[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":139},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},14,{"min":18,"max":19},"2025-08-29T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122434","Wetboek van Koophandel","",1,[27,36,44,52,59,66,75,83,90,99,107,116,124,132],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"1580","ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","ecli-nl-rbgel-2026-5066","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8842\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.\n\n7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.\n\n22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5066","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:28.258Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":34,"updatedAt":43},"860","ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","ecli-nl-rbgel-2026-5236","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7898 tot en met 24\u002F7901, 24\u002F7903 en 24\u002F7904 rectificatie\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde\u002Fechtgenoot]),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2009 tot en met 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de betreffende navorderingsaanslag heeft de inspecteur voor ieder jaar belanghebbende heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende daartegen gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente gehandhaafd, de boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd en de boetebeschikkingen over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nBij uitspraak welke is verzonden op 21 mei 2025heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank een verzoek van de inspecteur om geheimhouding dan wel beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van een stuk genaamd ”Memo aandachtspunten Verhuld Vermogen” toegewezen.\n\nIn reactie hierop heeft belanghebbende de rechtbank bericht dat zij akkoord gaat met kennisname door de rechtbank van de ongeschoonde versie van het hiervoor genoemd stuk.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk en gelijktijdig op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de echtgenoot van belanghebbende, tevens haar gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is gehuwd met [gemachtigde\u002Fechtgenoot] (de echtgenoot). Belanghebbende en de echtgenoot zijn vennoten van VOF [naam vof] (de vof). Vanaf 2010 is belanghebbende tevens in loondienst bij [naam bedrijf] BV. De echtgenoot heeft in het verleden gewerkt bij de Belastingdienst.\n\n2. Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen IB\u002FPVV opgelegd:\n\njaar\n\naangifte IB\u002FPVV ingediend\n\ndagtekening aanslag\n\nverzamelinkomen\n\nwaarvan box 1-inkomen\n\nwaarvan box 3-inkomen\n\n2009\n\n13-6-2011\n\n24-8-2011\n\n€ 161.749\n\n€ 161.749\n\n€ 0\n\n2010\n\n12-8-2011\n\n19-1-2012\n\n€ 182.358\n\n€ 181.061\n\n€ 1.297\n\n2011\n\n3-2-2013\n\n7-3-2014\n\n€ 115.842\n\n€ 115.842\n\n€ 0\n\n2012\n\n29-3-2014\n\n30-12-2014\n\n€ 86.471\n\n€ 86.471\n\n€ 0\n\n2013\n\n21-7-2014\n\n11-2-2015\n\n€ 79.468\n\n€ 79.468\n\n€ 0\n\n2014\n\n2-7-2015\n\n28-8-2015\n\n€ 95.813\n\n€ 95.813\n\n€ 0\n\n3. Aan belanghebbende is becon-uitstel verleend voor het doen van aangifte IB\u002FPVV 2009 tot 1 mei 2011.\n\n4. Op 29 december 2017 hebben belanghebbende, de echtgenoot en hun zoon de Belastingdienst een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, e-mail (de inkeermelding) gestuurd met de volgende inhoud:\n\n“Geachte inspecteur,\n\nWij maken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 met verrekening van dividend belasting.\n\nWij hebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWij hebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen.\n\nIn Hong Kong is het belegd in fondsen en individuele effecten belegt.\n\nDe rekening in Hong Kong is op naam gesteld van onze zoon [naam zoon], wonende [adres], [postcode] [plaats] BSN [BSN-nummer], de reden is dat hij regelmatig in Hong Kong moet zijn voor zijn werk.\n\nHij heeft geen enkel belang of bedrag in deze rekening.\n\nHet saldo is van ons.\n\nWij hebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.\n\nIn afwachting van uw reactie.\n\nMet vriendelijke groet,”\n\n [gemachtigde\u002Fechtgenoot], [belanghebbende] en [naam zoon]”\n\n[rechtbank:met daarbij drie weergegeven, geschreven, handtekeningen]\n\n5. Op 9 januari 2018 heeft de inspecteur de ontvangst van de inkeermelding van belanghebbende schriftelijk bevestigd.\n\n6. Naar aanleiding van de ontvangen inkeermelding heeft de inspecteur belanghebbende meermaals gevraagd om nadere informatie over het buitenlands vermogen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd.\n\n7. De inspecteur schrijft op 20 november 2018 over het in rekening brengen van heffings- en belastingrente in een e-mail aan belanghebbende:\n\n“Daar heeft u een punt! Ik zal er dan straks bij de afhandeling van het dossier voor oudere jaren nog wel even naar kijken.”\n\n8. Omdat belanghebbende, naar daartoe meerdere malen te zijn gevraagd, ter zake van het buitenlands vermogen niet alle gegevens heeft verstrekt, heeft de inspecteur op 13 mei 2019 ten name van belanghebbende een informatiebeschikking afgegeven voor de jaren 2005 - 2014.\n\n9. Met dagtekening 3 mei 2021 heeft de inspecteur uitspraak op het tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar gedaan. Het bezwaar wordt toegewezen voor zover het ziet op de bronbelasting en voor het overige afgewezen. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.\n\n10. Bij uitspraak van 9 augustus 2023heeft deze rechtbank het beroep tegen de informatiebeschikking gegrond verklaard. De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de mutatieoverzichten 1 januari 2005-31 december 2007, is hierbij gehandhaafd. De overige onderdelen van de informatiebeschikking zijn vernietigd.\n\n11. Op verzoek van belanghebbende en de echtgenoot zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014 uitsluitend opgelegd aan belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft dit in een e-mail van 24 september 2023 aan de inspecteur bevestigd.\n\n12. In alle in geschil zijnde jaren bestond het in het buitenland aangehouden vermogen uit een aandeelportefeuille en liquiditeiten. Het saldo van het in het buitenland aangehouden vermogen was in deze jaren op 1 januari als volgt:\n\njaar\n\n2009\n\n€ 1.588.826\n\n2010\n\n€ 2.120.584\n\n2011\n\n€ 2.308.772\n\n2012\n\n€ 1.925.903\n\n2013\n\n€ 2.102.365\n\n2014\n\n€ 2.548.560\n\n13. Op 28 september 2023 heeft de inspecteur een mededeling van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2005 tot en met 2014, de daarbij behorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente en de daarbij behorende vergrijpboetes gestuurd.\n\n14. Met dagtekening 24 respectievelijk 25 november 2023 zijn aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen IB\u002FPVV, heffings-\u002Fbelastingrentebeschikkingen en vergrijpboetes opgelegd:\n\nzaaknummer\n\njaar\n\nverzamelinkomen\n\nheffingsrente\u002F belastingrente\n\nvergrijpboete\n\n24\u002F7898\n\n2009\n\n€ 235.937\n\n€ 7.520\n\n€ 18.046\n\n24\u002F7899\n\n2010\n\n€ 260.665\n\n€ 8.498\n\n€ 22.077\n\n24\u002F7900\n\n2011\n\n€ 208.192\n\n€ 8.555\n\n€ 23.598\n\n24\u002F7901\n\n2012\n\n€ 163.507\n\n€ 6.024\n\n€ 18.116\n\n24\u002F7903\n\n2013\n\n€ 163.562\n\n€ 7.313\n\n€ 23.376\n\n24\u002F7904\n\n2014\n\n€ 197.755\n\n€ 10.350\n\n€ 36.698\n\n15. Met dagtekening 5 september 2024 heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar verstuurd waarin de bezwaren gedeeltelijk gegrond worden verklaard. In deze uitspraak is vermeld dat de navorderingsaanslagen en de heffings-\u002F belastingrentebeschikkingen in stand blijven, dat de vergrijpboetes over de jaren 2009 tot en met 2011 vernietigd worden en dat de vergrijpboetes over de jaren 2012 tot en met 2014 gehandhaafd blijven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n16. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen, heffings- en belastingrentebeschikkingen en boetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Het gaat hierbij om de volgende geschilpunten:\n\nzijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd;\n\nis de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 tijdig opgelegd;\n\nheeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld;\n\nheeft de inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb);\n\nis terecht en zo ja tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht;\n\nzijn de opgelegde vergrijpboetes wegens opzet in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld;\n\nis het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden;\n\nheeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van de procedure die zag op de informatiebeschikking;\n\nheeft belanghebbende recht op een vergoeding wegens geleden immateriële schade.\n\nDe hoogte van de over alle bij de navorderingsaanslagen vastgestelde verzamelinkomens is niet in geschil.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar niet het gehele dossier is verstrekt. In het toegezonden dossier bevonden zich namelijk geen aantekeningen van de behandelend inspecteurs. De inspecteur heeft deze stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken, heeft verklaard dat alle op de zaken betrekking hebbende stukken (digitaal) zijn verstrekt en heeft in dit verband verder nog gesteld dat er geen stukken zijn met betrekking tot afstemming tussen inspecteurs.\n\n19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft onvoldoende geconcretiseerd welke stukken ontbreken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht. Belanghebbende komt met niets waaruit enige aanwijzing valt af te leiden dat wellicht sprake zou kunnen zijn van niet-overgelegde stukken.\n\nIs de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2009 binnen de navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgelegd?\n\n20. De navorderingstermijn voor inkomsten en vermogen die in het buitenland zijn gehouden of opgekomen, bedraagt twaalf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De navorderingstermijn voor het vaststellen van een navorderingsaanslag wordt verlengd met de duur van het verleende uitstel, indien voor het doen van de aangifte uitstel is verleend. De termijn voor het opleggen van de aanslag wordt verlengd met de termijn tussen de bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop de informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan, dan wel wordt vernietigd.\n\n21. Niet in geschil is dat voor het doen van de aangifte IB\u002FPVV 2009 een jaar becon-uitstel is verleend en dat als gevolg hiervan de navorderingstermijn met een jaar wordt verlengd. De informatiebeschikking is genomen op 13 mei 2019 en is door deze rechtbank vernietigd op 9 augustus 2023. De looptijd van de informatiebeschikking is derhalve vier jaar, twee maanden en 24 dagen. De navorderingstermijn eindigt derhalve op 24 maart 2026. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV heeft als dagtekening 25 november 2023 en is daarmee binnen de navorderingstermijn opgelegd.\n\n22. Belanghebbende heeft haar stelling dat de inspecteur alleen maar een informatiebeschikking heeft opgelegd om de aanslagtermijn te verlengen, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling passeert.\n\n23. De inspecteur heeft op basis van artikel 47 van de AWR een ruime bevoegdheid om informatie te vragen aan belastingplichtigen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur deze bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Wanneer de inspecteur ervan op de hoogte raakt dat een belastingplichtige rechthebbende is tot in het buitenland aangehouden, niet aangegeven bankrekeningen, kan hij zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de mogelijkheid bestaat dat de belastingplichtige gedurende enige tijd over (andere) onbekende bronnen van inkomen heeft beschikt en ervoor heeft gekozen daarmee verband houdende vermogensbestanddelen in het buitenland onder te brengen. Dit is voor de inspecteur toereikend om opgave te verlangen van al wat, zo nodig met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR, in de belastingheffing kan worden betrokken.\n\n24. Bij de inspecteur was niet bekend of belanghebbende alle bankafschriften had ingediend. Zo zou het heel goed mogelijk hebben kunnen zijn dat naast de aangegeven rekening in het buitenland, belanghebbende daarnaast nog over andere in het buitenland aangehouden bankrekeningen beschikte, van welke rekeningen geen gegevens waren overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd niet alle gevraagde informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n25. Het door belanghebbende in dit verband genoemde arrest van de Hoge Raad,doet aan het hiervoor overwogene niet af. Dat, zoals zij aanvoert, belanghebbende niet wist van vermogen in het buitenland en dat daardoor geen informatiebeschikking aan haar kon worden opgelegd, doet niet ter zake. Anders dan in het hier genoemde arrest is belanghebbende in de onderhavige zaken in ieder geval vanaf einde 2013 op de hoogte van het bestaan van een bankrekening in het buitenland, zo volgt uit de mede door belanghebbende persoonlijk getekende inkeermelding. Dat zij dan vervolgens niet over de volledige gegevens van het vermogen in het buitenland beschikt, is voor haar rekening en staat er overigens niet aan in de weg dat aan belanghebbende een informatiebeschikking kan worden afgegeven.\n\nZijn de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend opgelegd?\n\n26. Bij toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ter zake van spaartegoeden die in een andere lidstaat van de Europese Unie worden aangehouden, dient de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voor te bereiden en vast te stellen aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking staan.Indien een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, is in ieder geval geen sprake van voortvarend handelen.\n\n27. De rechtbank wijst in dit verband allereerst naar wat zij hiervoor onder 23. tot en met 25. heeft overwogen. Afgezien van de periode waarin de procedure over de informatiebeschikking werd gevoerd, blijkt nergens uit het dossier dat de inspecteur gedurende langer dan zes maanden heeft stilgezeten. De met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR vastgestelde navorderingsaanslagen zijn daarom voldoende voortvarend opgelegd. Daarbij komt nog dat de voortvarendheidseis voor het jaar 2014 reeds niet geldt omdat in dat jaar de niet-aangegeven gelden stonden op een bankrekening in Hongkong. Hongkong behoort niet tot de Europese Unie\u002FEuropese Economische Ruimte.\n\n28. De door belanghebbende in dit verband genoemde uitspraak van de Rechtbank Noord-Hollandis wat betreft het voortvarend opleggen van navorderingsaanslagen in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdamvernietigd. Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raadleidt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel over de voortvarendheid van handelen van de inspecteur.\n\nHeeft de inspecteur gehandeld in strijd met de abbb?\n\n29. De rechtbank leest de stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel.\n\n30. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de vernietiging van de navorderingsaanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 er toe zou moeten leiden dat ook de navorderingsaanslagen over latere jaren zouden moeten worden vernietigd, heeft zij die stelling niet met enig bewijs onderbouwd en dus niet aannemelijk gemaakt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Voor in rechte te beschermen vertrouwen is derhalve meer vereist dan de enkele door belanghebbende gestelde omstandigheid dat de inspecteur navorderingsaanslagen over eerdere jaren om proceseconomische redenen en\u002Fof de omvang van het dossier heeft vernietigd. Nodig zijn een of meer andere omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de vaststelling\u002Fvernietiging van de aanslagen berustte op een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.Belanghebbende heeft zulke omstandigheden niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.\n\n31. Haar stelling dat de inspecteur door haar met name genoemde andere beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, heeft belanghebbende niet onderbouwd en wordt daarom verworpen.\n\nIs het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden?\n\n32. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. Zij meent dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.\n\n33. In zijn arrest van 13 juni 2025(het arrest van 13 juni 2025) overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang (onder weglating van voetnoten):\n\n“5.2.2\n\nHet Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is van toepassing wanneer de inspecteur voornemens is een bezwarend besluit vast te stellen dat de belangen van degene tot wie dat besluit is gericht, aanmerkelijk raakt. Een naheffingsaanslag in de omzetbelasting is zo’n besluit. Het beginsel houdt in dat de inspecteur degene tot wie dat besluit is gericht, de gelegenheid moet bieden zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken voordat dat besluit wordt genomen. Dit brengt mee dat de inspecteur die het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen, de belastingplichtige tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte moet stellen, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag ten grondslag wil leggen. Daarbij moet de inspecteur de belastingplichtige expliciet en ook tijdig uitnodigen om zijn standpunten over de voorgenomen naheffingsaanslag kenbaar te maken. Het moet door deze mededelingen voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat, wanneer hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zijn standpunten kenbaar te maken, de inspecteur hem de voorgenomen naheffingsaanslag zal opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De hiervoor bedoelde mededelingen kunnen niet alleen schriftelijk maar ook mondeling worden gedaan.\n\n5.2.3\n\nDe hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen moeten in alle gevallen worden gedaan, ook indien het voornemen tot naheffing ontstaat tijdens een controle die de inspecteur verricht, de belastingplichtige de redenen kent waarom de controle is ingesteld, en die belastingplichtige op de hoogte is van de feiten die tot de voorgenomen naheffingsaanslag leiden. Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel vereist niet dat een onderzoek naar de juistheid van belastingaangiften is afgerond voordat de inspecteur de belastingplichtige op de hoogte stelt van een of meer voorgenomen naheffingsaanslag(en) onder vermelding van de elementen die hij aan die naheffingsaanslag(en) ten grondslag wil leggen. Dat beginsel is juist erop gericht om de elementen waarop een bezwarend besluit zal zijn gebaseerd, zorgvuldig vast te stellen. Daarvoor kan van belang zijn dat de inbreng van de belastingplichtige bij dat onderzoek wordt betrokken voordat het wordt afgerond. Dat biedt de belastingplichtige de gelegenheid voor het aanvoeren van bepaalde feiten die de inspecteur niet aan de voorgenomen naheffingsaanslag ten grondslag heeft gelegd.\n\n5.2.4\n\nIndien de belastingplichtige stelt dat de inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, rust op de inspecteur de last feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen waaruit volgt dat hij bij zijn besluitvorming dat beginsel heeft gerespecteerd. In geval van geschil daarover ligt het daarom op de weg van de inspecteur te bewijzen dat en op welk moment hij de belastingplichtige de hiervoor in 5.2.2 bedoelde mededelingen heeft gedaan, nadat hij het voornemen heeft opgevat een bepaalde naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen.”\n\n34. De brief van de inspecteur van 28 september 2023 waarin de navorderingsaanslagen worden aangekondigd, voldoet naar het oordeel van de rechtbank wat betreft het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3. van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen de navorderingsaanslagen op te leggen. Met deze brief is belanghebbende niet tijdig en expliciet van de voorgenomen navorderingsaanslagen op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de inspecteur aan die navorderingsaanslagen ten grondslag wil leggen. Met deze brief was het voor belanghebbende niet duidelijk dat, wanneer zij geen gebruik zou maken van de haar geboden gelegenheid om haar standpunt kenbaar te maken, de inspecteur haar de voorgenomen navorderingsaanslagen zou opleggen overeenkomstig de door hem genoemde elementen. De rechtbank wijst er hierbij op dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008 en de boetes over de jaren 2009 tot en met 2011 nà 28 september 2023 zijn vernietigd. De rechtbank volgt belanghebbende in haar stelling dat zij na de mededeling van de inspecteur van 28 september 2023 voor het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2014 geen gelegenheid heeft gehad haar uit te laten over de feiten en gronden over de hoogte van deze nog op te leggen navorderingsaanslagen. Het enkele bieden van de gelegenheid om vragen te stellen, zoals vermeld in de laatste alinea van de brief van 28 september 2023, is daartoe onvoldoende. Omdat de feiten voor alle jaren hetzelfde zijn, had belanghebbende voor de niet vernietigde navorderingsaanslagen en boetes willen bepleiten dat deze daarom ook dienden te worden vernietigd. Zij is daartoe echter niet meer in de gelegenheid gesteld daarvoor alsnog argumenten aan te dragen.\n\n35. Dat belanghebbende ten aanzien van het niet aangeven van het saldo op de buitenlandse bankrekening zich vrijwillig heeft ingekeerd, dat zij ervan op de hoogte was dat de inspecteur als gevolg daarvan het voornemen had navorderingsaanslagen IB\u002FPVV op te leggen en dat de navorderingsaanslagen conform de door haar overgelegde cijfermatige gegevens zijn opgelegd, zoals de inspecteur heeft aangevoerd, laat onverlet dat gelet op de eisen die in het bovenstaande arrest van de Hoge Raad worden gesteld, ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de navorderingsaanslagen, voor zover dat standpunt of dat element is gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur aan de navorderingsaanslagen ten gronde wilde leggen.\n\n36. Schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (het andere-afloopcriterium). Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval. Bij toepassing van het andere-afloopcriterium gaat het erom of op basis van de gegevens die de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel aan belanghebbende zou hebben voorgelegd, moet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven in die voorfase niet was uitgesloten dat de inspecteur tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Bij toetsing aan het andere-afloopcriterium gaat het niet erom welke afloop uiteindelijk in rechte komt vast te staan.\n\n37. Wanneer geen schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel had plaatsgevonden, acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen van belang was. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft belanghebbende niet erop mogen vertrouwen dat, in navolging van de aanslagen IB\u002FPVV 2005 tot en met 2008, de inspecteur de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 ook zou vernietigen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat ieder belastingjaar op zichzelf staat. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd conform door belanghebbende aan de inspecteur verstrekte gegevens. Voordat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende zelf aan de inspecteur aangegeven dat deze uitsluitend aan haar moesten worden opgelegd en niet (deels) ook aan de echtgenoot.\n\n38. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, hoewel het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, de navorderingsaanslagen toch in stand blijven, omdat noch het vertrouwensbeginsel, noch de hiervoor genoemde, vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen door belanghebbende gemaakte opmerking over het opleggen van aanslagen uitsluitend aan haarzelf, tot een andere afloop zouden hebben kunnen leiden. Uitgesloten is dat de inspecteur bij naleving van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel tot een andere besluitvorming had kunnen komen. Aan het andere-afloopcriterium is niet voldaan.\n\nIs terecht en tot de juiste bedragen heffings- en belastingrente in rekening gebracht?\n\n39. Het in rekening brengen van heffings- en belastingrente vloeit voort uit de wet (artikel 30f van de AWR en verder). De heffings- en belastingrente is terecht en tot de juiste bedragen berekend. Belanghebbende heeft haar stelling dat geen heffings- en belastingrente in rekening mag worden gebracht omdat het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, niet onderbouwd.\n\n40. Anders dan belanghebbende stelt, valt volgens de rechtbank uit het hiervoor onder 7. weergegeven citaat niet af te leiden dat de inspecteur bij oplegging van de navorderingsaanslagen in ieder geval de heffings- en belastingrente zou matigen. Evenmin kan, anders dan belanghebbende aanvoert, de inspecteur niet eraan worden gehouden om tijdens de procedure over de informatiebeschikking (voorlopige) navorderingsaanslagen op te leggen.\n\nBoetes\n\n41. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100% van het bedrag van de navorderingsaanslag indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.\n\n42. Op grond van artikel 67e, zesde lid, van de AWR bedraagt de boete voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet IB 2001, in zoverre in afwijking van het eerste lid, ten hoogste 300% van de daarover verschuldigde belasting zoals deze bij de navorderingsaanslag is vastgesteld.\n\n43. Voor het opleggen van de vergrijpboete is vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Van opzet is sprake als de belastingplichtige willens en wetens zodanige handelingen verricht of nalaat dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet alleen vereist dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte de wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat zij die kans toen bewust heeft aanvaard.De inspecteur dient overtuigend aan te tonen dat sprake is van opzet aan de zijde van de belastingplichtige. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.\n\n44. De inspecteur heeft gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 op grond van artikel 67e van de AWR voor die jaren vergrijpboetes wegens opzet opgelegd. Omdat sprake is van een vrijwillige verbetering heeft hij daarbij de boetes gematigd naar 120% (40% van 300%).\n\n45. De inspecteur neemt het standpunt in dat bij belanghebbende primair sprake was van (voorwaardelijk) opzet, subsidiair van grove schuld. De over 2009 tot en met 2011 opgelegde vergrijpboetes zijn vervallen wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat sprake was van opzet of grove schuld.\n\n46. Belanghebbende betwist dat haar opzet kan worden verweten met betrekking tot het doen van onjuiste aangiften. Zij voert daartoe aan dat zij niet bekend is met het boxensysteem in de Wet IB 2001, dat zij in de vennootschap geen werkzaamheden verricht voor aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat haar echtgenoot tot in 2017 haar bewust onwetend heeft gelaten over de aanwezigheid van buitenlands vermogen. Daarom kunnen aan haar geen boetes worden opgelegd, zo voert zij aan.\n\n47. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat sprake is van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014. Gelet op de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding van 28 december 2017 wist zij in elk geval in 2013 van het bestaan van een in Luxemburg gehouden bankrekening, omdat de rekening door haar en haar echtgenoot in dat jaar is opgeheven en het saldo is overgeboekt naar een rekening in Hongkong. De aangiften IB\u002FPVV 2012, 2013 en 2014 zijn alle ingediend nà het opheffen in 2013 van de Luxemburgse effectenrekening en nà het overstorten van het saldo van deze rekening naar een in Hongkong gehouden rekening. Gelet op de inkeermelding wist belanghebbende ten tijde van het doen van aangifte IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en volgende van het buitenlands vermogen af, maar vermeldde dit niet in deze aangiften.\n\n48. Luxemburg had tot 2015 een absoluut bankgeheim. Door het saldo van de bankrekening niet aan te geven, heeft belanghebbende ervoor gekozen het vermogen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. De rechtbank wijst in dit verband nog op de volgende passages van de mede door belanghebbende ondertekende inkeermelding (onderstrepingen door de rechtbank):\n\n“Wijmaken melding dat wij willen inkeren, van het niet aangegeven van vermogen wat belast had moeten worden in Box 3 (…)\n\nWijhebben de rekening in 2013 opgeheven in Luxemburg en overgestort naar Hong Kong.\n\nWijhebben belegd in Luxemburg in NLD aandelen. (…)\n\nHet saldo is van ons.\n\nWijhebben de banken verzocht om ons de benodigde gegevens te verstrekken.”\n\nDe andersluidende verklaring van de echtgenoot in het stuk van 10 april 2026, namelijk dat belanghebbende pas eind 2017 zou zijn ingelicht over het buitenlands vermogen, acht de rechtbank gelet op de duidelijke tekst van de inkeermelding en gelet op het feit dat de inkeermelding door belanghebbende is ondertekend, volstrekt ongeloofwaardig.\n\n49. Belanghebbende heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar aangiften IB\u002FPVV 2012 tot en met 2014 niet juist zouden worden ingediend. Onder die omstandigheden kan het in deze aangiften niet aangeven van het saldo van in het buitenland aangehouden vermogen worden aangemerkt als zozeer gericht op het doen van een onjuiste aangifte dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat belanghebbende dit heeft gewild. Dit niet-ontzenuwde bewijsvermoeden van opzet is gebaseerd op vaststaande feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vaststaan. Die vermoedens zijn zo sterk dat het behoudens ontzenuwing ervan niet anders kan zijn dan dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld.Het kan belanghebbende worden verweten dat zij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangifte in de aangiften heeft vermeld.\n\n50. Belanghebbende en de echtgenoot hebben verzocht om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende. Dit betekent dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012, 2013 en 2014 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Hiermee is voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e van de AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie ook niet in de aanslagen van haar echtgenoot was begrepen, neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Haar aangiften waren immers – net als die van de echtgenoot – onjuist omdat het in het buitenland aangehouden vermogen opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen was opgenomen.\n\nDe situatie in de onderhavige zaken wijkt af van die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedaan. Voor de toepassing van artikel 67e van de AWR gaat het er in de onderhavige zaken echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht. Dat dit het geval was, is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.\n\n51. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de opgelegde boetes dienen te vervallen door de aanwezigheid van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.\n\n52. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en\u002Fof opgekomen) inkomens- en\u002Fof vermogensbestanddelen in de belastingaangifte moeten worden opgenomen; de vraagstelling in de aangifte hieromtrent is voldoende duidelijk.Voor zover belanghebbende op basis van het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015het standpunt inneemt dat haar geen boetes kunnen worden opgelegd omdat zij niet op de hoogte was van het bestaan van buitenlands vermogen, faalt het. Anders dan in dat arrest was in de onderhavige zaken belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften IB\u002FPVV 2012 - 2014 nu juist wel op de hoogte van buitenlands vermogen, zo volgt uit de inkeermelding. De door belanghebbende genoemde omstandigheden verhinderen het opleggen van boetes niet en leiden ook niet tot vernietiging of vermindering van de opgelegde boetes.\n\n53. De door belanghebbende gestelde schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging of vermindering van de boetes. Op overeenkomstige gronden als hiervoor onder 34. en 35. weergegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de boetes het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De inspecteur heeft niet voldaan aan de eisen die rechtsoverweging 5.2.3.van het arrest van 13 juni 2025 stelt aan het voornemen een vergrijpboete op te leggen.\n\n54. Evenals dit geldt voor de navorderingsaanslagen, is ook ten aanzien van de boetes niet voldaan aan de eisen van het andere-afloopcriterium. Ook zonder schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel acht de rechtbank het uitgesloten dat belanghebbende een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de boetes van belang was. Uit de inkeermelding volgt dat belanghebbende op de hoogte was van de overboeking van gelden in 2013 naar Hongkong. Door in het buitenland gestalde gelden niet in haar naderhand ingediende aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en verder op te nemen, heeft zij opzettelijk onjuist aangifte gedaan en kan geen sprake zijn van een andere afloop.\n\n55. De opgelegde boetes zijn proportioneel en evenredig. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd uitsluitend op basis van door belanghebbende ingediende gegevens. De hoogte van de boetes is afhankelijk van de hoogte van de over het niet-aangegeven buitenlands vermogen verschuldigde belasting zoals deze bij de betreffende navorderingsaanslag is vastgesteld. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 120% in beginsel passend en geboden.\n\n56. De rechtbank zal de boetes ambtshalve verminderen omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uiterlijk de brief van 14 februari 2019 is aan te merken als aankondiging van het opleggen van boetes, vanaf welke datum de redelijke termijn hiervoor is gaan lopen. Sindsdien zijn meer dan zeven jaren verstreken. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, zijn niet gesteld of gebleken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met meer dan vijf jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding de boetes te verminderen met 20%.De boetes dienen daarom te worden verminderd tot de volgende bedragen: € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014).\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n57. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n58. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\n59. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. Voor de toekenning van een vergoeding immateriële schade worden alle zaken als met elkaar samenhangend beschouwd.De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslagen ontvangen op 4 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en zes maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met afgerond een half jaar overschreden. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 5 september 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is voor twee maanden toerekenbaar aan de bezwaarfase en voor vier maanden aan de beroepsfase. De rechtbank zal de inspecteur veroordelen om € 167 (2\u002F6 * € 500) en de Staat veroordelen om € 333 (4\u002F6 * € 500) aan belanghebbende te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n60. De beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en de heffings- en belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De vergrijpboetes worden door de rechtbank ambtshalve verminderd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een vergoeding immateriële schade van € 500. Zowel toekenning van vergoeding immateriële schade als ambtshalve vermindering van de boetes leiden niet tot gegronde beroepen.\n\n61. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wanneer rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende, moet in beginsel worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.De rechtbank ziet in de onderhavige zaken geen aanleiding hierover anders te oordelen.\n\n62. Voor een aanvullende (integrale) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase ten aanzien van de afgegeven informatiebeschikking, waar belanghebbende om heeft verzocht, bestaat eveneens geen aanleiding. Deze (advocaat)kosten staan namelijk los van de huidige beroepsprocedures en bovendien zien zij deels ook op de aan de echtgenoot opgelegde informatiebeschikking.\n\n63. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom in verband hiermee geen recht op vergoeding van griffierecht.De ambtshalve vermindering van de vergrijpboetes geeft evenmin aanleiding voor vergoeding van griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2012 tot en met 2014 voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikkingen tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013), respectievelijk € 29.358 (2014);\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 167.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2025:5003.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2023:6090.\n\n Artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\n Hoge Raad 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.\n\n Hoge Raad 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nHoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.\n\nHoge Raad 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:717, en Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105.\n\n Waarbij de navorderingstermijn wordt verlengd met de looptijd van de informatiebeschikking: zie artikel 52a, tweede lid, van de AWR.\n\nHvJEU 15 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:119.\n\n Rechtbank Noord-Holland 4 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8544.\n\n Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428.\n\n Hoge Raad 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1557.\n\n Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069 en Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439.\n\n Zie Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, r.o. 3.2.1.\n\nECLI:NL:HR:2025:903.\n\n Hoge Raad 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\nHoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.\n\n Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063.\n\n ECLI:NL:HR:2013:63.\n\n ECLI:NL:HR:2015:2168.\n\nVergelijk Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\nECLI:NL:HR:2016:252.\n\nBeleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2, en Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586.\n\nHoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, r.o. 3.2.1.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5236","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.704Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":34,"updatedAt":51},"1577","ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","ecli-nl-rbgel-2026-5077","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F2178 en 26\u002F783, 26\u002F2902 en 26\u002F2904\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025 (jaar 2021) en van 15 december 2025 (jaar 2022).\n\n2021\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2021).\n\n2022\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.620 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 253. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2022).\n\n2023\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 478. Er is voor het jaar 2023 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2021 tot en met 2023 (voorgenomen beslissing van 13 maart 2026) ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. Op 31 december 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 verlaagd met € 78. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar nihil.\n\n2024\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 ambtshalve een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.595 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 970. Er is voor het jaar 2024 geen verzuimboete opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nDe rechtbank heeft na de zitting nog nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.\n\n2. Belanghebbende was van 30 maart 1973 tot en met 15 juni 2007 gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie mag aftrekken, of de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboetes voor de jaren 2021 en 2022 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n4. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n5. Voor het jaar 2024 hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij toestemming geven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank ook de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2024 kan beoordelen.\n\nMag belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen?\n\n6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nog geld terug moet krijgen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld vanwege betaalde alimentatie aan zijn ex-partner in de jaren 2011 tot en met 2017. Belanghebbende wil een eenvoudig aangifteformulier ontvangen en vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen.\n\n7. Over de jaren tot en met 2020 hoefde belanghebbende geen aangifte IB\u002FPVV te doen.Belanghebbende moest voor het eerst over het jaar 2021 aangifte IB\u002FPVV doen.\n\n8. Volgens de wet kan tot vijf jaar terug aangifte IB\u002FPVV worden gedaan.Om van de Belastingdienst geld terug te kunnen krijgen, moet voor die jaren in ieder geval aangifte IB\u002FPVV zijn gedaan. De jaren 2011 tot en met 2020 zijn meer dan vijf jaren geleden. Voor die jaren kan dus geen aangifte IB\u002FPVV meer worden gedaan. Belanghebbende vindt dat voor hem een uitzondering moet gelden, vanwege zijn leeftijd en omdat hij ziek is geweest.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat van de wettelijke aangifteplicht niet kan worden afgeweken, ook niet om de redenen die belanghebbende noemt.\n\nConclusie:\n\n10. Belanghebbende kan geen aangiften IB\u002FPVV dan wel verzoeken om ambtshalve vermindering doen voor de jaren 2011 tot en met 2020. Hij kan de betaalde alimentatie daarom niet in aftrek brengen.\n\nZijn de aanslagen voor de jaren 2021 tot en met 2024 juist?\n\n11. Belanghebbende heeft gesteld dat hij geld terug moet ontvangen in verband met in eerdere jaren betaalde alimentatie. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij alimentatie aan zijn ex-partner heeft betaald tot en met 2017. Dus voor de jaren 2021 tot en met 2024 heeft hij geen alimentatie betaald. Betalingen van alimentatie uit eerdere jaren kunnen niet meer worden afgetrokken van het inkomen van 2021 of latere jaren.\n\n12. Belanghebbende heeft geen andere aftrekposten genoemd en ook in de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen andere aftrekposten. De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslagen gebaseerd op gegevens van belanghebbende, die bij de Belastingdienst via de Sociale Verzekeringsbank, het ABP, Nationale Nederlanden en de banken bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die inkomsten onjuist zouden zijn. Belanghebbende heeft op de zitting ook niet aangegeven dat die gegevens onjuist zijn of dat gegevens ontbreken.\n\nConclusie:\n\n13. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2021 tot en met 2024 zijn juist.\n\nVerzuimboetes (jaren 2021 en 2022)\n\n14. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2021 en 2022.\n\n15. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij die aangiften niet heeft gedaan.\n\n16. De inspecteur heeft mogelijkheden om op te treden als niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen.\n\n17. Het niet binnen de termijndoen van de aangiftes vormt een verzuim. Daarvoor kan de inspecteur belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete opleggen.\n\n18. Omdat geen aangiften zijn ingediend over de jaren 2021 en 2022 heeft de inspecteur terecht de verzuimboetes opgelegd.\n\n19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzuimboetes te matigen in verband met de door belanghebbende gestelde medische situatie en zijn leeftijd. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij geen hulp wil vragen en dat hij er bewust voor kiest om geen aangifte te doen. De inspecteur is al erg coulant geweest. De inspecteur heeft over 2023 en 2024 géén verzuimboetes opgelegd, terwijl belanghebbende ook voor die jaren geen aangiftes heeft gedaan. Voor het jaar 2025 heeft de inspecteur op de zitting een vooringevulde papieren aangifte IB\u002FPVV aan belanghebbende aangeboden. Deze aangifte wilde belanghebbende niet meenemen naar huis om hem thuis rustig te controleren, eventueel aan te vullen, te ondertekenen en terug te sturen aan de inspecteur. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 385 voor het jaar 2021 en € 385 voor het jaar 2022 passend en geboden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf van IB\u002FPVV krijgt voor de jaren 2011 tot en met 2024 en de verzuimboetes in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\nUitgesproken op 26 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a Awb is voldaan, hebben partijen ter zitting ingestemd met rechtstreeks beroep.\n\n Belanghebbende is voor die jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV.\n\n Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001.\n\n Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrekposten, waaronder alimentatie, in aftrek kunnen worden gebracht op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.\n\n Artikel 9, derde lid, van de AWR (aanmaning).\n\n Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5077","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:28.117Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":58},"1578","ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","ecli-nl-rbgel-2026-5042","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F9105\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.628. Gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag heef de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB\u002FPVV 2022 gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is op 7 september 1992 bij Blokker B.V. in dienst getreden.\n\n2. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij partijen overeen zijn gekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een beëindigingsvergoeding van € 31.444,37 overeengekomen.\n\n3. Belanghebbende heeft zich op 18 mei 2021 ziek gemeld bij Blokker B.V. Belanghebbende ontving vanaf het moment dat hij ziek werd tot 14 mei 2023 een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V.\n\n4. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2022.\n\n5. Belanghebbende heeft op 14 april 2023 om uitstel verzocht. De inspecteur heeft tot 1 mei 2024 uitstel verleend.\n\n6. Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 25.520 opgegeven bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892.\n\n7. Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2022 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 23.628 en bestaat uit inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 25.520 bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892. Daarnaast heeft de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.\n\n8. Belanghebbende heeft op 10 januari 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022. Belanghebbende geeft in het bezwaarschrift aan dat de ingediende aangifte juist is en de witte tabel toegepast dient te worden, omdat belanghebbende in dienst was van Blokker B.V.\n\n9. De inspecteur heeft op 16 augustus 2024 aan belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Blokker B.V.\n\n10. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2024 per e-mail een vaststellingsovereenkomst, salarisstrook van december 2022 en een brief van het UWV van 6 april 2023 aan de inspecteur verzonden.\n\n11. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende ook gewezen op het hoorrecht.\n\n12. Belanghebbende heeft op 1 november 2024 gereageerd op het voornemen van de inspecteur. Volgens belanghebbende kan een wettelijk ontslag niet ingaan tijdens een ziekteperiode. Belanghebbende heeft onder andere de jaaropgave 2023 overgelegd waarin staat vermeld dat de ontslagdatum 15 mei 2023 is.\n\n13. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tot en met 31 augustus 2021 in loondienst was bij Blokker B.V. en in september 2021 een ontslaguitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 een Ziektewet-uitkering ontvangen van Blokker B.V. Volgens de inspecteur is hiermee terecht de groene tabel toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2022 juist is vastgesteld, in het bijzonder of recht bestaat op arbeidskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2022 recht heeft op arbeidskorting, omdat sprake is van een dienstbetrekking. Hij heeft op 26 april 2021 een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij de bestaande arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2021 zou eindigen. Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende zich ziek gemeld en met ingang van deze datum heeft hij een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V. ontvangen, waardoor de dienstbetrekking niet is beëindigd op 31 augustus 2021. Belanghebbende verwijst hierbij naar een loonspecificatie van december 2022 waarin als datum van indiensttreding 1 september 2021 wordt genoemd en het contract voor onbepaalde tijd staat aangemerkt. Tevens verwijst belanghebbende naar de jaaropgaven 2021, 2022 en 2023 waarin belanghebbende wordt aangeduid als werknemer.\n\n17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat van een dienstbetrekking in 2022 geen sprake meer is, omdat deze op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De inspecteur geeft aan dat uit de betalingsspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven van Blokker B.V. blijkt dat Blokker B.V. geen arbeidskorting heeft toegepast op de Ziektewet-uitkering. Pas na uitdiensttreding, per 1 september 2021, heeft Blokker B.V. een ziektewetuitkering aan belanghebbende uitgekeerd en is er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaan. Dit heeft Blokker B.V. niet gedaan in het kader van een lopende dienstbetrekking, maar als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.\n\n18. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet IB 2001 wordt onder arbeidsinkomen verstaan: het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Voor 1 januari 2020 gold dat een Ziektewet-uitkering tot het arbeidsinkomen werd gerekend.Met ingang van 1 januari 2020 is dat gewijzigd en wordt een Ziektewet-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen gerekend indien de dienstbetrekking nog niet beëindigd is.\n\n19. In de parlementaire behandelingis over bovenstaande wijziging het volgende opgenomen:\n\n“Een werknemer krijgt in veel gevallen bij ziekte zijn loon doorbetaald door zijn werkgever. Als dat niet het geval is, zorgt de ZW voor een inkomensvoorziening bij ziekte van de werknemer. Een ZW-uitkering wordt echter ook verstrekt aan personen die door ziekte tijdelijk niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar geen dienstbetrekking (meer) hebben, bijvoorbeeld aan personen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hadden en ziek zijn geworden of personen van wie de dienstbetrekking tijdens ziekte is beëindigd.\n\nAls iemand een ZW-uitkering heeft, telt die uitkering mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Een WW-uitkering telt niet mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Iemand die een WW-uitkering heeft en ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, heeft op dat moment een hoger inkomen dat meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Als gevolg daarvan treedt op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging op. Vervolgens ervaart deze persoon juist in de regel een substantiële netto-inkomensdaling als hij zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet. Beide situaties acht het kabinet, ook voor vergelijkbare groepen, niet wenselijk. Daarom is het voorstel om per 2020 voor nieuwe ZW-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting.\n\nDat betekent dat een knip moet worden aangebracht in de groep mensen die een ZW-uitkering geniet. Kort gezegd, wordt een knip aangebracht tussen zieken met werk en zieken zonder werk. De voorgestelde maatregel is daarmee zowel van toepassing voor mensen met een WW-uitkering die ziek worden als voor mensen die in een vergelijkbare situatie verkeren als zieke WW-gerechtigden: zij zijn ziek en hebben geen dienstbetrekking (meer). Het betreft bijvoorbeeld mensen met een arbeidscontract voor bepaalde duur dat is beëindigd, uitzendkrachten die onder het uitzendbeding vallen en zwangeren die geen dienstbetrekking (meer) hebben en zich vóór hun zwangerschaps- en bevallingsverlof ziek melden. Voorgesteld wordt bij deze groepen de ZW-uitkering niet langer te laten meetellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Het gaat om circa 250.000 ziektegevallen per jaar (ZW-uitkeringen), met een gemiddelde duur van 52 dagen (cijfers 2017).”\n\n20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2022 geen recht had op arbeidskorting, omdat hij geen dienstbetrekking had. Belanghebbende ontving in 2022 een Ziektewet-uitkering van zijn ex-werkgever, waarbij de dienstbetrekking al per 1 september 2021 middels een vaststellingsovereenkomst was beëindigd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die erop kunnen wijzen dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig of herroepen is. Dat in de loonspecificatie een ingangsdatum van 1 september 2021 en een contract voor onbepaalde tijd staat genoemd, en in de jaaropgaven over een werknemer wordt gesproken, maakt niet dat het om een lopende dienstbetrekking gaat. De rechtbank ziet daarentegen in de loonspecificatie ook de functie ‘ZW-uitkeringsgerechtigde’ staan. Verder blijkt uit de door de inspecteur overgelegde stukken dat de ex-werkgever van belanghebbende voor de periode tot 1 september 2021 uitgaat van een dienstbetrekking en voor de periode erna (dus heel 2022) niet. Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij een eventuele betermelding na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst immers niet meer bestond.\n\n21. Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland zonder de exacte gegevens te weten. De rechtbank heeft getracht deze uitspraak te achterhalen. Voor zover belanghebbende heeft willen verwijzen naar de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2024:2692, merkt de rechtbank op dat deze op een andere situatie ziet.\n\n22. Nu het hier niet om een Ziektewet-uitkering met dienstbetrekking gaat, dient de Ziektewet-uitkering niet tot het arbeidsinkomen gerekend te worden en bestaat er dus ook geen recht op arbeidskorting. De aanslag IB\u002FPVV 2022 is juist vastgesteld.\n\nBelastingrente\n\n23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.\n\nConclusie en gevolgen\n\n24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8.1, tweede lid, onderdeel van de Wet IB 2001 (tekst 2019).\n\n MvT, Kamerstukken II2018\u002F19, 35026, nr.3, p 18-19.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5042","2026-07-13T00:29:28.152Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":63,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":65},"1579","ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","ecli-nl-rbgel-2026-5069","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F8843\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295.\n\nDe inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [plaats] en heeft een fiscaal partner.\n\n2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.\n\n3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB\u002FPVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.602 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 295 opgegeven.\n\n4. Met dagtekening 30 augustus 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Het betreft een nihil aanslag. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.\n\n5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met haar fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.\n\n6. Belanghebbende en haar fiscaal partner hebben op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. Belanghebbende geeft ook aan dat zij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.\n\n7. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de fiscaal partner van belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt aan de fiscaal partner van belanghebbende een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. De fiscaal partner heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.\n\n8. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan de fiscaal partner van belanghebbende waarin hij refereert naar telefonisch contact waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.\n\n9. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.\n\n10. De fiscaal partner van belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. De fiscaal partner geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. De fiscaal partner haalt het recht op een dwangsom aan.\n\n11. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.\n\nDe inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nOntvankelijkheid\n\n14. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.\n\nDwangsom\n\n15. Belanghebbende heeft betoogd dat zij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft zij recht op de maximale vergoeding.\n\n16. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.\n\n17. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.\n\n18. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.\n\n19. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:\n\n“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…)”\n\n“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”\n\nIn de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:\n\n“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”\n\n20. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief daadwerkelijk is verzonden.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de datum van de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat zij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 20 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4:13 van de Awb.\n\n Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.\n\n Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 2004\u002F05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.\n\n Handelingen II 2005\u002F06, nr. 76, blz. 4726.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5069","2026-07-13T00:29:28.192Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":34,"updatedAt":74},"1534","ECLI:NL:GHARL:2026:4064","ecli-nl-gharl-2026-4064","2026-06-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummers BK-ARN 24\u002F1718, 24\u002F1719, 24\u002F1720\n\nuitspraakdatum: 16 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 augustus 2024, nummers ARN 22\u002F556, 22\u002F559 en 22\u002F2192, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteurvan de Belastingdienst\u002FKantoor Zwolle(hierna: de Inspecteur)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 15 juni 2015, door de Inspecteur ontvangen op 16 juni 2015, gezamenlijk verzocht om geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 van de gehele door hen gedreven onderneming in een nog op te richten besloten vennootschap [onderneming1] , op de voet van artikel 3.65, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en uitgaande van een verkrijgingsprijs van -\u002F- € 1.371 voor belanghebbende en -\u002F- € 1.852 voor haar echtgenoot.1.2.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.1.3.. Ten name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 41.123. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.4.. Bij beschikking van 8 februari 2021 heeft de Inspecteur het onder 1.1 genoemde verzoek om geruisloze inbreng afgewezen.\n\n1.5.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd; de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (aanslag Zvw) heeft de Inspecteur gehandhaafd.\n\n1.6.. Bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2022 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen het de afwijzing van het verzoek om geruisloze inbreng ongegrond verklaard.\n\n1.7.. Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.1.9.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Namens belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. Belanghebbende is bij digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van het Hof, is het bericht op 19 januari 2026 om 9:12 uur in het digitale dossier (via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’) geplaatst. Het Hof heeft hiervan op 19 januari 2026 om 9:17 uur een kennisgeving per e-mailbericht verzonden naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 19 januari 2026. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] . Belanghebbende was gehuwd met [echtgenoot] , geboren op [geboortedatum2] [geboortejaar2] en overleden op [datum] 2017 (hierna: erflater). Belanghebbende is enig erfgenaam van erflater.2.2.. Belanghebbende heeft in 1974 het landhuis met de naam [landhuis] , met schuur en bijbehorende grond van ongeveer 3040 m2 (het pand) gekocht. In de akte van levering staat dat het pand alleen mag worden gebruikt voor eigen bewoning en voor de verhuur aan verplegend personeel (zogenaamd kamerverhuur). Vanaf 1999 dreef belanghebbende, na inbreng van het pand, samen met erflater een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma met de naam [landhuis] . Het gehele pand is steeds gerekend tot het ondernemingsvermogen van aanvankelijk de eenmanszaak en nadien de vennootschap.2.3.. \n\nNaar aanleiding van het verzoek van erflater en belanghebbende om geruisloze inbreng heeft de Inspecteur bij brief van 6 oktober 2015 de volgende vragenbrief gestuurd:\n\n “Naar aanleiding van uw verzoek om toepassing van artikel 3.65 IB bij de inbreng in een BV (…) hebben wij al een kort telefoongesprek gehad, waarbij o.a. het ondernemerschap van uw cliënten aan de orde kwam. (…)\n\nIn uw e-mail van 29 juni 2015 geeft u aan dat u vindt dat er een onderneming wordt gedreven omdat de exploitatie voor rekening en risico wordt uitgevoerd door de firmanten van de V.O.F., waardoor alle verplichtingen drukken op de V.O.F. c.q. de firmanten.\n\nHet gaat bij de vraag of er sprake is van een materiële onderneming in fiscale zin niet om de vorm of presentatie (vof) maar om de aard en inhoud van de activiteiten.\n\nIn het pand (…) wordt een aantal appartementen te huur aangeboden. Het betreft kamers met gebruik van keuken en douche. Uit mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat een aantal bewoners al jarenlang een dergelijk appartement huurt.\n\nHet verhuren van appartementen is in principe een beleggingsactiviteit. In sommige situaties kan er sprake zijn een resultaat uit overige werkzaamheden of van het drijven van een onderneming.\n\nIk heb de volgende vragen:\n\n1. Welke feiten en omstandigheden leiden er naar uw mening toe dat er in dit geval sprake is van meer dan actief vermogensbeheer? Ik verzoek u daarbij aan te geven in welke mate eventuele werkzaamheden door de firmanten er toe leiden dat een hoger rendement van de appartementen wordt behaald dan met normaal actief vermogensbeheer.\n\n2.Hoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\n3. Wilt een exemplaar van de huurovereenkomsten die zijn gesloten ter inzage sturen?\n\n4. Wilt u een specificatie verstrekken, uitgesplitst per appartement, van de ontvangen huren in 2015 (€ 47.924)\n\n5. Welke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\n6. Indien er in 2014 of 2015 naast de permanente verhuur ook sprake was van verhuur voor drie maanden (aangeboden volgens de website) verzoek ik u de omzetverhouding tussen de permanente verhuur en de tijdelijke verhuur aan te geven.”2.4.. \n\nBij brief van 21 oktober 2015 heeft de gemachtigde van erflater en belanghebbende daarop het volgende geantwoord:\n\n“Namens [erflater] en [belanghebbende] (hierna: cliënten) verstrek ik u hierbij de volgende gegevens waarmee uw vragen worden beantwoord. Daarbij hanteer ik de door u gehanteerde volgorde van gestelde vragen in uw brief van 6 oktober jl.\n\n(…)\n\nVraag 2.\n\nHoeveel appartementen zijn direct verhuurbaar en hoe was de bezetting in 2014 en 2015?\n\nIn tegenstelling tot de door u gebruikte term 'appartement' is in deze situatie sprake van kamers welke worden verhuurd. Daarnaast wordt een appartement verhuurd.\n\nEr worden 12 kamers voor de verhuur aangeboden. Deze kamers verschillen van omvang en dientengevolge ook de gerekende huur. Hier volgt de opsomming:\n\n• 4 kamers verhuurd voor € 300 huur per maand;\n\n• 6 kamers verhuurd voor € 350 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 400 huur per maand;\n\n• 1 kamer verhuurd voor € 425 huur per maand;\n\n• 1 appartement wordt (permanent) verhuurd voor€ 710 per maand.\n\nDe bezetting in 2014 was dat niet alle kamers het gehele jaar doorlopend konden worden verhuurd. In het huidige jaar worden nagenoeg alle kamers tot op heden doorlopend gehuurd door afwisselende huurders.\n\nDe kamers worden louter en alleen verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] welke is gevestigd te [vestigingsplaats] . Ondanks de vele vraag van bijvoorbeeld andere overheidsinstanties, wensen cliënten de kamers niet aan andere partijen te verhuren.\n\n(…)\n\nVraag 3.\n\nHuurovereenkomsten\n\nEr worden geen schriftelijke huurovereenkomsten gesloten met de huurders. De voorwaarden worden mondeling overeengekomen zoals de huurprijs en een opzegtermijn van een maand. Cliënten willen de huurders niet beperken in hun mogelijkheden om tussentijds óf naar huis te kunnen gaan om daar te wonen tijdens de studie óf anderzijds beperkingen op te leggen. Dit is een risico echter dit risico wensen zij te aanvaarden omwille van het voornoemde.\n\nDe voorwaarden worden ondermeer besproken in een kennismakingsgesprek die cliënten standaard voeren met elke (nieuwe) huurder. En niet geheel ten overvloede, er is civielrechtelijk ook sprake van verhuur als zodanig wordt gehandeld. Een schriftelijke huurovereenkomst is niet noodzakelijk.\n\nVraag 4.\n\nSpecificatie ontvangen huren in 2015\n\nU schrijft dat u een specificatie wenst te ontvangen van de ontvangen huur in 2015 van € 47.924. Ik veronderstel dat u het jaar 2014 bedoelt getuige de aan u toegezonden jaarrekening.\n\nDe ontvangen huur kan eenvoudig worden verklaard:\n\nTotaal ontvangen huur in 2014\n\n€ 47.924\n\nAf: verhuur appartement\n\n- 8.520\n\nOntvangen huur kamers (6x)\n\n€ 39.404\n\nVraag 5.\n\nWelke feitelijke werkzaamheden worden door de firmanten verricht?\n\nCliënten verrichten de volgende werkzaamheden:\n\n- Onderhoud internetpagina\n\nBijvoorbeeld, er wordt geconstateerd dat de internetpagina niet op een smartphone kan worden geopend.\n\n- Onderhoud kamers\n\nAlle kamers worden na afloop van een (ver)huurperiode geheel schoongemaakt. Ook het onderhoud zoals schilderen, behangen etc. wordt door hen verzorgd.\n\nOp 2 november a.s. start een schildersbedrijf om het binnenwerk te gaan schilderen. Cliënten zijn thans bezig om de huurders hierover in te lichten\n\n- en om voorbereidende werkzaamheden te verrichten zodat de schilders op 2\n\n- november een vlotte start kunnen maken.\n\n(…)\n\nVraag 6.\n\nOmzetverhouding\n\n(…)\n\nConclusie\n\nGetuige de verstrekte gegevens en de aanvulling daarbij, kan onmogelijk worden gesteld dat hier geen sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. (…)”\n\n2.5.. \n\nOp 1 december 2015 heeft namens de Inspecteur een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij erflater, belanghebbende en hun gemachtigde aanwezig waren. In het verslag dat daarvan is opgemaakt, staat onder meer het volgende:\n\n“Permanente verhuur:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n-1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen in de tuin met eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D]; al tien jaar verhuurd aan hen.\n\nOok hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten\n\nOpzegtermijn 1 maand\n\n(…)\n\nDaarnaast worden de overige kamers nagenoeg uitsluitend verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] . Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar, toen het opleidingsinstituut [locatie1] sloot. Daarvoor werd verhuurd aan een andere doelgroep. [Het pand] [landhuis] is 40 jaar geleden ontstaan toen [belanghebbende], werkzaam in zorginstelling, het pand kocht en dus kamers ging verhuren. (…) In de periode voor 2010 werd ook verhuurd aan jongens van [instelling1] . Dat was een moeilijker doelgroep dan studenten van [onderwijsinstelling] die makkelijker zijn qua omgang enz. (…) Het echtpaar heeft een sterke sociale band met de huurders van de kamers. Er komen ook jonge studenten (17\u002F18 jaar) en daarvoor vervult ze soms ook een sociale rol bij privé-problemen. heimwee enz. Termijn van huur eerst vooral 3 maanden, nu ook 9 maanden en 6 maanden. De huurders nemen zelf contact op met haar. Er volgt een gesprek waarbij [belanghebbende] beoordeelt of iemand “in de groep” past (dat stamt nog uit de tijd van de jongenshuisvesting van voor 2010). Ze let dan o.a. op de leeftijdsopbouw van de groep bewoners. Overigens zijn dat geheel zelfstandige huurders (privacy). De kamers mag zij natuurlijk niet betreden behoudens bij calamiteiten (reservesleutel). Momenteel vindt de verhuur van de kamers gemeubileerd plaats. Vroeger namen ze hun eigen inrichtingsspullen mee, maar dat gaf toch praktische probleempjes, als men een verblijf voor een korte periode wilde (maand\u002Fsoms korter). Men adverteert op [onderwijsinstelling] . Werft verder niet actief. Vooral nieuwe huurders door de mond-op-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er is verder geen binding met [onderwijsinstelling] . Wel zijn ze aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om zich te presenteren als huurlocatie.\n\nDe huurders hebben de beschikking over een ingerichte keuken en een badkamer (2e etage zelfs twee badkamers). Ze koken zelf en houden zelf de kamers schoon. Er staat een centrifuge in een van de badkamers (…) maar de was wordt normaliter in de weekenden meegenomen naar huis. Ook het beddengoed. [Belanghebbende] onderhoudt dus niet de kamers, verschoont niet de bedden en verzorgt geen maaltijden. (…) De studenten eten op hun kamer. Soms (een keer per jaar, bij speciale gelegenheden, eten ze gezamenlijk in de woonkamer van de fam. (…) (die eten dan ook mee). Ook hierbij is het sociale aspect betekenisvol voor het echtpaar. De studenten koken dan een maaltijd of [belanghebbende] haalt een maaltijd bij “de chinees”.\n\nZij houdt wel de algemene ruimten schoon zoals het trappenhuis. Ook eens per week (…) de badkamer en keuken. Bij iedere huurwisseling maakt zij de kamers schoon.\n\nEr gelden enige (…) 4) huisregels (…). Ze houden ook enige controle op overkomen van (nieuwe) vriendinnen en hebben daarvoor een logeerkamer (…).”2.6.. In een brief van 2 mei 2016 gericht aan de gemachtigde van erflater en belanghebbende, schrijft de Inspecteur onder andere:\n\n“Wij verschillen van mening over het aanwezig zijn van een materiële onderneming bij [erflater] en [belanghebbende].\n\n(…)\n\nDe exploitatie\n\nIn het pand (…) worden de volgende woonruimten al jarenlang permanent verhuurd:\n\n- 1 kamer aan [A]\n\n- 1 kamer aan [B]\n\n- 1 volledig zelfstandig huis (appartement genoemd) gelegen achter het hoofdgebouw met een eigen garage enz. verhuurd aan [C] en [D] (samenwonend); al 10 jaar aan hen verhuurd.\n\nEr zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. [Erflater] en [belanghebbende] verrichten nauwelijks schoonmaak- of andere werkzaamheden voor de huurders.\n\n[Erflater] en [belanghebbende] hebben de volledige benedenverdieping in eigen gebruik. De overige kamers worden verhuurd aan studenten van [onderwijsinstelling] in [vestigingsplaats] (hierna: [onderwijsinstelling] ). Dit is de situatie sinds ongeveer 5 jaar toen het opleidingsinstituut de [locatie1] in [vestigingsplaats] sloot. In de periode voor 2010 werden kamers verhuurd aan een heel andere doelgroep namelijk bewoners van de [instelling1] . Er was toen geen sprake van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend.\n\nDe termijn van verhuur varieert van 3 maanden tot 9 maanden. De huurders nemen zelf contact op met [belanghebbende]. Er vindt geen acquisitie plaats, behoudens een advertentie die is opgehangen in [onderwijsinstelling] . (…) Nieuwe huurders komen spontaan via mond-tot-mondreclame op [onderwijsinstelling] . Er wordt niet actief geworven. Wel zijn [erflater] en [belanghebbende] aanwezig op de zgn. “familiedag” voor nieuwe studenten op [onderwijsinstelling] om hun huurlocatie te presenteren. [Erflater] en [belanghebbende] voelen zich sociaal wel bij de studenten betrokken.\n\nDe huurders wonen geheel zelfstandig. (…)\n\nDe administratie bestaat uit handmatig opgestelde facturen die door [erflater] maandelijks bij de huurders op hun kamers worden bezorgd.\n\nOnderhoud pand:\n\nHet onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven.(…)\n\nDe tuin, die behoort bij de door [erflater] en [belanghebbende] bewoonde begane grond, wordt ongeveer 3 maal per jaar onderhouden dor een hoveniersbedrijf (snoeien enz.). Het normale onderhoud, zoals onkruid wieden doet de 80-jarige [erflater] zelf ook wel (…).”\n\n2.7.. \n\nIn een brief van 8 juni 2016 schrijft de gemachtigde van erflater en belanghebbende aan de Inspecteur in reactie op de brief van de Inspecteur van 2 mei 2016 het volgende:\n\n “(…) Hetgeen [erflater] en [belanghebbende] u zeer kwalijk nemen is dat uw standpunt ter zake de ‘andere doelgroep’ volstrekt onjuist is. Er zijn nooit kamers verhuurd aan de [instelling1] . (…)\n\nUw standpunt, dat er toen geen sprake was van alleen maar verhuur van kamers omdat bij die bewoners ook zorgtaken moesten worden uitgeoefend, is helemaal correct. De zorgtaken die door [erflater] en [belanghebbende] dagelijks worden gepleegd, zijn het continu klaar staan voor de zorgen (privé-situaties) van de huurders. Er is daar geen verandering in gekomen zij het dat de zorgtaken een andere perceptie hebben gekregen oftewel een ander karakter. Zij zijn sociaal emotionele gesprekspartners voor de huurders. Dit zijn geen korte en vluchtige gesprekken (…). Tot midden in de nacht hebben zij met huurders gesproken over heimwee etc.\n\n(…) Een huurtermijn van 1 maand behoort ook tot de mogelijkheden (…).\n\n(…) De termijn van huur varieert van 1, 3, 4 of 9 maanden en dat betekent dat de kamers volledig schoongemaakt worden. Daarnaast zijn er meerdere badkamers, douches en keukens. Derhalve dagelijks stofzuigen, lappen, anderszins reinigen e.d. van twee verdiepingen.\n\n(…) (…) [belanghebbende] verzorgt de gehele administratie welke bestaat uit het inboeken van facturen, verrichten van betalingen. Daarnaast wikkelt zij e-mails af, heeft zij contact met de Gemeente en banken en verder.\n\nOnderhoud pand:\n\n“Het onderhoud aan het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven”.\n\nDit is inderdaad correct.\n\n(…)\n\n[Erflater) verricht het reguliere onderhoud bestaande (…) dat opkomt door storingen aan elektra, onderhoud van wc’s, douches, meubilair en verder. Naast dit onderhoud verricht [erflater] al het kleine onderhoud aan het pand zoals schilderwerkzaamheden en verdere reparaties. (…) Daarnaast verzorgt [erflater] het reguliere tuinonderhoud dat bestaat uit het onkruid wieden en het verder schoonhouden van de paden, de parkeerplaats en de opritten. Dit gebeurt nagenoeg iedere dag.(…)”\n\n2.8.. Tot en met het belastingjaar 2015 heeft de Inspecteur erflater en belanghebbende voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer.2.9.. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.868.\n\n2.10.. \n\nTen name van belanghebbende is met dagtekening 13 december 2019 een aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2016 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 381.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.068 (de aanslag). Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de foutenleer de winst over het jaar 2016 verhoogd met de helft van het verschil tussen de WOZ-waarde van het pand en de boekwaarde daarvan tot een bedrag van € 860.990 (€ 910.000 -\u002F- de boekwaarde van € 49.910), te weten € 430.495 (1\u002F2 x € 860.990).\n\nDe belastbare winst is rekening houdend daarmee als volgt berekend:\n\nAangegeven winst voor ondernemersaftrek € 5.924\n\nzelfstandigenaftrek € 3.640 -\u002F-\n\nniet gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 2.284 -\u002F-\n\ncorrectie meer winst € 430.495\n\ncorrectie meer niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek € 801 -\u002F-\n\ncorrectie MKB-vrijstelling € 60.158 -\u002F-\n\nbelastbare winst € 369.536\n\nDaarnaast is de grondslag voor de vermogensrendementsheffing verhoogd met de helft van de WOZ-waarde (½ x € 910.000).\n\n2.11.. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht. Tevens is een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 42.719. In verband daarmee is ook belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.12.. Bij beschikking van 8 februari 2021 is het verzoek om geruisloze inbreng afgewezen op de grond dat de besloten vennootschap niet binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip (1 januari 2015) tot stand is gekomen.\n\n2.13.. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft op 20 september 2021 een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag dat de Inspecteur daarvan heeft opgemaakt, is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Het pand\n\nHet betreft een pand dat is gebouwd rond 1900 en heeft op dit moment, volgens [de gemachtigde], wat achterstallig onderhoud. Er zijn een aantal kamers bekeken op de verschillende verdiepingen, het gesprek vond plaats in de woonkamer op de begane grond. Op de tweede en derde verdieping zijn de volledig gestoffeerde (slaap)kamers. Op elke verdieping is een badkamer en een keuken net als een wasruimte die bestemd is voor gezamenlijk gebruik. Totaal is er plek voor tien studenten. De begane grond wordt privé gebruikt en wordt niet verhuurd. Wel zijn er soms samenkomsten in de woonkamer waar bijvoorbeeld samen wordt gegeten.\n\nOntstaan\n\nIn het jaar 1974 is het [pand] aangekocht voor fl. 175.000. Vanaf begin af aan is er sprake geweest van verhuur van kamers. De doelgroep en daarmee samenhangende werkzaamheden zijn in de loop der tijd wel veranderd. Centraal daarin hebben altijd passie en een hoge mate van betrokkenheid gestaan. [Belanghebbende] benadrukte dat ze altijd klaarstaat voor de huurders, er aandacht voor elkaar is en ze het van belang vindt dat de bewoners het fijn met elkaar hebben. [Belanghebbende] gaf aan dat er altijd is gewerkt vanuit een sociale insteek, dat blijkt bijvoorbeeld uit de (lage) huurprijs en het feit dat er veel contact is met de huurders. Het contact met de huurders gaat verder dan alleen kamerverhuur; [belanghebbende] omschreef het als een ‘hechte gemeenschap’. Tot op de dag van vandaag onderhoudt zij contacten met (oud) huurders. De contacten met (oud) huurders zijn [belanghebbende] veel waard, houden haar jong en geven haar vreugde. Zoals zij klaarstaat voor de huurders, zo staan en stonden de huurders ook voor haar klaar in moeilijke tijden, bijvoorbeeld in de periode van het overlijden van [erflater].\n\nVerandering van huurders\n\nOngeveer 10 tot 15 jaar geleden is een omslag gemaakt van verhuur aan zorgpersoneel naar alleen maar verhuur aan studenten van de nabij gelegen [onderwijsinstelling] . Voor deze omslag werden de kamers voornamelijk verhuurd aan zorgpersoneel van diverse instellingen in de omgeving. Deze huurders woonden permanent in het huis en waren daar ook ingeschreven. Naast het zorgpersoneel woonden er ook afwisselend jongeren die re-integreerden in de maatschappij.\n\nSamen met [erflater] en het zorgpersoneel droeg zij zorg voor deze jongeren om, zoals zij het omschreef, het positieve van de maatschappij te laten zien en te zorgen voor een goede “herstart”. Er is veel gebeurd in deze periode van verhuur, bijvoorbeeld de tijd dat er om en om gewaakt moest worden bij een verlamde patiënt.\n\nOm meer zekerheid te krijgen over het soort huurders is de omslag gemaakt naar verhuur aan studenten van de nabijgelegen [onderwijsinstelling] . Zij zijn niet ingeschreven op het adres en verblijven alleen in het huis in de periodes dat er les wordt gevolgd aan [onderwijsinstelling] . Dit zijn afwisselend periodes van één tot drie maanden, met telkens tussenpauzes van één tot drie maanden. Over het algemeen betreffen het studenten die vanuit het ouderlijk huis voor het eerst “uitvliegen”. De studenten eten en studeren vaak samen, net als dat zij vaak samen reizen (lopen\u002Ffietsen\u002F auto) naar de nabij gelegen [onderwijsinstelling] .\n\nHuursom\n\nEr wordt niet gewerkt met huurcontracten, afspraken worden mondeling gemaakt in goed vertrouwen. Elke vier weken verstuurt [belanghebbende] een factuur.\n\nVoor elke kamer geldt een vaste huur per vier weken, inclusief gas, water, licht, internet, televisie en gebruik en schoonmaak van de gezamenlijke keuken en badkamer. Bij de eerder genoemde omslag is ook besloten om voor elke kamer eenzelfde huurprijs te rekenen. Voordien werd voor elke kamer een aparte prijs gerekend die afhankelijk was van de grootte daarvan. [Belanghebbende] gaf aan dat vaste huurbedrag tussen de 400 en 425 euro ligt. Het was een bewuste keus van [belanghebbende] en wijlen [erflater].om de huur niet te hoog vast te stellen. [Erflater].liet hierin ook meewegen dat de studenten doorgaans tijdens de weekenden niet aanwezig waren, dus dan werd er ook geen gas, water en stroom verbruikt. De studenten krijgen 90% van de huursom vergoed door hun werkgever, [organisatie] . Als een student een periode geen lessen volgt hoeft er geen huur betaald te worden. Als een student een kamer heeft, is hij er ook van verzekerd dat gedurende de gehele studie een kamer voor hem beschikbaar is maar dit is, na een periode van afwezigheid, niet altijd dezelfde kamer.\n\nDe huurprijs is nimmer verhoogd. [Belanghebbende] gaf daarover aan dat dat niet juist voelde\u002Fvoelt en zij en wijlen haar echtgenoot ook opzagen tegen het feit om te vragen om een hogere huur. Het feit dat de studenten 90% vergoed krijgen, is geen aanleiding om de huur te verhogen.\n\nDe mogelijkheid deed zich voor om kamers te verhuren aan buitenlandse studenten. [Belanghebbende] realiseert zich dat ze dan waarschijnlijk een hogere huur had kunnen vragen, maar ze heeft hier bewust niet voor gekozen. Ze zou dan de regie kwijt zijn en vond dat niet wenselijk.\n\nWerkzaamheden\n\nDe insteek van [belanghebbende] en [erflater].was verhuur waarbij het sociale aspect een groot aandeel heeft. De werkzaamheden bestaan naast de eerder genoemde sociale aspecten voornamelijk uit het schoonhouden van de gezamenlijke ruimten in het pand, het uitvoeren van klein onderhoud en het onderhouden van de tuin. (…)\n\nEr wordt geen reclame gemaakt, de mond-op-mond reclame en goede connectie met [onderwijsinstelling] zorgen voor voldoende aanbod van huurders.”\n\n2.14.. In reactie op het hoorverslag heeft de gemachtigde bij brief van 11 oktober 2021 het volgende geschreven aan de Inspecteur:\n\n“Paragraaf: Verandering van huurders\n\nWat ontbreekt is de wijze van samenstelling van de huurders. Eerst waren dat huurders, zijnde verplegend personeel en huurders met een zorgbehoefte. Dat was de voorwaarde destijds bij de verwerving van het pand. Dit staat in de akte van levering. Naast deze zorg-behoevende huurders werden er ook huurders ontvangen via (…), waaronder mensen uit Sudan, Ghana, Polen, India, China enz. om hen meer wegwijs te maken.\n\nOmdat enkele huurders met zorgbehoefte aan de drugs geraakten, werd het te lastig om deze mensen te blijven opvangen omdat ook de veiligheid in het geding kwam, ook voor de andere huurders.\n\nZo gaande weg kwam [het pand] in contact met [onderwijsinstelling] , doordat eerst al huurders waren geweest die een ‘goed woordje’ bij [onderwijsinstelling] hadden gedaan over hun verblijf bij [het pand], de huiselijke sfeer en de aandacht die de huurders kregen, gelet op de zorgachtergrond en het bijbrengen van sociale vaardigheden van [erflater] en [belanghebbende]. De verandering vond in meer of mindere mate gedwongen plaats, omdat veiligheid voor alle huurders, bewoners vooropstaat.\n\n(…)\n\nParagraaf: Huursom\n\nDe huurprijs is wel verhoogd, zij het [onderwijsinstelling] de laatste jaren. Daarvoor niet of nauwelijks. Wel als er een nieuwe huurder zich aandiende, dan werd de huurprijs wel wat aangepast. De huurprijzen verschillen wel per kamer, dat in samenhang met de grootte van de kamer.\n\nParagraaf: Werkzaamheden\n\nGraag nader omschrijven: als de huurders na drie maanden naar [organisatie] gaan en er een ‘nieuwe klas’ komt, worden alle kamers volledig en grondig schoongemaakt en dit dient dan binnen enkele dagen gedaan te worden.\n\nHet onderhoud wordt door [erflater] en [belanghebbende] altijd zelf gedaan. Zo deed [erflater] al het loodgieterswerk en andere huiselijke klusjes, zgn. onderhoud en [belanghebbende] deed het schilderwerk van alle kamers, evenals het reinigen, het vervangen van vloerbedekking etc. het schilderen van de plafonds deed [erflater].\n\nErflater deed tot het laatst toe ook het volledige tuinonderhoud, in ieder geval alles buiten op het buitenterrein.\n\n(…)\n\nBij het verzoek deze op- en aanmerkingen te verwerken in het concept hoorverslag van het gesprek op 20 september 2021.”\n\n2.15.. Bij uitspraak op bezwaar van 24 december 2021 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 325.832 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.258, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat bij het opleggen van de aanslag de gestelde staking niet juist is gecorrigeerd. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de niet eerder benutte stakingsaftrek. Ook is het resultaat dat is behaald met de verhuur van de kamers in 2016 ten onrechte belast als winst uit onderneming en is voor de toepassing van de foutenleer ten onrechte aangesloten bij de waarde van het pand op 1 januari 2010 in plaats van bij de waarde van het pand op 1 januari 2016, te weten € 787.000 (waarde WOZ). Rekening houdend daarmee is de belastbare winst van belanghebbende vastgesteld op € 314.213. Dit bedrag is als volgt berekend:\n\nBoekwinst op pand: € 368.995 (1\u002F2 x € 787.000)\n\nStakingsaftrek € 3.630 -\u002F-\n\nMKB-winstvrijstelling € 51.152 -\u002F-\n\nBelastbare winst € 314.213\n\nDe grondslag sparen en beleggen heeft de Inspecteur als volgt berekend:\n\nAangegeven aandeel in de aangifte € 46.705\n\nAandeel in correctie € 483.365\u002F2 € 209.757\n\nGecorrigeerd aandeel in box 3 € 256.462\n\n2.16.. In de motivering van de uitspraak op bezwaar is de volgende rendementsberekening opgenomen:\n\nOmzet\n\nExploitatie kosten\n\nNetto\n\ninkomsten\n\nWOZ\n\nIPD\n\n65% WOZ\n\n60% WOZ\n\n2010\n\n€55.236\n\n€29.438\n\n€25.798\n\n€910.000\n\n4,00%\n\n4,36%\n\n4,72%\n\n2011\n\n€52.596\n\n€27.671\n\n€24.925\n\n€875.000\n\n4,10%\n\n4,38\n\n4,75%\n\n2012\n\n€56.878\n\n€26.526\n\n€30.352\n\n€825.000\n\n4,30%\n\n5,66%\n\n6,13%\n\n2013\n\n€56.837\n\n€40.560\n\n€16.277\n\n€767.000\n\n4,50%\n\n3,26%\n\n3,54%\n\n2014\n\n€50.800\n\n€34.257\n\n€16.543\n\n€751.000\n\n4,70%\n\n3,39%\n\n3,67%\n\n2015\n\n€53.938\n\n€ 50.208\n\n€3.730\n\n€758.000\n\n4,60%\n\n0,76%\n\n0,82%\n\n2016\n\n€52.289\n\n€37.735\n\n€14.554\n\n€787.000\n\n5,50%\n\n2,85%\n\n3,08%\n\nGemiddelde\n\n€ 54.082\n\n€ 35.199\n\n€ 18.883\n\n€ 810.429\n\n4,53%\n\n3,58%\n\n3,88 %\n\nHierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat de WOZ-waarde voor 35% (kolom 65% WOZ) dan wel 40% (kolom 60% WOZ) toerekenbaar is aan de benedenverdieping. De IPD\u002FROZ index is een overzicht van in percentages uitgedrukte gemiddeld behaalde rendementen in de vastgoedmarkt. De Inspecteur heeft zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt gesteld dat de berekende rendementen door het gebruik van de Woz-waarde lager zijn dan de werkelijke rendementen, die moeten worden berekend op basis van de waarde in het economische verkeer en dat geen sprake is van een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is in de eerste plaats of de kamerverhuur is aan te merken als een ondernemingsactiviteit of dat sprake is van normaal vermogensbeheer. In de tweede plaats is in geschil of de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt. Voorts is in geschil of het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen en of daarop tijdig is beslist.\n\n3.2.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondernemingsactiviteit, dat de heffing over sparen en beleggen een individuele en buitensporige last vormt en dat het verzoek om geruisloze inbreng ten onrechte en te laat is afgewezen. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van normaal vermogensbeheer, dat wat betreft de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen geen sprake is van een individuele en buitensporige last en dat het verzoek om geruisloze inbreng terecht is afgewezen.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nWinst uit onderneming of normaal (actief) vermogensbeheer?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van het drijven van een materiële onderneming c.q. meer dan normaal vermogensbeheer.\n\n4.2.. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de vraag of daarvan sprake is ten onrechte alleen beantwoord aan de hand van de arbeid-plus-eis en niet ook getoetst of aan de rendement-plus-eis is voldaan. Zij verwijst daarvoor naar de uitspraak van dit Hof van 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1087. Belanghebbende voert ook aan zij veel meer dan alleen administratieve\u002Fbureauwerkzaamheden verrichtte. Zij onderhoudt ook het contact met de huurders, levert zorg aan hen, maakt schoon, onderhoudt het pand, verricht schilderwerkzaamheden en kleine reparaties, voert besprekingen van sociaal-psychologische aard met de huurders en geeft hen sociaal-emotionele ondersteuning. Zij wijst er op dat de huurperiodes vaak kort zijn waardoor er extra werkzaamheden moeten worden verricht. Ook wijst zij erop dat de huurders die al lang vertrokken zijn, nog altijd contact met haar onderhouden. Volgens belanghebbende waren zij altijd beschikbaar voor de studenten. Zij en erflater hadden als het ware hun eigen toko en werkten niet alleen van 9:00 uur tot 17:00 uur, maar ook daarbuiten.\n\n4.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake meer is van een onderneming, maar van normaal vermogensbeheer. Volgens de Inspecteur heeft er in de loop van de jaren - ergens tussen 2006 en 2010 - een omslag plaatsgevonden van de verhuur van kamers aan zorgpersoneel en zorgbehoevenden naar verhuur van die kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] .\n\n4.4.. In de jaren voorafgaand aan de aanslag zijn de opbrengsten uit de verhuur van het pand voor de IB\u002FPVV aangemerkt als winst uit onderneming. Niet in geschil is dat tot het jaar 2010 sprake was van een onderneming. Anders dan de Inspecteur stelt en de Rechtbank heeft overwogen, rust hier de bewijslast dat de activiteiten inzake de verhuur van het pand zodanig zijn gewijzigd dat in het betrokken jaar geen sprake meer is van een materiële onderneming op de Inspecteur. De Inspecteur is in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Daarvoor acht het Hof het volgende van belang.\n\n4.5.. In een geval als het onderhavige waarin sprake is van verhuur (van gedeelten van) een onroerende zaak, is van normaal vermogensbeheer geen sprake als het rendabel maken daarvan mede geschiedt door arbeid die de eigenaar van de onroerende zaak verricht en deze arbeid naar haar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit de onroerende zaak welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat.\n\n4.6.. Uit de feiten als hiervoor onder 2. weergegeven, komt naar voren dat de activiteiten vanaf het jaar 2010 zijn afgenomen door de wijziging van de doelgroep waaraan werd verhuurd. Vóór 2010 werden niet alleen kamers verhuurd, maar verrichtten erflater en belanghebbende ook zorgtaken voor de huurders. Onder andere uit de reactie van gemachtigde op het hoorverslag van de Inspecteur komt naar voren dat er een onhoudbare toestand was ontstaan en dat erflater en belanghebbende daarom zijn gestopt met de zorgtaken en vervolgens kamers zijn gaan verhuren aan een andere doelgroep, namelijk studenten van [onderwijsinstelling] . In het betrokken jaar verhuurden erflater en belanghebbende 12 kamers aan studenten van [onderwijsinstelling] , voor doorgaans drie tot negen maanden. Daarnaast werden twee kamers en een vrijstaande woning op het terrein van het landgoed permanent verhuurd. Deze verhuur en de bijkomende werkzaamheden die erflater en belanghebbende verrichtten kunnen niet worden aangemerkt als het drijven van een materiële onderneming.\n\n4.7.. Weliswaar geschiedt het rendabel maken van het pand mede door de arbeid die erflater en belanghebbende verrichtten, maar niet kan worden gezegd dat deze arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft het behalen van voordelen uit het pand welke het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan. De omvang van de door erflater en belanghebbende verrichte werkzaamheden overstijgt niet wat bij normaal vermogensbeheer van onroerende zaken gebruikelijk is. Belanghebbende maakte de gezamenlijke ruimten (de gangen, de keuken en twee badkamers) schoon en erflater verrichtte kleine onderhoudswerkzaamheden. Het groot onderhoud van het pand wordt uitbesteed aan professionele bedrijven. De kamers die voor een aantal maanden worden verhuurd, worden schoongehouden door de huurders. Dat geldt ook voor de huurders van de andere kamers en voor de huurder van de vrijstaande woning. Daarvoor worden in het geheel geen schoonmaakwerkzaamheden verricht. Dat erflater en belanghebbende incidenteel samen met huurders aten, maakt dat niet anders. Van een pensionbedrijf is geen sprake. Van een rendement dat uitgaat boven hetgeen met normaal vermogensbeheer kan worden behaald, is evenmin sprake. In 2016 en de daaraan drie voorgaande jaren, is in ieder geval niet het IPD-rendement voor vastgoed behaald (zie 2.16). Er is dus sprake van normaal vermogensbeheer. Dit betekent dat de onderneming voor het jaar 2016 is gestaakt en dat het verschil over de waarde in het economische verkeer van het pand en de boekwaarde daarvan (de meerwaarde) had moeten worden belast als winst uit onderneming in het laatste jaar waarin sprake was van een onderneming.\n\n4.8.. Niet in geschil is dat er niet meer kon worden nagevorderd over voorgaande belastingjaren omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. Het stond de Inspecteur daarom vrij om de onjuistheid te herstellen in het laatste openstaande belastingjaar.\n\nIndividuele en buitensporige last?\n\n4.9.. Belanghebbende klaagt ook over de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen. Volgens belanghebbende is sprake van een individuele en buitensporige last. De Inspecteur heeft dit betwist.\n\n4.10.. \n\nDe bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft deze stelling niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. Die beroepsgrond kan daarom niet slagen.\n\nNevenbeschikkingen4.11. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente en het verzamelinkomen. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Het hoger beroep daartegen is daarom ongegrond.\n\nAanslag Zvw\n\n4.12.. \n\nHet hoger beroep is ook gericht tegen de uitspraak inzake de aanslag Zvw. Belanghebbende heeft alleen aangevoerd dat sprake is van een materiële onderneming. Uit 4.7 volgt dat die beroepsgrond niet slaagt.\n\nVerzoek geruisloze inbreng\n\n4.13.. Op grond van artikel 3.65 van de Wet IB 2001, voor zover van belang, kan op verzoek van de belastingplichtige en als aan de door de Minister te stellen voorwaarden wordt voldaan, een onderneming geruisloos worden omgezet in de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Nu geen sprake is van een onderneming, komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om geruisloze inbreng is reeds daarom terecht door de Inspecteur afgewezen. Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het verzoek door de Inspecteur te lang heeft geduurd, maar zij heeft daaraan geen consequenties verbonden. Het hof ziet daarom geen reden om daaraan gevolgen te verbinden.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.\n\nDe beslissing is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. J. van de Merwe.\n\n(E.D. Postema) (J. van de Merwe)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n HR 17 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, HR oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481 en HR 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1321.\n\n Vgl. HR 29 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3858, HR 28 april 1999, ECLI:NL:HR:AA2746, rechtsoverweging 3.4 en 3.5, en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850, rechtsoverweging 4.5.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4064","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.810Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":34,"updatedAt":82},"428","ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","ecli-nl-rbgel-2026-4496","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F5739\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de inspecteur van 18 april 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2020, 2021 en 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Hij heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 afgewezen.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB\u002FPVV 2022 ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].\n\nZoals afgesproken op zitting, heeft de inspecteur na het sluiten van het onderzoek nog een stuk, te weten een reeds eerder door hem aan belanghebbende gestuurd – en door haar ontvangen – stuk ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit stuk aan het dossier toegevoegd.\n\nFeiten\n\n1. Met dagtekening 5 juni 2021 en 14 maart 2023 is aan belanghebbende de aanslag IB\u002FPVV 2020, respectievelijk 2021 opgelegd.\n\n2. Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in zijn uitspraak met dagtekening 18 april 2024 deze bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft deze bezwaren vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de betreffende aanslag en heeft deze verzoeken afgewezen.\n\n3. Belanghebbende heeft de volgende inkomsten ontvangen in 2022:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\nLoonbelastingtabel\n\nBedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer over de weg\n\n€ 2.570\n\n€ 941\n\nGroen\n\nUWV\n\n€ 9.990\n\n€ 802\n\nGroen\n\n [naam bedrijf] B.V.\n\n€ 6.685\n\n€ 0\n\nWit\n\n4. Het arbeidsinkomen dat belanghebbende in 2022 heeft genoten bedraagt € 6.685. De uitkering van het UWV betreft een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).\n\n5. Belanghebbende heeft op 27 december 2023 de aangifte IB\u002FPVV 2022 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen in de aangifte bedraagt € 19.245.\n\n6. Met dagtekening 9 februari 2024 is de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte.\n\n7. Met dagtekening 18 april 2024 heeft de inspecteur het tegen deze aanslag ingediende bezwaar afgewezen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de door belanghebbende in de jaren 2020, 2021 en 2022 genoten WGA-uitkering, welke alle jaren door het UWV aan haar werd uitbetaald, in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting moet worden betrokken. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n9. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVerzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021\n\n10. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 zijn opgelegd op respectievelijk 5 juni 2021 en 14 maart 2023. Verder staat onbestreden vast dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n11. Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Indien partijen daar beiden mee instemmen, kan echter rechtstreeks beroep worden ingesteld op grond van artikel 7:1a van de Awb.\n\n12. De inspecteur heeft de beide door hem als zodanig aangemerkte verminderingsverzoeken op 18 april 2024 afgewezen. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om de aanslagen IB\u002FPVV 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen. De rechtbank heeft deze verzoeken ontvangen op 16 mei 2024.\n\n13. De rechtbank zou deze verminderingsverzoeken moeten doorsturen naar de inspecteur om ze als zodanig inhoudelijk te laten beoordelen, waarna – bij een eventuele afwijzing van de verzoeken – belanghebbende alsnog daartegen beroep zou kunnen instellen bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen echter toestemming gegeven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank de verminderingsverzoeken over deze twee jaren ook kan beoordelen.\n\nInhoudelijk\n\n14. Belanghebbende heeft haar WGA-uitkering direct van het UWV ontvangen. Voor de vaststelling van de hoogte van de arbeidskorting van belanghebbende, is in alle in geschil zijnde jaren met deze uitkering geen rekening gehouden. Wanneer daarentegen belanghebbende de WGA-uitkering van haar werkgever zou hebben ontvangen, dan zou deze uitkering wel tot de grondslag van de arbeidskorting hebben behoord. Dat in het geval dat de WGA-uitkering via het UWV wordt betaald deze uitkering niet en wanneer de WGA-uitkering via de werkgever wordt uitbetaald, wèl in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de arbeidskorting, is volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij beroept zich hierbij op een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.Dit gerechtshof oordeelde, kort gezegd, dat bij het vaststellen van de arbeidskorting rekening moet worden gehouden met een ontvangen WGA-uitkering en dat daarbij niet van belang is door wie die WGA-uitkering wordt uitbetaald.\n\n15. De hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag is door de Hoge Raad vernietigd.De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer een WGA-uitkering door een werkgever wordt uitbetaald, deze uitkering wel, en wanneer deze uitkering door het UWV wordt uitbetaald, niet meeloopt in de vaststelling van de arbeidskorting. De Hoge Raad vindt dit een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dit is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In zoverre heeft belanghebbende dus gelijk.\n\n16. De Hoge Raad oordeelt verder dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is om in gevallen als daar aan de orde voor rechtsherstel te zorgen. Gelijke behandeling zou namelijk op verschillende manieren kunnen worden bereikt. Dat zou kunnen door ook in gevallen waarin de WGA-uitkering door het UWV wordt betaald, rekening te houden met de arbeidskorting. De wetgever zou echter bijvoorbeeld ook kunnen beslissen om nooit – dus ook wanneer de WGA-uitkering door de werkgever wordt uitbetaald – rekening te houden met de arbeidskorting (net als bij belanghebbende nu gebeurt). Omdat een keuze voor een van die manieren zich niet duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis, heeft de Hoge Raad rechtsherstel overgelaten aan de wetgever.\n\n17. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor de zaken van belanghebbende. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbende geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod en dat dit, net als in het geval waarin de Hoge Raad heeft beslist, niet leidt tot vermindering van de aanslagen.\n\n18. Het kabinet heeft bij brief van 14 maart 2025 gereageerd op het arrest van 15 november 2024 (de kabinetsreactie).De kabinetsreactie komt erop neer dat het kabinet ervoor kiest de ongelijke behandeling op te heffen door in geen enkel geval meer arbeidskorting toe te passen over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder begrepen de WGA. Volgens het kabinet sluit inperking op die wijze het meest nauw aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt met een inperking voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een WW-uitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) borgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.\n\n19. De kabinetsreactie is voor de rechtbank geen aanleiding om aan belanghebbende toch rechtsherstel te bieden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het kabinet met voldoende spoed actie heeft ondernomen om de discriminatie, binnen iets meer dan twee jaar na het arrest van 15 november 2024, op te heffen. Daarbij heeft de rechtbank op dit moment geen reden om eraan te twijfelen dat de wetgever 1 januari 2027 zal halen. Ook de voorgenomen wijze waarop de discriminatie wordt opgeheven, geeft de rechtbank geen aanleiding om in te grijpen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat over de jaren 2020, 2021 en 2022 de aanslagen en bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De inspecteur heeft op de zitting aangegeven het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende, te weten € 31,36 reiskosten, te vergoeden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 31,36 aan proceskosten aan belanghebbende;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Gerechtshof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:370.\n\n Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.\n\nBrief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4496","2026-07-13T00:28:29.426Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":87,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":34,"updatedAt":89},"727","ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","ecli-nl-rbgel-2026-4470","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F7178, 24\u002F7184, 24\u002F7185, 24\u002F7186, 24\u002F7188 en 24\u002F7191\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 5 juni 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 11 juni 2024, 12 juni 2024, 13 juni 2024 en 18 juni 2024.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2020 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd en gelijktijdig belastingrente in rekening gebracht naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) van:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\nNavordering\n\n€ 770.064\n\n€ 197.458\n\n€ 46.665\n\n2016\n\nNavordering\n\n€ 680.892\n\n€ 243.516\n\n€ 38.575\n\n2017\n\nNavordering\n\n€ 750.950\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 31.572\n\n2018\n\nNavordering\n\n€ 1.531.079\n\n€ 131.213\n\n€ 99.212\n\n2019\n\nAanslag\n\n€ 677.237\n\n€ 175.654\n\n€ 13.260\n\n2020\n\nAanslag\n\n€ 2.887.547\n\n€ 161.682\n\n€ 60.395\n\nVoor de jaren 2018 en 2019 heeft de inspecteur naar aanleiding van het Kerstarrest het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 117.882 (2018) en € 157.393 (2019) en de belastingrente verminderd tot € 98.518 (2018) en € 12.512 (2019).\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de (navorderings)aanslagen uitsluitend voor wat betreft het belastbaar inkomen box 1 en de belastingrente als volgt verminderd:\n\nBox 1\n\nBox 2\n\nBox 3\n\nBelastingrente\n\n2015\n\n€ 698.739\n\n€ 197.458\n\n€ 38.755\n\n2016\n\n€ 616.856\n\n€ 243.516\n\n€ 31.788\n\n2017\n\n€ 685.316\n\n€ 51.309\n\n€ 105.726\n\n€ 25.659\n\n2018\n\n€ 1.373.230\n\n€ 117.882\n\n€ 84.302\n\n2019\n\n€ 674.004\n\n€ 157.393\n\n€ 12.284\n\n2020\n\n€ 2.675.488\n\n€ 161.682\n\n€ 54.942\n\nDe rechtbank heeft de beroepen als volgt geregistreerd:\n\nJaar\n\nZaaknummer\n\n2015\n\n24\u002F7178\n\n2016\n\n24\u002F7184\n\n2017\n\n24\u002F7185\n\n2018\n\n24\u002F7186\n\n2019\n\n24\u002F7188\n\n2020\n\n24\u002F7191\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Belanghebbende en zijn gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben daarop gereageerd. Bij bericht van 17 april 2026 heeft de rechtbank partijen ervan in kennis gesteld dat zij voldoende geïnformeerd is en het onderzoek wil sluiten zonder nadere zitting, tenzij partijen binnen twee weken kenbaar maken een nadere zitting te willen. Omdat geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 mei 2026 gesloten.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is geboren in 1967 en onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.\n\n2. Belanghebbende bezit sinds 23 december 2005 alle aandelen in [naam bedrijf 1] B.V. ([naam bedrijf 1]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n3. [naam bedrijf 1] bezit sinds 1 januari 2006 alle aandelen in [naam bedrijf 2] B.V. ([naam bedrijf 2]) en is enig bestuurder van deze vennootschap.\n\n4. Belanghebbende is sinds 4 juli 2014 enig bestuurder van de [naam stichting] (de stichting). De stichting heeft een Raad van Toezicht (RvT) bestaande uit ten minste één en ten hoogste drie leden. De stichting is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.\n\n5. Belanghebbende is eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen (de villa’s) met gezamenlijk zwembad aan de [locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers) te [plaats 2].\n\n6. Belanghebbende is eigenaar van een woon-zorgcomplex (het woon-zorgcomplex) te [plaats 2] genaamd ‘[naam]’, bestaande uit een hoofdgebouw ([locatie] [huisnummer]) en 48 appartementen ([locatie] [huisnummer] tot en met [huisnummer] (even nummers)).\n\n7. Op 4 juli 2014 heeft belanghebbende een recht van erfpacht uitgegeven op het woon-zorgcomplex ten behoeve van de stichting. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.500.000. Daarvan is € 2.000.000 door de stichting betaald. De overige € 5.500.000 werd schuldig gebleven. Jaarlijks werd over dit bedrag aan belanghebbende rente vergoed. De rente bedroeg per jaar:\n\n2015\n\n€ 267.254\n\n2016\n\n€ 247.187\n\n2017\n\n€ 219.948\n\n2018\n\n€ 205.307\n\nBelanghebbende gaf ook het recht op gebruik van de grond uit aan de stichting. De overeengekomen erfpachtcanon bedroeg € 42.000 per jaar. De waarde van de blote eigendom van de grond is getaxeerd op € 1.400.000.\n\n8. Op 7 december 2018 heeft de stichting het recht van erfpacht verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 7.216.900. Daarvan is € 2.216.900 door [naam bedrijf 1] betaald. De overige € 5.000.000 werd schuldig gebleven. Belanghebbende heeft tegelijkertijd de juridische gerechtigdheid tot het woon-zorgcomplex verkocht aan [naam bedrijf 1]. De overeengekomen prijs bedroeg € 1.633.100 en is volledig schuldig gebleven.\n\n9. [naam bedrijf 1] heeft het woon-zorgcomplex vervolgens aan de stichting verhuurd. De stichting zette zich in voor persoonlijke zorg- en dienstverlening aan de bewoners van het woon-zorgcomplex.\n\n10. De stichting verhuurde de appartementen in het woon-zorgcomplex aan bewoners. De huurovereenkomst werd aangegaan voor onbepaalde tijd en eindigde door opzegging of na overlijden van de bewoner of als de bewoner de overeenkomst tot persoonlijke verzorging had opgezegd of die overeenkomst om een andere reden werd beëindigd. Bewoners sloten tevens een overeenkomst tot serviceverlening met [naam bedrijf 2] voor de afname van hotelmatige diensten.\n\n11. Belanghebbende verhuurde de villa’s aan bewoners. In de jaren 2015 tot en met 2020 bedroeg de huuropbrengst:\n\n2015\n\n€ 244.140\n\n2016\n\n€ 203.460\n\n2017\n\n€ 244.020\n\n2018\n\n€ 244.020\n\n2019\n\n€ 282.360\n\n2020\n\n€ 142.020\n\n12. Het zwembad verhuurde belanghebbende in de jaren 2015 tot en met 2017 aan de stichting. In 2018 en 2019 is het zwembad verhuurd aan [naam bedrijf 2]. De jaarlijkse huuropbrengst bedroeg € 40.980. In 2020 is er geen huuropbrengst geweest.\n\n13. In 2020 heeft belanghebbende de villa’s en het zwembad verkocht aan een Frans bedrijf dat actief is op het gebied van gezondheidszorg en huisvesting voor bejaarden. [naam bedrijf 1] heeft tegelijkertijd ook het woon-zorgcomplex verkocht aan het Franse bedrijf. De verkoopprijs voor al het onroerend goed samen bedroeg € 15.180.000. Daarvan is € 5.624.534 toerekenbaar aan de villa’s en het zwembad.\n\n14. De historische verkrijgingsprijs van de villa’s bedroeg in totaal € 2.932.920.\n\n15. Belanghebbende rekende de villa’s en het hoofdgebouw van het woon-zorgcomplex jaarlijks tot zijn grondslag sparen en beleggen. In zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2020 heeft belanghebbende daarvoor het volgende aangegeven:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 278.800\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 260.100\n\n€ 261.800\n\n€ 270.300\n\n€ 270.300\n\n€ 300.900\n\n€ 336.600\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 369.750\n\n€ 371.450\n\n€ 383.350\n\n€ 395.250\n\n€ 425.850\n\n€ 476.000\n\n [locatie] [huisnummer]\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n€ 850.000\n\n-\n\nTotaal\n\n€ 2.520.250\n\n€ 2.530.450\n\n€ 2.584.850\n\n€ 2.630.750\n\n€ 3.081.250\n\n€ 2.495.600\n\n16. De op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV verschuldigde belasting bedroeg:\n\n2015\n\n€ 233.047\n\n2016\n\n€ 230.173\n\n2017\n\n€ 245.435\n\n2018\n\n€ 255.201\n\n2019\n\n€ 290.537\n\n2020\n\n€ 277.107\n\n17. De inspecteur is een boekenonderzoek gestart naar aanleiding van de aangifte\n\nvennootschapsbelasting 2018 van [naam bedrijf 1]. Van dit boekenonderzoek is geen rapport opgemaakt.\n\n18. De gegevens die bij het boekenonderzoek bekend zijn geworden, vormden voor de inspecteur aanleiding om navorderingsaanslagen IB\u002FPVV aan belanghebbende op te leggen voor de jaren 2015 tot en met 2018 en om voor de jaren 2019 en 2020 bij het opleggen van de aanslagen IB\u002FPVV af te wijken van de aangiften. De inspecteur heeft daarbij de volgende correcties aangebracht in het belastbaar inkomen:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nCorrectie box 1\n\n+ € 594.374\n\n+ € 533.627\n\n+ € 546.948\n\n+ €1.315.407\n\n+ € 287.772\n\n+ €2.493.599\n\nCorrectie box 2\n\n+ € 51.309\n\nCorrectie box 3\n\n-\u002F- € 300.810\n\n-\u002F- € 294.019\n\n-\u002F- € 383.328\n\n-\u002F- € 370.484\n\n-\u002F- € 172.242\n\n-\u002F- € 127.079\n\n19. De correcties in box 1 zijn als volgt te specificeren:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.691.615\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 35.568\n\n-\u002F- € 340.036\n\nTotaal\n\n€ 594.374\n\n€ 533.627\n\n€ 546.948\n\n€1.315.407\n\n€ 287.772\n\n€ 2.493.599\n\n20. De grondslag box 3 heeft de inspecteur naar aanleiding van de correcties in box 1 met de volgende bedragen verlaagd:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nOverige vorderingen en contant geld\n\n€5.000.000\n\n €4.820.000\n\n€4.525.000\n\n€4.250.000\n\n-\n\n-\n\nOverige onroerende zaken\n\n€2.520.250\n\n €2.530.450\n\n€2.586.850\n\n€2.630.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\nTotaal\n\n€7.520.250\n\n €7.350.450\n\n€7.111.850\n\n€6.880.750\n\n€3.081.250\n\n€2.495.600\n\n21. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de correcties van de inspecteur. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de correcties in box 1 als volgt aangepast:\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\n2020\n\nRente-baten vordering\n\n€ 267.254\n\n€ 247.187\n\n€ 219.948\n\n€ 205.307\n\n-\n\n-\n\nCanon\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n€ 42.000\n\n-\n\n-\n\nVerhuur villa's\n\n€ 244.140\n\n€ 203.460\n\n€ 244.020\n\n€ 244.020\n\n€ 282.360\n\n€ 142.020\n\nVerhuur zwembad\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n€ 40.980\n\n-\n\nVerkoop rechten\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 783.100\n\n-\n\n-\n\nVerkoop villa’s\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n-\n\n€ 2.450.640\n\nTBS-vrijstelling\n\n-\u002F- € 71.325\n\n-\u002F- € 64.036\n\n-\u002F- € 65.634\n\n-\u002F- € 157.849\n\n-\u002F- € 38.801\n\n-\u002F- € 311.120\n\nTotaal\n\n€ 523.049\n\n€ 469.591\n\n€ 481.314\n\n€1.157.558\n\n€ 284.539\n\n€ 2.281.540\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n22. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 en de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n24. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n25. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor alle in geschil zijnde jaren de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Volgens de inspecteur is sprake van inhoudelijke gebreken in de aangiften die ertoe leiden dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting verhoudingsgewijs en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De inspecteur voert primair aan dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en dat belanghebbende daarom een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3. Volgens de inspecteur wist belanghebbende dit of had hij zich ervan bewust moeten zijn. De inspecteur heeft zijn standpunt onderbouwd met de volgende berekening met betrekking tot de verschuldigde belasting:\n\n26. Subsidiair voert de inspecteur aan dat, ook als wordt aangenomen dat geen sprake is van een samenwerkingsverband, de aangiften IB\u002FPVV 2015 tot en met 2019 de volgende inhoudelijke gebreken vertonen:\n\n2015 tot en met 2018: De hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] is voor € 550.000 te weinig aangegeven in box 3.\n\n2015 tot en met 2017: De waarde van het zwembad is niet in box 3 aangegeven en bedraagt volgens de inspecteur € 700.000.\n\n2018 en 2019: De huuropbrengst van het zwembad (€ 40.980) is niet in box 1 aangegeven.\n\nHet verschil tussen de verschuldigde belasting op grond van de aangiften en de werkelijk verschuldigde belasting heeft de inspecteur voor dat geval als volgt berekend:\n\n2015: € 15.000 absoluut en 11,60% relatief\n\n2016: € 15.000 absoluut en 10,07% relatief\n\n2017: € 20.212 absoluut en 12,32% relatief\n\n2018: € 22.851 absoluut en 12,56% relatief\n\n2019: € 21.207 absoluut en 14,42% relatief\n\n27. Belanghebbende is van mening dat er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat sprake is van een pleitbaar standpunt ten aanzien van de vraag of er een samenwerkingsverband is. De correcties op grond van het subsidiaire standpunt van de inspecteur zijn volgens belanghebbende ten dele juist, maar leiden niet tot een relatief aanzienlijk bedrag aan te weinig betaalde belasting.\n\n28. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd (absoluut) en verhoudingsgewijs (relatief) aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.Ten slotte geldt dat als sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n29. De rechtbank moet per belastingjaar beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Omdat belanghebbende voor al de in geschil zijnde belastingjaren aangiften IB\u002FPVV heeft ingediend, moet worden beoordeeld of sprake is van ‘inhoudelijke gebreken’, zoals hiervoor bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat dit het geval is. Als de rechtbank de inspecteur al zou volgen in zijn primaire standpunt dat sprake is van een samenwerkingsverband, dan kan dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat belanghebbende bij zijn aangiften voor de jaren 2015 tot en met 2020 ervan is uitgegaan dat geen samenwerkingsverband aanwezig is, is naar het oordeel van de rechtbank een pleitbaar standpunt. Het kon namelijk gebaseerd worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, waarvan hij - naar objectieve maatstaven gemeten - redelijkerwijs kon en mocht menen dat die uitleg en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren.\n\n30. Voor wat betreft het subsidiaire standpunt van de inspecteur staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond voor [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3. Verder staat vast dat belanghebbende in zijn aangiften 2015 tot en met 2017 de waarde van het zwembad onterecht niet in box 3 heeft aangegeven en voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 heeft aangegeven. Deze inhoudelijke gebreken in de aangiften leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekeningen is uitgegaan van veel lagere belastingbedragen (zie 25. de kolom ‘Aangifte’) dan die op grond van de ingediende aangiften verschuldigd zijn (zie 16.). Bovendien verschillen partijen van mening over de waarde van het zwembad en staat de € 700.000 waarvan de inspecteur in zijn berekening is uitgegaan dus ter discussie. Als wordt uitgegaan van de juiste belastingbedragen die op grond van de aangiften verschuldigd zijn en voor het overige de uitgangspunten van de inspecteur zouden worden gevolgd (zie 26.), is de werkelijk verschuldigde belasting voor de jaren 2015 tot en met 2019 tussen de 6,43% en 8,95% lager.De rechtbank acht dit niet relatief aanzienlijk.\n\n31. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er voor geen enkel belastingjaar aanleiding is om de bewijslast om te keren en te verzwaren. Dat betekent dat de rechtbank de normale bewijslastverdeling zal hanteren.\n\nIs er een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001?\n\n32. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is van een samenwerkingsverband. Volgens belanghebbende is daarvoor nodig dat het samenwerkingsverband in civiel juridische zin kwalificeert als een bijzondere overeenkomst die aan alle kenmerken voldoet van een maatschap in de zin van artikel 7A:1655 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ondernemingen moeten worden gedreven voor rekening en risico van een fiscaal transparant samenwerkingsverband en dat is niet het geval volgens belanghebbende.\n\n33. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de stichting, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] een samenwerkingsverband vormen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. De inspecteur is van mening dat niet enkel juridische feiten doorslaggevend zijn, maar ook of en in hoeverre sprake is van organisatorische en economische verbondenheid tussen partijen. Volgens de inspecteur gaat het hier om partijen die niet onafhankelijk van elkaar handelden, maar een hecht samenwerkingsverband hebben gerealiseerd, waarbij ze gebruikmaakten van elkaars diensten. Belanghebbende stelt vermogensbestanddelen ter beschikking aan dat samenwerkingsverband. Die vermogensbestanddelen behoren daarom tot box 1 en niet tot box 3. Voor zover is vereist dat sprake is van een in het BW geregelde vorm van samenwerking, stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het samenwerkingsverband kwalificeert als een stille maatschap. Aanwijzingen daarvoor ziet de inspecteur onder meer in het feit dat in een due diligence rapport staat vermeld dat partijen gezamenlijk een onderneming drijven en dat in een concentratiebesluit partijen gezamenlijk worden aangemerkt als [naam onderneming]. Partijen waren afhankelijk van elkaars activiteiten, zodat een totaalpakket kon worden geleverd van wonen, zorg en dienstverlening. Er was sprake van feitelijke samenwerking in het kader van de beroepsuitoefening.\n\n34. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.92 van de Wet IB 2001 volgt dat aan de keuze van de wetgever voor een regeling voor het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen twee uitgangspunten ten grondslag liggen, namelijk a) de parallel te versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de rechtsvorm van de BV en b) te voorkomen dat al te gemakkelijk relatief hoog belast winstinkomen wordt getransformeerd in lager belast inkomen in box 3.\n\n35. In de wet en de wetsgeschiedenis ontbreekt een duidelijke definitie van het begrip ‘samenwerkingsverband’. Wel is duidelijk dat hieronder in elk geval moeten worden begrepen de in boek 7A van het BW en de in het Wetboek van Koophandel geregelde samenwerkingsverbanden, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. De rechtbank leidt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2013 af dat de uitleg van het begrip ‘samenwerkingsverband’ moet worden beperkt tot fiscaal transparante lichamen.De rechtbank zal dus eerst moeten beoordelen of sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam. Op de inspecteur rust de bewijslast dat hiervan sprake is.\n\n36. Artikel 7A:1655 BW definieert de maatschap als “ene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen.” Deze definitie bevat vijf elementen: 1) overeenkomst 2) samenwerking op basis van gelijkheid\u002Fgelijkwaardigheid 3) verdeling van voordeel 4) inbreng 5) gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. De inspecteur heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan al deze elementen. Als al wordt aangenomen dat partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden om op basis van gelijkwaardigheid in maatschapsverband samen te werken, dan ontbreekt een onderbouwing door middel van documenten of cijfers waaruit valt af te leiden dat partijen gericht waren op gezamenlijk voordeel, wat dit gezamenlijke voordeel was en hoe dit vervolgens onderling werd verdeeld. Weliswaar is het al dan niet bestaan van een winstverdelingsregeling niet vereist en zou voldoende zijn dat partijen gezamenlijk gerechtigd waren tot (een deel van) de winst, maar ook dat is niet aannemelijk gemaakt door de inspecteur. De enkele stelling dat de samenwerking tussen partijen was gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten, is hiervoor onvoldoende.\n\n37. Gelet op wat in 34. tot en met 36 is overwogen concludeert de rechtbank dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 3.92, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet IB 2001. Dat betekent dat de door de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte en op dit standpunt gebaseerde correcties onterecht zijn. Met betrekking tot het jaar 2020 leidt dit ertoe dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat het beroep gegrond is. Of ook voor de (navorderings)aanslagen 2015 tot en met 2019 geldt dat deze te hoog zijn vastgesteld zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.\n\nZijn de (navorderings)aanslagen te hoog, gelet op het subsidiaire standpunt inspecteur?\n\n38. De inspecteur heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat er alsnog correcties mochten plaatsvinden voor de jaren 2015 tot en met 2019. De inspecteur heeft met betrekking tot zijn subsidiaire standpunt een beroep gedaan op interne compensatie.\n\n39. Het leerstuk van de interne compensatie houdt in dat, in het geval dat een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond is, de inspecteur andere elementen van de aanslag aan de orde mag stellen en het standpunt mag innemen dat de aanslag toch niet te hoog is vastgesteld gelet op die andere elementen. Aan het toepassen van interne compensatie zijn enkele beperkingen gesteld. Zo mag geen hoger bedrag worden gevorderd dan het oorspronkelijke bedrag van de aanslag, aangezien belanghebbende door het instellen van beroep niet in een slechtere positie mag komen. Daarnaast kan interne compensatie worden beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In deze zaak ziet de rechtbank geen beperkingen voor toepassing van interne compensatie.\n\n40. Niet meer in geschil is dat belanghebbende voor de jaren 2015 tot en met 2018 de hoofdgerechtigdheid tot de grond van [locatie] [huisnummer] voor € 550.000 te weinig heeft aangegeven in box 3 en dat voor de jaren 2018 en 2019 de huuropbrengst van het zwembad onterecht niet in box 1 is aangegeven. Partijen verschillen alleen nog van mening over de waarde van het zwembad in de jaren 2015 tot en met 2017. De inspecteur is van mening dat de waarde € 700.000 bedraagt en onderbouwt dit door de bij de verkoop in 2020 gerealiseerde verkoopprijs van € 5,6 miljoen (zie 13.) voor de 7 villa’s inclusief het zwembad te delen door 8. De rechtbank volgt de inspecteur hierin niet. Dit zou namelijk betekenen dat het zwembad evenveel waarde vertegenwoordigt als een villa en dat acht de rechtbank onaannemelijk. Bovendien strookt dit niet met de aanschafwaarde die de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft becijferd. Die heeft de inspecteur berekend op € 190.974 (5 x € 38.194,68) aanschafwaarde + € 50.000 ontwikkelkosten = € 240.974. Belanghebbende heeft de waarde van het zwembad geschat op 5 maal de jaarhuur van € 40.980 = € 204.900. Dat ligt in de buurt van de door de inspecteur in de motivering van de uitspraak op bezwaar verdedigde waarde. De rechtbank zal daarom uitgaan van de hoogste van deze twee waardes, dus € 240.974. De rechtbank zal per jaar uitwerken wat de gevolgen zijn.\n\n2015\n\n41. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 12.681.454\n\n€ 13.472.428\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 42.660\n\n€ 42.660\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 12.638.794\n\n€ 13.429.768\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 182.083\n\n€ 182.083\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 12.456.711\n\n€ 13.247.685\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 13.247.685 * 4% = € 529.907.\n\n42. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\n€ 228.723\n\nROW\n\n € 0\n\n€ 594.374\n\n€ 523.049\n\n€ 0\n\nEigen woning\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\n-€ 53.033\n\nInkomen box 1\n\n€ 175.690\n\n€ 770.064\n\n€ 698.739\n\n€ 175.690\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 498.268\n\n€ 197.458\n\n€ 197.458\n\n€ 529.907\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 673.958\n\n€ 967.522\n\n€ 896.197\n\n€ 705.597\n\n43. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2015 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2016\n\n44. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 14.041.795\n\n€ 14.832.769\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 320.976\n\n€ 320.976\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 48.874\n\n€ 48.874\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 13.671.945\n\n€ 14.462.919\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 233.578\n\n€ 233.578\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 13.438.367\n\n€ 14.229.341\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan € 14.229.341 * 4% = € 569.174.\n\n45. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\n€ 184.261\n\nROW\n\n€ 11.484\n\n€ 545.111\n\n€ 481.075\n\n€ 11.484\n\nEigen woning\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\n-€ 48.480\n\nInkomen box 1\n\n€ 147.264\n\n€ 680.892\n\n€ 616.856\n\n€ 147.265\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 537.534\n\n€ 243.516\n\n€ 243.516\n\n€ 569.174\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 684.799\n\n€ 924.408\n\n€ 860.372\n\n€ 716.439\n\n46. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2016 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2017\n\n47. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 en + € 240.974 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nTotaal vermogen box 3\n\n€ 11.094.411\n\n€ 11.885.385\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 50.000\n\n€ 50.000\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.044.411\n\n€ 11.835.385\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.804.105\n\n€ 1.804.105\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.240.306\n\n€ 10.031.280\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan (€ 239.250 * 1,63%) + (€ 9.792.030 * 5,39%) = € 531.690.\n\n48. Voor box 1 geldt dat alle correcties moeten worden teruggedraaid en dat moet worden uitgegaan van de gegevens uit de aangifte. Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nNavorderings-aanslag\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\n€ 183.710\n\nROW\n\n€ 65.417\n\n€ 612.365\n\n€ 546.731\n\n€ 65.417\n\nEigen woning\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\n-€ 45.125\n\nInkomen box 1\n\n€ 204.002\n\n€ 750.950\n\n€ 685.316\n\n€ 204.002\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\n€ 51.309\n\nInkomen box 3\n\n€ 489.054\n\n€ 105.726\n\n€ 105.726\n\n€ 531.690\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 693.056\n\n€ 907.985\n\n€ 842.351\n\n€ 787.001\n\n49. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2017 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2018\n\n50. Voor box 3 geldt dat de rendementsgrondslag moet worden gecorrigeerd met + € 550.000 ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 958.137\n\n€ 958.137\n\nOverige bezittingen\n\n€ 10.830.319\n\n€ 11.380.319\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 339.711\n\n€ 339.711\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 11.448.745\n\n€ 11.998.745\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.000\n\n€ 60.000\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 11.388.745\n\n€ 11.938.745\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 1.846.991\n\n€ 1.846.991\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 9.541.754\n\n€ 10.091.754\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,12% * € 958.137) + (€ 11.380.319 * 5,38%) -\u002F- (€ 339.711 * 3,20%)) ÷ € 11.998.745 = 5,02%. 5,02% * € 10.091.754 = € 506.777.\n\n51. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\n€ 168.098\n\nROW\n\n€ 92.210\n\n€ 1.407.617\n\n€ 1.249.768\n\n€ 128.272\n\nEigen woning\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\n-€ 44.636\n\nInkomen box 1\n\n€ 215.672\n\n€ 1.531.079\n\n€ 1.373.230\n\n€ 251.734\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 501.397\n\n€ 117.882\n\n€ 117.882\n\n€ 506.777\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 717.069\n\n€ 1.648.961\n\n€ 1.491.112\n\n€ 758.511\n\n52. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2018 gegrond is. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n2019\n\n53. Voor box 3 geldt dat er geen aanleiding is de rendementsgrondslag te verhogen ten opzichte van de aangifte. De rendementsgrondslag wordt dan als volgt:\n\nAangifte\n\nBeroep\n\nSpaar- en banktegoeden\n\n€ 743.383\n\n€ 743.383\n\nOverige bezittingen\n\n€ 6.765.861\n\n€ 6.765.861\n\nSchulden -\u002F-\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nRendementsgrondslag\n\n€ 7.509.244\n\n€ 7.509.244\n\nHeffingsvrij vermogen -\u002F-\n\n€ 60.720\n\n€ 60.720\n\nGrondslag sparen en beleggen\n\n€ 7.448.524\n\n€ 7.448.524\n\nAandeel echtgenoot\n\n€ 989.736\n\n€ 989.736\n\nAandeel belanghebbende\n\n€ 6.458.788\n\n€ 6.458.788\n\nHet belastbaar inkomen box 3 wordt dan ((0,08% * € 743.383) + (5,59% * € 6.765.861)) ÷ € 7.509.244 = 5,045%. 5,045% * € 6.458.788 = € 325.846.\n\n54. Voor box 1 geldt dat alleen een correctie ten opzichte van de aangifte gerechtvaardigd is van € 36.062 (€ 40.980 -\u002F- 12% TBS-vrijstelling). Het belastbaar inkomen box 1 en het verzamelinkomen wordt in beroep dan als volgt berekend:\n\nAangifte\n\nVerminderings-beschikking\n\nUitspraak op bezwaar\n\nBeroep\n\nLoon uit dienstbetrekking\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\n€ 135.410\n\nROW\n\n€ 286.291\n\n€ 574.063\n\n€ 570.830\n\n€ 322.353\n\nEigen woning\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\n-€ 32.236\n\nInkomen box 1\n\n€ 389.465\n\n€ 677.237\n\n€ 674.004\n\n€ 425.527\n\nInkomen box 2\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 0\n\nInkomen box 3\n\n€ 347.896\n\n€ 157.393\n\n€ 157.393\n\n€ 325.846\n\nVerzamelinkomen\n\n€ 737.361\n\n€ 834.630\n\n€ 831.397\n\n€ 751.373\n\n55. Nu het berekende verzamelinkomen lager ligt dan het bij uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen, is de conclusie dat de aanslag IB\u002FPVV 2019 te hoog is. Dat betekent dat het beroep voor 2019 gegrond is. De rechtbank zal de aanslag IB\u002FPVV 2019 verminderen zoals hierboven weergegeven.\n\n56. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n57. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n58. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht (€ 51) aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.503 en is als volgt berekend: 2,5 punten voor de beroepsfase (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, schriftelijke inlichtingen 0,5 punt) met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 omdat het meer dan 4 zaken betreft. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend, omdat alleen om kostenvergoeding is gevraagd met betrekking tot het jaar 2020 en daarvoor in bezwaar al een kostenvergoeding is toegekend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2015 (24\u002F7178) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.690 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.907 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2016 (24\u002F7184) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 147.265 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 569.174 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2017 (24\u002F7185) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 204.002, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 51.309 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 531.690 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2018 (24\u002F7186) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 251.734 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 506.777 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2019 (24\u002F7188) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 425.527 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 325.846 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- vermindert de aanslag IB\u002FPVV 2020 (24\u002F7191) tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 393.948 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 293.501 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.503 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.\n\nUitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet inkomstenbelasting 2001\n\nArtikel 3.92. Ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden\n\n1. Voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:\n\na. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11;\n\nb. het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een samenwerkingsverband waarvan een vennootschap als bedoeld in onderdeel a deel uitmaakt.\n\n2. Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt:\n\na. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eerste lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een daar bedoeld samenwerkingsverband gelijkgesteld:\n\n1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n2°. het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering of het hebben van rechten uit een overeenkomst van levensverzekering waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5;\n\n3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband;\n\n4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven;\n\n5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\n6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband;\n\nb. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c;\n\nc. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel;\n\nd. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag;\n\ne. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap;\n\nf. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand;\n\ng. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand.\n\n3. Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.\n\n4. Indien de belastingplichtige in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd en tot die gemeenschap een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste lid of tweede lid behoort, wordt dit vermogensbestanddeel voor de helft toegerekend aan de belastingplichtige en voor de andere helft aan zijn echtgenoot. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vermogensbestanddeel als bedoeld in het eerste of tweede lid dat behoort tot een beperkte gemeenschap van goederen.\n\n Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.\n\n Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970.\n\n Vgl. Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, rechtsoverweging 3.4.5.\n\n 2015: € 15.000\u002F€ 233.047 = 6,43%\n\n2016: € 15.000\u002F€ 230.173 = 6,52%\n\n2017: € 20.212\u002F€ 245.435 = 8,24%\n\n2018: € 22.851\u002F€ 255.201 = 8,95%\n\n2019: € 21.207\u002F€ 290.537 = 7,3%\n\nKamerstukken II1998-1999, 26 727, nr. 3, p. 136 enKamerstukken I1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 43-44 en nr. 202c, p. 18.\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4034, r.o. 3.3.2. en 3.3.3.\n\n Zie Hoge Raad 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, r.o. 3.9.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4470","2026-07-13T00:28:45.115Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":94,"fullText":95,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":34,"updatedAt":98},"747","ECLI:NL:GHARL:2026:2988","ecli-nl-gharl-2026-2988","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 23\u002F2962\n\nuitspraakdatum: 12 mei 2026\n\nUitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteurvan deBelastingdienst Midden-en kleinbedrijf\u002FKantoor Almere(hierna: de Inspecteur)\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2023, nummer AWB 21\u002F4128, ECLI:NL:RBGEL:2023:6841, in het geding tussen de Inspecteur en\n\n [belanghebbende]te [woonplaats](hierna: belanghebbende)\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De Inspecteur heeft bij beschikking, als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001, van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen in [belanghebbende] Holding Sp. Z o.o. (hierna: Holding) per 27 december 2018 vastgesteld op € 1.747.148.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft, met toestemming van de Inspecteur, rechtstreeks beroep ingesteld tegen de beschikking bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de beschikking gewijzigd en daarbij de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000. Verder heeft de Rechtbank de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 2.092,50 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n1.3.. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.4.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.L. Veldhuijzen en diens kantoorgenoten [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] , [naam5] en [naam6] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Vaststaande feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. Belanghebbende was sinds 1993 enig aandeelhouder en bestuurder van [Sp. z.o.o.] , een naar Pools recht opgerichte vennootschap die feitelijk in Polen is gevestigd.\n\n2.3.. Belanghebbende was sinds 31 december 1996 enig aandeelhouder en bestuurder van [belanghebbende] Beheer B.V. (hierna: Beheer BV) . Beheer BV is een houdstervennootschap die belangen houdt in diverse Nederlandse deelnemingen. Beheer BV is feitelijk gevestigd in Nederland. De verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001 van belanghebbende van de aandelen Beheer BV bedroeg € 435.148.\n\n2.4.. Belanghebbende is in 2003 geëmigreerd naar Polen om daar met zijn Poolse echtgenote te gaan wonen. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben samen twee kinderen. De echtgenote en de twee kinderen hebben de Poolse nationaliteit.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2003 tot en met 2010 aangifte IB\u002FPVV gedaan als binnenlands belastingplichtige.\n\n2.6.. Bij brief van 13 juni 2013 heeft belanghebbende de Inspecteur kenbaar gemaakt dat hij in 2003 is geëmigreerd en dat hij dus ten onrechte steeds als binnenlands belastingplichtige aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de reeds vastgestelde aanslagen IB\u002FPVV vanaf het jaar 2003 te corrigeren. Belanghebbende heeft er daarbij op gewezen dat de zogenoemde tienjaarstermijn is verstreken, zodat geen belang meer bestaat bij het alsnog opleggen van een conserverende aanslag in verband met de emigratie in 2003.\n\n2.7.. De Inspecteur heeft afgezien van het opleggen van een conserverende aanslag vanwege onder andere de (fictieve) vervreemding van het aanmerkelijk belang in Beheer BV als gevolg van de emigratie van belanghebbende in 2003.\n\n2.8.. Belanghebbende heeft op 7 december 2018 de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] middels een storting op aandelen ingebracht in Holding . Holding is een naar Pools recht opgerichte vennootschap waarvan belanghebbende alle aandelen houdt. Op het moment van de inbreng van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] was Holding feitelijk gevestigd in Polen. De inbrengwaarde van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] bedroeg respectievelijk € 8.692.000 en € 1.312.000.\n\n2.9.. In Polen heeft geen belastingheffing plaatsgevonden over de vermogenswinst die belanghebbende heeft gerealiseerd als gevolg van de vervreemding van de aandelen Beheer BV en [Sp. z.o.o.] aan Holding . De Poolse belastingwetgeving kent voor dit geval, in overeenstemming met de Fusierichtlijnen gelijk aan artikel 3.55 Wet IB 2001, een vrijstelling in de vorm van een doorschuiffaciliteit.\n\n2.10.. Belanghebbende is op 27 december 2018 vanwege een echtscheiding geremigreerd naar Nederland.\n\n2.11.. De remigratie van belanghebbende naar Nederland heeft in Polen niet geleid tot belastingheffing van belanghebbende in de vorm van een zogenoemde exitheffing, met betrekking tot het aandelenbelang van belanghebbende in Holding , omdat de Poolse belastingwetgeving tot 1 januari 2019 niet voorzag in een dergelijke exitheffing.\n\n2.12.. In zijn aangifte IB\u002FPVV 2018 heeft belanghebbende een voordeel uit aanmerkelijk belang vanwege de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding in aanmerking genomen van € 8.256.852 en aangeven dat dat voordeel elders is belast.\n\n2.13.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte IB\u002FPVV 2018 vragen gesteld. Partijen zijn vervolgens in onderling overleg overeengekomen dat de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van belanghebbende van de aandelen Holding € 10.004.000 bedraagt. Dit bedrag is gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Beheer BV (€ 8.692.000) en de aandelen [Sp. z.o.o.] (€ 1.312.000) op het moment van de overdracht van deze aandelenbelangen aan Holding . Partijen zijn het er ook over eens geworden dat op het moment van remigratie de waarde in het economisch verkeer van de aandelen Holding – nog steeds – € 10.004.000 bedroeg.\n\n2.14.. De Inspecteur heeft daarna bij brief van 12 mei 2021 aangekondigd de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in Holding per de datum van remigratie van belanghebbende vast te stellen op € 1.747.148. De Inspecteur heeft deze verkrijgingsprijs bepaald door op de (historische) verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, van € 10.004.000, op grond van artikel 4.25 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 16, leden 1 en 11, van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), een zogenoemde step-down toe te passen. Deze step-down bedraagt € 8.256.852 en is gelijk aan het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen Beheer BV op het moment van inbreng van deze aandelen in Holding (€ 8.692.000) en de historische verkrijgingsprijs van de aandelen Beheer BV (€ 435.148).\n\n2.15.. De Inspecteur heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 4.36 Wet IB 2001 van 15 juni 2021 de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding per datum remigratie overeenkomstig de hiervoor in 2.14. genoemde aankondiging vastgesteld op € 1.747.148.\n\n2.16.. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding te laag heeft vastgesteld. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit op grond van het Unierecht, in het bijzonder de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU, buiten toepassing moet worden gelaten. Er kan daarom geen step-down worden toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. De Rechtbank heeft de beschikking gewijzigd en de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding vastgesteld op € 10.004.000.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is de verkrijgingsprijs van belanghebbende van de aandelen Holding .\n\n3.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding ten onrechte heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens de Inspecteur moet die verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit worden vastgesteld op € 1.747.148. Het Unierecht staat daar volgens de Inspecteur niet aan in de weg, nu er geen sprake is van een niet gerechtvaardigde belemmering van de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU. De Inspecteur is verder van mening dat de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval niet leidt tot een schending van de goede verdragstrouw of tot een schending van het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet.\n\n3.3.. Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding terecht heeft vastgesteld op € 10.004.000. Volgens belanghebbende staan zowel het Unierecht als de goede verdragstrouw eraan in de weg dat op het moment van remigratie op grond van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit een step-down wordt toegepast op de (historische) verkrijgingsprijs van € 10.004.000. Daarnaast leidt toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit volgens belanghebbende tot een schending van het grondwettelijk discriminatieverbod. Hij voert daartoe aan dat voor de aandelen [Sp. z.o.o.] wel wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van die aandelen op het moment van inbreng in Holding , maar voor de aandelen Beheer BV niet, terwijl belanghebbende op het moment van emigratie naar Polen al een aanmerkelijk belang hield in beide vennootschappen en belanghebbende beide aandelenbelangen heeft overdragen aan Holding voordat hij remigreerde.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\n4.1.. De inspecteur kan op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001 de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, al dan niet op verzoek, bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen. Artikel 4.21, lid 1, Wet IB 2001, voor zover hier van belang, omschrijft de verkrijgingsprijs van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen als de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten.\n\n4.2.. Artikel 4.25 Wet IB 2001 bevat nadere regels voor de vaststelling van de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren indien de houder van dat belang in Nederland gaat wonen (immigreert). Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 bepaalt daartoe als hoofdregel dat, indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dat tijdstip aandelen in een vennootschap heeft, de verkrijgingsprijs van die aandelen wordt gesteld op de waarde die op dat tijdstip in het economische verkeer aan die aandelen kan worden toegekend.\n\n4.3.. Artikel 4.25, lid 1, Wet IB 2001 is, ingevolge artikel 4.25, lid 2, Wet IB 2001, echter niet van toepassing indien, zoals in het geval van belanghebbende, de belastingplichtige voordien is opgehouden in Nederland te wonen. Artikel 4.25, lid 4, Wet IB 2001 bepaalt voor dat geval dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs. Die nadere regels zijn opgenomen in artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit. In artikel 16, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat indien een belastingplichtige met een aanmerkelijk belang in Nederland gaat wonen en (i) de belastingplichtige eerder in Nederland heeft gewoond of (ii) de belastingplichtige voordien ten aanzien van een aanmerkelijk belang buitenlands belastingplichtig is geweest, de verkrijgingsprijs van de tot dat belang behorende aandelen wordt gesteld op de verkrijgingsprijs als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001. Volgens datzelfde artikellid wordt die verkrijgingsprijs vervolgens vermeerderd of verminderd zoals aangegeven in de leden 2 en volgende van artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit.4.4.. In het geval van belanghebbende is de vermindering die is uitgewerkt in artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit van belang. In dit artikellid is voor zover hier van belang bepaald dat, indien de belastingplichtige een aanmerkelijk belang in een vennootschap heeft die onmiddellijk aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap heeft en deze aandelen zijn verkregen van de belastingplichtige bij wie die aandelen tot een aanmerkelijk belang behoorden, de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 wordt verminderd met een zogenoemde step-down. Die step-down is gelijk aan het bedrag waarmee op het tijdstip van bedoelde verkrijging door de vennootschap de waarde in het economische verkeer van de door de vennootschap van de belastingplichtige verkregen aandelen de verkrijgingsprijs volgens artikel 4.21 Wet IB 2001 van de belastingplichtige van die aandelen overtreft.\n\n4.5.. Met de hiervoor in 4.2. en 4.3. beschreven wettelijke regeling wordt beoogd om de verkrijgingsprijs van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren zodanig vast te stellen dat daardoor in beginsel Nederlandse belasting wordt geheven over de waardeaangroei van die aandelen voor zover die is ontstaan in een periode dat in Nederland, ter zake van het aanmerkelijk belang, op grond van het nationale recht sprake was van binnen- dan wel buitenlandse belastingplicht.Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit blijkt dat dit artikellid naar aanleiding van belastingbesparende constructies uit de praktijk, in lijn daarmee, tracht te voorkomen dat een belastingplichtige een Nederlandse belastingclaim op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen op een in Nederland gevestigde vennootschap blijvend zou kunnen ontgaan door voordat hij in Nederland gaat wonen zijn aandelen of winstbewijzen, bijvoorbeeld door middel van een aandelenruil, te vervreemden aan een (buitenlandse) holding .\n\n4.6.. Belanghebbende was in de periode dat hij in Polen woonde op grond van artikel 2.1, in samenhang met hoofdstuk 7, Wet IB 2001 buitenlands belastingplichtig ter zake van zijn aanmerkelijk belang in Beheer BV . Met de inbreng van dit aandelenbelang in Holding op 7 december 2018 heeft belanghebbende dit aanmerkelijk belang vervreemd. Deze vervreemding heeft ertoe geleid dat belanghebbende, als buitenlands belastingplichtige, een vervreemdingswinst heeft gerealiseerd van € 8.256.852. Doorschuiving van deze vervreemdingswinst was voor belanghebbende in dit geval niet mogelijk, nu op grond van artikel 7.5, lid 4, Wet IB 2001, de aandelenfusiefaciliteit van artikel 4.41, lid 1, Wet IB 2001 niet toegepast kon worden.\n\n4.7.. Op grond van artikel 13, lid 4, van het Belastingverdrag Nederland – Polen 2002(hierna: het Verdrag) kon Nederland het heffingsrecht over de in 4.6 genoemde, gerealiseerde vervreemdingsvoordeelt niet effectueren. Op grond van genoemd artikel had Polen in dit geval het exclusieve heffingsrecht over de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Beheer BV door belanghebbende van € 8.256.852.\n\n4.8.. In het geval van belanghebbende leidt de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit ertoe dat de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding als bedoeld in artikel 4.21 Wet IB 2001 van € 10.004.000, moet worden verlaagd met een step-down van € 8.256.852, tot € 1.747.148. Dit heeft tot gevolg dat de vervreemdingswinst die belanghebbende in 2018 heeft gerealiseerd met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding , die gelijk is aan het bedrag van de step-down, bij een eventuele latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende dan alsnog in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken. Dit is gelet op de hiervoor in 4.5. aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis ook het doel van deze regeling. Daarmee ontstaat echter de situatie dat Nederland als gevolg van de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit bij een latere vervreemding van de aandelen Holding door belanghebbende in feite een in 2018 gerealiseerd voordeel (gaat) belast(en) dat op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag exclusief ter heffing was toegewezen aan Polen. Met deze toe-eigening van het heffingsrecht over de eerder gerealiseerde vermogenswinst ten aanzien van de vervreemding van de aandelen Beheer BV , handelt Nederland dan in strijd met de goede trouw die Nederland als verdragspartner jegens Polen in acht moet nemen. Dat na de remigratie van belanghebbende op grond van artikel 13, lid 4, van het Verdrag de voordelen verkregen uit de vervreemding van de aandelen Holding belastbaar zijn in Nederland, betekent niet dat Nederland, zonder schending van de goede verdragstrouw, zich op grond van het Verdrag ook de heffingsbevoegdheid kan toe-eigenen over een deel van dit vervreemdingsvoordeel dat volgens de Nederlandse belastingwetgeving al eerder daadwerkelijk is gerealiseerd en waarover Nederland toen op grond van het Verdrag geen heffingsrecht had. Om schending van de goede verdragstrouw in dit geval te voorkomen moet daarom bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs van de aandelen Holding op het moment van remigratie van belanghebbende artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit buiten toepassing worden gelaten.\n\n4.9.. Anders dan de Inspecteur betoogt, verschilt het onderhavige geval van de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017. In die zaak was onder meer de vraag aan de orde of het niet verlenen van een zogenoemde step-up van de verkrijgingsprijs op grond van artikel 16, lid 3, van het Uitvoeringsbesluit, bij de immigratie van die belanghebbende vanuit België naar Nederland, in strijd was met het Belastingverdrag Nederland - België. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat het niet verlenen van een dergelijke step-up niet in strijd was met de met artikel 13, lid 4, van het Verdrag overeenkomende bepaling uit het Belastingverdrag Nederland – België. Redengevend voor dat oordeel was dat in de periode dat die belanghebbende buitenlands belastingplichtig ter zake van het aanmerkelijk belang was zich, anders dan in onderhavige zaak, juist niet enige vorm van realisatie had voorgedaan ten aanzien van de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in de periode dat die belanghebbende in België woonde. Dit essentiële verschil maakt dat de uitkomst in deze zaak anders is.\n\n4.10.. Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat niet in de weg dat onderhavig geschil betrekking heeft op de beschikking die de Inspecteur heeft gegeven op de voet van artikel 4.36 Wet IB 2001. Het doel van deze beschikking vaststelling verkrijgingsprijs is het wegnemen van rechtsonzekerheid ten aanzien van de omvang van een toekomstig vervreemdingsvoordeel van in dit geval de aandelen Holding .Indien de beschikking verkrijgingsprijs onherroepelijk vast komt te staan, staat in beginsel ook vast dat bij het bepalen van de vervreemdingsvoordeel bij latere vervreemding van de aandelen Holding rekening wordt gehouden met het vervreemdingsvoordeel dat belanghebbende in 2018 reeds heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Het geschil over de onderhavige beschikking gaat dus in zoverre ook rechtstreeks over de vraag of het door belanghebbende in 2018 met de vervreemding van de aandelen Beheer BV behaalde vervreemdingsvoordeel in een later jaar in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken.\n\n4.11.. Aan het oordeel dat toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit in dit geval in strijd is met de goede verdragstrouw staat ook niet in de weg dat in Polen in dit geval geen daadwerkelijke belastingheffing heeft plaatsgevonden ten aanzien van het voordeel dat belanghebbende heeft behaald met de vervreemding van de aandelen Beheer BV aan Holding . Voor de vraag of sprake is van een schending van de goede verdragstrouw gaat het erom of het Polen of grond van het Verdrag (exclusief) was toegestaan om te heffen over dit vervreemdingsvoordeel en niet of Polen ook daadwerkelijk dit toegewezen heffingsrecht heeft geëffectueerd. Dat in Polen in dit geval niet is geheven als gevolg van de toepassing van de Fusierichtlijn en het ontbreken van een exitheffing bij vertrek van belanghebbende uit Polen, maakt dit niet anders.\n\n4.12.. Nu het Hof van oordeel is dat de goede verdragstrouw in dit geval in de weg staat aan de toepassing van artikel 16, lid 11, van het Uitvoeringsbesluit, behoeven de vragen of toepassing van dit artikel in dit geval in strijd is met het Unierecht of met het discriminatieverbod geen beantwoording.\n\n4.13.. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Nu het Hof het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaart, ziet het Hof aanleiding om van de Inspecteur griffierecht te heffen en de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken.\n\n5.2.. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934).\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\n– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,\n\n– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868,\n\n– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 548.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.\n\nDe beslissing is op 12 mei 2026in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. R.R. van der Heide.\n\n(S. Darwinkel) (R.R. van der Heide)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Richtlijn 2009\u002F133\u002FEG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (gecodificeerde versie), Pb L 310, 34.\n\n Kamerstukken II 1995\u002F96, 24 761, nr. 3, p. 59-60, en Kamerstukken II 1996\u002F97, 24 761, nr. 7, p. 21.\n\n Nota van toelichting bij het Uitvoeringsbesluit, Staatsblad 2000, 641, p. 33.\n\n Het vervreemdingsvoordeel is de overdrachtsprijs van € 8.692.000 minus de (historische) verkrijgingsprijs van € 435.148.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting van 13 februari 2002, laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 29 oktober 2020, Tractatenblad 2022, 23.\n\n Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2423.\n\n Kamerstukken II 1995\u002F96, 24 761, nr. 3, p. 24.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2988","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.261Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":34,"updatedAt":106},"1537","ECLI:NL:RBGEL:2026:4484","ecli-nl-rbgel-2026-4484","2026-04-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F4467 en 24\u002F4476\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 april 2026\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde]),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023 en 27 december 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:\n\nvoor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Tevens is aan belanghebbende € 1.861 belastingrente in rekening gebracht.\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Tevens is aan belanghebbende € 1.599 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon B] en [persoon C].\n\nTer zitting zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon D], met de zaaknummers 24\u002F4259 en 24\u002F4267.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende en zijn partner zijn ieder voor 50% aandeelhouder in [de vennootschap] B.V. (de vennootschap).\n\n2. In 2010 heeft belanghebbende samen met zijn partner voor € 700.000 een eigen woning gekocht, gelegen aan de [locatie] te [plaats 2]. De koopsom is gefinancierd met een lening van € 700.000 van de vennootschap. Op 12 november 2012 is ten behoeve van de vennootschap een recht van hypotheek op de woning gevestigd tot zekerheid van de terugbetaling van deze geldlening. Daarin is verder bepaald dat vanaf 14 januari 2010 een rente is verschuldigd van 5% en dat maandelijks € 1.944 dient te worden afgelost, voor het eerst op 31 december 2012.\n\n3. Belanghebbende en zijn partner hebben een rekening-courantschuld aan de vennootschap. Er is in 2012 een rekening-courantovereenkomst opgemaakt voor een maximaal bedrag aan kredietverlening van € 500.000 met een rente van 5% per jaar, welke rente jaarlijks in rekening-courant is verwerkt.\n\n4. Op 3 maart 2016 hebben belanghebbende en zijn partner de eigen woning verkocht voor € 508.750. Bij die gelegenheid is de hypothecaire geldlening bij de vennootschap voor een bedrag van € 479.974 afgelost.\n\n5. Het verloop van de schulden van belanghebbende en zijn partner aan de vennootschap is als volgt:\n\nSaldo per 31 december\n\nLening (€)\n\nRekening-courant €\n\nTotaal €\n\nMutatie rekening-courant €\n\n2009\n\n29.728\n\n29.728\n\n2010\n\n700.000\n\n279.201\n\n979.201\n\n249.473\n\n2011\n\n700.000\n\n346.298\n\n1.046.298\n\n67.097\n\n2012\n\n700.000\n\n369.009\n\n1.069.009\n\n22.711\n\n2013\n\n700.000\n\n395.314\n\n1.095.314\n\n26.305\n\n2014\n\n700.000\n\n418.842\n\n1.118.842\n\n23.528\n\n2015\n\n700.000\n\n453.322\n\n1.153.322\n\n34.480\n\n2016\n\n220.027\n\n463.297\n\n683.324\n\n9.975\n\n2017\n\n220.027\n\n496.867\n\n716.894\n\n33.570\n\n6. Bij de aanslagregeling IB\u002FPVV van belanghebbende ter zake van het jaar 2014 heeft de inspecteur vragen gesteld over de schuldpositie van belanghebbende bij de vennootschap. Naar aanleiding van de antwoorden daarop is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. In de brief ‘voornemen af te wijken van aangifte’ van 15 maart 2017 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifteInkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)\n\nAanmerkelijk belang\n\nUit mijn dossier blijkt dat [de vennootschap] BV in 2010 een aanzienlijke boekwinst heeft gemaakt met de verkoop van een stuk grond. Voor deze boekwinst is een HIR gevormd, welke in 2013 is vrijgevallen. Tot zo ver niets aan de hand. Ik constateer echter ook dat in 2010, na deze verkoop, [belanghebbende] een nieuw en gelet op zijn inkomen veel te duur huis koopt. Daarnaast loopt er nog een RC met een kredietplafond van € 500.000. Naar mijn mening kan [belanghebbende] dit nooit (volledig) terugbetalen. Kijkend naar de te betalen rente (over de RC en de hypothecaire lening) en het inkomen van [belanghebbende] is de rente al te hoog. Laat staan dat er kan worden afgelost, hetgeen dan ook niet gebeurt. Uit de oplopende RC blijkt ook dat [belanghebbende] de (volledige) rente niet kan betalen vanuit zijn reguliere inkomen. Niet gek als je bedenkt dat de schuld twaalf maal zijn jaarinkomen is. Alleen met de verkoop van de betreffende woning in 2016 wordt er een deel afgelost. Er blijft echter een behoorlijk restschuld. Naast de schuld in RC die [belanghebbende] nog steeds heeft. Komt bij dat nu door de verkoop van de woning ook de zekerheid die door de BV bedongen was is weggevallen. Kijkend naar de situatie (hoogte schuld, inkomsten en vermogen [belanghebbende]) en de tijdlijn (verkoop grond, boekwinst, aankoop te dure woning, financiering te hoog en volledig via BV, verkoop voor gedeeltelijke aflossing) is er bij zowel de BV als bij [belanghebbende] sprake moet zijn geweest van bewustzijn dat er te veel geld is geleend. En dat een deel van dit geld het vermogen van de BV blijvend heeft verlaten. Er heeft dus een vermogensverschuiving plaats gevonden waarbij de BV is verarmd en [belanghebbende] is verrijkt. Dat er door de verkoop van de grond in 2010 meer dan voldoende winstreserve was lijkt me evident. Voor deze aangifte over 2014 betekent dit dat ik voor het bedrag waarmee de totaalschuld verder oploopt (i.c. € 23.528) uitdeling stel.\n\nIn 2016 wordt de onderhavige woning verkocht en vindt er een aflossing plaats van € 479.973. Dit betekent tegelijkertijd dat er een restschuld ontstaat van € 220.027. Ultimo 2014 Is de schuld in RC van [belanghebbende] aan [de vennootschap] BV € 418.841 - € 23.528 (bedrag aan uitdeling) = € 395.313. Ik stel voor de bedragen waarmee de schuld (in RC) over 2015 en 2016 oploopt ook sprake is van uitdeling. Ik zal de aangiften over 2015 en 2016 tegen die tijd hier op aanpassen.\n\nVorenstaande betekent ook dat de schuld ultimo 2016 nog steeds € 220.027 (restschuld woning) + € 395.313 (RC) = € 615.340 is. Dat is maal het jaarsalaris van [belanghebbende]. Bij een rente van 5% zoals in de overeenkomst is opgenomen, bedraagt deze rente per jaar ruim € 30.000. Niet op te brengen door [belanghebbende].\n\nKomt bij dat de leenovereenkomst een kredietplafond heeft van \"slechts\" € 500.000 en er geen zekerheden zijn gesteld. Een rente van 5% is dus zeker niet te hoog. Graag verneem ik van u hoe [belanghebbende] deze schuld gaat terugbetalen \u002F verlagen?\n\nVoor deze aangifte over 2014 stel ik dat er voor een bedrag van € 23.528 sprake is van uitdeling.”\n\n7. Belanghebbende heeft niet op de brief van de inspecteur van 15 maart 2017 gereageerd. De in de tabel hierboven in punt 5. omkaderde bedragen zijn over de betreffende jaren als uitdeling van winst gecorrigeerd. Bij brief van 25 april 2017 heeft de inspecteur aangekondigd de rekening courantschuld voor de jaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks te zullen verminderen met € 125.000 door het stellen van een uitdeling voor hetzelfde bedrag.\n\n8. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende in 2016 door de inspecteur vastgesteld op € 67.488, zijnde de helft van € 125.000 ter zake van de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 9.975 ter zake van de toename van de schuldenpositie in 2016.\n\n9. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende voor 2017 door de inspecteur vastgesteld op € 79.285, zijnde de helft van € 125.000 voor de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 33.570 voor de toename van de schuldenpositie in 2017.\n\n10. Met dagtekening 21 februari 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV 2016 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n11. Met dagtekening 25 augustus 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB\u002FPVV 2017 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n12. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In het bijzonder is in geschil of de inspecteur in 2016 en 2017 uitdelingen van winst in aanmerking kon nemen.\n\n13. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is geweest van bewustheid bij zowel belanghebbende als bij de vennootschap dat belanghebbende teveel geld bij de vennootschap zou hebben geleend. Ook stelt belanghebbende dat de bedragen het vermogen van de vennootschap niet blijvend hebben verlaten.\n\n14. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat het door de inspecteur als bovenmatig gekwalificeerde deel van de schuld reeds in 2010 het vermogen van de vennootschap blijvend heeft verlaten. In dat jaar is de schuld aan de vennootschap immers toegenomen van € 29.728 tot € 979.201. Daarom had de inspecteur volgens belanghebbende dat deel van de schuld van belanghebbende aan de vennootschap reeds in 2010 als winstuitdeling in aanmerking moeten nemen. De bij de aanslagregeling inkomstenbelasting 2016 en 2017 toegepaste correcties van het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn dus in de verkeerde jaren toegepast en moeten om die reden vervallen, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n15. Verder stelt belanghebbende dat een gespreide correctie over meerdere jaren, zoals in dit geval, had moeten worden geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gebeurd, waardoor belanghebbende niet gehouden was om enige correctie in zijn aangifte toe te passen.\n\n16. De inspecteur heeft gesteld dat de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder onzakelijk hoog was en dat een willekeurige derde\u002Fschuldeiser een dergelijke financiële verhouding niet op die manier zou accepteren. De geleende gelden hebben de vennootschap bij het aangaan van de lening niet blijvend verlaten, aldus de inspecteur.\n\n17. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n18. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten.Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.\n\n19. In zijn arrest van 13 januari 2023(het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen:\n\n“(…)\n\n3.4.2\n\nGeldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.5\n\n3.4.3\n\nOok na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.6\n\n3.4.4\n\nIndien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn.7 Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.8\n\n3.4.5\n\nDe inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.\n\n(…)\n\n5Vgl. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761.\n\n6Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, rechtsoverweging 3.5.\n\n7Vgl. HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, rechtsoverweging 4.3.\n\n8Vgl. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, rechtsoverweging 4.3, en het aldaar genoemde arrest HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193, rechtsoverweging 5.1.\n\n(…)”\n\nBeoordeling\n\n20. De bewijslast dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen in de zin van het arrest, rust op de inspecteur.\n\n21. Uit rechtsoverweging 3.4.2 van het hiervoor geciteerde arrest volgt dat ten eerste dient te worden beoordeeld of op het moment van het aangaan van de lening vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. De rechtbank hoeft deze vraag in deze zaken niet te beantwoorden omdat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en in deze procedure uitsluitend de aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn.\n\n22. Gelet op rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de inspecteur gestelde bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen.\n\n23. De inspecteur heeft aangevoerd dat er middels hetgeen in de brief van 15 maart 2017 (zie punt 6.) door de inspecteur is geschreven, weliswaar geen afspraken met belanghebbende zijn gemaakt om de geldlening naar zakelijke verhoudingen terug te brengen, maar dat belanghebbende door geen bezwaar te maken tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015, deze ‘verzakelijking’ van de leningen heeft geaccepteerd.\n\n24. Belanghebbende heeft betwist dat afspraken zouden zijn gemaakt over ‘verzakelijking’ van de leningen en heeft gesteld dat uit het feit dat geen bezwaar is gemaakt tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 niet geconcludeerd kan worden dat belanghebbende zich ook voor 2016 en 2017 kon vinden in die voorgestelde correcties.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De inspecteur heeft ter onderbouwing daarvan slechts verwezen naar de hiervoor onder punt 6 genoemde brief van 15 maart 2017. Ter zitting heeft de inspecteur ook erkend dat hij zijn stellingen daarover niet nader kan onderbouwen, anders dan door te verwijzen naar die brief. De rechtbank is van oordeel dat die verwijzing onvoldoende is. Dat belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 kennelijk heeft berust in de correcties voor wat betreft die jaren, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft bovendien ter zitting verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van de rechten door de vennootschap in 2016 en 2017.\n\n26. De inspecteur heeft verder gesteld dat van prijsgeven ook in materieel opzicht sprake kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven hoe het arrest op dit punt moet worden uitgelegd. Ook als de Hoge Raad met de term prijsgeven in het arrest het prijsgeven in materieel opzicht zou hebben bedoeld, heeft de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.\n\n27. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 definitief hebben verlaten doordat de vennootschap haar rechten die haar als crediteur toekomen, in die jaren geheel of gedeeltelijk zou hebben prijsgegeven op grond van de vennootschappelijke betrekkingen, is geen sprake van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling.\n\n28. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ter zake van de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende en de partner. De overige stellingen van belanghebbende behoeven hierdoor geen bespreking meer.\n\n29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n30. De beroepen zijn gegrond omdat de inspecteur het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over 2016 en 2017 te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.\n\n31. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2016 vaststellen op een bedrag van € 19.970 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2017 vaststellen op een bedrag van € 32.906 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De in rekening gebrachte belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd.\n\n32. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\n33. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 in verband met vier samenhangende zaken). Een kostenvergoeding voor bezwaar is niet in bezwaar gevraagd en is daarom niet toewijsbaar. De rechtbank zal aan belanghebbende en de partner ieder de helft, € 1.401, van de toegekende vergoeding toewijzen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\n- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2016 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;\n\n- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;\n\n- vermindert de bijbehorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 102 aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan belanghebbende.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 24 april 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001.\n\n ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n Zie artikel 3 en bijlage C2 bij het besluit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4484","2026-07-13T00:29:26.020Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":34,"updatedAt":115},"732","ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","ecli-nl-rbgel-2026-2052","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 22\u002F3974, 22\u002F3980, 22\u002F4014, 22\u002F4015 en 23\u002F4204\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 maart 2026\n\nin de zaken tussen\n\n [curator] , curator in het faillissement van [belanghebbende] ,kantoorhoudend in [plaats] , de curator\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft aan [belanghebbende] (belanghebbende) de volgende aanslagen opgelegd:\n\nEen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 331.477 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 64.050.000. Daarnaast is een bedrag van € 1.891.472 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3974).\n\nEen voorlopige aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 332.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453. Daarnaast is een bedrag van € 455.799 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3980).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.072, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257 (23\u002F4204).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 81.329.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462. Daarnaast is een bedrag van € 976.038 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4014).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 56.412.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257. Daarnaast is een bedrag van € 2.035.279 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4015).\n\nBij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 ongegrond verklaard.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2009 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 50.000.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er onderling middels een compromis uit te komen.\n\nBelanghebbende heeft, zonder tussenkomst van de curator, naar aanleiding van het voorgenomen compromis nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank teruggestuurd, omdat hij geen procespartij bij deze zaak is en dus niet zonder tussenkomst van de curator stukken kan indienen.\n\nDe rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 januari 2025 geen toestemming gegeven voor het compromis zoals door partijen werd beoogd. De gemachtigde heeft de rechtbank op 13 februari 2025 verzocht om het onderzoek ter zitting te heropenen.\n\nDe rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de beroepen op 30 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is indirect eigenaar van 50% van de aandelen [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). De overige aandelen zijn middellijk in eigendom van de twee kinderen van belanghebbende. Belanghebbende was tot en met 7 juni 2012 enig bestuurder van [naam bedrijf 1] .\n\n2. [naam bedrijf 1] is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting ( [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] ) waarvan [naam bedrijf 2] ( [naam bedrijf 2] ) en haar dochtermaatschappijen deel uitmaken. [naam bedrijf 2] werd vanaf 1 december 2008 bestuurd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] . Uit het onderzoek van de curator van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] is gebleken dat [naam bedrijf 3] feitelijk geen bemoeienis met het bestuur van [naam bedrijf 2] had.\n\n3. De bezittingen en schulden (in euro’s) van belanghebbende zijn in de jaren 2008 tot en met 2012 als volgt:\n\nUltimo\n\n2008\n\n2009\n\n2010\n\n2011\n\n2012\n\nBank en overig\n\n1.800.855\n\n1.198.410\n\n3.644.951\n\n3.896.732\n\n77.416\n\n [naam bank 1] effecten\n\n30.300.556\n\n37.024.719\n\n36.816.389\n\n25.864\n\n0\n\n [naam bank 2] effecten\n\n0\n\n43.113.264\n\n32.492\n\n34.141\n\n0\n\nTotaal bezittingen\n\n32.101.411\n\n81.336.393\n\n40.493.832\n\n3.956.737\n\n77.416\n\n [naam bedrijf 2] rc\n\n0\n\n-\u002F- 1.337\n\n18.643\n\n8.722.583\n\n2.822.406\n\n [naam bedrijf 2] lening\n\n0\n\n0\n\n0\n\n4.500.000\n\n4.500.000\n\n [naam bedrijf 1] rc\n\n21.469.804\n\n41.938.169\n\n17.557.181\n\n19.571.802\n\n19.571.802\n\n [naam bedrijf 1] lening\n\n0\n\n28.383.272\n\n28.383.272\n\n29.518.603\n\n29.518.603\n\nTotaal schuld [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n21.469.804\n\n70.320.104\n\n45.959.096\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\n [naam bank 1] krediet\n\n60.000.000\n\n30.000.000\n\n19.969.286\n\n0\n\n0\n\nOnbekend\n\n1.535\n\n0\n\n404.728\n\n0\n\n0\n\nTotaal schulden\n\n81.471.339\n\n100.320.104\n\n66.333.110\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\nTotaal vermogen box 3\n\n-\u002F- 49.369.928\n\n-\u002F-18.983.711\n\n-\u002F-25.839.278\n\n-\u002F- 58.356.251\n\n-\u002F- 56.335.395\n\nMutatie vermogen\n\n30.386.217\n\n-\u002F- 6.855.567\n\n-\u002F- 32.516.973\n\n2.020.856\n\n4. Belanghebbende heeft in 2007 een bedrag van € 40 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en daarmee in privé een effectenportefeuille bij [naam bank 1] aangekocht, voornamelijk bestaande uit aandelen [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7] . In het najaar 2008 heeft belanghebbende € 20 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en aandelen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 5] bijgekocht. De waarde van de effectenportefeuille is per 31 oktober 2008 afgenomen naar € 24 miljoen.\n\n5. Belanghebbende heeft in augustus 2008 [naam bank 1] gevraagd om een krediet van € 60 miljoen om hiermee de schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] af te lossen tot ruim € 21 miljoen. Het kredietverzoek is, nadat het in eerste instantie is afgewezen, door [naam bank 1] op 19 december 2008 verstrekt tegen een effectieve rente van 4,674% per jaar. [naam bank 1] heeft daarbij de volgende zekerheden bedongen: a) verpanding van de effectenportefeuille van belanghebbende, en b) borgstelling door [naam bedrijf 2] (voor een bedrag van het verschil tussen de hoofdsom van het krediet en de waarde van de effectenportefeuille). Ook is afgesproken dat via een dividenduitkering uit [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] uiterlijk 15 januari 2009 € 20 miljoen afgelost moest worden en uiterlijk 1 oktober 2009 nogmaals € 10 miljoen.\n\n6. Belanghebbende heeft in 2009 zeven leningsovereenkomsten afgesloten bij [naam bedrijf 1] voor een totaal bedrag van € 33.490.000. In de loop van 2009 is afgerond € 5,1 miljoen afgelost op de leningen, waardoor eind 2009 een schuld van € 28.383.272 resteerde. In 2011 heeft belanghebbende € 4,5 miljoen geleend van [naam bedrijf 2] .\n\n7. Eind 2009 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] volgens de door haar namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vennootschapsbelasting (vpb) een (fiscale) winstreserve van € 89.674.556.\n\n8. Op 4 januari 2011 heeft [naam bedrijf 2] een bedrag van € 2.050.000 onverschuldigd betaald aan [naam bedrijf 8] ( [naam bedrijf 8] ). [persoon F] is directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 8] , zij is tevens de echtgenote van belanghebbende. Er is in een buitengewone vergadering van aandeelhouders afgesproken dat [naam bedrijf 8] dit bedrag niet aan [naam bedrijf 2] zal terugbetalen.\n\n9. [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 9] ( [naam bedrijf 9] ). Op 1 december 2011 heeft [naam bedrijf 2] alle aandelen [naam bedrijf 9] voor € 7 miljoen verkocht aan [naam bedrijf 10] , waarvan de zoon van belanghebbende enig aandeelhouder is. Het vermogen van [naam bedrijf 9] bedroeg ten tijde van de overdracht bijna € 21 miljoen. Het vermogen kan worden gesplitst in bijna € 3,4 miljoen voor onroerende en roerende zaken en ruim € 17,5 miljoen voor 92 paarden.\n\n10. [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] heeft in 2011 alle aandelen Hotel Restaurant “ [naam hotel\u002Frestaurant] ” B.V. ( [naam hotel\u002Frestaurant] ) verkocht aan de dochter van belanghebbende voor € 1.\n\n11. Volgens de door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vpb heeft zij eind 2011 een (fiscale) winstreserve van € 5.706.835. De (fiscale) winstreserve is grotendeels afgenomen door de dotatie aan de post ‘overige voorzieningen’ van € 87.443.829.\n\n12. Op 22 mei 2012 zijn [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in surseance van betaling geraakt. Zij zijn vervolgens op 13 juli 2012 failliet verklaard. Op 27 november 2012 is belanghebbende zelf failliet verklaard.\n\n13. Belanghebbende heeft op 4 mei 2012 de aangifte IB\u002FPVV 2010 ingediend. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De aanslag IB\u002FPVV 2010 is gedagtekend 18 november 2014 en geadresseerd aan het kantooradres van de curator. De curator heeft hiertegen op 17 februari 2023 bezwaar gemaakt.\n\n14. Met dagtekening 1 maart 2017 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag IB\u002FPVV 2012 opgelegd. De op 10 april 2017 ingediende aangifte is aangemerkt als bezwaar daartegen.\n\n15. De rechtbank heeft op 7 augustus 2013en 5 maart 2014voor recht verklaard dat respectievelijk de aandelenoverdracht van [naam hotel\u002Frestaurant] en [naam bedrijf 9] door de curatoren van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] met een beroep op de actio pauliana buitengerechtelijk zijn vernietigd. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.\n\n16. Gedurende de bezwaarfase is meermalen gecorrespondeerd tussen de inspecteur en de curator, dan wel de toenmalig adviseur van belanghebbende. In deze correspondentie heeft de inspecteur meerdere keren om informatie verzocht. Deze informatie is niet verkregen en daarom heeft de inspecteur met dagtekening 20 december 2017 een informatiebeschikking voor de belastingjaren 2009 – 2011 afgegeven. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“(…)\n\nIk concludeer dat ik de in mijn brief van 23 oktober 2017 gevraagde informatie tot op heden niet heb ontvangen. Concreet gaat het daarbij om de volgende punten inzake de rekening courant schuld van de heer [belanghebbende] aan [naam bedrijf 1] :\n\nEen overzicht van het verloop van de rekening courant in de jaren 2009 tot en met 2011, waaruit blijkt welke mutaties er hebben plaatsgevonden.\n\nEen afschrift van de rekening courant overeenkomst(en) waarin partijen afspraken hebben gemaakt over rente, aflossing en zekerheden.\n\nEen overzicht van het verloop van het vermogen van de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011, alsmede een overzicht van de zekerheden die de heer [belanghebbende] had verstrekt aan derden, zodat duidelijk wordt welke vermogen er als zekerheid zou kunnen resteren voor [naam bedrijf 1] .\n\nMeer in het bijzonder verzoek ik u een overzicht te geven van de samenstelling, de waarde en de mutaties van de aandelenportefeuilles die de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011 aanhield bij [naam bank 1] en [naam bank 2] .”\n\n17. Het bezwaar tegen de informatiebeschikking is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Er is geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waardoor de informatiebeschikking onherroepelijk vast is komen te staan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n18. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar het juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n19. Ten eerste is in geschil of belanghebbende vanwege de leenverhouding met [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in 2009 tot en met 2012 dusdanig is bevoordeeld dat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Voor 2011 is daarnaast in geschil of belanghebbende door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is bevoordeeld bij de verkoop van de aandelen [naam bedrijf 9] en [naam hotel\u002Frestaurant] aan respectievelijk zijn zoon en dochter. Voor de jaren 2011 en 2012 is verder in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de grondslag sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n20. Voor 2010 is ook nog in geschil of de inspecteur de bezwaren tegen de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n21. De rechtbank verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 gegrond en de overige beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n(Voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010\n\n22. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 9.5, derde lid, van de Wet IB 2001, het niet mogelijk is om tegen een voorlopige aanslag bezwaar te maken. De inspecteur heeft het bezwaar inzake de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat ook het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en overweegt daartoe als volgt.\n\n24. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, brengt die omstandigheid mee dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst door (de gemachtigde of vertegenwoordiger van) de belanghebbende van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n25. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen op grond van 6:11 van de Awb anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Een bezwaarschrift is verschoonbaar te laat ingediend wanneer de te late indiening te wijten is aan een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n26. Vaststaat dat de aanslag IB\u002FPVV 2010 is verzonden naar het adres van de curator. Desgevraagd heeft de curator zitting erkend dat hij deze aanslag in het najaar van 2015 heeft ontvangen en verklaard dat hij deze aanslag niet aan belanghebbende heeft doorgezonden. Door de bekendmaking aan de curator is de voornoemde aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt.Het is hierdoor dus niet relevant dat belanghebbende pas begin 2023 de aanslag heeft ontvangen. De verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2000maakt dit niet anders, omdat die uitspraak op een geheel andere situatie dan de onderhavige ziet. Het voorgaande houdt in dat de bezwaartermijn in ieder geval in het najaar 2015 is gaan lopen.\n\n27. De curator heeft, net zoals belanghebbende, in 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010. Dit is ruim buiten de bezwaartermijn. De te late indiening van het bezwaar acht de rechtbank niet verschoonbaar. Het betoog van de gemachtigde dat niet tijdig bezwaar kon worden gemaakt omdat de administratie in verband met het faillissement van de vorige adviseur in beslag was genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De curator heeft namelijk voor de aanslag IB\u002FPVV 2009 op 3 februari 2014 wel pro forma bezwaar gemaakt, terwijl hij ook toen geen toegang had tot de administratie. Van de curator, een professionele partij, had onder deze omstandigheden mogen worden verwacht dat hij in 2015 tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 ook tijdig (pro forma) bezwaar had gemaakt.\n\n27. Het beroep is in zoverre ongegrond. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2011\n\n29. De informatiebeschikkingen ter zake van belastingjaren 2009 en 2011 staan onherroepelijk vast. De rechtmatigheid hiervan kan dus niet meer ter discussie worden gesteld. Wel kan de vraag of een onherroepelijke informatiebeschikking tot omkering en verzwaring van de bewijslast dient te leiden aan de orde worden gesteld.\n\n30. Belanghebbende heeft meermalen aangegeven niet over de gevraagde informatie te beschikken, omdat die informatie in beslag is genomen in het faillissement van zijn voormalig adviseur. De curator wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een vonnis van de rechtbank van 9 september 2021, waarin hij via een kort geding heeft geprobeerd om de informatie uit de failliete boedel te krijgen. Ook stelt belanghebbende dat hij niet alle door de FIOD in beslag genomen stukken terug heeft ontvangen en dat bepaalde informatie, in het bijzonder de rekening-courantovereenkomsten, niet bestaan.\n\n31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen. De enkele verwijzing naar het kort geding vonnis tegen de voormalige gemachtigde is hiervoor onvoldoende, omdat die procedure niet in de tijdlijn past. De informatiebeschikking is namelijk van 20 december 2017 en het bezwaar daartegen is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraakdatum van 9 september 2021 en het karakter van een kort geding, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de dagvaarding voor het kort geding is betekend voordat de informatiebeschikkingen onherroepelijk zijn komen vast te staan. Ter zake van de overige standpunten heeft belanghebbende nog geen begin van bewijs geleverd.\n\nRedelijke schatting 2009 en 2011\n\n32. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard dienen de belastingaanslagen te berusten op een redelijke schatting.In dat kader rust op de inspecteur de taak om zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan.Als de inspecteur daarin slaagt, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die feitelijke stellingen betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n33. De rechtbank stelt voorop dat een geldlening van een vennootschap aan haar aandeelhouder een onttrekking vormt als vast komt te staan of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geldlening niet kan of zal aflossen. Indien en voor zover zo’n onttrekking kon plaatsvinden uit winst, winstreserves of te verwachten winst is sprake van een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder, mits een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder heeft plaatsgevonden met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling.\n\n34. De rechtbank overweegt dat in beginsel op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor de (verkapte) winstuitdeling. Echter, in dit geval moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard en kan de inspecteur volstaan met een redelijke schatting. De rechtbank zal daarom marginaal toetsen of de door de inspecteur gestelde feiten de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake is van een verkapte winstuitdeling.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (2009)\n\n35. De inspecteur heeft (na bezwaar) een verkapte winstuitdeling van € 50 miljoen in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het inkomen uit aanmerkelijk belang, vanwege de gestelde verkapte winstuitkering van € 50 miljoen redelijk is. Uit de kredietverstrekking van 19 december 2008 volgt dat [naam bank 1] vanwege de financiële positie van belanghebbende alleen bereid was om eind 2008 de verzochte lening te verstrekken als in het daaropvolgende jaar al € 30 miljoen zou worden afgelost via een dividenduitkering van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Hierbij heeft de accountmanager van [naam bank 1] de leden van de Krediet Commissie in een brief van 31 oktober 2008 er bovendien in niet mis te verstane bewoordingen erop gewezen dat belanghebbende in privé geen rentebetalingen en aflossingen kan opbrengen. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen om dit bedrag op te nemen middels de rekening-courant. Daarnaast heeft hij nog een vergelijkbaar bedrag geleend, terwijl op dat moment al duidelijk was dat hij deze bedragen zo goed als zeker niet uit zijn eigen vermogen kon terugbetalen. De oplopende schuldverhouding vormt daarmee dus een onttrekking die uit de winstreserve van bijna € 90 miljoen kon plaatsvinden. Omdat belanghebbende de lening aan [naam bedrijf 1] in privé niet kon aflossen, is sprake van een vermogensverschuiving van [naam bedrijf 1] naar belanghebbende met als doel belanghebbende te bevoordelen. Belanghebbende kon hierdoor namelijk in privé leningen aflossen zonder dat daarvoor een dividenduitkering moest plaatsvinden of hij andere schulden met een aflossingsverplichting aan moest gaan. Van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordelingsbedoeling moesten hij en [naam bedrijf 1] zich bewust zijn, nu belanghebbende enig bestuurder van deze vennootschap was.\n\n36. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting van de inspecteur niet juist is. Zijn enkele stelling dat tegenover de geldopnames ter dekking een schuldenvrije eigen woning en een effectenportefeuille staan, is hiervoor onvoldoende. De aanslag IB\u002FPVV 2009 is dan ook niet te hoog vastgesteld en het beroep hiertegen is ongegrond.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2011)\n\n37. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 81.329.338. Hierbij heeft hij vier verschillende verkapte dividenduitkeringen in aanmerking genomen. Ten eerste een bedrag van € 62.312.988, zijnde de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Subsidiair stelt de inspecteur dat deze verkapte winstuitdeling € 16.353.892 dient te bedragen, zijnde de toename van de schuld. Ten tweede een bedrag van € 13.966.350 vanwege de overdracht van de aandelen [naam bedrijf 9] . Ten derde een bedrag van € 3 miljoen vanwege de overdracht van de aandelen [naam hotel\u002Frestaurant] . Beide bedragen zijn vastgesteld aan de hand van de geschatte waarde van de aandelen, zoals berekend door de FIOD, verminderd met de verkoopprijs. Tot slot ten vierde een bedrag van € 2.050.000, bestaande uit de onverschuldigde betaling aan [naam bedrijf 8] . Nu belanghebbende via [naam bedrijf 1] zeggenschap had over [naam bedrijf 2] stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het voordeel belanghebbende is toegekomen en dat hij en de vennootschappen zich daarvan bewust waren.\n\n38. De inspecteur heeft daarnaast het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 800.462, omdat volgens hem ten onrechte rekening is gehouden met bijna € 46 miljoen aan schulden die fiscaal als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is. De schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is niet te hoog. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n40. Voor een (verkapte) winstuitdeling is vereist dat sprake is van een onttrekking die plaatsvindt uit de winst van het lopende jaar, de winstreserves of de te verwachten winst. In 2011 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] een verlies geleden, waardoor vanuit de resultaten van dat jaar geen onttrekking kon worden gedaan. Ook de winstreserves zijn onvoldoende om een onttrekking uit te laten plaatsvinden. Gelet op de oordelen over 2009 en 2010 is een bedrag van € 95.940.453 al belast als verkapte winstuitdeling.Bij het bepalen van de omvang van de winstreserve dient fiscaal rekening te worden gehouden met deze verkapte winstuitdelingen. Nu de winstreserve niet meer dan € 93.150.664kan bedragen, is fiscaal geen sprake meer van een (positieve) winstreserve. Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem -Leeuwardenin de strafzaak tegen belanghebbende, waarbij een zwaardere bewijslast geldt, vastgesteld dat voor belanghebbende vanaf ten minste 1 oktober 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement van [naam bedrijf 2] en zichzelf voorzienbaar was. Van een te verwachten winst in de toekomst is dan ook geen sprake. Ook om deze reden kan geen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling.\n\n41. De rechtbank is verder van oordeel dat als gevolg van de (verkapte) dividenduitkeringen de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] (in fiscale zin en daarmee afwijkend van de civielrechtelijke werkelijkheid) zijn afgenomen. De inspecteur heeft in zijn schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dan ook terecht geen rekening gehouden met deze schulden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting niet te hoog is. De enkele verwijzing van de gemachtigde naar de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschapmaakt dit niet anders. Deze wet is namelijk pas op 1 januari 2023 in werking getreden. Bovendien blijft de bestaande jurisprudentie, waar de inspecteur zich op heeft beroepen, over verkapte winstuitdeling onverminderd van kracht.\n\n42. De aanslag IB\u002FPVV 2011 is met betrekking tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog vastgesteld. Het beroep hiertegen is daarom gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden verminderd tot nihil. Het inkomen uit sparen en beleggen blijft gelijk.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslag IB\u002FPVV 2012\n\n43. De inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd om aangifte IB\u002FPVV 2012 te doen, wat belanghebbende heeft betwist. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan daarom geen sprake zijn.Dit betekent dat er geen grond is om de bewijslast om te keren en verzwaren. Op de inspecteur rust daarom de bewijslast om zijn correcties aannemelijk te maken.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2012)\n\n44. De inspecteur stelt dat belanghebbende een verkapte dividenduitkering van € 56.412.810 heeft genoten die bestaat uit de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Daarnaast stelt hij dat in de grondslag sparen en beleggen geen rekening moet worden gehouden met de schulden aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitkering in aanmerking zijn genomen in eerdere jaren. Wel is ten onrechte geen rekening gehouden met het heffingsvrij vermogen van belanghebbende en zijn partner van gezamenlijk € 41.570. De grondslag sparen en beleggen moet daarom worden vastgesteld op € 4.289.874, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594.\n\n45. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk om uit te gaan van een verkapte winstuitdeling in 2012. De schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is in de voorgaande jaren al gekwalificeerd als verkapt dividend en als zodanig belast in de eerdere aanslagen IB\u002FPVV. De rekening-courant schuld is niet verder opgelopen en belanghebbende is in 2012 geen nieuwe schulden aangegaan bij [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Er heeft in dat jaar dan ook geen onttrekking plaatsgevonden, waardoor evenmin sprake kan zijn van een (verkapte) winstuitdeling. Het beroep is in zoverre gegrond.\n\n46. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen, zie overweging 41. Nu in de aanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingsvrij vermogen, moet het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594.\n\n47. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag IB\u002FPVV 2012 gegrond.\n\nHeffingsrente\n\n48. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep ter zake van het belastingjaar 2009 is dan ook in zoverre ongegrond. Ter zake van de belastingjaren 2011 en 2012 moet de in rekening gebrachte heffingsrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen en zijn de beroepen dus in zoverre gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n49. De beroepen met betrekking tot de belastingaanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2010 zijn ongegrond en die met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang moet voor 2011 en 2012 worden verminderd tot nihil. Daarnaast moet voor 2012 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594. Omdat de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht terug.\n\n50. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen die zien op de belastingjaren 2011 en 2012 redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten die voor de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs zijn gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom tijdens de bezwaarfase niet is verzocht.De kosten voor de behandeling van de beroepen voor belastingjaren 2011 en 2012 zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepen wordt wegens samenhang eenmaal proceskosten toegekend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers 22\u002F3974, 22\u002F3980 en 23\u002F4204 ongegrond;\n\nverklaart de beroepen inzake de aanslagen IB\u002FPVV 2011 (22\u002F4014) en IB\u002FPVV 2012 (22\u002F4015) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2011 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2012 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.335;\n\ngelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. M. Wevers en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem , Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2013:2303.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2014:1383.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2000:AV6659.\n\n Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.6.\n\n Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466.\n\n Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.\n\n Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n € 50 miljoen over 2009 en € 45.940.453 over 2010, zie punten 27, 28 en 35.\n\n € 5.706.835 volgens jaarrekening vermeerderd met € 87.443.829, de dotatie in 2011 aan de post ‘overige voorzieningen’. De rechtbank heeft deze dotatie niet op haar fiscale merites beoordeeld, omdat ongeacht of deze dotatie fiscaal kan plaatsvinden het oordeel over de verkapte winstuitdeling hetzelfde blijft.\n\n Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden 2 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10319.\n\n Stb. 2022\u002F531.\n\n Kamerstukken II 35 496, nr. 3, p. 6 en p. 19.\n\n Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.\n\n Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","2026-03-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:45.431Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":120,"parsedAt":34,"updatedAt":123},"1276","ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","ecli-nl-rbgel-2025-9889","2025-11-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F2640\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 november 2025\n\nin de zaak tussen\n \n [belanghebbende] N.V., uit [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2023 een naheffingsaanslag dividendbelasting ten bedrage van € 1.186.273 aan belanghebbende opgelegd.\n\nBelanghebbende heeft met dagtekening 18 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.\n\nDe inspecteur heeft het bezwaar als rechtstreeks beroep tegen de naheffingsaanslag met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de rechtbank en aangegeven in te stemmen met prorogatie.\n\nDe inspecteur heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Deze zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 24\u002F2639 van [naam bedrijf 1] N.V. Namens belanghebbende zijn verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon D] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon G] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap. Zij is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 2] B.V. ( [naam bedrijf 2] ). [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 1] N.V. ( [naam bedrijf 1] ). [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] zijn ook gevestigd in Nederland.\n\n2. [naam bedrijf 1] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 3] Ltda ( [naam bedrijf 3] ), een naar Braziliaans recht opgerichte en in Brazilië gevestigde vennootschap. [naam bedrijf 3] is sinds 1946 actief in de distributie van LPG in Brazilië.\n\n3. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] maken daarvan deel uit.\n\n4. Op 27 september 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 35.947.787 (€ 6.804.427). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n5. Op 5 december 2022 heeft [naam bedrijf 3] een dividend uitgekeerd aan [naam bedrijf 1] van BRL 176.523.402 (€ 32.738.020). Over dit dividend is in Brazilië geen bronbelasting betaald.\n\n6. Op 19 april 2023 heeft [naam bedrijf 1] een dividend van € 90.000.000 ter beschikking gesteld aan [naam bedrijf 2] . Dat dividend bestaat uit:\n\n7. de hiervoor genoemde dividenden van [naam bedrijf 3] (totaal: € 39.542.447),\n\n8. dividenden van andere deelnemingen en\n\n9. eigen resultaten van [naam bedrijf 1] .\n\nBij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 1] voor een bedrag van € 1.688.773 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting, op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (de Wet). Op grond van deze bepaling heeft [naam bedrijf 1] bovendien de dividendbelasting niet afgedragen. Van dit bedrag van € 1.688.773 hield € 1.186.273 verband met de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . Dit bedrag is gelijk aan 3% van de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 502.500 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n7. Op 24 april 2023 heeft [naam bedrijf 2] een dividend ter beschikking gesteld aan belanghebbende van € 293.538.735. Bij het doen van aangifte dividendbelasting heeft [naam bedrijf 2] op grond van artikel 12, eerste lid, van de Wet voor een bedrag van € 2.629.495 afgezien van het achterwege laten van inhouding van belasting en heeft de dividendbelasting niet afgedragen. Van laatstgenoemd bedrag hield € 1.186.273 verband met dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n8. Op 25 april 2023 heeft belanghebbende een dividend van € 290.909.240 ter beschikking gesteld aan haar aandeelhouders. Op een deel van dit dividend van € 118.801.280 heeft belanghebbende 15% dividendbelasting ingehouden van € 17.820.192. Op dit bedrag heeft belanghebbende op grond van artikel 11 van de Wet een vermindering toegepast van € 2.629.495. Van laatstgenoemd bedrag ziet € 1.186.273 op de dividenden van [naam bedrijf 3] . De resterende € 1.443.222 hield verband met dividenden afkomstig van andere buitenlandse deelnemingen.\n\n9. Op 19 september 2023 hebben belanghebbende, [naam bedrijf 1] en de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten. De strekking van deze overeenkomst is dat uitsluitend [naam bedrijf 1] de aan haar op te leggen naheffingsaanslag betaalt en dat belanghebbende uitstel van betaling wordt verleend voor de aan haar op te leggen naheffingsaanslag. Bovendien is overeengekomen dat belanghebbende geen belastingrente is verschuldigd zolang de aanslag die aan haar zal worden opgelegd nog niet onherroepelijk is komen vast te staan.\n\n10. Met dagtekening 14 november 2023 is aan zowel belanghebbende als [naam bedrijf 1] een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van € 1.186.273.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hierbij gaat het met name om de volgende vragen:\n\n- is met betrekking tot de dividenden afkomstig van [naam bedrijf 3] voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit van artikel 11 van de Wet en artikel 12 van de Wet in samenhang met artikel 11 van de Wet? In het bijzonder is daarbij in geschil of op deze dividenden een bronbelasting is ingehouden van ten minste 5%, zoals bepaald in artikel 11, eerste lid, onder 2̊, van de Wet;\n\n- kan belanghebbende zich beroepen op de uitlating van de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet?\n\n- als ten onrechte gebruik is gemaakt van de dooruitdelingsfaciliteit, dient dan te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] ?\n\nDe rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n12. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nJuridisch kader\n\n13. Artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wet, voor zover van belang, luidt als volgt:\n\n“1. Op de ingevolge artikel 7, vierde lid, op aangifte af te dragen belasting kan een in het tweede lid nader aangeduide vermindering worden toegepast wegens winstuitkeringen op aandelen en winstbewijzen die door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, dan wel in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:\n\n1° de inhoudingsplichtige was op het tijdstip waarop het lichaam de winstuitkering ter beschikking stelde — al dan niet tezamen met in Nederland gevestigde, met de inhoudingsplichtige verbonden lichamen als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 — voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder van dat lichaam dan wel bezat, zo het verdrag daarin voorziet, ten minste 25 percent van de stemrechten in dat lichaam;\n\n2° op de winstuitkeringen is op de BES eilanden, in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden;\n\n3° bij het bepalen van de winst van de inhoudingsplichtige blijven de winstuitkeringen op de voet van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking.\n\n2. De in het eerste lid bedoelde vermindering bedraagt 3 percent van de door de inhoudingsplichtige ter beschikking gestelde opbrengst waarop hij dividendbelasting heeft ingehouden, doch niet meer dan 3 percent van de winstuitkeringen — vóór aftrek van de ingehouden bronbelasting — bedoeld in het eerste lid die hij in het kalenderjaar tot het tijdstip van inhouding alsmede in de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren heeft ontvangen voor zover die winstuitkeringen nog niet in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van een eerdere vermindering. De winstuitkeringen worden in aanmerking genomen in de volgorde waarin zij door de inhoudingsplichtige zijn ontvangen.”\n\n14. Artikel 12 van de Wet (wettekst 2023) luidt als volgt:\n\n“1. Indien de inhoudingsplichtige winstuitkeringen heeft ontvangen die zouden kunnen leiden tot een vermindering op de voet van artikel 11, mag hij in afwijking van artikel 4, eerste en vijfde lid, tot een bedrag ter grootte van die vermindering afzien van het achterwege laten van inhouding van de belasting. De ingevolge de eerste zin ingehouden belasting hoeft, in afwijking van artikel 7, vierde lid, niet op aangifte te worden afgedragen.\n\n2. De inhoudingsplichtige die op de voet van het eerste lid afziet van het achterwege laten van inhouding van belasting, is verplicht aangifte te doen van de ingehouden belasting.\n\n3. Opbrengsten met betrekking tot welke op de voet van het eerste lid belasting is ingehouden, worden voor de gerechtigde tot die opbrengsten gelijkgesteld met winstuitkeringen die voldoen aan de voorwaarden voor een vermindering op de voet van artikel 11.”\n\n15. Artikel 23 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Federatieve Republiek Brazilië [...] met betrekking tot belastingen naar het inkomen (het Verdrag), voor zover van belang, luidt:\n\n“Artikel 23. Vermijding van dubbele belasting\n\n1. Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast.\n\n2. (…)\n\n3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor die bestanddelen van het inkomen die volgens artikel 10, tweede lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, derde lid, artikel 17, artikel 18, eerste lid, en artikel 22 van deze Overeenkomst in Brazilië mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting, maar bedraagt niet meer dan het bedrag van de vermindering die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen bestanddelen van het inkomen de enige bestanddelen van het inkomen zouden zijn geweest die uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld.\n\n4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de in Brazilië betaalde belasting geacht te bedragen:\n\nmet betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividenden indien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam dat ten minste 10 percent van het stemgerechtigde kapitaal in het Braziliaanse lichaam bezit, en 20 percent in alle andere gevallen,\n\n(…)”\n\n16. Kamerstukken II, 1967\u002F1968, 6000, nr. 17, p. 12:\n\n“Het bepaalde (…) opent de mogelijkheid beleggingen door Nederlandse beleggers in buitenlandse aandelen door tussenkomst van een beleggingsinstelling - wat de in het buitenland toegepaste bronheffing betreft - fiscaal niet nadeliger te behandelen dan rechtstreekse beleggingen in zodanige aandelen.”\n\n17. Kamerstukken II, 1994\u002F1995, 23 980, nr. 3, p. 1-3:\n\n“In verdragsrelaties (...) staat Nederland toe dat de in het buitenland ingehouden bronbelasting op dividenden welke worden uitgekeerd aan een Nederlandse gerechtigde, wordt verrekend met de aan deze dividenden toe te rekenen Nederlandse belasting. De dividenden die een Nederlandse vennootschap van een buitenlandse deelneming ontvangt, worden op grond van de deelnemingsvrijstelling in Nederland echter niet belast. In dat geval is er derhalve geen ruimte om de in het buitenland ingehouden bronbelasting te verrekenen. De buitenlandse bronbelasting vormt in die gevallen voor het bedrijfsleven dan ook steeds voor het volle bedrag een kostenpost. Dit gevolg is inherent aan de op zichzelf gunstige deelnemingsvrijstelling.\n\n(…)\n\nDe kosten van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelasting verzwaren de belastingdruk voor het in Nederland gevestigde bedrijfsleven. Dit betreft in het bijzonder hoofdkantoren en houdstermaatschappijen van internationale ondernemingen. Potentiële investeerders zullen bij de keuze van een vestigingsplaats deze kosten als een nadeel van een eventuele vestiging in Nederland ervaren. Teneinde tot verbetering van het Nederlandse vestigingsklimaat te komen acht ik het gewenst een tegemoetkoming in deze kosten te bieden. Ik stel daartoe voor een gedeeltelijke verrekening toe te staan van de in het buitenland ingehouden bronbelasting. Omdat er voor de onderneming die deelnemingsdividenden uit het buitenland ontvangt geen grondslag is om de ingehouden bronbelasting te verrekenen met in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting, stel ik voor de verrekening te laten plaatsvinden met de door de Nederlandse vennootschap bij dooruitdeling van het dividend af te dragen dividendbelasting.\n\nDoordat de tegemoetkoming de vorm heeft van een vermindering van af te dragen dividendbelasting zonder dat de in te houden dividendbelasting een wijziging ondergaat, komt de tegemoetkoming in eerste aanleg de inhoudingsplichtige vennootschap ten goede. De druk van de niet-verrekenbare buitenlandse bronbelastingen wordt daarmee ten dele weggenomen.\n\n(…)\n\nVoorwaarde voor toepassing van de faciliteit is in mijn voorstel allereerst de ontvangst van deelnemingsdividend waarop krachtens de Belastingregeling voor het Koninkrijk of bij toepassing van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting een bronbelasting van ten minste 5% mag worden ingehouden en ook feitelijk is ingehouden”.\n\n18. In zijn arrest van 12 juli 2013overwoog de Hoge Raad onder meer:\n\n“3.5.1.\n\nMiddelonderdeel b komt onder meer op tegen het oordeel van de Rechtbank dat niet slechts een belasting die wordt geheven bij wege van inhouding en afdracht door het lichaam dat het dividend uitkeert, maar ook een belasting die door de ontvanger van het dividend wordt voldaan, is aan te merken als een bronbelasting in de zin van artikel 11, lid 1, 2°, van de Wet. Het middelonderdeel faalt in zoverre, aangezien dat oordeel juist is. Daaraan doet niet af dat in de tekst van laatstbedoelde bepaling sprake is van bronbelasting die is “ingehouden”, aangezien geen aanleiding bestaat aan die bepaling een andere betekenis toe te kennen dan dat door de bronstaat een belasting moet zijn geheven die in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang.”\n\nHeeft belanghebbende voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit?\n\n19. Artikel 11 van de Wet in verbinding met artikel 12 van de Wet houdt in een faciliteit op grond waarvan een inhoudingsplichtige een vermindering kan toepassen op de door hem af te dragen belasting wegens - voor zover van belang - winstuitkeringen op aandelen die zijn ontvangen van een lichaam dat is gevestigd in een staat in relatie waarmee een met Nederland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.\n\n20. Belanghebbende is van mening dat ook voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet ervan moet worden uitgegaan dat op de door [naam bedrijf 3] (via [naam bedrijf 1] ) aan haar gedane winstuitkeringen een bronbelasting van ten minste 5 procent is ingehouden. Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, van de Wet moet als ingehouden bronbelasting worden aangemerkt het bedrag aan buitenlandse belasting als bedoeld in de eerste limiet van het desbetreffende belastingverdrag. Dat is namelijk – als gevolg van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling – de niet-verrekenbare bronbelasting waarvoor de wetgever met de invoering van artikel 11 van de Wet een tegemoetkoming heeft willen bieden. Tot die niet-verrekenbare bronbelasting behoort ook de tax sparing credit als omschreven in artikel 23, derde en vierde lid, van het Verdrag (TSC), aldus nog steeds belanghebbende.\n\n21. Voor toepassing van de dooruitdelingsfaciliteit moet ter zake van de uitgekeerde dividenden sprake zijn van een kostenpost. Artikel 24, derde lid, van het Verdrag spreekt in dit verband over “(…) Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Brazilië over deze bestanddelen van het inkomen betaalde belasting(…)” [onderstreping rechtbank]. Artikel 24, vierde lid, letter a, van het Verdrag spreekt over “Voor de toepassing van het derde lid wordt dein Brazilië betaalde belastinggeacht te bedragen: a. met betrekking tot dividenden als bedoeld in artikel 10, tweede lid, 25 percent van die dividendenindien zij worden betaald aan een Nederlands lichaam(…)” [onderstreping rechtbank].\n\n22. Vast staat dat ter zake van de onderhavige TSC in Brazilië feitelijk niets is ingehouden en evenmin is betaald. In zoverre is dan geen sprake van “een ingehouden bronbelasting van ten minste 5 percent” als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. De onderhavige TSC voldoet niet aan deze definitie. De TSC is slechts een fictieve belasting en, in het onderhavige geval, geen belasting die daadwerkelijk is ingehouden en in mindering is gekomen op de opbrengst van het aandelenbelang. De onderhavige TSC is daarom geen op een winstuitkering ingehouden bronbelasting in de zin van artikel 11, eerste lid, onder 2, van de Wet. Artikel 24, derde en vierde lid, van het Verdrag strekt niet verder dan dat zij de ontvanger van het dividend een tegemoetkoming biedt in het kader van de voorkoming van dubbele belasting. Dat op grond van die verdragsbepaling de TSC wordt geacht te zijn betaald in Brazilië, maakt het voorgaande niet anders.\n\n23. De rechtbank wijst verder op de hiervoor onder 17. weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis. Voor zover de tekst van de Wet niet duidelijk zou zijn, volgt uit de in de hiervoor aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis dat voor toepassing van de faciliteit sprake moet zijn van in de bronstaat geheven en daadwerkelijk (feitelijk) ingehouden bronbelasting. Dit volgt ook uit de hiervoor onder 18. weergegeven passage uit het arrest van de Hoge Raad.\n\n24. Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de van [naam bedrijf 3] afkomstige dividenden de inspecteur terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag dividendbelasting heeft opgelegd. De dooruitdelingsfaciliteit van de artikelen 11 en 12 van de Wet is hierop niet van toepassing.\n\nKan belanghebbende zich beroepen op een toezegging van de Staatssecretaris?\n\n25. Artikel 11a van de Wet houdt in een afdrachtvermindering voor fiscale beleggingsinstellingen in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (fbi). Omdat de artikelen 11 en 11a van de Wet een gelijke doelstelling hebben en gelet op de (nagenoeg) identieke wettekst op dit punt, is er geen grond een TSC voor de toepassing van artikel 11 en 11a van de Wet verschillend te behandelen, aldus belanghebbende. Belanghebbende beroept zich hierbij op een door de Staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van artikel 11a van de Wet gedane uitlating over dat artikel:\n\n“Voorts verzoekt de NOB te bevestigen dat een tax sparing credit zoals die in bepaalde verdragen is opgenomen, eveneens wordt aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Beide punten kunnen worden bevestigd.”\n\n26. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Deze uitlating geldt voor toepassing van de regeling van artikel 11a van de Wet en niet voor toepassing van de regeling van artikel 11 van de Wet. Anders dan belanghebbende stelt, beogen deze regelingen verschillende doelen.\n\n27. Artikel 11a van de Wet heeft tot doel om op het punt van verrekening van bronbelasting fiscale neutraliteit te bereiken tussen rechtstreeks beleggen en beleggen via een fbi. Bij een rechtstreekse belegging zou een natuurlijk persoon een TSC in beginsel kunnen verrekenen. De TSC wordt daarom voor toepassing van artikel 11a van de Wet aangemerkt als ingehouden buitenlandse bronbelasting. Hierdoor kan dus ook iemand die belegt via een fbi zijn verdragsrechtelijke recht op verrekening van een TSC effectueren. Artikel 11a van de Wet voorkomt een ongewenst geachte beperking van verrekeningsmogelijkheden.\n\n28. Uit de onder 17. weergegeven fragmenten uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in een verdragssituatie bij een buitenlandse deelneming het doel van artikel 11 van de Wet is het verrekenen van in het buitenland ingehouden bronbelasting, welke zonder deze bepaling door toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet voor aftrek in aanmerking zou komen. Artikel 11 van de Wet biedt alsdan een tegemoetkoming voor de lasten die ontstaan doordat daadwerkelijk geheven bronbelasting niet kan worden verrekend als gevolg van de deelnemingsvrijstelling. De onderhavige TSC is geen daadwerkelijk ingehouden bronbelasting en vormt geen last waarvoor artikel 11 van de Wet beoogt een tegemoetkoming te bieden.\n\n29. Dit verschil in doel en strekking rechtvaardigt een andere behandeling van een TSC voor toepassing van artikel 11 dan wel artikel 11a van de Wet. Belanghebbende kan zich derhalve niet met succes beroepen op de door haar genoemde uitlating van de Staatssecretaris.\n\n30. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat wanneer de in de onderhavige zaak opgelegde naheffingsaanslag dividendbelasting door de rechtbank in stand wordt gelaten, zij zich ten aanzien van de dividenduitkering die tot de in de zaak 24\u002F2639 in geschil zijnde naheffingsaanslag heeft geleid, onvoorwaardelijk op de inhoudingsvrijstelling van artikel 4, eerste lid, van de Wet beroept. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de in zaak 24\u002F2639 opgelegde naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de vraag of dient te worden nageheven bij belanghebbende of bij [naam bedrijf 1] .\n\nConclusie en gevolgen\n\n31. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar blijven in stand. Voor een proceskostenvergoeding en\u002Fof vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. A.S. van Middelkoop, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 19 november 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nECLI:NL:HR:2013:55.\n\n Kamerstukken II, 2007\u002F2008, 31 206, nr. 6, p. 25.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9889","2026-07-13T00:29:13.445Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":128,"parsedAt":34,"updatedAt":131},"294","ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","ecli-nl-rbgel-2025-9142","2025-10-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 23\u002F3702, 24\u002F5968 en 24\u002F5971\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 oktober 2025\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht , de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 10 maart 2023 (jaar 2017) en van 11 januari 2024 (jaren 2018 en 2019).\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) en beschikkingen belastingrente (belastingrentebeschikkingen) opgelegd:\n\nvoor het jaar 2017 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.223 en een beschikking belastingrente van € 967;\n\nvoor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.444 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.247 en een beschikking belastingrente van € 663;\n\nvoor het jaar 2019 een aanslag IB\u002FPVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.073 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.497 en een beschikking belastingrente van € 600.\n\nBij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard.\n\nDe inspecteur heeft daarbij voor het jaar 2017 de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.258 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 687.\n\nVoor het jaar 2018 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.630 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.\n\nVoor het jaar 2019 heeft de inspecteur de aanslag IB\u002FPVV verminderd tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.395 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.203.\n\nDe inspecteur heeft de belastingrentebeschikkingen telkens dienovereenkomstig verminderd.\n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar tijdig beroep ingesteld.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Voor het jaar 2017 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarna de inspecteur een conclusie van dupliek heeft ingediend. Daarna heeft de inspecteur voor het jaar 2017 een aanvullend verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde (de vader van belanghebbende, hierna: vader) deelgenomen, bijgestaan door zijn partner [persoon A] . Namens de inspecteur hebben deelgenomen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] (taxateur).\n\nDe beroepen zijn gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon E] (de partner), met de zaaknummers 23\u002F3703, 24\u002F5975 en 24\u002F5983.\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende woont ongehuwd samen met haar partner.\n\n2. Belanghebbende en haar partner hebben samen drie kinderen, een tweeling die geboren is op [geboortedatum 1] 2016 en waarvan de partner de biologische moeder is en het jongste kind dat is geboren op [geboortedatum 2] 2019, waarvan belanghebbende de biologische moeder is.\n\n3. Belanghebbende heeft in 2015 haar voormalige eigen woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] verkocht voor € 215.000. Die woning was haar eigendom sinds 2008 . Volgens de notariële afrekening bedroeg de af te lossen hoofdsom van de daarop rustende hypotheek ten behoeve van haar vader € 212.665.\n\n4. Belanghebbende en vader hebben in 2015 de woning aan de [locatie 2] te [plaats 1] (de woning) gekocht. Belanghebbende bewoont de woning samen met haar partner en kinderen. De ouders van belanghebbende wonen sinds 31 maart 2016 eveneens in de woning.\n\n5. De woning is voor 90% onverdeeld eigendom gekocht door belanghebbende en voor 10% onverdeeld eigendom gekocht door vader. De koopsom van de woning bedroeg € 1.060.200. Volgens de akte van levering is daarnaast voor een bedrag van € 24.800 aan roerende zaken gekocht. Er is ter zake van deze aankoop door de notaris over een bedrag van € 1.060.000 2% overdrachtsbelasting berekend. De aankoopprijs van het gedeelte van belanghebbende bedroeg volgens de afrekening aldus € 954.180 (90% van € 1.060.200) en daarnaast een bedrag van € 22.320 aan roerende zaken (zijnde 90% van € 24.800). De financiering van het 90%-aandeel van belanghebbende in de woning is volledig aangegaan door belanghebbende.\n\n6. De woning is na de aankoop verbouwd. Het aandeel van belanghebbende in de verbouwingskosten is door belanghebbende gesteld op 50% en bedraagt volgens belanghebbende daarom € 94.897.\n\n7. Belanghebbende heeft bij vader ten behoeve van de aankoop van de woning een geldlening afgesloten. Deze financiering is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening van 7 oktober 2015. De considerans van deze overeenkomst luidt als volgt:\n\n“IN AANMERKING NEMENDE DAT:\n\nA. Schuldenaar (tezamen met schuldeiser) een huis en toebehoren heeft gekocht aan de [locatie 2] te [postcode] [plaats 1] , kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zeist Sectie [sectie] nummer [nummer] (hierna het 'Object’).\n\nB. Schuldenaar een financieringsbehoefte heeft van totaal € 986.553,33 (zegge: NEGENHONDERDZESENTACHTIGDUIZENDVIJFHONDERDDRIEENVIJFTIG euro en 33 cent), zoals voorkomt op de nota van [naam notaris] NV d.d. 30 september 2015.\n\nC. Dat schuldenaar haar vorige woning aan de [locatie 1] te [plaats 2] ook bij schuldeiser middels een aflossingsvrije hypotheek van € 250.000 heeft gefinancierd; dat de netto verkoopopbrengst van die woning € 212.720 bedroeg, welk bedrag schuldeiser van schuldenaar heeft ontvangen tegen vrijgeving van voornoemde hypotheek; dat derhalve schuldenaar nog een restschuld heeft aangaande die hypotheek van € 37.280;\n\nD. Schuldeiser bereid is beide bedragen (€ 986.553,33 en € 37.280) te financieren en wel middels een 30 jarige annuïteitenlening van groot € 773.833,33 en een aflossingsvrije lening van € 250.000.\n\nE. Schuldeiser zelf ook een geldlening moet aangaan ter financiering van de onder D genoemde\n\n geldlening.\n\nF. Het object nog een aanzienlijke verbouwing zal dienen te ondergaan waarvan de kosten naar\n\n schatting € 150.000 á € 200.000 zullen bedragen. Dat schuldeiser bereid is deze\n\n verbouwingkosten ook te financieren voor schuldenaar tegen dezelfde voorwaarden als de onderhavige lening; Hiertoe zal, zodra de verbouwing gereed is en het werk is opgeleverd, een afzonderlijke leningsovereenkomst worden opgemaakt;\n\nG. Dat Schuldeiser geen zekerheid van de Schuldenaar verlangt voor de lening, edoch dat\n\n Schuldenaar zich verplicht om het Object niet met hypotheek of anderszins te belasten, te\n\n bezwaren of op enig andere wijze in onderpand te geven en schuldenaar op eerste aangeven van schuldeiser bereid zal zijn om ten gunste van schuldeiser hypotheek te geven op het object;\n\nH. Schuldenaar en Schuldeiser met betrekking tot de geldlening voorwaarden zijn overeengekomen en zij het wenselijk achten die voorwaarden bij akte vast te leggen;\n\nI. Zulks bij deze geschiedt. (….)”\n\n8. Belanghebbende heeft in de aangiften IB\u002FPVV over 2017, 2018 en 2019 als eigenwoningrente in aftrek gebracht 6,25% van de eigenwoningschuld per 1 januari van elk jaar.\n\n9. Belanghebbende bezit sinds 2010 2.700 aandelen (van de 54.480, derhalve 4,96%) in de besloten vennootschap B.V. [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). Die aandelen zijn door haar gekocht voor € 125.000. Per 1 januari 2016 bedraagt het zichtbaar eigen vermogen in die vennootschap € 3.920.352.\n\n10. Belanghebbende is sinds 2013 voor de helft eigenaar van twee verhuurde panden, gelegen aan de [locatie 3] en [locatie 4] te [plaats 3] .\n\n11. Belanghebbende heeft aan de inspecteur een overzicht “berekening schenking 2015-2019” gezonden. Daarin is onder meer opgenomen dat de vader van belanghebbende in de onderhavige jaren telkens in totaal € 40.354 aan belanghebbende heeft overgemaakt.Het betreft maandelijkse overboekingen ten bedrage van € 3.362,83.\n\nGeschil\n\n12. In geschil is de hoogte van de aanslagen. Meer in het bijzonder zijn de volgende punten in geschil:\n\nDient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?\n\nHoe is de verdeling van het gebruik van de woning, wat is de hoogte van de bijbehorende eigenwoningschuld en de renteaftrek ter zake van de eigen woning?\n\nMoet de correctie voor het gebruik van de woning ook op de lening ter zake van de verbouwing worden toegepast?\n\nIs er sprake van een restschuld op de voormalige eigen woning of is juist sprake van een eigenwoningreserve?\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\nWat is de waarde van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nIs sprake van een schuld aan vader ter zake van de verwerving in 2010 van de aandelen in [naam bedrijf 1] in box 3?\n\nHeeft belanghebbende recht op aftrek van specifieke zorgkosten?\n\nHeeft de inspecteur zich terecht beroepen op interne compensatie?\n\nZijn het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en\u002Fof het proportionaliteitsbeginsel geschonden?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?\n\nHeeft belanghebbende recht op een (proces)kostenvergoeding?\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMoet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?\n\n13. De inspecteur heeft gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet zou hebben gedaan.\n\n14. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte niet de vereiste aangifte is gedaan als de volgens de aangifte verschuldigde belasting relatief en absoluut aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige zich ten tijde van het indienen van de aangifte hiervan bewust was of moest zijn.\n\n15. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bewijslast voor het jaar 2017 niet wordt omgekeerd en verzwaard en dat de bewijslast voor de jaren 2018 en 2019 wel wordt omgekeerd en verzwaard. Zij zal dat hierna voor de in geschil zijnde aanslagen\u002Fjaren motiveren.\n\n2017\n\n16. Volgens de aangifte IB\u002FPVV over het jaar 2017 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. Uit de uitspraak op bezwaar vloeit voort dat volgens de inspecteur € 1.114 aan inkomstenbelasting is verschuldigd. Belanghebbende heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen aangifte gedaan waardoor in absolute zin aanzienlijk te weinig belasting is geheven.De bewijslast wordt voor het jaar 2017 dus niet omgekeerd en verzwaard.\n\n2018 en 2019\n\n17. Volgens de aangiften IB\u002FPVV over de jaren 2018 en 2019 is per saldo geen inkomstenbelasting verschuldigd. In de pleitnota heeft de inspecteur de bedragen aan verschuldigde inkomstenbelasting berekend, uitgaande van de door hem ingenomen standpunten in de uitspraak op bezwaar. Voor 2018 komt dit voor belanghebbende uit op € 4.344 en voor 2019 op € 5.044.\n\n18. Belanghebbende heeft in haar aangifte haar aandeel van 50% in de onroerende zaken [locatie 3] en nummer [locatie 4] te [plaats 3] niet in box 3 aangegeven. Ook heeft zij haar aandelenbelang in [naam bedrijf 1] niet in box 3 vermeld en ontbreekt een vordering van belanghebbende op vader in box 3 in de aangiften 2018 en 2019. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting is alleen al door deze niet ter discussie staande posten relatief en absoluut aanzienlijk. Ter zitting heeft de gemachtigde (vader van belanghebbende) erkend dat hij betrokken is geweest bij het opstellen van de aangiften. Vader heeft de aandelen in [naam bedrijf 1] en de panden aan de [locatie 3\u002Flocatie 4] gekocht voor en namens belanghebbende. De rechtbank is daarom van oordeel dat hij wist of in elk geval had moeten weten dat deze vermogensbestanddelen bij belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV opgenomen zouden moeten worden. De kennis en inzicht van personen die een belastingplichtige behulpzaam zijn geweest bij het doen van aangifte moeten worden toegerekend aan belanghebbende.De rechtbank rekent de kennis van de gemachtigde daarom toe aan belanghebbende. De bewustheid van het niet doen van de vereiste aangifte acht de rechtbank gelet op het voorgaande aannemelijk. Omdat belanghebbende de vereiste aangiften 2018 en 2019 niet heeft gedaan, dient de bewijslast ter zake van die jaren te worden omgekeerd en verzwaard.\n\n19. Omkering en verzwaring van de bewijslast houdt in dat op belanghebbende de bewijslast rust overtuigend aan te tonen en daarmee moet doen blijken dat de aanslagen IB\u002FPVV 2018 en 2019 naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld.\n\nIn hoeverre drukken de aan vader betaalde rentebedragen op belanghebbende?\n\n2017\n\n20. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan vader betaalde rentebedragen niet volledig op belanghebbende drukken. De inspecteur heeft zich daarbij beroepen op het leerstuk van de interne compensatie. Gelet op het feit dat dit het meest verstrekkende standpunt is, zal de rechtbank dit om proceseconomische redenen als eerste bespreken.\n\n21. Artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt – voor de onderhavige jaren en voor zover van belang –:\n\n“1. In deze afdeling (…) wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw (…) of een gedeelte van een gebouw, (…) met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: a. eigendom (…), indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat”.\n\n22. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 gesteld dat zij (samen met haar partner) € 69.161 aan rente ter zake van een eigenwoningschuld aan vader heeft betaald.\n\n23. In 2017 heeft belanghebbende door middel van maandelijkse bankoverschrijvingen in totaal € 40.354 ontvangen van haar vader, hetgeen blijkt uit een door belanghebbende overgelegd overzicht met het opschrift “Berekening schenking 2015-2019”. Ter zitting heeft vader verklaard dat belanghebbende en haar partner onvoldoende inkomen hadden om de lasten te kunnen betalen, maar dat de betaling van € 40.354 geen verband houdt met de door belanghebbende aan vader te betalen rentekosten.\n\n24. Gelet op de gemotiveerde betwisting van dit standpunt door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de rentekosten tot genoemd bedrag van € 40.354 op belanghebbende hebben gedrukt. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de ontvangen bedragen betrekking hadden op uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en op ontvangen huur, maar heeft die stelling niet met schriftelijke bescheiden onderbouwd. De stelling van belanghebbende dat zij in voldoende mate gelden beschikbaar hadden en die naar eigen inzicht konden aanwenden is niet aannemelijk, mede gelet op de strijdigheid met de door vader gegeven wisselende verklaringen en andere stukken in het dossier. Zo zijn in weerwil van tussen vader en belanghebbende gemaakte afspraken, uitgekeerd dividend op de aandelen in [naam bedrijf 1] en ontvangen huur ter zake van de panden aan de [locatie 3] en [locatie 4] niet van de schuld afgeboekt. Omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rentekosten in 2017 tot € 40.354 op haar hebben gedrukt kan de rente tot dat bedrag niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n25. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur veel meer rente als eigenwoningrente in aftrek toegestaan dan de overige geschilpunten in deze zaak belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het beroep op interne compensatie slaagt. De aanslagen zijn na vermindering in bezwaar eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De overige inhoudelijke geschilpunten behoeven dan ook geen bespreking meer.\n\n2018 en 2019\n\n26. In 2018 en 2019 heeft belanghebbende ook in totaal een bedrag van € 40.354 van haar vader ontvangen. Gelet op het feit dat voor onderhavige jaren de verzwaarde bewijslast geldt, dient belanghebbende te doen blijken dat de rentekosten hebben gedrukt in de zin van artikel 3.111, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft voor de jaren 2018 en 2019 – zoals ook over het jaar 2017 hiervoor is geoordeeld – niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken dat sprake is van op haar drukkende rentekosten. De rentekosten kunnen daarom tot in elk geval genoemd bedrag van € 40.354 niet als rente ter zake van een eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.\n\n27. Net als voor het jaar 2017 geldt ook voor de jaren 2018 en 2019 dat de inspecteur veel meer rente in aftrek heeft toegestaan dan de overige geschilpunten belanghebbende aan aftrek zouden kunnen opleveren. Die geschilpunten hoeven dus ook voor deze jaren geen behandeling.\n\nFormele beginselen\n\n28. Belanghebbende heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de inspecteur de in geschil zijnde punten in de aangiften over de jaren 2020 en 2021 heeft gevolgd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij daarom erop mocht vertrouwen dat de inspecteur in 2020 en 2021 het standpunt van belanghebbende heeft overgenomen en dat dat ook voor de aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019 dient te gelden.\n\n29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. De aanslagen IB\u002FPVV over de jaren 2020 en 2021 zijn zonder inhoudelijke controle automatisch vastgesteld. Gelet op vaste jurisprudentie kan uit een aangifte die niet aan een inhoudelijke controle is onderworpen niet het vertrouwen worden ontleend dat de inspecteur bewust een ander standpunt zou hebben ingenomen. Ook overigens zijn uit het dossier geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur welbewust een ander standpunt had ingenomen.\n\n30. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Belanghebbende heeft – kort gezegd – gesteld dat er zoveel en zo vaak informatie is opgevraagd voor een relatief klein financieel belang van de zaak dat het onderzoek een inbreuk op de privacy behelst.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel niet is gebleken. Het is aan de inspecteur om een afweging te maken of hij een aangifte diepgaander zal behandelen. Gelet op de gang van zaken tijdens het onderzoek, meer specifiek het feit dat in eerste instantie werd geweigerd om bankafschriften over te leggen, de wisselende verklaringen van vader en het lage inkomen van belanghebbende in relatie tot de hoge hypotheekschuld, was het in dit geval gerechtvaardigd om door te vragen en verder te onderzoeken na het krijgen van onduidelijke of onvolledige informatie.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n32. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.\n\n33. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheidis het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.\n\n34. De drie zaken van belanghebbende zijn gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Voor de drie samenhangende zaken samen zal dus één keer schadevergoeding worden toegekend, waarbij wordt gerekend vanaf het oudste bezwaarschrift tot de jongste uitspraak op bezwaar.De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 27 juli 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 39 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 39 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat 7 keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (7 keer een half jaar ad € 500). De jongste uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 11 januari 2024. Dit is 36 maanden langer dan de zes maanden die staan voor het doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur moet daarom van de totale schadevergoeding een bedrag betalen van 36 maanden gedeeld door 39 maanden keer € 3.500 is (afgerond) € 3.231. De Staat moet de rest betalen, dus € 269.\n\n35. In dit geval voeren twee belanghebbenden samen in feite dezelfde procedure over meerdere belastingjaren (ieder met drie zaken). Dat kan reden zijn om de schadevergoeding te matigen. Toch blijft het uitgangspunt dat iedere belanghebbende zelf een recht op schadevergoeding heeft.De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schadevergoeding te matigen, omdat het feit dat de zaken van beide belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld in dit geval een matigende invloed heeft op de mate van spanning, ongemak en onzekerheid die worden ondervonden door de te lang durende procedure. De hiervoor berekende schadevergoeding zal daarom gelijkelijk over de zaken van belanghebbende en haar partner worden verdeeld. Dit betekent dat in onderhavige zaken van belanghebbende de inspecteur zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.615,50 en de Staat tot een bedrag van € 134,50. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat veroordelen om deze bedragen aan belanghebbende te betalen.\n\nBelastingrentebeschikkingen\n\n36. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Hiertegen heeft belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden ingebracht en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrentebeschikkingen te hoog zijn vastgesteld.\n\nConclusie\n\n37. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de aanslagen IB\u002FPVV en de belastingrentebeschikkingen zoals verminderd in bezwaar in stand blijven.\n\nProceskostenvergoeding\n\n38. Belanghebbende heeft verzocht om een veroordeling van de inspecteur in de (proces)kosten. De beroepen zijn weliswaar ongegrond, maar in verband met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade dient de rechtbank te beoordelen of in dit geval sprake is van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belanghebbende heeft namelijk volmacht verleend aan vader, die in dat kader optreedt namens [naam bedrijf 2] B.V. Dat is een beleggingsvennootschap waaruit vader geen loon voor werkzaamheden ontvangt. Daarom is niet aannemelijk dat vader vaker beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Daar komt bij dat niet aannemelijk is dat aan belanghebbende kosten in rekening zijn of worden gebracht voor rechtsbijstand. De gemachtigde heeft weliswaar gesteld dat hij een no cure no pay-afspraak heeft gemaakt met belanghebbende, maar niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijke afspraak is gemaakt. De voormalige gemachtigde heeft volgens de gemachtigde (ook) in de beroepsfase op de achtergrond meegedacht. Dit heeft echter niet tot gevolg dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten, omdat de voormalige gemachtigde in de fase van beroep geen proceshandelingen heeft verricht. De door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 september 2022 kan evenmin tot de conclusie leiden dat recht bestaat op vergoeding van proceskosten. In die zaak was namelijk sprake van een compromis voor wat betreft de proceskosten. Uit die uitspraak kan dus niet de conclusie worden getrokken dat vader als een derde is aan te merken die professionele rechtsbijstand verleent. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van proceskosten vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schade.\n\nGriffierecht\n\n40. Omdat het verzoek om vergoeding van immateriële schade vóór 31 mei 2024 is gedaan en op dat moment de redelijke termijn reeds was overschreden, dient de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.615,50;\n\n- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 134,50;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDeze uitspraak is uitgesproken op 29 oktober 2025, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijlage 44 bij het verweerschrift van het jaar 2017.\n\n Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665, Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1312.\n\n Vergelijk Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, r.o. 3.4, en Hoge Raad 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663, r.o. 4.3.1.\n\n Vergelijk Hoge Raad 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1501.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Zie r.o. 3.10.2. van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad en zie Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3.\n\n Zie r.o. 3.10.3 van het genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad.\n\n Zie Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 en ECLI:NL:HR:2024:773.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:9142","2026-07-13T00:28:23.086Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":136,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":34,"updatedAt":138},"1275","ECLI:NL:RBGEL:2025:7333","ecli-nl-rbgel-2025-7333","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F41, 24\u002F44, 24\u002F46, 24\u002F47, 24\u002F49 en 24\u002F50\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van\n\nin de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 augustus 2023.\n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 april 2021 vijf aanslagen schenkbelasting opgelegd.\n\nDe inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n Rechtbank Den Haag heeft de beroepen met toepassing van art. 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht verwezen naar deze rechtbank.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 op zitting gezamenlijk behandeld met de procedures van [persoon A] (zaaknummers ARN 24\u002F127, 24\u002F128, 24\u002F129, 24\u002F131 en 24\u002F132), [persoon B] (zaaknummers ARN 24\u002F123 t\u002Fm 24\u002F125), [persoon C] (zaaknummers ARN 23\u002F7106, 23\u002F7111 en 23\u002F7113) en [persoon D] (zaaknummers ARN 24\u002F66, 24\u002F75 en 24\u002F78). Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van belanghebbende, bijgestaan door [persoon E] , en namens de inspecteur [persoon F] , [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] .\n\nFeiten\n\n [naam bedrijf] B.V. (de BV) is eigenaresse van het landgoed [naam landgoed] (het landgoed). Het geplaatste kapitaal van de BV bestaat uit 2.268.960 aandelen. Voor de heffing van schenkbelasting kwalificeert de BV op grond van artikel 7a van de Natuurschoonwet (NSW) als fiscaal transparant.\n\n [persoon J] (de schenker) heeft aan belanghebbende geschonken:\n\nop 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 110.000 onder schuldigerkenning;\n\nop 1 januari 2018 bij overeenkomst van schenking € 12.222 in contanten;\n\nop 9 april 2018 bij notariële akte 283.620 aandelen in de BV met een waarde van € 1.897.760;\n\nop 9 april bij notariële akte € 187.500 onder schuldigerkenning; en\n\nin december 2018 € 5.363 in contanten.\n\n3. Belanghebbende heeft op 7 maart 2019 van de schenkingen aangifte schenkbelasting gedaan.\n\n4. In de toelichting bij de aangifte zijn de bezittingen en schulden van de BV als volgt gespecificeerd:\n\nBezittingen\n\nOnder de NSW gerangschikte onroerende zaken\n\n€\n\n16.796.167\n\nNiet onder de NSW gerangschikte onroerende zaken\n\n€\n\n767.435\n\nInventaris\n\n€\n\n37.707\n\nOverige vorderingen\n\n€\n\n270.672\n\nOverlopende activa\n\n€\n\n32.684\n\nLiquide middelen\n\n€\n\n179.060\n\nTotaal bezittingen\n\n€\n\n18.083.725\n\nSchulden\n\nOverige voorzieningen\n\n€\n\n185.000\n\nLanglopende schulden\n\n€\n\n2.707.133\n\nKortlopende schulden\n\n€\n\n109.507\n\nTotaal schulden\n\n€\n\n3.001.640\n\n5. Tot de langlopende schulden behoort een schuld aan de schenker van € 100.000.\n\n6. Met dagtekening 8 april 2021 heeft de inspecteur aanslagen schenkbelasting opgelegd ten aanzien van:\n\nde schenking van € 110.000 naar een te betalen bedrag van € 17.322;\n\nde schenking van € 12.222 naar een te betalen bedrag van € 1.925;\n\nde geschonken aandelen naar een belaste verkrijging van € 1.897.760 en een te betalen bedrag aan schenkbelasting van nihil;\n\nde schenking van € 187.500 naar een te betalen bedrag van € 18.731; en\n\nde schenking van € 5.363 naar een te betalen bedrag van € 844.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n7. De rechtbank beoordeelt of de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog en de invorderingsvrijstelling naar een te laag bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de direct verschuldigde schenkbelasting niet te hoog en het bedrag dat onder de invorderingsvrijstelling valt niet te laag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Tardief\n\n9. Belanghebbende stelt ter zitting dat de aanslagen ten aanzien van de schenkingen die op 1 januari 2018 zijn gedaan, namelijk de schenking van € 110.000 onder schuldigerkenning en de schenking van € 12.222 in contanten, buiten de aanslagtermijn zijn opgelegd. Volgens belanghebbende is dit standpunt niet te laat ingenomen, omdat zijn stelling ziet op een ontvankelijkheidsvraag. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2020.\n\n10. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond tardief is en overweegt daartoe als volgt. De inspecteur heeft naar aanleiding van de stelling van de gemachtigde gesteld dat hij ervan is uitgegaan dat alle aanslagen tijdig zijn opgelegd, dat de tijdigheid van de aanslagen niet eerder aan de orde is geweest en dat hij door de nieuwe stelling wordt overvallen. Desgevraagd heeft de gemachtigde verklaard dat hij een dag voor de zitting ontdekte dat de aanslagen te laat waren opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen argumenten aangevoerd die het in een dusdanig laat stadium inbrengen van een nieuwe beroepsgrond rechtvaardigen. Het toelaten van deze beroepsgrond tot het geding zou meebrengen dat de inspecteur gelegenheid moet krijgen om daarop te reageren, waarbij hij feitelijk onderzoek naar het ingenomen standpunt moet doen. Om adequaat te kunnen reageren op de beroepsgrond zou het vooronderzoek dus moeten worden heropend. Dat zou een aanzienlijke vertraging in de procesgang opleveren. De rechtbank is van oordeel dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij het innemen van een nieuwe beroepsgrond. Hierbij speelt mede dat belanghebbende dit standpunt in elke eerdere fase van het geding ook al had kunnen innemen. Dat hij pas een dag voor de zitting heeft ontdekt dat deze aanslagen te laat zijn opgelegd, dient voor zijn rekening en risico te komen. Ook de verwijzing naar de uitspraak van 9 april 2020 maakt het oordeel niet anders. In die zaak stelde de inspecteur pas voor het eerst tijdens de zitting dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De rechtbank achtte deze stelling niet tardief, omdat de rechtbank ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar moet onderzoeken. Dit geldt niet voor de vraag of een aanslag tijdig is opgelegd, omdat de tijdigheid van het opleggen van een aanslag geen ontvankelijkheidskwestie is.\n\nSchenkbelasting\n\n11. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de direct verschuldigde schenkbelasting te hoog heeft vastgesteld. Volgens belanghebbende moeten de schenkingen eerst op grond van artikel 27 Successiewet 1956 (SW) bij elkaar worden opgeteld en vervolgens moet de verschuldigde schenkbelasting worden berekend. Daarna moet de invorderingsvrijstelling worden toegepast op het landgoed. Belanghebbende heeft de verschuldigde schenkbelasting cijfermatig als volgt onderbouwd, waarbij in kolom A is weergegeven de verschuldigde schenkbelasting, in kolom B de verschuldigde belasting met toepassing van artikel 7 NSW en in kolom C het bedrag van de invorderingsvrijstelling:\n\nA\n\nB\n\nC\n\nSchenking 1\n\n110.000\n\n110.000\n\nSchenking 2\n\n12.222\n\n12.222\n\nSchenking 3\n\n- NSW-landgoederen\n\n2.099.521\n\n- Overige bezittingen\n\n160.945\n\n160.945\n\n- Overige schulden\n\n-362.705\n\n-362.705\n\nSchenking 4\n\n187.500\n\n187.500\n\nSchenking 5\n\n5.363\n\n5.363\n\nTotaal\n\n2.212.845\n\n113.324\n\nVrijstelling schenkbelasting\n\n5.363\n\n5.363\n\nGrondslag schenkbelasting\n\n2.207.482\n\n107.961\n\nHierover verschuldigd\n\n429.171\n\n10.796\n\n418.375\n\nVolgens belanghebbende biedt artikel 27 SW geen ruimte om per schenking een afzonderlijke aanslag op te leggen als deze tot een voordeel van de belastingplichtige leidt. Doordat de inspecteur dit wel heeft gedaan, heeft belanghebbende zowel een deel van de kindvrijstellingals van de invorderingsvrijstelling verloren. Belanghebbende vindt dat de inspecteur ten onrechte per schenking een aanslag heeft opgelegd.\n\n12. De inspecteur stelt dat per schenking allereerst het belastbaar bedrag moet worden bepaald en dat pas daarna voor de toepassing van artikel 27 SW de schenkingen bij elkaar moeten worden opgeteld. Een andersluidende opvatting, zoals die van belanghebbende, heeft tot gevolg dat toepassing van artikel 7 NSW op het landgoed leidt tot een negatieve waarde van de schenking die dan wordt verrekend met de andere schenkingen. Dat is niet juist, omdat van een schenking met een negatieve waarde geen sprake kan zijn. Het belastbare bedrag van de schenking van de aandelen bedraagt dus nihil en daarmee moet rekening worden gehouden bij toepassing van artikel 27 SW.\n\n12. De rechtbank overweegt als volgt. De schenkbelasting is een tijdstipbelasting ter zake van elke afzonderlijke schenkingshandeling.In de systematiek van de schenkbelasting moet daarom allereerst per schenking worden bepaald of sprake is van een belastbaar feit, en zo ja, wat het belastbare bedrag is. Pas daarna wordt toegekomen aan de samentelbepaling van artikel 27 SW. Dit sluit aan bij de systematiek van de SW, waarbij allereerst wordt vastgesteld of sprake is van een belastbaar feit (hoofdstuk I) en vervolgens het belastbare bedrag wordt bepaald (hoofdstuk II). Pas wanneer ter zake van de schenkingen afzonderlijk het belastbare bedrag is vastgesteld wordt toegekomen aan artikel 27 SW (hoofdstuk III: tarief; berekening van de belasting; vrijstellingen). Ten aanzien van de geschonken aandelen bedraagt het totale bedrag aan activa minder dan het totale bedrag aan passiva van de BV wanneer door toepassing van de invorderingsvrijstelling het landgoed buiten beschouwing blijft. Het belastbare bedrag van die schenking is daarom terecht vastgesteld op nihil. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn standpunt dat hij een deel van de kindvrijstelling heeft verloren doordat voor iedere schenking afzonderlijk een aanslag is opgelegd. Wanneer de rechtbank de berekeningen in het beroep- en verweerschrift met elkaar vergelijkt, dan stelt zij vast dat partijen op hetzelfde bedrag aan verschuldigde schenkbelasting komen en dat in beide berekeningen rekening is gehouden met de kindvrijstelling. Voor zover belanghebbende toch van mening is dat de inspecteur de kindvrijstelling maar voor een deel heeft toegepast, hetgeen de rechtbank niet is gebleken, heeft belanghebbende geen antwoord kunnen geven op de vraag welke aanslag te hoog is vastgesteld doordat met de kindvrijstelling onvoldoende rekening is gehouden. Verder volgt zij belanghebbende ook niet in haar stelling dat de invorderingsvrijstelling slechts voor een deel is toegepast. De invorderingsvrijstelling heeft tot doel te verhinderen dat particuliere landgoederen in gedeelten uiteenvallen vanwege de hoge last van de schenk- en\u002Fof erfbelastingen in dit geval blijft het gehele bedrag aan schenkbelasting betreffende de geschonken buiten de invordering. De omstandigheid dat de negatieve waarde die door toepassing van artikel 7 NSW is ontstaan niet kan worden verrekend met andere schenkingen betekent niet dat de invorderingsvrijstelling dus te beperkt is toegepast.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n14. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het de arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024.\n\n15. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 18 mei 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) vier jaren en vier maanden. Dat is langer dan de redelijke termijn van twee jaren. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 28 maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500 per half jaar naar boven afgerond. Omdat meerdere zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp hanteert de rechtbank voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.500. In de omstandigheid dat de zaken van belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld met de zaken van vier andere belastingplichtigen waarvan de zaken ook betrekking hebben op hetzelfde onderwerp als de zaken van belanghebbende ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te verminderen tot een bedrag van € 500.\n\n16. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 29 augustus 2023. Dit is afgerond 22 maanden langer dan zes maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank zal de inspecteur en de Staat daarom veroordelen om de schadevergoeding aan belanghebbende te betalen ter grootte van respectievelijk € 393 (22\u002F28 * € 500) en € 107 (6\u002F28 * € 500).\n\n16. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende ongelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, behalve € 226,75 voor het verzoek om een immateriële schadevergoeding (1 punt met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25) Omdat op grond van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht de zaken van belanghebbende samenhangen met de zaken van vier andere belastingplichtigen vermenigvuldigd de rechtbank de vermelde vergoeding met 1,5 en deelt de rechtbank de vergoeding door vijf. De totale vergoeding bedraagt daarmee afgerond € 68,03 (€ 226,75 x 1,5 = € 340,13 \u002F 5). De inspecteur en de Staat moeten ieder de helft vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nveroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 393;\n\nveroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 107;\n\nbepaalt dat de inspecteur de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,01;\n\nbepaalt dat de Staat de proceskosten van belanghebbende vergoedt tot een bedrag van € 34,02.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wessels, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. J.A.L. Heldens, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Zeldenrust, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nde voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2020:2229.\n\n Artikel 33, eerste lid, ten vijfde, SW.\n\n Hoge Raad 10 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2840, r.o. 2.3.4.\n\n Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1183, r.o. 3.3.1.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n ECLI:NL:HR:2024:853.\n\n Vgl. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.\n\n Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.\n\n Hoge Raad 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216 en Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:865.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:7333","2026-07-13T00:29:13.387Z",20]