[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-arnhem-planning-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":50,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},60,"Arnhem","nl","arnhem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1433","ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","ecli-nl-rbgel-2026-4927","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 25\u002F280uitspraak van de meervoudige kamer van\n\nin de zaak tussenVereniging tot behoud van natuur en landschap in en om [plaats 1] ,\n\n [eiser 1] ,\n\n [eiser 2] en [eiseres 1] ,\n\n [eiser 3] en [eiseres 2] ,\n\n [eiser 4] ,\n\n [eiseres 3] ,\n\n [eiser 5] ,\n\n [eiseres 4] ,\n\n [eiseres 5],\n\nallen uit [plaats 1] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. L. Mohammad)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, het college\n\n(gemachtigde: G.H. Landeweerd).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] B.V.uit [plaats 2] , het bedrijf\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers door het college om vergunningen van het bedrijf te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van eisers tot wijziging van de vergunningen van het bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.1.. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [eiser 2] ; de gemachtigde van het college en de gemachtigde van het bedrijf met [persoon A] en [persoon B] .\n\n2.2.. Op de zitting hebben eisers het beroep, voor zover ingediend door [eiseres 1] , ingetrokken. Als de rechtbank hierna van ‘eisers’ spreekt, is dat niet langer [eiseres 1] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Het bedrijf exploiteerde een beton- en asfaltcentrale aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Hiervoor beschikte het bedrijf onder andere over twee milieutoestemmingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland: een revisievergunning van 31 mei 1995en een veranderingsvergunning van 12 december 2000.\n\nDe revisievergunning ziet op:\n\no de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie;\n\no de productie van betonmortel en specie in een betonmortelcentrale;\n\no de productie van breekasfaltcement (BRAC) in een betoncentrale;\n\no het in gebruik hebben van een mobiele puinbreekinstallatie;\n\no het overslaan van zand en grind; en\n\no het exploiteren van een tankplaats en een werkplaats.\n\nDe veranderingsvergunning zag op de uitbreiding van de werktijden van het bedrijf naar de avond en nacht door het naar keuze van het bedrijf (gedeeltelijk) verschuiven van de productie en bijbehorend transport ten behoeve van wegenonderhoudswerkzaamheden.\n\n3.1.. Op 13 december 2006 zijn onder meer de provincie Gelderland, de gemeente Wageningen en het bedrijf overeengekomen dat alle asfaltactiviteiten op deze locatie uiterlijk op 31 december 2009 moesten worden beëindigd door deze activiteiten te verplaatsen naar een andere locatie. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Op 31 december 2009 zijn de asfaltactiviteiten van het bedrijf op deze locatie feitelijk beëindigd. Op 5 maart 2024 hebben eisers het college op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, samengevat, verzocht: “de revisievergunning van 31 mei 1995 in te trekken, voor zover deze betrekking heeft op de asfaltcentrale. Bovendien wordt ook verzocht alle andere vigerende vergunningen met betrekking tot de asfaltactiviteiten in te trekken. Ook wordt u verzocht de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”3.2.. Op 16 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om de revisievergunning van 31 mei 1995 gedeeltelijk in te trekken voor zover die ziet op de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie, de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale, eventuele andere asfaltactiviteiten van welke aard dan ook en alle daarmee samenhangende activiteiten, waaronder in elk geval de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. Verder is het college voornemens de veranderingsvergunning van 12 december 2000 volledig in te trekken. Aan dit voornemen ligt artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet ten grondslag. Het college is niet voornemens om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen. Omwonenden en het bedrijf hebben een zienswijze ingediend.\n\n3.3.. Op 14 juni 2024 heeft het college de vergunningen conform het voornemen deels ingetrokken. Specifiek zijn de activiteiten met betrekking tot de productie van asfalt in een asfaltmengcentrale en de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale en bijbehorende vervoersbewegingen ingetrokken. Volgens het besluit resteert er nu op deze locatie een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten en volumes:\n\nproductie van beton in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 140.000 ton;\n\nproductie van mix in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 10.000 ton;\n\nhet breken van puin\u002Fsteenachtige materialen tot een maximale jaarlijkse productie van 112.000 ton;\n\nhet overslaan van 50.000 ton zand en grind, onder meer voor een productielocatie elders.\n\nVerder resteren er nog transportactiviteiten voor deze activiteiten en wijzigt het besluit niets aan de andere activiteiten (o.a. weegbrug, werkplaats, laboratorium, kantoren).\n\n3.4.. Eisers en het bedrijf hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit van 6 december 2024 op de bezwaren is het college bij de gedeeltelijke intrekking gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij zijn – kort gezegd – van mening dat het college ten onrechte heeft nagelaten de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de maximale productie van de puinbreker en de geluidsvoorschriften naar beneden bij te stellen waardoor de milieuruimte die bij de asfaltactiviteiten hoorde voor het bedrijf beschikbaar blijft. Zij vrezen dat het bedrijf die milieuruimte zal invullen met andere bedrijfsactiviteiten waardoor de beëindiging van de asfaltactiviteiten voor hen niet tot een verbetering leidt.\n\nHet geldende recht in deze zaak\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dit nieuwe recht geldt in deze zaak, omdat het verzoek van eisers is ingediend na 1 januari 2024.\n\n4.1.. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers tot wijziging van voorschriften van een revisievergunning uit 1995. In het bijzonder gaat het over het al dan niet wijzigen van voorschrift 10.1 (mobiele puinbreker) en voorschriften 15.1 en 15.2 (geluid).4.1.1.. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat vergunningvoorschrift 10.1 onder de Omgevingswet wordt aangemerkt als vergunningvoorschrift.\n\n4.1.2.. Van voorschriften 15.1 en 15.2 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze als maatwerkvoorschriften moeten worden aangemerkt onder de Omgevingswet. Volgens het college bepaalt artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet namelijk dat wanneer op een locatie zowel milieubelastende activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (in dit geval: de puinbreker en de betonmortelcentrale) als milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (in dit geval: de op- en overslagactiviteiten van zand en grind) vergunningvoorschriften die op beide activiteiten betrekking hebben, gelden als maatwerkvoorschriften voor zover er een bevoegdheid is om daarvoor maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers en het bedrijf hebben zich op de zitting bij dit standpunt aangesloten.\n\n4.1.3.. De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat voorschriften 15.1 en 15.2, ook onder de Omgevingswet nog als vergunningvoorschriften gelden.Weliswaar zijn op zichzelf staande op- en overslagactiviteiten van zand en grind niet als vergunningplichtige activiteit aangewezen in artikel 3.285 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar deze op- en overslagactiviteiten zijn wel als vergunningplichtige activiteit aangewezen als ze plaatsvinden als functioneel ondersteunende activiteit bij de betonmortelcentrale. Dat volgt uit artikel 3.115, onder c, gelezen in verbinding met artikel 3.111, eerste en tweede lid, van het Bal. De op- en overslagactiviteiten van zand en grind staan in dit geval naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet op zichzelf, maar zijn ten dienste van en functioneel ondersteunend aan de betonmortelcentrale van het bedrijf, zowel op deze locatie als op de locatie in Veenendaal. Zo volgt bijvoorbeeld uit de revisievergunning zelf dat de “hoofdactiviteiten” van het bedrijf de productie van asfalt en de productie van betonmortel betreffen en de “nevenactiviteiten” de mobiele breekinstallatie, het overslaan van zand en grind en het exploiteren van een tankplaats en werkplaats. Deze nevenactiviteiten worden (voornamelijk) ingezet om daarmee de hoofdactiviteit, namelijk de productie betonmortel, te kunnen uitvoeren.\n\nOmvang geding\n\n5. Het beroep van eisers beperkt zich tot de afwijzing van hun verzoek om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen in die zin dat deze de capaciteit van de asfaltactiviteiten niet langer omvat. Eisers betwisten de intrekking niet.\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat het college het bevoegde gezag is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een discrepantie tussen tabel 5 uit de revisievergunning en de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 en dat van de in het beroepschrift weergegeven tabel moet worden uitgegaan. Verder heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat het betoog van eisers dat de overeenkomst tussen partijen niet voldoende zou worden nagekomen, een civielrechtelijke kwestie is waarover de bestuursrechter in deze zaak niet kan oordelen.\n\nReikwijdte verzoek\n\n6. In de zittingsagenda heeft de rechtbank aangekondigd dat in ieder geval de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek van eisers zou worden besproken aan de hand van de volgende vragen: “wat is de reikwijdte van het verzoek? En wat is het wettelijk kader voor de beoordeling\u002Ftoetsing van een verzoek om intrekking\u002Fwijziging van de voorschriften? Mede gelet op 5.40, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet.”\n\n6.1.. Op de zitting waren eisers en het college het er over eens dat het verzoek niet alleen is bedoeld als een verzoek om intrekking op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet, maar ook als een verzoek om wijziging van de voorschriften van de revisievergunning in die zin dat de asfaltactiviteiten daar geen deel meer van uit maken. Dit volgt volgens hen uit de bewoordingen van het verzoek en het besluit van het college waarin het verzoek om wijziging is afgewezen. Eisers en het college zijn het erover eens dat het wettelijk kader voor wijziging van deze vergunningvoorschriften volgt uit artikel 5.40, eerste lid, van de Omgevingswet.\n\n6.2.. De gemachtigde van het bedrijf heeft op de zitting gesteld dat het verzoek niet zag op wijziging van voorschriften 15.1 en 15.2. Het verzoek was namelijk alleen gericht op het verminderen van de milieuruimte van de vroegere asfaltactiviteiten en voorschriften 15.1 en 15.2 zien op veel meer activiteiten van het bedrijf dan de asfaltactiviteiten.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunningvoorschriften. Eisers hebben namelijk verzocht om “de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”Dat voorschriften 15.1 en 15.2 ook andere activiteiten omvatten doet daaraan niet af, omdat eisers hebben verzocht om aanpassing van de voorschriften voor zover deze de milieuruimte van de asfaltcentrale omvatten.\n\nVoorschrift 10.1: de capaciteit van de mobiele puinbreker\n\n7. Eisers stellen dat het college voorschrift 10.1 had moeten wijzigen in die zin dat de puinbreker geen puin meer mag breken voor asfaltactiviteiten. Het college had concreet de hoeveelheid puin van 112.000 ton per jaar uit voorschrift 10.1 moeten verminderen en moeten terugbrengen naar 62.500 ton puingranulaat per jaar. Uit de aanvraagvolgt namelijk dat de productiecapaciteit van de puinbreker is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton puingranulaat per jaar. Nu de aanvraag volgens voorschrift 1.1 onderdeel uitmaakt van de revisievergunning en deze voor wat betreft de asfaltactiviteiten is ingetrokken, had het college ook de hoeveelheid puin in voorschrift 10.1 moeten verminderen, aldus eisers.\n\n7.1.. \n\nHet college heeft voorschrift 10.1 niet gewijzigd, omdat het enkele feit dat in de bijlage bij de aanvraag een onderverdeling is gemaakt tussen asfalt- en puingranulaat niet maakt dat deze onderverdeling niet zou kunnen verschuiven ten gunste van de inzet van granulaat ten behoeve van de betoncentrale, ook al omdat in de aanvraag is aangegeven dat het in de tabel gaat om globale hoeveelheden. De van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten zullen door die verschuiving ook niet toenemen, mits zij blijven binnen het vergunde volume van maximaal 112.000 ton per jaar.\n\nVolgens het college is voorschrift 10.1, gelet op het bepaalde in voorschrift 1.1 juist leidend, omdat 10.1 niet anders bepaalt dan de aanvraag.\n\n7.2.. \n\nIn voorschrift 10.1 staat:\n\n“Per jaar mag op de locatie \" [plaats 3] \" [naam bedrijf 1] B.V. (gelegen [locatie 2] te [plaats 3] ) en de onderhavige inrichting tezamen ten hoogste 112.000 ton van de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval worden gebroken.”\n\nIn voorschrift 1.1 staat:\n\n“De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. De aanvraag om vergunning en de daarin of daarbij verstrekte gegevens en de daarbij behorende tekeningen, worden geacht deel uit te maken van de vergunning.”\n\nIn de in het beroepschrift weergegeven tabel 5staat, voor zover relevant:\n\nTabel 5 (2e vervolg): Grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten inrichting [plaats 1] van [naam bedrijf 1] B.V.\n\n7.3.. Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om vergunningvoorschrift 10.1 te wijzigen. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Volgens eisers kan uit het aangehaalde deel van tabel 5 worden afgeleid dat de in voorschrift 10.1 vergunde maximale breekcapaciteit van 112.000 ton is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 tonpuingranulaat. De beëindiging van de asfaltactiviteiten zou volgens hen dan ook tot gevolg moeten hebben dat de maximale capaciteit in voorschrift 10.1 moet worden teruggebracht tot alleen de 62.500 ton puingranulaat. De rechtbank stelt echter vast dat de koppeling die eisers leggen tussen tabel 5 en voorschrift 10.1 niet opgaat. Voorschrift 10.1 gaat namelijk over de invoer van het materiaal in de puinbreker, terwijl het door eisers bedoelde deel van tabel 5 gaat over de het eindproduct, de geproduceerde hoeveelheid. Met andere woorden: voorschrift 10.1 heeft betrekking op hetgeen ín de puinbreker gaat terwijl tabel 5 gaat over de verdeling van de eindproducten die daaruit komen. Dat betekent dat de vergunde capaciteit van 112.000 ton uit voorschrift 10.1 niet op basis van tabel 5 kan worden verdeeld in een deel dat ziet op de asfaltactiviteiten en een deel dat niet ziet op de asfaltactiviteiten. Alleen al hierom is wijziging van dit voorschrift om de reden die eisers noemen niet aan de orde en is de discussie tussen partijen over of het voorschrift of de aanvraag leidend in dit verband ook niet relevant. Verder kent voorschrift 10.1 geen beperking voor de invoer van materiaal per activiteit en heeft het college onderbouwd dat de van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten ook niet zullen toenemen mits zij binnen het in voorschrift 10.1 vergunde volume blijven. Eisers hebben daar niets tegenover gesteld.\n\nVoorschriften 15.1 en 15.2: geluidgrenswaarden\n\n8. Volgens eisers had het college de geluidgrenswaarden in voorschriften 15.1 en 15.2 moeten aanpassen nu de geluidruimte van de asfaltcentrale als dominante geluidbron is verdwenen. Eisers willen niet dat het bedrijf deze geluidruimte inzet voor andere activiteiten. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat deze geluidruimte mag blijven worden ingezet voor de nog werkende betoncentrale, dat de puinbreker daarin de overheersende bron zou zijn en de werking daarvan door aanpassing van de geluidgrenswaarden zou worden gefrustreerd. Eisers hebben hier een notitie van deskundige [naam deskundige] tegenover gesteld.Uit deze deskundigennotitie volgt dat de equivalente geluidgrenswaarden in voorschrift 15.1, zonder de geluidbronnen van de asfaltcentrale in de dagperiode 2 dB(A) en in de nachtperiode met 16 dB(A) hoger zijn dan nodig is.\n\n [naam deskundige] heeft daartoe de bijdragen van de geluidbronnen van de asfaltcentrale in mindering gebracht op de geluidimmissie bij de hoogst belaste woning aan [locatie 3] (de woning van eiser [eiser 1] ). [naam deskundige] concludeert dat de geluidbijdrage ten opzichte van vergunningvoorschrift 15.1 (gemiddeld LAeq 53, 27 en 44 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode), in de dag-, en nachtperiode 1,5 en 15,8 dB(A) lager zijn, namelijk 51,5 en 28,2 dB(A).Als de in voorschrift 15.1 vergunde waarden in stand blijven, zijn in de dag- en nachtperiode dus afgerond 2 en 16 dB(A) teveel vergund richting woningen en zonegrens van het gezoneerd industrieterrein, aldus eisers. Omdat de veranderingsvergunning is ingetrokken is hetgeen daarin is vergund niet meer van belang.8.1.. Het college heeft geweigerd om voorschriften 15.1 en 15.2 te wijzigen, omdat weliswaar de geluidemissies van de asfaltactiviteiten wegvallen, maar dit nog niet betekent dat de geluidvoorschriften moeten worden aangepast. Met de geldende geluidvoorschriften is namelijk op de meest belaste woning nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie en is er geen aanleiding te veronderstellen dat de omgeving met de geldende vergunningvoorschriften naar objectieve maatstaven onvoldoende bescherming krijgt. Dit is ook bevestigd in de procedure die destijds bij de Afdeling is gevoerd over de vergunning, waarbij deze voorschriften overeind zijn gebleven en onherroepelijk zijn geworden.Verder acht het college het van belang dat het bedrijf de mogelijkheid heeft en houdt om haar ambities om circulair te werken door afvalstoffen opnieuw als secundaire grondstof in te zetten. Het college kiest daarom voor conservering van de huidige productieomvang met de daarbij geldende geluidgrenswaarden. Verder zou het aanpassen van de voorschriften mogelijk het in werking zijn van de puinbreker of andere activiteiten op de locatie belemmeren.\n\n8.2.. Voorschriften 15.1 en 15.2 luiden:\n\n8.3.. \n\nOp grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning onder voorwaarden wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.\n\nOp grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Op grond van artikel 8.9 van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit alleen verleend als er, onder andere, geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt.\n\n8.3.1.. Het college heeft beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen en beoordelingsruimte bij de vraag wat moet worden verstaan onder ‘significante milieuverontreiniging’.\n\nVoorschrift 15.1\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid voorschrift 15.1 niet heeft hoeven wijzigen. Weliswaar hebben eisers aan de hand van een deskundigenrapport onderbouwd dat de geluidbelasting als gevolg van het wegvallen van de asfaltactiviteiten in ieder geval in de avond- en nachtperiode minder wordt, maar dat betekent nog niet dat het college ook gehouden was om dit voorschrift te wijzigen. Het college heeft namelijk beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen met het oog op significante milieuverontreiniging. En met inachtneming van die beleidsruimte heeft het college onderbouwd dat ook bij het geldende, onherroepelijke, geluidvoorschrift sprake is van een (voor eisers) aanvaardbare situatie. Onder die omstandigheid heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen het belang van het bedrijf tot conservering van de huidige geluidruimte zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij een vermindering van de geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoorschrift 15.29.1.. Eisers hebben de afwijzing van de wijziging van voorschrift 15.2, over de maximale geluidniveaus, niet onderbouwd bestreden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n De vergunning van 31 mei 1995 met kenmerk [kenmerk 1] .\n\n De vergunning van 12 december 2000 met kenmerk [kenmerk 2]\n\n Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Artikel 3.188, eerste lid, en artikel 3.115 onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).\n\n Artikel 3.285, eerste lid, onder a, van het Bal.\n\n Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.\n\n Tabel 5 in bijlage 1 bij de aanvraag om de revisievergunning van 6 oktober 1993.\n\n Zoals hiervoor in 5.1 overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat van deze tabel moet worden uitgegaan.\n\n Deze 62.500 is in tabel 5 onderverdeeld in 3.000 ton naar de betonmortelcentrale en 59.500 ton naar derden per as.\n\n “Geluidsnormering vergunde activiteiten [naam bedrijf 1] zonder asfaltcentrale” van 4 april 2025 door [naam deskundige] van [naam bedrijf 2] .\n\n Omdat er in de aanvraag van 1994 geen asfaltactiviteiten in de avondperiode waren, treedt voor de avondperiode geen verandering op.\n\n Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 1998, E03.95.1155.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4927","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:20.802Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1007","ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","ecli-nl-rbgel-2026-4890","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 25\u002F1372 en 25\u002F1384uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaken tussen\n [eiseres] ,\n\nen\n\n [eiser] , beide wonend in [plaats 1] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. M.M. Mintjes).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Gemeente Arnhem\n\n(gemachtigde: mr. T. de Boer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning\n\nvoor het realiseren van 3 padelbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen naast de al aanwezige tennisbanen op sportpark [naam sportpark] in [plaats 1] . Het college heeft deze omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).\n\nDe aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend op 22 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n4. De derde-partij is eigenaar van de gronden die horen bij sportpark [naam sportpark] . Het sportpark is gevestigd aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Op het sportpark ligt onder andere een tennispark. De derde-partij heeft op 22 september 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van 3 padelbanen.De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat het bouwplan buiten het bouwvlak ligt. Dit is in strijd met artikel 1.2, eerste lid van de planvoorschriften. Het bouwplan past ook niet binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, omdat de aangevraagde hekwerken en lichtmasten hoger zijn dan toegestaan. Om het bouwplan toch mogelijk te maken is afgeweken van het bestemmingsplan.\n\n4.1.. \n\nAan de aanvraag ligt de ruimtelijke onderbouwing “Padelbanen [locatie 2] en [locatie 1] ” van 6 juni 2024 ten grondslag.\n\nHet bouwplan valt ook onder het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”. In artikel 3.1 van dat bestemmingsplan is de verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts wordt verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's. De derde-partij heeft een parkeeronderzoek overgelegd waaruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft het ruimtelijk aanvaardbaar geacht om op basis van de ruimtelijke onderbouwing de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft vervolgens de omgevingsvergunning in het besluit van 7 februari 2025 verleend.4.2.. Eisers wonen allebei in de directe omgeving van het sportpark.\n\nParticipatie\n\n5. Eisers voeren aan dat omwonenden niet zijn betrokken bij de planvorming. Hierdoor zijn de belangen van de omwonenden volgens eisers onvoldoende meegewogen. Volgens eisers is geen sprake geweest van participatie. Dit terwijl dit wel was aangekondigd in de raadsbrief van 27 augustus 2024. Eisers geven aan dat in eerste instantie door de wethouder is verklaard dat voor de locatie [locatie 1] geen maatwerkvoorschriften nodig zouden zijn omdat de geluidsnormen niet worden overschreden. Uiteindelijk zijn er wel maatwerkvoorschriften vastgesteld. Omwonenden zijn daardoor verkeerd voorgelicht en op oneigenlijke wijze buitengesloten van tijdige inspraak en bezwaar, hetgeen hun recht op effectieve rechtsbescherming ernstig heeft aangetast. Volgens eisers heeft het college door omwonenden onvolledig en onjuist te informeren, niet alleen gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar ook met het rechtszekerheidsbeginsel.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is participatie een verplichte stap. De aanvraag is echter ingediend voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Omgevingswet en de (wettelijk) verplichte participatie is dus niet van toepassing op deze aanvraag. Wel is het zo dat in 2019 de gemeenteraad het college heeft opgeroepen om inzicht te geven in de wijze waarop omwonenden zijn betrokken en over de planvorming zijn geïnformeerd. In dat verband heeft de tennisvereniging een verslag van de buurtparticipatie aangeleverd. Dat eisers vinden dat hun belangen onvoldoende zijn meewogen in het participatieproces, maakt niet dat de participatie tekortschoot. Het college heeft bij het verweerschrift stukken toegevoegd over de participatie. Er is een informatieavond geweest op 19 augustus 2024 en in de brief van 5 juli 2024 van de secretaris van de tennisvereniging [plaats 2] staat dat er regelmatig contact geweest is met onder andere Wijkplatform [wijkplatform 1] , [wijkplatform 2] en [wijkplatform 3] en bewoners die wonen aan de rand van sportpark [naam sportpark] . Hieruit volgt dat de omwonenden zijn meegenomen in de plannen.\n\n5.2.. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat er onduidelijkheid was over het genomen maatwerkbesluit stelt de rechtbank vast dat in eerste instantie is aangegeven dat er geen maatwerkbesluit nodig zou zijn. Bij de beoordeling van de aanvraag is later gebleken dat dit wel nodig is. Dit is niet per definitie onzorgvuldig maar kan ook een gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarnaast is gebleken dat eisers, maar ook andere mensen, tijdig een bezwaarschrift hebben ingediend tegen dat besluit zodat zij niet door de handelswijze van het college in hun belangen zijn geschaad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.\n\nRuimtelijke onderbouwing\n\n6. Eisers voeren aan dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning onvoldoende is. Er wordt volgens eisers op veel aspecten waarop getoetst moet worden vrij summier gesteld dat aan de normen wordt voldaan. Eisers wijzen erop dat het gaat om de aantasting van hun woon- en leefklimaat. De argumenten die eisers daaraan ten grondslag leggen zijn gericht tegen de volgende onderdelen van de ruimtelijke onderbouwing; geluid, lichthinder, provinciaal beleid en verkeer en parkeren\n\nGeluid6.1.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geluidssituatie na realisatie van de padelbanen aanvaardbaar zal zijn en geen nadelige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Volgens eisers heeft het college geen rekening gehouden met de belangen van de directe omwonenden en ook niet met de belangen van kwetsbare groepen, zoals onder meer de bewoners van de penitentiaire inrichting, de bewoners van de flat [naam flatgebouw] (bestaande uit ouderen en zorgbehoevenden), en de bewoners van de focuswoningen. Volgens eisers is in de huidige situatie ook al sprake van overschrijdingen van de geluidsnormen op de bestaande tennisbanen. Deze overschrijdingen zijn door het college bestempeld als een “onvoorziene situatie”. Voor de nieuwe situatie met de padelbanen staat vast dat, zonder aanvullende maatregelen, zoals de plaatsing van een geluidsscherm of beperking van de gebruikstijden, opnieuw niet zal worden voldaan aan de geluidsnormen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt een geluidscherm voorgesteld om de geluidsoverlast te beperken maar dit wordt niet uitgevoerd omdat dat in strijd is met het bestemmingsplan. Ook is indirecte hinder, zoals de toename van verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast, ten onrechte buiten beschouwing gelaten, terwijl deze hinder volgens eisers reëel en relevant is. Het college is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van de aanduiding “gemengd gebied”. De aanwezigheid van enkele wegen rechtvaardigt niet de kwalificatie als gemengd gebied, zeker niet gezien de directe nabijheid van woonwijken, een verzorgingshuis en een\n\npenitentiaire inrichting. Eisers verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de publicatie “Handreiking Padel en Geluid”.\n\n6.1.1.. \n\nDe derde-partij heeft op 15 februari 2023 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Op 3 april 2024 heeft het college besloten maatwerkvoorschriften op te stellen voor het aspect geluid. Op 17 september 2024 is dit besluit gewijzigd omdat er een fout stond in het besluit van 3 april 2024. In het maatwerkvoorschrift geeft het college aan het redelijk te vinden om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan.\n\nHet maatwerkvoorschrift ziet niet op de woningen van eisers waardoor voor deze woningen de norm van 45 dB(A) blijft gelden. Het college heeft er dus voor gekozen om het op deze manier toe te staan en niet te kiezen voor een geluidswal of iets dergelijks. Daarmee wordt volgens het college voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Volgens het college wordt op deze manier voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.\n\n6.1.2.. Eisers hebben allebei een bezwaarschrift ingediend tegen het maatwerkbesluit. In de beslissing op bezwaar van 27 maart 2025 zijn hun bezwaren ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar heeft het college naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften nader onderbouwd waarom voor een maatwerkvoorschrift van maximaal 49 dB(a) gekozen is en niet voor een geluidsabsorberend scherm in combinatie met de beperking van de openingstijden van de tennis-\u002Fpadelbanen.\n\n6.1.3.. \n\nTijdens de zitting bij de rechtbank hebben eisers desgevraagd bevestigd geen beroep te hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting aangegeven dat er ook door anderen geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het maatwerkbesluit onherroepelijk is en hier in de voorliggende procedure van uit gegaan dient te worden.\n\nVoor zover eisers hebben aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet heeft kunnen uitgaan van een gemengd gebied, mist dit betoog feitelijke grondslag. In de reactie op de zienswijzen staat namelijk dat het tennispark en haar omgeving overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid is gelegen binnen het gebied \"Stadswijk\" en dat de algemene kwalificatie voor de geluidsambities in de stadswijk \"overwegend rustig\" (45 dB(A)) is. Volgens het akoestisch onderzoek, waarin de reactie op de zienswijzen naar wordt verwezen, wordt die norm gehaald ter plaatse van de woningen van eisers. Eisers hebben geen deskundig tegenrapport ingediend waaruit blijkt dat de geluidsbeoordeling niet juist is. Het enkele feit dat in de Handreiking Padel en Geluid wordt uitgegaan van een langere afstand tot omliggende woningen doet daar niet aan af. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift is alleen voor enkele andere woningen dan de woningen van eisers redelijk geacht om een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (inclusief 5 dB toeslag) van ten hoogste 49 dB(A) toe te staan. Daargelaten dat eisers zich bij de bestuursrechter niet met succes kunnen beroepen op normen die niet strekken ter bescherming van hun belangen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze afweging redelijkerwijs niet heeft kunnen maken. Het college heeft ook in het kader van het bestreden besluit de geluidsbelasting in beeld gebracht en geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichthinder6.2.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van lichthinder. Hoewel gesteld wordt dat een onderzoek naar lichthinder is uitgevoerd, blijkt uit de bij de omgevingsvergunning gevoegde stukken niet op welke wijze dit onderzoek heeft plaatsgevonden, noch welke toetsingscriteria zijn gehanteerd. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt hoe is beoordeeld of, en in hoeverre, omwonenden hinder zullen ondervinden van de verlichting van de padelbanen. Gelet op het feit dat de padelbanen naar verwachting zullen worden voorzien van felle verlichting ten behoeve van gebruik dagelijks tot ongeveer 23:00 uur, is het volgens eisers aannemelijk dat sprake zal zijn van lichtoverlast en lichtvervuiling. De omgevingsvergunning maakt niet inzichtelijk welke onderzoeksresultaten zijn gehanteerd bij de beoordeling van deze lichthinder, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Dit is volgens eisers in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n6.2.1.. \n\nDe beroepsgrond slaagt niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geen normen voor het beoordelen van lichthinder. Er is alleen opgenomen wanneer de lampen moeten zijn uitgeschakeld. Dat is tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Daarnaast moet de verlichting uitgeschakeld zijn als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud\n\nplaatsvindt. Het college heeft aansluiting gezocht bij de criteria van de commissie Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSW). Volgens de richtlijn Lichthinder uit 2021 ligt het sportpark in zone E3 stedelijk gebied. De grenswaarden op de gevel voor E3 is voor de verticale verlichtingssterkte (Ev)10 lux in de dag en avondperiode (7.00-23.00) en 2 lux in de nachtperiode. Uit het lichtonderzoek “Padelbanen TV [plaats 2] - lichthinderplan” van 13 februari 2023 volgt bovendien dat de verlichtingssterkte bij de woning 0,15 Lux is. Dat is veel lager dan de grenswaarde van 10 Lux. Verder is gekeken naar de verlichtingssterke van het armatuur. Ook die blijf ruim binnen de maximale grenswaarde.Eisers hebben geen tegenrapport in geding gebracht die de conclusie van het college bestrijdt. Op grond daarvan heeft het college kunnen aannemen dat er geen lichthinder zal optreden die maakt dat geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat.\n\nProvinciaal beleid6.3.. Eisers voeren aan dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie “Gaaf Gelderland” en de Omgevingsverordening Gelderland.\n\n6.3.1.. De beroepsgrond slaagt niet. In paragraaf 3.2 van de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op het van toepassing zijnde provinciale beleid en is tot de conclusie gekomen dat de padelbaan in overeenstemming is met het provinciale beleid. Daarbij is concluderend overwogen dat:\n\n“Met de realisatie van de padelbanen wordt een impuls gegeven aan het sportvoorzieningenniveau en het verenigingsleven in [plaats 3] en [plaats 2] . Doordat de padelbanen op bestaande sportparken worden gerealiseerd, vindt er geen nieuw ruimtebeslag plaats en kan er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige faciliteiten.\n\nDe initiatieven voorzien niet in de winning van fossiele energie en er is ook geen sprake van het toevoegen of onttrekken van warmte aan de bodem of het grondwater.\n\nIn het kader van klimaatadaptie wordt opgemerkt dat de bodem van de padelbanen bestaan uit een drainbeton fundering. Deze heeft goede waterdoorlatende eigenschappen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. De aspecten waterveiligheid, droogte en hitte zijn gezien de aard en ligging van de initiatieven niet van toepassing.”\n\nDe enkele stelling van eisers dat de ruimtelijke onderbouwing in strijd is met het provinciale beleid is onvoldoende om aan deze conclusie te twijfelen.\n\nVerkeer en parkeren6.4.. \n\nEisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een substantiële toename van verkeers- en parkeerproblemen in de omgeving. Uit de eigen onderbouwing van het college blijkt dat de\n\nrealisatie van de padelbanen zal resulteren in circa 84 extra verkeersbewegingen per dag. Gelet op de al bestaande situatie, waarin sprake is van aanzienlijke overlast als gevolg van verkeersdrukte en de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein, is deze toename zorgwekkend. Daarnaast zal de toename van bezoekers onvermijdelijk leiden tot een verhoogde parkeerdruk in de omliggende woonwijken. De [locatie 1] en de aanliggende straten bieden slechts beperkte parkeergelegenheid. Door de extra bezoekers zullen automobilisten uitwijken naar woonstraten. Dit zal leiden tot parkeerproblemen, verkeersoverlast en een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Ten slotte ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing iedere bespreking van het gemeentelijke mobiliteitsbeleid, waaronder het Mobiliteitsplan [plaats 1] . In dit beleid wordt onder meer ingezet op een verlaging van de parkeernormen in de stad. Dit kan direct gevolgen hebben voor de beoordeling van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen zoals de aanleg van de padelbanen.\n\n6.4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” aan het hele sportpark al een sportbestemming toekent. De ruimtelijke effecten van het sportpark (waaronder verkeer\u002Fparkeren) zijn al beoordeeld toen dit bestemmingsplan werd voorbereid. Alle percelen met de bestemming “Sport” kunnen zonder aparte vergunning (dus zonder parkeeronderzoek) in gebruik worden genomen als sportveld, ook de stukken grond die nu nog niet als sportveld zijn ingericht, zoals de beoogde plek voor de padelbanen. De bestemmingsplanafwijking waar nu een vergunning voor wordt gevraagd (het toestaan van een grotere bouwhoogte) veroorzaakt op zichzelf dus geen grotere parkeerbehoefte of extra verkeersbewegingen dan waar in het bestemmingsplan al rekening mee is gehouden. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing is uitgewerkt hoeveel parkeerplaatsen feitelijk meer zullen worden benut ten opzichte van de bestaande situatie. Dat zijn er 7,5, waarmee het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen voor het sportpark op 118,8 uitkomt. Er zijn op het parkeerterrein 213 parkeerplaatsen aanwezig. Dat betekent dat sprake is van een overschot van 94 parkeerplaatsen. Hieruit volgt dat de vrees van eisers dat in de omliggende straten geparkeerd zal worden ongegrond is. In de reactie op de zienswijze staat verder dat het Mobiliteitsplan ten tijde van de verlening van de vergunning in voorbereiding is en nog niet is vastgesteld. Eisers hebben in beroep niet gesteld dat dit onjuist is of toegelicht waarom de vergunning desondanks vanwege het (in voorbereiding zijnde) Mobiliteitsplan had moeten worden geweigerd. In de reactie op de zienswijzen staat verder dat de ontsluitingsweg [locatie 1] ook voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Eisers hebben hun standpunten dat dit toch ontoereikend is niet onderbouwd. Het feit dat eisers overlast ervaren als gevolg de aanwezigheid van rondhangende jongeren op het parkeerterrein maakt het voorgaande ten slotte niet anders. Eventuele bestaande overlast staat los staat van het bestreden besluit dat nu voorligt.\n\n7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de beroepsgronden geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft kunnen leggen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het gaat om de activiteiten: het (ver)bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, (…)\n\nen het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…). Zoals opgenomen in artikel 2.1., eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).\n\n Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.\n\n De besluitvorming is voorbereid met toepassing van de openbare uniforme voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Gelet op artikel 4.8 van de Omgevingswet en artikel 22.45 van het Omgevingsplan van de gemeente Arnhem (geldend vanaf 31 januari 2024) stellen wij maatwerkvoorschriften op.\n\n Op grond van artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht.\n\n Die mag maximaal 10.000 Cd (Candela) zijn. Bij een verlichtingssterkte bij de woning van 0,15 Lux betekent dit een lichtsterkte (Cd) van de armatuur van ongeveer 0,15 *(afstand woning in het kwadraat) 95*95= 1353. 1353 is fors lager dan 10.000 Cd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4890","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.656Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"748","ECLI:NL:GHARL:2026:3647","ecli-nl-gharl-2026-3647","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nnummer BK-ARN 25\u002F304\n\nuitspraakdatum: 2 juni 2026\n\nUitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer\n\nop het hoger beroep van\n\n [belanghebbende]te[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)\n\ntegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2024, nummer ARN 22\u002F5578, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Doetinchem(hierna: de heffingsambtenaar) en\n\nde Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid)teDen Haag\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Aan belanghebbende is een aanslag leges opgelegd van € 16.447.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op dit bezwaar de aanslag leges gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten toegekend van respectievelijk € 1.000 en € 218,75.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Namens belanghebbende zijn verschenen [naam1] en [naam2] , bijgestaan door [naam3] . Namens de heffingsambtenaar is [naam4] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.\n\n2. Feiten\n\n2.1. Belanghebbende heeft op 16 september 2021 een verzoek bij de gemeente Doetinchem ingediend om een (nieuw) bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel aan [adres1] en [adres2] te [plaats] Belanghebbende beoogt daarmee de agrarische bestemming om te zetten in een recreatieve bestemming. In samenhang daarmee wordt het bouwen van een woning met bijgebouwen ( [adres3] ) mogelijk gemaakt.\n\n2.2.. Op grond van onderdeel 2.8.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2021 van de gemeente Doetinchem heeft de heffingsambtenaar leges ten bedrage van € 16.477 in rekening gebracht.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag leges. De Rechtbank heeft deze aanslag gehandhaafd. Redengevend daarvoor is dat de door belanghebbende beoogde bestemmingsvaststelling verband houdt met een door haar gewenste herontwikkeling van het perceel (aanwenden voor recreatieve doeleinden en bewoning) en dat daarom sprake is van werkzaamheden door de gemeente die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n3. Geschil\n\n3.1.. In geschil is of de heffingsambtenaar de aanslag leges terecht heeft opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.\n\n3.2.. Belanghebbende betoogt in dit verband dat het vaststellen van een bestemmingsplan wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en dus niet rechtstreeks en in overheersende mate verband houdt met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. De heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.\n\n3.3.. Tussen partijen is de berekening van de hoogte van de leges niet in geschil.\n\n3.4.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag leges. De heffingsambtenaar concludeert tot handhaving van deze aanslag.\n\n4. Beoordeling van het geschil\n\nRegelgeving4.1.. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro)stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 3.6 Wro kan bij een bestemmingsplan onder meer worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.\n\n4.3.. In artikel 3.38 Wro is bepaald dat de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening kan vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld.\n\n4.4.. In artikel 3.39, lid 1 Wro is geregeld dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een beheersverordening voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt, het bestemmingsplan vervalt voor zover het op dat gebied betrekking heeft. In het tweede lid is bepaald dat op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan voor een gebied waarvoor een beheersverordening geldt, de beheersverordening vervalt voor zover zij op dat gebied betrekking heeft.\n\n4.5.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Ingevolge artikel 5 Gemeentewet wordt onder gemeentebestuur verstaan ieder bevoegd orgaan van de gemeente.\n\nOverwegingen4.6.. Ten tijde van het in behandeling nemen van belanghebbendes aanvraag is de beheersverordening ‘Landelijk gebied 2020’ van toepassing. Een dergelijke beheersverordening regelt enkel het beheer overeenkomstig het bestaande gebruik (zie 4.3). Voor het uitvoeren van de door belanghebbende verzochte bestemmingswijziging moet daarom een bestemmingsplan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 3.1 Wro (zie 4.1).\n\n4.7.. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet kunnen leges worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten (zie 4.5). Onder dergelijke diensten worden verstaan de werkzaamheden die rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het Hof gaat het bij het vaststellen door de gemeenteraad van de bestemming van gronden in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro, rechtstreeks en vooral om het dienen van het publieke belang. Juist dit publieke belang vormt de rechtvaardiging voor de beperkingen die een bestemmingsplan oplegt aan eigenaren van grond binnen dit bestemmingsplan. Het vaststellen van een bestemmingsplan door de gemeenteraad, ook als het plangebied slechts een of enkele percelen betreft, wordt uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wro is derhalve niet, ook niet gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de aanvrager verrichte dienst waarvoor op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b Gemeentewet leges kunnen worden geheven. Hoewel ook hier indirect sprake is van een particulier belang, zoals altijd als een bestemmingsplan wordt vastgesteld met betrekking tot een gebied dat (gedeeltelijk) in eigendom is bij particulieren, is dit particuliere belang naar het oordeel van het Hof niet rechtstreeks en in overheersende mate in het geding.Nu geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 229, lid 1, letter b Gemeentewet, is heffing van leges op grond van die bepaling niet mogelijk en dient de aanslag leges te worden vernietigd.\n\nSlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.\n\n5. Griffierecht en proceskosten\n\n5.1.. Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 579.\n\n5.2.. Het Hof vindt bovendien aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.\n\n5.3.. Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor bezwaarschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666), € 1.868 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934) en op € 1.868 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 934). Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 218,75 aan kosten in verband met de behandeling van het beroep, en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de heffingsambtenaar te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 4.183,25.\n\n6. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nverklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing over de vergoedingen van immateriële schade en van de proceskosten;\n\nvernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;\n\nvernietigt de aanslag leges;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.183,25; en\n\ndraagt de heffingsambtenaar op de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 365 en € 579 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. J.W. Keuning, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.\n\nDe beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\n(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingswet.\n\n HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4105, r.o. 3.3.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.3.\n\n Vgl. HR 11 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2174, r.o. 4.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1459, r.o. 4.7; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7776, r.o. 4.5.\n\n Vgl. HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3647","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.311Z",1,20]