[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":133},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2025-10-28T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122395","Burgerlijk Wetboek","art. 1:266 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123472","art. 1:401 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121939","art. 10:57",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121940","art. 10:58",[36,47,55,63,70,78,86,94,102,110,118,126],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":45,"updatedAt":54},"1911","ECLI:NL:GHARL:2026:4193","ecli-nl-gharl-2026-4193","2026-06-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.365.414\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 452145\n\nbeschikking van 25 juni 2026\n\nover de beëindiging van het gezag over [de minderjarige1]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. E.E.M. Messink\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nregio Gelderland, locatie Arnhem\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Arnhem\n\nen\n\n [belanghebbende1](de pleegmoeder)\n\ndie woont in [woonplaats2] .\n\nHet hof merkt als informant aan:\n\n [informant1](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats3] , gemeente [gemeentenaam] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe ouders hebben een kind: [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), die is geboren [in]\n\n 2019.\n\n2.2.. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] .2.3.. \n [de minderjarige1] verblijft sinds [datum1] 2022 bij de pleegmoeder in een netwerkpleeggezin.\n\n2.4. \n [de minderjarige1] is op 13 januari 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd tot 13 januari 2027.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 november 2025. De beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling en (machtiging tot) uithuisplaatsing zijn blijven doorlopen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.\n\n4.2.. De raadwil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.3.. De GIwil dat de beslissing in stand blijft. Ook de pleegmoeder wil dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.4.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 9 februari 2026\n\nde spreekaantekeningen van de raad\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\neen vertegenwoordiger van de GI\n\nde dochter van de pleegmoeder, als informant\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nWat vinden partijen?\n\n5.3.. Volgens de moeder is de zogenoemde ‘aanvaardbare termijn’ nog niet verstreken. De moeder vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat zij een traject bij [naam1] is gestart om aan haar persoonlijke problematiek te werken. De moeder heeft goede hoop dat zij op enig moment weer zelf voor [de minderjarige1] kan zorgen. Voor de moeder werkt het niet om meerdere therapieën en trajecten tegelijk te volgen. Zij wil eerst focussen op haar therapie bij [naam1] , daarom heeft zij niet meegewerkt aan het NIKA-traject en de begeleide omgang. Inmiddels is er volgens de moeder wel een intakegesprek ingepland met een instantie die de omgang gaat begeleiden. Volgens de moeder ontvangt zij niet altijd alle informatie over [de minderjarige1] en verloopt de communicatie met de pleegmoeder niet goed. Hierdoor is het voor haar lastig om toestemming te geven voor gezagsbeslissingen. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor speltherapie van [de minderjarige1] , omdat zij vindt dat de problemen van [de minderjarige1] voortkomen uit het feit dat [de minderjarige1] niet meer bij haar woont. Het uitbreiden van het contact is volgens de moeder de oplossing voor de problemen van [de minderjarige1] .\n\n5.4.. De raad vindt dat is voldaan aan de voorwaarden voor het beëindigen van het gezag. De raad benadrukt dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling veel hulpverlening is ingezet, gericht op de behandeling van de moeder, het versterken van de opvoedvaardigheden van de moeder en het onderzoeken van een terugplaatsing. Veel van de ingezette hulpverlening heeft de moeder vroegtijdig stopgezet. Volgens de raad ontwikkelt [de minderjarige1] zich goed in het gezin van de pleegmoeder en ligt zijn perspectief daar. Dat de moeder weigert toestemming te geven voor de speltherapie van [de minderjarige1] baart de raad zorgen. Volgens de raad laat de moeder hiermee zien dat zij geen inzicht heeft in wat [de minderjarige1] nodig heeft. De raad vindt het positief dat de moeder hulpverlening bij [naam1] is aangegaan, maar dit traject is niet meer van invloed op het perspectief van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] heeft een instabiel verleden en er is sprake van hechtingsproblematiek. Hij heeft daardoor extra behoefte aan stabiliteit, structuur en duidelijkheid. Volgens de raad is het daarom ook in het belang van [de minderjarige1] dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat duidelijk is dat zijn perspectief binnen het pleeggezin ligt.\n\n5.5.. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] heel belangrijk is. Hier heeft de GI twee jaar lang op ingezet, maar dit komt nog niet goed van de grond. Volgens de GI is het een terugkerend patroon dat de moeder de hulpverlening en de omgang stopt op het moment dat het te dichtbij komt. Dit is volgens de GI heel moeilijk voor [de minderjarige1] . Volgens de GI is het belangrijk dat de moeder de hulpverlening afrondt.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6.. De rechtbank heeft het gezag van de moeder op goede gronden beëindigd. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.\n\n5.7.. Het hof overweegt, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, dat het voor [de minderjarige1] , voor de pleegmoeder, maar ook voor de moeder belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] . Dit is vooral belangrijk, omdat bij de moeder de - heel begrijpelijke - wens blijft bestaan dat zij zelf voor [de minderjarige1] zal zorgen. Het hof vindt dat echter niet in het belang van [de minderjarige1] , omdat de aanvaardbare termijnruimschoots is verstreken. [de minderjarige1] woont immers al sinds hij drie maanden oud is (eerst in het kader van een vrijwillige plaatsing) bij de pleegmoeder en hij kan daar ook blijven wonen. De pleegmoeder biedt [de minderjarige1] een stabiele en veilige opvoedomgeving. Aan de zijde van de moeder is - ook nu nog - geen sprake van een stabiele leefsituatie. De moeder heeft het traject bij [naam1] nog niet volledig doorlopen, zij heeft geen ruimte om mee te werken aan het NIKA-traject en tot voor kort wilde de moeder niet deelnemen aan de begeleide omgang met [de minderjarige1] . Er is hierdoor al langere tijd geen contact meer tussen [de minderjarige1] en de moeder. Ook de belafspraken tussen [de minderjarige1] en de moeder verlopen nog niet goed. De moeder kan [de minderjarige1] iedere dinsdag bellen, maar het lukt de moeder niet om die afspraak iedere week na te komen.\n\n5.8.. Het hof vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder gestart is met haar behandeling bij [naam1] en dat zij inmiddels openstaat voor begeleide omgang. Het hof hoopt dat de moeder de opgaande lijn kan vasthouden zodat ook het NIKA-traject in de toekomst opgestart kan worden. De moeder speelt een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] . Zij blijft altijd zijn moeder. De raad en de GI hebben tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat zij het heel belangrijk vinden dat de moeder in het leven van [de minderjarige1] betrokken blijft. Het hof sluit zich daarbij aan. Het hof gunt het de moeder dat zij de opgaande lijn doorzet, zodat zij een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] kan (blijven) spelen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van\n\n19 november 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind\n\n De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4193","2026-07-13T00:29:45.056Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":45,"updatedAt":62},"1722","ECLI:NL:GHARL:2026:4133","ecli-nl-gharl-2026-4133","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.014\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580285)\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nover het gezag over en omgang met\n\n [de minderjarige]\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nverder te noemen: de vader\n\nadvocaat: mr. A. Azauiyat\n\nen\n\n [verweerster](de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer\n\nen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\nals adviseur van het hof.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , heeft op 29 september 2025 de verzoeken van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een zorgregeling vast te stellen afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven. Het hof zal een voorlopige omgangsregeling bepalen in afwachting van de uitkomsten van een te gelasten onderzoek naar gezag en omgang door de raad en legt hierna uit waarom.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.\n\n2.2.. De vader heeft van de rechtbank op 29 september 2025 toestemming gekregen om [de minderjarige] te erkennen.2.3.. De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] .\n\n2.3.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. \n\nDe vader heeft de rechtbank verzocht:\n\n* de vader vervangende toestemming te geven om [de minderjarige] te erkennen\n\n* de geslachtsnaam van [de minderjarige] te wijzigen in ‘ [naam1] ’ of ‘ [naam2] ’\n\n* een zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen\n\n* als de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling niet toewijst, de raad te gelasten een onderzoek daarnaar te verrichten.\n\n3.2.. De rechtbank heeft de vader vervangende toestemming gegeven om [de minderjarige] te erkennen. Alle andere verzoeken van de vader zijn afgewezen. De rechtbank heeft wel bepaald dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail met daarbij een foto aan de vader stuurt over de gezondheid van [de minderjarige] , hoe het met [de minderjarige] gaat op school en zijn hobby’s. De beslissing over het sturen van een-email aan de vader is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct werkt, ook als er hoger beroep is ingesteld.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn verzoeken over het gezag en de zorgregeling af te wijzen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. De vader verzoekt het hof in de eerste plaats hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om een zorgregeling vast te stellen van eens in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, plus de helft van de vakanties, feest- en bijzondere dagen. Als het hof zijn verzoeken niet toewijst, dan vraagt de vader het hof om de raad te gelasten een onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.\n\n4.2.. De moederis het eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en dat het hof de vader veroordeelt in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 26 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 16 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 20 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 24 april 2026.\n\n4.4.. De zitting bij het hof was op 30 april 2026. Aanwezig waren:\n\n- de vader met zijn advocaat\n\n- de advocaat van de moeder\n\n- een vertegenwoordiger van de raad.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. \n\nDe tot het gezag bevoegde vader, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, kan het verzoek slechts worden afgewezen indien\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nAdvies raad\n\n5.3.. De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling bij het hof het advies gegeven de behandeling van de zaak over het gezag aan te houden zodat de raad onderzoek kan doen naar het gezag en de omgang. Dat heeft er volgens de raad mee te maken dat het in de opvoeding van de oudere kinderen van de moeder heel erg is misgegaan: de moeder is een kwetsbare vrouw en de raad wil goed in beeld hebben wat de mogelijkheden van de moeder zijn om met betrekking tot [de minderjarige] het gezag samen met de vader te kunnen delen. Met betrekking tot de omgang vindt de raad wel dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden. Dat contact hoeft in de ogen van de raad niet lang begeleid te zijn: als dit contact volgens de begeleiders goed verloopt, dan kan dit onbegeleid plaatsvinden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.4.. Het hof heeft nog onvoldoende informatie om een beslissing over het gezag te nemen. Het hof zal daarom het advies van de raad overnemen en de raad vragen een onderzoek in te (doen) stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangregeling.\n\n5.5.. Het hof ziet wel aanleiding in afwachting van het raadsonderzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen. Het hof ziet in de stukken en in het advies van de raad geen contra-indicaties voor contact tussen de vader en [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] sinds begin december 2025 niet meer gezien. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] , hij is twee jaar, is het voor een gezonde emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] van belang dat het contact met zijn vader zo snel mogelijk wordt hersteld. Aangezien de moeder en de vader allebei open staan voor begeleiding van de omgang via het buurtteam, zal het hof de volgende voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen:\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon.\n\n5.6.. De moeder en de vader dienen zich daarvoor allebei zo spoedig mogelijk aan te melden bij het buurtteam in de woonplaats van de moeder.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nverzoekt de raad nader onderzoek in te doen stellen naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] is om de vader samen met de moeder te belasten met het gezag over hem en de meest wenselijke omgangsregeling en daarover uiterlijk 18 december 2026te rapporteren\n\nstelt vast als voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] :\n\n- twee uur per week begeleid via het buurtteam\n\n- zodra de omgang volgens de begeleiders goed verloopt vier uur per week onbegeleid via het pleeggezin of een andere tussenpersoon\n\nbepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor de vader, de moeder en de raad zullen worden opgeroepen\n\nbepaalt dat het onderzoek door de raad zal worden verricht onder leiding van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.B. Kamminga\n\nbepaalt dat de raad zich voor vragen of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris\n\nbepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.L. van der Bel en L.D.M. Rubens-Snijders, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 23 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Dat staat in artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Dat staat in artikel 1:377a lid 3 BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4133","2026-07-13T00:29:35.813Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":67,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":45,"updatedAt":69},"923","ECLI:NL:GHARL:2026:4130","ecli-nl-gharl-2026-4130","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.364.780\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 328127\n\nbeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [Verzoeker](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats1] , [land1] ,\n\nadvocaat: mr. H. Versluis,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder), die woont in [woonplaats2] ( [gemeente1] ), advocaat: mr. P. van der Zalm.\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 13 november 2025 een zorg- en feestdagenregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Het hof stelt een andere zorgregeling vast dan de rechtbank en laat de feestdagenregeling in stand. Het hof legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [in] 2014.\n\n2.2.. De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Zij woont bij de moeder.\n\n2.3.. In het ouderschapsplan [van] 2017 hebben de ouders afgesproken dat [de minderjarige] een weekend in de twee weken bij de vader verblijft. [in] 2019 hebben de ouders een aanvullend ouderschapsplan ondertekend met daarin een wijziging van de zorgregeling. De zorgregeling zou worden opgebouwd van één middag per twee weken naar de ene week een dag en een nacht bij de vader en de andere week een middag bij de vader.\n\n2.4.. In het ouderschapsplan [van] 2022 hebben de ouders weer een andere zorgregeling afgesproken. [de minderjarige] heeft eens in de twee weken contact met haar vader op zaterdag van 10:30 uur tot 16:30 uur in het huis van de vader. Het overdrachtsmoment vindt plaats op de carpoolplaats in [woonplaats3] . De omgang tijdens de kerstdagen bepalen de ouders in overleg met elkaar en de omgang tijdens oud en nieuw blijft zoals het is.\n\n2.5.. In de beschikking van 6 december 2022 heeft de rechtbank het ouderschapsplan [van] 2017 gewijzigd en bepaald dat de inhoud van het door de ouders [in] 2022 ondertekende ouderschapsplan daarvoor in de plaats komt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd de zorgregeling te wijzigen. Hij wil dat:\n\n- de rechtbank bepaalt dat de vader eens per twee weken op zaterdag contact heeft met [de minderjarige] van 8:30 uur tot na het avondeten, rond 19:00 uur. De vader brengt [de minderjarige] terug naar de moeder;\n\n- [de minderjarige] in het contactweekend bij hem mag overnachten, wanneer [de minderjarige] aangeeft dat zij dit wil. Wanneer dit twee nachten goed gaat, moet het contactweekend worden uitgebreid met een overnachting, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag om 11:00 uur weer naar de moeder brengt;\n\n- [de minderjarige] met de kerstdagen, oud en nieuw, Pasen en Pinksteren in de oneven jaren telkens op de eerste dag bij de vader is en in de even jaren telkens op de tweede dag, van 8:30 uur tot 19:00 uur;\n\n- [de minderjarige] in de zomervakantie een aaneengesloten week contact heeft met de vader.\n\n3.2.. De rechtbank heeft op 23 april 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt. De rechtbank heeft de definitieve beslissing over de zorg- en vakantieregeling aangehouden.\n\n3.3.. \n\nDe rechtbank heeft op 13 november 2025 een definitieve zorg- en feestdagenregeling vastgesteld. [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag contact met de vader van 9:30 uur tot 19:00 uur, waarbij het overdrachtsmoment op de carpoolplaats in [woonplaats3] plaatsvindt.\n\nVerder heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] en de vader contact hebben in de oneven jaren op eerste kerstdag, oudejaarsdag, eerste paasdag en eerste pinksterdag. In de even jaren hebben zij contact op tweede kerstdag, nieuwjaarsdag, tweede paasdag en tweede pinsterdag. Voor de feestdagen gelden dezelfde tijden en overdrachtslocatie als voor de reguliere zorgregeling. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de ouders hun eigen proceskosten moeten betalen.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. \n\nDe vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de reguliere zorgregeling. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel ongedaan maakt en bepaalt dat [de minderjarige] en de vader eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben.\n\nDe vader wil dat de moeder [de minderjarige] op zaterdag naar hem brengt en dat hij [de minderjarige] op zondag weer naar de moeder brengt. Verder wil de vader dat [de minderjarige] en hij in de zomervakantie een week aaneengesloten contact hebben. De vader is het wel eens met de feestdagenregeling, zoals door de rechtbank is vastgesteld.\n\n4.2.. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nhet verweerschrift.\n\n4.4.. \n [de minderjarige] heeft op 18 mei 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de zorgregeling.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 26 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader in [land1] woont. Het hof zal dan ook eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om de verzoeken te beoordelen.\n\n5.2.. Het verzoek van de vader gaat over de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd als een kind op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank zijn of haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op 30 januari 2025 heeft de vader het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. [de minderjarige] had toen haar gewone verblijfplaats in Nederland. De Nederlandse rechter heeft daarom rechtsmacht en is bevoegd het verzoek te beoordelen.\n\n5.3.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. De ouders hebben daartegen geen bezwaren aangevoerd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de verzoeken ook het Nederlandse recht toepassen.\n\nWat in de wet staat\n\n5.4.. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de uitoefening van het ouderlijk gezag of een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen, wanneer de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan gaan over een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.\n\nDe standpunten van de vader en de moeder\n\n5.5.. \n\nDe vader voert aan dat de huidige zorgregeling te beperkt is. Uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting zal bijdragen aan de hechting tussen [de minderjarige] , de vader en zijn gezin. Dit is in het belang van [de minderjarige] . Volgens de vader wil [de minderjarige] bij hem overnachten, maar geeft de moeder haar hier geen emotionele toestemming voor. Wanneer de overdracht\n\nop de carpoolplaats wordt vervangen door een regeling waarin de ouders [de minderjarige] brengen en halen, zal [de minderjarige] die emotionele toestemming meer ervaren.5.6.. De moeder voert aan dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de zorgregeling uit te breiden met een overnachting. De vader heeft geen echte interesse in [de minderjarige] . Hij informeert nergens naar en onderneemt niets met [de minderjarige] als ze bij hem is. [de minderjarige] moet zichzelf dan vermaken. De moeder staat niet onwelwillend tegenover een overnachting, maar alleen als dit in het belang van [de minderjarige] is. Dat is het op dit moment niet. [de minderjarige] wil niet overnachten bij de vader en haar wens moet worden gevolgd. Er is een risico dat uitbreiding van de zorgregeling leidt tot spanningen en een afnemende bereidheid tot contact, omdat uitbreiding niet aansluit bij de draagkracht van [de minderjarige] .\n\nHet advies van de raad\n\n5.7.. De raad heeft geadviseerd om de zorgregeling niet te wijzigen. De raad benadrukt dat [de minderjarige] een broos meisje is dat richting de puberteit gaat. De huidige zorgregeling loopt en lijkt het maximale te zijn dat [de minderjarige] op dit moment aankan. Wanneer zij tegen haar zin in bij de vader moet overnachten, kan zij dit haar ouders kwalijk gaan nemen.\n\nHet oordeel van het hof\n\n5.8.. Het hof is van oordeel dat uit de aangevoerde feiten volgt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het hof komt vervolgens toe aan het oordeel over de zorgregeling.\n\n5.9.. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij en de vader na een korte opbouwperiode eens per twee weken van zaterdag 9:30 uur tot zondag 11:00 uur contact hebben. Het hof zal daarom op dit onderdeel de beslissing van de rechtbank vernietigen en dit verzoek van de vader alsnog toewijzen. Voor het overige laat het hof de beslissing van de rechtbank in stand.\n\n5.10.. Het hof vindt uitbreiding van deze zorgregeling met één overnachting in het belang van [de minderjarige] om de volgende redenen. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat de band met haar vader zich verder ontwikkelt. Het algemene uitgangspunt is namelijk dat het in het belang van kinderen is om met beide ouders een goede en stabiele relatie op te bouwen. De band tussen [de minderjarige] en de vader is in het verleden beschadigd. Dat komt enerzijds omdat de vader drie jaar afwezig is geweest in het leven van [de minderjarige] . Anderzijds hebben [de minderjarige] en haar vader ook weinig contact gehad, omdat het de ouders na hun scheiding niet lukte met elkaar daarover te overleggen. De ouders hebben hun communicatie, ondanks de hulpverlening, niet kunnen verbeteren. De huidige zorgregeling van één dag per twee weken is te beperkt om de band met haar vader te versterken. De uitbreiding met één overnachting biedt daartoe meer rust en tijd. Ook krijgt [de minderjarige] meer ruimte om haar plek in het gezin van haar vader te vinden. Het belang van [de minderjarige] bij het opbouwen van een goede relatie met de vader weegt zwaarder dan de reden die [de minderjarige] heeft om niet bij haar vader te overnachten, namelijk dat zij het spannend vindt en dat ze zich soms ook eenzaam voelt bij haar vader thuis. Dat geldt ook voor het advies van de raad dat de huidige zorgregeling het maximale lijkt te zijn wat [de minderjarige] op dit moment aankan. Daarbij weegt het hof mee dat onvoldoende is gebleken dat de uitbreiding van de zorgregeling, zoals deze in de bestreden beschikking is vastgesteld, negatief heeft uitgepakt voor [de minderjarige] . Verder zijn er geen signalen dat een overnachting bij de vader niet veilig is. Tot slot betrekt het hof in zijn oordeel dat [de minderjarige] het ook regelmatig leuk heeft bij haar vader, bijvoorbeeld als zij samen activiteiten ondernemen. Zo gaan zij regelmatig naar de speeltuin en soms naar de dierentuin. Het hof zal de reguliere regeling niet direct in laten gaan, zodat [de minderjarige] de tijd heeft om te wennen aan het idee van de overnachting. Daarom zal het hof bepalen dat [de minderjarige] het eerste contactweekend na deze beslissing nog niet bij haar vader overnacht, het contactweekend daarna wel, het contactweekend daarna niet en dat daarna de reguliere contactregeling zal gaan gelden.\n\n5.11.. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] heeft de vader een belangrijke rol en verantwoordelijkheid bij het versterken van hun band, zodat [de minderjarige] zich op haar gemak zal gaan voelen bij de overnachting en in het gezin van de vader. Daarbij is het belangrijk dat [de minderjarige] voldoende één op één tijd met de vader heeft. [de minderjarige] heeft hier behoefte aan. Het is ook belangrijk dat [de minderjarige] een eigen plek bij de vader heeft. Het helpt als de vader de slaapkamer klaarmaakt, voordat het eerste contactweekend met de overnachting plaatsvindt.\n\n5.12.. Het hof wijst het verzoek van de vader over het halen en brengen af. Dat betekent dat de carpoolplaats de haal- en brenglocatie blijft. Deze locatie is destijds afgesproken om escalatie aan de deur te vermijden. De ouders delen het halen en brengen en de carpoolplaats is een bekende plek voor [de minderjarige] . Het hof is niet gebleken dat [de minderjarige] moeite heeft met deze haal- en brenglocatie. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n5.13.. Het hof wijst het verzoek van de vader over de aaneengesloten week contact in de zomervakantie ook af. Voor [de minderjarige] is het al een grote stap om eens per twee weken bij de vader te overnachten. Gelet op de draagkracht van [de minderjarige] is het niet in haar belang om direct een week in de zomervakantie bij de vader te overnachten, die stap is te groot. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank op dit onderdeel.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025, voor zover de beslissing over de reguliere zorgregeling, en:\n\nstelt als zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader vast:\n\n- [de minderjarige] heeft eens per twee weken op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur\n\n contact met de vader;\n\nbepaalt dat de zorgregeling als volgt wordt opgebouwd:\n\n- het eerste contactweekend na deze beschikking heeft [de minderjarige] contact met de vader op\n\n zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nhet volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot zondag 11:00 uur;\n\nhet daarop volgende contactweekend heeft [de minderjarige] contact met de vader op zaterdag van 9:30 uur tot 19:00 uur;\n\nvervolgens geldt de reguliere zorgregeling.\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 13 november 2025 voor het overige;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, E. de Boer en, D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4130","2026-07-13T00:28:54.700Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":74,"parsedAt":45,"updatedAt":77},"1910","ECLI:NL:GHARL:2026:4020","ecli-nl-gharl-2026-4020","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem, afdeling civiel\n\nzaaknummers gerechtshof 200.366.553\u002F01 en 200.366.553\u002F02\n\nzaaknummers rechtbank Midden-Nederland 602451 en 602454\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nover de zorgregeling en het gezag\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker](de vader)\n\ndie nu verblijft in [verblijfplaats] in [plaats1] , gemeente [gemeentenaam]\n\nadvocaat: mr. K.W. van Nieuwkerk\n\nen\n\n [verweerster](de moeder) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.X.C. Peters\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) heeft het gezag van de vader over van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geschorst en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de vader. Het hof beslist dat de beslissing over het gezag niet zo moet blijven en de beslissing over de omgangsregeling wel zo moet blijven, en legt hierna uit waarom.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar getrouwd. De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.\n\n2.2.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit.\n\n2.3.. De ouders hebben samen twee kinderen:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2014 in [plaats2] (Polen) en,\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2016 in [plaats2] (Polen).\n\n2.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.\n\n2.5.. De vader is sinds mei 2025 gedetineerd.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De vader heeft de rechtbank gevraagd een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen en bij hem in de Penitentiaire inrichting (PI) op bezoek komen.\n\n3.2.. De moeder heeft de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek gevraagd het gezamenlijke gezag van de ouders te beëindigen en haar alleen met het gezag over de kinderen te belasten.\n\n3.3.. De rechtbank heeft het gezag van de vader geschorst totdat hier definitief op is beslist en bepaald dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de vader. De rechtbank heeft de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verzocht te onderzoeken welke beslissing over het gezag in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is en wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De definitieve beslissing heeft de rechtbank aangehouden tot 18 februari 2027.\n\n3.4.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 18 februari 2026.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De vaderis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over het schorsen van zijn gezag ongedaan maakt en dat het hof een (voorlopige) zorgregeling tussen hem en de kinderen vaststelt; die zorgregeling moet dan inhouden dat de kinderen tweemaal per week met hem bellen (eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend) en maandelijks met hem beeldbellen, en dat ze bij hem in de PI op bezoek komen (tijdens vader-kinddag). De vader vraagt het hof ook voor de duur van het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen (de beslissing over het gezag).\n\n4.2.. De moederis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. De moeder vraagt het hof bij wege van zelfstandig verzoek het gezamenlijk gezag van partijen te schorsen voor de duur van de procedure in eerste aanleg totdat de rechtbank heeft beslist over het gezag, althans voor de duur van één jaar, en de moeder in deze periode alleen met het gezag te belasten.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ontvangen op 18 maart 2026\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader, ingediend op 22 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben allebei een brief geschreven. Zij hebben hierin verteld wat zij ervan vinden om contact te hebben met de vader.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 28 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde vader met zijn advocaat\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\nBeide ouders werden bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. Zowel de ouders als de kinderen hebben de Poolse nationaliteit. Daarom dient het hof eerst ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Het geschil heeft betrekking op de ouderlijke verantwoordelijkheid. Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter (EU 2019\u002F1111) is de Nederlandse rechter bevoegd van dit geschil kennis te nemen omdat de kinderen op het moment van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.\n\n5.2.. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven opgeworpen, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.\n\nOntvankelijkheid\n\n5.3. De beschikking van de rechtbank is een zogenoemde deelbeschikking: ten aanzien van een deel van het verzochte (over de schorsing van het gezag van de vader en de bepaling dat er voorlopig geen omgang plaatsvindt) is uitdrukkelijk beslist. Tegen dat deel staat hoger beroep open. De vader is dus ontvankelijk in zijn hoger beroep.\n\nWat staat in de wet?\n\nGezag5.4.. \n\nIn artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van een van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:\n\na. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\nOmgang5.5.. \n\nDe rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van\n\n het kind, of b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang\n\n met zijn ouder heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\nIn het incident: de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.6.. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissingen van de rechtbank meteen werking hebben, ook als – zoals nu – hoger beroep is ingesteld. De (advocaat van de) vader heeft verzocht om ten aanzien van de gezagsbeslissing de directe werking van de beschikking te schorsen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat dat verzoek ingetrokken, indien het hof een eindbeslissing neemt over het gezag. Het hof neemt een eindbeslissing. Dit betekent dat het verzoek is ingetrokken waarmee het hof aanneemt dat de vader de gronden van het hoger beroep die zien op het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de vader in dit verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.\n\nIn de hoofdzaak: de standpunten van de ouders\n\n5.7.. Volgens de vader was de rechtbank niet bevoegd om het gezag van de vader ambtshalve te schorsen. De beslissing was bovendien niet nodig omdat de ouders volgens de vader samen het gezag kunnen blijven uitoefenen, ook nu de vader gedetineerd zit. De vader mist [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heel erg. Hij heeft ze al ruim een jaar niet gezien en wil graag dat het contact hersteld wordt. De vader vreest dat de band tussen de beide kinderen en hem anders verder zal verwateren en dat het contactherstel steeds lastiger zal worden.\n\n5.8.. Volgens de moeder kon de rechtbank het gezag van de vader wel ambtshalve schorsen. Zij stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1:253a BW ook ‘het mindere’ (schorsing van het gezag) kan toewijzen. Volgens de moeder kunnen de ouders niet overleggen over de kinderen omdat de vader gedetineerd zit en de moeder getraumatiseerd is door het geweld dat tijdens het huwelijk heeft plaatsgehad.. De vader heeft bovendien een contact- en gebiedsverbod tot maart 2027. De kinderen hebben volgens de moeder ook veel meegekregen van de gebeurtenissen tijdens het huwelijk. Zij zijn als gevolg daarvan nog niet klaar voor contactherstel. Volgens de moeder is het van belang dat de hulpverlening voor de kinderen wordt opgestart en het tempo van de kinderen wordt gevolgd.\n\n5.9.. De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de beschikking van de rechtbank in stand te laten. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben volgens de raad veel meegemaakt. Zij hebben hulp nodig om dit te verwerken en te werken aan hun herstel. De raad hoopt dat de kinderen de nare herinneringen kunnen verwerken en weer ruimte krijgen voor de fijne herinneringen aan hun vader. Ook de ouders hebben volgens de raad hulp nodig. De vader moet proberen te erkennen dat de kinderen door de gebeurtenissen zijn getraumatiseerd. Hij moet tevens zijn eigen emoties weghouden bij de kinderen en de kaartjes die hij aan de kinderen stuurt, luchtig houden. Ook de moeder moet de gebeurtenissen uit het verleden verwerken. Op grond van het bovenstaande is er op dit moment volgens de raad geen ruimte voor contactherstel.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\nGezag5.10.. \n\nHet hof zal eerst beoordelen of de rechtbank bevoegd was het gezag van de vader ambtshalve tijdelijk te schorsen. Naar het oordeel van het hof was de rechtbank hiertoe niet bevoegd.\n\nDe Hoge Raad heeft geoordeeld dat de wet geen mogelijkheid biedt om ambtshalve het gezag van de vader tijdelijk te schorsen. Schorsing van het gezag is mogelijk op grond van de artikelen 1:267 en 1:268 BW. De schorsing kan echter slechts worden uitgesproken op verzoek van een overheidsorgaan (de raad of het OM) of de pleegouders, niet door de ouders zelf. Omdat er geen schorsing door een overheidsorgaan is verzocht en er geen pleegouders betrokken zijn, kan de schorsing van het gezag niet worden uitgesproken.\n\n5.11.. Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat op grond van haar verzoek op basis van artikel 1:253a BW de rechtbank het gezag van de vader tijdelijk kon schorsen. Artikel 1:253a BW is een geschillenregeling en biedt geen grond om de beslissing over het gezag zelf te wijzigen, in die zin dat alsnog een van de ouders met het gezag wordt belast.\n\n5.12.. Het hof zal dit deel van de beslissing van de rechtbank ongedaan maken (vernietigen).\n\nOmgang5.13.. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat contactherstel met de vader op dit moment niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. De raad heeft in dezelfde zin geadviseerd. Op dit moment is de weerstand tegen contact met de vader die de kinderen laten zien, groot en hebben zij geen enkele ruimte om op een positieve manier aan de vader terug te denken. De kinderen zijn veelvuldig getuige geweest van huiselijk geweld en zij moeten eerst de tijd en rust krijgen om te verwerken wat zij hebben gezien en meegemaakt. Pas nadat zij de gepaste hulp hebben gekregen ontstaat er mogelijk ruimte voor een positiever beeld van hun vader, waaruit een interesse in hem kan groeien. Met de hulpverlening kan dan gekeken worden of contactherstel met de vader in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. Ook de regeling die de vader voorstelt, beeldbellen of een video opnemen waarin de vader een boek voorleest, vindt het hof om deze reden nu nog niet in het belang van de kinderen.\n\n5.14.. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank afgesproken dat de moeder aan de vader, via een tussenpersoon, eens in de twee maanden een e-mail stuurt met informatie over de kinderen. Het hof benadrukt dat de moeder verplicht is om deze informatieregeling na te komen en dat zij – vooral omdat er nu geen omgang is – de vader ruim en volledig van informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] moet voorzien. Het blijven informeren van de vader is belangrijk zodat de vader op de hoogte blijft van hoe het met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gaat. Dit is nodig om goed te kunnen aansluiten bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als de omgang in de toekomst mogelijk weer wordt opgestart, maar ook reeds omdat hij de vader is en het recht heeft om betrokken te blijven bij het wel en weer van zijn kinderen.\n\n5.15.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de omgangsregeling in stand laten (bekrachtigen).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1.. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van\n\n18 februari 2026, voor zover die ziet op de schorsing van het ouderlijk gezag van de vader;\n\n6.2.. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2026, ten aanzien van de omgangsregeling;\n\n6.3.. verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad in hoger beroep\n\n6.4.. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op\n\n18 juni 2026.\n\n HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:684","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4020","2026-07-13T00:29:45.010Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":45,"updatedAt":85},"924","ECLI:NL:GHARL:2026:3706","ecli-nl-gharl-2026-3706","2026-06-09T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.111\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 452763)\n\nbeschikking van 9 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster](de moeder),\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Fronik\n\nen\n\n [verweerder](de vader),\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\nadvocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland heeft het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te krijgen voor een verhuizing met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar [woonplaats1] afgewezen. De rechtbank Gelderland heeft ook de zorgregeling gewijzigd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven, zij het met een uitbreiding van de zorgregeling voor de moeder op dinsdag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn [in] 2016 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zij zijn de ouders van:\n\n- [de minderjarige1] , die is geboren [in] 2016, en\n\n- [de minderjarige2] , die is geboren [in] 2019,\n\nover wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.\n\n2.2. Door de rechtbank Limburg is bij beschikking van 22 april 2022 de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van de ouders uitgesproken. In deze beschikking is ook bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan, dat door de ouders op 25 maart 2022 is ondertekend, deel uitmaakt van de beschikking.\n\n2.3.. De ouders woonden ten tijde van het uiteengaan in [woonplaats2] . De vader is daar blijven wonen. De moeder is na de breuk in eerste instantie in [woonplaats3] gaan wonen. De kinderen gaan in [woonplaats2] naar school. In het ouderschapsplan is daarvan uitgaande bepaald dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. Ook is de volgende regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vastgelegd:\n\n2.4.. \n\nDe wisselmomenten zijn als volgt:\n\n‘Oneven week: woensdag brengt moeder de kinderen naar school en haalt vader de\n\nkinderen uit school op. Even week: maandag brengt vader ze naar school,\n\nmoeder uit school. Donderdag moeder naar school, vader haalt ze op. Op zaterdag\n\nzal het wisselmoment plaats vinden om 14:00. '\n\n2.5.. In afwijking van het ouderschapsplan verblijven de kinderen elke maandag, dinsdag en woensdag voor school bij de moeder en elke woensdag na school, donderdag en vrijdag naar school bij de vader. De weekenden, vanaf vrijdag na school, worden om de week gedeeld. Hierbij haalt de moeder de kinderen op maandag van school, brengt zij ze op dinsdag en woensdag naar school en haalt zij de kinderen op de vrijdag dat de kinderen bij haar in het weekend verblijven, bij grootouders van vaderszijde op.\n\n2.6.. De moeder heeft een nieuwe partner. De partner van de moeder woont in [woonplaats1] in [gemeente1] . De moeder en haar partner hebben samen een dochter: [de minderjarige3] , die is geboren [in] 2025.\n\n2.7.. \n\nDe voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in het vonnis in kort geding van\n\n23 mei 2025 onder meer:\n\n- de vordering van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen om met\n\n de kinderen naar [woonplaats1] te verhuizen, afgewezen;\n\n- de primaire vordering van de vader om de moeder te verbieden met de kinderen naar\n\n [woonplaats1] te verhuizen, althans de moeder te bevelen te blijven wonen in\n\n [woonplaats3] en daar ook daadwerkelijk te verblijven, afgewezen;\n\n- de subsidiaire vordering van de vader om de moeder te bevelen in [woonplaats3] te\n\n verblijven conform de doordeweekse zorgregeling (van zondagavond tot woensdag\n\n naar school) en aldus wanneer de moeder de zorg voor de kinderen heeft,\n\n toegewezen;\n\n- de vordering van de vader om de moeder een dwangsom op te leggen per dag(deel)\n\n dat zij in gebreke blijft het vonnis na te komen, afgewezen.\n\n2.8.. Door de moeder is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2025. In het arrest in kort geding van 22 juli 2025 van dit hof is het vonnis van 23 mei 2025 bekrachtigd.\n\n2.9.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in het vonnis in kort geding van 10 juli 2025:\n\n- de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling uit het vonnis van 23 mei\n\n 2025, in die zin dat zij verplicht is om in [woonplaats3] te verblijven conform de\n\n doordeweekse zorgregeling op de dagen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar school\n\n moeten;\n\n- de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor\n\n iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 1.\n\n voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;\n\n- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere\n\n partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1.. De moeder heeft de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [woonplaats1] . Voor het geval de rechtbank de toestemming niet zou geven heeft de moeder gevraagd om een aanpassing van de zorgregeling, waarbij:\n\n- de kinderen elke week vanaf dinsdag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de vader en elke maandag (hele dag en nacht) en dinsdag tot 17.00 uur bij de moeder zijn, en de weekenden (vanaf vrijdag na school tot maandag naar school) om en om, of\n\n- de kinderen op de doordeweekse dagen bij de moeder zijn (en zij zullen dan in [woonplaats1] naar school gaan) en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school (of tot zondagavond) bij de vader zijn, of\n\n- de kinderen op doordeweekse dagen bij de vader zijn en elk weekend van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder.\n\n3.2.. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 april 2022 en het van die beschikking deel uitmakende ouderschapsplan gewijzigd en als zorgregeling vastgesteld dat de kinderen:\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\n3.3.. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 21 oktober 2025.\n\n3.4. De moeder heeft er vervolgens voor gekozen om haar woonruimte in [woonplaats3] op te zeggen en zelf te verhuizen naar [woonplaats1] , om daar te gaan samenwonen met haar nieuwe partner en [de minderjarige3] . Zij voert de zorgregeling uit vanuit [woonplaats1] .\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1.. De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ter zake van de zorgregeling ongedaan maakt en bepaalt dat:\n\nPrimair:\n\nde kinderen bij de moeder zijn elke maandag van 8.30 uur tot dinsdag 17.00 uur en bij de vader elke dinsdag van 17.00 uur tot vrijdag 08.30 uur, waarbij de kinderen het ene weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de vader zijn en de andere week het weekend vanaf vrijdag 08.30 uur bij de moeder en de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;\n\nSubsidiair:\n\nde kinderen bij de vader zijn elke maandag van 08.30 uur tot vrijdag 08.30 uur en bij de moeder elke vrijdag van 08.30 uur tot maandag 08.30 uur en de vakanties bij helfte worden gedeeld, en de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\nMeer subsidiair (voorwaardelijk):\n\nindien het hof bepaalt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling grotendeels in stand blijft, verzoekt de moeder de kinderen in haar weekend naar school te brengen (in de plaats van zondagavond), voor de schoolvakanties te bepalen dat de kinderen iedere vakantie bij de moeder zijn, met uitzondering van twee weken in de zomervakantie en voor de feestdagen te bepalen dat deze bij helfte worden verdeeld. En de kinderen en de moeder twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben.\n\n4.2.. De vaderis het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.3.. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift ontvangen op 30 december 2025\n\nhet verweerschrift\n\nde stukken van de vader ingediend op 28 april 2026\n\nde stukken van de moeder ingediend op 7 mei 2026\n\n4.4.. \n [de minderjarige1] heeft op 11 mei 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof.\n\n4.5.. De zitting bij het hof was op 12 mei 2026. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\nde vader met zijn advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.\n\nStandpunten\n\n5.2.. De moeder vindt de door de rechtbank bepaalde zorgregeling niet in het belang van de kinderen. De rechtbank heeft bij de regeling de reisafstand [woonplaats1] - [woonplaats2] betrokken. De moeder denkt daar anders over. Volgens de moeder is het voor de kinderen niet schadelijk om heen en terug steeds anderhalf uur in de auto te zitten. De kinderen hoeven volgens de moeder ook niet heel veel eerder op te staan om vanuit [woonplaats1] in [woonplaats2] naar school te worden gebracht. Zij staan nu om half zeven op en toen de moeder nog in [woonplaats3] woonde stonden ze om kwart voor zeven op. De moeder kan de kinderen zelf naar school brengen en in de auto hebben zij extra tijd samen. Bij de vader moeten de kinderen op de maandag en de dinsdag naar de BSO of naar de ouders van de vader. De moeder kan de kinderen zelf opvangen. De moeder vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun moeder maar eenmaal in de twee weken zien. Zij zijn hierdoor ook maar heel weinig bij hun halfzusje, [de minderjarige3] . Volgens de moeder weegt de lange reistijd niet op tegen het verlies aan contact en is het beter voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als zij de moeder vaker zien.\n\n5.3.. De vader vindt de reistijd van en naar de moeder belastend voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Hij vindt dat dit ten koste gaat van de rust, de hersteltijd en de regelmaat die de kinderen nodig hebben. De vader begrijpt dat de moeder de kinderen graag meer wil zien en dat de kinderen hier ook behoefte aan hebben. Volgens de vader heeft de moeder deze situatie zelf veroorzaakt door te verhuizen naar [woonplaats1] . De kinderen zijn inmiddels gewend aan de zorgregeling en de vader heeft zijn werkuren hierop afgestemd. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is volgens de vader praktisch uitvoerbaar en duurzaam. De regeling sluit aan bij de bestaande schoolgang, het sociale leven en het dagelijkse ritme van de kinderen en vereist geen structurele lange reistijden of complexe logistiek. De vader vindt het daarom niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de moeder doordeweeks zondermeer welkom is in [woonplaats2] om daar met de kinderen een aantal uur omgang te kunnen hebben.\n\n5.4.. De raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geadviseerd om te werken aan hun onderlinge communicatie. De raad begrijpt dat de moeder de kinderen vaker wil zien, maar vindt het niet in het belang van de kinderen om ze op de maandag heen en weer te laten reizen en dan dinsdag weer heen. De raad vindt de afstand daarvoor te groot. De raad stelt voor dat de weekenden die de kinderen bij de moeder verblijven worden uitgebreid met de maandagmiddag. De moeder kan de kinderen dan op maandagochtend naar school brengen en de kinderen op maandagmiddag van school ophalen. De moeder moet volgens de raad op maandagmiddag wel met de kinderen in de omgeving van [woonplaats2] blijven, zodat de kinderen niet tweemaal op een dag de lange afstand hoeven af te leggen.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.5.. \n\nHet hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de zorgregeling met de moeder uit te breiden met de maandag en de dinsdag. Dit zou namelijk betekenen dat de moeder de kinderen iedere maandagmorgen en dinsdagmorgen vanuit [woonplaats1] naar de school van de kinderen in [woonplaats2] moet brengen, en ze in de middag weer moet ophalen. De extra tijd die de kinderen dan doorbrengen met de moeder vindt het hof niet opwegen tegen de afstand en met name de reistijd, van anderhalf uur enkele reis, die hiermee gepaard gaat. Hierin neemt het hof ook mee dat [de minderjarige1] verteld heeft dat zij snel wagenziek wordt en hierdoor geen ontbijt kan eten in de auto. Het hof vindt het in het belang van\n\n [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij hun schooldag rustig op kunnen starten en uitgerust en met genoeg energie aan hun dag kunnen beginnen. De reisafstand die zij moeten overbruggen van de moeder naar school maakt dit voor hen onmogelijk.\n\n5.6.. Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Ook de kinderen geven aan graag meer tijd door te brengen met de moeder. Feit is echter dat de moeder er de voorkeur aan heeft gegeven te verhuizen naar [woonplaats1] in plaats van veel dichter bij de kinderen te gaan wonen. Door deze keuze heeft de moeder een situatie gecreëerd waarbij vaker en\u002Fof langer contact met de kinderen veel van de kinderen vraagt, omdat zij dan steeds een grote afstand moeten overbruggen. Om tegemoet te komen aan de wens van de kinderen, om de moeder vaker te zien, zal het hof de zorgregeling aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag na school tot 17.00 uur bij de moeder in de buurt van [woonplaats2] verblijven. De moeder kan op de dinsdagmiddag na school iets met de kinderen ondernemen in de buurt van [woonplaats2] . [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zien de moeder dan een extra middag in de week, zonder dat zij een grote afstand moeten afleggen.\n\n5.7.. \n\nHet subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de moeder, onder andere inhoudende dat de kinderen ieder weekend bij de moeder zijn, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Integendeel, het hof vindt het belangrijk voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij ook weekenden en vakanties bij de vader kunnen doorbrengen. Het hof betrekt daarbij wederom dat het de eigen keuze van de moeder is geweest waardoor deze situatie is ontstaan. Die keuze hoeft er niet toe te leiden dat de vader moet interen op de weekenden en vakanties. Bij toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder zullen de kinderen nooit meer in de weekenden en vakanties bij de vader zijn. Dit vindt het hof niet in hun belang.\n\nHet hof zal wel bepalen dat de moeder en de kinderen twee keer per week een videobelcontact met elkaar hebben. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader verteld dat dit al een periode is gebeurd. Het hof maakt hieruit op dat de vader geen bezwaar heeft tegen toewijzing van dit deel van het verzoek van de moeder. Nu het hof het ook in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vindt dat zij kunnen videobellen met de moeder, zal het hof dit deel van het verzoek van de moeder toewijzen.\n\n5.8.. Het hof zal de beslissing van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) en aanvullen in die zin dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ook op de dinsdagmiddag vanuit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] verblijven en dat zij tweemaal in de week op een door de vader en de kinderen te bepalen moment videobelcontact met de moeder hebben.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van\n\n21 oktober 2025, waarin is bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] :\n\n- om de week in het weekend bij de moeder verblijven vanaf vrijdag na school waarbij de moeder de kinderen uit school ophaalt tot zondag waarbij de moeder de kinderen om 19.30 uur terugbrengt naar de vader;\n\n- tijdens de vakanties die één week duren, bij de moeder verblijven;\n\n- tijdens de overige vakanties bij de ouders zijn, bij helfte tussen de ouders te verdelen.\n\nen vult deze regeling als volgt aan:\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven iedere dinsdag uit school tot 17.00 uur bij de moeder in de omgeving van [woonplaats2] ;\n\n- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben tweemaal in de week videobelcontact met de moeder op een door de vader en de kinderen te bepalen moment;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, D.J.M. van de Voort en\n\nE.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op\n\n9 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3706","2026-07-13T00:28:54.764Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":45,"updatedAt":93},"715","ECLI:NL:GHARL:2026:1175","ecli-nl-gharl-2026-1175","2026-02-26T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.333.550\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel 296200)\n\nbeschikking van 26 februari 2026\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. F. Pool,\n\nen\n\nde gecertificeerde instelling\n\nWilliam Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de GI,\n\n en\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis.\n\n1. Het verloop van het geding in hoger beroep\n\n1.1. Voor het verloop van het geding tot 26 augustus 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.\n\n1.2. Het verdere verloop blijkt uit:\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 19 september 2025 met bijlagen;\n\n- een e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 2 oktober 2025 met bijlagen;\n\n- een e-mailbericht van de GI van 6 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 10 november 2025 met bijlagen;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 11 november 2025 met een bijlage;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 12 januari 2026 met bijlagen.\n\n1.3. \n\nDe mondelinge behandeling is voortgezet op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n-de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n-twee vertegenwoordigers van de GI;\n\n-de vader, bijgestaan door zijn advocaat.\n\n2. De motivering van de beslissing\n\n2.1. Het hof zal beslissen over de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014. Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 26 augustus 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Het betreft een verlenging waarvan de duur inmiddels (ruimschoots) in het verleden ligt.\n\n2.2. In de tussenbeschikking van 28 december 2023 heeft het hof het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (het NIFP) verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek.\n\n2.3. In de tussenbeschikking van 24 december 2024 heeft het hof een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv bevolen en daarbij aan het NIFP vragen gesteld.\n\n2.4. \n\nIn de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 heeft het hof uitgebreid geciteerd uit de door de deskundige opgemaakte rapporten van 6 mei 2025 en uit de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024.\n\nBeide ouders hebben verklaard dat zij zich niet kunnen vinden in de uitkomsten van het deskundigenonderzoek, omdat er volgens hen een discrepantie zit tussen de conclusies in de desbetreffende rapporten, die volgens de ouders erg negatief van toon zijn, en de verslaglegging van [naam2] , die de omgang tussen de ouders en [de minderjarige] al langdurig begeleidt en juist een heel positief beeld van de ouders en de omgang beschrijft. Het is voor de ouders niet duidelijk of de verslaglegging van [naam2] in de forensisch psychologische onderzoeken van de deskundige is betrokken.\n\n2.5. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 de beslissing aangehouden en de advocaten van de ouders, in overleg met de jeugdbeschermer, in de gelegenheid gesteld om de onderzoeksverslagen van [naam2] toe te zenden aan de forensisch psychologisch onderzoekers, die op hun beurt werden verzocht de volgende vragen van het hof te beantwoorden:\n\nWaren de door partijen overgelegde verslagen van [naam2] bij de onderzoekers bekend bij de totstandkoming van de forensisch psychologische onderzoeken en daarbij behorende conclusies?\n\nOp welke wijze zijn deze verslagen in het onderzoek betrokken?\n\nIndien de inhoud van de verslagen van [naam2] niet bekend waren: leidt de inhoud hiervan voor de forensisch psychologische onderzoekers tot een andere conclusie?\n\n2.6. \n\nIn het e-mailbericht van de deskundige drs. [naam1] van 26 september 2025 is te lezen:\n\n“(…)\n\nAls rapporteurs is mij en medeonderzoeker hr. [naam3] verzocht om enkele aanvullende vragen te beantwoorden. Onze wijze van onderzoeken betreft altijd een rechtstreeks contact met betrokken hulpverleners, in dit geval begeleiders van [naam2] . Wij gaan zoveel als mogelijk uit van informatie die wij uit eerste hand vernemen. Daarbij is een recent beeld van belang. Bijkomend voegen wij aan onze stukken, zoals ook in rapportages vermeld, samenvattende rapportages toe van instanties. In dit geval van [naam2] . Wij gaan ervan uit dat dergelijke samenvattende beeldvorming afdoende weergeeft hoe de omgang verloopt. In dit geval is dit zeker zo, gezien de overeenstemming die wij hebben beluisterd in ons rechtstreekse gesprek. Conclusies en adviseringen zijn dus op voldoende informatie gebaseerd. Dit is vanuit de feedback, door NIFP verzorgd, onderschreven; zij zagen hierin geen punt van aandacht.\n\n(…)”\n\n2.7. Uit het e-mailbericht van de jeugdbeschermer van 6 oktober 2025 blijkt dat het standpunt van de GI naar aanleiding van het deskundigenrapport ongewijzigd is, dat de in de bestreden beschikking gegeven verlenging van de uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] was en dat de GI geen aanvullende opmerkingen heeft.\n\n2.8. \n\nIn de reactie van mr. Pool van 10 november 2025 is te lezen dat de moeder van mening blijft dat er een grote discrepantie bestaat tussen de conclusies uit het deskundigenrapport van [naam1] en de omgangsverslagen\u002Fevaluaties van [naam2] . Volgens de moeder heeft de deskundige slechts één uur geobserveerd en daarnaast een half uur overleg gepleegd met [naam2] . Niet is gebleken dat er omgangsverslagen van [naam2] in het deskundigenonderzoek zijn betrokken. Er wordt in het rapport slechts één evaluatie van [naam2] van 29 september 2023 genoemd, terwijl er omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] op basis van minimaal 142 uur observaties beschikbaar zijn. Volgens de moeder heeft de deskundige ook geen dan wel geen afdoende antwoord gegeven op de in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 door het hof geformuleerde vragen.\n\nDe moeder is van mening dat de verslagen van [naam2] een betrouwbaarder beeld van haar functioneren als opvoeder van [de minderjarige] geven dan hetgeen uit het deskundigenrapport blijkt. De moeder verzoekt het hof om de uiteindelijke beslissing enkel te baseren op de omgangsverslagen en evaluaties van [naam2] en het deskundigenrapport daarentegen niet in de beoordeling te betrekken.\n\n2.9. \n\nIn de reactie van mr. Ten Brummelhuis van 11 november 2025 is te lezen dat de vader van mening is dat door de deskundige [naam1] geen adequate antwoorden worden gegeven op de drie door het hof in de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 geformuleerde vragen. Kennelijk zijn de verslagen van [naam2] op geen enkele wijze betrokken in het deskundigenonderzoek. Volgens de vader is het opmerkelijk dat van het telefonisch contact van een half uur met de ambulant begeleider van [naam2] door [naam1] geen verslag is opgenomen, terwijl van andere informantencontacten wel verslagen zijn opgenomen. De door [naam1] getrokken conclusie en adviezen zijn gebaseerd op slechts één observatie van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] , terwijl er diverse verslagen van [naam2] zijn over een periode van ruim twee jaar, waarin een positief verloop van de omgang wordt beschreven. De vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [naam1] in de beoordeling de aanname heeft betrokken dat bij de vader sprake zou zijn van een autismespectrumstoornis, wat nog niet op een deugdelijk onderzoek is gebaseerd.\n\nDe vader handhaaft de stellingen uit zijn verweerschrift en verzoekt het hof om, als het hof tot de conclusie komt dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort, te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben, dan wel de beslissing te nemen die het hof juist acht.\n\n2.10. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking van 14 juli 2023 heeft de kinderrechter geoordeeld dat het op dat moment voor [de minderjarige] noodzakelijk is dat haar behandeling bij [naam4] wordt voortgezet en dat die behandeling, die negen tot 12 maanden zal duren, niet ambulant in de thuissituatie bij de moeder kan worden geboden. Volgens de kinderrechter werd de opvoedsituatie bij de moeder bij de aanvang van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ontoereikend geacht en is ook op dat moment (14 juli 2023) niet gebleken dat de opvoedvaardigheden van de moeder tegemoet komen aan de langdurig verzwaarde opvoedvraag van [de minderjarige] , die behoefte heeft aan een professionele opvoedomgeving. De moeder kon [de minderjarige] niet voldoende emotionele en fysieke beschikbaarheid bieden. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat in die situatie geen structurele verandering is gekomen. De ouders hebben op dat moment nog niet meegewerkt aan het geadviseerde persoonlijkheidsonderzoek en mediationtraject.\n\nDe vraag die nu door het hof moet worden beantwoord is of de verlenging van de uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was voor [de minderjarige] .\n\nHet hiervoor in rechtsoverweging 2.3 genoemde deskundigenonderzoek is uitgevoerd door de forensisch psychologische onderzoekers drs. [naam1] en drs. [naam3] , die in hun rapportages van 6 mei 2025 onder meer hebben geschreven:\n\n“(…)\n\nPlaatsing bij haar moeder is noch in het belang van [de minderjarige] , noch in het belang van moeder.\n\n(…)\n\nMoeder kan [de minderjarige] liefde bieden en aandacht en met externe hulp de opvoedsituatie tijdelijk voldoende vormgeven. Ze kan echter niet die ontwikkelingsmogelijkheden aan [de minderjarige] bieden die een 11-jarige nodig heeft. Daarbij wordt opgemerkt dat [de minderjarige] een pedagogisch klimaat nodig heeft dat specifiek gericht is op haar problematiek: aansluiten bij haar emotionele leeftijd en uitdaging bieden om een eventuele inhaalslag te bevorderen is van groot belang voor [de minderjarige] maar gaat de mogelijkheden van moeder, ook met ondersteuning, fors te boven.\n\n(…)\n\nVoor [de minderjarige] is stabiliteit in haar leefomgeving van groot belang; zij heeft baat bij een zo continu mogelijk goed op haar toegesneden pedagogisch klimaat. Daarin kan noch vader noch moeder voldoende voorzien. Plaatsing bij een van haar ouders lijkt dan ook voor [de minderjarige] niet in het belang van haar ontwikkeling en deeltijdplaatsing evenmin\n\n(…)”.\n\n2.11. \n\nIn de ouderschapsevaluatie van [naam2] van 2 december 2024 is, onder meer, het volgende te lezen:\n\n“(…) Moeder kan in de huidige omgangstijden (09.00 uur tot 13.00 uur waarvan tussen 10.00 uur en 13.00 uur begeleid) voldoende rekening houden met de bovenstaande punten. Er zijn twee aandachtspunten voor moeder naar voren gekomen uit de 14 onderdelen van dit verslag. Het eerste aandachtspunt verhoudt zich tot het geven van zoetigheid gedurende de omgang.\n\n(…)\n\nHet tweede aandachtspunt is een consequente houding die moeder moet aannemen in de opvoeding van [de minderjarige] . Wanneer [de minderjarige] voelt dat er ruimte is om te onderhandelen met moeder, pakt [de minderjarige] deze ruimte ook. Dit is overigens wel passend bij de leeftijd van [de minderjarige] . Echter, dit kan op de langere termijn resulteren in dat [de minderjarige] moeilijker het gezag van moeder accepteert. Tot slot biedt een consequente houding ook duidelijkheid en voorspelbaarheid aan [de minderjarige] .\n\nKijkend naar het vervolg van dit verslag: de Goed Genoeg Ouderschapsbeoordeling heeft als doel gehad om meer informatie te verschaffen over de opvoedsituatie van moeder tijdens de omgangsmomenten die zij heeft met [de minderjarige] . Voor de huidige opvoedsituatie zijn er, op bovenstaande aandachtspunten na, geen vervolgadviezen vanuit [naam2] . Moeder heeft, zoals eerder beschreven, aangegeven graag te zien dat [de minderjarige] in de toekomst bij haar komt wonen. [naam2] adviseert moeder om dan de samenwerking met de hulpverlening nog voort te zetten indien moeder hulpvragen ervaart in verband met dat zij dan in een andere opvoedsituatie zit met [de minderjarige] .\n\n(…)”.\n\n2.12. \n\nGelet op al het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op dat moment in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk was. Het hof legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.\n\nHet volgende is gebleken. [de minderjarige] verblijft op dit moment in een behandelgroep van [naam4] . Zij verblijft elk oneven weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de moeder, waarbij gedeeltelijk begeleiding door [naam2] wordt geboden. [de minderjarige] verblijft elk even weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij een achterwacht van [naam4] is geregeld. Naar aanleiding van de door beide ouders genoemde forse discrepantie tussen het rapport van de deskundigen en de omgangsverslagen van [naam2] , heeft het hof de tussenbeschikking van 26 augustus 2025 gegeven, zoals hiervoor in 2.5 genoemd.\n\n2.13. Naar het oordeel van het hof hebben de deskundigen in hun reactie aan het hof op 26 september 2025 niet expliciet geantwoord of zij tijdens hun onderzoek beschikten over alle omgangsverslagen van [naam2] , zoals deze achteraf alsnog aan hen zijn gezonden. Het hof begrijpt uit het antwoord van de deskundigen wel dat hun advies mede is gebaseerd op de informatie die zij in een rechtstreeks contact met [naam2] hebben gekregen en dat die informatie overeenkwam met hun eigen conclusie. Wat daar ook van zij, de deskundigen hebben onderzocht en geadviseerd over de (uiteindelijke) vraag in hoeverre plaatsing van [de minderjarige] (op korte of lange termijn) bij de moeder dan wel bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. De deskundigen hebben daarop geantwoord, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.10 al is geciteerd, dat (deeltijd)plaatsing van [de minderjarige] bij de moeder, noch bij de vader in het belang van [de minderjarige] is. In dit verband overweegt het hof dat de vraag of [de minderjarige] bij de vader geplaatst zou kunnen worden dan wel haar hoofdverblijf bij de vader kan worden vastgesteld niet kan worden beantwoord in deze procedure, waarin slechts de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voorligt. Het desbetreffende verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.\n\n2.14. Het hof begrijpt uit de verslaglegging van [naam2] , waaruit hiervoor in rechtsoverweging 2.11 is geciteerd, dat door [naam2] het zogenoemde Goed Genoeg Ouderschap van de moeder is beoordeeld, met name tijdens de omgangsmomenten. [naam2] beschrijft dat de omgang, op enkele aandachtspunten na, positief verloopt, maar geeft geen advies over een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. [naam2] geeft wel een advies voor extra hulp bij een eventuele thuisplaatsing van [de minderjarige] , omdat de moeder dan in een andere opvoedsituatie met [de minderjarige] komt.\n\n2.15. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd kan het hof opmaken dat de moeder (en de vader) een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt in de contacten met [de minderjarige] . Ook zijn beide ouders inmiddels bereid om aan hun eigen problematiek te werken. Het hof waardeert het dat de ouders deze stappen, die ook in het belang van [de minderjarige] zijn, zetten. De moeder is onlangs gestart met een lifestyletraject, waarbij zij hulp krijgt van onder andere een diëtist en een fysiotherapeut. De vader ondergaat binnenkort een onderzoek naar een mogelijke stoornis in het autistisch spectrum. Alles overziende komt het hof tot de conclusie dat het in ieder geval ten tijde van de bestreden beschikking niet in het belang van [de minderjarige] was om bij de moeder thuis geplaatst te worden. De moeder beschikte -in ieder geval destijds- over onvoldoende opvoedcapaciteiten om aan de bovengemiddelde opvoedbehoefte van [de minderjarige] te voldoen. De bestreden beschikking, waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] werd verlengd, zal daarom worden bekrachtigd.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 14 juli 2023, voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verlengd;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Prakke-Nieuwenhuizen en I.J. Pieters, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1175","2026-07-13T00:28:44.415Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":98,"fullText":99,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":45,"updatedAt":101},"633","ECLI:NL:GHARL:2026:819","ecli-nl-gharl-2026-819","2026-02-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.610\u002F02\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594545)\n\nbeschikking van 12 februari 2026 inzake voorlopige voorzieningen\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats1] , verzoekster, verder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. R. Vermeer te Utrecht\n\nen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats2] ,\n\nverweerder, verder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. M.A. Kale\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 juli 2025. Die beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift, ingekomen op 24 oktober 2025;\n\n- het verweerschrift tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;\n\n- een verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, en\n\n- een e-mail van mr. Vermeer van 23 januari 2026 met een brief van mr. Vermeer van dezelfde datum en producties.\n\n2.2. De zitting was op 2 februari 2026. De moeder en de vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in]\n\n 2021, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.3.2. \n\nBij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en de vader voor hun dochter [minderjarige] , die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod.\n\nIn die voorlopige zorgregeling is bepaald dat de vader de zorg heeft voor [minderjarige] in drie weekenden per maand en in een deel van de vakanties en de feest- en studiedagen. De moeder heeft de zorg voor [minderjarige] op de dagen dat zij niet bij de vader is.\n\n3.3. De vader heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. De moeder vraagt het hof een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv te treffen en te bepalen dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000.\n\n4.2. De vader voert gemotiveerd verweer en verzoekt het hof het verzoek van de moeder af te wijzen.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op verzoekschriftproceduresen houdt in dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak en zich ervoor lenen als voorlopige voorziening te worden gegeven. Nadere eisen worden niet gesteld.\n\n5.2. Het verzoek in de hoofdzaak is bij dit hof aanhangig. Dat verzoek gaat om de vraag waar [minderjarige] verblijft en wie wanneer voor haar zorgt; het gaat dus om een zorgregeling voor [minderjarige] . De voorlopige voorziening gaat over de vraag of de vader moet worden veroordeeld een dwangsom te betalen als hij die zorgregeling voor [minderjarige] niet nakomt. De voorlopige voorziening hangt samen met het verzoek in de hoofdzaak en leent zich ervoor als voorlopige voorziening te worden gegeven. Als het hof de voorlopige voorziening geeft, geldt deze (slechts) voor de duur van de procedure in de hoofdzaak, dat wil zeggen totdat de einduitspraak van dit hof in kracht van gewijsde is gegaan.\n\n5.3. De moeder verzoekt als gezegd aan de nakoming van de zorgregeling door de vader een dwangsom te verbinden. De rechter kan een partij op verzoek van de andere partij veroordelen tot betaling van een dwangsom, als deze niet aan de hoofdveroordeling voldoet (artikel 611a Rv). Als het een zorgregeling betreft, vormen de belangen van het kind de eerste overweging (artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind).\n\n5.4. \n\nHet hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en aan de nakoming van de (voorlopige) zorgregeling door de vader een dwangsom verbinden. Gebleken is dat de vader verschillende keren, zonder daarover in (constructief) overleg te treden met de moeder, de zorgregeling niet is nagekomen door [minderjarige] na een verblijf bij de vader niet terug te brengen bij de moeder en zo te onttrekken aan de zorg van de moeder. De vader heeft [minderjarige] op\n\n10 november 2025 niet naar de moeder teruggebracht en haar meerdere dagen bij zich gehouden. Na het weekend van 22 november 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw niet teruggebracht naar de moeder en [minderjarige] een dag en nacht langer bij zich gehouden dan volgens de zorgregeling bepaald. Op maandag 8 december 2025 heeft de vader [minderjarige] opnieuw tegen de zorgregeling in niet naar de moeder gebracht en haar een dag en een nacht langer bij zich gehouden. Op maandag 15 december 2025 heeft de vader [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, niet naar school gebracht en haar pas om 14.00 uur bij de moeder teruggebracht. Op vrijdag 19 december 2025 zou [minderjarige] volgens de zorgregeling uit school naar de moeder moeten worden gebracht. De vader heeft haar die dag niet naar school laten gaan en pas om 19.00 uur ’s avonds bij de moeder gebracht. Daarmee staat vast dat de vader de zorgregeling niet nakomt en [minderjarige] veelvuldig aan de zorg van de moeder heeft onttrokken. De vader zegt dat hij daarvoor een goede reden heeft. Hij zegt grote zorgen te hebben over de gezondheid van [minderjarige] en dat zij vaak bleek en met opkomende koorts bij hem komt. Kennelijk acht hij zich vrij de zorgregeling niet te hoeven nakomen als volgens hem de gezondheidstoestand van [minderjarige] niet toelaat dat hij haar naar school brengt of terugbrengt naar de moeder. Daarmee miskent de vader de betekenis van de zorgregeling en een zorgvuldige uitvoering daarvan. Ook als [minderjarige] ziek, verzwakt of vermoeid zou zijn, moet de vader haar terugbrengen naar de moeder op het moment dat zij weer de zorg voor [minderjarige] heeft volgens de zorgregeling. Niet is gebleken dat de toestand van [minderjarige] zodanig slecht was dat zij niet vervoerd kon worden. Bovendien ligt het op de weg van de vader om in het geval [minderjarige] ziek is, in constructief overleg te treden met de moeder. Uit de overgelegde correspondentie blijkt echter dat de vader dat niet doet. De vader beslist steeds eigenmachtig wanneer en waarom [minderjarige] , tegen de zorgregeling in, bij hem moet blijven. Ook bepaalt hij zonder overleg met de moeder of [minderjarige] al dan niet kan worden vervoerd naar de moeder. Het is allerminst in het belang van [minderjarige] dat de vader haar aan de zorg van de moeder onttrekt en zo de zorgregeling frustreert die nu juist in het belang van [minderjarige] is vastgesteld. Het hof acht een dwangsom van € 500 per dagdeel dat de vader zich niet houdt aan de bij de bestreden beschikking vastgestelde (voorlopige) zorgregeling, met een maximum van € 10.000, zoals door de moeder is verzocht, passend bij het inkomen van de vader van ongeveer € 3.000 per maand. Dat is voor hem een voldoende prikkel de zorgregeling na te leven.\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\nwijst het verzoek van de moeder toe;\n\nbepaalt dat de vader de (voorlopige) zorgregeling dient na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per dagdeel dat hij daarin in gebreke blijft met een maximum van € 10.000;\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en M.H.F. van Vugt en is op 12 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ2016\u002F261.\n\n HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2624, NJ2017\u002F397.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:819","2026-07-13T00:28:40.276Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":45,"updatedAt":109},"889","ECLI:NL:GHARL:2026:268","ecli-nl-gharl-2026-268","2026-01-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.355.945\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel 311830)\n\nbeschikking van 20 januari 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vader,\n\nadvocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats2] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de moeder,\n\nadvocaat: mr. G.A.P. Avontuur.\n\n1. 1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 april 2024, van 21 oktober 2024 en van 18 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgemelde beschikking wordt hierna ook aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift tevens houdende verzoek tot voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv,\n\n met producties 1 tot en met 7, ingekomen op 28 juni 2025;\n\n- het verweerschrift in hoger beroep, met producties 1 tot en met 20;\n\n- een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met producties 21 tot en\n\n met 30;\n\n- een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 17 november 2025 met producties 8\n\n tot en met 11;\n\n- een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met productie 31;\n\n- een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 25 november 2025 met productie 12.\n\n2.2. Op 4 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen plaatsgevonden. Bij beschikking van 21 augustus 2025 is dat verzoek afgewezen.\n\n2.3. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn daar verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vader en de moeder hebben van juni 2022 tot januari 2024 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] .\n\n3.2. In de beschikking van 24 april 2024 heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend voor een vakantie naar Turkije en een voorlopige (begeleide) zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Iedere verdere beslissing is aangehouden.\n\n3.3. In de beschikking van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en tot nader wordt beslist of overeengekomen, bepaald dat de vader met ingang van 21 oktober 2024 aan de moeder € 455 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (kinderalimentatie). De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de achternaam van [de minderjarige] te wijzigen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht om de rapporteren en te adviseren over de zorg- en contactregeling, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en het gezag.\n\n3.4. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder met ingang 18 maart 2025 alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De door de vader te betalen kinderalimentatie is gewijzigd in die zin dat de vader vanaf 18 maart 2025 aan de moeder € 625 per maand moet voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verder is bepaald dat met ingang van 18 maart 2025 geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is geschil:\n\na. het gezag;\n\nb. de verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling; en\n\nc. (voorwaardelijk) de kinderalimentatie.\n\n4.2. De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zijn derde grief is een voorwaardelijke grief, voor het geval het hof de bestreden beschikking vernietigt en een zorgregeling vaststelt. Hij verzoekt het hof:\n\nte bepalen dat de ouders met ingang van heden gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag;\n\neen verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling vast te stellen zoals hij die voor staat;\n\nde door hem te betalen kinderalimentatie, afhankelijk van de vast te leggen zorgregeling en de daarbij behorende zorgkorting, vast te stellen op € 484,58 dan wel € 405 dan wel € 317 per maand.\n\nVerder bevat het verzoek van de vader de woorden ‘kosten rechtens’.\n\n4.3. De moeder voert verweer en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren. Ook zij vermeldt in haar verweerschrift: ’kosten rechtens’.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\na. gezag\n\n5.1. De ouders hadden gezamenlijk het gezag. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de moeder vanaf de datum van die beschikking alleen het gezag heeft. De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof daarom die beslissing te vernietigen, zodat de vader en de moeder weer gezamenlijk het gezag hebben.\n\n5.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:\n\ner een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of\n\nwijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.3. De rechtbank heeft het gezag op grond van het hiervoor onder b. vermelde criterium alleen aan de moeder toegekend. Het hof zal het gezag bij de moeder laten, zoals ook de raad heeft geadviseerd. Gezamenlijk gezag houdt in dat de ouders [de minderjarige] samen moeten verzorgen en opvoeden. Het hof ziet niet in hoe partijen dat samen zouden kunnen doen. Uit het hele procesdossier blijkt dat de situatie tussen de ouders zodanig is geëscaleerd en dat zij zodanig tegenover elkaar staan dat samenwerken tussen hen op dit moment volstrekt niet mogelijk is. Om in dat geval het gezamenlijk gezag te herstellen zou niet in het belang van [de minderjarige] zijn. Het verzoek van vader daartoe zal daarom worden afgewezen.\n\nb. omgangsregeling\n\n5.4. In de (tussen)beschikking van de rechtbank van 24 april 2024 is een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat die regeling begeleid moest zijn. Aanvankelijk hebben de ouders van de vader de omgang begeleid, op enig moment is dat overgenomen door [naam] . In de bestreden beschikking is bepaald dat er geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof een nader te bepalen opbouwregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] (uiteindelijk) in de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder, en de wisseling plaats vindt op vrijdagavond. Voor de vakanties en feestdagen heeft de vader zelf een regeling opgesteld en hij verzoekt het hof die vast te leggen.\n\n5.5. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. In deze zaak heeft de rechtbank overwogen dat nu de vader niet wilde meewerken aan een veiligheidsonderzoek, niet duidelijk is wat de risico’s zijn terwijl er ernstige zorgen zijn over de mogelijkheid van veilig contact met [de minderjarige] . Onder die omstandigheden is niet duidelijk of contact in het belang van [de minderjarige] is.\n\n5.6. Het hof stelt voorop dat op 1 maart 2016 voor Nederland in werking is getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van het Verdrag van Istanbul). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. Ook uit artikel 19 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld. In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen\u002Fmannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing en\u002Fof zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is.\n\n5.7. Inmiddels heeft toch het veiligheidsonderzoek (MASIC) plaatsgevonden en heeft de vader daaraan meegewerkt. De vader heeft het concept MASIC-rapport overgelegd. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit volgens haar nog een aantal (feitelijke) onjuistheden bevat. Ook de vader heeft overigens een aantal bezwaren tegen feitelijke vaststellingen in het concept-rapport. De conclusie uit het rapport is dat sprake is van partnergeweld in de vorm van dwingende controle die zich uit in een structurele onveiligheid in het communicatiepatroon tussen de ouders. Van acute onveiligheid lijkt op dit moment geen sprake, aldus het rapport. Daarmee kan niet gezegd worden dat verder werken aan de totstandkoming van een ruimere omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet tot de mogelijkheden behoort.\n\n5.8. In het concept MASIC rapport wordt een dringend advies gegeven om bij zowel de vader als de moeder en persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. Beiden dienen vervolgens met behulp van de uitkomsten uit het persoonlijkheidsonderzoek en de hulpverlening bij Parallel Solo Ouderschap zicht te krijgen op hun triggers en emoties en deze te herkennen. De onderzoekers zien zorgen in het gedrag van beide ouders en het effect daarvan op [de minderjarige] en vinden het daarom passend, in het kader van de opstart van omgang tussen de vader en [de minderjarige] , om OKI-B in te zetten (OKI-B staat voor Ouder Kind Interactie Bewegingsspel en is een therapeutische methode voor ouders\u002Fverzorgers en kinderen). Het komt het hof bijzonder wenselijk voor dat beide ouders een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan en het Parallel Solo Ouderschapstraject allebei volledig afronden. Het hof ziet dat dan ook als een absolute voorwaarde om tot een definitieve omgangsregeling te komen.\n\n5.9. Omdat de hulpverlening en de onderzoeken niet op korte termijn zullen zijn afgerond zal het hof voorlopig, dus tot het moment dat de persoonlijkheidsonderzoeken zijn afgerond en het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld, of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, bepalen dat de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde. [de minderjarige] luncht daar dan ook.\n\n5.10. Op de mondelinge behandeling is namens de vader verzocht om aan de moeder een dwangsom op te leggen voor het geval zij niet zou meewerken aan omgang. Daar gaat het hof aan voorbij. Dit verzoek is te laat gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft de moeder op de zitting toegezegd te zullen meewerken aan een regeling als die door het hof zou worden opgelegd.\n\nc. kinderalimentatie (zorgkorting)\n\n5.11. Aan de inhoudelijke behandeling van de derde grief van de vader komt het hof niet meer toe. De voorlopige regeling zoals hiervoor vermeld is zodanig dat geen sprake is van zorgkosten als de vader [de minderjarige] ziet. Een zorgkorting is dan ook nog niet aan de orde.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en aanvullend beslissen als hierna vermeld.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu het een familiezaak betreft omtrent de minderjarige dochter van partijen. Daarbij past een compensatie van kosten.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\n7.1. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 18 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en bepaalt aanvullend als volgt:\n\n7.2. bepaalt dat de vader en de moeder beiden een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan zoals vermeld in het MASIC-rapport;\n\n7.3. bepaalt dat, tot het moment dat het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de persoonlijkheidsonderzoeken van de vader en de moeder zijn afgerond en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde en [de minderjarige] luncht daar dan ook;\n\n7.4. verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.5. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n7.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:268","2026-07-13T00:28:53.094Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":45,"updatedAt":117},"710","ECLI:NL:GHARL:2025:8167","ecli-nl-gharl-2025-8167","2025-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\u002FLeeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.105\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland 444167\n\nbeschikking van 18 december 2025\n\nover de beëindiging van het gezag over [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3]\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster] ,(de moeder)\n\ndie woont in [woonplaats1] , advocaat: mr. M.G.M. Frerix,\n\ntegen\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad)\n\ndie is gevestigd in Arnhem.\n\nHet hof heeft ook als belanghebbenden aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)\n\ndie is gevestigd in Ede,\n\nen\n\nde gezinshuisouders van [minderjarige2] ( [naam1] ), in [plaats1] ,\n\nen\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n1. Samenvatting\n\nDe rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 26 maart 2025, (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij.\n\nHet hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De moeder en [naam2] (de vader) hebben een relatie met elkaar gehad en zij hebben samen drie kinderen:\n\n- [minderjarige1] , geboren [in1] 2012;\n\n- [minderjarige2] , geboren [in2] 2016;\n\n- [minderjarige3] , geboren [in3] 2019.\n\n2.2.. De moeder had tot aan de bestreden beschikking als enige het gezag over de kinderen.\n\n2.3. De kinderen staan sinds 18 januari 2021 onder toezicht van de GI.\n\n2.4. De kinderen zijn met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn in juli 2022 geplaatst in gezinshuis [naam1] , [minderjarige3] in september 2022 in een pleeggezin op een geheim adres. [minderjarige1] woont sinds maart van dit jaar in een gezinshuis in [naam3] .\n\n3. De procedure bij de rechtbank\n\n3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.\n\n3.2. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de bestreden beschikking.\n\n4. De procedure bij het hof\n\n4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt (de beslissing vernietigt).\n\n4.2. De raad wil dat de beslissing in stand blijft (de beslissing bekrachtigt).\n\n4.3. De GI wil dat de beslissing in stand blijft.\n\n4.4.. Ook de gezinshuisouders en de pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.\n\nDe informatie die het hof heeft ontvangen\n\n4.5. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet beroepschrift, ingekomen op 19 juni 2025\n\nhet verweerschrift van de raad\n\nhet verweerschrift van de GI\n\nhet e-mailbericht van de GI van 22 augustus 2025\n\nde brief namens de moeder van 19 november 2025.\n\n4.6. \n [minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 17 november 2025 gesproken met een raadsheer van het hof, in het bijzijn van een griffier. Zij hebben verteld wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de moeder.\n\n4.7. De zitting bij het hof was op 21 november 2025. Aanwezig waren:\n\nde moeder met haar advocaat\n\neen vertegenwoordiger van de raad\n\ntwee vertegenwoordigers van de GI\n\nde gezinshuismoeder van [minderjarige2]\n\nde pleegouders van [minderjarige3] .\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nWat staat in de wet?\n\n5.1. De rechtbank kan, op grond van artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.\n\nHoe luiden de standpunten?\n\n5.3. \n\nDe moeder kan zich niet verenigen met de beëindiging van haar gezag over de kinderen. Zij stelt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) slechts sprake kan zijn van een beëindiging van het ouderlijk gezag als de voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind. Dat is hier niet het geval. Bovendien is volgens de moeder de uithuisplaatsing van de kinderen in het vrijwillig kader mogelijk.\n\nDaarnaast wordt volgens de moeder niet voldaan aan het wettelijk criterium van het hiervoor genoemde artikel 1:266 lid 1 BW. Volgens de moeder kan niet worden gesteld dat zij de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is volgens haar nog niet verstreken.\n\nZij kan haar verantwoordelijkheid als gezaghebbende ouder op afstand blijven uitoefenen, waarbij zij meer voor de kinderen kan betekenen. Zij is bereid om aan zichzelf te werken en zij zal een detox-traject aangaan, waardoor er zicht is op verbetering van haar situatie.\n\n5.4. \n\nDe raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van de kinderen is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EHRM wordt voldaan.\n\n [minderjarige2] en [minderjarige3] verblijven op een perspectiefbiedende plek. Dat betekent dat de kinderen daar tot hun volwassenheid kunnen opgroeien. [minderjarige1] verblijft sinds eind maart 2025 op een andere groep, omdat zijn problematiek te zwaar werd voor het toenmalige gezinshuis. [minderjarige3] is onlangs gestart met traumatherapie. Het perspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder. Dat betekent dat de kinderen niet meer bij de moeder zullen opgroeien. Volgens de raad heeft de GI, anders dan de moeder stelt, zich voldoende ingespannen om terugplaatsing van de kinderen bij de moeder te onderzoeken. De moeder heeft tijdens de ondertoezichtstelling onvoldoende stappen gezet om haar leven structureel te veranderen, zodat zij de kinderen een veilige opvoedomgeving zou kunnen bieden.\n\n5.5. Volgens de GI is het gezag van de moeder terecht beëindigd. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en de moeder is, als gevolg van aanhoudende persoonlijke problematiek, waaronder verslaving en psychische instabiliteit, niet in staat om binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. De kinderen hebben te maken met forse kind-eigen problematiek. Ze komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben langdurige, gespecialiseerde zorg en stabiliteit nodig. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen niet kan bieden.\n\nHoe oordeelt het hof?\n\n5.6. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is gezegd is het volgende gebleken. De kinderen zijn in het verleden in de thuissituatie getuige geweest van zowel fysieke als verbale agressie tussen de moeder en de vader. Beide ouders kampen met verslaving en persoonlijke problematiek. De kinderen zijn daardoor getraumatiseerd. Het is de moeder, die al ruim twaalf jaar verslaafd is, niet gelukt om de kinderen de basale verzorging te bieden. Zij is niet in staat gebleken om de kinderen de voor hen nodige veiligheid, emotionele warmte, stimulatie, regels en grenzen te bieden. De kinderen zijn al drie jaar uit huis geplaatst. De GI heeft de afgelopen jaren de nodige inspanningen verricht om te onderzoeken of de moeder weer in staat was om de kinderen op een voor hen verantwoorde manier bij haar thuis te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft zich in die periode diverse keren bereid verklaard om aan zichzelf te werken en hulp te accepteren om haar verslaving te overwinnen. Zij is ook een aantal keren op vrijwillige basis opgenomen geweest, maar het lukt haar steeds niet om een behandeling succesvol te voltooien. De persoonlijke en verslavingsproblematiek blijven op de voorgrond aanwezig. Zij heeft onlangs tegenover de GI verklaard dat zij afgelopen zomer nog speed heeft gebruikt. De moeder komt niet in aanmerking voor een opname, omdat zij niet wil voldoen aan de daarvoor door IrisZorg gestelde voorwaarde om in een beschermd-wonen-plek te verblijven. Zij was de afgelopen jaren vaak gedurende een langere periode niet bereikbaar voor de GI en heeft daardoor veel belangrijke overlegmomenten, waarbij ook beslissingen over de kinderen genomen moesten worden, gemist.\n\n5.7. Het hof is, gelet op alles wat hiervoor is opgeschreven, van oordeel dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd. Het hof stelt voorop dat het heel duidelijk is dat de moeder en de kinderen veel van elkaar houden. Maar ook is duidelijk geworden dat de kinderen niet bij de moeder teruggeplaatst kunnen worden. Het is de moeder de afgelopen jaren, ondanks haar goede voornemens en diverse pogingen, niet gelukt om succesvol aan haar verslavingsproblematiek te werken. De kinderen komen uit een onveilige opvoedsituatie en hebben daardoor forse problematiek opgelopen. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Zij vragen om een trauma-sensitieve opvoeding die de moeder hen nu niet kan bieden. Het is daarom niet de verwachting dat de moeder in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer te dragen.\n\n5.8. \n\nDe moeder stelt dat volgens het EHRM slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als blijkt dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor de kinderen, wat volgens haar hier niet het geval is. Het hof is van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. Uit de stukken, tijdens de gesprekken met [minderjarige1] en [minderjarige2] en uit wat de pleegouders van [minderjarige3] vertellen, is gebleken dat het voor de kinderen nog steeds onduidelijk is wat hun toekomstperspectief is. Voor de kinderen is het nodig om te weten dat zij niet meer bij de moeder kunnen wonen. Door de gezagsbeëindiging worden zij niet meer jaarlijks belast met de verlengingsprocedures van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wat hun de nodige rust zal brengen voor hun verdere ontwikkeling, behandelingen en de hechting bij hun huidige verzorgers\u002Fopvoeders. Dat de moeder geen gezag meer heeft betekent uiteraard niet dat zij uit het leven van de kinderen verdwijnt. [minderjarige1] , [minderjarige2] en [minderjarige3] willen graag contact met de moeder en het is belangrijk dat dit contact wordt voortgezet.\n\nHet hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2025.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\n artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW\n\n Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8167","2026-07-13T00:28:44.226Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":122,"fullText":123,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":124,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":45,"updatedAt":125},"1253","ECLI:NL:GHARL:2025:7447","ecli-nl-gharl-2025-7447","2025-11-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.270\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579910)\n\nbeschikking van 25 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. N.J. Hos,\n\nen\n\n [bewindvoerder], handelend onder de naamKeistad Bewind & Mentorschap,\n\ngevestigd te Amersfoort,\n\nverder te noemen: de bewindvoerder,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:\n\n [verweerder],\n\nwonende in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. T. de Jong.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 9 april 2025;\n\nhet verweerschrift met producties.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2025 te Zwolle plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\n- de vrouw en haar advocaat;\n\n- de bewindvoerder en haar advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van\n\n [minderjarige] , geboren [in] 2017.\n\n3.2. De vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man heeft een contactregeling met [minderjarige] .\n\n3.3. De man en de vrouw hebben na hun uiteengaan in 2021 een ouderschapsplan opgesteld en zijn daarin onder meer overeengekomen dat de man een bedrag van € 148,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen (verder ook: kinderalimentatie). Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt met ingang van 1 januari 2024 € 165,61 en met ingang van 1 januari 2025 € 176,37 per maand.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in deze zaak bij het hof van belang) op verzoek van de man de kinderalimentatie gewijzigd en met ingang van 5 april 2024 op nihil gesteld. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw niet te ontvangen in haar hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de kinderalimentatie.\n\n5. De gronden voor de beslissing\n\n5.1. \n\nWijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).\n\nNiet ter discussie staat dat de man inmiddels geen inkomen uit arbeid meer heeft, zoals wel het geval was toen partijen de afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man heeft kort na het vaststellen van het ouderschapsplan in 2021 een herseninfarct gehad. Vanwege zijn hersenletsel woont hij nu in een appartement in een verpleeghuis en ontvangt hij een uitkering. De omgangsregeling is ook gewijzigd. [minderjarige] en de man hebben nu wekelijks twee uur contact in het verpleeghuis of bij de vrouw thuis.\n\nDit zijn relevante wijzigingen van omstandigheden naar het oordeel van het hof. Beoordeeld moet worden of deze wijzigingen maken dat de man de overeengekomen kinderalimentatie niet meer kan betalen en de bijdrage daarom moet worden gewijzigd.\n\n5.2. Niet ter discussie staat verder ook dat [minderjarige] behoefte heeft aan de eerder overeengekomen kinderalimentatie.\n\n5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de man bij de rechtbank een draagkrachtberekening heeft overgelegd waarin hij rekent met een jaarinkomen over 2024 van € 29.716,- bruto. Dit leidt volgens hem tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.254,- per maand.\n\nIn dit hoger beroep heeft de man jaaropgaven 2024 overgelegd en daaruit blijkt dat de WIA-uitkering in 2024 in totaal € 38.880,- bruto bedroeg. Daarnaast heeft hij ook een pensioen ontvangen van € 5.178,- bruto per jaar. Het inkomen van de man in 2024 was dus hoger dan de man aanvankelijk heeft berekend.\n\n5.4. In 2025 is de WIA-uitkering van de man gestegen tot € 3.139,18 bruto per maand. Tezamen met het pensioen leidt dit tot een bruto jaarinkomen van € 45.859,- per jaar. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening 2025 volgt dat dit inkomen leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.606,- per maand.\n\n5.5. De vrouw stelt dat om de draagkracht van de man te kunnen bepalen, rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK en de noodzakelijke lasten, zoals de kosten van het bewind en het maximale zak- en kleedgeld van € 361,- per maand. Volgens de vrouw moet rekening worden gehouden met een draagkrachtloos inkomen van € 1.917,- en resteert er een draagkracht bij de man van € 466,- per maand. De draagkracht van de man is volgens de vrouw dan ruim voldoende om de eerder overeengekomen bijdrage te kunnen betalen.\n\n5.6. De bewindvoerder stelt dat de man geen draagkracht heeft. Wanneer rekening wordt gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, de bijdrage Wlz CAK, de kosten van het bewind en de kosten voor de advocaat dan kan de man nauwelijks rond komen. De man woont in een appartement en heeft te maken met normale kosten voor een huishouding. Hij heeft bijvoorbeeld zelf een wasmachine en hij heeft eten en drinken in huis voor bezoek. Hij moet vervoer en uitjes zelf betalen en hij heeft dan ook extra begeleiding nodig die door hem zelf moet worden bekostigd. Hij rookt en hij maakt kosten voor cadeautjes.\n\n5.7. \n\nHet hof oordeelt als volgt over de draagkracht van de man.\n\nRekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK. Deze bedraagt inmiddels € 1.276,29 per maand en wordt ingehouden op de WIA-uitkering die de man ontvangt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de zak- en kleedgeldgrens voor een alleenstaande die het CAK hanteert van € 426,03 per maand (eerste half jaar 2025).\n\nIn de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens is een groot deel van de kosten verwerkt die gewoonlijk moeten worden voldaan vanuit het forfait noodzakelijke lasten. Van het forfait noodzakelijke lasten van € 1.310,- moeten in een situatie waarin personen een zelfstandige huishouding voeren onder meer de kosten van gas, water en licht, eten, kleding en verzekeringen en de overige uitgaven voor levensonderhoud (dus ook sport, cadeaus, uitjes en vakanties en dergelijke) worden betaald. De man hoeft een aanzienlijk deel van deze gebruikelijke kosten niet te maken. Hij hoeft bijvoorbeeld geen maaltijden te bekostigen omdat hij deze krijgt in het verpleeghuis. De man heeft ook geen woonlasten en geen kosten voor gas, water en licht. Dit maakt dat geen rekening moet worden gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, want dat leidt tot dubbeltellingen in de lasten van de man.\n\n5.8. \n\nHet hof is van oordeel dat naast de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens uitsluitend rekening kan worden gehouden met noodzakelijke specifieke lasten (zoals bijvoorbeeld zorgkosten voor zover die het bedrag van de component in de bijstandsnorm overstijgen).\n\nNiet betwist is dat de man de kosten voor de bewindvoering van € 254,50 per maand moet voldoen. Hiermee kan dus rekening worden gehouden.\n\n5.9. Het hof stelt vast dat de bewindvoerder van de man geen totaaloverzicht heeft opgesteld van de kosten waarmee de man maandelijks daadwerkelijk te maken heeft naast de eigen bijdrage Wlz CAK. Voor zover de bewindvoerder al extra kosten heeft opgevoerd zijn deze grotendeels niet nader geconcretiseerd en onderbouwd.\n\nDe kosten voor uitjes, eten en drinken en roken die de bewindvoerder noemt zijn in voornoemde zak- en kleedgeldgrens begrepen en vormen geen extra last. Aan de kinderalimentatie wordt door de wet een hoge prioriteit toegekend. Voor zover de kosten hoger zijn dan de zak- en kleedgeldgrens, dienen ze daarom geen voorrang te krijgen boven de kinderalimentatieverplichting.\n\nDe bewindvoerder heeft de gestelde kosten van extra begeleiding voor de man niet nader onderbouwd. De vrouw betwist deze kosten. Volgens de vrouw heeft de man niet veel uitjes en gaat hij met zijn scootmobiel, waarmee hij ver kan komen, altijd zelfstandig op pad.\n\nDe gestelde advocaatkosten zijn eveneens niet inzichtelijk gemaakt door de bewindvoerder en daarom kan het hof hiermee geen rekening houden.\n\n5.10. \n\nHet vorenstaande tezamen in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende specifieke gegevens over de uitgaven van de man in het geding heeft gebracht om te kunnen vaststellen dat de man geen draagkracht meer heeft om van zijn inkomsten (in 2025 volgens de man € 2.606,- netto per maand) naast de bijdrage Wlz CAK van € 1.276,29 per maand, zijn zak- en kleedgeld ( € 426,03) en de kosten van de bewindvoerder (€ 254,50 per maand) de eerder overeengekomen kinderalimentatie, die thans € 176,37 per maand bedraagt, te kunnen voldoen.\n\nHet hof neemt daarbij ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de man ter zake de kinderalimentatie tot 1 januari 2025 steeds een bedrag van € 150,- per maand heeft voldaan. De bewindvoerder heeft verklaard dat daardoor geen achterstand in de betaling van de vaste lasten van de man is ontstaan.\n\n5.11. Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Er is weliswaar sprake van wijzigingen van omstandigheden maar deze leiden er op basis van de informatie die het hof heeft ontvangen van de situatie van de man niet toe dat de eerder overeengekomen kinderalimentatie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2025, en opnieuw beschikkende:\n\nwijst het verzoek van de man om de onderling gemaakt afspraken over de kinderalimentatie te wijzigen en de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 5 april 2024 op nihil te stellen, alsnog af;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck,\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Zie ook paragraaf 4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 Rapport alimentatienormen 2025 (https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FSiteCollectionDocuments\u002Frapport-alimentatienormen-versie-januari-2025.pdf)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7447","2026-07-13T00:29:12.281Z",{"id":127,"ecli":128,"slug":129,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":130,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":45,"updatedAt":132},"1255","ECLI:NL:GHARL:2025:6664","ecli-nl-gharl-2025-6664","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.368\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 563217)\n\nbeschikking van 28 oktober 2025\n\ninzake\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr.drs. A.M. Slootweg,\n\nen\n\n [verweerder],\n\nverblijvende in een bij het hof bekend Penitentiair Psychiatrisch Centrum,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. N. Schreurs.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking(en) van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 januari 2024 en 11 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 11 februari 2025 zal verder ook worden genoemd: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2025;\n\n- het verweerschrift.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen zijn [in] 2009 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.\n\n3.2. \n\nDe vrouw heeft op 6 juli 2023 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking (onder meer) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nHet huwelijk van partijen is op 19 mei 2025 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.\n\n3.3. De peildatum voor de omvang en samenstelling van het te verrekenen vermogen is 6 juli 2023 (datum indiening verzoek tot echtscheiding door de vrouw bij de rechtbank).\n\n3.4. \n\nIn hun huwelijkse voorwaarden zijn partijen in artikel 13 overeengekomen:\n\n“…..\n\nIngeval het huwelijk eindigt door echtscheiding of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening van hun vermogens plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien de wettelijke gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten had bestaan.\n\nVan deze verrekening wordt uitgezonderd:\n\n…...\n\nf. alle goederen en schulden behorende tot het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot, alsmede de schulden die zijn aangegaan ter verkrijging van het bedrijfs- of beroepsvermogen;\n\n…..”\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover in deze procedure van belang, de vrouw veroordeeld om de helft van de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank (Estland) met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] aan de man te betalen.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de bankrekeningen bij de Bigbank en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – het verzoek van de man om te bepalen dat zij de helft van de saldi van de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] per peildatum aan hem moet betalen alsnog af te wijzen en voor recht te verklaren:\n\nprimairdat de saldi op die bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren en buiten de verrekening dienen te blijven en\n\nsubsidiairte bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de man ter hoogte van de helft van de saldi op die bankrekeningen\n\nen de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw in hoger beroep en vraagt het hof om dit af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nStandpunt van de vrouw5.1. \n\nDe vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de saldi per peildatum op de Bigbank-bankrekeningen tot het te verrekenen vermogen (aan de zijde van de vrouw) behoren.\n\nDe gelden zijn vanuit haar onderneming op de rekeningen bij de Bigbank gestort en de saldi op de Bigbank-rekeningen behoren nog steeds tot haar bedrijfsvermogen.\n\nDe vader van de man, tevens haar boekhouder, heeft haar destijds geadviseerd om haar bedrijfsvermogen onder te brengen bij de bank in Estland. Zij heeft hieraan uitvoering gegeven en daarbij bleek dat zij alleen rekeningen bij de Bigbank in Estland kon openen op haar eigen naam, en niet op naam van haar onderneming. Dit vormde geen beletsel, omdat het wettelijk is toegestaan bij een onderneming een privérekening zakelijk te gebruiken. Het gaat om deposito’s met een hogere renteopbrengst. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de tenaamstelling van de rekening niet van doorslaggevend belang. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet gaat om de tenaamstelling van een rekening maar om de aard van het saldo. De saldi op de Bigbank-rekeningen zijn niet gebruikt, niet in privé en niet voor zakelijke doeleinden.\n\nIn de jaarstukken 2022 worden de saldi op de rekeningen bij de Bigbank (hof: € 25.808 en € 5.400) op de balans vermeld onder het kopje ‘financiële activa’ en het subkopje ‘vastgelegde liquide middelen’. In de belastingaangifte 2022 van de man en de vrouw zijn de Bigbankrekeningen ook opgenoemd en aangemerkt als zakelijke rekeningen. Daarom worden de saldi op de Bigbank-rekeningen niet meegenomen en belast in box 3 (sparen en beleggen) door de belastingdienst.\n\nOp 6 februari 2023 heeft zij nog een extra bedrag van € 18.564 ingelegd op de Bigbankrekeningen. Het saldo op de Bigbank-rekeningen komt dan overeen met de bedragen die op bladzijde 13 van haar belastingaangifte 2023 worden vermeld; de financiële activa bedroegen aan het eind van 2023 € 49.772 (hof: € 25.808 + € 5.400 + € 18.564).\n\nVerder stelt de vrouw dat zij de overwegingen van de rechtbank over het vermogen dat is aangemerkt als fiscale oudedagsreserve (FOR) niet kan volgen. Uit de fiscale balans van de belastingaangifte blijkt dat het om een van bedrag € 32.047 gaat. Dit bedrag is niet vrij opneembaar en te zijner tijd moet hierover belasting worden betaald. De stelling van de man dat zij in totaal € 79.000 uit haar onderneming heeft gehaald is daarom niet juist.\n\nOok brengt de vrouw nog naar voren dat uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat het de bedoeling was dat hetgeen zij met haar onderneming aan winst realiseerde voor haar zou blijven. Alleen de bedragen die zij daadwerkelijk opnam als inkomen hoefden bij de verdeling van de kosten van de huishouding tussen partijen in aanmerking te worden genomen.\n\nDe vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, zoals bijvoorbeeld een verklaring van haar accountant of boekhouder, of andere bewijsstukken en\u002Fof getuigen, waaronder de accountant en\u002Fof de boekhouder.\n\nStandpunt van de man5.2. \n\nDe man betwist de stellingen van de vrouw. Uitgegaan moet worden van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen in hun huwelijkse voorwaarden en wat daarmee hun bedoeling was.\n\nDe vrouw heeft door gelden van de zakelijke rekeningen over te maken naar de privérekeningen bij de Bigbank in Estland gelden uit het bedrijfsvermogen gehaald. Het klopt dat de vrouw niet wettelijk verplicht is om haar zakelijke en privévermogen gescheiden te houden, maar dat wordt wel ten zeerste aanbevolen. Gelet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en op grond van wat partijen van elkaar mogen verwachten zijn de gelden die de vrouw heeft overgemaakt naar de Bigbank-rekeningen geen ondernemingsvermogen meer. De bedragen zijn duurzaam gaan toebehoren aan de vrouw in privé. Partijen zijn een finaal verrekenbeding overeengekomen en moeten daarom ook over deze bedragen afrekenen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd.\n\nDe jurisprudentie van de Hoge Raad die de vrouw heeft aangehaald ziet op situaties die niet vergelijkbaar zijn met de situatie van partijen.\n\nHet is de advocaat van de man niet bekend dat de vader van de man de vrouw geadviseerd heeft om het geld op rekeningen in Estland te plaatsen om meer rente te ontvangen over het vermogen en bovendien is de vrouw hiervoor zelf verantwoordelijk. Met de toekomstige belastingschuld van de vrouw over de FOR hoeft geen rekening te worden gehouden, omdat dit een keuze is die voor rekening van de vrouw komt.\n\nDe vrouw heeft volgens de man niet aangetoond dat de saldi op de Bigbank-rekeningen enkel zijn gebruikt voor zakelijke doeleinden en dat maakt bovendien ook geen verschil. De bedragen op de Bigbank-rekeningen zijn op bepaalde momenten vrij opneembaar geweest en zijn dat begin 2026 ook weer.\n\nDe stelling van de vrouw over artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden moet volgens de man worden gepasseerd, omdat dit artikel alleen betrekking heeft op de wijze waarop de kosten van de huishouding tijdens het huwelijk door partijen moeten worden voldaan en niets zegt over het vermogen uit de onderneming dat is gaan toebehoren aan de vrouw in privé.\n\nOordeel van het hof5.3. \n\nHet hof is van oordeel dat de saldi op de drie Bigbank-rekeningen in Estland als bedrijfs- of beroepsvermogen (hierna ook ‘ondernemingsvermogen’) van de vrouw in de zin van artikel 13 van de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten worden beschouwd en niet tot het aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen behoren.\n\nDe vrouw heeft toegelicht dat zij gelden uit haar onderneming op de Bigbankrekeningen heeft gestort om daarover meer rente te ontvangen. Daardoor zijn die gelden (anders dan de man stelt) nog niet onttrokken aan haar ondernemingsvermogen.\n\nDat deze saldi nog steeds tot haar ondernemingsvermogen behoren blijkt voldoende uit de verwerking van deze saldi in de jaarrekeningen van de onderneming van de vrouw en haar belastingaangiften. Ook zijn de Bigbankrekeningen door partijen samen, dus ook door de man, in hun belastingaangifte 2022 uitdrukkelijk opgegeven als zakelijke rekeningen. De saldi zijn ook niet belast in box 3. Dat volgt uit de aanslag IB 2022: de belastingdienst heeft daarin de aangifte van partijen geaccepteerd.\n\nDe advocaat van de man heeft ter zitting geen (tegen)bewijs op dit punt aangeboden, omdat de man niet beschikt over documenten waaruit zou kunnen blijken dat deze conclusie niet juist is.\n\nDit maakt dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Het hof is van oordeel dat de saldi op de drie rekeningen bij de Bigbank moeten worden geschaard onder de uitzondering onder artikel 13 onderdeel f. van de huwelijkse voorwaarden en uitgezonderd zijn van de verrekening van de vermogens van partijen.\n\n5.4. Het hof zal daarom punt 4.6. in de bestreden beschikking, inhoudende dat de vrouw de helft van de saldi per peildatum op de Bigbank-rekeningen aan de man moet betalen, vernietigen. Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de saldi op deze bankrekeningen tot het bedrijfsvermogen van de vrouw behoren (en dus buiten de verrekening van de vermogens van partijen blijven) zal het hof toewijzen.\n\n5.5. Het voorgaande maakt dat het hof niet meer toekomt aan een bespreking van de overige stellingen van partijen en de vraag of er sprake is van een vergoedingsrecht van de vrouw op de man voor de helft van de saldi op de Bigbank-rekeningen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\n6.1. \n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 februari 2025, voor zover het gaat om het oordeel van de rechtbank over de saldi op de bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] ,\n\n [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] en de beslissing onder 4.6., en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\n6.2. verklaart voor recht dat de saldi op bankrekeningen bij de Bigbank in Estland met de nummers [rekeningnummer1] , [rekeningnummer2] en [rekeningnummer3] tot het bedrijfs- en beroepsvermogen van de vrouw behoren en niet in de verrekening van de vermogens van partijen zijn betrokken;\n\n6.3. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 28 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:6664","2026-07-13T00:29:12.353Z",20]