[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-environmental-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":76,"limit":77},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2023-02-07T00:00:00.000Z","2026-04-16T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,54,61,69],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1991","ECLI:NL:RBGEL:2026:2963","ecli-nl-rbgel-2026-2963","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7550\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris van Landbouw. Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V. uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens de eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Rotterdam Airport heeft op 1 oktober 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerp-natuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.2.. \n\nIn de zienswijze staat het volgende verzoek onder de kop ‘passende maatregelen’: ‘Cliënten verzoeken u dan ook om op grond van art. 2.4 Wnb maatregelen te treffen, teneinde te voorkomen dat de beslaande activiteiten van RTHA significante effecten veroorzaken, en voor zover er geen sprake is van significante effecten maar wel van effecten, de stikstofdepositie vanwege de bestaande activiteiten van RTHA op\n\noverbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar een (dreigende) verslechtering of verstoring met significante gevolgen van de natuurwaarden optreedt als gevolg van de totale) stikstofbelasting, zo ver als in redelijkheid haalbaar is terug te dringen en in ieder\n\ngeval er voor te zorgen dat er conform het advies van het Adviescollege een vermindering\n\nvan de huidige NOx-emissies wordt veroorzaakt, en daarmee een vermindering van de\n\nhuidige NOx-deposities, die passend bijdraagt aan de noodzakelijke daling van stikstofdeposities op de betrokken Natura2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Cliënten denken dan met name aan het type maatregelen als is opgenomen in art 2.4 lid 1\n\nonder b, c en of d.’\n\n3.3.. Verweerder heeft het verzoek in de zienswijze van 25 maart 2021 aangemerkt in het besluit van 6 januari 2022 als een aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wnb (het primaire besluit). In dit primaire besluit heeft verweerder overwogen dat hij het kader uit de Logtsebaan-uitspraakvolgt bij de behandeling van het verzoek hoewel in dit geval geen sprake is van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Zowel de intrekking als de aanschrijvingsbevoegdheid zijn volgens verweerder instrumenten om te voldoen aan de verplichting uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om verslechtering van de kwaliteit van habitats en significante verstoring van soorten te voorkomen. Bovendien vallen projecten waarvoor toestemming is verleend voor de Europese referentiedatum en die (grotendeels) zijn vrijgesteld van de verplichting uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn volgens vaste Europese jurisprudentie onder de beschermingsverplichting van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, aldus verweerder. Verweerder heeft het verzoek van eisers in het primaire besluit afgewezen.3.4.. In de beslissing op bezwaar van 3 februari 2023 (de eerste beslissing op bezwaar) op het bezwaar van eisers heeft verweerder aangegeven dat de rekenresultaten van een depositieberekening met AERIUS-Calculator op een grotere afstand van 25 km van de bron niet met voldoende wetenschappelijke zekerheid aan een individueel project of een mitigerende maatregel kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft daarom alleen die gebieden bij de beoordeling betrokken die binnen een straal van 25 km rondom Rotterdam Airport zijn gelegen. Volgens verweerder dient daarnaast de stikstofdepositie van vliegtuigen op grotere hoogte dan 3000 voet (= 914.40 meter) niet in de berekening te worden meegenomen. Verweerder overweegt verder in de eerste beslissing op bezwaar dat aan de twee voorwaarden met de Logtsebaan-uitspraak wordt voldaan, zodat het noodzakelijk kan zijn om passende maatregelen ten aanzien van Rotterdam Airport te treffen. Daarom dient volgens verweerder te worden beoordeeld of het (gedeeltelijk) stoppen van de activiteiten die samenhangen met de exploitatie van Rotterdam Airport of het beperken ervan, doelmatig en doeltreffend zijn in het licht van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen en om (verdere) verslechtering te voorkomen.\n\n3.5.. In de uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen de eerste beslissing op bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder in de eerste beslissing op bezwaar onvoldoende had gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn.\n\n3.6.. Op 22 oktober 2024 hebben eisers een beroepschrift ingediend bij de rechtbank waarin zij de rechtbank verzoeken om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\n3.7.. Op 8 januari 2025 heeft verweerder besloten op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit).In het bestreden besluit heeft de minister wederom het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het wettelijk kader dat van toepassing is op deze procedure, waaronder het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op het toetsingskader dat van toepassing is. Tijdens deze bespreking gaat de rechtbank ook in op het argument van verweerder waarin hij stelt dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb niet toegepast kan worden op het verzoek van eisers. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van eisers waarin zij betogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een (blijvende) daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat de daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden gelijk staat aan de stikstofreductie, die noodzakelijk is om verslechtering in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen.\n\nWettelijk kader\n\nOvergangsrecht Omgevingswet\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb is ingediend op 25 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\n5.2.. \n\nArtikel 2.4 van de Wnb luidt als volgt:\n\n‘‘1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:\n\nInformatie over de handeling verstrekken;\n\nDe nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;\n\nDe handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of;\n\nDe handeling niet uit te voeren of te staken.\n\n2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.\n\n3. Provinciale staten stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen bij verordening regels, houdende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid. Ten aanzien van deze handelingen geven gedeputeerde staten geen toepassing aan het eerste lid.\n\n4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.’\n\nKan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast?\n\n6. Verweerder betoogt dat er geen grondslag is om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb komt alleen aan de orde als de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan de activiteiten van één gebruiker, aldus verweerder. Dit leidt verweerder af uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnben de Natuurbeschermingswet 1998.In dit geval is sprake van stikstofoverbelasting op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door verschillende activiteiten en daarom is niet de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, maar juist van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb volgens verweerder aangewezen. Verweerder stelt dat de vraag hoe invulling wordt gegeven aan artikel 2.4, derde lid, van de Wnb niet kan worden uitgevochten over de rug van één willekeurige individuele activiteit die geen relevante bijdrage aan de totale stikstofdepositie levert. De vraag of de Staat voldoende doet ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan volgens verweerder aan de orde komen in een civiele procedure.De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) noopt er volgens verweerder ook niet toe dat deze discussie in een dergelijke procedure wordt gevoerd. Uit deze rechtspraak volgt volgens verweerder alleen dat een ex-post beoordeling van een activiteit aan de orde is wanneer dat de enige passende maatregel is.\n\n6.1.. Ter zitting hebben eisers hierover gesteld dat dit argument van verweerder niet (meer) in deze procedure aan de orde kan komen. Eisers stellen dat deze rechtbank in haar uitspraak van 16 april 2024 uitdrukkelijk in rechtsoverweging 7 heeft overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing is. Voor zover het bovenstaande argument wel aan de orde kan komen, kan de aanschrijvingsbevoegdheid in deze procedure wel worden toegepast, aldus eisers. Eisers stellen dat uit de memorie van toelichting niet volgt dat het onderscheid tussen het eerste en derde lid van artikel 2.4, van de Wnb zo strikt moet worden uitgelegd zoals verweerder dat doet.\n\n6.2.. De rechtbank vat de stelling van eisers zo op dat zij een beroep doen op de zogenoemde Brummen-rechtspraak. Uit deze rechtspraak volgt dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank echter niet ondubbelzinnig overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing was. In deze uitspraak heeft namelijk de bevoegdheid om artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb toe te passen in de betreffende procedure niet ter discussie gestaan. Hierdoor is dit argument niet door de rechtbank in de eerdere uitspraak ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke bespreking van dit argument.\n\n6.3.. De rechtbank stelt voorop dat in de tekst van de Wnb niet staat dat een individuele aanschrijving alleen toegepast kan worden wanneer sprake is van één veroorzaker van de dreigende verslechtering. De rechtbank acht de tekst van de Wnb voldoende duidelijk en acht het daarom op zich niet noodzakelijk om in te gaan op de memorie van toelichting voor de uitleg van de Wnb. Maar omdat het betoog van verweerder betrekking heeft op die memorie van toelichting, zal de rechtbank hieronder daarop desondanks ingaan.\n\n6.4.. In de passage op de pagina’s 106-107 van de memorie van toelichting bij de Wnb gaat de wetgever in op de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Volgens de wetgever ligt het voor de hand wanneer de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan een activiteit van één gebruiker, dat die activiteit wordt gestaakt of aangepast door inzet van een individuele aanschrijving. Verder wordt gesteld dat wanneer het bevoegd gezag constateert dat een bepaalde categorie van activiteiten op een gelijke wijze belastend is voor de natuurwaarden, het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wenselijk is dat voor alle betrokkenen dezelfde regels gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat dit ook efficiënter is ten opzichte van de situatie dat voor veel betrokkenen dezelfde beschikking moet worden vastgesteld.De rechtbank maakt uit deze passage, anders dan verweerder, niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet ingezet kan worden als sprake is van de situatie dat er meerdere veroorzakers zijn van de verslechtering van de natuurwaarden. De rechtbank acht hiertoe van belang dat in deze passage niet een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om de individuele aanschrijvingsbevoegdheid toe te passen en dat de wetgever ruimte laat voor het toepassen van artikel 2.4, eerste lid, dan wel artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Dit leidt de rechtbank af uit de gebruikte woorden ‘wenselijk’, ‘voor de hand liggen’ en ‘efficiënter’. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de wetgever het aanschrijven van verschillende individuen classificeert als ‘niet efficiënt’ en de wetgever het niet voor de hand vindt liggen om op deze wijze de bevoegdheid uit te oefenen, niet tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet mag toepassen in situaties wanneer sprake is van meerdere veroorzakers van de verslechtering van de natuurwaarden.\n\n6.5.. Uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnb maakt de rechtbank ook niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast in situaties dat de activiteit van één individuele gebruiker voor een (dreigende) verslechtering van de betreffende natuurwaardes zorgt. De toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb wordt namelijk niet uitgezonderd voor toepassing in individuele gevallen wanneer sprake is van meerdere activiteiten die de verslechtering tot gevolg hebben. Enkel is in deze passage neergelegd dat de individuele aanschrijving ‘ook’ goed inzetbaar is voor situaties waarin onmiddellijk moet worden ingegrepen om schade voor de te beschermen natuurwaarden te voorkomen.\n\n6.6.. De verwijzing door verweerder naar de passage uit de memorie van toelichting bij de Natuurbeschermingswet 1998 brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de omstandigheid dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is, blijkt ook uit deze passage niet dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast in situaties dat sprake is van één veroorzaker van de verslechtering.\n\n6.7.. Voor zover verweerder betoogt dat het Hof niet verplicht tot het beperken van een toegestane activiteit (in dit geval het binnen de referentiesituatie blijven), overweegt de rechtbank dat verweerder dit terecht aangeeft. De nationale wetgever heeft namelijk een beoordelingsmarge bij het implementeren van zijn verplichtingen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals eerder overwogen door het Hof in zijn arrest van 7 november 2018, is met de intrekkingsbevoegdheid in artikel 5.4 van de Wnb en de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb voldoende invulling gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wnb.Het enkele feit dat het Hof niet verplicht tot het aanschrijven, neemt niet weg dat de nationale wetgever heeft besloten om ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb op te nemen.\n\n6.8.. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in wat verweerder heeft betoogd, geen grond om te oordelen dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb alleen toegepast kan worden in situaties dat de toegestane activiteit de enige oorzaak is van de dreigende verslechtering of significante verstoring. De uitleg van het wettelijk kader, zoals is uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, behoeft daarom geen aanpassing.\n\nToetsingskader\n\n7. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen kan in onderhavige procedure de individuele aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast. Verder kan het kader dat ziet op de intrekkingsbepaling uit artikel 5.4 van de Wnb ook worden toegepast bij de aanschrijvingsbevoegdheid op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Artikel 2.4 van de Wnb geeft namelijk net als artikel 5.4 van de Wnb invulling aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank zal daarom, net als in de uitspraak van 16 april 2024, het in de Logtsebaan-uitspraakgegeven kader hanteren.\n\nLogtsebaan-uitspraak\n\n8. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat in artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb besloten ligt dat een zelfstandige grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan, staat vast dat ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn passende maatregelen moeten worden getroffen om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen die passend zijn. Dit betekent dat het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning als passende maatregel kan worden ingezet, maar dat ook andere passende maatregelen kunnen worden getroffen. Als intrekking of wijziging van de natuurvergunning echter de enige passende maatregel is, moet de vergunning worden ingetrokken. Als het bevoegd gezag niet voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning kiest, moet hij inzichtelijk maken op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan zijn beoordelingsruimte. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het bevoegd gezag dat kan doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat die effectief zijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op de daling van stikstofdepositie, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstof reducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of wijziging van de natuurvergunning, al dan niet in samenhang met de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen, nadrukkelijk in beeld, met name als die intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\nHeeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden?\n\n9. Eisers betogen dat verweerder met de verwijzing naar de gegevens uit AERIUS Monitor niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Eisers voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat uit emissiegegevens van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het RIVM niet evident volgt dat sprake is van een dalende trend van ammoniakemissies. Volgens eisers volgt uit de registratie door de provincie Zuid-Holland ook niet evident een structurele daling van NOx-emissies in Zuid-Holland Verder heeft het RIVM geconcludeerd dat de gemiddelde stikstofdepositie in 2021 op Nederlands oppervlak 3% hoger was dan in 2020, zodat hieruit ook geen voortdurende daling volgt. Eisers betogen in de tweede plaats dat de uitgangspunten van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (KEV 2022) achterhaald zijn. Eisers wijzen er in dit verband op dat de olie-, gas en kolenprijs zich anders ontwikkelt dan waarvan in de KEV 2022 is uitgegaan en dat er meer gas wordt gewonnen en de gasvraag hoger ligt dan waarvan de KEV 2022 uitgaat. Volgens eisers leiden al deze ontwikkelingen ertoe dat hogere emissies zijn te verwachten dan waarmee in de KEV 2022 rekening is gehouden. Eisers betogen verder dat onzeker is of de gepresenteerde maatregelen uit de KEV 2022 ook daadwerkelijk zullen worden genomen. Eisers voeren hiertoe aan dat in de AERIUS Monitor niet alleen vastgesteld beleid is meegenomen, maar ook voorgenomen beleid dat voldoende concreet is om door te rekenen. Eisers voeren verder aan dat de effecten van de maatregelen die zijn meegenomen veelal onzeker zijn. Eisers wijzen op een aantal maatregelen in de sectoren Landbouw, Mobiliteit, Industrie en Energie waarvan de effecten onzeker zijn of zelfs aantoonbaar tegenvallen.\n\n9.1.. Verweerder voert hierover aan dat de depositiecijfers die zijn opgenomen in het bestreden besluit afkomstig zijn uit AERIUS Monitor 2023.Deze gegevens zijn volgens verweerder gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke kennis en daarom mag hij van deze gegevens uitgaan.Verder stelt verweerder dat in de afgelopen jaren wel degelijk sprake is geweest van een afname van de emissies van ammoniak en stikstofdioxiden. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de monitoringsrapportage van het RIVM van oktober 2024 (de monitoringsrapportage 2024).Daarbij merkt verweerder op dat de bevindingen uit de monitoringsrapportage niet zodanig afwijken van de werkelijkheid, dat daarvan in redelijkheid niet kan worden uitgegaan.\n\n9.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat eisers ten onrechte betogen dat geen sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie. Uit de inzichten die in de meest recente versie van Aerius Monitor zijn verwerkt volgt dat in de toekomst sprake zal zijn van een daling in stikstofdepositie op gebiedsniveau, aldus Rotterdam Airport. Daarbij merkt Rotterdam Airport op dat aanvullend beleid niet is meegenomen in de depositieramingen uit Aerius monitor, ondanks dat dit beleid ondertussen wel is vastgesteld.\n\n9.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, voor zover relevant, de volgende passage is opgenomen:\n\n‘AERIUS Monitor\n\nAERIUS Monitor biedt informatie over de totale stikstofbelasting op Natura 2000- gebieden en waar deze vandaan komt. Verder - en dat is hier vooral van belang- geeft AERIUS Monitor per Natura 2000-gebied inzicht in de stikstofdepositietrend voor de komende jaren. Ik voeg hiervoor bijlage 2 toe. Dat is een tabel van de depositietrend voor de Natura 2000-gebieden waarop de luchthaven stikstof deponeert. Ik heb de stikstofdepositiegegevens van de luchthaven ontleend aan de GML-bestanden die in AERIUS zijn ingevoerd ten behoeve van de vergunningaanvraag voor de luchthaven.\n\nUit deze gegevens van de meest recente AERIUS Monitor blijkt zonder uitzondering dat de stikstofdepositie in al deze Natura 2000-gebieden daalt en dat deze daling op middellange termijn ook doorzet. Hierbij is het goed om aan te geven dat AERIUS Monitor bij de berekening van de depositiegegevens is uitgegaan van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Die gebruikt hiervoor als basis de Klimaat en Energieverkenning (KEV) uit 2022 (KEV2022). De KEV geeft inzicht in de ontwikkeling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, waaronder ook stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). De KEV2022 gaat voor zijn emissieramingen alleen uit van maatregelen die op of voor 1 mei 2022 concreet waren geformuleerd en bindend waren vastgelegd, het zogenoemde 'vastgestelde beleid'. Dit betekent dat een aantal van de hierboven genoemde maatregelen - zoals de Lbv en Lbv-plus, SAB en de Europese walstroomplicht voor zeeschepen - niet zijn meegenomen in de berekening van de depositietrend, deze zijn namelijk pas later in werking getreden. Deze maatregelen kunnen dus nog tot extra reductie leiden ten opzichte van de depositietrend die nu in AERIUS Monitor valt af te lezen’\n\nVerder is in het bestreden besluit de volgende bijlage opgenomen:\n\n9.4.. Voor de gegevens over de ontwikkeling van de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden heeft verweerder verwezen naar de gegevens uit AERIUS Monitor. Voor de stikstofdepositie in de historische jaren wordt daarbij uitgegaan van de gegevens in de emissieregistratie van het RIVM en voor de toekomstige jaren van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op basis van de KEV 2022.\n\n9.5.. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder, door te verwijzen naar de gegevens uit AERIUS Monitor, aannemelijk heeft gemaakt dat op de betrokken Natura 2000-gebieden sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie.\n\n9.6.. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat berekeningen met het AERIUS-rekenmodel een mate van onzekerheid bevatten, niet betekent dat dit rekenmodel niet mag worden gehanteerd om de toekomstige stikstofdepositie op gebiedsniveau te berekenen. De minister mag zich voor de stikstofdepositieberekeningen baseren op de AERIUS Monitor zoals die beschikbaar was ten tijde van de passende beoordeling en het bestreden besluit. Dit kan anders zijn als er op dat moment concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de geschiktheid daarvan. Daarvoor ziet de rechtbank in wat eisers naar voren hebben gebracht echter geen aanleiding.Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de monitoringsrapportage van het RIVM van november 2024blijkt stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten tijde van de tweede beslissing op bezwaar in Nederland was gedaald en bleef dalen.\n\nIs de veronderstelde daling voldoende zeker?\n\n10. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aantonen van de blijvende daling van stikstofdepositie voldoende is. Eisers stellen dat de gegeven uitleg door verweerder in het bestreden besluit onjuist is. Volgens eisers is slechts aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voldaan, indien zonder wetenschappelijke twijfel wordt aangetoond dat verslechtering met andere passende maatregelen wordt voorkomen. Gelet op het feit dat verweerder geen ecologische duiding heeft gegeven van de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, heeft verweerder niet aan de motiveringsplicht voldaan volgens eisers. Verder stellen eisers ook dat verweerder de wettelijke reductiedoelstellingen van artikel 1.12a, van de Wnb in het bestreden besluit had moeten betrekken.\n\n10.1.. Verweerder heeft in het bestreden besluit verschillende maatregelen genoemd die volgens hem leiden of zullen leiden tot de stikstofreductie in Natura 2000-gebieden. Dit zijn achtereenvolgens: Het Maatwerkvoorschrift (ten opzichte van de referentiesituatie geen toename in stikstof voor Rotterdam Airport); Maatregelen door Rijksoverheid die tot doel hebben om de stikstofemissie te verlagen; Beleidskeuze van de Provincie Zuid-Holland om de depositie van stikstof op natuurgebieden te verminderen; Vlaamse stikstofmaatregelen.10.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat verweerder met de geleverde onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetoonde daling van stikstofdepositie ook de noodzakelijke daling behelst en daarmee passende maatregelen niet zijn vereist.10.3.. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen.Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt.Het is met andere woorden aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen.\n\n10.4.. Omdat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de keuze van de passende maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen met significante gevolgen voor natuurwaarden te voorkomen, zal hij als die omstandigheden zich voordoen, moeten beslissen of het aanschrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb als passende maatregel wordt ingezet of dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Als de aanschrijving de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van betrokken natuurwaarden te voorkomen, dan moet verweerder gebruik maken van deze bevoegdheid.\n\n10.5.. Verweerder moet in het besluit op een verzoek om aan te schrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb inzichtelijk maken op welke wijze het invulling heeft gegeven aan de beoordelingsruimte die hij heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Als verweerder de gevraagde maatregel niet als passende maatregel wil inzetten terwijl dat wel zou kunnen, dan moet hij inzichtelijk maken dat de gevraagde maatregel niet de enige passende maatregel is en als dat zo is, waarom de gevraagde maatregel geen onderdeel hoeft uit te maken van de maatregelen die wel worden getroffen. Verweerder kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de toekomstige maatregelen zullen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat de maatregelen effect zullen sorteren.\n\n10.6.. In het geval waarin de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb ziet op een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op (zwaar) overbelaste natuurwaarden die onder druk staan en dreigen te verslechteren, is het volgende van belang.\n\n10.7.. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Verweerder kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen en al zijn of nog zullen worden getroffen. Verweerder moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan, en het betrokken pakket of programma ook voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\n10.8.. Het bovenstaande betekent dat verweerder niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van verweerder noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft verweerder, anders dan eisers stellen, daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan verweerder voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Verweerder zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat verweerder inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.\n\n10.9.. Verweerder is in het bestreden besluit aangesloten bij de motiveringseis uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024. Uit deze uitspraak volgt dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan als aannemelijk is gemaakt dat met andere maatregelen een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.\n\n10.10.. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (en in het verlengde daarvan artikel 2.4, eerste lid van de Wnb) ziet op de vraag of de intrekking nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Anders dan door verweerder is betoogd, gaat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 niet over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, maar over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de motiveringsplicht dat de intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet aangesloten worden bij de Logtsebaan-uitspraak. Dit betekent dat verweerder moet motiveren welke keuzes zijn gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.\n\n10.11.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de daling van stikstofdepositie van de aangedragen maatregelen voldoende is om verslechtering van de betreffende Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet enkel kunnen volstaan met de conclusie dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de afzonderlijke maatregelen zoals die zijn opgesomd onder b en c in het bestreden besluit en welke effecten deze maatregelen hebben op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Hiermee is niet inzichtelijk dat de maatregelen zullen leiden tot een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Dat volgens verweerder door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in de betreffende Natura 2000-gebieden. Het had op de weg van verweerder gelegen om, met inachtneming van de kritische depositiewaardes en de actuele Natuurdoelanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden, inzichtelijk te maken wat de kenmerken van deze gebieden zijn en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor de betreffende Natura 2000-gebieden om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op wat de rechtbank onder 10.11 heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Daarom zal het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat met het verweerschrift niet alsnog een toereikende motivering is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eisers om op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb over te gaan tot het beperken van de activiteiten van Rotterdam Airport, opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van acht weken.\n\n11.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak niet in op de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de keuze welke passende maatregelen worden getroffen, maar in het kader van die afweging moeten eerst de gevolgen van de passende maatregelen goed in kaart worden gebracht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is dat nog niet goed gebeurd.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n12. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 371,- vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 januari 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2156.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2156, r.o. 15.\n\n Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 106-107 & p. 256.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2006\u002F07, 31038, nr. 3, p. 7-8.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578, waaruit volgens verweerder blijkt dat de civiele rechter deze rol ook inneemt.\n\n Hierbij verwijst verweerder naar het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2404, r.o. 15.1.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 107.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, onder punten 133-135.\n\n De uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 6.3, behoeft de uitleg van het wettelijk kader als bedoeld in de Logtsebaan-uitspraak, geen aanpassing. Later is dit toetsingskader onder meer nog toegepast in de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5598.\n\n In het bestreden besluit is opgenomen de ‘meest recente versie’ van AERIUS Monitor.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12 e.v.\n\n Volledig: de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, paragraaf 4.1.1 en 4.1.2.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12.1.\n\n Volledig: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025, RIVM-rapport 2025-0021, november 2025.\n\nMonitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, RIVM-rapport 2024-0076, 1 oktober 2024, p. 47.\n\n Vergelijk het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 40.\n\n Zie rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2973 en rechtsoverweging 10.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 4 en 11.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 11.1.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2963","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:48.897Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1998","ECLI:NL:RBGEL:2026:2970","ecli-nl-rbgel-2026-2970","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7549\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, uit Tilburg,\n\nVereniging Natuurmonumenten, uit Amersfoort, eisers,\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof (thans: de staatssecretaris van Landbouw. Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Eindhoven Airport N.V., uit Eindhoven, Eindhoven Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eindhoven Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Eindhoven Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] , [persoon J] , [persoon K] , [persoon L] , [persoon M] , [persoon N] en [persoon O] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Eindhoven Airport heeft op 1 oktober 2020 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project \"civiel gebruik Eindhoven Airport\" ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerp-natuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.2.. \n\nIn de zienswijze staat het volgende verzoek onder de kop ‘passende maatregelen’: ‘Cliënten verzoeken u dan ook om op grond van art. 2.4 Wnb maatregelen te treffen, teneinde te voorkomen dat de beslaande activiteiten van Eindhoven Airport significante effecten veroorzaken, en voor zover er geen sprake is van significante effecten maar wel van effecten, de stikstofdepositie vanwege de bestaande activiteiten van Eindhoven Airport op\n\noverbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waar een (dreigende) verslechtering of verstoring met significante gevolgen van de natuurwaarden optreedt als gevolg van de totale) stikstofbelasting, zo ver als in redelijkheid haalbaar is terug te dringen en in ieder\n\ngeval er voor te zorgen dat er conform het advies van het Adviescollege een vermindering\n\nvan de huidige NOx-emissies wordt veroorzaakt, en daarmee een vermindering van de\n\nhuidige NOx-deposities, die passend bijdraagt aan de noodzakelijke daling van stikstofdeposities op de betrokken Natura2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Cliënten denken dan met name aan het type maatregelen als is opgenomen in art 2.4 lid 1\n\nonder b. c en of d.’\n\n3.3.. Verweerder heeft het verzoek in de zienswijze van 25 maart 2021 in het besluit van 6 januari 2022 aangemerkt als een aanvraag om toepassing te geven aan artikel 2.4 van de Wnb (het primaire besluit). In dit primaire besluit heeft verweerder overwogen dat hij het kader uit de Logtsebaan-uitspraakvolgt bij de behandeling van het verzoek, hoewel in dit geval geen sprake is van een verzoek om intrekking van een natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Zowel de intrekking als de aanschrijvingsbevoegdheid zijn volgens verweerder instrumenten om te voldoen aan de verplichting uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn om verslechtering van de kwaliteit van habitats en significante verstoring van soorten te voorkomen. Bovendien vallen projecten waarvoor toestemming is verleend voor de Europese referentiedatum en die (grotendeels) zijn vrijgesteld van de verplichting uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn volgens vaste Europese jurisprudentie onder de beschermingsverplichting van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn, aldus verweerder. Verweerder heeft het verzoek van eisers in het primaire besluit afgewezen.3.4.. In de beslissing op het bezwaar van eisers van 27 februari 2023 (de eerste beslissing op bezwaar) heeft verweerder aangegeven dat de rekenresultaten van een depositieberekening met AERIUS-Calculator op een grotere afstand van 25 km van de bron niet met voldoende wetenschappelijke zekerheid aan een individueel project of een mitigerende maatregel kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft daarom alleen die gebieden bij de beoordeling betrokken die binnen een straal van 25 km rondom Eindhoven Airport zijn gelegen. Volgens verweerder dient daarnaast de stikstofdepositie van vliegtuigen op grotere hoogte dan 3000 voet (= 914.40 meter) niet in de berekening te worden meegenomen. Verweerder overweegt verder in de eerste beslissing op bezwaar dat aan de twee voorwaarden met de Logtsebaan-uitspraak wordt voldaan, zodat het noodzakelijk kan zijn om passende maatregelen ten aanzien van Eindhoven Airport te treffen. Daarom dient volgens verweerder te worden beoordeeld of het (gedeeltelijk) stoppen van de activiteiten die samenhangen met de exploitatie van Eindhoven Airport of het beperken ervan, doelmatig en doeltreffend zijn in het licht van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen en om (verdere) verslechtering te voorkomen.\n\n3.5.. In de uitspraak van 16 april 2024 heeft deze rechtbank het beroep van eisers tegen de eerste beslissing op bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn.\n\n3.6.. Op 22 oktober 2024 hebben eisers een beroepschrift ingediend bij de rechtbank waarin zij de rechtbank verzoeken om verweerder op te dragen zo spoedig mogelijk een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.\n\n3.7.. Op 8 januari 2025 heeft verweerder alsnog besloten op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit).In het bestreden besluit heeft verweerder wederom het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het wettelijk kader dat van toepassing is op deze procedure, waaronder het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op het toetsingskader dat van toepassing is. Tijdens deze bespreking gaat de rechtbank ook in op het argument van verweerder waarin hij stelt dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb niet toegepast kan worden op het verzoek van eisers. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van eisers waarin zij betogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een (blijvende) daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder niet heeft gemotiveerd dat de daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden gelijk staat aan de stikstofreductie, die noodzakelijk is om verslechtering in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen.Wettelijk kader\n\nOvergangsrecht Omgevingswet\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag tot het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb is ingediend op 25 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\n5.2.. Artikel 2.4 van de Wnb luidt als volgt: ‘1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:\n\nInformatie over de handeling verstrekken;\n\nDe nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;\n\nDe handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of;\n\nDe handeling niet uit te voeren of te staken.\n\n2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.\n\n3. Provinciale staten stellen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, ten aanzien van categorieën van handelingen bij verordening regels, houdende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid. Ten aanzien van deze handelingen geven gedeputeerde staten geen toepassing aan het eerste lid.\n\n4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.’\n\nKan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast?\n\n6. Verweerder betoogt dat er geen grondslag is om toepassing te geven aan artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb komt alleen aan de orde als de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan de activiteiten van één gebruiker, aldus verweerder. Dit leidt verweerder af uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnben de Natuurbeschermingswet 1998.In dit geval is sprake van stikstofoverbelasting op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door verschillende activiteiten en daarom is niet de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, maar juist van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb volgens verweerder aangewezen. Verweerder stelt dat de vraag hoe invulling wordt gegeven aan artikel 2.4, derde lid, van de Wnb niet kan worden uitgevochten over de rug van één willekeurige individuele activiteit die geen relevante bijdrage aan de totale stikstofdepositie levert. De vraag of de Staat voldoende doet ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn kan volgens verweerder aan de orde komen in een civiele procedure.De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) noopt er volgens verweerder ook niet toe dat deze discussie in een dergelijke procedure wordt gevoerd. Uit deze rechtspraak volgt volgens verweerder alleen dat een ex-post beoordeling van een activiteit aan de orde is wanneer dat de enige passende maatregel is.\n\n6.1.. Ter zitting hebben eisers hierover gesteld dat dit argument van verweerder niet (meer) in deze procedure aan de orde kan komen. Eisers stellen dat deze rechtbank in haar uitspraak van 16 april 2024 uitdrukkelijk in rechtsoverweging 7 heeft overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing is. Voor zover het bovenstaande argument wel aan de orde kan komen, kan de aanschrijvingsbevoegdheid in deze procedure wel worden toegepast, aldus eisers. Eisers stellen dat uit de memorie van toelichting niet volgt dat het onderscheid tussen het eerste en derde lid van artikel 2.4, van de Wnb zo strikt moet worden uitgelegd zoals verweerder dat doet.\n\n6.2.. De rechtbank vat de stelling van eisers zo op dat zij een beroep doen op de zogenoemde Brummen-rechtspraak. Uit deze rechtspraak volgt dat het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat, als in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.In de uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank echter niet ondubbelzinnig overwogen dat artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb van toepassing was. In deze uitspraak heeft namelijk de bevoegdheid om artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb toe te passen in de betreffende procedure niet ter discussie gestaan. Hierdoor is dit argument niet door de rechtbank in de eerdere uitspraak ondubbelzinnig en zonder voorbehoud verworpen. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke bespreking van dit argument.\n\n6.3.. De rechtbank stelt voorop dat in de tekst van de Wnb niet staat dat een individuele aanschrijving alleen toegepast kan worden wanneer sprake is van één veroorzaker van de dreigende verslechtering. De rechtbank acht de tekst van de Wnb voldoende duidelijk en acht het daarom op zich niet noodzakelijk om in te gaan op de memorie van toelichting voor de uitleg van de Wnb. Maar omdat het betoog van verweerder betrekking heeft op die memorie van toelichting, zal de rechtbank hieronder daarop desondanks ingaan.\n\n6.4.. In de passage op de pagina’s 106-107 van de memorie van toelichting bij de Wnb gaat de wetgever in op de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Volgens de wetgever ligt het voor de hand wanneer de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan een activiteit van één gebruiker, dat die activiteit wordt gestaakt of aangepast door inzet van een individuele aanschrijving. Verder wordt gesteld dat wanneer het bevoegd gezag constateert dat een bepaalde categorie van activiteiten op een gelijke wijze belastend is voor de natuurwaarden, het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wenselijk is dat voor alle betrokkenen dezelfde regels gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat dit ook efficiënter is ten opzichte van de situatie dat voor veel betrokkenen dezelfde beschikking moet worden vastgesteld.De rechtbank maakt uit deze passage, anders dan verweerder, niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet ingezet kan worden als sprake is van de situatie dat er meerdere veroorzakers zijn van de verslechtering van de natuurwaarden. De rechtbank acht hiertoe van belang dat in deze passage niet een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om de individuele aanschrijvingsbevoegdheid toe te passen en dat de wetgever ruimte laat voor het toepassen van artikel 2.4, eerste lid, dan wel artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Dit leidt de rechtbank af uit de gebruikte woorden ‘wenselijk’, ‘voor de hand liggen’ en ‘efficiënter’. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de wetgever het aanschrijven van verschillende individuen classificeert als ‘niet efficiënt’ en de wetgever het niet voor de hand vindt liggen om op deze wijze de bevoegdheid uit te oefenen, niet tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet mag toepassen in situaties wanneer sprake is van meerdere veroorzakers van de verslechtering van de natuurwaarden.\n\n6.5.. Uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnb maakt de rechtbank ook niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast in situaties dat de activiteit van één individuele gebruiker voor een (dreigende) verslechtering van de betreffende natuurwaardes zorgt. De toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb wordt namelijk niet uitgezonderd voor toepassing in individuele gevallen wanneer sprake is van meerdere activiteiten die de verslechtering tot gevolg hebben. Enkel is in deze passage neergelegd dat de individuele aanschrijving ‘ook’ goed inzetbaar is voor situaties waarin onmiddellijk moet worden ingegrepen om schade voor de te beschermen natuurwaarden te voorkomen.\n\n6.6.. De verwijzing door verweerder naar de passage uit de memorie van toelichting bij de Natuurbeschermingswet 1998 brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de omstandigheid dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is, blijkt ook uit deze passage niet dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast in situaties dat sprake is van één veroorzaker van de verslechtering.\n\n6.7.. Voor zover verweerder betoogt dat het Hof niet verplicht tot het beperken van een toegestane activiteit (in dit geval het binnen de referentiesituatie blijven), overweegt de rechtbank dat verweerder dit terecht aangeeft. De nationale wetgever heeft namelijk een beoordelingsmarge bij het implementeren van zijn verplichtingen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals eerder overwogen door het Hof in zijn arrest van 7 november 2018, is met de intrekkingsbevoegdheid in artikel 5.4 van de Wnb en de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb voldoende invulling gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wnb.Het enkele feit dat het Hof niet verplicht tot het aanschrijven, neemt niet weg dat de nationale wetgever heeft besloten om ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb op te nemen.\n\n6.8.. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in wat verweerder heeft betoogd, geen grond om te oordelen dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb alleen toegepast kan worden in situaties dat de toegestane activiteit de enige oorzaak is van de dreigende verslechtering of significante verstoring. De uitleg van het wettelijk kader, zoals is uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, behoeft daarom geen aanpassing.\n\nToetsingskader\n\n7. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen kan in onderhavige procedure de individuele aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb worden toegepast. Verder kan het kader dat ziet op de intrekkingsbepaling uit artikel 5.4 van de Wnb ook worden toegepast bij de aanschrijvingsbevoegdheid op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb. Artikel 2.4 van de Wnb geeft namelijk net als artikel 5.4 van de Wnb invulling aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank zal daarom, net als in de uitspraak van 16 april 2024, het in de Logtsebaan-uitspraakgegeven kader hanteren.\n\nLogtsebaan-uitspraak\n\n8. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat in artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb besloten ligt dat een zelfstandige grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan, staat vast dat ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn passende maatregelen moeten worden getroffen om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de keuze van de maatregelen die passend zijn. Dit betekent dat het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning als passende maatregel kan worden ingezet, maar dat ook andere passende maatregelen kunnen worden getroffen. Als intrekking of wijziging van de natuurvergunning echter de enige passende maatregel is, moet de vergunning worden ingetrokken. Als het bevoegd gezag niet voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning kiest, moet hij inzichtelijk maken op welke wijze hij invulling heeft gegeven aan zijn beoordelingsruimte. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het bevoegd gezag dat kan doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat die effectief zijn. Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op de daling van stikstofdepositie, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstof reducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of wijziging van de natuurvergunning, al dan niet in samenhang met de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen, nadrukkelijk in beeld, met name als die intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\nHeeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden?\n\n9. Eisers betogen dat verweerder met de verwijzing naar de gegevens uit AERIUS Monitor niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden. Eisers voeren hiertoe in de eerste plaats aan dat uit emissiegegevens van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het RIVM niet evident volgt dat sprake is van een dalende trend van ammoniakemissies. Volgens eisers volgt uit de registratie door de provincie Noord-Brabant ook niet evident een structurele daling van NOx-emissies in Noord-Brabant. Verder heeft het RIVM geconcludeerd dat de gemiddelde stikstofdepositie in 2021 op Nederlands oppervlak 3% hoger was dan in 2020, zodat hieruit ook geen voortdurende daling volgt. Eisers betogen in de tweede plaats dat de uitgangspunten van de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (KEV 2022) achterhaald zijn. Eisers wijzen er in dit verband op dat de olie-, gas en kolenprijs zich anders ontwikkelt dan waarvan in de KEV 2022 is uitgegaan, dat er meer gas wordt gewonnen en de gasvraag hoger ligt dan waarvan de KEV 2022 uitgaat. Volgens eisers leiden al deze ontwikkelingen ertoe dat hogere emissies zijn te verwachten dan waarmee in de KEV 2022 rekening is gehouden. Eisers betogen verder dat onzeker is of de gepresenteerde maatregelen uit de KEV 2022 ook daadwerkelijk zullen worden genomen. Eisers voeren hiertoe aan dat in de AERIUS Monitor niet alleen vastgesteld beleid is meegenomen, maar ook voorgenomen beleid dat onvoldoende concreet is om door te rekenen. Eisers voeren verder aan dat de effecten van de maatregelen die zijn meegenomen veelal onzeker zijn. Eisers wijzen op een aantal maatregelen in de sectoren Landbouw, Mobiliteit, Industrie en Energie waarvan de effecten onzeker zijn of zelfs aantoonbaar tegenvallen.\n\n9.1.. Verweerder voert hierover aan dat de depositiecijfers die zijn opgenomen in het bestreden besluit afkomstig zijn uit AERIUS Monitor 2023.Deze gegevens zijn volgens verweerder gebaseerd op de best beschikbare wetenschappelijke kennis en daarom mag hij van deze gegevens uitgaan.Verder stelt verweerder dat in de afgelopen jaren wel degelijk sprake is geweest van een afname van de emissies van ammoniak en stikstofdioxiden. Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de monitoringsrapportage van het RIVM van oktober 2024 (de monitoringsrapportage 2024).Daarbij merkt verweerder op dat de bevindingen uit de monitoringsrapportage niet zodanig afwijken van de werkelijkheid, dat daarvan in redelijkheid niet kan worden uitgegaan.\n\n9.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat eisers ten onrechte betogen dat geen sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie. Uit de inzichten die in de meest recente versie van AERIUS Monitor zijn verwerkt volgt dat in de toekomst sprake zal zijn van een daling in stikstofdepositie op gebiedsniveau, aldus Eindhoven Airport. Daarbij merkt Eindhoven Airport op dat aanvullend beleid niet is meegenomen in de depositieramingen uit AERIUS Monitor, ondanks dat dit beleid ondertussen wel is vastgesteld.\n\n9.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, voor zover relevant, de volgende passage is opgenomen:\n\n ‘AERIUS Monitor\n\nAERIUS Monitor biedt informatie over de totale stikstofbelasting op Natura 2000- gebieden en waar deze vandaan komt. Verder - en dat is hier vooral van belang- geeft AERIUS Monitor per Natura 2000-gebied inzicht in de stikstofdepositietrend voor de komende jaren. Ik voeg hiervoor bijlage 2 toe. Dat is een tabel van de depositietrend voor de Natura 2000-gebieden waarop de luchthaven stikstof deponeert. In het rapport 'Stikstofberekening Eindhoven Airport' van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum staat een overzicht\n\nvan deze Natura 2000-gebieden. Uit deze gegevens van de meest recente AERIUS Monitor blijkt zonder uitzondering dat de stikstofdepositie in al deze Natura 2000-gebieden daalt en dat deze daling op middellange termijn ook doorzet. Hierbij is het goed om aan te geven dat AERIUS Monitor bij de berekening van de depositiegegevens is uitgegaan van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Die gebruikt hiervoor als basis de Klimaat en Energieverkenning (KEV) uit 2022 (KEV2022). De KEV geeft inzicht in de ontwikkeling van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, waaronder ook stikstofoxiden (NOX) en ammoniak (NH3). De KEV 2022 gaat voor zijn emissieramingen alleen uit van maatregelen die op of voor 1 mei 2022 concreet waren geformuleerd en bindend waren vastgelegd, het zogenoemde 'vastgestelde beleid'. Dit betekent dat een aantal van de hierboven genoemde maatregelen - zoals de Lbv en Lbv-plus, SAB en de Europese walstroomplicht voor zeeschepen - niet zijn meegenomen in de berekening van de depositietrend, deze zijn namelijk pas later in werking getreden. Deze maatregelen kunnen dus nog tot extra reductie leiden ten opzichte van de depositietrend die nu in AERIUS Monitor valt af te lezen.’\n\nVerder is in het bestreden besluit de volgende bijlage opgenomen:\n\n9.4.. Voor de gegevens over de ontwikkeling van de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden heeft verweerder verwezen naar de gegevens uit AERIUS Monitor. Voor de stikstofdepositie in de historische jaren wordt daarbij uitgegaan van de gegevens in de emissieregistratie van het RIVM en voor de toekomstige jaren van de emissieramingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op basis van de KEV 2022.\n\n9.5.. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder, door te verwijzen naar de gegevens uit AERIUS Monitor, aannemelijk heeft gemaakt dat op de betrokken Natura 2000-gebieden sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie.\n\n9.6.. De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat berekeningen met het AERIUS-rekenmodel een mate van onzekerheid bevatten, niet betekent dat dit rekenmodel niet mag worden gehanteerd om de toekomstige stikstofdepositie op gebiedsniveau te berekenen. De minister mag zich voor de stikstofdepositieberekeningen baseren op de AERIUS Monitor zoals die beschikbaar was ten tijde van de passende beoordeling en het bestreden besluit. Dit kan anders zijn als er op dat moment concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de geschiktheid daarvan. Daarvoor ziet de rechtbank in wat eisers naar voren hebben gebracht echter geen aanleiding.Daartoe acht de rechtbank van belang dat uit de monitoringsrapportage van het RIVM van november 2024blijkt stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten tijde van de tweede beslissing op bezwaar in Nederland was gedaald en bleef dalen.\n\nHeeft verweerder voldaan aan zijn motiveringsplicht als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn?\n\n10. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aantonen van de blijvende daling van stikstofdepositie voldoende is. Eisers stellen dat de gegeven uitleg door verweerder in het bestreden besluit onjuist is. Volgens eisers is slechts aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voldaan, indien zonder wetenschappelijke twijfel wordt aangetoond dat verslechtering met andere passende maatregelen wordt voorkomen. Gelet op het feit dat verweerder geen ecologische duiding heeft gegeven van de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, heeft verweerder niet aan de motiveringsplicht voldaan volgens eisers. Verder stellen eisers ook dat verweerder de wettelijke reductiedoelstellingen van artikel 1.12a, van de Wnb in het bestreden besluit had moeten betrekken.\n\n10.1.. Verweerder heeft in het bestreden besluit verschillende maatregelen genoemd die volgens hem leiden of zullen leiden tot stikstofreductie in Natura 2000-gebieden. Dit zijn achtereenvolgens: Het Maatwerkvoorschrift (ten opzichte van de referentiesituatie geen toename in stikstof door Eindhoven Airport); Maatregelen door de Rijksoverheid die tot doel hebben om de stikstofemissie te verlagen; Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS); Vlaamse stikstofmaatregelen.\n\n10.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat verweerder met de geleverde onderbouwing aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetoonde daling van stikstofdepositie ook de noodzakelijke daling behelst en daarmee passende maatregelen niet zijn vereist.\n\n10.3.. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht tot het treffen van passende (preventieve) maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, te voorkomen.Volgens het Hof beschikken de lidstaten bij het nemen van passende maatregelen over een beoordelingsmarge, mits gewaarborgd is dat er geen verslechtering of verstoring plaatsvindt.Het is met andere woorden aan de lidstaten ter beoordeling welke maatregelen worden getroffen, maar deze maatregelen moeten worden uitgevoerd als verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen dreigen.\n\n10.4.. Omdat verweerder beoordelingsruimte heeft bij de keuze van de passende maatregelen die nodig zijn om verslechteringen en verstoringen met significante gevolgen voor natuurwaarden te voorkomen, zal hij als die omstandigheden zich voordoen, moeten beslissen of het aanschrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb als passende maatregel wordt ingezet of dat andere passende maatregelen (zullen) worden getroffen. Als de aanschrijving de enige passende maatregel is om de dreigende achteruitgang van betrokken natuurwaarden te voorkomen, dan moet verweerder gebruik maken van deze bevoegdheid.\n\n10.5.. Verweerder moet in het besluit op een verzoek om aan te schrijven op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb inzichtelijk maken op welke wijze het invulling heeft gegeven aan de beoordelingsruimte die hij heeft bij de keuze van de te treffen passende maatregelen. Als verweerder de gevraagde maatregel niet als passende maatregel wil inzetten terwijl dat wel zou kunnen, dan moet hij inzichtelijk maken dat de gevraagde maatregel niet de enige passende maatregel is en als dat zo is, waarom de gevraagde maatregel geen onderdeel hoeft uit te maken van de maatregelen die wel worden getroffen. Verweerder kan dat doen door uit te leggen welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen, binnen welk tijdpad de toekomstige maatregelen zullen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat de maatregelen effect zullen sorteren.\n\n10.6.. In het geval waarin de toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb ziet op een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op (zwaar) overbelaste natuurwaarden die onder druk staan en dreigen te verslechteren, is het volgende van belang.\n\n10.7.. De te hoge stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door de cumulatieve effecten van (veel) verschillende activiteiten afkomstig van verschillende bronnen. Daar waar een beperking van een hoge stikstofbelasting nodig is om de verslechtering van natuurwaarden te voorkomen, zijn passende maatregelen nodig die onder meer gericht zijn op een daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. De intrekking of wijziging van natuurvergunningen voor activiteiten die bijdragen aan die verslechtering is een passende maatregel, maar zal in de regel niet de enige mogelijke passende maatregel zijn ter beperking van de stikstofdepositie. Verweerder kan, als het niet voor de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning kiest terwijl dat wel zou kunnen, niet volstaan met de enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen en al zijn of nog zullen worden getroffen. Verweerder moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Als een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op een daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van een monitoring van de uitvoering en effecten daarvan, en het betrokken pakket of programma ook voorziet in een bijsturing of een aanvulling indien nodig, dan kan verweerder daar naar verwijzen. Is er geen zicht op de uitvoering van andere stikstofdepositiereducerende maatregelen binnen afzienbare termijn, dan komt de intrekking of een wijziging van de natuurvergunning nadrukkelijk in beeld, waarbij ook de intrekking of wijziging van één of meer andere natuurvergunningen in de afweging kan worden betrokken. Het bovenstaande geldt in het bijzonder als dergelijke intrekking(en) of wijziging(en) wel binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan of kunnen leiden.\n\n10.8.. Het bovenstaande betekent dat verweerder niet alleen de te treffen maatregelen in beeld moet brengen, maar ook moet onderbouwen welke daling van stikstofdepositie naar het oordeel van verweerder noodzakelijk is, en binnen welke termijn deze daling van stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Aangezien deze onderbouwing per Natura 2000-gebied moet worden gegeven, hoeft verweerder, anders dan eisers stellen, daarbij niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij de generieke omgevingswaarden die in art. 1.12a van de Wnb zijn opgenomen en het bijbehorende tijdpad, maar kan verweerder voor het betreffende Natura 2000-gebied een gebiedsspecifieke onderbouwing hanteren. Verweerder zal vervolgens moeten motiveren waarom de daling van stikstofdepositie door de voorgestelde maatregelen voldoende is om verslechtering tegen te gaan. Daarbij kan helpend zijn dat verweerder inzichtelijk maakt wat de kenmerken zijn van het gebied en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor het betreffende Natura 2000-gebied om invulling te geven aan art. 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De passende maatregelen moeten vervolgens zijn gericht op het tegengaan van de (dreigende) verslechtering.\n\n10.9.. Verweerder is in het bestreden besluit aangesloten bij de motiveringseis uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024. Uit deze uitspraak volgt dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan als aannemelijk is gemaakt dat met andere maatregelen een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.\n\n10.10.. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (en in het verlengde daarvan artikel 2.4, eerste lid van de Wnb) ziet op de vraag of de intrekking nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Anders dan door verweerder is betoogd, gaat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 niet over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, maar over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de motiveringsplicht dat de intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet aangesloten worden bij de Logtsebaan-uitspraak. Dit betekent dat verweerder moet motiveren welke keuzes zijn gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.\n\n10.11.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de daling van stikstofdepositie van de aangedragen maatregelen voldoende is om verslechtering van de betreffende Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet enkel kunnen volstaan met de conclusie dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de afzonderlijke maatregelen zoals die zijn opgesomd onder b in het bestreden besluit en welke effecten deze maatregelen hebben op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Hiermee is niet inzichtelijk dat de maatregelen zullen leiden tot een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Dat volgens verweerder door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in de betreffende Natura 2000-gebieden binnen afzienbare termijn. Dit voorgaande geldt ook voor de verwijzing van verweerder naar de provinciale maatregel BOS. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat het verwachte effect is van die maatregel op de betreffende Natura 2000-gebieden en of het door verweerder verwachte positieve effect voldoende zal zijn om de noodzakelijke daling van stikstofdepositie te bewerkstelligen. Dat de BOS volgens verweerder in zijn algemeenheid leidt tot een stikstofreductie op Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant, is hiertoe onvoldoende.Het had op de weg van verweerder gelegen om, met inachtneming van de kritische depositiewaardes en de actuele Natuurdoelanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden, inzichtelijk te maken wat de kenmerken van deze gebieden zijn en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor de betreffende Natura 2000-gebieden om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n11. Gelet op wat de rechtbank onder 10.11 heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat met de aangegeven maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden binnen een afzienbare termijn. Daarom zal het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat met het verweerschrift niet alsnog een toereikende motivering is gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eisers om op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb over te gaan tot het beperken van de activiteiten van Eindhoven Airport, opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van acht weken.\n\n11.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak niet in op de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt. Verweerder heeft beoordelingsruimte bij de keuze welke passende maatregelen worden getroffen, maar in het kader van die afweging moeten eerst de gevolgen van de passende maatregelen goed in kaart worden gebracht. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is dat nog niet goed gebeurd.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n12. Omdat het beroep gegrond is dient verweerder te worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 371,- vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 januari 2025;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2154.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 16 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:2154, r.o. 15.\n\n Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege betrekking op het bestreden besluit.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 106-107 & p. 256.\n\n Verweerder verwijst hierbij naar Kamerstukken II2006\u002F07, 31038, nr. 3, p. 7-8.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578, waaruit volgens verweerder blijkt dat de civiele rechter deze rol ook inneemt.\n\n Hierbij verwijst verweerder naar het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2404, r.o. 15.1.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33348, nr. 3, p. 107.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882, onder punten 133-135.\n\n De uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 6.3, behoeft de uitleg van het wettelijk kader als bedoeld in de Logtsebaan-uitspraak, geen aanpassing. Later is dit toetsingskader onder meer nog toegepast in de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5598.\n\n In het bestreden besluit is opgenomen de ‘meest recente versie’ van AERIUS Monitor.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12 e.v.\n\n Volledig: de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, paragraaf 4.1.1 en 4.1.2.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 12.1.\n\n Volledig: Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025, RIVM-rapport 2025-0021, november 2025.\n\n Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024, RIVM-rapport 2024-0076, 1 oktober 2024, p. 47.\n\n Vergelijk het arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10.\n\n Arrest van het Hof van 14 januari 2016, ECLI:EU:C:2016:10, r.o. 40.\n\n Zie rechtsoverweging 6.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2973 en rechtsoverweging 10.6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981, r.o. 4 en 11.2.\n\n Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2969, r.o. 11.1.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909, r.o. 28.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2970","2026-07-13T00:29:49.330Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1781","ECLI:NL:RBGEL:2026:2964","ecli-nl-rbgel-2026-2964","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 23\u002F7278\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verzoek om handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de eisers. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige namens Rotterdam Airport.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek tot handhavend optreden aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart het beroep van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\n3. Rotterdam Airport heeft op 1 oktober 2020 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ gepubliceerd en ter inzage gelegd.\n\n3.1.. Op 12 mei 2022 hebben eisers verweerder verzocht om (preventief) handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Eisers vrezen dat de Wet natuurbescherming (Wnb) zal worden overtreden omdat op het terrein van Rotterdam Airport (de luchthaven) meer vliegtuigbewegingen plaatsvinden dan zijn toegestaan in de referentiesituatie, terwijl Rotterdam Airport niet over een natuurvergunning beschikt (het handhavingsverzoek).\n\n3.2.. Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 16 maart 2023 afgewezen (het primaire besluit). Volgens verweerder was ten tijde van het primaire besluit sprake van een overtreding, omdat Rotterdam Airport niet beschikte over de vereiste natuurvergunning voor de exploitatie van de luchthaven. Volgens verweerder bestond echter concreet zicht op legalisatie van deze overtreding, omdat een natuurvergunning was aangevraagd en een ontwerpnatuurvergunning ter inzage had gelegen. Handhavend optreden achtte verweerder onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen natuurbelangen. Volgens verweerder was sprake van aanzienlijke bestaande rechten en leidde het project niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied.\n\n3.3.. In het besluit van 29 september 2023 (de beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.\n\nLeeswijzer\n\n4. De rechtbank bespreekt eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden in strijd is met artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot slot gaat de rechtbank in op de beroepsgrond waarin eisers betogen dat verweerder, voordat werd besloten om niet tot handhavend optreden over te gaan, een gebrekkige belangenweging heeft uitgevoerd.\n\nOvergangsrecht\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuurbescherming het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 12 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nHeeft verweerder kunnen besluiten dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding?\n\n6. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport, omdat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Eisers betogen dat de ontwerpnatuurvergunning al dateert van 2021 en twee en een half jaar later, ten tijde van de beslissing op bezwaar, daarom geen sprake meer kon zijn van concréét zicht op legalisatie van de overtreding. Verder stellen eisers dat Rotterdam Airport in haar aanvraag berekeningen heeft aangeleverd die een onjuist en veel te hoog beeld van de referentiesituatie opleverden.Daarbij merken eisers op dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie van het project zoals het nu in werking is, als de verwachting bestaat dat er maatregelen getroffen moeten worden.\n\n6.1.. Verweerder voert hierover aan dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar concreet zicht was op legalisatie van de overtreding en dat daarom het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Verweerder stelt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de ontwerpnatuurvergunning was gepubliceerd waarin de overtreding waarop het handhavingsverzoek zag, past.Dat er aanvullende gegevens zijn opgevraagd aan Rotterdam Airport heeft niet tot gevolg dat er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de omstandigheid dat veel tijd is verstreken tussen de publicatie en de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de beslissing op bezwaar niet tot gevolg heeft dat verweerder niet alsnog een natuurvergunning kon verlenen. Daarbij merkt verweerder op dat de aanvraag voor de natuurvergunning inmiddels op 17 juni 2024 (positief) is afgewezen.\n\n6.2.. Rotterdam Airport stelt zich eveneens op het standpunt dat ten tijde van de beslissing op bezwaar sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De enkele omstandigheid dat de aanvraag voor de natuurvergunning na de ontwerpnatuurvergunning is aangepast maakt dat niet anders, aldus Rotterdam Airport.\n\n6.3.. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 15 februari 2021 een ontwerpbesluit voor verlening van een natuurvergunning heeft gepubliceerd. In deze ontwerpnatuurvergunning heeft verweerder onder meer het volgende besloten: ‘Op deze aanvraag is de uniforme voorbereidingsprocedure, zoals opgenomen in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht, van toepassing. Ik verleen u de gevraagde vergunning. In dit besluit vindt u de inhoudelijke overwegingen die aan de vergunning ten grondslag liggen. De aanvraag en de bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit.’\n\n‘De vergunning is aangevraagd voor het project Exploitatie Rotterdam The Hague Airport (verder: project) en omvat de volgende activiteiten:\n\nLuchtgebonden activiteiten\n\n- Het landen, stijgen en taxiën zoals toegestaan in de referentiesituatie en conform het Aanwijzingsbesluit 2001 voor maximaal 24.923 vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer.\n\n- Uit het Aanwijzingsbesluit 2001 vloeit, naast het aantal hiervoor genoemde vliegtuigbewegingen Groot vliegverkeer, ook een aantal vliegtuigbewegingen voort onder de naam General aviation. Dit aantal is bepaald op 61.402 en wordt niet afzonderlijk in de aanvraag genoemd, maar is wel conform het Aanwijzingsbesluit 2001 en daarmee onderdeel van het project. General aviation is passend beoordeeld en de stikstofeffecten maken onderdeel uit van de stikstofberekeningen.\n\nGrondgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omgevingsvergunning.\n\nGebruik auxiliary power units (APU); gebruik van een kleine motor in het vliegtuig die het vliegtuig van stroom voorziet anders dan voor voortstuwing.\n\n Het in gebruik hebben van Ground Power Units (GPU) een externe bron die geparkeerde vliegtuigen van stroom voorziet;\n\nProefdraaien. Het testdraaien van motoren terwijl een vliegtuig stil staat en opgesteld staat op één van de proefdraaiplaatsen;\n\nPlatformverkeer, te weten het gebruiken en in werking hebben van alle voertuigen en mobiele werktuigen op en rond het platform.\n\nDe verkeersaantrekkende werking, het wegverkeer van en naar de luchthaven inclusief verkeer als taxi’s en bussen voor het halen en brengen van passagiers, is geen afzonderlijke deelactiviteit. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project heeft wel gevolgen voor de stikstofemissie en -depositie. Dit onderdeel is daarom wel betrokken in de effectbeoordeling.\n\nNiet als onderdeel van de effectbeoordeling is meegenomen de verwarming van gebouwen omdat dit gebeurt met gebruikmaking van Warmte Koude Opslag. Daarbij wordt (nagenoeg) geen gebruik gemaakt van fossiele brandstof en is er ook geen bijdrage aan stikstofemissie of -depositie.’\n\n6.4.. \n\nIn de beslissing op bezwaar heeft verweerder onder meer het volgende opgenomen: ‘Uw bezwaren heb ik zorgvuldig beoordeeld en het besluit getoetst aan het wettelijk kader. De conclusie is dat uw bezwaren ongegrond zijn. Hierna kunt u lezen waarom\n\n(…)\n\nOvertreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb\n\nBij besluit van 29 september 2020 is vastgesteld dat (vooralsnog) sprake is van een overtreding, nu RTHA niet over een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb beschikt. (…) Dit neemt niet weg dat voor RTHA een vergunning is aangevraagd en dat er ook al een ontwerpbesluit is genomen dat strekt tot vergunningverlening. Er zijn nadere gegevens opgevraagd, maar er is geen reden om ervan uit te gaan dat geen definitief besluit genomen zal worden dat in toestemming voorziet voor de luchthaven. Zoals uit het hierna volgende zal blijken, is dat concreet zicht op legalisatie reden om niet tot handhaving over te gaan.\n\n(…) Gelet op de omstandigheid dat ik nog altijd voornemens ben om de gevraagde vergunning te verlenen, ben ik van mening dat gezien de vaste jurisprudentie van de Afdeling nog altijd zicht op legalisatie bestaat. Het feit dat ik naar aanleiding van ingediende zienswijzen heb besloten om een nieuwe berekening op basis van een realistisch vlootscenario op te vragen, maakt het vorenstaande niet anders.\n\nHet uitgangspunt blijft immers hetzelfde, namelijk dat RTHA aanzienlijke rechten heeft verworven (ook wel de referentiesituatie). Dit is een wezenlijke andere situatie dan die waarin voor een geheel nieuwe activiteit een vergunning wordt aangevraagd. (…)6.5.. In het handhavingsverzoek hebben eisers onder meer het volgende opgenomen: ‘Namens cliënten verzoek ik u daarom om zo spoedig mogelijk een (al dan niet preventieve) bestuursdwangaanschrijving dan wel een effectieve (al dan niet preventieve) dwangsomaanschrijving uit te doen aan Rotterdam The Hague Airport, teneinde de overtreding van de Wet natuurbescherming te (doen) beëindigen en beëindigd te laten, c.q. te voorkomen dat het bedrijf de Wet natuurbescherming weer overtreedt, door meer stikstof op Natura 2000-gebieden te deponeren dan op basis van de referentiesituatie is toegestaan.’\n\n6.6.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dit laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst dienen te worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie van de overtreding, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n6.7.. Wanneer de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen kan volgens vaste rechtspraak concreet zicht op legalisatie bestaan als ten minste een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd waarin het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past.In dat geval bestaat echter evenmin concreet zicht op legalisatie van de overtreding, indien op voorhand duidelijk is dat die omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. In een procedure als de onderhavige bestaat daarom enige ruimte voor een beoordeling van die omgevingsvergunning, maar uitsluitend in die zin of op voorhand duidelijk is dat die geen rechtskracht zal verkrijgen.De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken wanneer het gaat om natuurvergunningen.\n\n6.8.. De rechtbank stelt voorop dat blijkens de rechtspraak van de Afdeling het onvoldoende is dat aangevraagde natuurvergunning mogelijk kan worden vernietigd, om aan te nemen dat geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank dient te beoordelen of op voorhand vast staat dat de ontwerpvergunning geen rechtskracht krijgt.\n\n6.9.. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen natuurvergunning was verleend voor de exploitatie van de luchthaven en dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek van eisers ziet, past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning. De aanvraag omvatte namelijk de referentiesituatie, ongeacht wat de omvang van de referentiesituatie is. Daarentegen staat wel ter discussie tussen partijen of op voorhand vast stond dat de ontwerpnatuurvergunning geen rechtskracht ging krijgen en dat er te veel tijd was verstreken sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning.\n\n6.10.. De rechtbank oordeelt dat verweerder in de beslissing op bezwaar heeft kunnen besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past binnen de reikwijdte van de ontwerpnatuurvergunning en niet op voorhand duidelijk was dat de uiteindelijke natuurvergunning niet verleend kon worden. Dat Rotterdam Airport na de publicatie en de terinzagelegging van de ontwerpnatuurvergunning nog aanvullende gegevens moest aanleveren, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat daarom verweerder niet kon besluiten dat sprake was van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De verwijzing van eisers naar de rechtspraak van de Afdeling waarom in dit geval geen sprake kon zijn van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, gaat niet op. In die betreffende procedures was geen sprake van een publicatie of een ter inzage gelegd ontwerpbesluitdan wel werd in de betreffende procedures de bestaande strijdige situatie niet gelegaliseerd met de (aangevraagde) vergunning.Wat betreft de stelling van eisers dat de natuurvergunning ten tijde van de beslissing op bezwaar al een periode van ongeveer twee en een half jaar een ontwerp was, overweegt de rechtbank dat dit niet betekent dat verweerder om die reden niet kon aannemen dat er concreet zicht op legalisatie van de overtreding was. Zoals verder in deze uitspraak zal blijken, speelt dit laatste gegeven wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet over te gaan tot handhavend optreden door verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nRol van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn\n\n7. Eisers betogen dat het afzien van het handhavend optreden door verweerder een schending oplevert van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Eisers stellen onder meer dat verweerder onvoldoende passende maatregelen treft door niet handhavend op te treden.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat het treffen van een passende maatregel niet aan de orde kan komen in het kader van een handhavingsverzoek van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Volgens verweerder is het in een handhavingsprocedure aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een overtreding van een wettelijke bepaling. Een verzoek om passende maatregelen te treffen kent volgens verweerder een afzonderlijke juridische grondslag en een ander toetsingskader.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt dat in onderhavige procedure alleen ter beoordeling voorligt of verweerder kon besluiten dat Rotterdam Airport een overtreding begaat en vervolgens of verweerder handhavend moest optreden tegen Rotterdam Airport. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn en daaropvolgend artikel 2.4 van de Wnb kan Rotterdam Airport niet overtreden, omdat zij immers geen normadressant is van deze bepalingen. Deze bepalingen zijn immers geschreven als bevoegdheden van de overheid in het kader van haar verplichting om de kwaliteit van de habitats te bevorderen. Bovendien heeft verweerder daarom het handhavingsverzoek van eisers mede gekwalificeerd als een verzoek om passende maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 2.4 van de Wnb. De stellingen van eisers over de hoeveelheid stikstofdepositie en de staat van de natuur, wat ook van deze stellingen zij, maken niet dat verweerder in strijd handelt met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn als niet handhavend wordt opgetreden tegen de overtreding. Verweerder geeft immers geen toestemming voor het project, maar treedt enkel niet handhavend op tegen de overtreding. Zoals hierna wordt overwogen, spelen deze omstandigheden wel een rol bij de belangenafweging om wel of niet alsnog tot handhavend optreden over te gaan tegen Rotterdam Airport. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de belangenafweging van verweerder in de beslissing op bezwaar gebrekkig?\n\n8. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen dan wel een gebrekkige belangenafweging heeft verricht in de beslissing op bezwaar.Eisers voeren daartoe aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het algemene belang dat is gediend bij handhaving van de normen uit de Wnb. Daarentegen heeft verweerder disproportioneel veel gewicht toegekend aan het (met name economische) belang dat is gediend bij voortzetting van de exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar de slechte staat van de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de hoge stikstofbelasting. Verder heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd dat het (gedeeltelijk) afschalen van de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven tot de referentiesituatie leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van Rotterdam Airport.\n\n8.1.. Verweerder voert hierover aan dat volgens hem geen sprake was van een situatie waarbij hij verplicht was tot handhavend optreden tegen Rotterdam Airport. Verweerder stelt dat hij in de beslissing op bezwaar heeft toegelicht dat het natuurbelang niet vereiste dat de activiteiten van Rotterdam Airport op de luchthaven werden beëindigd totdat het moment dat de vereiste natuurvergunning was verleend. Daarentegen zou het beëindigen van de exploitatie van Rotterdam Airport grote financiële en maatschappelijke gevolgen hebben gehad, aldus verweerder.\n\n8.2.. Zoals de rechtbank onder 6.10 heeft overwogen heeft verweerder, ten tijde van de beslissing op bezwaar, kunnen besluiten dat er een concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestond. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het bevoegd gezag bij een concreet zicht op legalisatie van een overtreding niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening moet houden met de omstandigheden van het concrete geval.\n\n8.3.. De rechtbank oordeelt dat de verrichte belangenafweging door verweerder onvoldoende was om te kunnen besluiten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Dat verweerder, ondanks het feit dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, in de beslissing op bezwaar wel een belangenafweging heeft gemaakt, brengt geen verandering in dit oordeel. Deze belangenafweging vertoont namelijk een aantal gebreken. Enerzijds heeft verweerder te veel gewicht toegekend aan de gevolgen die Rotterdam Airport ondervindt wanneer verweerder handhavend zou optreden. Verweerder is er in de beslissing op bezwaar namelijk ten onrechte van uitgegaan dat de gehele exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport stilgelegd dient te worden, wanneer hij handhavend zou optreden tegen Rotterdam Airport. In het handhavingsverzoek is alleen opgenomen dat handhaving zou moeten plaatsvinden voor zover zonder natuurvergunning buiten de referentiesituatie wordt getreden. Anderzijds heeft verweerder alleen de (maximale) hoeveelheid stikstofdepositie op de meest belaste hexagoon benoemd, maar niet de depositie op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt en daarbij de staat van de Natura 2000-gebieden betrokken. Tot slot heeft verweerder in de belangenafweging ook niet onderkend dat sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning tot het moment van de beslissing op bezwaar meer dan 2,5 jaar waren verstreken. De beslistermijn van 6 maanden was dus ruimschoots overschreden. Gelet op het voorgaande had verweerder de relevante belangen onvoldoende geïnventariseerd en is daarmee deze belangenafweging gebrekkig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. De verrichte belangenafweging door verweerder was namelijk onvoldoende om te besluiten om niet handhavend op te treden jegens Rotterdam Airport. Verweerder dient opnieuw een belangenafweging te maken met betrekking tot het wel of niet handhavend optreden jegens Rotterdam Airport, ondanks de omstandigheid dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Omdat het besluit tot het (positief) weigeren van de aanvraag van Rotterdam Airport in procedure ARN 24\u002F5175 is vernietigd en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat er aanvullende stukken moeten worden ingediend om deze aanvraag te completeren, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting. Zij zal verweerder daarom opdragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In deze nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, eveneens de tijdspanne te betrekken tussen de ter inzage legging van de ontwerpnatuurvergunning en de nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers in de beroepsfase gemaakt proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar;\n\n- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7674, r.o. 1.4 en 1.5.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9759, r.o. 2.2, van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2222, r.o. 3.1, van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1431, r.o. 2.4.2 en die van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2321, r.o. 2.4.\n\n Ter onderbouwing hiervan verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1890, r.o. 4.2.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.\n\n In de aangehaalde uitspraak door eisers van de Afdeling van 11 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7674, was door de overtreder ‘slechts’ een aanvraag om een vergunning ingediend. Van een (positief) ontwerpbesluit ter legalisatie van de overtreding was geen sprake.\n\n In de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BG9759, was de varkenshouderij in werking zonder dat de luchtwasser was geïnstalleerd die was omschreven in de betreffende vergunningaanvraag. In de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BRL1413 kwam de situatie waarop de overtreding zag niet overeen met de situatie waarvoor een revisievergunning was verleend. In de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2321 zag de betreffende aanvraag niet op het verkrijgen van een vergunning voor de bestaande situatie. In de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2222 was een vergunning verleend voor een andere situatie dan waarop de geconstateerde overtredingen betrekking hadden.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar ECLI:NL:RVS:2013:2314, r.o. 4.3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2964","2026-07-13T00:29:38.469Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"1777","ECLI:NL:RBGEL:2026:2969","ecli-nl-rbgel-2026-2969","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5183 en 24\u002F8705\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nStichting Brabantse Milieufederatie, uit Tilburg,\n\nVereniging Natuurmonumenten, uit Amersfoort, eisers,\n\n(gemachtigde in ARN 24\u002F5183: ir. A.K.M. van Hoof,\n\ngemachtigde in ARN 24\u002F8705: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: Eindhoven Airport N.V., uit Eindhoven, Eindhoven Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen)\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 17 juni 2024 (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Eindhoven Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Civiel gebruik Eindhoven Airport’ (ARN 24\u002F5183). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit van dezelfde dag (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Eindhoven Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Eindhoven Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8705).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Eindhoven Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Eindhoven Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] , [persoon J] , [persoon K] , [persoon L] , [persoon M] , [persoon N] en [persoon O] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5183\n\n3. Op de militaire luchthaven Eindhoven (de luchthaven) vindt sinds de jaren '80 burgermedegebruik plaats. Eindhoven Airport is de exploitant van het burgergedeelte van deze luchthaven. Op 1 oktober 2020 heeft Eindhoven Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor het civiele gebruik van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).De ontwerpnatuurvergunning strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Civiel gebruik Eindhoven Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is aan Eindhoven Airport verzocht om aanvullende gegevens in te dienen. Eindhoven Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.\n\n3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project ‘betrekking op de referentiesituatie’ en blijft het project binnen het bestaande recht van Eindhoven Airport.\n\nZaaknummer ARN 24\u002F8705\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van Eindhoven Airport vastgesteld op 143.795 kg NOx emissies\u002Fjaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5183\n\nOvergangsrecht\n\n5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n5.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nDe referentiesituatie\n\n6. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).\n\n6.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets, bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend, of dat de aanvraag betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Ten tweede is de referentiesituatie van belang bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n6.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is dit 7 december 2004 (referentiedatum 2004), tenzij een gebied later is aangewezen. Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\nWelke referentiesituatie heeft verweerder gehanteerd?\n\n7. Eisers betogen dat verweerder een onjuiste referentiesituatie heeft gehanteerd in het bestreden besluit. Eisers voeren daartoe onder meer aan dat verweerder ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat het Luchthavenbesluit 2014 het meest beperkende gebruik vormt voor commercieel burgerluchtvaartverkeer op de luchthaven.\n\n7.1.. De rechtbank stelt voorop dat Eindhoven Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten op de luchthaven niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van de commerciële luchtvaart op de luchthaven zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie van belang kunnen zijn. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven van 26 september 2014 (Luchthavenbesluit 2014).Verweerder acht hiertoe relevant dat het Luchthavenbesluit 2014 het eerste besluit is met een afzonderlijke geluidcontour voor commercieel burgerluchtvaartverkeer op de luchthaven.\n\n7.2.. Artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014 luidt: ‘Voor het commercieel burgerluchtverkeer geldt de in artikel 15 van het Besluit militaire luchthavens genoemde grenswaarde van de geluidsbelasting van 35 Kosteneenheden voor commercieel burgerluchtverkeer, waarvan de geografische ligging is aangewezen op de kaart in bijlage 8 bij dit besluit.’\n\n7.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juni 2018 is de omvang van de geluidzone in belangrijke mate bepalend voor het gebruik dat van het terrein van de luchthaven kan worden gemaakt. De 35 Kosteneenheden-contour geeft de grens aan van het toelaatbare geluidniveau. Het aantal vliegbewegingen daarbinnen kan fluctueren, maar kan niet onbeperkt toenemen, omdat de grens van het toelaatbare geluidniveau niet mag worden overschreden.\n\n7.4.. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling kan een toestemming zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidcontour.Tussen partijen staat niet ter discussie dat in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014 is bepaald dat voor het commercieel burgerluchtverkeer een grenswaarde van 35 Kosteneenheden geldt. Wel staat tussen partijen ter discussie of er sinds de referentiedata van de verschillende natuurgebieden milieutoestemmingen zijn verleend die beperkender waren dan de voorgenoemde grens van 35 Kosteneenheden-contour zoals die is neergelegd in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014.\n\n7.5.. Voordat de rechtbank aan bovenstaande toekomt, beoordeelt de rechtbank eerst of de aanvraag van Eindhoven Airport betrekking heeft op één-en-hetzelfde project als bedoeld in artikel 4.2.1 van het Luchthavenbesluit 2014. Is dit immers niet het geval, dan is gelet op de 18 december-uitspraak reeds daarom sprake van een vergunningplichtig project.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n8. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het Luchthavenbesluit 2014. De exploitatie van Eindhoven Airport is veelvuldig gewijzigd sinds de veronderstelde referentiedatum, waarmee niet langer sprake is van één-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is geconcludeerd dat tussen de aanvraag en de gehanteerde referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is verder ook opgetekend dat de ruimte op het platform, de parkeergelegenheid, de terminal en de hangargebouwen in de jaren 1999, 2004 en 2015 zijn uitgebreid. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat het project is gewijzigd.\n\n8.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en de daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voortgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan.\n\n8.2.. Eindhoven Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Eindhoven Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van het commerciële burgerluchtverkeer op de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Eindhoven Airport.\n\n8.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n8.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n8.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Eindhoven Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het Luchthavenbesluit 2014.\n\n8.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Eindhoven Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n‘Hierbij vraag ik namens Eindhoven Airport N.V. (‘EANV’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘Wnb-vergunning’) voor de civiele activiteiten op de Luchthaven Eindhoven. EANV vraagt de Wnb- vergunning aan voor de Activiteit als gedefinieerd in aangehechte aanvraag\u002Fpassende beoordeling, met dien verstande dat de aanvraag op een aantal punten nog aangevuld moet worden.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘3. Aan te vragen situatie en referentiesituatie\n\nHet vigerende Luchthavenbesluit 2014 en de vigerende revisievergunning uit 2003 – voor zover het proefdraaien betreft – vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie.\n\nIn het Luchthavenbesluit 2014 wordt de milieubelasting (voor zover van belang) beperkt door middel van een grenswaarde voor geluid. Deze grenswaarde is vastgelegd in de vorm van de 35 Ke-contour voor het civiele verkeer, en is gebaseerd op een luchtverkeersscenario zoals beschreven in het MER luchthaven Eindhoven 2013 (scenario D8). Dit verkeersscenario beschrijft het civiele vliegverkeer bij 43.000 vliegtuigbewegingen, met o.a. de vliegtuigtypes, de start- en landingsbanen en de tijdstippen van de bewegingen.\n\nDe aan te vragen situatie komt overeen met de referentiesituatie en is hieronder verder uitgewerkt. De vergunningaanvraag omvat (het geheel van de effecten van) de activiteiten die hieronder en in tabel 1 zijn beschreven (conform het Luchthavenbesluit 2014 en revisievergunning 2003 voor proefdraaien).\n\n(…)\n\nTabel 1 Overzicht activiteiten aan te vragen situatie\n\nActiviteit\n\nOmvang\n\nVliegtuigbewegingen\n\n43.000\n\nAPU gebruik\n\n88%\n\nProefdraaien (uren)\n\n1.908\n\nGasverbruik gebouwen (m³ gas)\n\n394.890\n\nParkeren op de luchthaven (auto’s per jaar)\n\n1.750.184\n\nVerkeersaantrekkende werking (toe te schrijven aan Eindhoven Airport) (motorvoertuigen per etmaal)\n\nPM\n\n8.7.. \n\nIn haar reactie van 9 augustus 2023 op het verzoek om aanvullende gegevens door verweerder van 11 juni 2023, heeft Eindhoven Airport onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘In antwoord op uw brief van 11 april 2023 sturen wij u hierbij de door u gevraagde aanvulling op onze vergunningaanvraag en passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming van 1 oktober 2020.’\n\nIn de bij de bovengenoemde brief gehechte (aanvullende) passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘3. Aan te vragen situatie en referentiesituatie\n\nHet vigerende Luchthavenbesluit Eindhoven 2014 vormt het bestaand recht en is voor deze rapportage de referentiesituatie. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 1 bij de brief van Eindhoven Airport bij de aanvullend van de aanvraag Wnb-vergunning.\n\n(…)\n\nDe aan te vragen situatie komt overeen met de referentiesituatie en is hieronder verder uitgewerkt. De vergunningaanvraag ziet op het project Exploitatie Eindhoven Airport en omvat het geheel van effecten van de activiteiten die hieronder en in tabel 1 zijn beschreven.\n\n(…)\n\nTabel 1 Overzicht activiteiten referentiesituatie (tevens aan te vragen situatie)\n\nActiviteit\n\nOmvang\n\nVliegtuigbewegingen\n\n40.993, totale emissie 128.505 kg NOx\n\nAPU gebruik\n\n13,31 minuten per LTO, totale emissie 3696 kg NOx\n\nProefdraaien (emissie)\n\n4.004 kg NOx\n\nPlatformverkeer inclusief GPU (liter brandstof)\n\n406.459, totale emissie 7590 kg NOx en 31 kg NH3\n\nGasverbruik gebouwen (m³ gas)\n\n246.055 m³ totale emissie 123 kg NOx\n\nParkeren op de luchthaven (auto’s per jaar) en wegverkeer (motorvoertuigen per etmaal, beide rijrichtingen samen)\n\n1,8 miljoen parkeerders en 11.500 mvt\u002Fetmaal, totale emissie 28.100 kg NOx en 3.606 kg NH3\n\nProjecten voor onderhoud, beheer, renovatie en verduurzaming\n\n406 kg NOх en 17 kg NH3\n\nEindhoven Airport heeft verder haar aanvraag aangevuld met het document ‘stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport’ van april 2024 (stikstofdocument). In dit document is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘2.3.7 Projecten\n\nEindhoven Airport voert jaarlijks meerdere projecten uit die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de luchthaven. De werkzaamheden betreffen onderhoud, beheer, renovatie en verduurzaming. De projecten zijn wisselend in omvang en locatie en variëren van jaar tot jaar. Als realistische inschatting van de emissie van deze projecten veroorzaken, is uitgegaan van de verwachte emissie van een recent uitgevoerd project: de bouw van een (tijdelijke) parkeergarage op het terrein van P3.’\n\n8.8.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (het college van Eindhoven) op 25 maart 2015 aan Eindhoven Airport een omgevingsvergunning heeft verleend voor een milieuneutrale wijziging voor de herinrichting van het platform op de luchthaven. Blijkens deze omgevingsvergunning bestaat de verandering van de inrichting uit de volgende activiteiten:\n\nHerindeling van het platform met:\n\nUitbreiding van twee nieuwe vliegtuig opstelplaatsen (VOP S11 en S12);\n\nAanpassen riolering ter plaatse van de nieuwe verharding;\n\nAanpassen ondergrondse infrastructuur;\n\nAanbrengen asfaltverharding ter hoogte van VOP’s S11 en S12;\n\nAanbrengen nieuwe gootconstructie;\n\nAanbrengen bebakening, markering en verlichting.’\n\nVerder stelt de rechtbank vast dat het college van Eindhoven op 3 juni 2015 aan Eindhoven Airport een omgevingsvergunning heeft verleend voor een milieuneutrale wijziging voor realisatie van een nieuw platform voor gewone vliegtuigtoestellen en een verbeterde wegrijdprocedure voor de brandstoftrucks en de daarbij behorende dagopstelplaatsen. Blijkens deze omgevingsvergunning bestaat de verandering van de inrichting uit de volgende activiteiten:\n\n‘Het realiseren van een nieuw vliegtuigplatform aansluitend aan het bestaande vliegtuigplatform S12;\n\nRealisatie dagopstelplaatsen voor brandstoftrucks.’\n\n8.9.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project Exploitatie Luchthaven Eindhoven Airport betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n‘2.4. Conclusie\n\nNu het LHB 2014 het bestaand recht bepaalt, is niet het aantal vliegtuigbewegingen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het LHB 2014. Daarbij is de geluidcontour bepalend, want aan Eindhoven Airport is in het LHB 2014 geen andere beperking gesteld dan de geluidcontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets.\n\nNu de aanvraag ziet op de bestaande rechten\u002Freferentiesituatie met betrekking tot de exploitatie van Eindhoven Airport, zijn significante gevolgen uitgesloten en is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op Eindhoven Airport, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop Eindhoven Airport stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over ieder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n8.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat de capaciteit voor civiele vluchten op de luchthaven na het jaar 2000 fors is uitgebreid. Dit blijkt volgens Apollon uit de vergroting van het platform in 2000, 2004 en 2015, door de uitbreiding van de faciliteiten voor het tanken van kerosine in 2005 en 2013 en de voortdurende groei van het aantal parkeerplekken rondom de terminal.Deze conclusies zijn onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n8.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Eindhoven Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het Luchthavenbesluit 2014. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Eindhoven Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal vliegtuigbewegingen met een bepaalde emissie. Hiermee heeft Eindhoven Airport ervoor gekozen om een gestelde toestemming voor het project op grond van een geluidcontour (dat dynamisch van aard is) te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidcontour van het Luchthavenbesluit 2014 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het Luchthavenbesluit 2014 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Eindhoven Airport worden uitgevoerd.\n\n8.12.. Verder acht de rechtbank van belang dat op 25 maart 2015 en op 3 juni 2015 (en daarmee dus ná de datum van de vaststelling van de referentiesituatie van 26 september 2014), tweemaal toestemming is verleend om het terrein van de luchthaven te veranderen. Deze veranderingen leiden eveneens tot het oordeel dat het project waarvoor op de referentiedatum van 26 september 2014 toestemming is gegeven, sindsdien niet is voortgezet als één-en-hetzelfde project.Verder merkt de rechtbank op dat blijkens het stikstofdocument van april 2024 ‘recent’ een parkeergarage is gerealiseerd op het terrein van de luchthaven en dit ook een wijziging betreft van het project. Ook uit de aanvullende passende beoordeling blijkt dat expliciet het parkeren op de luchthaven is aangevraagd. Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5183\n\n9. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets.\n\n9.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de keuze voor en de omvang van de van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8705\n\n10. In deze zaak staat het door verweerder aan Eindhoven Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n10.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Eindhoven Airport N.V. van NOx emissies van vliegverkeer ind. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 143.795 kg\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissiekentallen) gevolgd, die ook is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning (stikstofdepositieberekening NLR-CR-2023-236-HZV-2, april 2024).’\n\n10.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 143.795 kg NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Eindhoven Airport, aldus eisers.\n\n10.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het Luchthavenbesluit 2014. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n10.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project \"Exploitatie Luchthaven Eindhoven Airport\" de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een omgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. Uitgangspunt daarbij is, zoals gezegd, de voortoets en de positieve afwijzing. De discussie dat de referentiesituatie èn het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n10.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n10.6.. De rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 8.11 en 8.12 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 8.11 en 8.12 is overwogen, is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Eindhoven Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8705\n\n11. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Eindhoven Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n12. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n12.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase in zaak ARN 24\u002F5183 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3.230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het in dit geval opstellen van de second opinion redelijk. Verder hebben eisers verzocht om vergoeding van de kosten van de contra-expertise die is uitgevoerd door het ecologisch advies- en projectbureau Natuurinclusief heeft opgesteld. Voor vergoeding van de kosten van deze deskundige bestaat geen aanleiding omdat de reden voor de gegrondverklaring van het beroep geen verband houdt met het rapport en de toelichting van de deskundige.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5183\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8705\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nStcrt.2021, 7262.\n\n Dit betreft onder meer de volgende stukken: Rapport Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 30 oktober 2023; Stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport, Berekeningen ten behoeve van aanvulling Wnb aanvraag Eindhoven Airport, NLR & DNV, april 2024.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\nuitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\nuitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStb.2014, 356.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959, r.o. 11.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449, r.o. 6.1 en 8.6.\n\n Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Aanvraag vergunning Wet natuurbescherming Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 1 oktober 2020, p. 5-6.\n\n Rapport Eindhoven Airport, Passende beoordeling, Royal Haskoning DHV, 30 oktober 2023, p. 4-5.\n\n Stikstofdepositieberekening Eindhoven Airport, Berekeningen ten behoeve van aanvulling Wnb aanvraag Eindhoven Airport, NLR & DNV, april 2024, p. 21.\n\nRapport Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 10.\n\nRapport Second Opinion Wnb Luchthaven Eindhoven, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 9.\n\n Zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.7.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505, r.o. 27","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2969","2026-07-13T00:29:38.283Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":60},"1947","ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","ecli-nl-rbgel-2026-2962","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 24\u002F5175 en 24\u002F8840\n uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n\nARN 24\u002F5175\n Coöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Rotterdam Airport B.V.uit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nARN 24\u002F8840\n\nCoöperatie Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen,\n\nBewonersvereniging tegen Vliegtuigoverlast, uit Rotterdam, eisers\n\n(gemachtigde: mr. drs. H.M. Zwetsloot),\n\nen\n\nde minister voor Natuur en Stikstof(thans: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder\n\n(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Luchthaven Rotterdam The Hague Airportuit Rotterdam, Rotterdam Airport\n\n(gemachtigden: mr. J.E. van Uden, mr. Y.M.C. Pluis en mr. W.L.J. Willemsen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit (het bestreden besluit) waarin verweerder heeft besloten dat Rotterdam Airport geen natuurvergunning nodig heeft voor het aangevraagde project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague´ (ARN 24\u002F5175). Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak het beroep van eisers tegen het besluit (het maatwerkvoorschrift) van verweerder om aan Rotterdam Airport een maatwerkvoorschrift op te leggen waarin onder meer het bestaande recht van Rotterdam Airport is vastgelegd (ARN 24\u002F8840).\n\n1.1.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. Rotterdam Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op de beroepen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigden, [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] als deskundige. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, [naam jurist], [persoon E] en [persoon F] . Namens Rotterdam Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] als deskundige.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit en het maatwerkvoorschrift aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De voor de beoordeling van het beroep van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n2.1.. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nAchtergrond\n\nZaaknummer ARN 24\u002F5175\n\n3. Rotterdam Airport is namens Royal Schiphol Group N.V. de exploitant van de luchthaven Rotterdam (de luchthaven). Op 1 oktober 2020 heeft Rotterdam Airport bij verweerder een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend voor de exploitatie van de luchthaven.\n\n3.1.. Op 15 februari 2021 heeft verweerder het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant (de ontwerpnatuurvergunning).Het ontwerpbesluit strekte tot verlening van de natuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ (het project).\n\n3.2.. Eisers hebben op 25 maart 2021 tegen de ontwerpnatuurvergunning een gezamenlijke zienswijze (de zienswijze) ingediend.\n\n3.3.. Op 11 april 2023 is door verweerder aan Rotterdam Airport verzocht om haar aanvraag aan te vullen met onder meer een nieuwe stikstofberekening. Rotterdam Airport heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en verschillende nadere stukken ingediend, waaronder een actualisatie van de eerder ingediende passende beoordeling.3.4.. Op 17 juni 2024 heeft verweerder besloten dat geen natuurvergunning nodig is voor het aangevraagde project en daarom de aangevraagde natuurvergunning geweigerd. Volgens verweerder heeft het project “betrekking op de referentiesituatie” en blijft het project binnen het bestaande recht van Rotterdam Airport.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n4. Op 17 juni 2024 en gelijktijdig met het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport opgelegd. In voorschrift 4 van het maatwerkvoorschrift is het bestaande recht van RTHA vastgesteld op 88,8 ton NOx per jaar.\n\n4.1.. Op 26 juli 2024 hebben eisers bezwaar ingesteld tegen het maatwerkvoorschrift.\n\n4.2.. In het besluit van 23 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het maatwerkvoorschrift ongegrond verklaard.\n\nARN 24\u002F5175\n\nLeeswijzer\n\n5. Eisers hebben een groot aantal beroepsgronden ingediend tegen het bestreden besluit. Alvorens deze beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, beoordeelt de rechtbank enkele formele punten. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgronden die betrekking hebben op de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Daarna bespreekt de rechtbank het betoog van verweerder dat de aanvraag gekwalificeerd kan worden als één-en-hetzelfde project als de referentiesituatie en dat daarom geen natuurvergunning is vereist.\n\nOvergangsrecht\n\n6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.\n\n6.1.. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend op 1 oktober 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.\n\nWas de aanvraag onvoldoende duidelijk?\n\n7. Eisers betogen dat de aanvraag onvoldoende duidelijk is en dat verweerder daarom niet kon besluiten dat significante effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van het aangevraagde project uitgesloten zijn. Eisers stellen dat in de aanvraag ten onrechte niet is benoemd voor welk aantal vliegtuigbewegingen en van welk type maximaal een natuurvergunning wordt aangevraagd.Daarbij merken eisers op dat er een discrepantie bestaat tussen de referentiesituatie, die is gebaseerd op de omzettingsregeling en de referentiesituatie\u002Fhet bestaand recht zoals vermeld in de aanvraag.\n\n7.1.. Verweerder voert hierover aan dat de aanvraag voldoende duidelijk is. De natuurvergunning is door Rotterdam Airport aangevraagd voor het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’. Dit project bestaat uit luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Rotterdam Airport heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waaruit de referentiesituatie bestaat, aldus verweerder. Daarbij merkt verweerder op dat in het bestreden besluit de door eisers naar voren gebrachte discrepantie is toegelicht en verklaard.\n\n7.2.. \n\nIn het bestreden besluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:\n\n‘Bestaand recht\n\nHet bestaand recht wordt begrensd door het Aanwijzingsbesluit 2010. Aanvrager heeft de referentiesituatie in beeld gebracht, qua vlootsamenstelling en middels een stikstofberekening t.a.v. luchtgebonden activiteiten, grondgebonden activiteiten en verkeersaantrekkende werking.\n\nIn bijlage A van het stikstofrapport is toegelicht hoe het bestaand recht is vastgesteld.\n\n(…)\n\nVoor de reconstructie van het bestaand recht is de verkeerssamenstelling bepaald zonder de onbruikbare (geluid)categorie 000 en alleen voor de vliegtuigtypen die 100 (exclusief de schaalfactor) of meer bewegingen per jaar gemaakt hebben. Dit leidt tot de verkeerssamenstelling, het totale aantal (ongeschaalde) bewegingen neemt af met circa 4.500 bewegingen tot 47.894 bewegingen. Ter correctie van deze missende bewegingen is per soort verkeer een correctiefactor toegepast.\n\nDat resulteert in een bestaand recht van aantal vliegbewegingen per jaar:\n\nGroot verkeer: 22.712,6;\n\nOverig verkeer: 9.785,2;\n\nKlein verkeer: 21.491,7.\n\nDat deze aantallen lager zijn dan werd voorzien ten tijde van de omzettingsregeling zal voor een deel het gevolg zijn van het vervangen van propellervliegtuigen door straalvliegtuigen.’\n\n7.3.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020 ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (“RTHA”) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (“Wnb-vergunning”) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.\n\nRTHA vraagt de Wnb-vergunning aan voor de activiteit als gedefinieerd in aangehechte passende beoordeling (…).’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Het vigerende luchthavenbesluit van RTHA is de zogenoemde omzettingsregeling uit 2013 (19 april 2013, IENM\u002FBSK-2013\u002F72460). Deze omzettingsregeling vertaalde (één op één) het laatste aanwijzingsbesluit genomen op basis van de luchtvaartwet naar de nieuwe Wet luchtvaart. Het aanwijzingsbesluit is laatst gewijzigd in 2010 (15 oktober 2010 VenW\u002FBSK 2010\u002F132401) op basis van scenario 4c uit het MER2008. Zowel de omzettingsregeling als het aanwijzingsbesluit waarop het gebaseerd was zijn onherroepelijk. Hierin is een geluidsruimte vergund die is vastgesteld op basis van 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer.\n\n(…)\n\nAls representatie van het feitelijk verkeer is daarom de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 30 oktober 2019) genomen, aangezien dit het meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is 52.439, waarvan 21.049 groot verkeer (NB: dit is lager dan volgt uit wat is vergund - en door RTHA thans wordt aangevraagd - namelijk op basis van de omzettingsregeling. Voor de duidelijkheid: deze aanvraag ziet op de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer).’\n\n‘2.1 De activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd\n\nHet Aanwijzingsbesluit 2001 en de vigerende milieuvergunning vormen het bestaand recht en zijn voor deze rapportage de referentiesituatie. Deze passende beoordeling gaat over de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door de exploitatie van RTHA (\"de Activiteit\") ten opzichte van de bestaand recht situatie (zie paragraaf 2.2). De exploitatie van RTHA, waarvoor deze vergunning wordt aangevraagd, omvat samengevat:\n\n> Luchtgebonden activiteiten, zoals toegestaan in de vigerende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer) en passend binnen het bestaand recht: de afhandeling van vliegverkeer (landen, opstijgen, taxiën).\n\n> Grondgebonden activiteiten op RTHA, zoals toegestaan op grond van de vigerende omgevingsvergunning (destijds milieuvergunning, laatste revisie 2 augustus 1994) voor RTHA. Dit betreft met name:\n\n■ Gebruik auxiliary power unit (APU), dit is een kleine motor in het vliegtuig die stroom levert voor functies anders dan voortstuwing van het vliegtuig.\n\n■ Gebruik ground power unit (GPU), dit is een verrijdbaar apparaat dat een geparkeerd vliegtuig van stroom voorziet.\n\n■ Proefdraaien vliegtuigen.\n\n■ Platformverkeer: alle voertuigen en mobiele werktuigen die op en rond het platform aanwezig zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld bussen, trekkers, tankauto's en trappen.\n\nBij de grondgebonden activiteiten is het gasverbruik van gebouwen niet opgenomen omdat de meeste gebouwen op RTHA worden verwarmd middels WKO en dus geen fossiele brandstoffen gebruiken. De verkeersaantrekkende werking van het wegverkeer als gevolg van bovenstaande activiteiten wordt ook betrokken in de beoordeling. De verkeersaantrekkende werking op wegverkeer omvat ook verkeer op het luchthaventerrein, zoals taxi's, halen en brengen en bussen welke niet onder de grondgebonden activiteiten van RTHA zelf vallen. Deze verkeersstromen zijn geen onderdeel van de Activiteit, maar daar wel een gevolg van en zijn als dusdanig betrokken in de passende beoordeling.\n\n2.2. \n\nAchtergrond bij de referentiesituatie en de aangevraagde activiteit\n\n(…)\n\nHet maximale gebruik van het Aanwijzingsbesluit 2001 op het gebied van stikstof volgt uit een andere vlootsamenstelling dan in de invoerset van het Aanwijzingsbesluit 2001 was opgenomen. Dit heeft te maken met een verschuiving van propellervliegtuigen (zoals de Fokker 50) naar straalvliegtuigen (zoals Boeing 737's en Airbussen). Deze verschuiving naar straalvliegtuigen heeft tot gevolg dat er meer geluid per vliegtuigbeweging geproduceerd wordt, maar ook dat er meer NOx uitgestoten wordt.\n\n(…)\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\n7.4.. De rechtbank stelt voorop dat het bevoegd gezag bepaalt welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.Zoals eisers terecht hebben opgemerkt is het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n7.5.. De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen besluiten dat de aanvraag van Rotterdam Airport voldoende gegevens en bescheiden bevatte om op te kunnen besluiten. In haar aanvraag heeft Rotterdam Airport opgenomen dat zij een natuurvergunning aanvraagt voor de activiteit zoals die is gedefinieerd in de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling. Anders dan eisers stellen blijkt uit paragraaf 2.1 van deze passende beoordeling waaruit deze aangevraagde activiteit bestaat, waaronder luchtgebonden activiteiten zoals deze zijn toegestaan in de geldende omzettingsregeling (gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer). Daaropvolgend is in paragraaf 2.2 onder meer uiteengezet waarom het aantal vliegtuigbewegingen in het gebruiksjaar 2019 afwijkt van de vliegtuigbewegingen zoals die waren toegestaan in de omzettingsregeling. Dit heeft blijkens de passende beoordeling onder meer te maken met de verschuiving van het gebruik van propellervliegtuigen naar straalvliegtuigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe referentiesituatie\n\n8. Een natuurvergunning is verplicht als een activiteit afzonderlijk of in samenhang met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was het vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij beantwoording van de vraag of op voorhand kan worden uitgesloten dat een project significante gevolgen kan hebben – de voortoets –, de gevolgen van de voorgenomen activiteit mochten worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie (intern salderen met de referentiesituatie).8.1.. In de uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd (de 18 december-uitspraak).Die wijziging houdt kort gezegd in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. Uit de 18 december-uitspraak blijkt dat de vraag wat de referentiesituatie is bij het verlenen van een natuurvergunning op twee momenten van belang is. Dat is ten eerste in de voortoets. Bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Dat is ten tweede bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van activiteiten die eerder al zijn toegestaan, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mogen worden betrokken.Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk nog wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van de gevolgen van een project.Dit kan als voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden, waaronder het additionaliteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een maatregel die naar zijn aard ook als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel kan worden ingezet, als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als deze maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn.\n\n8.2.. De referentiesituatie die bij intern en extern salderen kan worden ingezet, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor de toegestane activiteit op de locatie waarop de voorgenomen activiteit is voorzien. Bij het ontbreken van een natuurvergunning wordt de referentiesituatie ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied.Voor gebieden die ter uitvoering van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum 10 juni 1994 (referentiedatum 1994), tenzij een gebied later is aangewezen.Voor gebieden die ter uitvoering van de Habitatrichtlijn zijn aangewezen, is de referentiedatum voor de gebieden die in deze zaak van belang zijn 7 december 2004 (referentiedatum 2004). Wanneer na de referentiedatum een toestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de activiteit die op de referentiedatum was toegestaan, dan geldt die latere toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.\n\n8.3.. De rechtbank beoordeelt in onderstaande overwegingen eerst of verweerder is uitgegaan van de juiste referentiesituatie. Mocht dit het geval zijn, dan beoordeelt de rechtbank daarna of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als hetgeen waarvoor toestemming is verleend in de referentiesituatie.\n\nBesluiten\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat Rotterdam Airport voor de door haar uit te voeren activiteiten niet in het bezit is van een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Ten aanzien van de exploitatie van Rotterdam Airport zijn in de loop der tijd wel diverse besluiten genomen die voor de beoordeling van de referentiesituatie in deze procedure van belang kunnen zijn. Die besluiten worden hieronder weergegeven.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 november 1964 (aanwijzingsbesluit 1964) is Rotterdam Airport aangewezen als luchtvaartterrein.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 maart 2000 (aanwijzingsbesluit 2000) is het aanwijzingsbesluit 1964 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 17 oktober 2001 (aanwijzingsbesluit 2001) zijn de aanwijzingsbesluiten 1964 en 2000 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 juli 2004 (aanwijzingsbesluit 2004) is het aanwijzingsbesluit 2001 gewijzigd.\n\n- Bij beschikking van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 22 september 2010 (aanwijzingsbesluit 2010) zijn de aanwijzingsbesluiten 2001 en 2004 gewijzigd.\n\n- De regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 19 april 2013 (de omzettingsregeling) waarin de bepalingen over het luchthavenverkeer uit het aanwijzingsbesluit 2010 in verband met de vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens zijn omgezet.\n\nHeeft verweerder terecht de referentiesituatie ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010?\n\n10. Verweerder heeft in het bestreden besluit de effecten van het project beoordeeld en afgezet tegen de effecten van de referentiesituatie. Volgens verweerder wordt de referentiesituatie voor het project gevormd door hetgeen is toegestaan op grond van het aanwijzingsbesluit 2010 en vervolgens is omgezet in de omzettingsregeling. Voor het aanwijzingsbesluit 2010 is voor 1 februari 2009 een aanvraag ingediend, het aanwijzingsbesluit 2010 is na die datum onherroepelijk geworden en het aanwijzingsbesluit 2010 is eerder passend beoordeeld. Hierdoor is er gelet op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, geen sprake van een vergunningplicht, aldus verweerder in het bestreden besluit.\n\n10.1.. Eisers zijn het om diverse redenen niet eens met de keuze van verweerder om de referentiesituatie voor het project te ontlenen aan het aanwijzingsbesluit 2010. Eisers stellen onder meer dat Rotterdam Airport geen geslaagd beroep kan doen op het overgangsrecht als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Eisers voeren aan dat een besluit dat valt onder het overgangsrecht van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, niet als referentiesituatie kan fungeren voor een ander project. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar een uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 en een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025.Verder stellen eisers dat ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 er al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) in verband met de reeds aangewezen gebieden op basis van de Vogelrichtlijn. De beoordeling van de aangevraagde effecten op deze gebieden had volgens eisers moeten plaatsvinden in een vergunningprocedure als bedoeld in Nbw 1998.Voor zover een referentiesituatie ontleend kan worden aan het aanwijzingsbesluit 2010, dan betreft dit aanwijzingsbesluit geen natuurtoestemming, maar een milieutoestemming, aldus eisers. Tot slot stellen eisers dat verweerder de referentiesituatie in de ontwerpnatuurvergunning en verschillende andere besluiten heeft ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2001 in plaats van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n10.2.. De rechtbank overweegt dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Op basis van dit artikel gold (tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet) een vergunningplicht voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze vergunningplicht geldt na 1 januari 2024 op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staat dat artikel 2.7, tweede lid, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden. Onder de Omgevingswet is voorzien in een soortgelijk artikel.\n\n10.3.. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb bevat een uitzondering op de vergunningplicht. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat de implementatie van de Habitatrichtlijn met de wijzigingen van de Nbw 1998 per 1 oktober 2005 en 1 februari 2009 is gecomplementeerd en sindsdien voorziet in een zelfstandig regime ter toetsing van projecten en andere handelingen aan de vereisten van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Tot die tijd werd de toetsing van projecten en handelingen aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn zoveel mogelijk verricht bij het nemen van andere besluiten die voorzagen in de autorisatie van het project of de handeling, bijvoorbeeld milieu(revisie)vergunningen, vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplannen en ontgrondingenvergunningen. Dit gebeurde op basis van een zogenoemde richtlijnconforme interpretatie van de nationale regelgeving in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. In de memorie van toelichting heeft de opsteller verder vermeld dat het achtste lid regelt dat deze projecten en handelingen niet nogmaals aan de vereisten van de Habitatrichtlijn hoeven te worden getoetst.\n\n10.4.. In artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb staan een aantal voorwaarden waaraan een besluit moet voldoen om onder deze bepaling te vallen. Ten eerste moet het besluit op grond waarvan het project of de andere handeling is toegestaan, zijn genomen voor 1 februari 2009, dan wel dat de aanvraag voor die datum is ingediend en na deze datum het besluit onherroepelijk is geworden. Ten tweede moet dit besluit berusten op een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Ten derde moet bij dit besluit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht zijn genomen.\n\n10.5.. Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of het aanwijzingsbesluit 2010 voldoet aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, overweegt de rechtbank het volgende.\n\n10.6.. In de door eisers aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant is overwogen dat aan een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb van toepassing is geen referentiesituatie ontleend kan worden voor een ander project.In het bestreden besluit heeft het aanwijzingsbesluit 2010 daarentegen niet gefungeerd als een referentiesituatie voor een ander project, maar voor een voortzetting van het project zoals dat was toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010. Dat blijkt expliciet uit de aanvraag en uit het bestreden besluit. Los van de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat sprake was van voortzetting van één-en hetzelfde project, waarop de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak in zal gaan, volgt hieruit wel reeds dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant niet op gaat. Ook de verwijzing door eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 brengt geen verandering in het voorgaande. In deze uitspraak heeft de Afdeling de vraag of een besluit waarop artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb op van toepassing is kan worden gebruikt als referentiesituatie bij de beoordeling voor de aangevraagde wijziging van een project, uitdrukkelijk niet beantwoord. Ook deze uitspraak betreft daarbij, anders dan deze uitspraak, wederom een situatie waarbij sprake is van een wijziging van een project.\n\n10.7.. \n\nDe stelling van eisers dat ten tijde van de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010 de beoordeling van de aangevraagde effecten op vogelrichtlijngebieden exclusief plaats had moeten vinden in een vergunningprocedure als bedoeld in de Nbw 1998 en daarom het aanwijzingsbesluit in ieder geval voor enkele gebieden niet kan fungeren als referentiesituatie, volgt de rechtbank niet. Gelet op de tekst van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb is voor de toepasselijkheid van deze overgangsrechtelijke bepaling niet relevant of er op dat moment al een toetsingsgrondslag aanwezig was in de Nbw 1998 en zo ja, of bij die beoordeling ook de effecten op gebieden moesten worden meegenomen die nog niet als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn waren aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op rechtszekerheid, voor de toepassing van het overgangsrecht slechts van belang of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen in het aanwijzingsbesluit 2010.\n\nDaarbij acht de rechtbank ook van belang dat ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn de verplichtingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn ook gelden voor Vogelrichtlijngebieden. Als aan de verplichtingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn is getoetst is daarmee ook een beoordeling uitgevoerd op grond van de Vogelrichtlijn.\n\n10.8.. De rechtbank beantwoordt hierna of het aanwijzingsbesluit 2010 aan de hiervoor genoemde voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldoet.\n\nVoldoet het aanwijzingsbesluit 2010 aan de voorwaarden van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb?\n\n11. Artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb luidt: ‘Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.’\n\n11.1.. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 is gestart met de brief van 30 september 2005, waarin Rotterdam Airport heeft verzocht om wijziging van het destijds vigerende aanwijzingsbesluit. Daarmee is de aanvraag voor het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 ingediend voor 1 februari 2009. Verder heeft de Afdeling de beroepen die waren ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit 2010 in haar uitspraak van 6 juli 2011 ongegrond verklaard. Daardoor is het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk geworden na 1 februari 2009.Gelet hierop is aan de eerste voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb voldaan. Verder stelt de rechtbank vast dat het aanwijzingsbesluit 2010 ook voldoet aan de tweede voorwaarde van artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb. Het aanwijzingsbesluit 2010 is op grond van de Luchtvaartwet genomen en daarmee is gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 is genomen op een andere grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Hierdoor komt Rotterdam Airport een beroep toe op artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb, mits bij het nemen van het aanwijzingsbesluit 2010 artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen.\n\n11.2.. Eisers betogen dat het aanwijzingsbesluit 2010 niet met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met het vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. Eisers stellen dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet passend zijn beoordeeld. Het bij het aanwijzingsbesluit 2010 onderliggende rapport uit 2008 is volgens eisers slechts te kwalificeren als een voortoets en bevat een aantal gebreken.In dat rapport is de onjuiste conclusie opgenomen dat er binnen 15 kilometer van het terrein van de luchthaven geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen, aldus eisers. Verder heeft er in het rapport geen cumulatietoets plaatsgevonden.\n\n11.3.. Verweerder voert hierover aan dat het aanwijzingsbesluit 2010 wel met inachtneming van artikel 6, tweede tot en met vierde lid, van de Habitatrichtlijn is genomen. De stelling van eisers dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 niet volledig dan wel correct passend zijn beoordeeld brengt in het voorgaande geen verandering, aldus verweerder. Verweerder stelt dat het aanwijzingsbesluit 2010 onherroepelijk is en het in strijd met de rechtszekerheid is als een onherroepelijk besluit opnieuw tegen het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn wordt gehouden. Na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen mogelijke bezwaren tegen het toepassen van de bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn niet alsnog worden tegengeworpen, aldus verweerder.\n\n11.4.. Zoals hierboven overwogen is het een gegeven dat het aanwijzingsbesluit 2010 door de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 onherroepelijk is geworden. De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat de toets aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in deze procedure opnieuw in volle omvang aan de orde kan worden gesteld. Dit zou immers neerkomen op een herbeoordeling van een reeds onherroepelijk verleende toestemming en zou het overgangsrecht in dat opzicht zinledig maken. De beoordeling dient daarom beperkt te blijven tot de vraag of artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in acht is genomen bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n11.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit 2010 onder meer het volgende is opgenomen:\n\n‘4.3 Maatschappelijke effecten en overwegingen\n\nIn deze paragraaf worden de effecten beschouwd van het alternatief 4c dat de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, kiest als basis voor de aanwijzing. Hierbij komen zowel de economische als milieueffecten aan de orde.’\n\n‘4.3.2. Milieu-effecten\n\nGeluid\n\n(…)\n\nLuchtkwaliteit\n\n(…)\n\nBeschermde natuur\n\nOm de gevolgen voor de beschermde natuur rond Rotterdam The Hague Airport in kaart te brengen, zijn voor het voorkeursalternatief verstorende effecten voor beschermde gebieden en beschermde flora en fauna geïnventariseerd. Mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen en binnen een afstand van minder dan twee kilometer van de routes.\n\nDeskundigenbureau Waardenburg hanteert als aanname dat boven deze hoogte en voorbij deze afstand geen verstoringen van de natuur optreden. Rotterdam The Hague Airport bevindt zich in een zeer verstedelijkte omgeving. Beschermde gebieden, diersoorten, plantsoorten en habitats (alle volgens de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet 2002) komen in de directe omgeving van de luchthaven niet of nauwelijks voor, wel op grotere afstand. Gevolgen van de alternatieven voor beschermde natuur zijn in de omgeving alleen van toepassing voor zicht en geluid van vliegtuigen in het Beschermd Natuurmonument de Ackerdijkse Plassen, enkele kilometers ten noordwesten van de luchthaven. Alle andere (beschermde) natuurgebieden liggen op zo'n afstand van de luchthaven en de gevolgde vliegroutes, dat er geen verstorende effecten te verwachten zijn.’\n\n11.6.. \n\nIn het ‘Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008 Rotterdam Airport, Deelrapport Natuur’ (milieueffectrapport), dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, zijn onder meer de volgende passages en afbeeldingen opgenomen:\n\n‘5. Gebieden en soorten met een beschermde status5.1. \n\nInleiding\n\n(…)\n\nRekening houdend met eventuele effecten op grotere afstand is een overzicht gegeven van beschermde gebieden en soorten binnen een straal van 5 en van 10 km. De beschermde gebieden hebben betrekking op Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Natuurbeschermingswet. Binnen een Vogelrichtlijngebied genieten de vogelsoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen een beschermde status. Binnen een Habitatrichtlijngebied geldt dit voor habitattypen en plant- en diersoorten op grond waarvan het gebied is aangewezen. Sinds 1 oktober 2005 is de gebiedsbescherming vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgenomen in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Sindsdien worden de speciale beschermingszones aangeduid als Natura 2000-gebieden. Eventuele inliggende Beschermde Natuurmonumenten zullen in deze vernieuwde aanwijzingen worden opgenomen. Daarnaast kan een gebied op grond van de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument.’\n\n‘5.2 Beschermde gebieden\n\nRondom luchtvaartterein Rotterdam-Airport liggen binnen een straal van 15 km geen gebieden waarvan de beschermde status is ontleend aan de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn. Alleen aan de zuidzijde van Rotterdam liggen langs de Oude Maas terreinen die onder de Habitatrichtlijn zijn aangewezen als speciale beschermingszone.\n\nOp grotere afstand, maar op minder dan 30 kilometer liggen met name langs de kust en in de Delta verschillende Natura 2000-gebieden. De meeste van deze gebieden ontlenen hun beschermde status aan zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn.\n\nTen noordwesten van Rotterdam-Airport liggen op enkele kilometers afstand de Ackerdijkse Plassen. Dit terrein heeft de status van Beschermd Natuurmonument.\n\n’\n\n‘Beoordelingskader\n\nDe effecten van het vliegverkeer van en naar Rotterdam Airport worden getoetst aan de voorwaarden die de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn stellen. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn geeft het globale afwegingskader. Op basis van dit beoordelingskader kan worden aangegeven of sprake is van significante effecten. Onder significante effecten wordt in dit verband verstaan:\n\nveranderingen in abiotische situatie en de ruimtelijke structuur, die de natuurlijke dynamiek te boven gaan en het leefmilieu van planten- en\u002Fof diersoorten zodanig beïnvloeden dat er letterlijk unieke situaties verloren dreigen te gaan of ecologische processen blijvend worden verstoord, of het voortbestaan van populaties van nationaal zeldzame soorten of voor dat systeem kenmerkende soorten op termijn niet meer op hetzelfde niveau verzekerd is, dan wel de betekenis van een gebied voor soorten aanmerkelijk afneemt (naar EU 2000).\n\nHierin zijn de begrippen ‘verloren dreigen te gaan' en ‘blijvend verstoord' relatief eenduidig en ook relatief eenvoudig vast te stellen. Voor gebieden die niet zijn aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, maar wel zijn aangewezen als Beschermd Natuurmonument, kan hetzelfde afwegingskader worden gebruikt. Ook voor deze gebieden zal worden nagegaan of sprake is van significante effecten. Indien in de beoordeling in het kader van de Vogelrichtlijn en\u002Fof Habitatrichtlijn sprake is van significante effecten, komen mitigerende en zo nodig ook compenserende maatregelen in beeld. De Natuurbeschermingswet is hierin minder stringent en vraagt bijvoorbeeld geen mitigerende of compenserende maatregelen. (…)’\n\n‘7. Conclusies\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport. Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten onder beide te beoordelen alternatieven.’\n\n11.7.. \n\nHet rapport van 26 juni 2008 waar eisers naar verwijzen betreft de toetsing door het adviesbureau Waardenburg waarin de effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving zijn getoetst (het rapport).Het rapport is een bijdrage in het hiervoor genoemde milieueffectrapport. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Verstoring van fauna door vliegtuigen en helikopters heeft een visuele en een auditieve component. Verstorende effecten nemen af bij toenemende vlieghoogte. Bij vlieghoogtes boven 3.000 ft worden op grond van het bestaande onderzoek geen effecten verwacht.\n\n(…)\n\nNatura 2000-gebieden die beschermd zijn op grond van de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (nog geen vigerende aanwijzingsbesluiten, voorheen Vogelrichtlijngebied en\u002Fof Habitatrichtlijngebied met thans vigerende aanwijzingsbesluiten) liggen op een afstand van 15 km of meer van luchtvaartterrein Rotterdam-Airport (figuur 5.1). Vliegtuigen passeren hier op hoogtes (ruim) boven 3.000 ft. Op deze gebieden zijn derhalve geen (significante) effecten te verwachten.’\n\n11.8.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze passages uit het milieueffectrapport dat ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit 2010, dat het aanwijzingsbesluit 2010 is verleend met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn. In het milieueffectrapport is een opsomming gegeven van de gevoelige en beschermde gebieden in relatie tot natuur en landschap die zich in de nabijheid van de voorgenomen activiteit bevinden. In deze opsomming worden ook verschillende Natura 2000-gebieden genoemd, inclusief de afstand tot de voorgenomen activiteit en of deze gebieden hun bescherming ontlenen aan de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn of beide. Blijkens de nota van toelichting en het milieueffectrapport heeft er vervolgens een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen activiteit op de betreffende gebieden. De conclusie is dat de voorgenomen activiteit geen (significante) effecten heeft op de gebieden die zijn gelegen binnen een afstand tot 15 km of minder van het terrein van de luchthaven, gelet op de aanname dat mogelijk verstorende effecten van grote burgerluchtvaart niet kunnen optreden in gebieden waarboven op minder dan drieduizend voet hoogte wordt gevlogen.\n\n11.9.. Anders dan eisers betogen, vereist het in acht nemen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 passend moeten zijn beoordeeld. De systematiek van het natuurbeschermingsrecht houdt in dat alleen een passende beoordeling nodig is als mogelijk significante effecten als gevolg van het project te verwachten zijn op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als significante negatieve gevolgen zijn uit te sluiten is een passende beoordeling niet nodig. De in het aanwijzingsbesluit verrichte beoordeling heeft uitgewezen dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De omstandigheid dat de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor omliggende gebieden in het aanwijzingsbesluit 2010, met de kennis van nu, wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, doet geen afbreuk aan het onherroepelijke karakter daarvan. Gelet hierop kunnen de overige door eisers aangevoerde gronden evenmin leiden tot het oordeel dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet in acht zijn genomen. Het betoog slaagt niet.\n\n11.10.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 een zogenaamde natuurtoestemming behelst.\n\nIs het aanwijzingsbesluit 2010 geëxpireerd?\n\n12. Eisers betogen dat de toestemming uit het aanwijzingsbesluit 2010 is geëxpireerd. Dit heeft volgens eisers tot gevolg dat de referentiesituatie die aan het aanwijzingsbesluit 2010 kan worden ontleend, nihil is. Eisers stellen dat in strijd met artikel X van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (Wet RBML) de omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport. Volgens eisers is de omzettingsregeling als bedoeld in artikel X van de Wet RBML uitdrukkelijk niet bedoeld voor burgerluchthavens van nationaal belang maar voor burgerluchthavens van regionaal belang. Dit blijkt onder meer uit verschillende passages uit de memorie van toelichting bij de Wet RBML, aldus eisers. Hierdoor had volgens eisers voor de exploitatie van de luchthaven op 1 november 2014 een Luchthavenbesluit moeten worden vastgesteld.\n\n12.1.. Verweerder voert hierover aan dat de omzettingsregeling tot gevolg heeft dat de exploitatie van de luchthaven nog steeds plaatsvindt overeenkomstig een vigerende toestemming. Volgens verweerder wordt in artikel X van de Wet RBML geen onderscheid gemaakt tussen het type luchthavens. Het gaat namelijk om ieder luchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet. De memorie van toelichting waarnaar eisers verwijzen is achterhaald, omdat daarin nog werd uitgegaan van het eerste wetsvoorstel, aldus verweerder. Volgens verweerder is met de nota van wijziging van 11 oktober 2006 het eerste wetsvoorstel gewijzigd.\n\n12.2.. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of een milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.De rechtbank zal daarom de vraag beantwoorden of verweerder ten onrechte heeft besloten dat het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling niet is geëxpireerd.\n\n12.3.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke grondslag voor de omzettingsregeling is gelegen in artikel X van de Wet RBML. Artikel X, eerste lid, van de Wet RBML luidt: ‘Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet, aan beide zijden in het verlengde van de middellijn van de start- en landingsbaan op 100 meter van het einde van de baan een punt vastgesteld waar de geluidbelasting een bepaalde waarde niet te boven mag gaan.’\n\n12.4.. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat ten onrechte een omzettingsregeling is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op artikel 18 van de Luchtvaartwet. De stelling van eisers dat in strijd met artikel X van de Wet RBML een omzettingsregeling is vastgesteld voor Rotterdam Airport volgt de rechtbank niet. Blijkens de tekst van artikel X van de Wet RBML wordt voor ieder burgerluchtvaartterrein dat is aangewezen op grond van artikel 18 van de Luchtvaartwet immers een omzettingsregeling vastgesteld.\n\nIs de omzettingsregeling van rechtswege komen te vervallen?\n\n13. Eisers betogen dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen en dat daarom hieraan geen referentiesituatie kan worden ontleend. Eisers stellen dat in strijd met de verplichting uit artikel XIII, tweede lid, van de RBML geen luchthavenbesluit is vastgesteld voor de exploitatie van de luchthaven en daarmee de omzettingsregeling is vervallen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat in strijd wordt gehandeld met het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wet luchtvaart (Wlv), aldus eisers. Het voorgaande onderbouwen eisers onder meer met rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) waaruit volgens hen blijkt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan een toestemming die een tijdelijk karakter heeft.\n\n13.1.. Verweerder voert hierover aan dat het niet voldoen aan de verplichting tot het binnen vijf jaar vaststellen van een luchthavenbesluit niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling van rechtswege is komen te vervallen.Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de toestemming voor de exploitatie van de luchthaven geen einddatum kent. De doorlopende toestemming uit de omzettingsregeling moet alleen worden ondergebracht onder een ander juridisch regime.\n\n13.2.. Artikel XIII, tweede lid, van de RBML luidt: ‘Binnen vijf jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel K, van deze wet wordt een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart, vastgesteld voor burgerluchthavens die op grond van artikel 8.1, tweede lid, van die wet van nationale betekenis zijn en waarvoor op grond van artikel 8.1a, derde lid, van die wet vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.’\n\n13.3.. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 5 maart 2025 heeft overwogen dat zolang een omzettingsregeling op grond van artikel X van de RBML voor een luchthaven geldt, het verbod van artikel 8.1a, derde lid, van de Wlv niet wordt overtreden.Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat in artikel XIII niet is bepaald dat een omzettingsregeling vervalt als de daarin gestelde termijn verstrijkt en er nog geen luchthavenbesluit is vastgesteld. Artikel XIII, eerste lid, van de RBML verbindt dat gevolg niet aan het verstrijken van de daarin gestelde termijn. Dat betekent dat de omzettingsregeling geldt zolang er nog geen luchthavenbesluit geldt, ook al is de termijn van artikel XIII, eerste lid, verstreken, aldus de Afdeling.\n\n13.4.. De rechtbank is, anders dan eisers betogen, niet van oordeel dat aan het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling geen referentiesituatie kan worden ontleend omdat deze zijn vervallen. De rechtbank acht hiertoe van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 uitdrukkelijk volgt dat het verstrijken van de termijn uit artikel XIII van de RBML niet tot gevolg heeft dat de omzettingsregeling vervalt. De omstandigheid dat in de betreffende uitspraak het eerste lid van voornoemd artikel van toepassing was en in deze procedure het tweede lid van dat artikel brengt in het voorgaande geen verandering. Ook in artikel XIII, tweede lid, van de RBML is namelijk, net als in het eerste lid, geen gevolg verbonden aan het niet voldoen aan de verplichting om binnen vijf jaar een luchthavenbesluit vast te stellen voor de betreffende luchthaven. Zoals hierboven opgenomen volgt uit de 18 december-uitspraak dat een referentiesituatie niet kan worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. Die rechtspraak ziet echter op de situatie waarin de rechten die werden ontleend aan de betrokken vergunning of toestemming zijn geëindigd, waardoor een activiteit niet in de bestaande omvang kon worden voortgezet. Die situatie doet zich hier niet voor. Weliswaar moest de omzettingsregeling blijkens artikel XIII binnen vijf jaar worden omgezet in een luchthavenbesluit, maar het hier aan voldoen heeft niet tot gevolg dat daarmee de exploitatie van de luchthaven niet mocht worden voortgezet. Van een verval van het recht om de eerder toegestane activiteit voort te zetten, was daarom geen sprake. Het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling is daarmee geen toestemming die is vervallen.13.5.. Gelet op het bovenstaande gaat de verwijzing door eisers naar de rechtspraak van het Hof van Justitie niet op. In het door eisers aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 29 juli 2019 was namelijk sprake van een concrete einddatum van de betreffende activiteit, bestaande uit het in werking hebben van twee kerncentrales. De toestemming van de exploitatie van de luchthaven kent daarentegen geen einddatum. Zoals hierboven opgenomen moet alleen de toestemming die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de omzettingsregeling worden ondergebracht onder het regime van de Wet luchtvaart. Voor zover eisers wijzen op overweging 43 uit het arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2022, merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers stellen, uit deze overweging niet volgt dat geen referentiesituatie kan worden ontleend aan toestemming die tijdelijk van aard is.\n\nTen onrechte de referentiesituatie betrokken in de voortoets?\n\n14. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. Eisers voeren daartoe aan dat in de 18 december-uitspraak is overwogen dat sprake is van een vergunningplichtig project als op basis van een voortoets, zonder dat daarin de referentiesituatie wordt betrokken, significante effecten niet kunnen worden uitgesloten. Volgens eisers volgt uit de 18 december-uitspraak ook dat het project slechts kan worden toegestaan als de effecten daarvan in een passende beoordeling zijn beoordeeld en de getroffen maatregelen uit deze passende beoordeling voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport geen voortzetting is van één-en-hetzelfde project als is toegestaan met het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling. Eisers voeren aan dat de exploitatie van Rotterdam Airport veelvuldig is gewijzigd sinds de referentiedatum en dat daarom niet langer sprake is van een-en-hetzelfde-project. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar het rapport van het adviesbureau Apollon Milieu (Apollon) waarin onder meer is opgenomen dat er tussen de aanvraag en de referentiesituatie verschillen zichtbaar zijn. In het rapport van Apollon is bijvoorbeeld opgetekend dat de parkeerterreinen op de luchthaven zijn uitgebreid en dat er een verschuiving en filtering heeft plaatsgevonden van vliegtuigcategorieën. Ter zitting hebben eisers gesteld dat wanneer op de grond van de luchthaven bouwwerkzaamheden worden verricht die relevant zijn voor de uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven, die werkzaamheden tot gevolg hebben dat daarmee het project wordt gewijzigd.\n\n14.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de referentiesituatie betrokken mocht worden bij de beoordeling van de effecten van het aangevraagde project in de voortoets en daaropvolgende beoordeling of het aangevraagde project vergunningplichtig was. Verweerder voert hierover aan dat de 18 december-uitspraak geen invloed heeft op het bestreden besluit. Verweerder stelt dat de aanvraag geen betrekking heeft op een wijziging van het project. Volgens verweerder is geen sprake van een nieuw project dan wel het beperken of beëindigen van een bestaande situatie. De exploitatie van de luchthaven als bedoeld in de referentiesituatie wordt namelijk voorgezet, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat de effecten van de beoogde situatie passen in de referentiesituatie en geen sprake is van een nieuw project of een verandering daarvan. Dat de vliegtuigen in de loop der tijd veranderen heeft niet tot gevolg dat sprake is van een gewijzigd project. Het vergunde project in de referentiesituatie betreft immers de exploitatie van een luchthaven en daar ziet het aangevraagde project ook op, aldus verweerder.\n\n14.2.. Rotterdam Airport stelt zich op het standpunt dat sprake is van één-en-hetzelfde project en daarom geen natuurvergunning is vereist. Rotterdam Airport betoogt dat het aangevraagde project nog steeds het exploiteren van de luchthaven is door middel van het afwikkelen van vliegverkeer, met alle bijbehorende (grondgebonden) activiteiten. Bij continuïteit en identiteit van de verschillende activiteiten moet de voortzetting van de reeds eerder vergunde activiteiten geacht worden deel uit te maken van slechts één project waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en waarvoor geen nieuwe beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn hoeft te worden verricht, aldus Rotterdam Airport.\n\n14.3.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen blijkt uit de 18 december-uitspraak dat de referentiesituatie in de voortoets van belang blijft. De referentiesituatie is namelijk van belang bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag betrekking heeft op de voortzetting van één-en-hetzelfde project waarvoor eerder toestemming is verleend of betrekking heeft op een gewijzigd of nieuw project. Van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project is sprake wanneer een project niet langer wordt voortgezet als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd.\n\n14.4.. De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in het arrest van 7 november 2018 heeft overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ‘mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd’.In het arrest van 10 november 2022 heeft het Hof van Justitie over de ongewijzigde voortzetting van een natuurvergunde activiteit overwogen: ‘Wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied, reeds in de projectfase is vergund, kan de voortzetting van die activiteit echter slechts worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 92\u002F43 een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit - met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd - geen continuïteit en identiteit bestaat’.\n\n14.5.. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of het aangevraagde project door Rotterdam Airport een voortzetting betreft als één-en-hetzelfde project ten opzichte van de toestemming zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.6.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat Rotterdam Airport onder meer het volgende heeft opgenomen in haar aanvraag van 1 oktober 2020:\n\n ‘Hierbij vraag ik namens Rotterdam Airport (‘’RTHA’’) een vergunning aan op grond van de Wet natuurbescherming (‘‘Wnb-vergunning’’) voor Luchthaven Rotterdam The Hague Airport.’\n\nIn de bij de aanvraag gehechte passende beoordeling is onder meer het volgende opgenomen:\n\nHuidig gebruik\n\nVoor het huidige gebruik is de realisatie van gebruiksjaar 2019 (van 1 november 2018 t\u002Fm 31 oktober 2019) genomen, aangezien dit meest recente volledige gebruiksjaar is voor de COVID-19 situatie. Het aantal vliegtuigbewegingen dat hoort bij dit gebruiksjaar is in tabel 4 opgenomen. In dit scenario worden meerdere vliegtuig- en motortypen per geluidscategorie beschouwd. Hiermee wordt uitgegaan van een realistische vlootmix.\n\n’\n\nIn de geactualiseerde passende beoordeling is onder meer de volgende tabel opgenomen:\n\n14.7.. \n\nIn het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n‘Besluit\n\nIn de stukken geeft u aan dat de aanvraag voor het project RTHA betrekking heeft op de referentiesituatie zoals beschreven in de passende beoordeling. De exploitatie blijft binnen bestaand recht. Derhalve wordt geen vergunning verleend, maar wordt de aanvraag positief afgewezen.’\n\n(…)\n\n‘2.4 Conclusie\n\nNu het Aanwijzingsbesluit 2010 het bestaand recht bepaalt is niet het aantal vliegtuigen bepalend voor de referentiesituatie, als wel hetgeen zich realistisch gezien kon voordoen binnen de looptijd van het Aanwijzingsbesluit 2010. Daarbij was de geluidscontour bepalend, want aan RTHA is in 2010 geen andere beperking gesteld dan de geluidscontour. De stikstofemissie en -depositie volgens bestaand recht is uitgewerkt in de voortoets. Uit de voortoets volgt dat het aantal vliegtuigbewegingen bij het bestaand recht zoals zich dat in de referentiesituatie kon voordoen, lager is dan hetgeen werd voorzien bij de omzettingsregeling. Nu de aanvraag ziet op het uitvoeren van het project exploitatie luchthaven RTHA binnen de referentiesituatie, zijn significante gevolgen uitgesloten. Om die reden is geen vergunning nodig. Dit besluit betreft dan ook een positieve weigering. Aan een positieve weigering kunnen geen voorschriften worden verbonden. Uit oogpunt van rechtszekerheid en om te voorkomen dat de activiteiten op RTHA, ten opzichte van de referentiesituatie, verslechterende of significant verstorende gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied waarop RTHA stikstof emitteert en deponeert, worden bij separaat besluit ambtshalve maatwerkvoorschriften opgelegd waarbij de stikstofemissie, van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, platformverkeer en proefdraaien, zoals berekend in de voortoets behorend bij uw aanvraag voor de referentiesituatie, wordt vastgelegd. Voorts dient de luchthaven over leder volgend gebruiksjaar te monitoren wat de stikstofemissie was.’\n\n14.8.. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Rotterdam Airport met haar aanvraag een wijziging van het project heeft aangevraagd ten opzichte van de referentiesituatie zoals die is neergelegd in het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling.\n\n14.9.. De rechtbank stelt voorop dat een toestemming kan zijn begrensd door middel van geluidcontouren. Deze contouren dienen dan als referentie voor het maximaal toegestane gebruik. Het aantal vliegtuigbewegingen kan binnen de geluidcontour fluctueren en is alleen begrensd door de geluidscontour.Onder meer uit de aanvraag blijkt dat de berekende Ke-geluidszone uit het aanwijzingsbesluit 2010 is gebaseerd op 24.923 vliegtuigbewegingen groot verkeer. Dit aantal vliegtuigbewegingen vloeit voort uit het milieueffectrapport dat ten grondslag lag aan de vaststelling van het aanwijzingsbesluit 2010.Dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport binnen deze toegestane vliegtuigbewegingen blijft is gelet op de 18 december-uitspraak niet meer relevant voor de vraag of het aangevraagde project vergunningplichtig is. Enkel als op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het aangevraagde project op zich zelf (inclusief standaardonderdelen in het ontwerp van het nieuwe project, maar zonder daarbij mitigerende maatregelen, waaronder intern salderen te betrekken), of in combinatie met andere plannen of projecten heeft voor Natura 2000-gebieden, bestaat er geen vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.\n\n14.10.. Het adviesbureau Apollon heeft in opdracht van eisers een rapport opgesteld met de titel ‘Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport’ (second opinion). In deze second opinion heeft Apollon onder meer geconcludeerd dat door de jaren heen het aantal parkeerplaatsen bij de luchthaven is toegenomen om het groeiend aantal passagiers te faciliteren. Zo heeft er volgens Apollon in 2006 een uitbreiding plaatsgevonden aan de zuid\u002Fwest kant van de luchthaven en is in 2008 een brede parkeerstrook aan het zuiden doorgetrokken. Verder concludeert Apollon dat ook een aantal faciliteiten zoals hotels, catering en gebouwen voor cargo bedrijven zijn gerealiseerd.Deze conclusies heeft Apollon onderbouwd met verschillende luchtfoto’s uit verschillende jaren van de luchthaven waarop deze wijzigingen volgens Apollon zichtbaar zijn.\n\n14.11.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Rotterdam Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het aanwijzingsbesluit 2010 en de daarop volgende omzettingsregeling. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Rotterdam Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal en type vliegtuigbewegingen. Hiermee heeft Rotterdam Airport ervoor gekozen om een toegestaan project op grond van een geluidscontour (dat dynamisch van aard) is te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidscontour van het aanwijzingsbesluit 2010 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. Die wijzigingen hebben zich ook voorgedaan, zoals blijkt uit het verschil tussen de vliegtuigbewegingen in de referentiesituatie en het huidige gebruik waarvoor het jaar 2019 tot uitgangspunt is genomen. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. Dit dynamische karakter van de toestemming die Rotterdam Airport ontleent aan het aanwijzingsbesluit 2010 is onder meer zichtbaar uit de aangeleverde gegevens over het huidige gebruik. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het aanwijzingsbesluit 2010 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Rotterdam Airport worden uitgevoerd.\n\n14.12.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag niet compleet is, nu Rotterdam Airport geen toestemming heeft gevraagd voor alle activiteiten die gezamenlijk één project vormen. Zo maken de (uitgebreide) parkeerterreinen geen onderdeel uit van de aanvraag, terwijl deze parkeerterreinen onlosmakelijk samenhangen met de activiteiten waarvoor Rotterdam Airport een natuurvergunning heeft aangevraagd. De rechtbank betrekt hierbij dat het aantal passagiers dat gebruikt maakt van de luchthaven is toegenomen en dat deze parkeerterreinen, die in de directe nabijheid van de luchthaven liggen, dus zijn bedoeld om de toegenomen parkeerbehoefte van de luchthaven op te vangen. Naar zijn aard zijn deze parkeeractiviteiten dus niet te onderscheiden van de luchthaven.Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.De uitbreiding van deze parkeerterreinen zijn ook van invloed op de continuïteit en identiteit van de activiteiten van de luchthaven.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F5175\n\n15. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat geen natuurvergunning was vereist voor het aangevraagde project. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij het geschil niet finaal kan beslechten en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De reden hiervoor is gelegen in de omstandigheid dat niet op voorhand duidelijk is of verweerder alsnog een natuurvergunning wil verlenen en dat bij de aanvraag een zogenoemde additionaliteitstoets ontbreekt. Mocht verweerder alsnog een natuurvergunning willen verlenen voor het aangevraagde project, dan dient er een nadere passende beoordeling te worden opgesteld met een additionaliteitstoets, waarin de referentiesituatie uit het aanwijzingsbesluit 2010 en de daaropvolgende omzettingsregeling ingebracht kan worden voor een mitigerende maatregel inzake intern salderen.\n\n15.1.. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op hetgeen eisers hebben aangevoerd over de juistheid van de vaststelling van de omvang van de door verweerder gehanteerde referentiesituatie. Verweerder moet immers met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project.\n\nARN 24\u002F8840\n\n16. In deze zaak staat het door verweerder aan Rotterdam Airport opgelegde maatwerkvoorschrift centraal. De bevoegdheid om dit maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport op te leggen, heeft verweerder ontleend aan artikel 11.4, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Volgens verweerder is er namelijk sprake van een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als genoemd in artikel 4.12, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (te weten de exploitatie van een burgerluchthaven van nationale betekenis).\n\n16.1.. \n\nVerweerder heeft aan het maatwerkvoorschrift verschillende voorschriften verbonden. Het vierde en zevende voorschrift luiden achtereenvolgens:\n\n‘4. Het bestaande recht van Rotterdam Airport B.V. van NOx emissies van vliegverkeer incl. taxiën en APU, GPU, Platformverkeer en proefdraaien bedraagt: 88,8 ton\u002Fjaar. Ieder gebruiksjaar dient de luchthaven binnen deze emissie te blijven.\n\n7. Voor de berekening van de stikstofemissies wordt dezelfde berekeningsmethodiek (emissie kentallen) gevolgd, die Is gebruikt voor de aanvraag van de Wnb-vergunning.’\n\n16.2.. Eisers betogen dat het maatwerkvoorschrift in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal is opgelegd. Eisers voeren aan dat op grond van deze bepaling een maatwerkvoorschrift niet kan worden opgelegd als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. Dit voorgaande is het geval volgens eisers, nu het aangevraagde project vergunningplichtig is. De jaarlijkse emissie van 88,8 ton NOx per jaar kan uitsluitend middels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit worden voorgeschreven aan Rotterdam Airport, aldus eisers.\n\n16.3.. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het aanwijzingsbesluit 2010. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.\n\n16.4.. \n\nIn het besluit op het bezwaar van eisers is onder meer het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 11.9 van het Bal biedt de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te leggen. Dat kan op grond van artikel 11.9 lid 3 van het Bal alleen als het voorschrift niet aan een omgevingsvergunning verbonden kan worden. In dit geval is gebleken dat het project ‘Exploitatie Rotterdam The Hague Airport’ de bestaande rechten niet overschrijdt. Daarom is in de positieve weigering de aanvraag voor een vergunning afgewezen, omdat geen vergunning nodig is. Daardoor is het dus niet mogelijk een dergelijk voorschrift in een\n\nomgevingsvergunning op te nemen. De enige mogelijkheid om de grenzen van het bestaande recht vast te leggen, is via de weg van de specifieke zorgplicht en het stellen van maatwerkvoorschriften. De discussie dat het bestaande recht niet klopt, dient, zoals hierboven aangegeven, te worden gevoerd in de procedure omtrent de positieve afwijzing van de vergunning aanvraag.’\n\n16.5.. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’\n\n16.6.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 14.11 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Rotterdam Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 14.11 overwogen is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Rotterdam Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie in zaak ARN 24\u002F8840\n\n17. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep van eisers gegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte besloten dat hij bevoegd was tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift aan Rotterdam Airport. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar en herroept het maatwerkbesluit van 17 juni 2024. De rechtbank zal in deze uitspraak niet verder ingaan op het overige wat eisers hebben aangevoerd over onder meer de omvang van de toegestane NOx-emissie. Zoals hierboven overwogen moet verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beoordelen of hij alsnog een natuurvergunning wil verlenen voor het aangevraagde project en zo ja, dan zal hij daarbij ook (opnieuw) de omvang van de referentiesituatie moeten vaststellen.\n\nProceskosten\n\n18. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.736,- omdat de gemachtigden van eisers voor elke zaak een beroepschrift hebben ingediend en beiden ook aan de zitting hebben deelgenomen.\n\n18.1.. Eisers hebben verder verzocht om vergoeding van de kosten van de second opinion van Apollon van 31 oktober 2025, die zij in de beroepsfase ARN 25\u002F5175 hebben ingebracht. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.De inschakeling van Apollon in het kader van de beroepsprocedure acht de rechtbank redelijk. Ter zitting hebben eisers aangegeven dat zij willen dat verweerder een bedrag van € 3230,92 aan kosten vergoedt. Dit hebben eisers onderbouwd met een factuur. De rechtbank acht de deskundigenkosten voor het opstellen van de second opinion redelijk.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nZaaknummer 24\u002F5175\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 17 juni 2024;\n\n- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.098,92 aan proceskosten aan eisers.\n\nZaaknummer 24\u002F8840\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- herroept het besluit van 17 juni 2024;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingHabitatrichtlijn\n\nArtikel 6\n\n1. Voor speciale natuurbeschermingsgebieden stellen de lidstaten de noodzakelijke beschermingsmaatregelen vast, die, indien nodig, passende beheersplannen omvatten die specifiek voor de locaties zijn ontworpen of geïntegreerd in andere ontwikkelingsplannen, en passende wettelijke, administratieve of contractuele maatregelen die overeenkomen met de ecologische vereisten van de natuurlijke habitattypen in Bijlage I en de soorten in Bijlage II die op de locaties aanwezig zijn.\n\n2. Lidstaten zullen passende maatregelen nemen om in de bijzondere beschermingsgebieden de achteruitgang van natuurlijke habitats en die van soorten, evenals verstoring van de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen, te voorkomen, voor zover deze verstoring significant kan zijn in relatie tot de doelstellingen van deze richtlijn.\n\n3. Elk plan of project dat niet direct verbonden is met of noodzakelijk is voor het beheer van de locatie, maar waarschijnlijk een significante invloed daarop zal hebben, hetzij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, wordt onderworpen aan een passende beoordeling van de implicaties voor de locatie in het licht van de natuurbeschermingsdoelstellingen van de locatie. In het licht van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor de locatie en onder voorbehoud van de bepalingen van paragraaf 4, zullen de bevoegde nationale autoriteiten pas instemmen met het plan of project nadat zij hebben vastgesteld dat het de integriteit van de betreffende locatie niet nadelig zal beïnvloeden en, indien van toepassing, nadat zij de mening van het algemene publiek hebben verkregen.\n\nArtikel 7\n\nVerplichtingen voortvloeiend uit artikel 6, lid 2, lid 3 en 4 van deze richtlijn vervangen alle verplichtingen die voortvloeien uit de eerste zin van artikel 4 (4) van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG met betrekking tot gebieden die zijn geclassificeerd krachtens artikel 4 (1) of op vergelijkbare wijze erkend onder artikel 4 (2) daarvan, vanaf de datum van uitvoering van deze richtlijn of de datum van classificatie of erkenning door een lidstaat op grond van Richtlijn 79\u002F409\u002FEEG, waarbij de laatste datum later is.\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:2\n\n2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.\n\nArtikel 4:5\n\n1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:\n\nc. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,\n\nmits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.\n\nArtikel 8:72\n\n1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.\n\n2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.\n\n3. De bestuursrechter kan bepalen dat:\n\na. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of\n\nb. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.\n\n4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij:\n\na. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven;\n\nb. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.\n\nArtikel 8:75\n\n1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.\n\nOmgevingswet\n\nArtikel 5.1\n\n1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\ne. een Natura 2000-activiteit.\n\nAanvullingswet natuur Omgevingswet\n\nArtikel 2.9\n\n1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:\n\na. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is.\n\nWet Natuurbescherming\n\nArtikel 2.7\n\n2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.\n\nArtikel 9.4\n\n8. Artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan, voor 1 februari 2009, op grond van een andere wettelijke grondslag dan artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 en met inachtneming van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn, een besluit is genomen waarbij dat project of die handeling is toegestaan, dan wel een aanvraag voor het nemen van dat besluit is gedaan en dat besluit na die datum onherroepelijk is geworden.\n\nNatuurbeschermingswet 1998\n\nArtikel 19d\n\n1. Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.\n\nBesluit activiteiten leefomgeving\n\nArtikel 11.4\n\n1. Voor een Natura 2000-activiteit van nationaal belang als bedoeld in artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit en voor een in het tweede lid van dat artikel aangewezen activiteit die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben is Onze Minister voor Natuur en Stikstof het bevoegd gezag:\n\na. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen.\n\nArtikel 11.9\n\n3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.\n\nOmgevingsbesluit\n\nArtikel 4.12\n\n1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist op een enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag alleen betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten:\n\na. een Natura 2000-activiteit van nationaal belang.\n\nStcrt.2021, 7270.\n\n Dit betreft de volgende stukken: Vergunningaanvraag Wnb\u002FPassende beoordeling, d.d. 25 oktober 2023; Stikstofdepositie RTHA, achtergrondrapport bij de passende beoordeling, d.d. 16 oktober 2023; Actualisatie passende beoordeling RTHA onderdeel stikstof, d.d. 16 oktober 2023; Natuurtoets aanpassing gebruik RTHA gebiedenbescherming, d.d. 5 oktober 2023; Beschermde soorten rond RTHA en aspecten van vliegveiligheid, d.d. 24 oktober 2023; Projectberekening PDF Aerius Calculator, d.d. 13 oktober 2023.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, waaruit volgens eisers volgt dat bij het verlenen van een natuurvergunning niet een bepaalde stikstofemissie of stikstofdepositie wordt vergund, maar bepaalde activiteiten.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 3.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 5.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie onder meer de door eisers aangehaalde uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1528, r.o. 5.1.\n\n Deze verplichting is opgenomen in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).\n\n Dit bleek onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 16.2.\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 21.1\n\n uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Richtlijn 2009\u002F147\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\nStcrt.1964, 225 en 232.\n\nStcrt.2000, 62.\n\nStcrt.2001, 209.\n\nStcrt.2004, 149.\n\nStcrt.2010, 16205.\n\n Dit zijn achtereenvolgens de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1147 en de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.\n\n Dit betreft artikel 2.4, vijfde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. In deze bepaling is het volgende opgenomen: Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is niet van toepassing op besluiten als bedoeld in artikel 9.4, achtste of negende lid, van de Wet natuurbescherming die onherroepelijk zijn. De paragrafen 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.5 van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing.\n\nKamerstukken II2011\u002F12, 33 348, nr. 3, p. 290\n\n Zoals overwogen in rechtsoverweging 5.4 door de Rechtbank Oost-Brabant in haar uitspraak van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 24 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1601, r.o. 5.9.\n\n Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR0564.\n\n Dit betreft het rapport: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13631, r.o. 8.2.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 34.\n\n Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Aanwijzing Luchtvaartterrein Rotterdam The Hague Airport, 22 september 2010, p. 44-45.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 31.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 32.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 33.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 41.\n\n Milieueffectrapport Zoneaanpassing 2008, Deelrapport Beschermde Natuur, Rotterdam Airport, 26 juni 2008, p. 51.\n\n Volledig: Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008.\n\n Effecten van het vliegveld Rotterdam in relatie tot de vigerende natuurwetgeving, een bijdrage in het MER 2008, [persoon J] en [persoon K] , Bureau Waardenburg, 26 juni 2008, p. 7-8.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 18.1.\n\n Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:622 en van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864.\n\n Ter onderbouwing verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.1.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:860, r.o. 7.2.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, r.o. 5, waarin de Afdeling verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 17 en 17.5.\n\n Arrest van het hof van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018: 882, r.o. 86.\n\n Arrest van het hof van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864, r.o. 35. Zoals overwogen door de Afdeling in haar uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:615, r.o. 7.1.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 1 oktober 2020, p. 8-9.\n\n Vergunningaanvraag Wet natuurbescherming \u002F passende beoordeling, Rotterdam The Hague Airport, Adecs Airinfra Consultants, 25 oktober 2023, p. 4.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2449 en van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1959.\n\n Blijkens de nota van toelichting heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen om alternatief 4c uit het milieueffectrapport als basis te nemen voor het aanwijzingsbesluit 2010.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, r.o. 22.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8.\n\n Rapport Second Opinion Wnb Rotterdam The Hague Airport, [persoon D] , Apollon Milieu, 31 oktober 2025, p. 8 in samenhang met bijlage 3.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556, r.o. 6.6.\n\n Arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:133, r.o. 36. Ondanks het gegeven dat in het betreffende arrest een ‘project’ als bedoeld in de richtlijn 85\u002F337\u002FEEC centraal stond, is dit arrest van toepassing op onderhavige aanvraag. Zie daarvoor rechtsoverweging 65 van het arrest van het Hof van Justitie van 7 november 2018, ECLI:EU:C:2018:882.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1246, r.o. 9.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2962","2026-07-13T00:29:46.815Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":65,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":31,"updatedAt":68},"1317","ECLI:NL:GHARL:2023:1187","ecli-nl-gharl-2023-1187","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-001626-21\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 25 maart 2021 met parketnummer\n\n08-997004-17 in de strafzaak tegen\n\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en mr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank heeft bij vonnis van 25 maart 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018,\n\nveroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging.\n\nTen aanzien van de op te leggen straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.\n\nAanvulling van gronden\n\nTen aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aangevoerd dat er zowel binnen het bestuursrecht als het civiele recht voldoende middelen bestonden om corrigerend op te treden, zodat er geen plaats is voor een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast is er volgens de verdediging gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en haar bestuurder [medeverdachte] zijn vervolgd en de Staat als privaatrechtelijke partij en tevens toezichthouder, niet. Ten slotte is aangevoerd dat sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel in combinatie met een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de Staat het in eerste instantie heeft nagelaten om handhavend op te treden terwijl de controlerende instanties op de hoogte waren van de winlocaties van verdachte, en de daadwerkelijke strafvervolging vervolgens veel te lang heeft geduurd. Alles samen maakt volgens de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ingestelde strafvordering.\n\nHet hof overweegt, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank op pagina 8 tot en met 10 van het vonnis is overwogen, dat al de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet maken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.\n\nVan gelijke gevallen in de zin van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake, nu de rol van verdachte en die van de overheid als eigenaar van de gronden een geheel andere is. De overheid heeft door middel van het uitgeven van vergunningen, of door het niet verlenen daarvan, in beginsel voldaan aan zijn verplichting om te verhinderen dat zonder vergunning wordt ontgrond. Dat diezelfde overheid pas laat heeft ingegrepen met betrekking tot de overtreding van het verbod van artikel 3 van de Ontgrondingenwet (hierna: Ogw) door verdachte, is in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet relevant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan verdachte daaraan geen rechten ontlenen.\n\nVerder overweegt het hof dat de in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangehaalde Aanwijzingen voor de regelgeving evenmin in de weg staan aan ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien zij naar inhoud en strekking niet zijn aan te merken is als recht in de zin van artikel 79 van het Wet op de Rechterlijke Organisatie, waardoor geen horizontale of verticale werking door partijen aan die bepalingen kan worden ontleend.\n\nEr is geen sprake van een situatie waarin geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte had kunnen komen. Het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.\n\nTen aanzien van artikel 3 en 3a van de Ontgrondingenwet\n\nTer terechtzitting in hoger beroep is nogmaals door mr. E. van der Meer bepleit dat verdachte niet zonder vergunning heeft ontgrond, omdat zij in de periode van 2011 tot en met 2013 een ontgrondingsvergunning had voor de Noordzee. In voorschrift 1.1. is het wingebied gedefinieerd doordat is bepaald dat de winning alleen mag worden uitgevoerd binnen het gebied zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende indicatieve tekening met nummer [nummer] . Het winnen van schelpen buiten het aangegeven gebied valt volgens de verdediging aan te merken als het handelen in strijd met voorschriften van een bestaande vergunning, welk verbod is opgenomen in artikel 3a van de Ogw, en valt niet onder het zonder een vergunning ontgronden uit artikel 3 van de Ogw.\n\nHet hof overweegt dat voor zover artikel 3a Ogw van toepassing is, in ieder geval ook artikel 3 Ogw van toepassing is, omdat vaststaat dat verdachte in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013 in de Waddenzee en Noordzeekustzone schelpen heeft gewonnen terwijl zij daarvoor in die periode geen vergunning had.\n\nDat verdachte een begrip voor de Noordzee hanteert waarin geen onderscheid bestaat tussen de Noordzee en de Noordzeekustzone, dient voor haar rekening en risico te blijven. Op grond van de diverse vergunningen die aan verdachte zijn vertrekt, moet haar dat onderscheid duidelijk zijn geweest.\n\nAanvullende overweging ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5\n\nDat de zoon van de bestuurder van verdachte de betreffende opgaven aan het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: RVB) zou hebben gedaan, omdat de bestuurder niet met computers overweg kan, maakt het verwijt dat in de tenlastegelegde feiten besloten ligt, niet anders. Het handelen van de bestuurder van verdachte en diens zoon kunnen aan verdachte worden toegerekend, nu sprake is van het handelen van een persoon die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en daaraan dienstig is geweest, terwijl de rechtspersoon erover kon beschikken dat de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nIndien het hof toch tot een veroordeling komt, is volgens de verdediging een schuldigverklaring zonder strafoplegging een passende afdoening gezien de houding van de Staat, die door verwijtbaar nalaten medeverantwoordelijk is voor de strafrechtelijke gang van zaken.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft in de periode van medio maart 2011 tot en met 2013 meerdere malen\n\nschelpen gewonnen op een winlocatie, waarvoor zij geen vergunning had (feit 1). Zij heeft\n\nschelpen gewonnen in de Noordzeekustzone en Waddenzee, een gebied waarbinnen meerdere partijen zich kunnen inschrijven per kavel. Of er kavels worden toebedeeld en hoe veel, is afhankelijk van het bedrag dat een partij ervoor over heeft. Verdachte had in de periode van 2011 tot en met 2013 enkel een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. Voor die periode had verdachte geen kavels in de Noordzeekustzone of in de Waddenzee, en zij mocht derhalve in dit gebied geen schelpen winnen. Door dit alsnog te doen, heeft verdachte niet alleen de doelstellingen van het vergunningensysteem ondergraven, maar zichzelf ook financieel bevoordeeld ten opzichte van haar concurrenten.\n\nHet hof heeft geconstateerd dat de onder 1 tenlastegelegde feiten zo lang geleden zijn gepleegd dat het al gedeeltelijk is verjaard - voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft – en op korte termijn in zijn geheel zal verjaren in verband met de absolute verjaringstermijn als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof voorziet dat de aankomende verjaring reeds reden voor cassatie zou kunnen zijn. Om verdere procedures te voorkomen, en omdat het karakter en de verjaringstermijn van het onder 1 ten laste gelegde delict verschillen van die van de overige tenlastegelegde feiten, zal het hof de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde geen straf of maatregel opleggen.\n\nVerder heeft verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2019, gedurende acht jaren, in meerdere elektronische opgaven vermeld dat zij schelpen had gewonnen in het wingebied Noordzee, terwijl deze schelpen in werkelijkheid waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee of de Noordzeekustzone. Vervolgens heeft zij deze valse opgaven toegestuurd aan het RVB (feiten 2, 3, 4 en 5).\n\nNaar het oordeel van het hof zijn de bewezenverklaarde feiten van dien aard, dat hierbij niet kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder strafoplegging. Verdachte – een partij die zich al jarenlang in de wereld van het winnen van schelpen begeeft – heeft gedurende een lange periode uiterst laakbaar gehandeld. In november 2014 is zij reeds gewezen op haar onjuiste handelen, maar dit heeft geen verschil teweeg gebracht in de handelwijze van de B.V. In de periode van 2011 tot en met 2018 was de prijs voor schelpen die werden gewonnen in het wingebied de Noordzee (veel) lager dan de prijs die moest worden betaald voor schelpen die waren gewonnen in het wingebied de Waddenzee en de Noordzeekustzone en door het handelen van verdachte is het RVB dan ook financieel benadeeld. Gelet hierop acht het hof een geldboete een passende straf bij de bewezenverklaarde feiten.\n\nUit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 december 2022 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken in eerste aanleg is overschreden. De rechtbank heeft een geldboete ter hoogte van € 50.000,-, waarvan € 40.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren opgelegd en daarin is de overschrijding van de redelijke termijn ook al meegewogen. Het hof houdt in hoger beroep ook rekening met de overschrijding en zal geen straf opleggen die hoger is dan de straf die door de rechtbank is bepaald.\n\nHet gegeven dat de bestuurder van verdachte voor dezelfde feiten als in de onderhavige zaak straffen opgelegd krijgt, maakt dat het hof reden ziet om verdachte tot een geheel voorwaardelijke geldboete te veroordelen. Aangezien verdachte nog actief is als het gaat om het winnen van schelpen, zal de voorwaardelijke geldboete wel fors zijn, om te voorkomen dat verdachte in de toekomst nog verkeerde wingebieden op zal geven en valse opgaven op zal sturen aan het KVB.\n\nIndien het hof de bewezenverklaring van feit 1 had betrokken in de strafoplegging zonder rekening te houden met het punt van verjaring, zou een zelfde straf zijn opgelegd als de rechtbank heeft gedaan.\n\nAlles overziend acht het hof een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 50.000,- met een proeftijd van drie jaren voor de feiten die onder 2, 3, 4 en 5 bewezen zijn verklaard, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nBepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nVeroordeelt de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,-,.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1187","2023-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.655Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":31,"updatedAt":75},"767","ECLI:NL:GHARL:2023:1188","ecli-nl-gharl-2023-1188","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000807-22\n\nUitspraak d.d.: 7 februari 2023\n\nTEGENSPRAAK\n\nONTNEMINGSZAAK\n\nVerkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 februari 2022 met parketnummer\n\n08-997004-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen\n [Verdacht B.V.] ,\n\ngevestigd [vestigingsplaats] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de vertegenwoordiger van betrokkene en haar raadslieden, mr. E. van der Meer en\n\nmr. W. Sleijfer, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.\n\nDe vordering\n\nDe inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 321.209,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 321.209,-.\n\nDe ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nDoor de raadslieden is aangevoerd dat Rijkswaterstaat een privaatrechtelijke vordering tegen de veroordeelde had moeten indienen. Hieruit maakt het hof op dat de verdediging de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ook in de ontnemingszaak aan de orde heeft willen stellen.\n\nUit artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Verdachte is bij arrest van 7 februari 2023 veroordeeld voor strafbare feiten die samenhangen met de onderhavige ontnemingszaak. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde kan worden ingediend, dat de eventuele mogelijkheid tot het indienen van een vordering bij de burgerlijke rechter hieraan niet in de weg staat en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 308.459,90 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van\n\n€ 290.000,-.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de betrokkene geen schelpen heeft gewonnen\n\nop niet-toegestane locaties. In de periode van 2011 tot en met 2013 zijn schelpen gewonnen\n\nin de Noordzeekustzone. De betrokkene beschikte in die periode over een vergunning voor het winnen van schelpen in de Noordzee. In 2014 zijn eveneens schelpen gewonnen in de Noordzeekustzone. De betrokkene heeft opgegeven dat zij schelpen had gewonnen in de Noordzee. Volgens de raadslieden is deze opgave juist, nu de Noordzeekustzone deel uitmaakt van de Noordzee.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekeningen van het openbaar ministerie onjuist zijn. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode\n\nvan 2011 tot en met 2013 is bepaald middels een berekening op transactiebasis, maar had,\n\ngelet op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 november 2020\n\n(ECLI:NL:RBOVE:2020:3757) moeten worden vastgesteld door een vergelijking te maken\n\nmet de legale werkwijze. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat volgens die\n\nberekeningswijze uit de besparing van de brandstofkosten en onderhoudskosten voor het\n\nschip.\n\nVerder hebben de raadslieden bepleit dat het rendementsverlies, wat is geleden naar aanleiding van het gedeeltelijk onrechtmatig conservatoire beslag (ter hoogte van\n\n€ 453.376,-), als matigingsfactor moet worden meegenomen bij de vaststelling van de betalingsverplichting.\n\nTot slot hebben de raadslieden zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden, wat ook als matigingsfactor moet worden meegenomen. De betalingsverplichting zou met tien procent van het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden bijgesteld.\n\nOordeel van het hof\n\nBewezenverklaarde handelen\n\nDe betrokkene is, voor zover voor de beoordeling van de vordering van belang, bij vonnis van 25 maart 2021 (parketnummer 08-997004-17) door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor:\n\n feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 15 maart 2011 tot en met 31 december 2013;\n\n feit 2: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 3: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2014;\n\n feit 4: het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018;\n\n feit 5: het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018.\n\nHet vonnis is voor wat betreft de bewezenverklaring bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 bevestigd (parketnummer 21-001626-21).\n\nVerjaarde feiten\n\nDe rechtbank heeft in het vonnis overwogen dat de strafvervolging voor het onder 1 ten laste gelegde door verjaring is vervallen voor zover het de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 betreft. Op grond hiervan is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor dit deel van het feit. Deze beslissing is in hoger beroep in stand gebleven.\n\nHet hof is van oordeel dat die (gedeeltelijke en toekomstige) verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit oordeel is gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI2307) en dat van 11 mei 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7660). Het hof zal daarom de gehele tenlastegelegde periode bij de beoordeling van de vordering betrekken.\n\nUit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.\n\nTen aanzien van de verweren van de verdediging\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt: onjuiste berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nDe verdediging heeft verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2020:3757), waarin het ging om het winnen van schelpen in wateren op Duits grondgebied. Het hof constateert dat de omstandigheden van de onderhavige zaak afwijken van die in de zaak waar naar is verwezen, als gevolg waarvan het subsidiaire verweer van de verdediging zal worden verworpen. Zo is niet aannemelijk geworden dat betrokkene de gewonnen schelpen had kunnen verkrijgen uit (één van) de haar vergunde gebieden en dat (dus) het bewezen verklaarde strafbare handelen uitsluitend heeft plaatsgevonden om kosten te besparen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nHet hof neemt bij het vaststellen van het door de veroordeelde wederrechtelijk\n\nverkregen voordeel de berekeningen uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel betreffende [Verdacht B.V.] , van 14 mei 2018, als uitgangspunt.\n\nBerekening 1: het zonder vergunning winnen van schelpen (2011 tot en met 2013)\n\nBlijkens voornoemd rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van\n\n2011 tot en met 2013 bepaald door middel van een berekening op transactiebasis. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel over een bepaald boekjaar uit het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -\u002F- totaal kosten) naar rato toegerekend aan de illegale (niet vergunde)\n\nbedrijfsactiviteit in verhouding tot de totale bedrijfsactiviteiten van de onderneming.\n\nTen eerste is aan de hand van de winst- en verliesrekening het resultaat voor belastingen\n\n(omzet -1- totaal kosten) over de jaren 2011 tot en met 2013 als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet resultaat voor belastingen over 2011 bedraagt dus € 70.002,-. Over 2012 bedraagt het\n\nresultaat voor belastingen € 178.045,- en over 2013 € 19.998,-.\n\nTen tweede is aan de hand van de door betrokkene verstrekte overzichten van de\n\nhoeveelheid gewonnen schelpen, de data waarop deze zijn gewonnen en de winlocatie(s) in\n\ncombinatie met de black box gegevens van het schip waarop de betrokkene voer, het\n\npercentage bepaald van het deel van de gewonnen schelpen dat zonder vergunning (buiten\n\nvergund gebied) zou zijn gewonnen in verhouding tot de totaal in het betreffende jaar\n\ngewonnen hoeveelheid schelpen. In 2011 is dat percentage 27,7%. Voor 2012 en 2013 zijn\n\nvoornoemde gegevens gecombineerd met informatie uit de aangetroffen agenda 2012 en\n\n2013. In 2012 is het percentage 90,1% en in 2013 95,4%\n\nTot slot is aan de hand van het hierboven beschreven resultaat voor belastingen en het\n\npercentage zonder vergunning gewonnen schelpen in verhouding tot de totaal gewonnen\n\nhoeveelheid het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt bepaald:\n\n[afbeelding]\n\nHet is aldus aannemelijk dat betrokkene met het winnen van schelpen zonder vergunning over de jaren 2011 tot en met 2013 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van € 198.886,-.\n\nDe omstandigheid dat de periode van 1 januari 2011 tot en met 14 maart 2011 is verjaard, en de hele tenlastegelegde periode in verband met de absolute verjaringstermijn gaat verjaren, doet aan deze vaststelling niet af, nu hiervoor reeds is overwogen dat deze verjaring niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBerekening 2: valsheid in geschrifte (2014)\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkene bij vonnis van de rechtbank Overijssel is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, gepleegd in de perioden van 1 januari 2011 tot en met\n\n31 januari 2014 (feit 2) en 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018 (feit 4). Het vonnis is in hoger beroep bij arrest van dit hof van 7 februari 2023 voor wat betreft die bewezenverklaring bevestigd.\n\nIn het rapport van 14 mei 2018 is berekend welk voordeel de betrokkene heeft verkregen uit valsheid in geschrift, gepleegd in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, terwijl zij hiervoor niet is vervolgd en dus evenmin is veroordeeld. De vraag is of dus uit deze, andere, strafbare feiten voordeel is genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nIn dit kader overweegt het hof dat uit het strafrechtelijk onderzoek, meer in het\n\nbijzonder de door de betrokkene aan de Staat verstrekte overzichten in vergelijking met de\n\nblack box-gegevens, is op te maken dat de betrokkene telkens een ander wingebied opgaf\n\ndan waar zij in werkelijkheid schelpen had gewonnen. Het is het hof niet gebleken dat\n\nde betrokkene haar handelswijze in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december\n\n2014 heeft aangepast, in die zin dat zij zich toen wel aan de geldende wet- en regelgeving en\n\nvergunning hield. Dit betekent dat er naar het oordeel van het hof voldoende\n\naanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in de periode van 1 januari 2014 tot en met\n\n31 december 2014 andere strafbare feiten zijn begaan dan er in het vonnis van 25 maart 2021 zijn beoordeeld en bewezen zijn verklaard.\n\nGelet op het voorgaande volgt het hof voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nBlijkens dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode van 1 januari\n\n2014 tot en met 31 december 2014 bepaald op basis van de bespaarde kosten. Bij deze\n\nberekening bestaat het voordeel uit het verschil tussen de feitelijk te betalen vergoeding over\n\nde gewonnen schelpen en de daadwerkelijk betaalde vergoeding. Ten eerste is de feitelijk te betalen vergoeding over de gewonnen schelpen bepaald. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene in totaal 25.886 m³ schelpen heeft gewonnen. Zij had hierover het vergoedingstarief van de Waddenzee\u002FNoordzeekustzone moeten betalen, in\n\nplaats van het tarief van het opgegeven, goedkopere, wingebied van de Noordzee. Voor de\n\neerste 16.000 m³ had de betrokkene een vergoeding moeten betalen van € 10,52 en voor de volgende 16.000 m³ een vergoeding van € 10,51. In totaal had dus € 272.221.86 betaald\n\nmoeten worden. Vervolgens is berekend dat de betrokkene daadwerkelijk een bedrag van\n\n€ 149.898,37 heeft betaald.\n\nIn onderstaande tabel is een en ander weergegeven:\n\n[afbeelding]\n\nOp grond hiervan is het aannemelijk dat betrokkene met het plegen van valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 122.323,00 (€ 272.221,86 min € 149.898,37).\n\nberekening 1 + 2 = omvang wederrechtelijk verkregen voordeel\n\nGelet op voorgaande berekeningen stelt het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 321.209,-(€ 198.886,- + € 122.323,-).\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nRendementsverlies\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een te hoog bedrag beslag is\n\ngelegd, waardoor dit beslag (deels) onrechtmatig is.\n\nHet hof begrijpt het aangevoerde als een beroep op matiging als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, vierde volzin, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht echter niet aannemelijk dat sprake zou zijn van een deels onrechtmatig beslag. De omstandigheid dat het beslag tot een hoger bedrag beloopt dan het bedrag waarop een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitkomt, is daartoe onvoldoende. Het hof ziet in ieder geval geen termen voor matiging.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\nDe redelijke termijn in ontnemingszaken vangt, zo blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), aan op het moment dat de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk voordeel aanhangig wordt gemaakt. Uit voornoemd arrest volgt verder dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een ontnemingszaak met een eindvonnis dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nBij een overschrijding van deze termijn dient het ontnemingsbedrag te worden verminderd.\n\nIn geval van overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder wordt een\n\nvermindering van vijf procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven. In geval van\n\noverschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden wordt een vermindering\n\nvan in beginsel tien procent van het ontnemingsbedrag voorgeschreven, met dien verstande\n\ndat de maximale vermindering in beginsel € 5.000,- zal bedragen. In geval van overschrijding van meer dan twaalf maanden mag worden gehandeld naar bevind van zaken.\n\nHet hof stelt vast dat redelijke termijn is aanvangen op het moment dat er conservatoir beslag is gelegd, te weten op 27 maart 2017. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren had de veroordeelde op 27 maart 2019 een eindvonnis in de ontnemingszaak mogen verwachten. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 februari 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna drie jaar is overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Hoewel het hof bij de veroordeling van de rechtspersoon ook rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en doorgaans maar een keer met die overschrijding wordt rekening gehouden in geval van een ontnemingsvordering in samenhang met een strafrechtelijke veroordeling, ziet het hof in de bijzondere omstandigheden van deze zaken aanleiding om ook in de ontnemingsvordering rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarom is naar het oordeel van het hof een vermindering van de betalingsverplichting met meer dan € 5.000,- op zijn plaats en zal de betalingsverplichting naar beneden worden bijgesteld met een bedrag van €31.209,-.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op een bedrag van € 290.000,-. (€ 321.209,- min € 31.209,-).\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 321.209,- (driehonderdeenentwintigduizend tweehonderdnegen euro).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van€ 290.000,- (tweehonderdnegentigduizend euro).\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.W. Lensing, voorzitter,\n\nmr. W.M. Weerkamp en mr. R.G.J. Welbergen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,\n\nen op 7 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 februari 2023.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. D. Visser, voorzitter,\n\nmr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,\n\nmr. G. Ladjevardi, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2023:1188","2026-07-13T00:28:47.156Z",1,20]