[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122332","Vreemdelingenwet","",1,[27,36,44],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"657","ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","ecli-nl-rbdha-2026-18527","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35099\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 23 april 2026en op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist bij uitspraak van 10 juni 2026.\n\n1.3.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Daaruit blijkt dat de bewaring van eiser op 22 juni 2026 is opgeheven. Eiser heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en de opheffing van de maatregel.\n\n1.4.. De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 3 juni 2026.\n\n4. Eiser voert aan dat, hoewel de bewaring op 22 juni 2026 is opgeheven omdat het belang van eiser zwaarder is gaan wegen dan het belang van de minister, deze belangenafweging in het voordeel van eiser eerder dan 22 juni 2026 had moeten plaatsvinden. Volgens eiser is er namelijk niets veranderd in zijn situatie met betrekking tot zijn uitzetting: hij heeft consequent verklaard niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en presentatie in persoon. Er was op 30 juni 2026 nog een presentatie gepland voor eiser. Onduidelijk is waarom deze presentatie niet meer is afgewacht alvorens de bewaring op te heffen.\n\n4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt; hij heeft enkel aangevoerd dat hij eerder niet meewerkte aan zijn uitzetting en tot aan opheffing van bewaring nog steeds niet wilde meewerken aan zijn uitzetting. Uit het dossier volgt dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt tot het moment waarop is geconcludeerd dat het belang van eiser zwaarder ging wegen dan het belang van de minister. Er is immers op 9 maart 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten, waarna er veelvuldig is gerappelleerd. Daarnaast is geprobeerd eiser op 14 april 2026 te presenteren bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser is daar niet verschenen. Ook hebben er zes vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, waarvan de laatste op 22 juni 2026. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9810.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16560.\n\n Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.552Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":34,"updatedAt":43},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.586Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":50},"1946","ECLI:NL:RBDHA:2026:18455","ecli-nl-rbdha-2026-18455","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.33833\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De minister stelt in de maatregel van bewaring dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister vermeldt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.\n\n1.1.. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat hij de lichte gronden, 4a, 4d en 4e laat vallen. Wat eiser tegen die gronden aanvoert, behoeft daarom geen bespreking.\n\nHet onttrekkingsrisico\n\n2. Eiser betwist de zware gronden 3b, 3c en 3d. Daarbij licht eiser toe dat hij beroep had ingesteld tegen de afwijzende beschikking van 25 november 2025 op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft eisers beroep ongegrond verklaard in de uitspraak van 20 mei 2026, maar eiser kwam hier pas achter toen hij in bewaring werd gesteld. Zijn asieladvocaat heeft hem niet geïnformeerd over de uitspraak. Voorafgaand aan de bewaring was eiser dus in afwachting van de uitspraak op zijn beroep en wist hij ook niet dat hij een vertrekplicht had. Daar komt bij dat eiser op een opvanglocatie van het COa verbleef. Eiser meent daarom dat niet gezegd kan worden dat in zijn geval sprake is van een risico op onttrekking.\n\n2.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister licht bij de zware grond 3b toe dat eiser sinds 2016 in Nederland verblijft en op 24 december 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Daarmee heeft eiser zich enige tijd aan het toezicht onttrokken. Dit wordt door eiser niet betwist. Daarmee is de zware grond 3b feitelijk juist. Verder betwist eiser de zware grond 3i niet. Daarmee is de feitelijke juistheid daarvan niet in geschil. Nu de zware gronden 3b en 3i feitelijk juist zijn, stelt de minister terecht dat deze van toepassing zijn en aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd.Eisers verklaring dat hij in afwachting was van een uitspraak op zijn beroep en op een opvanglocatie verbleef, maakt deze gronden niet feitelijk onjuist. De gronden samen zijn voldoende om de maatregel te dragen. Uit de gronden samen volgt ook dat in eisers geval sprake is van een onttrekkingsrisico.\n\nLichter middel\n\n3. Eiser voert aan dat het onredelijk is dat hij in bewaring is gesteld. Daartoe voert eiser aan dat hij niet op de hoogte was van de al eerder genoemde uitspraak van 20 mei 2026 op zijn beroep tegen de asielbeschikking. Daarom wist hij ook niet dat hij een vertrekplicht had. Ook verbleef hij in een opvanglocatie van het COa.\n\n3.1.. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt te betogen dat de minister moet volstaan met een lichter middel. Dit slaagt echter niet. De minister motiveert voldoende waarom niet wordt volstaan met een lichter middel. Uit de zware gronden volgt een onttrekkingsrisico. Eiser geeft aan dat hij niet wil meewerken aan zijn uitzetting naar Egypte en is eerder met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser op een opvanglocatie verbleef neemt dit onttrekkingsrisico niet weg. Dat hij geen weet had van de uitspraak van 28 mei 2026 ook niet. Dat doet er namelijk niet aan af dat eisers beroep ongegrond is verklaard. In het besluit van 25 november 2025 staat dat eiser moet terugkeren naar Egypte en Nederland onmiddellijk moet verlaten, zodat hij na 20 mei 2026 een vertrekplicht had. Eiser is al eerder, toen hem was medegedeeld dat hij moest vertrekken, met onbekende bestemming vertrokken. Daarom kon de minister, toen hem bekend werd dat eiser strafrechtelijk was aangehouden, besluiten om eiser in bewaring te stellen en geen lichter middel op te leggen.\n\nZicht op uitzetting\n\n4. Eiser voert aan dat het erop lijkt dat uitzettingen naar Egypte stroperig verlopen. Daarbij wijst eiser erop dat in het verslag van het vertrekgesprek van 7 juni 2026 staat dat de regievoerder heeft aangegeven dat onderzoek bij de Egyptische autoriteiten een bovengemiddelde lange doorlooptijd kent.\n\n4.1.. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt te betogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Dit slaagt echter niet. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat in 2025 door de Egyptische autoriteiten 5 laissez-passers (lp’s) zijn verstrekt. Verder heeft de minister op 5 juni 2026 een lp aanvraag voor eiser verzonden. De Egyptische autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt, of dat dit (te) lang zal gaan duren. Bovendien moet de minister voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt ook nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. Daar komt bij dat op eiser een plicht rust tot het meewerken aan zijn vertrek. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.\n\nConclusie\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L.G.C. Lelifeld, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zoals dat luidde tot 12 juni 2026.\n\nRb. Den Haag (zp. Middelburg), ECLI:NL:RBDHA:2026:13196.\n\n Vergelijk ABRvS 20 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18455","2026-07-13T00:29:46.758Z",20]