[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":71,"limit":72},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2024-07-01T00:00:00.000Z","2026-06-22T00:00:00.000Z",[],[22,33,41,48,56,64],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1723","ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","ecli-nl-rbzwb-2026-5608","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 21\u002F3677 tot en met 21\u002F3679\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen\n de erven van [maat 1] , belanghebbenden\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2021.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan [maat 1] ( [maat 1] ) de volgende aanslagen opgelegd en daarbij de volgende beschikkingen vastgesteld:\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.737, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 8.385 en in rekening gebrachte heffingsrente van € 3.531;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 261.259, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 44.654 en in rekening gebrachte belastingrente van € 16.467;\n\neen navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 173.493, alsmede de bij gelijktijdige beschikking opgelegde vergrijpboete van € 40.541 en in rekening gebrachte belastingrente van € 11.952;\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Aan [maat 1] is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.\n\n1.5.. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van delen van stukken gedaan. De rechtbank heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft de inspecteur opgedragen ongeschoonde versies te overleggen van delen van bijlagen 3, 4 en 99 bij het verweerschrift. Bij brief van 18 maart 2025 heeft de inspecteur deze beslissing gevolgd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft op 28 januari 2026 een brief ontvangen van mr. C.J. van der Have (voormalig gemachtigde) waarin hij aangeeft dat hij zich heeft teruggetrokken als gemachtigde.\n\n1.7.. Omdat de rechtbank niet over (al) de adresgegevens van belanghebbenden beschikte, is op 11 februari 2026 de oproep voor de zitting geplaatst in de Staatscourant.\n\n1.8.. Daarnaast is de oproep voor de zitting op 10 maart 2026 doorgezonden aan het enige bij de rechtbank bekende recente adres van (één van) belanghebbenden.\n\n1.9.. Bij brief van 23 maart 2026 heeft mr. A.W. Hooijen zich als gemachtigde gesteld.\n\n1.10.. Belanghebbenden hebben op 23 maart 2026 en op 30 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen en heeft daarbij gemotiveerd waarom de zitting niet wordt uitgesteld.\n\n1.11.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 april 2026 op zitting behandeld. Als gemachtigde heeft deelgenomen mr. G.P. Polders. Namens de inspecteur zijn verschenen: mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\n1.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft partijen de gelegenheid gegeven om met elkaar in overleg te treden.\n\n1.13.. De inspecteur heeft op 24 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat geen overeenstemming is bereikt. Daarnaast geeft de inspecteur een nadere onderbouwing van een door hem ingenomen standpunt.\n\n1.14.. Op 1 mei 2026 heeft de inspecteur nog een aanvulling gegeven op het stuk van 24 april 2026.\n\n1.15.. Belanghebbenden hebben op 4 mei 2026 gereageerd op de stukken van de inspecteur van 24 april 2026 en van 1 mei 2026.\n\n1.16.. De rechtbank heeft op 11 mei 2026 het onderzoek ter zitting gesloten en een uitspraak aangekondigd binnen zes weken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Daarbij komt eerst de vraag aan de orde of het verdedigingsbeginsel is geschonden. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Tenslotte gaat de rechtbank in op de vraag of de inspecteur de (hoogte van de) door hem doorgevoerde correcties in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2013 aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.\n\n2.1.. Niet in geschil is dat de opgelegde vergrijpboetes dienen te worden vernietigd omdat [maat 1] is overleden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.\n\n2.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsbeginsel niet geschonden. De rechtbank is verder van oordeel dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet tijdig is opgelegd. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn terecht en niet tot te hoge bedragen aan [maat 1] opgelegd. De vergrijpboetes worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. [maat 1] is overleden op [datum] 2021.\n\n3.1.. \n [maat 1] maakte in de jaren 2011 tot en met 2013 deel uit van de [maatschap] (de maatschap). De andere maat in de maatschap was [maat 2] ( [maat 2] ).\n\n3.2.. De maatschap exploiteerde het [motortankschip] (hierna ook: [motortankschip] ). Het schip heeft een lengte van 99,84 meter en een breedte van 9,5 meter. Het schip beschikt over een totaal laadvermogen van 1.893 m3. Daarnaast heeft het schip twee zogenoemde sloptanks met elk een laadvermogen van 30 m3.\n\n3.3.. De [motortankschip] vervoerde in de jaren 2011 tot en met 2013 bedrijfsmatig plantaardige oliën. [maat 1] was kapitein op het schip. [maat 2] hield de administratie van de maatschap bij.\n\n3.4.. \n [motortankschip] werd gedurende de jaren 2011 tot en met 2013 bevracht door [bevrachter] B.V. te [plaats] .\n\n3.5.. Na elk transport van olie ontstaat in een schip bedrijfsafval, ook wel slops genoemd. Deze slops worden verzameld in de sloptanks. In die slops zit een percentage vocht\u002Fvuil en een percentage olie.\n\n3.6.. De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht\u002Fvuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht\u002Fvuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie.\n\n3.7.. Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam Flip gekregen (hierna: het strafrechtelijk onderzoek).\n\n3.8.. Tot de stukken van het strafrechtelijk onderzoek behoort het zogeheten Basis Proces-Verbaal Flip (Basis PV). Dit proces-verbaal bevat een beschrijving van het gehele strafrechtelijke onderzoek, waarin ook verklaringen zijn opgenomen van verdachten en andere betrokken personen.\n\n3.9.. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is het vermoeden ontstaan dat door ongeveer vijftig schippers gedurende langere tijd, maar in ieder geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 van verschillende Nederlandse motortankschepen partijen plantaardige olie vanuit de lading zijn verduisterd. Deze partijen plantaardige olie werden als slops aangeboden aan vethandel [vethandel] B.V. ( [vethandel] ) die deze slops met tankwagens naar [bedrijf] B.V. ( [bedrijf] ) vervoerde.\n\n3.10.. In het strafrechtelijk onderzoek is de volgende werkwijze beschreven. Wanneer de olie door [vethandel] bij het schip werd opgehaald werden door [vethandel] en de schipper zogeheten s-formulieren en begeleidingsbrieven ingevuld. Hierop werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen ook de geschatte totale hoeveelheid van de slop en het geschatte percentage vocht\u002Fvuil. De schipper kreeg een doorslag van deze formulieren. Bij aflevering van de slops door [vethandel] aan [bedrijf] werden door [bedrijf] gegevens op de begeleidingsbrieven en s-formulieren afgedrukt. Dit betrof een zogenoemde weegbrugstempel. Op de weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon en het tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de weegbrug. [vethandel] overhandigde een (doorslag) van deze begeleidingsbrieven en s-formulieren – in de meeste gevallen voorzien van het exacte vocht\u002Fvuil percentage – aan de schipper. Van de betalingen door [vethandel] aan de schippers werden door [vethandel] inkoopfacturen opgemaakt op naam van het betreffende schip.\n\n3.11.. In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere [vethandel] en [maat 1] als verdachte aangemerkt. [maat 1] is tot aan zijn overlijden verdachte geweest in het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.12.. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de informatie die volgt uit het strafrechtelijk onderzoek ontvangen. Daaropvolgend heeft de Belastingdienst de inbeslaggenomen administratie van [vethandel] ingezien. Ook heeft de Belastingdienst op 30 november 2017 een boekenonderzoek bij [vethandel] uitgevoerd en op 13 maart 2018 heeft er een bespreking tussen de Belastingdienst en [vethandel] plaatsgevonden.\n\n3.13.. Van de bespreking op 13 maart 2018 is een gespreksverslag opgemaakt wat behoort tot de gedingstukken.\n\n3.14.. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [vethandel] op het punt van de van de schippers ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de betreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.\n\n3.15.. In de administratie van [vethandel] zijn genummerde inkoopfacturen aangetroffen op naam van de maatschap ter zake van ingekochte slops door [vethandel] (de inkoopfacturen). Daarnaast zijn er ook s-formulieren en begeleidingsbrieven met betrekking tot [motortankschip] aangetroffen, voorzien van weegbrugstempels.\n\n3.16.. Verder zijn er in de administratie van [vethandel] een maandkalender van 2011 en twee weekkalenders van het jaar 2013 aangetroffen. Op de kalenders staan namen genoteerd van in het strafrechtelijk onderzoek betrokken motortankschepen met daarachter een getal.\n\n3.17.. In de administratie van [vethandel] bevindt zich ten slotte nog een aantal (klad)kasboeken. In de kasboeken werd door [vethandel] bijgehouden op welke data er bankbiljetten werden besteld bij de bank. In de kasboeken werden daarbij door [vethandel] de betreffende inkoopfactuurnummers genoteerd.\n\n3.18.. In de jaarstukken van de maatschap zijn in de jaren 2011 tot en met 2013 geen opbrengsten van slops verantwoord.\n\n3.19.. Op basis van de bevindingen tijdens het strafrechtelijk onderzoek en de in beslag genomen administratie van [vethandel] is door de Politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, Team opsporing Milieu een Excel-spreadsheet opgesteld. In deze spreadsheet zijn de bevindingen samengevat over de goederenstromen en de geldstromen met betrekking tot de afgifte van de betreffende slops. In de Excel-spreadsheet is per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de datum en de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram, het contant door [vethandel] betaalde bedrag en het nummer van de betreffende begeleidingsbrief. Ook zijn er gegevens uit de administratie van [bedrijf] in opgenomen zoals onder andere het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram olie en het vocht\u002Fvuil percentage.\n\n3.20.. \n [maat 1] heeft voor het jaar 2011 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen van € 78.661. Voor het jaar 2012 heeft [maat 1] een aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.514. De aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2011 en 2012 zijn conform de aangiften opgelegd.\n\n3.21.. Voor het jaar 2013 is [maat 1] uitgenodigd tot het doen van aangifte IB\u002FPVV. Hij heeft geen aangifte ingediend. De inspecteur heeft een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000.\n\n3.22.. Per brief van 14 september 2017 heeft de inspecteur aan [maat 1] medegedeeld dat hij zich op basis van de gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek op het standpunt stelt dat [maat 1] in de jaren 2011 tot en met 2013 olie heeft geleverd aan [vethandel] waarvoor hij contante betalingen heeft ontvangen. De inspecteur heeft [maat 1] in de gelegenheid gesteld om aan te tonen hoe hij de veronderstelde ontvangen contante betalingen op inkoopfacturen van [vethandel] heeft verantwoord in zijn aangiften IB\u002FPVV.\n\n3.23.. Bij de brief van 14 september 2017 is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de betreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [vethandel] . De ontvangen contante betalingen bedragen volgens de inspecteur: voor het jaar 2011 € 36.650, voor het jaar 2012 € 233.105 en voor het jaar 2013 € 84.500.\n\n3.24.. \n [maat 1] heeft op 21 september 2017 op deze brief gereageerd. Hij geeft daarbij aan dat hij geen administratie heeft van de maatschap. De administratie is altijd gevoerd door [maat 2] . Volgens [maat 1] moet de inspecteur bij [maat 2] zijn voor de gevraagde informatie.\n\n3.25.. De inspecteur heeft [maat 2] ook gevraagd naar de inkomsten uit de slops. [maat 2] stelt zich op het standpunt dat de heer [maat 1] buiten het zicht van de maatschap ontvangsten heeft gehad uit de verkoop van de slops en dat hij dit niet aan de maatschap heeft medegedeeld.\n\n3.26.. Mevrouw [woordvoerster] heeft namens [maat 2] verklaard dat zij gedurende de jaren 2002 tot 2015 de administratie heeft gevoerd van de maatschap en dat er gedurende deze periode geen inkomsten uit verkopen van slops zijn ontvangen op de bankrekening van de maatschap.\n\n3.27.. Bij brief van 3 november 2017 heeft de inspecteur [maat 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en boetes voor de jaren 2011 tot en met 2013 gaat opleggen. Daarbij heeft de inspecteur de inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV overgelegd.\n\n3.28.. Met dagtekening 15 december 2017 is de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.29.. Met dagtekening 17 maart 2018 zijn de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 aan [maat 1] opgelegd.\n\n3.30.. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2011 tot en met 2013 bestaat uit de vermeende contant ontvangen bedragen (zie 3.23). Voor de jaren 2012 en 2013 heeft de inspecteur de bedragen verminderd met de omzetbelasting die over deze bedragen is berekend.Voor het jaar 2013 is bovendien bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV nog rekening gehouden met een belastbaar resultaat uit de maatschap en een negatief inkomen uit eigen woning.\n\n3.31.. Op 3 februari 2020 heeft een inzage in het dossier van de inspecteur plaatsgevonden door de gemachtigde. Op 12 februari 2020 zijn aanvullend nog stukken aan de gemachtigde opgestuurd.\n\n3.32.. Bij uitspraken op bezwaar is de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2013 verminderd tot € 39.346 omdat deze niet op de juiste grondslag was berekend. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.\n\nMotivering\n\nVerdedigingsbeginsel\n\n3.33.. Belanghebbenden hebben zich in de bezwaarfaseop het standpunt gesteld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat geen inzage is gegeven in het (boete)dossier. In de beroepsfase hebben belanghebbenden verzocht om de standpunten uit bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.\n\n3.34.. Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het verdedigingsbeginsel – voor zover van toepassing – geen sprake. Er bestaat geen rechtsregel die de inspecteur verplicht om bij vragenbrieven (3.22 en 3.23) volledige inzage te geven in de stukken die hem ter beschikking staan. In de bezwaarfase is inzage gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken.Daarbij is aan gemachtigde gelegenheid geboden om aan te geven als er volgens hem stukken missen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nTijdigheid navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2011\n\n3.35.. Op grond van artikel 16, derde lid van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte kenbaar uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van het uitstel verlengd.\n\n3.36.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is omdat aan [maat 1] kenbaar 13 maanden uitstel is verleend op grond van de uitstelregeling belastingconsulenten (de Becon-regeling).\n\n3.37.. Belanghebbenden betwisten dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Volgens hen is aan [maat 1] geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 verleend.\n\n3.38.. \n\nDesgevraagd heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat zich in het dossier geen stukken bevinden die een verleend Becon-uitstel onderbouwen. In de stukken die de inspecteur na afloop van de zitting heeft ingediend (1.13 en 1.14) voert de inspecteur aan dat Becon-uitstel destijds standaard 13 maanden bedroeg. Volgens de inspecteur heeft de gemachtigde van [maat 1] in de bezwaarfase bovendien erkend dat Becon-uitstel is verleend voor het indienen van de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011.\n\n De inspecteur heeft na afloop van de zitting informatie opgevraagd bij een collega met betrekking tot de vraag of aan [maat 1] Becon-uitstel is verleend. De betreffende collega heeft de inspecteur geantwoord dat volgens het door haar geraadpleegde systeem [maat 1] geen Becon-uitstel heeft gehad voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011. Ook geeft de collega aan dat gegevens over uitstel voor het indienen van de aangifte niet worden geschoond. De inspecteur heeft zijn standpunt over de tijdigheid van de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 niet bijgesteld naar aanleiding van de verkregen informatie van zijn collega.\n\n3.39.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 tijdig is opgelegd. Uit geen van de overgelegde bescheiden volgt dat daadwerkelijk Becon-uitstel voor de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2011 kenbaar is verleend. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 met dagtekening 15 december 2017 is buiten de navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en daarbij opgelegde vergrijpboete en heffingsrentebeschikking daarom vernietigen. Gelet hierop behoeft de stelling van belanghebbenden over de plichten van de inspecteur in het licht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) geen verdere behandeling, aangezien daar op dit punt geen belang meer bij is.\n\nCorrecties in verband met contante betalingen aan [maat 1] door [vethandel]\n\n3.40.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat [maat 1] contante betalingen van [vethandel] heeft ontvangen voor verkochte slops, die hij niet heeft opgenomen in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013. Ter onderbouwing verwijst de inspecteur onder meer naar de gegevens uit de administratie van [vethandel] , de verklaringen van de heer [vethandel] en de vastleggingen in het basis PV van het strafrechtelijk onderzoek.\n\n3.41.. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat [maat 1] de contante betalingen van [vethandel] nooit heeft ontvangen. Belanghebbenden stellen dat de administratie van [vethandel] geen overtuigend bewijs bevat, omdat [vethandel] heeft geprobeerd om zijn eigen straat schoon te vegen. Belanghebbenden stellen dat ook moet worden gekeken naar de betrokkenheid van [maat 2] .\n\n3.42.. De bewijslast dat [maat 1] in de jaren 2012 en 2013 meer inkomen heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB\u002FPVV voor die jaren heeft aangegeven rust op de inspecteur.\n\n3.43.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat [maat 1] de gestelde contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.\n\n De inspecteur heeft gegevens uit de administratie van [vethandel] overgelegd. Daaronder bevinden zich de inkoopfacturen. De inspecteur heeft alle inkoopfacturen die ten grondslag liggen aan de correcties in de navorderingsaanslagen overgelegd. De inspecteur heeft voor een aantal inkoopfacturen in het verweerschrift uitgewerkt hoe de inkoopfacturen zich verhouden tot de begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. De gegevens in de inkoopfacturen sluiten aan met de gegevens van de bijbehorende begeleidingsbrieven en weegbrugstempels. Het gewicht dat op de inkoopfacturen staat vermeld, komt bijvoorbeeld overeen met de gegevens op de weegbon van [bedrijf] . Dat geldt ook voor het daarop vermelde vuil\u002Fvochtpercentage. De bescheiden uit de administratie van [vethandel] bevestigen dat de werkwijze zoals omschreven in overweging 3.10 ook in geval van [maat 1] heeft plaatsgevonden. In de Excel-spreadsheet (3.19) zijn voor alle inkoopfacturen de gegevens van de begeleidingsbrieven en de weegbrugstempels aan de inkoopfacturen gekoppeld.\n\n Ook de door de inspecteur overgelegde week- en maandkalenders en (klad)kasboeken onderbouwen de door de inspecteur gestelde facturenstroom. De inspecteur heeft voorbeelden aangedragen waarbij inkoopfacturen ten aanzien van [maat 1] te herleiden zijn naar vermeldingen van contante bedragen op de kalenders.\n\n Ten slotte acht de rechtbank van belang dat door de maatschap in de jaren 2012 en 2013 in het geheel geen ontvangsten voor de slops zijn verantwoord in de jaarrekeningen en dat degene die de administratie voerde ook heeft verklaard dat door de maatschap geen inkomsten van de verkoop van slops zijn verantwoord. Belanghebbenden hebben de ontvangst van de contante betalingen betwist, maar niet de leveringen van slops als zodanig. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de slops een behoorlijke waarde vertegenwoordigen.\n\nDe rechtbank acht gelet op al het voorgaande aannemelijk dat [maat 1] de contante betalingen voor de leveringen van de slops heeft ontvangen. De door belanghebbenden ingenomen stellingen zijn niet onderbouwd door bewijs en brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. De na de zitting ingenomen stelling van belanghebbenden over de schending van artikel 21 van het Rv. kan ook niet leiden tot een vernietiging van de aanslagen zoals belanghebbenden bepleiten. Nog daargelaten of artikel 21 van het Rv. toepasbaar is in dit geval, ziet de niet-verstrekte informatie niet op de jaren 2012 en 2013. De stelling treft dus geen doel.\n\n3.44.. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de omkering van de bewijslast moet worden toegepast. De rechtbank ziet voor de toepassing van de omkering van de bewijslast geen aanleiding. De inspecteur heeft met toepassing van de reguliere bewijslast zijn correcties al aannemelijk gemaakt. Verder gaat het hier niet om een geval waarin de omvang van de correctie onduidelijk is. De inspecteur heeft de omvang van de correctie aannemelijk gemaakt op basis van de hem ter beschikking staande inkoopfacturen.\n\n3.45.. De rechtbank concludeert dat de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2012 en 2013 terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd.\n\nVergrijpboeten\n\n3.46.. Partijen zijn het erover eens dat de aan [maat 1] opgelegde vergrijpboeten dienen te worden vernietigd. De rechtbank beslist overeenkomstig. De rechtbank volstaat verder met de constatering dat de redelijke behandeltermijn voor de boetezaken is overschreden.\n\nBelastingrente\n\n3.47.. Belanghebbenden hebben geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Het bedrag van de belastingrente volgt het bedrag van de aanslagen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente en vernietigt die aanslag en beschikkingen.\n\n4.1.. De beroepen tegen de vergrijpboetes voor de jaren 2012 en 2013 zijn ook gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes en vernietigt die vergrijpboetes.4.2.. De resterende beroepen zijn ongegrond. De navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 en bijbehorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand.\n\n4.3.. Omdat de in 4 en 4.1 genoemde beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbenden vergoeden en krijgen belanghebbenden ook een vergoeding van hun proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.\n\n4.4.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen belanghebbenden een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666 en in beroep van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de zaken. De zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbenden konden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek zijn. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en deelgenomen aan de zitting (1 punt). De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. De rechtbank kent geen kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat bij uitspraak op bezwaar reeds een kostenvergoeding is toegekend die niet in geschil is.\n\n4.5.. Belanghebbenden hebben zich in het schrijven van 4 mei 2026 op het standpunt gesteld dat er aanleiding bestaat voor een hogere proceskostenvergoeding. De inspecteur heeft in het stuk van 1 mei 2026 namelijk een andere voorstelling van de feiten gegeven dan in het stuk van 24 april 2026. Dit heeft gemachtigde onnodig extra werk opgeleverd.\n\n4.6.. De rechtbank ziet voor een hogere proceskostenvergoeding geen aanleiding. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de nieuwe informatie die de inspecteur in het stuk van 1 mei 2026 heeft gedeeld voor de gemachtigde tot veel extra werk heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011 en de daarbij opgelegde vergrijpboete en beschikking heffingsrente gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente;\n\n- vernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2011, de daarbij opgelegde vergrijpboete en de beschikking heffingsrente; - verklaart de beroepen tegen de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes gegrond; - vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde vergrijpboetes;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbenden moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbenden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. drs. P.E.C. Vossenberg en mr. M.A.M. van Meer, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd\n\ndeze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nWegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak getekend door de jongste rechter.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nAan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.Informatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1075.\n\n Staatscourant 11 februari 2026, nr. 6572.\n\n Voor het jaar 2011 is de omzetbelasting niet in mindering gebracht op de vermeende contant ontvangen bedragen, omdat de inspecteur de omzetbelasting voor dat jaar niet meer kon naheffen.\n\n Aanvullend bezwaarschrift van 27 februari 2018.\n\n Conform artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5608","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:35.870Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1851","ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","ecli-nl-rbzwb-2026-5366","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2745\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 mei 2025.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur € 3.613 revisierente en € 84 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2023 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de rentebeschikkingen gegrond verklaard. De inspecteur heeft de revisierente verminderd tot € 3.513 en de belastingrente tot € 81.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld van zijn [echtgenote] en ter bijstand ondersteund door [persoon] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende heeft een spaarkasovereenkomst afgesloten bij [verzekeringsmaatschappij] N.V. met [nummer] . Deze spaarkasovereenkomst is ingegaan op 1 april 1999.\n\n3.1.. Volgens het clausuleblad van 26 maart 1999 betreft de spaarkasovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het clausuleblad van 3 december 2003 betreft de spaarovereenkomst een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).\n\n3.2.. De polis is per 1 november 2012 premievrij gemaakt.\n\n3.3.. Op 4 oktober 2023 heeft belanghebbende de spaarkasovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 18.065. Bij deze afkoop is een bedrag van € 9.395 (52%) aan loonheffing ingehouden.\n\n3.4.. De inspecteur heeft een saldoverklaring verstrekt aan belanghebbende. Hierin is verklaard dat de betaalde premies uit 2012 van € 500 niet zijn afgetrokken in de aangifte IB\u002FPVV 2012.\n\n3.5.. Belanghebbende heeft de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2023 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.504, bestaande uit € 32.475 belastbare winst uit onderneming, € 17.565 afkoopsom lijfrente, en een negatief saldo aan inkomsten eigen woning voor een bedrag van € 3.536. Verder heeft belanghebbende een bedrag van € 3.613 aan revisierente in de betreffende aangifte vermeld.\n\n3.6.. De inspecteur heeft de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2023 vastgesteld conform de ingediende aangifte (zie 1.1). Voor de berekening van de revisierente is de inspecteur uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 18.065.\n\n3.7.. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur voor de berekening van de uitgegaan van een bruto afkoopsom van € 17.565.\n\nMotivering\n\n4. Belanghebbende stelt in de kern dat hij naar verhouding te veel belasting moet betalen ter zake van de afkoop van zijn lijfrente. Hij wijst erop dat de spaarkasovereenkomst een zogenoemde woekerpolis is gebleken en aanzienlijk minder heeft opgeleverd dan bij het aangaan van de spaarkasovereenkomst werd verwacht. Volgens belanghebbende had hij bovendien feitelijk geen andere keuze dan de lijfrente af te kopen, omdat deze anders op de einddatum zonder uitkering zou eindigen. Mede tegen die achtergrond vindt belanghebbende de verschuldigde belasting en revisierente disproportioneel en niet redelijk of billijk.\n\n4.1.. De rechtbank heeft in eerste plaats gekeken of de inspecteur de verschuldigde belasting ter zake van de afkoop van de lijfrente juist heeft berekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de geldende wet- en regelgevingjuist heeft toegepast en de belasting tot het juiste bedrag heeft berekend. De rechtbank merkt daarbij op dat de inspecteur in zijn berekening er rekening mee heeft gehouden dat na 1 november 2012 geen premieaftrek door belanghebbende meer is genoten. Ook de revisierente, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, is naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de geldende wet- en regelgevingtot het juiste bedrag berekend.\n\n4.2.. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van belanghebbende dat toepassing van de wet- en regelgeving in zijn situatie tot een belastingpercentage leidt, wat hij niet had voorzien. De wetgever heeft er echter voor gekozen om geen uitzonderingen te maken op de (fiscale) gevolgen die de wet verbindt aan de afkoop van een lijfrente. Bij afkoop worden de fiscale voordelen die gedurende de looptijd van de lijfrente konden worden genoten weer teruggenomen. Verder wordt over het achteraf ten onrechte genoten belastinguitstel een rentevergoeding verschuldigd.De rechtbank dient recht te spreken volgens de wet en het staat haar niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid.De rechtbank kan bepalingen die zien op de afkoop van een lijfrente ook niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien de Wet IB en de AWR, waarin die bepalingen staan, wetten in formele zin zijn en het verdisconteerde omstandigheden betreft.Dat betekent dat de rechtbank de keuze van de wetgever hier heeft te respecteren, ongeacht de persoonlijke omstandigheden die tot afkoop van de lijfrente hebben geleid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB\u002FPVV 2023 en de bijbehorende rentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Afdeling 3.8. van de Wet IB 2001.\n\n Artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\n Vgl. bijv. Kamerstukken II1988\u002F89, 21198, nr. 3, p. 42.\n\n Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28).\n\n Vgl. ook Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5366","2026-07-13T00:29:42.053Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1536","ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","ecli-nl-rbzwb-2026-5368","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 22\u002F4395\n uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 augustus 2022.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 714 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende stond in 2018 in de Basisregistratie personen ingeschreven op een Nederlands adres.\n\n2.1.. Belanghebbende is vanaf 10 oktober 2017 als piloot in loondienst werkzaam voor [werkgever] AS. Zijn standplaats is in 2018 [standplaats] in Oslo (Noorwegen).\n\n2.2.. In het kader van internationale gegevensuitwisseling heeft de Nederlandse belastingdienst van de Noorse fiscale autoriteit gegevens ontvangen waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 een bedrag van in totaal 795.794 Noorse Kronen, omgerekend € 82.921, van [werkgever] AS heeft ontvangen.\n\n2.3.. Verder heeft de inspecteur een renseignement ontvangen van [stichting] waaruit blijkt dat belanghebbende in 2018 € 575 heeft ontvangen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2018 gedaan naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.799, volledig bestaande uit resultaat uit overige werkzaamheid. Verder heeft belanghebbende aangegeven gedurende heel 2018 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.\n\n2.5.. De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2021 zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om af te wijken van de aangifte in verband met de gerenseigneerde inkomensgegevens.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft daarop gereageerd en onder meer de loonstroken voor alle maanden van 2018 en de jaaropgaaf 2018 van [werkgever] AS overgelegd.\n\n2.7.. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een herzien voornemen tot afwijking van de aangifte IB 2018 gestuurd.\n\n2.8.. De inspecteur heeft vervolgens de aanslag IB 2018 – in afwijking van de aangifte en conform zijn herziene voornemen – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.453, bestaande uit een loon van € 72.728 en een resultaat uit overige werkzaamheid van € 575.\n\n2.9.. Op alle overgelegde loonstroken voor het jaar 2018 staan de posten “ [post 1] ”voor een bedrag van 105,42 Noorse Kronen,“ [post 2] ”voor een bedrag van 2.695,58 Noorse Kronen en“ [post 3] ”voor een bedrag van 288,75 Noorse Kronen vermeld.\n\n2.10.. Op de loonstroken voor de maanden juli, augustus en november van het jaar 2018 staat de post “ [post 4] ”voor een bedrag van 542 (juli), 937 (augustus) respectievelijk 873 (november) Noorse Kronen vermeld.\n\n2.11.. \n\nOp de jaaropgaaf staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“\n\nBeskrivelse\n\nBeløp\n\nAnt.\n\nTrekkpl.\n\nDetaljer\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\nUtgiftsgodtgjørelse\n\n [naam]\n\n15 170\n\nNei\n\n [naam]\n\n4 124\n\nJa\n\nReise kost\n\n57 927\n\nJa\n\nReise kost med overnatting ps hotell\n\n59 631\n\n99\n\nNei\n\n”\n\n2.12.. \n\nIn de Collective Agreement no. 544 van [werkgever] AS die ziet op de periode 1 november 2011 tot 31 oktober 2020 (de cao) staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:\n\n“Clause 10 - Travel and subsistence provisions\n\nSub-clause 1 Personnel shall be compensated for extra expenses linked to board and lodging in accordance with sub-clauses 2-9 below.\n\nSub-clause 2 Hotel accommodation\n\n (…)\n\nSub-clause 3 The Company shall pay a daily allowance in accordance with Annex D in connection with official travel, flying and training.\n\nSub-clause 4 In the case of foreign travel, standard Norwegian government subsistence allowances shall be paid if these are higher than the subsistence allowance specified in Annex D.\n\nSub-clause 5 The allowance amount shall be calculated per day (24 hours) from the ordered time of appearance at the base until check-out at the base. (…)\n\nSub-clause 6 The Company shall cover special expenses incurred in connection with the performance of duties, provided that these are documented by means of a bill or receipt and certified by the Pilot Manager or a person authorised by him or her.\n\n(…)”\n\nEn:\n\n“Clause 11 - Insurance cover\n\n(…)\n\nSub-clause 1Loss of License (LOL)\n\nThe Company is at all times obliged to maintain LOL insurance for all pilots who have not reached the age of 62 years and who earn income that gives rise to pension benefits. The policy shall cover all medical (somatic and psychological) conditions relevant to the pilot’s medical certificate (issued by an aviation medical examiner). The insurance premium shall be paid in full by the Company. Payment under such insurance shall be made upon loss of the pilot’s licence as a result of such a medical condition.\n\nWhen the pilot has received an order from the aviation authorities declaring a permanent loss of his or her pilot’s licence, he or she shall send a copy of the medical order to the Company without undue delay.\n\nThe Company shall, without undue delay and no later than upon giving notice of termination of employment, inform the insurance company\u002Fcompanies with which the Company has taken out LOL insurance of the medical order.\n\nSection 13(2) and (3) of the Working Environment Act shall apply in such cases.\n\nThe Loss of License payout sum, specified as multiples of G (the base amount under the national insurance scheme), is as follows:\n\nUp to and including\n\n52 years\n\n30\n\n53 years\n\n27\n\n54 years\n\n24\n\n55 years\n\n21\n\n56 years\n\n18\n\n57 years\n\n15\n\n58 years\n\n12\n\n59 years\n\n9\n\n60 years\n\n6\n\n61 years\n\n3\n\nFrom the age of\n\n62 years\n\n0\n\n(From the age of 62 years onwards, employees shall not be taxed on the benefit provided by the scheme.)\n\nIn addition, a lump-sum payment shall be made via operations equal to 1.65 x salary grade (current annual salary as at the payment date). This amount shall not be reduced in line with age.\n\n(…)\n\nSub-clause 3Group insurance\n\nThe Company maintains full-time group insurance via an insurance company, which covers: (…)”\n\nEn:\n\n“Annex D - Salary and allowances\n\nSalary, subsistence allowance and other allowances shall be paid on the 25th of each month, as follows:\n\nA: Salary shall be paid for the current month.\n\nB: Subsistence allowance and other documented expenses shall be paid\u002Freimbursed in arrears in accordance with completed and certified forms.\n\n(…)\n\nIV GENERAL ALLOWANCES\n\nTo be adjusted by the same %age as the salary scale applicable as of 1 November 2017.\n\nTelephone allowance:\n\nNOK 342 per month to cover a landline subscription.\n\nEach captain shall receive a mobile telephone allowance of NOK 338 per month, provided that all captains have their own mobile telephone that can be used for duty purposes, including availability during ground stops.\n\nUniform allowance:\n\nPayable at NOK 1,258 per month.\n\nThe above allowances shall be adjusted according to the employment percentage worked by the pilot.\n\nUniform cleaning:\n\nExpenses shall be covered as billed.\n\nGlasses:\n\nCosts shall be covered in accordance with sub-clause 1.2 if ordered by an aviation medical examiner.\n\nPassport and visa:\n\nCovered as billed.\n\nRate of subsistence\n\nallowance per 1\u002F1 day\n\n(24-hour period):\n\nNOK 825\n\n”\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3.1.. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nMotivering\n\n4. Partijen houdt verdeeld of de inspecteur het (belaste) fiscaal loon bij de aanslag IB 2018 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek gaat het om de vraag of de inspecteur de post “ [post 4] ”van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, terecht tot het loon heeft gerekend en om de vraag of sprake is van een gerichte vrijstellingof vrijgesteld loonmet betrekking tot de volgende loonbestanddelen:\n\nTotaal bedrag\n\nOmgerekend naar euro’s\n\nReise kost\n\n NOK 108.558\n\n € 12.247\n\n [post 2]\n\n NOK 32.347\n\n € 3.362\n\n [post 3]\n\n NOK 3.465\n\n € 361\n\n [post 1]\n\n NOK 1.265\n\n € 132\n\n4.1.. De rechtbank zal het geschil hierna per post beoordelen.\n\nPost “ [post 4] ”4.2.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 2.352 Noorse Kronen, omgerekend € 245, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 4] ,door de inspecteur ten onrechte tot het loon is gerekend. Het is belanghebbende niet duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende wijst erop dat de post niet op de jaaropgaaf 2018 staat vermeld. Verder bevreemd het belanghebbende dat de post maar op een beperkt aantal loonstroken is vermeld. Volgens belanghebbende zijn de bedragen onder de noemer“ [post 4] ”nooit aan hem uitbetaald.\n\n4.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in samenhang met artikel 10 Wet LB loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Het genietingstijdstip van de looninkomsten is op grond van artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001 mede het tijdstip waarop het loon is ontvangen dan wel het loon vorderbaar en inbaar is geworden.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de bedragen die onder de noemer “ [post 4] ”op een aantal loonstroken staan vermeld terecht tot het loon gerekend. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de precieze aard van deze post. Vast staat evenwel dat de post voorkomt op door de werkgever opgemaakte loonstroken. Tegen die achtergrond acht de rechtbank aannemelijk dat sprake is van een uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd op basis waarvan aannemelijk is dat de vermelde bedragen hem niet op enigerlei wijze ten goede zijn gekomen. De enkele omstandigheid dat de post niet afzonderlijk op de jaaropgaaf staat vermeld kan verschillende oorzaken hebben en wil nog niet zonder meer zeggen dat het naar Nederlandse maatstaven geen loonbestanddeel vormt.\n\nPost [post 2]4.5.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 2] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als ongevallenverzekering. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.\n\n4.6.. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn primaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval vrijgesteld zijn van de heffing van loonbelasting. Uit de beschikbare gegevens (zie 2.12) volgt dat het gaat om door de werkgever betaalde premies voor een zogenoemde ‘Loss of License-verzekering’. Deze verzekering geeft – kort gezegd – aanspraak op een uitkering bij verlies van een vliegbrevet. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Dat een verlies van vliegbrevet onder omstandigheden het gevolg kan zijn van invaliditeit, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders want het kan ook een scala aan andere oorzaken hebben.\n\n4.7.. De rechtbank volgt belanghebbende evenmin in zijn subsidiaire stelling. In artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB is opgenomen dat aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel e, vrijgesteld zijn van heffing van loonbelasting. Aanspraken als bedoeld in onderdeel e zijn aanspraken ingevolge de Ziektewet, de Wet arbeid en zorg, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet. Belanghebbende maakt – tegenover de stelling van de inspecteur – niet aannemelijk dat de ‘Loss of License-verzekering’ een risico dekt dat in het Nederlandse sociale verzekeringsstelsel ook door een werknemersverzekering wordt gedekt.\n\n4.8.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 32.347 Noorse Kronen, omgerekend € 3.362, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost [post 3]4.9.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 3.465 Noorse Kronen, omgerekend € 361, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 3] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Primair voert belanghebbende aan dat de premies zijn betaald voor een verzekering die kan worden getypeerd als voltijds groepsverzekering voor – kort gezegd – arbeidsongevallen, arbeidsziekte, vrije tijd letsel en overige ziekte. Deze verzekering geeft volgens belanghebbende recht op een aanspraak die is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB. Subsidiair voert belanghebbende aan dat de verzekering recht geeft op een aanspraak die naar aard en strekking overeenkomst met aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet LB, zodat de vrijstelling artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB van toepassing is.\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat deze vergoeding van de werkgever niet als loon kan worden aangemerkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, met verwijzing naar de collective agreement, lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van belanghebbende om meer inzicht te verstrekken over de vraag wat hier nou precies is afgesproken en waar deze vergoeding op ziet. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur terecht de vrijstelling niet heeft toegepast.\n\nPost [post 1]4.11.. Belanghebbende stelt dat een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, op de loonstroken vermeld onder de noemer “ [post 1] ”,door de inspecteur ten onrechte niet is vrijgesteld. Het is belanghebbende niet precies duidelijk wat deze post inhoudt. Belanghebbende denkt dat het gaat om een verzekering die prioriteit geeft in de wachtrij wanneer een behandeling of gezondheidszorg noodzakelijk is. Volgens belanghebbende is daarop de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB van toepassing.\n\n4.12.. Ter zitting is namens belanghebbende desgevraagd bevestigd dat hij zich enkel beroept op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet LB. Deze bepaling ziet op aanspraken ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding. De door belanghebbende gegeven toelichting op deze post wijst er niet op dat het gaat om een dergelijke regeling. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke regeling sprake is.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat de inspecteur een bedrag van in totaal 1.265 Noorse Kronen, omgerekend € 132, terecht niet heeft vrijgesteld van het loon.\n\nPost reise kost4.14.. Belanghebbende stelt dat de door hem ontvangen vergoedingen van 57.927 Noorse Kronen en 59.631 Noorse Kronen, in totaal omgerekend € 12.247, ten onrechte niet gericht zijn vrijgesteld op grond van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende betreffen en reis- en verblijfkosten.\n\n4.15.. Vast staat dat de vergoedingen zijn ontvangen van een niet-inhoudingsplichtige werkgever. Een vergoeding of verstrekking kan in zo’n geval worden vrijgesteld op basis van artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB voor zover zij voldoet aan de eisen die artikel 31a, tweede, van de Wet LB aan de desbetreffende gerichte vrijstelling stelt, maar zonder dat een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB nodig is.\n\n4.16.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de betreffende vergoedingen kunnen worden aangemerkt als een met belanghebbende overeengekomen vergoeding, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. De stukken van het geding laten voor dat geval geen andere slotsom toe dan dat het een vaste kostenvergoeding betreft. Bij een vaste kostenvergoeding is voor een gerichte vrijstelling volgens artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) vereist dat aan die vergoeding een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. De eis dat het onderzoek aan de vergoeding ‘ten grondslag ligt’, brengt mee dat het onderzoek moet hebben plaatsgevonden voordat de vergoeding wordt betaald. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat in een geval als dit, waarin de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting. De Hoge Raad heeft artikel 3.84, tweede lid, van de Wet IB zo uitgelegd dat in deze gevallen voor toepassing van de gerichte vrijstelling ook kan worden volstaan met een onderzoek naar de werkelijke kosten dat door de werknemer is gedaan zonder dat de werkgever daarbij betrokken was. Daarbij kan in redelijkheid van een werknemer niet worden verlangd dat hij dit onderzoek al heeft verricht voordat hij de vergoeding van zijn werkgever krijgt.\n\n4.17.. Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende stuk van 12 mei 2026 een door hem opgesteld kostenonderzoek verstrekt. De inspecteur betwist dat dit een afdoende kostenonderzoek is. De inspecteur vindt het kostenonderzoek onder meer te algemeen van aard en wijst erop dat onderbouwende stukken ontbreken.\n\n4.18.. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door belanghebbende gepresenteerde overzicht van beperkte omvang niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt. Het overzicht is qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevat bovendien kosten die in de cao, in het bijzonder ‘Annex D’, niet tot vaste kostenvergoeding zijn gerekend. Op grond van dit overzicht kan niet worden vastgesteld welke kosten aan belanghebbende worden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk is.\n\n4.19.. Bij gebrek aan dit onderzoek is de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, derde lid, van de Wet LB (wettekst 2018) niet van toepassing. De inspecteur heeft de gerichte vrijstelling voor deze post dus terecht niet toegepast.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 31, lid 1, onderdeel f in samenhang met artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).\n\n Artikel 11 van de Wet LB.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5368","2026-07-13T00:29:25.978Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"729","ECLI:NL:RBZWB:2026:2744","ecli-nl-rbzwb-2026-2744","2026-04-09T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 24\u002F6232 en 24\u002F6233\n\nuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. N. Idrissi),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 juli 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.838. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 491 belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.104. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 687 belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n4. Belanghebbende is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv1] en [bv2] .\n\n4.1.. De onderneming [bv1] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv3] en [bv4] . [bv2] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv5] .\n\n4.2.. Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2019:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\n [bv6]\n\n€ 31.704\n\n€ 6.493\n\n [bv2]\n\n€ 45.000\n\n€ 16.840\n\n4.3.. Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2020:\n\nInhoudingsplichtige\n\nLoon\n\nLoonheffing\n\n [bv6]\n\n€ 6.462\n\n€ 1.485\n\n [bv2]\n\n€ 45.000\n\n€ 16.800\n\n [bv7]\n\n€ 30.418\n\n€ 6.750\n\n4.4.. \n [bv2] heeft in haar aangiften loonbelasting een bedrag aan loon opgenomen van € 45.000. Belanghebbende is de enige persoon in de loonadministratie.\n\n4.5.. Belanghebbende heeft het loon van [bv2] niet opgenomen in de aangiften IB\u002FPVV 2019 en 2020.\n\nMotivering\n\nHeeft de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking gebracht?\n\n5. Belanghebbende stelt geen arbeid verricht te hebben voor [bv2] waardoor de gebruikelijk-loonregeling niet van toepassing is. De inspecteur voert aan dat belanghebbende wel arbeid heeft verricht. Dit volgt onder meer uit de loonaangifte van [bv2] , aldus de inspecteur.\n\n5.1.. De gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a Wet LB 1964 is van toepassing ten aanzien van de werknemer die arbeid heeft verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in [bv2] . In geschil is de vraag of belanghebbende arbeid verricht heeft voor [bv2] .\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht gebruikelijk loon in aanmerkingen genomen voor de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en 2020. Aan belanghebbende zijn significante lonen verloond vanuit [bv2] en op basis daarvan acht de rechtbank door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er gewerkt is voor dat loon. Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van meerdere besloten vennootschappen en werd ook verloond vanuit deze andere vennootschappen. De inspecteur heeft hier rekening mee gehouden door maar één keer gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Tegenover de met stukken onderbouwde stellingen van de inspecteur is enkel de blote stelling dat belanghebbende een katvanger is, onvoldoende om te kunnen oordelen dat er geen gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen.\n\nBelastingrente\n\n6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB\u002FPVV 2019 en IB\u002FPVV 2020 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2744","2026-07-13T00:28:45.212Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":31,"updatedAt":63},"1277","ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","ecli-nl-rbzwb-2026-1738","2026-03-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht zaaknummer: BRE 25\u002F222\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende\n\n(gemachtigden: mr. M.H.J.M. Oosterbosch en [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, tot een bedrag van € 134.354, ter zake van een verkrijging in het jaar 2020.\n\n1.2.. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.\n\n1.3.. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft\n\nFeiten\n\n3. Op [datum] 2020 is [erflater] , de broer van belanghebbende (erflater), overleden.\n\n3.1.. \n\nErflater heeft bij testament van 20 juni 2020 over zijn nalatenschap beschikt. In dat testament staat, voor zover hier van belang (en zonder het in de akte opgenomen renvooi):\n\n“Ik legateer, zulks niet vrij van rechten en kosten en af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden:\n\na. (…);\n\nb. tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende]; en\n\n- (…);\n\neen cultuurgrond, gelegen te [plaats 2] , (…).\n\nLEGAAT OVERIGE SPAARTEGOEDEN\u002FBELEGGINGEN\n\nIk legateer tezamen en voor gelijke delen aan:\n\n- (…);\n\n- [belanghebbende];\n\n- (…):\n\n- (…); en\n\n- (…);\n\nniet vrij van rechten en kosten, zonder bijberekening van rente en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden hetgeen resteert van de door mij in privé aangehouden spaartegoeden\u002Fbeleggingen na uitbetaling van het legaat hiervoor onder IV.B gemeld en de betaling van de uitvaartkosten.(…)\n\nERFSTELLING\n\nIk benoem, onder de verplichting tot afgifte van voormeld legaten, tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn neef (…)”\n\n3.2.. Erflater dreef samen met de in 3.1 bedoelde neef een vennootschap onder firma, [V.O.F.] , waarin een melkveehouderij werd uitgeoefend (de VOF).\n\n3.3.. Naast het in 3.2 bedoelde aandeel in de VOF had erflater buitenvennootschappelijk vermogen, waaronder het in 3.1 bedoelde stuk cultuurgrond (de cultuurgrond). Erflater had het gebruik en genot van de cultuurgrond ingebracht in de VOF.\n\n3.4.. \n\nBelanghebbende en twee zusters van haar hebben samen met de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan in december 2020 een VOF-akte ondertekend waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:\n\n‘In aanmerking nemende:\n\ndat [de vennoten die samen met erflater een VOF zijn aangegaan] vanaf 1 januari 2014 voor gezamenlijke rekening en risico een agrarische onderneming exploiteren in de vorm van een vennootschap onder firma samen met [erflater];\n\n(…)\n\ndat erflater op [datum] 2020 is overleden;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] vermogensbestanddelen hebben geërfd welke dienstbaar waren aan de bedrijfsuitoefening van de vennootschap onder firma;\n\ndat [de neef en belanghebbende en haar zussen] deze vermogensbestanddelen ter beschikking willen blijven stellen aan de vennootschap onder firma, waarbij [belanghebbende en haar zussen] toetreden tot deze vennootschap onder firma\n\nverklaren bij dezen met ingang van 15 augustus 2020 te zijn aangegaan een overeenkomst van vennootschap, zulks ter voortzetting van de tot die datum bestaande vennootschap onder firma tussen [de vennoten die met erflater een VOF zijn aangegaan] en erflater (…)\n\n5. Door [belanghebbende en haar zussen] wordt ingebracht het gebruik en genot van (ieders aandeel in) de onroerende zaken, bestaande uit de cultuurgronden door hen verkregen uit de nalatenschap van [erflater] (…).\n\nc) De resterende jaarlijkse winsten of verliezen worden als volgt verdeeld:\n\n(…)\n\n[Belanghebbende en haar zussen] ontvangt of draagt ieder 4,5% (…).\n\n3.5.. De door belanghebbende en haar zussen verkregen grond is op 19 juni 2020, door [bedrijf 1] B.V., per diezelfde datum, getaxeerd op € 972.000.\n\n3.6.. Dezelfde grond is op 23 april 2021, door [bedrijf 2] , per diezelfde datum, getaxeerd op € 784.000\n\n3.7.. In de aangifte erfbelasting is de cultuurgrond in aanmerking genomen voor de in 3.5 bedoelde waarde. Het totaalbedrag aan legaten dat belanghebbende heeft ontvangen is in de aangifte becijferd op € 369.778.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nJuridisch kader\n\n4. Artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 (SW) luidt (tekst 2020) als volgt:\n\n“1. Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer ka worden toegekend.”\n\n4.1.. \n\nArtikel 35b van de SW luidt (tekst 2020), voor zover hier van belang:\n\n“1. Indien tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid, wordt op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling verleend van:\n\na. indien de totale waarde van het ondernemingsvermogen van de objectieve onderneming waarop de verkrijging betrekking heeft € 1.102.209 niet te boven gaat: 100%;\n\n(…)\n\n5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, (…) mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.”\n\n4.2.. \n\nArtikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW (tekst 2020) luidt:\n\n“Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:\n\na. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;”\n\n4.3.. \n\nIn de memorie van toelichtingvoorafgaand aan de wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten is onder meer het volgende opgemerkt:\n\n“Kern van de bedrijfsopvolgingsregeling is dat de verkrijger het verkregen ondernemingsvermogen voortzet. (…)\n\nIn beginsel volgt de bedrijfsopvolgingsregeling voor de zogenoemde voortzettingseis het stakings- en vervreemdingsbegrip van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dit kan anders zijn wanneer de specifieke aard van de bedrijfsopvolgingsregeling daarom vraagt. Indien bijvoorbeeld bij de overdracht van een onderneming gebruik wordt gemaakt van artikel 3.63 Wet IB 2001, wordt de onderneming voor de inkomstenbelasting geacht niet te zijn gestaakt. Deze niet-stakingsfictie werkt niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling. In zoverre bestaat er overigens geen wijziging ten opzichte van de huidige regeling.”\n\nHeeft de inspecteur artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) geschonden?\n\n4.4.. Belanghebbende heeft de inspecteur, in de brief bij de in 1.4 bedoelde pleitnota, verzocht om haar, voor zover deze nog niet zijn aangeleverd in de bezwaarfase, de op de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen. Ter zitting is aangevoerd dat de communicatie tussen de inspecteurs die zich bezig houden met de heffing van inkomstenbelasting en successierecht, welke is gevoerd in de periode tussen het hoorgesprek en het opleggen van de aanslagen erfbelasting, ontbreekt.\n\n4.5.. De rechtbank overweegt dat interne correspondentie van de Belastingdienst tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kan behoren zodat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) bij de besluitvorming in zijn zaak.\n\n4.6.. Dat laatste is niet het geval. Belanghebbende voert niets aan over de vraag voor welk resterend geschilpunt deze stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van de Awb niet geschonden nu alle stukken zijn overgelegd die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.\n\nIs de aanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?\n\n4.7.. Primair stelt belanghebbende dat al hetgeen zij bij legaat van erflater heeft ontvangen is vrijgesteld van erfbelasting op grond van artikel 35b en volgende van de SW. Zij voert daarbij aan dat hetgeen zij heeft verkregen bij erflater een gedeelte was van een door hem gedreven onderneming. Belanghebbende meent daarbij argumenten te kunnen ontlenen aan een arrest van de Hoge Raad.Voorts stelt belanghebbende dat moet worden gekeken naar de doorschuifregelingen die van toepassing zijn in de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet IB 2001) en dat voor de toepassing van artikel 3.62 van die wet van belang is of bij de erflater sprake was van een onderneming. Tot slot stelt belanghebbende dat zij voor het legaat van een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen (uiteindelijk) is gecrediteerd in het ondernemingsvermogen van de VOF en dat om die reden ook op dát legaat artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW van toepassing is.\n\n4.8.. \n\nDe rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op de tekst van het testament van erflater (zie 3.1), een onverdeeld aandeel in een stuk cultuurgrond en een onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aan te merken als (een gedeelte van) een onderneming als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, aanhef en letter a, van de SW. Op zichzelf en gezamenlijk zijn de verkregen vermogensbestanddelen – en dat is tussen partijen niet in geschil – geen onderneming of een zelfstandig deel daarvan. Daaraan doet niet af dat het onverdeeld aandeel in het stuk cultuurgrond op een later moment in gebruik en genot is ingebracht in een VOF waar belanghebbende vennoot in is, en ook niet dat belanghebbende (uiteindelijk) het onverdeeld aandeel in spaartegoeden en beleggingen kort gezegd uitbetaald heeft gekregen, maar voor dat bedrag is gecrediteerd in het vermogen van de VOF. Op het moment van de verkrijging kwalificeren de verkregen bestanddelen naar het oordeel van de rechtbank niet als een (gedeelte van) een onderneming, waardoor geen sprake is van ondernemingsvermogen in de zin van de SW.\n\nDat de situatie op het moment van de verkrijging beslissend is, wordt juist bevestigd in rechtsoverweging 2.4.4 van het door belanghebbende genoemde arrest.\n\n4.9.. Naar het oordeel van de rechtbank werkt artikel 3.62 van de Wet IB 2001 niet door naar de bedrijfsopvolgingsregeling omdat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Weliswaar heeft de wetgever als voorbeeld enkel artikel 3.63 van de Wet IB 2001 genoemd (zie 4.3), maar de rechtbank ziet niet in waarom dit anders zou zijn voor artikel 3.62 van de Wet IB 2001 ook gelet erop dat dit specifieke wetsartikel slechts als voorbeeld wordt genoemd.\n\nIs de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tegen een te hoge waarde in aanmerking genomen?\n\n4.10.. Subsidiair stelt belanghebbende dat de cultuurgrond bij het opleggen van de aanslag tot een te hoog bedrag in aanmerking is genomen. Zij wijst daarbij op de in 3.6 bedoelde taxatie. De aanslag zou, uitgaande van laatstbedoelde taxatie, moeten worden verlaagd naar € 109.287. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst belanghebbende op een tweetal arresten van de Hoge Raad.\n\n4.11.. De rechtbank overweegt dat de cultuurgrond in het in 3.6 bedoelde taxatierapport is gewaardeerd uitgaande van een verwachte verkoopopbrengst exclusief omzetbelasting. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak maakt de aan de koper in rekening gebrachte omzetbelasting deel uit van de prijs die de koper bereid is gebleken te betalen ter verkrijging van de onroerende zaak. Indien de koper de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek kan brengen, leidt zulks er niet toe dat deze omzetbelasting niet deel uitmaakt van de prijs, nu de aftrekbaarheid van de omzetbelasting een die koper persoonlijk betreffende omstandigheid is.Hetgeen is beslist in de door belanghebbende genoemde arresten brengt hierin geen verandering omdat in die arresten geen waardering naar de waarde in het economische verkeer aan de orde was, zoals vereist op grond van artikel 21, eerste lid, van de SW (zie 4), maar waardering naar de gecorrigeerde vervangingswaarde in het kader van de Wet waardering onroerende zaken. De in 3.6 bedoelde taxatie kan derhalve niet als juist worden aanvaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag wordt gehandhaafd. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en prof. dr. G.J. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Kamerstukken II 2008-2009, 31 930, nr. 3, p. 46.\n\n Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.4.\n\n Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:867, r.o. 2.4.3.\n\n Hoge Raad 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5030 en Hoge Raad 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3876.\n\n Vgl. Hoge Raad 8 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0924, r.o. 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1738","2026-07-13T00:29:13.529Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":68,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":70},"946","ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","ecli-nl-rbzwb-2024-4492","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 23\u002F1090 tot en met 23\u002F1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,\n\n(gemachtigde: mr. M.F.P. de Clercq),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 januari 2023.\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende (navorderings)aanslagen opgelegd:\n\neen navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1090);\n\neen navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (Zvw) voor het jaar 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 37.351. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1091);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1092);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een bijdrage-inkomen van € 37.783. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1093);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600 (zaaknummer 23\u002F1095);\n\neen aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.214. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34 (zaaknummer 23\u002F1097);\n\neen aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en belastingrente in rekening gebracht van € 1.484 (zaaknummer 23\u002F1098);\n\neen aanslag Zvw 2017 naar een maximum bijdrage-inkomen van € 38.947. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht (zaaknummer 23\u002F1100).\n\n1.2.. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 ongegrond verklaard. Hij heeft daarbij de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikking voor 2014 en de belastingrentebeschikkingen gehandhaafd.\n\n1.3.. De inspecteur heeft het bezwaar voor het jaar 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning ongewijzigd gelaten en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd naar € 4.544. De belastingrentebeschikking is verminderd naar € 4.526. De vergrijpboete is in stand gelaten.\n\n1.4.. Het bezwaar voor 2017 is ook gegrond verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verlaagd naar € 50.939 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verlaagd naar € 6.909. De vergrijpboete is in zijn geheel vernietigd en de belastingrente is verminderd naar € 830.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Daarbij is door de griffier in alle zaaknummers griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhang zodat in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100 het griffierecht door de griffier aan belanghebbende moet worden terugbetaald.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. A.F.J.P. Thielemans namens de inspecteur.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de opgelegde (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de de (navorderings)aanslagen en de belastingrentebeschikkingen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. De boetes moeten wel worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nFeiten\n\n3. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van deze rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.\n\n3.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier jaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n3.2.. \n\nDe bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen voor de jaren 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard. De bezwaren tegen de aanslagen voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete voor 2016 is daarbij abusievelijk niet verminderd. Zoals de inspecteur terecht heeft gesteld dient dit in beroep te worden gecorrigeerd.\n\nVoor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd.\n\n3.3.. De rechtbank heeft dit cijfermatig samengevat in onderstaande tabel.\n\n€\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n22.177\n\n40.657\n\n31.622\n\n25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n67.347\n\n67.347\n\n67.347\n\n33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n89.524\n\n108.004\n\n98.969\n\n58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n164.402\n\n475.344\n\nVergrijpboete\n\n12.411\n\ngeen\n\n14.349\n\n8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n113.614\n\n201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\nMotivering\n\nIs de vereiste aangifte gedaan?\n\n4. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan wordt het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (‘omkering en verzwaring van de bewijslast’).\n\n4.1.. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte wordt alleen aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast.\n\n4.2.. Voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan dient eerst de vraag te worden beantwoord of belanghebbende meer inkomsten had dan hij heeft aangegeven. De bewijslast hiervoor rust op de inspecteur.\n\n4.3.. Bij een huiszoeking in 2017 is een contant bedrag van afgerond € 235.715 aangetroffen. Volgens belanghebbende komt een deel van dit bedrag hem niet toe omdat het aan anderen toebehoorde. Belanghebbende heeft echter niet bestreden dat een bedrag van € 180.000 in zijn aangifte opgenomen had moeten worden als inkomen uit sparen en beleggen omdat hij dit naar eigen zeggen over de jaren bij elkaar heeft gespaard. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, doordat hij het inkomen niet in zijn aangifte heeft verantwoord. Belanghebbende bestrijdt dit ook niet. Deze gebreken in de aangifte hebben ertoe geleid dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook zijn de bedragen van de belasting die als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vereiste aangifte niet is gedaan.\n\n4.4.. Het voorgaande geldt eveneens voor de aanslagen Zvw.\n\nRedelijke schatting en de verzwaarde bewijslast\n\n4.5.. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende de vereiste aangifte IB\u002FPVV\u002FZvw niet heeft gedaan, is er sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. In dat geval heeft een rechter te beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de belastingaanslagen, zoals die luiden na uitspraak op bezwaar, onjuist zijn.\n\n4.6.. De inspecteur heeft zich gebaseerd op concrete gegevens, zoals die blijken uit het onderzoek en heeft als uitgangspunt het daadwerkelijk gevonden bedrag aan contanten als uitgangspunt genomen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de schatting niet als onredelijk hoog of willekeurig kan worden aangemerkt.\n\n4.7.. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken, ofwel overtuigend heeft aangetoond, dat de aanslagen voor de jaren 2014 tot en met 2017 te hoog zijn vastgesteld. Belanghebbende heeft wel enige verklaring gegeven over de aangetroffen bedragen namelijk dat hij het bedrag gedurende vele jaren bij elkaar heeft gespaard door sober te leven, maar dat is niet voldoende om aan zijn verzwaarde bewijslast te voldoen. De omstandigheid dat de inspecteur geen onderzoek heeft gedaan maakt niet dat de bedragen niet gevolgd kunnen worden.\n\nConclusie\n\n4.8.. Gelet op het vorenstaande zijn de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV\u002FZvw terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Ook de belastingrente is naar het juiste bedrag in rekening gebracht.\n\nZijn de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?\n\n4.9.. Voor het jaar 2014 en 2016 heeft de inspecteur ingevolge artikel 67e van de AWR in samenhang met het bepaalde in paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vergrijpboetes van 40% opgelegd. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften gedaan.\n\n4.10.. In het verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat de boete voor het jaar 2016 abusievelijk niet is verminderd terwijl de aanslag (en dus de boetegrondslag) wel is verminderd. De boete had dienovereenkomstig moeten worden verminderd naar € 14.105. Het beroep met betrekking tot deze boete (zaaknummer 23\u002F1095) is dus sowieso gegrond.\n\n4.11.. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het beboetbare feit zich zal voordoen.\n\n4.12.. De rechtbank is van oordeel dat, nu belanghebbende heeft erkend dat onjuist aangifte is gedaan, reeds sprake is van voorwaardelijke opzet. Gelet hierop heeft de inspecteur de vergrijpboetes terecht opgelegd.\n\n4.13.. Dit neemt niet weg dat de rechtbank moet beoordelen of de boetes passend en geboden zijn. Daarbij moet rekening gehouden worden met de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de boetes te matigen. De rechtbank vermindert de boete voor 2014 naar € 5.000 en de boete voor 2016 naar € 6.000. De rechtbank acht deze boetes passend en geboden.\n\n4.14.. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de boetes moeten worden verminderd omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar nadat de boete is aangekondigd. In dit geval is op respectievelijk 29 juni 2020 en 1 juli 2020 de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2024. Sinds de aankondiging van de boetes zijn dan afgerond vier jaar en een maand verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met twee jaar en een maand. De boetes worden gematigd met 20%.\n\n4.15.. Dit betekent dat de rechtbank de boetes vermindert naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen met betrekking tot de boetes in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 zijn gegrond. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen.\n\n5.1.. \n\nOmdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.\n\nDe inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750. De rechtbank kent de proceskostenvergoeding eenmaal toe omdat sprake is van samenhang. De zaken zijn immers gelijktijdig door de inspecteur en de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in beide zaken (nagenoeg) identiek konden zijn. De rechtbank kent geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe omdat daar in de bezwaarschriften niet om is verzocht.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 in zaaknummers 23\u002F1090 en 23\u002F1095 gegrond;\n\n- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 naar een bedrag van € 4.000;\n\n- vermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 4.800;\n\n- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750;\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 100 (2x € 50) aan belanghebbende moet vergoeden;\n\n- bepaalt dat de griffier het griffierecht aan belanghebbende terugbetaalt in zaaknummers 23\u002F1091, 23\u002F1093, 23\u002F1097 en 23\u002F1100.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 1 juli 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nAan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Artikel 27e, eerste lid, van de AWR.\n\n Vgl. onder andere Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:2713","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:4492","2026-07-13T00:28:56.173Z",1,20]