[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-maintenance-obligations-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},126,"maintenance-obligations-nl","Maintenance Obligations","NL","2026-07-08T16:57:28.104Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-11-25T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121939","Burgerlijk Wetboek","art. 10:57",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121940","art. 10:58",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123472","art. 1:401 lid 1",[33,44],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":42,"updatedAt":43},"371","ECLI:NL:GHARL:2026:4253","ecli-nl-gharl-2026-4253","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.708\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 436314)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. A.M. Beuwer,\n\nen\n\n [verweerster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. E. El-Sharkawi.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 17 december 2025;\n\neen journaalbericht namens de man van 28 januari 2026 met producties;\n\nhet verweerschrift;\n\neen journaalbericht namens de man van 4 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de vrouw van 5 juni 2026 met als bijlage een begeleidende brief van diezelfde datum;\n\neen journaalbericht namens de man van 10 juni 2026 met producties;\n\neen journaalbericht namens de man van 12 juni 2026 met een productie.\n\n2.2. De hierna te noemen [kind1] heeft bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 12 juni 2026, aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk,\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk.\n\n3. De feiten\n\n3.1. De vrouw heeft alleen de Egyptische nationaliteit. De man heeft de Egyptische en de Nederlandse nationaliteit.\n\n3.2. De man en de vrouw zijn [in] 2007 gehuwd in [plaats1] , Egypte.\n\n3.3. Zij zijn de ouders van:\n\n [kind1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] , Egypte, en\n\n [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , Egypte.\n\n3.4. \n [kind1] is [in] 2026 meerderjarig geworden.\n\n3.5. De vrouw heeft de rechtbank in eerste aanleg op 16 mei 2024 verzocht om:\n\nde echtscheiding tussen partijen uit te spreken;\n\nde hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen;\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) vast te stellen op € 400,- per kind per maand; en\n\nde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen op € 1.330,- per maand.\n\n3.6. De man is in eerste aanleg niet verschenen.\n\n3.7. Op 12 februari 2025 is de hierna te noemen echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:\n\nde echtscheiding tussen partijen uitgesproken;\n\nde partneralimentatie bepaald op € 1.330,- per maand vanaf de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;\n\nde hoofdverblijfplaats van de dan nog beide minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald;\n\nde kinderalimentatie bepaald op € 400,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking.\n\n4.2. De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof:\n\nprimair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen dan wel al haar verzoeken af te wijzen; dan wel\n\nsubsidiair: die beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin vastgestelde kinder- en partneralimentatie en, opnieuw beschikkende, deze bijdragen vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van de datum van de door het hof te wijzen beschikking;\n\nmet compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen zijn eigen kosten draagt.\n\n4.3. De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt het hof om:\n\nprimair: het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;\n\nsubsidiair: de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de daarin uitgesproken echtscheiding en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; en\n\nbij nieuwe beschikking een kinder- en partneralimentatie vast te stellen als het hof juist oordeelt en wel met ingang van (primair) 1 oktober 2024 dan wel met ingang van (subsidiair) 17 december 2025.\n\n4.4. Bij beschikking van 17 maart 2026 heeft het hof geoordeeld dat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld van de bestreden beschikking en hem ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nEchtscheiding\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1. Partijen zijn in Egypte met elkaar gehuwd. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve de rechtsmacht te onderzoeken.\n\n5.2. Omdat het verzoek tot echtscheiding is ingediend na 1 augustus 2022, dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval beoordeeld te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019\u002F1111). Op grond van artikel 3, aanhef en onder a sub v Brussel II-ter heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat partijen de gewone verblijfplaats in Nederland hebben en de man sinds 1995 in Nederland woont.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. In het kader van de echtscheiding moet eerst worden vastgesteld of de echtscheiding in Egypte kan worden erkend in Nederland.\n\n5.4. Artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, voor zover hier van belang, in het eerste lid dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter (of een andere autoriteit) en indien aan die rechter (of die andere autoriteit) daartoe rechtsmacht toekwam. Voor de toepassing van artikel 10:57 BW is dus vereist dat de ontbinding van het huwelijk tot stand is gekomen door een beslissing van een rechter en constitutief is, nadat een behoorlijke rechtspleging heeft plaatsgevonden. De ontbinding van het huwelijk van partijen is niet tot stand gekomen door de uitspraak van de rechtbank na een behoorlijke rechtspleging. In plaats van die ontbinding uit te spreken, heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de echtscheiding op 21 september 2012 heeft plaatsgevonden door de eenzijdige verklaring van de man. Van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake geweest. De uitspraak van de rechtbank is daarmee niet constitutief voor de ontbinding van het huwelijk, maar declaratoir van aard omdat wordt vastgesteld dat de “retourneerbare” echtscheiding heeft plaatsgevonden. De wilsverklaring van de man heeft de ontbinding van het huwelijk teweeg gebracht, niet de beslissing van de rechter. Op de erkenning van een ontbinding van een huwelijk door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is artikel 10:58 BW van toepassing.\n\n5.5. In artikel 10:58 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland, die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten is tot stand gekomen, erkend wordt indien:\n\nde ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;\n\nde ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en\n\nduidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.\n\n5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw nader toegelicht dat de vrouw erkent dat de echtscheiding in Egypte rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat deze echtscheiding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Echter, omdat sprake is van een eenzijdige verstoting (een recht van de man) kan deze echtscheiding niet worden erkend in Nederland. Nederland kent deze vorm van echtscheiding immers niet. Bovendien heeft de vrouw niet met de inschrijving van de echtscheiding ingestemd en heeft zij ook niet stilzwijgend ingestemd met de echtscheiding.\n\n5.7. Het hof is van oordeel dat voldaan is aan sub a en sub b van artikel 10:58 BW. De man had ten tijde van de ontbinding van het huwelijk in Egypte zowel de Egyptische als de Nederlandse nationaliteit. De ontbinding stemt overeen met het Egyptisch recht, terwijl de ontbinding in Egypte ook rechtsgevolg heeft. Daarover verschillen partijen ook niet van mening. Het hof dient daarom nog te beoordelen of uit de door partijen geschetste omstandigheden blijkt dat de vrouw stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust (sub c). Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en legt deze beslissing hierna uit.\n\n5.8. Het hof overweegt allereerst dat uit de door de man overgelegde productie 26 (bij journaalbericht van 10 juni 2026) blijkt dat de vrouw in 2007 en 2017 identiteitsbewijzen heeft aangevraagd. In 2007 stond op dit identiteitsbewijs dat de vrouw getrouwd was met de man, terwijl in 2017 dit niet meer op het identiteitsbewijs stond vermeld. Daarbij komt dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard dat zij geen verblijfsvergunning voor Nederland heeft gekregen in het kader van gezinshereniging met de man, maar op grond van verblijf bij een minderjarig kind (op grond van het Chavez-Vilchez-arrest). De vrouw kon ook niet naar Nederland komen op grond van gezinshereniging, omdat de man in Nederland inmiddels opnieuw was gehuwd en zij bovendien toestemming had moeten vragen aan de man om naar Nederland te komen. Hieruit volgt dat de vrouw er in Egypte naar heeft gehandeld dat zij van de man is gescheiden. Partijen hebben ook sinds de echtscheiding in 2012 geen rechtstreeks contact meer met elkaar gehad. Verder is van belang dat de families van partijen hebben bemiddeld om ervoor te zorgen dat de man zou bijdragen in de kosten van de kinderen. De vrouw heeft verder ter zitting verklaard dat zij wist dat er een echtscheiding was. Voor zover de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat een tante tegen haar heeft gezegd dat de echtscheiding van de man in het belang van de kinderen was teruggedraaid, overweegt het hof dat de vrouw dit op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Het hof is in het licht van de voorgaande van oordeel dat de vrouw heeft berust in de echtscheiding in Egypte.\n\n5.9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de ontbinding van het huwelijk van partijen in 2012 in Egypte in Nederland wordt erkend. De vrouw kan dus niet opnieuw vragen om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.\n\nKinder- en partneralimentatie\n\n5.10. Het hof overweegt dat de omstandigheid dat de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot echtscheiding er niet aan in de weg staat om de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen te beoordelen. De vrouw hoeft hiervoor geen afzonderlijke procedure te starten. Het hof weegt hierbij mee dat zowel de man als de vrouw standpunten hebben ingenomen over de kinder- en partneralimentatie en dat zij deze standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader hebben kunnen toelichten.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.11. Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4\u002F2009) ook rechtsmacht wat betreft het verzoek betreffende de partneralimentatie, omdat dit een nevenverzoek is dat verbonden is met het echtscheidingsverzoek en de echtscheidingsbevoegdheid van de Nederlandse rechter niet uitsluitend op de nationaliteit van een der partijen berust.\n\n5.12. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht is ook hier niet in geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan.\n\nPartneralimentatie\n\n5.13. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw verklaard afstand te doen van haar recht op partneralimentatie. Het hof ziet daarom aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op hetgeen door hem tot 16 juni 2026 is betaald.\n\nKinderalimentatie\n\n5.14. De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht kinderalimentatie vast te stellen. De man is in eerste aanleg niet verschenen. Daarop heeft de rechtbank een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld.\n\n5.15. De man voert in hoger beroep aan dat de vrouw de behoefte van de kinderen en haar draagkracht om in die behoefte bij te dragen niet heeft onderbouwd, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.\n\n5.16. Het hof overweegt dat de vrouw - ondanks haar toezegging hiertoe - op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de behoefte van de kinderen en haar mogelijkheid om in deze behoefte bij te dragen. De vrouw heeft niet alleen nagelaten de hoogte van de behoefte van de kinderen te becijferen, maar zij heeft ook nagelaten om enig financieel stuk over te leggen. Dit terwijl de man wel inzage heeft gegeven in zijn inkomen en de vrouw nu zelf aanvoert dat zij in deeltijd werkt en inkomen uit arbeid heeft. De man heeft in hoger beroep wel verzocht om financiële gegevens van de vrouw. Het voorgaande klemt temeer nu de vrouw kennelijk langdurig in staat is geweest om zelf in de behoefte van de kinderen te voorzien. Weliswaar heeft de man gedurende een periode € 150,- per maand aan de vrouw voldaan, maar deze bijdrage was niet alleen ten titel van kinderalimentatie. De man betaalde hiermee ook de kosten van de huishouding. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep niet duidelijk is geworden over welke periode de man deze bijdrage heeft voldaan. Gelet op het vorenstaande wijst het hof het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie vast te stellen af, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd.\n\n6. De slotsom\n\n6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot echtscheiding. Daarnaast zal het hof beslissen over de verzoeken over de kinder- en partneralimentatie als hierna te melden.\n\n6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2024 en opnieuw beschikkende:\n\nverklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;\n\nwijst af het verzoek van de vrouw om een bijdrage vast te stellen in de kosten van haar levensonderhoud, met dien verstande dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt bepaald op hetgeen de man tot 16 juni 2026 heeft voldaan;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\ncompenseert de kosten van het geding in hoger beroep;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4253","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.489Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":48,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":42,"updatedAt":50},"1253","ECLI:NL:GHARL:2025:7447","ecli-nl-gharl-2025-7447","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.353.270\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 579910)\n\nbeschikking van 25 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats1] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. N.J. Hos,\n\nen\n\n [bewindvoerder], handelend onder de naamKeistad Bewind & Mentorschap,\n\ngevestigd te Amersfoort,\n\nverder te noemen: de bewindvoerder,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:\n\n [verweerder],\n\nwonende in [woonplaats1] ,\n\nverweerder in hoger beroep,\n\nverder te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. T. de Jong.\n\n1. De procedure in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 januari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met producties, ingekomen op 9 april 2025;\n\nhet verweerschrift met producties.\n\n2.2. De mondelinge behandeling heeft op 22 oktober 2025 te Zwolle plaatsgevonden. Aanwezig waren:\n\n- de vrouw en haar advocaat;\n\n- de bewindvoerder en haar advocaat.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van\n\n [minderjarige] , geboren [in] 2017.\n\n3.2. De vrouw is belast met het gezag over [minderjarige] en [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man heeft een contactregeling met [minderjarige] .\n\n3.3. De man en de vrouw hebben na hun uiteengaan in 2021 een ouderschapsplan opgesteld en zijn daarin onder meer overeengekomen dat de man een bedrag van € 148,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw zal betalen (verder ook: kinderalimentatie). Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt met ingang van 1 januari 2024 € 165,61 en met ingang van 1 januari 2025 € 176,37 per maand.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in deze zaak bij het hof van belang) op verzoek van de man de kinderalimentatie gewijzigd en met ingang van 5 april 2024 op nihil gesteld. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n4.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.\n\nDe vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat verzoek af te wijzen.\n\n4.3. De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw niet te ontvangen in haar hoger beroep, althans haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de kinderalimentatie.\n\n5. De gronden voor de beslissing\n\n5.1. \n\nWijziging van een door de rechter vastgestelde of tussen partijen overeengekomen alimentatie is mogelijk als zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan (artikel 1:401 lid 1 BW).\n\nNiet ter discussie staat dat de man inmiddels geen inkomen uit arbeid meer heeft, zoals wel het geval was toen partijen de afspraak over de kinderalimentatie hebben gemaakt. De man heeft kort na het vaststellen van het ouderschapsplan in 2021 een herseninfarct gehad. Vanwege zijn hersenletsel woont hij nu in een appartement in een verpleeghuis en ontvangt hij een uitkering. De omgangsregeling is ook gewijzigd. [minderjarige] en de man hebben nu wekelijks twee uur contact in het verpleeghuis of bij de vrouw thuis.\n\nDit zijn relevante wijzigingen van omstandigheden naar het oordeel van het hof. Beoordeeld moet worden of deze wijzigingen maken dat de man de overeengekomen kinderalimentatie niet meer kan betalen en de bijdrage daarom moet worden gewijzigd.\n\n5.2. Niet ter discussie staat verder ook dat [minderjarige] behoefte heeft aan de eerder overeengekomen kinderalimentatie.\n\n5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de man bij de rechtbank een draagkrachtberekening heeft overgelegd waarin hij rekent met een jaarinkomen over 2024 van € 29.716,- bruto. Dit leidt volgens hem tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.254,- per maand.\n\nIn dit hoger beroep heeft de man jaaropgaven 2024 overgelegd en daaruit blijkt dat de WIA-uitkering in 2024 in totaal € 38.880,- bruto bedroeg. Daarnaast heeft hij ook een pensioen ontvangen van € 5.178,- bruto per jaar. Het inkomen van de man in 2024 was dus hoger dan de man aanvankelijk heeft berekend.\n\n5.4. In 2025 is de WIA-uitkering van de man gestegen tot € 3.139,18 bruto per maand. Tezamen met het pensioen leidt dit tot een bruto jaarinkomen van € 45.859,- per jaar. Uit de door de man in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening 2025 volgt dat dit inkomen leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 2.606,- per maand.\n\n5.5. De vrouw stelt dat om de draagkracht van de man te kunnen bepalen, rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK en de noodzakelijke lasten, zoals de kosten van het bewind en het maximale zak- en kleedgeld van € 361,- per maand. Volgens de vrouw moet rekening worden gehouden met een draagkrachtloos inkomen van € 1.917,- en resteert er een draagkracht bij de man van € 466,- per maand. De draagkracht van de man is volgens de vrouw dan ruim voldoende om de eerder overeengekomen bijdrage te kunnen betalen.\n\n5.6. De bewindvoerder stelt dat de man geen draagkracht heeft. Wanneer rekening wordt gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, de bijdrage Wlz CAK, de kosten van het bewind en de kosten voor de advocaat dan kan de man nauwelijks rond komen. De man woont in een appartement en heeft te maken met normale kosten voor een huishouding. Hij heeft bijvoorbeeld zelf een wasmachine en hij heeft eten en drinken in huis voor bezoek. Hij moet vervoer en uitjes zelf betalen en hij heeft dan ook extra begeleiding nodig die door hem zelf moet worden bekostigd. Hij rookt en hij maakt kosten voor cadeautjes.\n\n5.7. \n\nHet hof oordeelt als volgt over de draagkracht van de man.\n\nRekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage Wlz CAK. Deze bedraagt inmiddels € 1.276,29 per maand en wordt ingehouden op de WIA-uitkering die de man ontvangt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de zak- en kleedgeldgrens voor een alleenstaande die het CAK hanteert van € 426,03 per maand (eerste half jaar 2025).\n\nIn de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens is een groot deel van de kosten verwerkt die gewoonlijk moeten worden voldaan vanuit het forfait noodzakelijke lasten. Van het forfait noodzakelijke lasten van € 1.310,- moeten in een situatie waarin personen een zelfstandige huishouding voeren onder meer de kosten van gas, water en licht, eten, kleding en verzekeringen en de overige uitgaven voor levensonderhoud (dus ook sport, cadeaus, uitjes en vakanties en dergelijke) worden betaald. De man hoeft een aanzienlijk deel van deze gebruikelijke kosten niet te maken. Hij hoeft bijvoorbeeld geen maaltijden te bekostigen omdat hij deze krijgt in het verpleeghuis. De man heeft ook geen woonlasten en geen kosten voor gas, water en licht. Dit maakt dat geen rekening moet worden gehouden met het forfait noodzakelijke lasten, want dat leidt tot dubbeltellingen in de lasten van de man.\n\n5.8. \n\nHet hof is van oordeel dat naast de eigen bijdrage Wlz CAK en de zak- en kleedgeldgrens uitsluitend rekening kan worden gehouden met noodzakelijke specifieke lasten (zoals bijvoorbeeld zorgkosten voor zover die het bedrag van de component in de bijstandsnorm overstijgen).\n\nNiet betwist is dat de man de kosten voor de bewindvoering van € 254,50 per maand moet voldoen. Hiermee kan dus rekening worden gehouden.\n\n5.9. Het hof stelt vast dat de bewindvoerder van de man geen totaaloverzicht heeft opgesteld van de kosten waarmee de man maandelijks daadwerkelijk te maken heeft naast de eigen bijdrage Wlz CAK. Voor zover de bewindvoerder al extra kosten heeft opgevoerd zijn deze grotendeels niet nader geconcretiseerd en onderbouwd.\n\nDe kosten voor uitjes, eten en drinken en roken die de bewindvoerder noemt zijn in voornoemde zak- en kleedgeldgrens begrepen en vormen geen extra last. Aan de kinderalimentatie wordt door de wet een hoge prioriteit toegekend. Voor zover de kosten hoger zijn dan de zak- en kleedgeldgrens, dienen ze daarom geen voorrang te krijgen boven de kinderalimentatieverplichting.\n\nDe bewindvoerder heeft de gestelde kosten van extra begeleiding voor de man niet nader onderbouwd. De vrouw betwist deze kosten. Volgens de vrouw heeft de man niet veel uitjes en gaat hij met zijn scootmobiel, waarmee hij ver kan komen, altijd zelfstandig op pad.\n\nDe gestelde advocaatkosten zijn eveneens niet inzichtelijk gemaakt door de bewindvoerder en daarom kan het hof hiermee geen rekening houden.\n\n5.10. \n\nHet vorenstaande tezamen in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende specifieke gegevens over de uitgaven van de man in het geding heeft gebracht om te kunnen vaststellen dat de man geen draagkracht meer heeft om van zijn inkomsten (in 2025 volgens de man € 2.606,- netto per maand) naast de bijdrage Wlz CAK van € 1.276,29 per maand, zijn zak- en kleedgeld ( € 426,03) en de kosten van de bewindvoerder (€ 254,50 per maand) de eerder overeengekomen kinderalimentatie, die thans € 176,37 per maand bedraagt, te kunnen voldoen.\n\nHet hof neemt daarbij ook in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de man ter zake de kinderalimentatie tot 1 januari 2025 steeds een bedrag van € 150,- per maand heeft voldaan. De bewindvoerder heeft verklaard dat daardoor geen achterstand in de betaling van de vaste lasten van de man is ontstaan.\n\n5.11. Het hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep van de vrouw slaagt. Er is weliswaar sprake van wijzigingen van omstandigheden maar deze leiden er op basis van de informatie die het hof heeft ontvangen van de situatie van de man niet toe dat de eerder overeengekomen kinderalimentatie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 januari 2025, en opnieuw beschikkende:\n\nwijst het verzoek van de man om de onderling gemaakt afspraken over de kinderalimentatie te wijzigen en de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 5 april 2024 op nihil te stellen, alsnog af;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck,\n\nR. Prakke-Nieuwenhuizen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.\n\n Zie ook paragraaf 4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm van het Rapport Alimentatienormen januari 2025 Rapport alimentatienormen 2025 (https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FSiteCollectionDocuments\u002Frapport-alimentatienormen-versie-januari-2025.pdf)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:7447","2026-07-13T00:29:12.281Z",20]