[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-childcare-benefits-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":74,"limit":75},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},117,"childcare-benefits-compensation-nl","Childcare Benefits Compensation","NL","2026-07-08T16:57:11.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},7,{"min":18,"max":18},"2026-06-26T00:00:00.000Z",[],[21,32,39,46,53,60,67],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1968","ECLI:NL:RBZWB:2026:5788","ecli-nl-rbzwb-2026-5788","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2253\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. G. Kaya),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 30 december 2024, door verweerder ontvangen op 2 januari 2025, tegen de definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 tot en met 2013 van 27 juni 2023.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024 en verweerder heeft het bezwaarschrift op 2 januari 2025 ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 27 maart 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 19 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 22 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 27 maart 2025 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5788","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:47.775Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1972","ECLI:NL:RBZWB:2026:5784","ecli-nl-rbzwb-2026-5784","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2173\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 16 december 2025, door verweerder ontvangen op 17 december 2025, tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 27 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 16 december 2025 en verweerder heeft het bezwaarschrift op 17 december 2025 ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 11 maart 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 12 maart 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 11 maart 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 5 mei 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 5 mei 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5784","2026-07-13T00:29:47.948Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":43,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"1973","ECLI:NL:RBZWB:2026:5787","ecli-nl-rbzwb-2026-5787","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2184\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. M. Akça-Altun),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2025.In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens hem niet heeft gedaan.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 29 augustus 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen.\n\n4. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiser.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n5.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n5.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n5.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n5.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 29 februari 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n6. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 5.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n BRE 25\u002F2997, ECLI:NL:RBZWB:2025:5860.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2021:2305, ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5787","2026-07-13T00:29:47.994Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":52},"1974","ECLI:NL:RBZWB:2026:5785","ecli-nl-rbzwb-2026-5785","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2180\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 14 november 2025 tegen de beschikking aanvullende schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 23 juli 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 14 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 6 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 13 maart 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 18 maart 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 9 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 2 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 2 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5785","2026-07-13T00:29:48.036Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":59},"1976","ECLI:NL:RBZWB:2026:5783","ecli-nl-rbzwb-2026-5783","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2118\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 15 november 2025 tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 29 juli 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 15 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 7 februari 2026 moeten beslissen, maar omdat dit een zaterdag is, had verweerder uiterlijk op 9 februari 2026 moeten beslissen.De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 10 maart 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 9 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 5 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op uiterlijk 5 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n Artikel 1, eerste lid, van de Algemene Termijnenwet.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5783","2026-07-13T00:29:48.101Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":64,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":66},"1977","ECLI:NL:RBZWB:2026:5789","ecli-nl-rbzwb-2026-5789","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2254\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. G. Kaya),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 30 december 2024, door verweerder ontvangen op 2 januari 2025, tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 van 20 augustus 2021.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 30 december 2024 en verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 januari 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 27 maart 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft verweerder op 7 augustus 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 11 augustus 2025 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 27 maart 2025 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. In gevallen als deze, waarin voornoemde 60 weken al zijn verstreken, wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5789","2026-07-13T00:29:48.142Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":71,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":73},"1978","ECLI:NL:RBZWB:2026:5786","ecli-nl-rbzwb-2026-5786","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2182\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 19 november 2025 tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van 4 augustus 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 19 november 2025. In dit geval geldt de volgende beslistermijn.Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag na die waarop het bezwaarschrift is ontvangen.Verweerder heeft de termijn verlengd met zes weken. Verweerder had dus uiterlijk op 11 februari 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 25 februari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.\n\n4.4.. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 11 februari 2026 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 7 april 2027 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.\n\nWelke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n6.1.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt verweerder op binnen uiterlijk 7 april 2027 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 7:10 van de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1301.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5786","2026-07-13T00:29:48.182Z",1,20]