een betaling, waarvan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze in dit jaar tot aftrek kan leiden. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zij tot een bedrag van € 50.000 een voorziening kon vormen, kan de rechtbank belanghebbende hierin evenmin volgen. Uit de overgelegde stukken volgt bijvoorbeeld niet dat tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is gecorrespondeerd over die vergoeding en dat belanghebbende die betaling verschuldigd was. Ook op andere wijze is niet gebleken dat het waarschijnlijk is dat de uitgaven zich zullen voordoen.\n\nOmzet auto- en onkostenvergoeding\n\n37. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de auto- en onkostenvergoeding ten onrechte tot de winst heeft gerekend. Deze vergoeding was bestemd voor [gemachtigde 2] in privé. Dit is door [bedrijf 1] fiscaal afgestemd met de inspecteur en is door de accountant van [bedrijf 1] bevestigd. Daarnaast is de heffing over de vergoeding verlegd naar [bedrijf 1] . In punt 3.5.2 van het rapport loonheffingen staat “Uit praktische overwegingen hebben wij deze vergoedingen en verstrekkingen in overleg met [bedrijf 1] tot het loon bij de werkmaatschappij [bedrijf 1] gerekend”.\n\n37. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er een geldstroom is geweest van [bedrijf 1] naar belanghebbende en dat die vergoeding niet bij [bedrijf 1] en evenmin bij belanghebbende in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de auto- en onkostenvergoeding daarom terecht tot de winst is gerekend. Aan het controlerapport voor de loonheffingen kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat de passage waarnaar belanghebbende verwijst betrekking heeft op een andere vergoeding dan de auto- en onkostenvergoeding. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel gelet op het gestelde overleg tussen [bedrijf 1] en de inspecteur kan dit evenmin slagen. Deze stelling is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.\n\nAfschrijvingen vervoermiddelen\n\n39. Belanghebbende stelt dat bij de verkoop van de vervoermiddelen steeds een afwikkeling plaatsvindt met de Belastingdienst, al dan niet met gebruikmaking van de herinvesteringsreserve. Dat er geen restwaarde is gehanteerd bij de afschrijvingen leidt derhalve slechts tot een verschuiving van de belastingheffing. Het is daarnaast niet zeker dat de restwaarde van een auto 10% zou moeten zijn, omdat dat afhangt van de auto en het gebruik daarvan.\n\n39. De bewijslast om de omvang van de afschrijvingen aannemelijk te maken rust op belanghebbende. In die bewijslast is zij niet geslaagd. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom de auto’s na vijf jaren geen (rest)waarde meer hebben. Dat het niet zeker is dat de restwaarde 10% zal bedragen, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de inspecteur aan de hand van de inkoop- en verkoopprijzen van de Audi A8 en de BMW Roadster aannemelijk gemaakt dat een restwaarde van 10% zeker niet te hoog is.\n\nOmzet [bedrijf 3]\n\n41. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de omzet [bedrijf 3] ten onrechte tot de winst heeft gerekend.\n\n41. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 tot de belastbare winst mede heeft gerekend omzet [bedrijf 3] van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft deze correcties in beroep teruggenomen en de navorderingsaanslagen overeenkomstig ambtshalve verminderd. Daarmee is de vraag of de omzet [bedrijf 3] terecht tot de winst is gerekend niet langer in geschil. Wel zijn de beroepen om die reden gegrond en moeten de belastbare winsten en tevens de belastbaar bedragen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 worden verminderd met respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De opgelegde boetes moeten eveneens dienovereenkomstig worden verminderd.\n\nNaheffingsaanslagen OB 2015 en 2016: Auto- en onkostenvergoeding\n\n43. Belanghebbende betwist de correctie genoemd in punt 4.6 van het controlerapport, namelijk de correctie met betrekking tot de auto- en onkostenvergoeding. Deze kwestie hoort volgens haar thuis in de loonheffingssfeer en die vergoeding moet worden aangemerkt als een vergoeding die aan [gemachtigde 2] in privé toekomt. In overleg met [bedrijf 1] wordt die vergoeding ook al op het niveau van [bedrijf 1] belast. Om die reden is sprake van een dubbeltelling.\n\n43. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt en verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen zij daarover met betrekking tot de navorderingsaanslagen Vpb heeft overwogen (punt 38).Naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016: Privégebruik auto\n\n45. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk\u002Fprivé.\n\n46. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 22. en 23. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het rapport loonheffingen en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.\n\n47. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en\u002Fof welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.\n\n48. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 45.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.\n\n49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport loonheffingen, volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW, een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig is aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.\n\nZijn aan belanghebbende terecht boetes opgelegd?\n\nWettelijk kader\n\n50. Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald.\n\n51. In paragraaf 28, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat indien de bijtelling in verband met privégebruik niet heeft plaatsgevonden, de inspecteur een boete oplegt van 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. In paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB staat dat de boete indien sprake is van een onjuiste of onvolledige rittenadministratie wordt verhoogd naar 100% van de grondslag.\n\n52. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022⁷ dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.Daarvoor moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).\n\nVergrijpboetes Vpb en OB\n\n53. Bij beschikking zijn de volgende vergrijpboetes Vpb opgelegd:\n\nVpb 2015\n\nOmzet [bedrijf 3] 50% van 20% van € 9.500 = € 950\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nManagementfee retour 25% van 20% van € 41.322 = € 2.066\n\nVpb 2016\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van € 4.034 = € 1.008\n\nOmdat de correctie [bedrijf 3] is vervallen, is ook de daarbij behorende boete vervallen. Volgens de inspecteur moet de boete in verband met “Managementfee retour” tevens worden verminderd met € 104 tot € 1.962.\n\n54. Bij beschikking is de volgende vergrijpboete OB 2016 opgelegd:\n\nAuto-\u002Fonkostenvergoeding 50% van € 3.780 = € 1.890\n\nPrivégebruik auto 80% van € 6.397 = € 5.117\n\nTweede helft debiteurenregeling 25% van €4.334 = € 1.085\n\n55. Belanghebbende stelt dat de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 ten onrechte vergrijpboetes Vpb en OB heeft opgelegd. Hij heeft voor beide middelen de volgende gronden aangevoerd en de inspecteur heeft op deze gronden gereageerd.\n\nUna via en ne bis in idem\n\n56. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het una via-beginsel en ne bis in idem-beginsel.\n\n57. Het una via-beginsel vindt zijn grondslag vindt in artikel 5:44 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende strafrechtelijk is\u002Fwordt vervolgd. Van schending van het una via beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\n58. Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 5:43 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur niet wegens dezelfde overtreding meerdere bestuurlijke boetes op. Uit het dossier volgt niet dat aan belanghebbende voor 2015 en 2016 andere bestuurlijke boetes zijn opgelegd dan de vergrijpboetes. Van schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op cumulatie van de boetes zal hierna worden ingegaan.\n\nOnschuldpresumptie en nemo tenetur\n\n59. De vergrijpboete is volgens belanghebbende in strijd met het arrest Melo Tadeauopgelegd. Het uitgangspunt is de onschuldpresumptie. De inspecteur heeft die presumptie geschonden, omdat de inspecteur al bij het tweede gesprek uitging van schuld\u002Fverwijt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur ook het nemo tenetur-beginsel geschonden, omdat niemand gehouden is bewijs tegen zichzelf te regelen. Belanghebbende is ondervraagd door de inspecteur, de heer [naam 3] , zonder voorafgaande melding en zonder belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht. Vervolgens heeft de inspecteur een verdenking geuit en heeft hij besloten om het onderzoek uit te breiden. Het materiaal dat is verkregen is wilsafhankelijk materiaal. Dat materiaal is dus ten onrechte verkregen en mag niet worden meegenomen in de beoordeling of de vergrijpboete terecht is opgelegd.\n\n60. De inspecteur stelt dat de heer [naam 3] niet belast is geweest met het onderzoek in de Vpb en evenmin bij het vaststellen van de boeten in de Vpb en OB. Dit was de heer [gemachtigde 4] . De informatie waarop de boetes zijn gebaseerd, betreft volgens de inspecteur allemaal wilsonafhankelijke informatie. Het gaat hierbij om facturen, boekingen in de administratie, etc. Deze informatie betreft informatie die de belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR dient te verstrekken. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het nemo tenetur beginsel niet in de weg staat aan de verplichting om informatie te verschaffen voor een juiste belastingheffing.\n\n61. Naar het oordeel van de rechtbank is het Melo Tadeau-arrest niet van toepassing, omdat het arrest slechts van belang is wanneer zich een samenloop voordoet tussen een strafrechtelijke uitspraak en een fiscale procedure. Zoals eerder opgemerkt is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.\n\n62. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2014het volgende overwogen:\n\n“2.4. (…)\n\nDit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting (…) ter zake daarvan geen schending van artikel 6 opleveren, (…)\n\n2.5.\n\nVoor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827\u002F96, J.B. tegen Zwitserland, BNB2002\u002F26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien. (...)”\n\n63. Voor zover door belanghebbende stukken uit de administratie heeft verstrekt, is sprake van wilsonafhankelijk materiaal en is het nemo tenetur- beginsel niet van toepassing.\n\nIn het controlerapport wordt ten aanzien van het privégebruik auto verwezen naar het rapport loonheffingen. Uit het rapport loonheffingen\n\nvolgt dat op 29 oktober 2018 een inleidend gesprek is gevoerd met de heer [gemachtigde 2] . In dat gesprek heeft [gemachtigde 2] over het privégebruik van de aanwezige auto’s een verklaring gegeven. Op 30 november 2018 heeft belanghebbende ordners met bankgegevens en rittenadministraties verstrekt. Op 30 november 2018 heeft de heer [naam 1] per e-mail aangegeven welke bijtelling voor privégebruik auto is toegepast en -voor zover bekend- welke auto’s het betreft. Tevens heeft de heer [naam 1] bericht omtrent de aanwezige auto’s en het gebruik. Op pagina 5 van het rapport is het volgende vermeld: “De aangeleverde rittenregistraties leverden de nodige vragen op”. De heer [gemachtigde 2] heeft op 10 december 2018 verklaard dat zijn vrouw in beide Mercedessen heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring Van de heer [gemachtigde 2] van 10 november 2018 en de verklaringen daarna als wilsafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt. Dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek naar de loonheffingen maakt dat niet anders, voor zover de verklaringen ook zijn gebruikt in het kader van het opleggen van de boete ten aanzien van het privégebruik auto voor de OB. Gelet op hetgeen op pagina 5 van het controlerapport is vermeld, had het op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende op dat moment te wijzen op de gerezen twijfels en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheid dat boetes zouden worden opgelegd. Op de gevolgen hiervan zal hierna worden ingegaan.\n\nBoete Vpb 2015 en 2016 en OB 2016: auto-\u002Fonkostenvergoeding\n\n64. De inspecteur stelt dat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat de vergoeding voor belanghebbende en niet voor [gemachtigde 2] bestemd was. Dat een medewerker van [bedrijf 1] een andersluidende verklaring zou hebben gegeven acht de inspecteur niet aannemelijk. Door de fiscale verwerking, te weten het verwerken van de vergoeding in rekening-courant met de aandeelhouder in plaats van als omzet, aan de administrateur voor te schrijven, heeft belanghebbende zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Subsidiair is sprake van grove schuld, omdat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat haar handelen zou kunnen leiden tot het heffen van te weinig belasting. Dit geldt temeer gelet op de bij belanghebbende aanwezige kennis van het fiscale recht.\n\n65. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd overtuigend aan te tonen dat bij belanghebbende sprake was van opzet. Daarbij is van belang dat de bewijslast dat sprake was van opzet op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat zij niet heeft geweten dat het door haar behaalde resultaat niet in de heffing zou moeten worden betrokken. Belanghebbende heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vergoedingen daadwerkelijk aan [gemachtigde 2] toekwamen. De enkele door de administrateur afgelegde verklaring maakt dat niet anders omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat deze verklaring niet kon kloppen. Door desalniettemin de administrateur de opdracht te geven de vergoedingen in rekening-courant met de aandeelhouder te verwerken, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.\n\n66. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.530 , de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 1.530 en de boete OB 2016 tot €1.606.\n\nBoete Vpb 2015 managementfee retour\n\n67. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Aangezien aan de memoriaalboeking geen facturen, bankafschriften of andere bescheiden ten grondslag liggen, is het volgens de inspecteur uitgesloten dat de administrateur deze boeking op eigen initiatief is gemaakt. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om aan de administrateur duidelijke instructies te geven over de boeking. Nu hij dit heeft verzuimd, is sprake van grove schuld.\n\n68. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] en\u002Fof betalingen door [gemachtigde 2] namens belanghebbende aan [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n69. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.667 (85% van € 1.962).\n\nBoete Vpb en OB 2016 tweede helft debiteurenregeling\n\n70. De inspecteur stelt dat sprake is van grove schuld. Door de onder punt 7. vermelde boeking is de winst verlaagd met € 20.661, terwijl aan de boeking geen facturen of andere bescheiden ten grondslag liggen. Bij de bankafschrijving staat “afl. lening”. Dit kan volgens de inspecteur niets anders betekenen dan “aflossing lening”. De inspecteur acht het uitgesloten dat de administrateur dit op eigen houtje op de winst- en verliesrekening heeft geboekt, dit moet op initiatief van belanghebbende zijn gebeurd. De verklaring van belanghebbende dat de boeking in overleg met [bedrijf 1] is geschied en op basis van een creditnota, acht de inspecteur niet aannemelijk.\n\n71. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.\n\n72. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 856 en de boete OB 2016 moet worden verminderd tot € 922.\n\nBoete OB privégebruik auto\n\n73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Uit het rapport loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast, dat voor de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde 2] zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. De in punt 64. geconstateerde schending van het nemo tenetur-beginsel heeft geen gevolgen voor de boete omdat de boeteoplegging voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar en voor meerdere middelen een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd van € 5.117 met € 3.518 tot een bedrag van € 1.599.\n\nBelastingrente\n\n74. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Omdat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 gegrond zijn in verband met het vervallen van de correcties [bedrijf 3] , moeten de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De beschikkingen belastingrente inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 moeten eveneens worden verminderd overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n75. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur van haar zaken.\n\n76. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.\n\n77. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar moet worden gehanteerd. Omdat de rechtsmiddelen niet tegelijkertijd zijn aangewend rekent de rechtbank voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dat is in dit geval het bezwaar van 29 december 2020 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2014. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 66 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 42 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 7 december 2023. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.500 (30\u002F42 x € 3.500). aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.000 (12\u002F42 x € 3.500).\n\n Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n78. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de Vpb over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn gegrond. De navorderingsaanslag Vpb 2014 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 116.579 -\u002F- € 11.495=) € 105.084. De navorderingsaanslag Vpb 2015 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 87.880 -\u002F- € 9.500=) € 78.380. De beschikkingen belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete Vpb 2015 wordt verminderd tot € 1.667. De vergrijpboete 2016 wordt verminderd tot € 2.386. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de Vbp over het jaar 2017 is ongegrond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2016 is gegrond, uitsluitend voor zover het boete betreft. De rechtbank vermindert de boete tot een bedrag van € 4.127. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2015 is ongegrond. Omdat de beroepen (deels) gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1,5 vanwege vier of meer samenhangende zaken).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2014 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2014 tot naar een belastbare winst van € 105.084;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2015 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot naar een belastbare winst van € 78.380;\n\nbepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2015 tot € 1.667;\n\nverklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete Vpb 2016 tot € 2.386;\n\nverklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2016 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;\n\nvermindert de vergrijpboete OB 2016 tot € 4.127;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;\n\nverklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;\n\nveroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.800;\n\nbepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. R. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.\n\nUitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 6:4 van de Awb.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n³ ECLI:NL:HR:2017:711\n\n Nr. BLKB 2012\u002F639M, Staatscourant 2012, 14822.\n\n⁵ Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\n⁶ Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.\n\n⁷ ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n EVRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510.\n\n EHRM 10 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC00765401.\n\n ECLI:NL:HR:2014:2144.\n\n ECLI:NL:HR:2026:59.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5191","2026-07-13T00:28:27.623Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":34,"updatedAt":51},"747","ECLI:NL:GHARL:2026:2988","ecli-nl-gharl-2026-2988","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 23\u002F2962\n\nuitspraakdatum: 12 mei 2026\n\nUitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteurvan deBelastingdienst Midden-en kleinbedrijf\u002FKantoor Almere(hierna: de Inspecteur)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2023, nummer AWB 21\u002F4128, ECLI:NL:RBGEL:2023:6841, in het geding tussen de Inspecteur en\n\n [belanghebbende]te [woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De Inspecteur heeft bij beschikking, als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001, van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen in [belanghebbende] Holding Sp. Z o.o. (hierna: Holding) per 27 december 2018 vastgesteld op € 1.747.148.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft, met toestemming van de Inspecteur, rechtstreeks beroep ingesteld tegen de beschikking bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd en daarbij de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000. Verder heeft de Rechtbank de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 2.092,50 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n1.3.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.4.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.L. Veldhuijzen en diens kantoorgenoten [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] , [naam5] en [naam6] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. Belanghebbende was sinds 1993 enig aandeelhouder en bestuurder van [Sp. z.o.o.] , een naar Pools recht opgerichte vennootschap die feitelijk in Polen is gevestigd.\n\n2.3.. Belanghebbende was sinds 31 december 1996 enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende] Beheer B.V. (hierna: Beheer BV) . Beheer BV is een houdstervennootschap die belangen houdt in diverse Nederlandse deelnemingen. Beheer BV is feitelijk gevestigd in Nederland. De verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001 van belanghebbende van de aandelen Beheer BV bedroeg € 435.148.\n\n2.4.. Belanghebbende is in 2003 geëmigreerd naar Polen om daar met zijn Poolse echtgenote te gaan wonen. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben samen twee kinderen. De echtgenote en de twee kinderen hebben de Poolse nationaliteit.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2003 tot en met 2010 aangifte IB\u002FPVV gedaan als binnenlands belastingplichtige.\n\n2.6.. Bij brief van 13 juni 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur kenbaar gemaakt dat hij in 2003 is geëmigreerd en dat hij dus ten onrechte steeds als binnenlands belastingplichtige aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de reeds vastgestelde aanslagen IB\u002FPVV vanaf het jaar 2003 te corrigeren. Belanghebbende heeft er daarbij op gewezen dat de zogenoemde tienjaarstermijn is verstreken, zodat geen belang meer bestaat bij het alsnog opleggen van een conserverende aanslag in verband met de emigratie in 2003.\n\n2.7.. De Inspecteur heeft afgezien van het opleggen van een conserverende aanslag vanwege onder andere de (fictieve) vervreemding van het aanmerkelijk belang in Beheer BV als gevolg van de emigratie van belanghebbende in 2003.\n\n2.8.. Belanghebbende heeft op 7 december 2018 de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] middels een storting op aandelen ingebracht in Holding . Holding is een naar Pools recht opgerichte vennootschap waarvan belanghebbende alle aandelen houdt. Op het moment van de inbreng van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] was Holding feitelijk gevestigd in Polen. De inbrengwaarde van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] bedroeg respectievelijk € 8.692.000 en € 1.312.000.\n\n2.9.. In Polen heeft geen belastingheffing plaatsgevonden over de vermogenswinst die belanghebbende heeft gerealiseerd als gevolg van de vervreemding van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] aan Holding . De Poolse belastingwetgeving kent voor dit geval, in overeenstemming met de Fusierichtlijnen gelijk aan artikel 3.55 Wet IB 2001, een vrijstelling in de vorm van een doorschuiffaciliteit.\n\n2.10.. Belanghebbende is op 27 december 2018 vanwege een echtscheiding geremigreerd naar Nederland.\n\n2.11.. De remigratie van belanghebbende naar Nederland heeft in Polen niet geleid tot belastingheffing van belanghebbende in de vorm van een zogenoemde exitheffing, met betrekking tot het aandelenbelang van belanghebbende in Holding , omdat de Poolse belastingwetgeving tot 1 januari 2019 niet voorzag in een dergelijke exitheffing.\n\n2.12.. In zijn aangifte IB\u002FPVV 2018 heeft belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang vanwege de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding in aanmerking genomen van € 8.256.852 en aangeven dat dat voordeel elders is belast.\n\n2.13.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte IB\u002FPVV 2018 vragen gesteld. Partijen zijn vervolgens in onderling overleg overeengekomen dat de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van belanghebbende van de aandelen Holding € 10.004.000 bedraagt. Dit bedrag is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Beheer BV (€ 8.692.000) en de aandelen [Sp. z.o.o.] (€ 1.312.000) op het moment van de overdracht van deze aandelenbelangen aan Holding . Partijen zijn het er ook over eens geworden dat op het moment van remigratie de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Holding – nog steeds – € 10.004.000 bedroeg.\n\n2.14.. De Inspecteur heeft daarna bij brief van 12 mei 2021 aangekondigd de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in Holding per de datum van remigratie van belanghebbende vast te stellen op € 1.747.148. De Inspecteur heeft deze verkrijgingsprijs bepaald door op de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van € 10.004.000, op grond van artikel 4.25 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 16, leden 1 en 11, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), een zogenoemde step-down toe te passen. Deze step-down bedraagt € 8.256.852 en is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen Beheer BV op het moment van inbreng van deze aandelen in Holding (€ 8.692.000) en de historische verkrijgingsprijs van de aandelen Beheer BV (€ 435.148).\n\n2.15.. De Inspecteur heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001 van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding per datum remigratie overeenkomstig de hiervoor in 2.14. genoemde aankondiging vastgesteld op € 1.747.148.\n\n2.16.. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding te laag heeft vastgesteld. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit op grond van het Unierecht, in het bijzonder de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU, buiten toepassing moet worden gelaten. Er kan daarom geen step-down worden toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. De Rechtbank heeft de beschikking gewijzigd en de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen Holding .\n\n3.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding ten onrechte heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens de Inspecteur moet die verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit worden vastgesteld op € 1.747.148. Het Unierecht staat daar volgens de Inspecteur niet aan in de weg, nu er geen sprake is van een niet gerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU. De Inspecteur is verder van mening dat de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval niet leidt tot een schending van de goede verdragstrouw of tot een schending van het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet.\n\n3.3.. Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding terecht heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens belanghebbende staan zowel het Unierecht als de goede verdragstrouw eraan in de weg dat op het moment van remigratie op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit een step-down wordt toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. Daarnaast leidt toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit volgens belanghebbende tot een schending van het grondwettelijk discriminatieverbod. Hij voert daartoe aan dat voor de aandelen [Sp. z.o.o.] wel wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van die aandelen op het moment van inbreng in Holding , maar voor de aandelen Beheer BV niet, terwijl belanghebbende op het moment van emigratie naar Polen al een aanmerkelijk belang hield in beide vennootschappen en belanghebbende beide aandelenbelangen heeft overdragen aan Holding voordat hij remigreerde.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De inspecteur kan op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001 de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, al dan niet op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen. Artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, voor zover hier van belang, omschrijft de verkrijgingsprijs van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen als de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.\n\n4.2.. Artikel 4.25 Wet IB 2001 bevat nadere regels voor de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren indien de houder van dat belang in Nederland gaat wonen (immigreert). Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt daartoe als hoofdregel dat, indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in een vennootschap heeft, de verkrijgingsprijs van die aandelen wordt gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen kan worden toegekend.\n\n4.3.. Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 is, ingevolge artikel 4.25, lid 2, Wet IB 2001, echter niet van toepassing indien, zoals in het geval van belanghebbende, de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen. Artikel 4.25, lid 4, Wet IB 2001 bepaalt voor dat geval dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs. Die nadere regels zijn opgenomen in artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit. In artikel 16, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en (i) de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of (ii) de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest, de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen wordt gesteld op de verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001. Volgens datzelfde artikellid wordt die verkrijgingsprijs vervolgens vermeerderd of verminderd zoals aangegeven in de leden 2 en volgende van artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit.4.4.. In het geval van belanghebbende is de vermindering die is uitgewerkt in artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit van belang. In dit artikellid is voor zover hier van belang bepaald dat, indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die onmiddellijk aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen tot een aanmerkelijk belang behoorden, de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 wordt verminderd met een zogenoemde step-down. Die step-down is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 van de belastingplichtige van die aandelen overtreft.\n\n4.5.. Met de hiervoor in 4.2. en 4.3. beschreven wettelijke regeling wordt beoogd om de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren zodanig vast te stellen dat daardoor in beginsel Nederlandse belasting wordt geheven over de waardeaangroei van die aandelen voor zover die is ontstaan in een periode dat in Nederland, ter zake van het aanmerkelijk belang, op grond van het nationale recht sprake was van binnen- dan wel buitenlandse belastingplicht.Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit blijkt dat dit artikellid naar aanleiding van belastingbesparende constructies uit de praktijk, in lijn daarmee, tracht te voorkomen dat een belastingplichtige een Nederlandse belastingclaim op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen op een in Nederland gevestigde vennootschap blijvend zou kunnen ontgaan door voordat hij in Nederland gaat wonen zijn aandelen of winstbewijzen, bijvoorbeeld door middel van een aandelenruil, te vervreemden aan een (buitenlandse) holding .\n\n4.6.. Belanghebbende was in de periode dat hij in Polen woonde op grond van artikel 2.1, in samenhang met hoofdstuk 7, Wet IB 2001 buitenlands belastingplichtig ter zake van zijn aanmerkelijk belang in Beheer BV . Met de inbreng van dit aandelenbelang in Holding op 7 december 2018 heeft belanghebbende dit aanmerkelijk belang vervreemd. Deze vervreemding heeft ertoe geleid dat belanghebbende, als buitenlands belastingplichtige, een vervreemdingswinst heeft gerealiseerd van € 8.256.852. Doorschuiving van deze vervreemdingswinst was voor belanghebbende in dit geval niet mogelijk, nu op grond van artikel 7.5, lid 4, Wet IB 2001, de aandelenfusiefaciliteit van artikel 4.41, lid 1, Wet IB 2001 niet toegepast kon worden.\n\n4.7.. Op grond van artikel 13, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland – Polen 2002(hierna: het Verdrag) kon Nederland het heffingsrecht over de in 4.6 genoemde, gerealiseerde vervreemdingsvoordeelt niet effectueren. Op grond van genoemd artikel had Polen in dit geval het exclusieve heffingsrecht over de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Beheer BV door belanghebbende van € 8.256.852.\n\n4.8.. In het geval van belanghebbende leidt de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit ertoe dat de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001 van € 10.004.000, moet worden verlaagd met een step-down van € 8.256.852, tot € 1.747.148. Dit heeft tot gevolg dat de vervreemdingswinst die belanghebbende in 2018 heeft gerealiseerd met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding , die gelijk is aan het bedrag van de step-down, bij een eventuele latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende dan alsnog in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken. Dit is gelet op de hiervoor in 4.5. aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis ook het doel van deze regeling. Daarmee ontstaat echter de situatie dat Nederland als gevolg van de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit bij een latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende in feite een in 2018 gerealiseerd voordeel (gaat) belast(en) dat op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag exclusief ter heffing was toegewezen aan Polen. Met deze toe-eigening van het heffingsrecht over de eerder gerealiseerde vermogenswinst ten aanzien van de vervreemding van de aandelen Beheer BV , handelt Nederland dan in strijd met de goede trouw die Nederland als verdragspartner jegens Polen in acht moet nemen. Dat na de remigratie van belanghebbende op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Holding belastbaar zijn in Nederland, betekent niet dat Nederland, zonder schending van de goede verdragstrouw, zich op grond van het Verdrag ook de heffingsbevoegdheid kan toe-eigenen over een deel van dit vervreemdingsvoordeel dat volgens de Nederlandse belastingwetgeving al eerder daadwerkelijk is gerealiseerd en waarover Nederland toen op grond van het Verdrag geen heffingsrecht had. Om schending van de goede verdragstrouw in dit geval te voorkomen moet daarom bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding op het moment van remigratie van belanghebbende artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing worden gelaten.\n\n4.9.. Anders dan de Inspecteur betoogt, verschilt het onderhavige geval van de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017. In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of het niet verlenen van een zogenoemde step-up van de verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit, bij de immigratie van die belanghebbende vanuit België naar Nederland, in strijd was met het Belastingverdrag Nederland - België. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat het niet verlenen van een dergelijke step-up niet in strijd was met de met artikel 13, lid 4, van het Verdrag overeenkomende bepaling uit het Belastingverdrag Nederland – België. Redengevend voor dat oordeel was dat in de periode dat die belanghebbende buitenlands belastingplichtig ter zake van het aanmerkelijk belang was zich, anders dan in onderhavige zaak, juist niet enige vorm van realisatie had voorgedaan ten aanzien van de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de periode dat die belanghebbende in België woonde. Dit essentiële verschil maakt dat de uitkomst in deze zaak anders is.\n\n4.10.. Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat niet in de weg dat onderhavig geschil betrekking heeft op de beschikking die de Inspecteur heeft gegeven op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001. Het doel van deze beschikking vaststelling verkrijgingsprijs is het wegnemen van rechtsonzekerheid ten aanzien van de omvang van een toekomstig vervreemdingsvoordeel van in dit geval de aandelen Holding .Indien de beschikking verkrijgingsprijs onherroepelijk vast komt te staan, staat in beginsel ook vast dat bij het bepalen van de vervreemdingsvoordeel bij latere vervreemding van de aandelen Holding rekening wordt gehouden met het vervreemdingsvoordeel dat belanghebbende in 2018 reeds heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Het geschil over de onderhavige beschikking gaat dus in zoverre ook rechtstreeks over de vraag of het door belanghebbende in 2018 met de vervreemding van de aandelen Beheer BV behaalde vervreemdingsvoordeel in een later jaar in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken.\n\n4.11.. Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat ook niet in de weg dat in Polen in dit geval geen daadwerkelijke belastingheffing heeft plaatsgevonden ten aanzien van het voordeel dat belanghebbende heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Voor de vraag of sprake is van een schending van de goede verdragstrouw gaat het erom of het Polen of grond van het Verdrag (exclusief) was toegestaan om te heffen over dit vervreemdingsvoordeel en niet of Polen ook daadwerkelijk dit toegewezen heffingsrecht heeft geëffectueerd. Dat in Polen in dit geval niet is geheven als gevolg van de toepassing van de Fusierichtlijn en het ontbreken van een exitheffing bij vertrek van belanghebbende uit Polen, maakt dit niet anders.\n\n4.12.. Nu het Hof van oordeel is dat de goede verdragstrouw in dit geval in de weg staat aan de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit, behoeven de vragen of toepassing van dit artikel in dit geval in strijd is met het Unierecht of met het discriminatieverbod geen beantwoording.\n\n4.13.. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding om van de Inspecteur griffierecht te heffen en de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.\n\n5.2.. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,\n\n– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868,\n\n– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.\n\nDe beslissing is op 12 mei 2026in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. R.R. van der Heide.\n\n(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Richtlijn 2009\u002F133\u002FEG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (gecodificeerde versie), Pb L 310, 34.\n\n Kamerstukken II 1995\u002F96, 24 761, nr. 3, p. 59-60, en Kamerstukken II 1996\u002F97, 24 761, nr. 7, p. 21.\n\n Nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit, Staatsblad 2000, 641, p. 33.\n\n Het vervreemdingsvoordeel is de overdrachtsprijs van € 8.692.000 minus de (historische) verkrijgingsprijs van € 435.148.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting van 13 februari 2002, laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 29 oktober 2020, Tractatenblad 2022, 23.\n\n Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2423.\n\n Kamerstukken II 1995\u002F96, 24 761, nr. 3, p. 24.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2988","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.261Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":56,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":34,"updatedAt":58},"1276","ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","ecli-nl-rbgel-2025-9889","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F2640\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 november 2025\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] N.V., uit [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2023 een naheffingsaanslag dividendbelasting ten bedrage van € 1.186.273 aan belanghebbende opgelegd.\n\nBelanghebbende heeft met dagtekening 18 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar als rechtstreeks beroep tegen de naheffingsaanslag met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de rechtbank en aangegeven in te stemmen met prorogatie.\n\nDe inspecteur heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 24\u002F2639 van [naam bedrijf 1] N.V. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap. Zij is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] B.V. ( [naam bedrijf 2] ). [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] N.V. ( [naam bedrijf 1] ). [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] zijn ook gevestigd in Nederland.\n\n2. [naam bedrijf 1] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 3] Ltda ( [naam bedrijf 3] ), een naar Braziliaans recht opgerichte en in Brazilië gevestigde vennootschap. [naam bedrijf 3] is sinds 1946 actief in de distributie van LPG in Brazilië.\n\n3. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] maken daarvan deel uit.\n\n4. Op 27 september 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 35.947.787 (€ 6.804.427). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n5. Op 5 december 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 176.523.402 (€ 32.738.020). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n6. Op 19 april 2023 heeft [naam bedrijf 1] een dividend van € 90.000.000 ter beschikking gesteld aan [naam bedrijf 2] . Dat dividend bestaat uit:\n\n7. de hiervoor genoemde dividenden van [naam bedrijf 3] (totaal: € 39.542.447),\n\n8. dividenden van andere deelnemingen en\n\n9. eigen resultaten van [naam bedrijf 1] .\n\nBij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 1] voor een bedrag van € 1.688.773 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting, op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de Wet). Op grond van deze bepaling heeft [naam bedrijf 1] bovendien de dividendbelasting niet afgedragen. Van dit bedrag van € 1.688.773 hield € 1.186.273 verband met de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . Dit bedrag is gelijk aan 3% van de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 502.500 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n7. Op 24 april 2023 heeft [naam bedrijf 2] een dividend ter beschikking gesteld aan belanghebbende van € 293.538.735. Bij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 2] op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet voor een bedrag van € 2.629.495 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting en heeft de dividendbelasting niet afgedragen. Van laatstgenoemd bedrag hield € 1.186.273 verband met dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n8. Op 25 april 2023 heeft belanghebbende een dividend van € 290.909.240 ter beschikking gesteld aan haar aandeelhouders. Op een deel van dit dividend van € 118.801.280 heeft belanghebbende 15% dividendbelasting ingehouden van € 17.820.192. Op dit bedrag heeft belanghebbende op grond van artikel 11 van de Wet een vermindering toegepast van € 2.629.495. Van laatstgenoemd bedrag ziet € 1.186.273 op de dividenden van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n9. Op 19 september 2023 hebben belanghebbende, [naam bedrijf 1] en de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten. De strekking van deze overeenkomst is dat uitsluitend [naam bedrijf 1] de aan haar op te leggen naheffingsaanslag betaalt en dat belanghebbende uitstel van betaling wordt verleend voor de aan haar op te leggen naheffingsaanslag. Bovendien is overeengekomen dat belanghebbende geen belastingrente is verschuldigd zolang de aanslag die aan haar zal worden opgelegd nog niet onherroepelijk is komen vast te staan.\n\n10. Met dagtekening 14 november 2023 is aan zowel belanghebbende als [naam bedrijf 1] een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van € 1.186.273.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij gaat het met name om de volgende vragen:\n\n- is met betrekking tot de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit van artikel 11 van de Wet en artikel 12 van de Wet in samenhang met artikel 11 van de Wet? In het bijzonder is daarbij in geschil of op deze dividenden een bronbelasting is ingehouden van ten minste 5%, zoals bepaald in artikel 11, eerste lid, onder 2̊, van de Wet;\n\n- kan belanghebbende zich beroepen op de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet?\n\n- als ten onrechte gebruik is gemaakt van de dooruitdelingsfaciliteit, dient dan te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] ?\n\nDe rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n13. Artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\n“1. Op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:\n\n1° de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde — al dan niet tezamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 — voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;\n\n2° op de winstuitkeringen is op de BES eilanden, in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden;\n\n3° bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking.\n\n2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen — vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting — bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.”\n\n14. Artikel 12 van de Wet (wettekst 2023) luidt als volgt:\n\n“1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van artikel 11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste en vijfde lid, tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting. De ingevolge de eerste zin ingehouden belasting hoeft, in afwijking van artikel 7, vierde lid, niet op aangifte te worden afgedragen.\n\n2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.\n\n3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.”\n\n15. Artikel 23 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië [...] met betrekking tot belastingen naar het inkomen (het Verdrag), voor zover van belang, luidt:\n\n“Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting\n\n1. Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast.\n\n2. (…)\n\n3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, derde lid, artikel 17, artikel 18, eerste lid, en artikel 22 van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.\n\n4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de in Brazilië betaalde belasting geacht te bedragen:\n\nmet betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividenden indien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam dat ten minste 10 percent van het stemgerechtigde kapitaal in het Braziliaanse lichaam bezit, en 20 percent in alle andere gevallen,\n\n(…)”\n\n16. Kamerstukken II, 1967\u002F1968, 6000, nr. 17, p. 12:\n\n“Het bepaalde (…) opent de mogelijkheid beleggingen door Nederlandse beleggers in buitenlandse aandelen door tussenkomst van een beleggingsinstelling - wat de in het buitenland toegepaste bronheffing betreft - fiscaal niet nadeliger te behandelen dan rechtstreekse beleggingen in zodanige aandelen.”\n\n17. Kamerstukken II, 1994\u002F1995, 23 980, nr. 3, p. 1-3:\n\n“In verdragsrelaties (...) staat Nederland toe dat de in het buitenland ingehouden bronbelasting op dividenden welke worden uitgekeerd aan een Nederlandse gerechtigde, wordt verrekend met de aan deze dividenden toe te rekenen Nederlandse belasting. De dividenden die een Nederlandse vennootschap van een buitenlandse deelneming ontvangt, worden op grond van de deelnemingsvrijstelling in Nederland echter niet belast. In dat geval is er derhalve geen ruimte om de in het buitenland ingehouden bronbelasting te verrekenen. De buitenlandse bronbelasting vormt in die gevallen voor het bedrijfsleven dan ook steeds voor het volle bedrag een kostenpost. Dit gevolg is inherent aan de op zichzelf gunstige deelnemingsvrijstelling.\n\n(…)\n\nDe kosten van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelasting verzwaren de belastingdruk voor het in Nederland gevestigde bedrijfsleven. Dit betreft in het bijzonder hoofdkantoren en houdstermaatschappijen van internationale ondernemingen. Potentiële investeerders zullen bij de keuze van een vestigingsplaats deze kosten als een nadeel van een eventuele vestiging in Nederland ervaren. Teneinde tot verbetering van het Nederlandse vestigingsklimaat te komen acht ik het gewenst een tegemoetkoming in deze kosten te bieden. Ik stel daartoe voor een gedeeltelijke verrekening toe te staan van de in het buitenland ingehouden bronbelasting. Omdat er voor de onderneming die deelnemingsdividenden uit het buitenland ontvangt geen grondslag is om de ingehouden bronbelasting te verrekenen met in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting, stel ik voor de verrekening te laten plaatsvinden met de door de Nederlandse vennootschap bij dooruitdeling van het dividend af te dragen dividendbelasting.\n\nDoordat de tegemoetkoming de vorm heeft van een vermindering van af te dragen dividendbelasting zonder dat de in te houden dividendbelasting een wijziging ondergaat, komt de tegemoetkoming in eerste aanleg de inhoudingsplichtige vennootschap ten goede. De druk van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelastingen wordt daarmee ten dele weggenomen.\n\n(…)\n\nVoorwaarde voor toepassing van de faciliteit is in mijn voorstel allereerst de ontvangst van deelnemingsdividend waarop krachtens de Belastingregeling voor het Koninkrijk of bij toepassing van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting een bronbelasting van ten minste 5% mag worden ingehouden en ook feitelijk is ingehouden”.\n\n18. In zijn arrest van 12 juli 2013overwoog de Hoge Raad onder meer:\n\n“3.5.1.\n\nMiddelonderdeel b komt onder meer op tegen het oordeel van de Rechtbank dat niet slechts een belasting die wordt geheven bij wege van inhouding en afdracht door het lichaam dat het dividend uitkeert, maar ook een belasting die door de ontvanger van het dividend wordt voldaan, is aan te merken als een bronbelasting in de zin van artikel 11, lid 1, 2°, van de Wet. Het middelonderdeel faalt in zoverre, aangezien dat oordeel juist is. Daaraan doet niet af dat in de tekst van laatstbedoelde bepaling sprake is van bronbelasting die is “ingehouden”, aangezien geen aanleiding bestaat aan die bepaling een andere betekenis toe te kennen dan dat door de bronstaat een belasting moet zijn geheven die in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang.”\n\nHeeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit?\n\n19. Artikel 11 van de Wet in verbinding met artikel 12 van de Wet houdt in een faciliteit op grond waarvan een inhoudingsplichtige een vermindering kan toepassen op de door hem af te dragen belasting wegens - voor zover van belang - winstuitkeringen op aandelen die zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.\n\n20. Belanghebbende is van mening dat ook voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet ervan moet worden uitgegaan dat op de door [naam bedrijf 3] (via [naam bedrijf 1] ) aan haar gedane winstuitkeringen een bronbelasting van ten minste 5 procent is ingehouden. Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wet moet als ingehouden bronbelasting worden aangemerkt het bedrag aan buitenlandse belasting als bedoeld in de eerste limiet van het desbetreffende belastingverdrag. Dat is namelijk – als gevolg van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling – de niet-verrekenbare bronbelasting waarvoor de wetgever met de invoering van artikel 11 van de Wet een tegemoetkoming heeft willen bieden. Tot die niet-verrekenbare bronbelasting behoort ook de tax sparing credit als omschreven in artikel 23, derde en vierde lid, van het Verdrag (TSC), aldus nog steeds belanghebbende.\n\n21. Voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit moet ter zake van de uitgekeerde dividenden sprake zijn van een kostenpost. Artikel 24, derde lid, van het Verdrag spreekt in dit verband over “(…) Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting(…)” [onderstreping rechtbank]. Artikel 24, vierde lid, letter a, van het Verdrag spreekt over “Voor de toepassing van het derde lid wordt dein Brazilië betaalde belastinggeacht te bedragen: a. met betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividendenindien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam(…)” [onderstreping rechtbank].\n\n22. Vast staat dat ter zake van de onderhavige TSC in Brazilië feitelijk niets is ingehouden en evenmin is betaald. In zoverre is dan geen sprake van “een ingehouden bronbelasting van ten minste 5 percent” als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. De onderhavige TSC voldoet niet aan deze definitie. De TSC is slechts een fictieve belasting en, in het onderhavige geval, geen belasting die daadwerkelijk is ingehouden en in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang. De onderhavige TSC is daarom geen op een winstuitkering ingehouden bronbelasting in de zin van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. Artikel 24, derde en vierde lid, van het Verdrag strekt niet verder dan dat zij de ontvanger van het dividend een tegemoetkoming biedt in het kader van de voorkoming van dubbele belasting. Dat op grond van die verdragsbepaling de TSC wordt geacht te zijn betaald in Brazilië, maakt het voorgaande niet anders.\n\n23. De rechtbank wijst verder op de hiervoor onder 17. weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis. Voor zover de tekst van de Wet niet duidelijk zou zijn, volgt uit de in de hiervoor aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis dat voor toepassing van de faciliteit sprake moet zijn van in de bronstaat geheven en daadwerkelijk (feitelijk) ingehouden bronbelasting. Dit volgt ook uit de hiervoor onder 18. weergegeven passage uit het arrest van de Hoge Raad.\n\n24. Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de van [naam bedrijf 3] afkomstige dividenden de inspecteur terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag dividendbelasting heeft opgelegd. De dooruitdelingsfaciliteit van de artikelen 11 en 12 van de Wet is hierop niet van toepassing.\n\nKan belanghebbende zich beroepen op een toezegging van de Staatssecretaris?\n\n25. Artikel 11a van de Wet houdt in een afdrachtvermindering voor fiscale beleggingsinstellingen in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (fbi). Omdat de artikelen 11 en 11a van de Wet een gelijke doelstelling hebben en gelet op de (nagenoeg) identieke wettekst op dit punt, is er geen grond een TSC voor de toepassing van artikel 11 en 11a van de Wet verschillend te behandelen, aldus belanghebbende. Belanghebbende beroept zich hierbij op een door de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet gedane uitlating over dat artikel:\n\n“Voorts verzoekt de NOB te bevestigen dat een tax sparing credit zoals die in bepaalde verdragen is opgenomen, eveneens wordt aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Beide punten kunnen worden bevestigd.”\n\n26. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Deze uitlating geldt voor toepassing van de regeling van artikel 11a van de Wet en niet voor toepassing van de regeling van artikel 11 van de Wet. Anders dan belanghebbende stelt, beogen deze regelingen verschillende doelen.\n\n27. Artikel 11a van de Wet heeft tot doel om op het punt van verrekening van bronbelasting fiscale neutraliteit te bereiken tussen rechtstreeks beleggen en beleggen via een fbi. Bij een rechtstreekse belegging zou een natuurlijk persoon een TSC in beginsel kunnen verrekenen. De TSC wordt daarom voor toepassing van artikel 11a van de Wet aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Hierdoor kan dus ook iemand die belegt via een fbi zijn verdragsrechtelijke recht op verrekening van een TSC effectueren. Artikel 11a van de Wet voorkomt een ongewenst geachte beperking van verrekeningsmogelijkheden.\n\n28. Uit de onder 17. weergegeven fragmenten uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in een verdragssituatie bij een buitenlandse deelneming het doel van artikel 11 van de Wet is het verrekenen van in het buitenland ingehouden bronbelasting, welke zonder deze bepaling door toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet voor aftrek in aanmerking zou komen. Artikel 11 van de Wet biedt alsdan een tegemoetkoming voor de lasten die ontstaan doordat daadwerkelijk geheven bronbelasting niet kan worden verrekend als gevolg van de deelnemingsvrijstelling. De onderhavige TSC is geen daadwerkelijk ingehouden bronbelasting en vormt geen last waarvoor artikel 11 van de Wet beoogt een tegemoetkoming te bieden.\n\n29. Dit verschil in doel en strekking rechtvaardigt een andere behandeling van een TSC voor toepassing van artikel 11 dan wel artikel 11a van de Wet. Belanghebbende kan zich derhalve niet met succes beroepen op de door haar genoemde uitlating van de Staatssecretaris.\n\n30. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat wanneer de in de onderhavige zaak opgelegde naheffingsaanslag dividendbelasting door de rechtbank in stand wordt gelaten, zij zich ten aanzien van de dividenduitkering die tot de in de zaak 24\u002F2639 in geschil zijnde naheffingsaanslag heeft geleid, onvoorwaardelijk op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, eerste lid, van de Wet beroept. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de in zaak 24\u002F2639 opgelegde naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of dient te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] .\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar blijven in stand. Voor een proceskostenvergoeding en\u002Fof vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. A.S. van Middelkoop, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 19 november 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nECLI:NL:HR:2013:55.\n\n Kamerstukken II, 2007\u002F2008, 31 206, nr. 6, p. 25.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","2026-07-13T00:29:13.445Z",20]