[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":202},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},32,{"min":18,"max":19},"2026-01-05T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121850","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":24,"count":25},"122058","Jeugdwet",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"122101","Burgerlijk Wetboek","art. 10:31 lid 4",{"provisionId":34,"code":31,"article":35,"count":25},"122102","art. 10:32",{"provisionId":37,"code":31,"article":38,"count":25},"121863","art. 3:168 lid 2",{"provisionId":40,"code":31,"article":41,"count":25},"121955","art. 1:247 lid 2",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"121976","art. 1",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"121977","art. 9",{"provisionId":49,"code":31,"article":50,"count":25},"121978","art. 10:51",{"provisionId":52,"code":31,"article":53,"count":25},"122232","art. 3:185 lid 1",[55,65,72,79,86,93,100,107,114,123,130,137,144,151,158,165,174,181,188,195],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"582","ECLI:NL:RBZWB:2026:5455","ecli-nl-rbzwb-2026-5455","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444905 \u002F JE RK 26-230\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Brabant,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. R.A.M. Jorna uit Den Haag.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;\n\nde beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 31 maart 2021;\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de Raad;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben geen mening gegeven.\n\n1.4.. Deze procedure hangt nauw samen met het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling met het kenmerk C\u002F02\u002F447531 \u002F JE RK 26-716. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 23 mei 2026.\n\n2.4.. De rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 31 maart 2021 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 18.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nvakantieregeling\n\nVoorjaarsvakantie:even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader,\n\nMeivakantie (2 weken):even jaren eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom,\n\nMeivakantie (1 week):even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder,\n\nZomervakantie:eerste drie weken bij de vader en laatste drie weken bij de moeder,\n\nHerfstvakantie:even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader,\n\nKerstvakantie:even jaren eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, oneven jaren andersom,\n\nPasen:even jaren bij de vader, oneven jaren bij de moeder, behalve als Pasen in een vakantie valt,\n\nPinksteren: even jaren bij de moeder, oneven jaren bij de vader, behalve als Pinksteren\n\n in een vakantie valt,\n\nKerstdagen:bij de ouder waar de kinderen dan vanwege de kerstvakantie\n\n verblijven,\n\nOud en Nieuw:bij de ouders waar de kinderen dan vanwege de kerstvakantie\n\n verblijven,\n\nhierbij geldt dat de schoolvakanties beginnen op vrijdagavond om 18.30 uur en eindigen de vrijdag daarom om 18.30 uur waarna de reguliere omgangsregeling wordt voortgezet en hierbij geldt dat het wisselmoment in de meerwekelijkse vakanties op vrijdagavond om 18.30 uur is, en indien de kinderen met Pasen en\u002Fof Pinksteren bij vader zijn, vader de kinderen, indien het niet in een omgangsweekend valt, zaterdagavond 18.30 uur bij moeder ophaalt en maandag om 18.30 uur bij moeder terugbrengt.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 31 maart 2021 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nDe GI verzoekt de volgende zorgregeling vast te stellen:\n\nweekendregeling\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 19.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nde vader mag jaarlijks drie extra weekenden kiezen buiten de vakanties en feestdagen. Hij geeft deze weekenden uiterlijk op 1 januari door aan de moeder, die hier binnen twee weken op reageert. Als een weekend niet uitkomt, kan de vader één vervangend voorstel doen. Reageert de moeder niet binnen de gestelde termijn, dan geldt het voorstel automatisch als akkoord.\n\nvakanties en feestdagen:\n\nPasen:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nHemelvaartsdag:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder. Ophalen op woensdag om 18.30 uur en wegbrengen op donderdag om 19.30 uur.\n\nBevrijdingsdag:Volgens de zorgregeling.\n\nPinksteren:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nVaderdag en Moederdag:Als de dag valt in het weekend van de andere ouder, worden de kinderen in de gelegenheid gesteld om te bellen met de andere ouder.\n\nSinterklaas:Volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van de ouders:de moeder is jarig op [datum 1] en de vader op [datum 2] . De ouders stellen de kinderen in de gelegenheid om telefonisch contact te hebben met de jarige ouder.\n\nVerjaardagen van de kinderen:[minderjarige 1] is jarig op [geboortedag 1] en [minderjarige 2] op [geboortedag 2] . De kinderen vieren hun verjaardag bij de ouder volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van familieleden:Iedere ouder draagt hier zelf zorg voor wanneer de kinderen bij die ouder zijn.\n\nKerstvakantie (inclusief kerstdagen en oud & nieuw):In even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren zijn ze de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. Kerst en oud & nieuw vallen in deze weken en daar zijn geen aparte afspraken voor.\n\nHerfstvakantie:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader.\n\nZomervakantie:Ten aanzien van de zomervakantie refereert de GI zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nCarnavalsvakantie:Oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader.\n\nMeivakantie (2 weken): In even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.\n\nMeivakantie (1 week):In even jaren bij de vader en in oneven jaren bij de moeder.\n\nVakanties en weekenden starten altijd op vrijdag om 18.30 uur. De weekendregeling loopt door, behalve gedurende de zomervakantie. In het kader van de weekendregeling brengt de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader om 18.30 uur. Op zondag (of vrijdag in de vakanties) brengt de vader de kinderen om 19.30 uur terug naar de moeder.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI heeft ter toelichting op het verzoek naar voren gebracht dat in het kader van de ondertoezichtstelling is gewerkt met de focus op de samenwerking en communicatie tussen de ouders en het maken van duidelijke, werkbare afspraken over de zorg- en opvoedingstaken. Er zijn stappen gezet, maar de situatie is nog altijd kwetsbaar. Het is niet gelukt een door beide ouders gedragen ouderschapsplan op te stellen, ondanks langdurige begeleiding via [psychologenpraktijk] en het opstellen van een concept-ouderschapsplan. De ouders hebben het concept niet willen ondertekenen, omdat zij geen overeenstemming konden bereiken over de zomervakantieregeling en de haal- en brengtijden in het kader van de weekendregeling. De GI acht het van belang dat de gehele zorgregeling in één beschikking wordt opgenomen zodat er duidelijkheid is over deze regeling en daarover geen discussie kan ontstaan. De GI is voornemens om na de vaststelling van een duidelijke zorgregeling te gaan werken naar een beëindiging van de ondertoezichtstelling. Hiervoor is het noodzakelijk dat er een duidelijke zorgregeling wordt vastgesteld. De GI had verwacht dat met het indienen van het verzoek met betrekking tot de zorgregeling meer rust zou ontstaan, maar vervolgens ontstaat er weer onrust en willen de ouders weer procedures opstarten bij de rechtbank. De GI vreest dat dit de realiteit is waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten opgroeien en dat deze situatie niet zal veranderen. Er zijn momenten dat het goed gaat, maar deze perioden worden afgewisseld met spanningen, gebrekkige afstemming door de ouders en onvoldoende eigenaarschap van de ouders. De GI hoopt dat dit met een duidelijke zorgregeling minder wordt. De GI wil de komende maanden monitoren of de contactregeling wordt nagekomen.\n\n4.2.. Door en namens de moeder is aangevoerd dat de GI geen wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd en derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek. Voorts heeft de moeder aangegeven dat door de GI niet doorgepakt is op de onderlinge communicatie en verhoudingen tussen de ouders, maar dat vooral is gestuurd op randzaken. Zo is aan de GI in het kader van de ondertoezichtstelling niet de opdracht gegeven om naar de vakantieregeling te kijken. Als de communicatie een probleem is, is dit geen reden om wijziging in de zorgregeling aan te brengen. De moeder heeft hiertegen bovendien bezwaar, omdat dit verzoek ook voorligt in de aangehouden procedure waarin ook de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken onderwerp is. Deze zaak wordt binnenkort ook door de rechtbank behandeld. De moeder verzet zich tegen de door de vader gewenste verdeling van de zomervakantie. De partner van de moeder heeft al jaren een vaste plek op een camping in Spanje. De kinderen hebben daar vakantievrienden. Als de vakanties worden verdeeld op een andere wijze dan kan de vakantie op deze wijze geen doorgang meer vinden en dit is volgens de moeder ook niet in het belang van de kinderen. Ten aanzien van het verlaten van het tijdstip van terugbrengen van de kinderen tijdens de weekendregeling heeft de moeder aangevoerd dat de vader zich nooit aan de tijden houdt en dat zij er ook geen vertrouwen in heeft dat hij dit na een wijziging wel zal doen. Als de tijd wordt gewijzigd in 19.30 uur vreest de moeder dat de kinderen nog later thuis komen en dat zij te weinig tijd hebben om te schakelen in de avond.\n\n4.3.. De vader heeft aangevoerd dat het praktisch niet mogelijk is om de kinderen op zondag om 18.30 uur terug te brengen naar de moeder. Een wijziging van het tijdstip zal dan ook meer rust geven. De vader heeft aangegeven dat hij zich aan dit tijdstip kan houden. Hij stelt dat het ook een wisselwerking is met de moeder. Zij brengt de kinderen ook niet altijd op tijd. Gezien de leeftijd van de kinderen vindt de vader ook het tijdstip van 18.30 uur niet meer passend. De vader heeft verder naar voren gebracht dat hij al lange tijd aangeeft dat hij ook de verjaardag van [minderjarige 2] met hem wil vieren. Om die reden wil hij ook een andere regeling tijdens de zomervakantie zodat hij ook om het jaar de verjaardag van [minderjarige 2] met de kinderen kan vieren.\n\n4.4.. De vertegenwoordigster van de Raad heeft geadviseerd het tijdstip van het terugbrengen tijdens de weekendregeling te wijzigen naar 19.30 uur. Daarnaast heeft zij ook geadviseerd de regeling tijdens de zomervakantie te wijzigen in die zin dat de kinderen het ene jaar de eerste drie weken bij de vader zijn en de laatste drie weken bij de moeder verblijven en het andere jaar de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. De Raad betreurt het ten zeerste dat de ondertoezichtstelling geen verbetering in de onderlinge verhoudingen tussen de ouders heeft opgeleverd voor de kinderen. De ouders gunnen elkaar nog steeds niets en zij zijn niet bereid om elkaar enigszins tegemoet te komen. Zij zijn vooral bezig met wat zijzelf belangrijk vinden. Daarmee stellen zij hun eigen belangen boven de belangen van de kinderen en zo zou het niet moeten zijn.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter overweegt dat artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, bepaalt dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. In lid 3 van dit artikel is voorts bepaald dat zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 1:253a lid 2 BW.\n\n5.2.. De kinderrechter overweegt eerst of er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking van 31 maart 2021. De kinderrechter overweegt dat de huidige zorgregeling tot stand is gekomen toen de kinderen nog jong waren. De kinderen zijn inmiddels ouder, in de pubertijd, en hebben ook andere behoeften. Bovendien heeft de ondertoezichtstelling niet tot een verbetering van de onderlinge communicatie tussen de ouders geleid. De kinderrechter is van oordeel dat daarmee voldoende wijziging van omstandigheden aanwezig is zodat de GI kan worden ontvangen in haar verzoek.\n\n5.3.. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht blijkt dat er ondanks de inzet van hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling het de ouders niet is gelukt om tot een gezamenlijk gedragen ouderschapsplan te komen. Hoewel beide ouders de GI verwijten dat er te weinig is gebeurd in het kader van de ondertoezichtstelling hebben ook beide ouders hun verantwoordelijkheid als ouders niet voldoende genomen. Zij blijven verzanden in discussies, onderling wantrouwen en op te starten procedures bij de rechtbank. Zij zijn daarbij met name gericht op hun eigen belangen en behoeften en gaan voorbij aan de belangen van de kinderen. De kinderrechter betreurt het, net als de GI en de Raad, dat de ouders hierin geen verandering willen of kunnen aanbrengen. In dat licht acht de kinderrechter het dan ook noodzakelijk in het belang van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de gehele zorgregeling gedetailleerd in deze beschikking vast te leggen zodat hierover zo min mogelijk discussie blijft bestaan tussen de ouders.\n\n5.4.. Ten aanzien van de terugbrengtijd is de kinderrechter van oordeel dat het gezien de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] passend is dat dit tijdstip wordt gewijzigd in 19.30 uur. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat beide ouders zich aan de tijdstippen van de regeling zullen houden, omdat zij vooralsnog niet in staat zijn om zich hierin flexibel op te stellen zonder daarna in verwijtende sfeer met elkaar om te gaan.\n\n5.5.. Ten aanzien van de zomervakantie is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij het ene jaar de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder doorbrengen en het andere jaar de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij hun vader. Het is voor de band van de vader met hen ook van belang dat [minderjarige 2] zijn verjaardag met hem kan vieren. Bovendien hebben beide kinderen aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen een wijziging van de verdeling van de zomervakantie. [minderjarige 2] vindt het ook fijn om zijn verjaardag door te brengen met zijn vader. De kinderrechter acht de stem van de kinderen in deze zaak, ook gelet op hun leeftijd, van doorslaggevende betekenis. Het belang van de moeder bij het behoud van de gereserveerde plaats op de camping in Spanje is hieraan ondergeschikt.\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de beschikking van 31 maart 2021 wijzigen en de volledige contactregeling vaststellen in deze beschikking. De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.7.. De kinderrechter overweegt nog ten overvloede dat zij hoopt dat de ouders gaan inzien dat het steeds opstarten van gerechtelijke procedures niet in het belang is van de kinderen. Zij betreurt het dat het de ouders niet lukt om in het belang van de kinderen de strijdbijl te begraven en te gaan handelen in het belang van de kinderen. De voortdurende onderlinge strijd en de wijze waarop zij met elkaar omgaan is niet goed voor de kinderen.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. \n\nwijzigt de beschikking van 31 maart 2021 als volgt en bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op de volgende wijze:\n\nweekendregeling\n\nde kinderen verblijven om de week van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.30 uur bij hun vader waarbij de moeder de kinderen op vrijdag om 18.30 uur bij de woning van de vader brengt en de vader de kinderen op zondag om 19.30 uur bij de woning van de moeder brengt;\n\nde vader mag jaarlijks drie extra weekenden kiezen buiten de vakanties en feestdagen. Hij geeft deze weekenden uiterlijk op 1 januari door aan de moeder, die hier binnen twee weken op reageert. Als een weekend niet uitkomt, kan de vader één vervangend voorstel doen. Reageert de moeder niet binnen de gestelde termijn, dan geldt het voorstel automatisch als akkoord.\n\nvakanties en feestdagen:\n\nPasen:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nHemelvaartsdag:Even jaren bij de vader en oneven jaren bij de moeder. Ophalen op woensdag om 18.30 uur en wegbrengen op donderdag om 19.30 uur.\n\nBevrijdingsdag:Volgens de zorgregeling.\n\nPinksteren:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader, de kinderen gaan op vrijdag om 18.30 uur tot en met maandag 19.30 uur. Dit is overstijgend aan de weekendregeling.\n\nAanvulling:Indien de kinderen vanwege het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend drie weekenden op een rij bij de moeder zouden verblijven, wordt er afgeweken van de afspraken over het Paasweekend en\u002Fof het Pinksterweekend en verblijven de kinderen in het Paasweekend en\u002Fof Pinsterweekend van zaterdag 18.30 uur tot maandag 19.30 bij de vader.\n\nVaderdag en Moederdag:Als de dag valt in het weekend van de andere ouder, worden de kinderen in de gelegenheid gesteld om te bellen met de andere ouder.\n\nSinterklaas:Volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van de ouders:de moeder is jarig op [datum 1] en de vader op [datum 2] . De ouders stellen de kinderen in de gelegenheid om telefonisch contact te hebben met de jarige ouder.\n\nVerjaardagen van de kinderen:[minderjarige 1] is jarig op [geboortedag 1] en [minderjarige 2] op [geboortedag 2] . De kinderen vieren hun verjaardag bij de ouder volgens de zorgregeling.\n\nVerjaardagen van familieleden:Iedere ouder draagt hier zelf zorg voor wanneer de kinderen bij die ouder zijn.\n\nKerstvakantie (inclusief kerstdagen en oud & nieuw):In even jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren zijn ze de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. Kerst en oud & nieuw vallen in deze weken en daar zijn geen aparte afspraken voor.\n\nHerfstvakantie:Even jaren bij de moeder en oneven jaren bij de vader.\n\nZomervakantie:De eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder en vanaf 2027 in de oneven jaren de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij moeder en de laatste drie weken bij vader. In de even jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder.\n\nCarnavalsvakantie:Oneven jaren bij de moeder en even jaren bij de vader.\n\nMeivakantie (2 weken): In even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. In oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.\n\nMeivakantie (1 week):In even jaren bij de vader en in oneven jaren bij de moeder.\n\nVakanties en weekenden starten altijd op vrijdag om 18.30 uur. De weekendregeling loopt door, behalve gedurende de zomervakantie. In het kader van de weekendregeling brengt de moeder de kinderen op vrijdag naar de vader om 18.30 uur. Op zondag (of vrijdag in de vakanties) brengt de vader de kinderen om 19.30 uur terug naar de moeder.\n\n6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Boink als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5455","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.995Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":71},"587","ECLI:NL:RBZWB:2026:5443","ecli-nl-rbzwb-2026-5443","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nzaaknummer: C\u002F02\u002F446361 \u002F FA RK 26-1509\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking in kader van een informele rechtsingang\n\nin de zaak van\n\n [minderjarige],\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,\n\nwonende in [woonplaats 1] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende te [woonplaats 1] .\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1. De documenten\n\n1.1. Tot de stukken behoren:\n\n- de op 24 maart 2026 ontvangen e-mail van [minderjarige] ;\n\n- de op 22 april 2026 ontvangen e-mail van [minderjarige] .\n\n1.2. De kinderrechter heeft op 26 maart 2026 gesproken met [minderjarige] over zijn e-mails.\n\n1.3. De kinderrechter heeft op 23 april 2026 gesproken met de ouders en met een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De moeder en de vader hebben met elkaar een relatie gehad. Binnen deze relatie is [minderjarige] geboren.\n\n2.2. \n [minderjarige] is toen hij zeven maanden was op vrijwillige basis uit huis geplaatst bij zijn oma. [minderjarige] heeft hier gewoond tot zijn dertiende jaar en hij woont sindsdien bij de vader.2.3. Bij beschikking van 3 juni 2013 zijn de moeder en de vader ontheven van het gezag over [minderjarige] en is de GI benoemd tot voogdes.\n\n2.4. Bij beschikking van 9 mei 2025 is de GI ontslagen als voogdes en zijn de moeder en de vader hersteld in het gezag over [minderjarige] . Verder is bij die beschikking bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vader en dat de moeder en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar drie weekenden per maand van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur, waarbij [minderjarige] in de weekenden dat hij bij de moeder verblijft ook in de gelegenheid wordt gesteld om contact te hebben met zijn oma.\n\n2.4. De moeder en de vader hebben de nationaliteit van de Democratische Republiek Congo, de nationaliteit van [minderjarige] is onbekend.\n\n3. De vraag\n\n3.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag van [minderjarige] om voortaan bij zijn moeder te mogen wonen.\n\n3.2. \n [minderjarige] geeft in zijn e-mail en in het gesprek met de kinderrechter, kort samengevat, aan dat hij zich onveilig voelt bij zijn vader. In maart 2026 heeft de vader hem geslagen, zowel met zijn handen als met een riem. Dat heeft heel veel negatieve impact gehad op [minderjarige] . De dag nadat het gebeurd was, is [minderjarige] naar zijn moeder gegaan. Na een gesprek bij Veilig Thuis, is hij - met een aantal afspraken - weer terug naar zijn vader gegaan. Kort daarna was er volgens [minderjarige] weer sprake van een incident met zijn vader, waarbij hij zich onveilig voelde. Hij is daarom weer terug gegaan naar zijn moeder. Afgesproken is dat hij daar blijft in ieder geval tot aan het gesprek van de kinderrechter met de ouders en de Raad. [minderjarige] geeft aan dat hij het eng vindt om terug naar zijn vader te gaan.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De vader geeft aan dat hij zich zorgen maakt over het gedrag van [minderjarige] . In mei 2025 is het hoofdverblijf van hem bepaald bij de vader. [minderjarige] ging niet naar school en het heeft de vader veel moeite gekost om hem weer naar school te laten gaan, maar dat is uiteindelijk gelukt. De vader erkent dat hij een strenge opvoeding hanteert en dat hij [minderjarige] heeft geslagen, ook met een riem. Dit was de eerste keer dat de vader hem heeft geslagen. [minderjarige] was volgens de vader op dat moment onhandelbaar. Hij begrijpt dat het in Nederland wordt gezien als kindermishandeling. Tegelijkertijd gelooft hij dat [minderjarige] een strenge opvoeding nodig heeft. Op school wordt ook aangegeven dat [minderjarige] een sterke wil heeft en moeite heeft met autoriteit. De vader heeft een keer pistool gevonden in zijn rugzak (laat een foto zien en vraagt of deze in het dossier kan worden gevoegd). Ook heeft hij gehoord dat [minderjarige] met een mes rond loopt. De vader wil het liefst dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen. Zijn broertjes en zusje missen hem heel erg. Wanneer dat niet mogelijk is, dan wil hij dat hij naar kamertraining gaat. De vader heeft namelijk geen vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de moeder. Zij is er nooit voor [minderjarige] geweest. Daarnaast is de vader bang dat hij helemaal zal worden buitengesloten van [minderjarige] wanneer hij bij zijn moeder woont.\n\n4.2. De moeder wil graag dat [minderjarige] in ieder geval de komende periode bij haar blijft wonen. Het gaat beter met hem sinds hij bij haar woont. Volgens de moeder heeft de vader zich nooit gehouden aan de contactregeling die is vastgesteld in mei 2025. De moeder zag [minderjarige] maar één keer in de maand. [minderjarige] heeft wat de moeder betreft geen harde opvoeding nodig, maar liefde en begrip. [minderjarige] is een gevoelige en onzekere jongen. De moeder is in gesprek gegaan met de voormalige pleegmoeder van [minderjarige] over het mes. Het pistool dat [minderjarige] bij zich had, heeft hij gewonnen in Spanje en is een nep pistool. Volgens de moeder vindt de vader het moeilijk om de controle over [minderjarige] kwijt te raken. Zij heeft niet de intentie om [minderjarige] bij de vader weg te houden.\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad benadrukt dat het in Nederland strafbaar is om een kind te slaan. Via Veilig Thuis had “de route kindermishandeling” genomen kunnen worden en dan was de vader aangehouden door de politie. Dit is (nog) niet gebeurd, maar wanneer de vader zijn houding niet verandert dan kan dat alsnog gebeuren. De Raad is van mening dat [minderjarige] op dit moment niet terug kan naar de vader. Dus het advies is om het voorlopige hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder te bepalen. Het traject bij Veilig Thuis loopt nog en dat moet worden gecontinueerd. Er is gesproken over kamertraining, maar dat is nog geen concreet plan.\n\n5. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht5.1. Deze zaak heeft internationaal privaatrechtelijke aspecten. De Nederlandse rechter is bevoegd van de vraag van [minderjarige] kennis te nemen aangezien hij zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dezelfde grond is Nederlands recht van toepassing op de beoordeling van de vraag.\n\nDe informele rechtsingang5.2. \n [minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Er is een wettelijke basis om naar aanleiding van een informele rechtsingang ambtshalve een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders en in bepaalde gevallen over de wijziging van het gezag. Het hoofdverblijf hangt samen met de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en met het gezag. Het hoofdverblijf kan worden gezien als “het mindere” van het gezag. Daarom valt naar het oordeel van de kinderrechter niet in te zien waarom zij in het kader van de informele rechtsingang niet ook een beslissing zou kunnen nemen over het hoofdverblijf. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom ontvangen in zijn vraag tot wijziging van het hoofdverblijf.\n\n5.3. Uit de overgelegde stukken en de standpunten die zijn gegeven op het kindgesprek en in het gesprek met de ouders blijkt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] . Hij geeft aan dat hij zich onveilig voelt bij zijn vader en dat hij door hem geslagen wordt, ook met een riem. De vader erkent dat hij [minderjarige] heeft geslagen. Veilig Thuis is betrokken en dat traject is nog niet afgerond. [minderjarige] woont nu bij zijn moeder en hij wil daar ook blijven. De moeder wil dat [minderjarige] , in ieder geval voorlopig, bij haar blijft wonen. De vader, bij wie het hoofdverblijf is bepaald, wil echter dat [minderjarige] weer terug naar huis komt.\n\n5.4. De vader erkent dat hij [minderjarige] heeft geslagen met een riem. Het slaan van een kind is strafbaar in Nederland en deze kindermishandeling is wat de kinderrechter betreft op geen enkele manier goed te praten. Zij vindt het dan ook onbegrijpelijk dat [minderjarige] , die ook toen bij zijn moeder terecht kon, na zijn eerste gesprek met Veilig Thuis, weer terug is gestuurd naar zijn vader. De gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] zijn door wat er is gebeurd bij de vader thuis goed te begrijpen. Het is niet in zijn belang om, nu er nog niets is veranderd in de thuissituatie van de vader en de vader achter zijn (mis)handelen blijft staan, terug naar zijn vader te gaan. Het voorlopige hoofdverblijf van [minderjarige] wordt daarom bij de moeder bepaald. [minderjarige] is welkom bij haar en de kinderrechter heeft op de zitting een liefdevolle, verstandige moeder gezien. Het is wel duidelijk dat de beide gezagdragende ouders een totaal verschillende opvoedingsstijl hanteren. Dat maakt de situatie wel ingewikkeld voor alle betrokkenen. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat [minderjarige] , de ouders en Veilig Thuis de komende periode samen gesprekken gaan voeren, onder meer over het realiseren van een herstel in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader en ook tussen [minderjarige] en zijn broertjes en zusje. De wensen en het tempo van [minderjarige] moeten daarin worden gevolgd.\n\n5.5. \n\nDe kinderrechter vindt de situatie rondom [minderjarige] zo zorgelijk dat zij vindt dat de Raad onderzoek moet gaan doen.\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda zal daarom worden verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:\n\n- In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform de vraag van [minderjarige] , tegemoet aan zijn belangen?\n\n- Welke vorm van contact met de vader komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?\n\n- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?\n\n5.6. De behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de hierna te melden pro forma datum in afwachting van het rapport van de Raad. Na ontvangst van het rapport zal de kinderrechter bekijken welke vervolgstappen er genomen gaan worden. In afwachting van het onderzoek van de Raad en het traject bij Veilig Thuis is het in het belang van [minderjarige] dat hij bij zijn moeder verblijft.\n\n5.7. De voorlopige beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het meteen geldt, ook als er eventueel hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5.8. \n [minderjarige] krijgt een brief met een uitleg van de (voorlopige) beslissing.\n\nBeste [minderjarige] ,\n\nJij hebt op 26 maart 2026 gesproken met de kinderrechter mevrouw van Triest. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat je, in ieder geval voorlopig, bij je moeder wil wonen. Jij voelt je niet veilig bij je vader omdat hij jou heeft geslagen met de hand en met een riem.. Je vader geeft toe dat hij jou geslagen heeft. De kinderrechter vindt dat kindermishandeling. Zij heeft een goede indruk van je moeder gekregen op de zitting en daarom vindt zij het ook een goed idee dat je voorlopig bij je moeder blijft wonen. Zij heeft daarom beslist dat jouw hoofdverblijf voorlopig bij je moeder is.\n\nEr loopt al een traject bij Veilig Thuis en de kinderrechter heeft nu ook opdracht gegeven aan de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen naar wat uiteindelijk het beste is voor jou. Er zullen dus nog meerdere gesprekken gaan plaatsvinden met jou, met je vader en met je moeder. Verder zal er ook gekeken worden of het mogelijk is dat het contact met je vader en broertjes en zusje wordt hersteld. Jouw wensen zijn daarbij belangrijk.\n\nWe moeten nu wachten tot de Raad voor de Kinderbescherming klaar is met het onderzoek en daarover een verslag heeft geschreven. Dat duurt ongeveer een half jaar. Wanneer jij weer in een situatie komt waarin jij je onveilig voelt, dan kun je contact opnemen Veilig Thuis, maar je mag ook weer een e-mail sturen naar de kinderrechter.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1. wijzigt de beschikking van 9 mei 2025 en bepaalt, ambtshalve dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009 voorlopigzijn hoofdverblijf heeft bij de moeder;\n\n6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder 5.5. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de ouders;\n\n6.4. houdt de behandeling van de zaak aan tot 24 november 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming;\n\n6.5. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.\n\nverzonden:\n\n In verband met deze procedure\u002Ften behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5443","2026-07-13T00:28:38.197Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":76,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":78},"592","ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","ecli-nl-rbzwb-2026-5446","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F434734 FA RK 25-2152 (echtscheiding) en C\u002F02\u002F440296 FA RK 25-5006 (verdeling)\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.B. de Bree,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.M.H.B. Stoffels.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 25 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het op 1 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- de brief van mr. De Bree van 3 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen.\n\n- de brief van mr. Stoffels van 7 april 2026, tevens houdende wijziging verzoek, met bijlagen.\n\n1.2 De behandeling van de zaak stond gepland op de zitting van 16 april 2026. Vanwege de onaangekondigde afwezigheid van de advocaat van de man is de zaak op die zitting niet inhoudelijk behandeld en is besloten om de behandeling aan te houden tot een nadere zitting. Deze zitting is bepaald op 7 mei 2026. Op die zitting is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3 Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.Zij hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad met de kinderrechter op 14 april 2026.2. De feiten\n\n2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen;\n\n- uit hun huwelijk is het volgende, nu jong-meerderjarige kind geboren:\n\n1. [meerderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008;\n\n- uit hun huwelijk zijn verder de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009;\n\n3. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010;\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. \n\nDe vrouw verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige 1] en, naar de rechtbank begrijpt, [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. te bepalen dat het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] hersteld dient te worden en dat partijen hiervoor worden verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (UHA);\n\nIII. vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft;\n\nIV. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek tot en met 31 december 2025;\n\nV. vaststelling van een door haar aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] van € 17,= per maand met ingang van 1 juli 2025, dan wel de datum van indiening van het aanvullende verzoek;\n\nVI. te bepalen dat beide partijen recht hebben op de helft van de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en de betaling van de kosten van verkoop;\n\nVIII. te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 35,= in verband met de verkoop van de caravan.\n\n3.2. \n\nDe man verzoekt:\n\nI. echtscheiding;\n\nII. bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hun hoofdverblijf hebben bij de man;\n\nIII. vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] ;\n\nIV. bepaling dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] ;\n\nV. vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind met ingang van 1 januari 2026, dan wel met ingang van zodanige datum en zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nVI. de verdeling van de gemeenschap te gelasten met inachtneming van hetgeen de man in de brief van 7 april 2026 heeft opgemerkt over verdeling van gemeenschappelijke tegoeden en schulden;\n\nVII. te bepalen dat de vrouw de helft van de waarde van de caravan aan de man zal voldoen.\n\n3.3. Ter zitting heeft de man zijn in de brief van 7 april 2026 gedane verzoek te bepalen dat de vrouw zo spoedig mogelijk haar medewerking verleent aan het transport van de echtelijke woning op naam van een derde, met een daaraan verbonden dwangsom, ingetrokken.\n\n4. De beoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid4.1. Uit artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. Dit kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van partijen in hun echtscheidingsverzoeken.4.2. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding, ook al ontbreekt een ouderschapsplan. De verhouding tussen hen is zodanig verstoord dat zij er lange tijd niet in zijn geslaagd om in gezamenlijkheid afspraken te maken over de kinderen. Gebleken is dat partijen het inmiddels op hoofdlijnen eens zijn over het hoofdverblijf van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie.\n\nInhoudelijke beoordeling4.3. Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als op de wet gegrond en onweersproken toewijzen.\n\nHoofdverblijf\n\n4.4. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man moet worden bepaald. De rechtbank acht dit ook in het belang van de kinderen. Dit stemt tevens overeen met de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zoals is gebleken in het gesprek met de kinderrechter. De rechtbank zal de verzoeken van partijen die zien op het hoofdverblijf van de kinderen daarom toewijzen.\n\nZorgregeling\n\n [minderjarige 1]4.5. De vrouw legt aan haar verzoek gericht op contactherstel tussen haar en [minderjarige 1] door middel van inzet van hulverlening, het volgende ten grondslag. Het contact tussen haar en [minderjarige 1] is inmiddels al geruime tijd verbroken. De man heeft geen stimulerende rol in het contactherstel en het lukt partijen dus niet, zonder hulpverlening, om het contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] te herstellen. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat inmiddels een jaar is verstreken sinds indiening van dit verzoek. Zij begrijpt dat [minderjarige 1] niet gedwongen kan worden om een hulpverleningstraject aan te gaan om het contact te herstellen. De vrouw mist [minderjarige 1] ontzettend en zou het heel fijn vinden als er in ieder geval nog een gesprek tussen hen plaats kan vinden, zodat zowel de vrouw als [minderjarige 1] nog een keer hun verhaal kan doen bij de ander. De vrouw heeft benadrukt dat haar deur altijd openstaat voor [minderjarige 1] .\n\n4.6. De man stelt zich op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen en verzoekt te bepalen dat geen zorgregeling wordt opgestart tussen de vrouw en [minderjarige 1] . Ter zitting heeft hij toegelicht dat [minderjarige 1] écht geen contact wil met de vrouw. Hij heeft hierover met [minderjarige 1] gesproken, maar kan haar niet op andere gedachten brengen. [minderjarige 1] heeft een opvatting over haar moeder waardoor zij geen contact met haar wil, en de man kan die opvatting ook begrijpen.\n\n4.7. \n\nDe rechtbank is zowel uit de toelichting van partijen ter zitting als het gesprek met [minderjarige 1] gebleken dat zij geen contact wil met haar moeder. Zij is heel resoluut in haar beslissing om het contact met haar moeder te verbreken, maar ook in haar weigering om nog een keer in gesprek te gaan met haar moeder en eventuele hulpverlening te aanvaarden die haar verder kan helpen in hoe zij om moet gaan met dit contactverlies. De ernstige bezwaren van [minderjarige 1] tegen contact met de vrouw zijn een contra-indicatie voor het opleggen van contact. De rechtbank vreest ook dat verwijzing naar een hulpverleningstraject, tegen de wens van [minderjarige 1] in, de weerstand van [minderjarige 1] alleen maar zal vergroten. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De rechtbank heeft wel grote zorgen over de wijze waarop door zowel [minderjarige 1] , als in het gehele familiesysteem waarvan [minderjarige 1] deel uitmaakt, wordt omgegaan met conflicten. Conflicten resulteren in resolute afwijzing en verwijdering van de ander, getuige ook het ontbreken van iedere vorm van contact tussen oudste dochter [meerderjarige] en haar moeder en inmiddels, na een conflict wegens het wegdoen van de honden, ook haar vader. Ook is de rechtbank van oordeel dat alle kinderen van partijen zwaar belast zijn door en als gevolg van de echtscheidingsstrijd die tussen hun ouders woedt. Daar komt voor [minderjarige 1] bij dat het noodgedwongen moeten verlaten van de voor haar vertrouwende (woon- en sociale) omgeving, haar bijzonder zwaar valt.\n\nOp beide ouders rust de inspanningsverplichting om die strijd bij de kinderen weg te houden en om de (belangen van de) kinderen niet uit het oog te verliezen.\n\nDe rechtbank acht het zinvol dat [minderjarige 1] en haar moeder in ieder geval nog eenmaal met elkaar in gesprek gaan, zodat zowel [minderjarige 1] als haar moeder aan elkaar hun verhaal kunnen doen en het verhaal van de ander aan kunnen horen, zonder dat het doel van dat gesprek is tot een blijvend contactherstel te komen. Zo’n gesprek zou hen beiden verder kunnen helpen in de verwerking van de gebeurtenissen rondom de echtscheiding van partijen en het contactverlies tussen hen. Bij dat gesprek kan [minderjarige 1] eventueel worden bijgestaan door een vertrouwd persoon voor haar die zij als steunend ervaart. Omdat de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 1] vindt om bij de huidige stand van zaken druk op haar uit te oefenen, laat zij het bij deze suggestie die zij in de brief aan [minderjarige 1] zal herhalen. De rechtbank ziet evenmin grond voor toewijzing van het verzoek van de man. Er wordt aangaande [minderjarige 1] geen zorgregeling bepaald, en daaruit vloeit reeds voort dat uitsluitend de man, bij wie [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft, belast is met de volledige verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en dat de vrouw daarin geen aandeel heeft.\n\n [minderjarige 2]4.8. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het eens zijn over de zorgregeling die moet gelden voor [minderjarige 2] , inhoudende dat [minderjarige 2] om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten bij de vrouw verblijft. De rechtbank acht deze regeling in het belang van [minderjarige 2] en zal daarom de verzoeken van partijen tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 2] op die wijze als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen. De man heeft ter zitting aangegeven dat gelet op de aankomende verhuizing naar [plaats] hij ervoor zorg zal dragen dat [minderjarige 2] naar de vrouw wordt gebracht en dat hij hem dus zal ondersteunen in de overbrugging van de afstand naar de woonplaats van de vrouw, zodat deze verhuizing een goed verloop van de zorgregeling niet in de weg staat. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 2] verder aangegeven in deze zorgregeling flexibiliteit te wensen. In de praktijk ziet de rechtbank dat partijen [minderjarige 2] die flexibiliteit gunnen en bieden en de rechtbank gaat ervan uit dat zij hem die ruimte blijven geven. Dit is namelijk van belang voor het slagen van de zorgregeling, mede gelet op de ingewikkelde positie waarin [minderjarige 2] zich bevindt. [minderjarige 2] “draagt” de echtscheiding van zijn ouders en ziet zichzelf als het laatste lijntje tussen zijn ouders in een verbroken gezinssysteem. Hij worstelt zichtbaar met die last, en naar het oordeel van de rechtbank kan hij zich niet vrij, onbelast en onbevangen bewegen tussen beide ouders. [minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter duidelijke signalen afgegeven dat hij lijdt onder de spanningen van buitenaf en de spanningen die hij ongetwijfeld ook intern voelt. De zorgregeling vraagt in de huidige dynamiek tussen zijn ouders veel van hem en de sterke afwijzing van zijn moeder door de man en zijn zus belast het contact met zijn moeder. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige 2] door toedoen van zijn ouders terecht is gekomen. Dit is potentieel heel erg schadelijk voor zijn ontwikkeling. Partijen moeten begrijpen dat [minderjarige 2] , hierin zoveel mogelijk steun van hen beiden dient te krijgen. Dat vraagt iets van beide ouders. Zij hebben beiden op grond van de wet (artikel 1:247 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek BW)) de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van [minderjarige 2] , alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Ook hebben zij de verplichting om de ontwikkeling van de banden van [minderjarige 2] met de andere ouder te bevorderen. Dit houdt onder meer in dat zij ervoor moeten zorgen dat [minderjarige 2] niet langer onderdeel is van de strijd tussen hen. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [minderjarige 2] op de hoogte is van alle informatie over de echtscheiding en de strijd tussen ouders. Het geestelijk welzijn van [minderjarige 2] is niet gediend met het delen van deze informatie en de rechtbank doet een dringend beroep op beide ouders om daar onmiddellijk mee te stoppen. De nieuwsgierigheid van [minderjarige 2] en zijn leeftijd vormen geen rechtvaardiging voor het ongeclausuleerd delen van informatie en opvattingen over de andere ouder en de echtscheiding. Ook moet [minderjarige 2] ondersteund en positief gestimuleerd worden in het contact met de andere ouder.\n\nKinderalimentatie\n\n4.9. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in de periode dat [minderjarige 2] nog ingeschreven stond bij de vrouw, namelijk tot begin januari 2026, zij gerechtigd was tot een onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van [minderjarige 2] van € 285,= per maand. De rechtbank ziet in hetgeen de man ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat de vrouw gedurende die periode alle toeslagen voor [minderjarige 2] kreeg en tijdens het huwelijk veel informatie over geldzaken heeft achtergehouden, geen reden waarom dat bedrag niet betaald moet worden. Niet is gesteld of gebleken dat dit bedrag niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw onder VI. toewijzen.\n\n4.10. Gebleken is verder dat [minderjarige 1] al in de loop van 2025 bij haar vader is gaan verblijven en dat [minderjarige 2] vanaf begin januari 2026 bij de man verblijft en daar vanaf dat moment staat ingeschreven. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een minimale draagkracht heeft ter hoogte van € 50,= per maand en dat zij die volledig moet aanwenden voor de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen. Tussen hen is in geschil over hoeveel kinderen die draagkracht moet worden verdeeld. Volgens de man enkel over de twee minderjarige kinderen van partijen, zodat de vrouw € 25,= per maand per kind dient te voldoen. Volgens de vrouw moet deze draagkracht worden verdeeld over alle drie de kinderen van partijen. De vrouw is immers ook nog onderhoudsplichtig voor [meerderjarige] . De bijdrage komt dan uit op € 17,= per maand per kind voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.11. De rechtbank overweegt dat hoewel [meerderjarige] op dit moment van beide ouders geen onderhoudsbijdrage ontvangt, partijen beiden wel onderhoudsplichtig zijn voor haar tot zij de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Gelet op die onderhoudsverplichting en de mogelijkheid die [meerderjarige] heeft om aanspraak te maken op een bijdrage van ouders (eventueel met terugwerkende kracht), ziet de rechtbank aanleiding de draagkracht van de vrouw te verdelen over drie kinderen. Dat betekent dat zij voor [minderjarige 1] met ingang van 1 juli 2025 en voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 aan de man een onderhoudsbijdrage van € 17,= per maand per kind dient te voldoen. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.\n\nBrieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.12. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij per brief van de kinderrechter geïnformeerd willen worden over de op de verzoeken die zien op hun hoofdverblijf, de zorgregeling en de kinderalimentatie. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf te horen krijgen wat er in deze procedure wordt beslist, zij het uitsluitend over de onderwerpen die hen betreffen, maar ook dat de ouders weten wat de kinderrechter hierover aan de kinderen terugkoppelt. Hierna volgt daarom de tekst van de brief gericht aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze tekst zal worden overgenomen in een brief van de griffier namens de (kinder)rechter, die naar hen wordt gestuurd.\n\n“Beste [minderjarige 1] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan, besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je bij je vader woont en op zijn woonadres blijft of wordt ingeschreven. Je vader is ook degene die jou verzorgt en opvoedt, want de rechter heeft verder besloten dat er geen regeling voor contact met jouw moeder wordt bepaald. De rechter verwijst jullie evenmin door naar een hulpverleningstraject om weer contact op te starten. Jij hebt de leeftijd waarop jij daarin zelf een afweging en keuze kan maken, en jouw keuze weegt zwaar mee in de beslissing van de rechter. De rechter gaat ervan uit dat jij de gevolgen van jouw keuze om het contact met je moeder te verbreken, begrijpt en overziet. De rechter maakt zich wel zorgen over de manier waarop jij resoluut het contact met jouw moeder hebt verbroken. De rechter meent dat het voor de verwerking van hetgeen gebeurd is, goed is om in ieder geval eenmalig het gesprek met jouw moeder aan te gaan, zonder de bedoeling of de verwachting dat het contact daarna herstelt. In dat gesprek kan jij je verhaal doen tegen jouw moeder en heeft zij ook de mogelijkheid om aan jou haar verhaal te vertellen. Jouw moeder heeft aangegeven dat zij daartoe bereid is en dat haar deur voor jou altijd open staat. Je moeder is ermee akkoord dat bij zo’n gesprek eventueel iemand aanwezig zijn die jij vertrouwt en die jou kan ondersteunen. Het is aan jou of je zo’n gesprek nu of op een later moment nog wil voeren en het is ook aan jou om dat aan je moeder duidelijk te maken als je dat gesprek wil aangaan.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 juli 2025 een bijdrage voor jouw kosten aan jouw vader moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\n“Beste [minderjarige 2] ,\n\nOp 14 april heb jij een gesprek gehad met de (kinder)rechter over de verzoeken die over jou zijn gedaan. Op 7 mei zijn jouw ouders, met hun advocaten, naar de rechtbank gekomen. Daar zijn de verzoeken die over jou zijn gedaan besproken. De rechter heeft naar iedereen geluisterd en ook jouw mening meegenomen in de beslissing.\n\nDe rechter heeft beslist dat jouw hoofdverblijf definitief bij jouw vader wordt bepaald. Dat betekent dat je op zijn woonadres wordt of blijft ingeschreven en dat je vader jou voor het grootste deel verzorgt en opvoedt. Verder heeft de rechter beslist dat jij om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het eten bij jouw moeder bent. Jouw moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het contact met jou heel belangrijk vindt en dat zij het heel fijn vindt als jij bij haar bent. Hoewel zij jou soms moet missen, begrijpt zij het dat jij flexibiliteit en een bepaalde vrijheid in de contactregeling belangrijk vindt, en zij zal daar ook rekening mee houden. Jouw vader heeft op de zitting verder aangegeven dat hij begrijpt dat de verhuizing naar [plaats] lastig is voor jou. Hij zal jou ondersteunen in het overbruggen van de reisafstand van jullie nieuwe woonplek in [plaats] naar jouw moeder in [woonplaats 1] . De rechter vindt het belangrijk dat je zowel bij je vader als je moeder verblijft en dat zij ervoor zorgen dat je geen last meer hebt van hun onderlinge strijd.\n\nDe rechter heeft verder, rekening houdend met de financiële omstandigheden van allebei jouw ouders, beslist dat jouw moeder met ingang van 1 januari 2026 een bijdrage aan jouw vader voor jouw kosten moet betalen van € 17,= per maand.\n\nDe rechter wil jou bedanken voor het delen van jouw mening in het gesprek en wenst jou alle goeds voor de toekomst toe.”\n\nVerdeling van de gemeenschappelijke goederen\n\n4.13. Partijen zijn gehuwd in wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.\n\nPeildatum4.14. De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 25 april 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.\n\n4.15. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.\n\nSamenstelling gemeenschap van de gemeenschap4.16. De bestanddelen van de gemeenschap waarvan de verdeling nog in geschil is tijdens deze procedure zijn:\n\na. de woning, gelegen aan [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nb. de schuld uit hoofde van de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nc. het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden;\n\nd. een caravan en schuld wegens stallingskosten;\n\ne. een schuld aan de Interbank uit hoofde van een doorlopend krediet\n\nAd. A., b., c. en e. de woning en de schuld uit hoofde van de hypothecaire geldlening, het saldo van de beleggingsrekening bij Nationale Nederlanden en de schuld uit hoofde van een doorlopend krediet bij de Interbank\n\n4.17. Ter zitting is gebleken dat de woning is verkocht aan (een) derde(n). Op 12 juni 2026 zal de woning notarieel geleverd worden aan de kopende partij. Partijen zijn het erover eens dat van de verkoopopbrengst van de woning worden voldaan: de op de datum van overdracht resterende hypothecaire schuld en schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank. Partijen zijn ieder gerechtigd tot de helft van de resterende overwaarde, te vermeerderen met de netto afkoopwaarde van de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsrekening. Verder zijn partijen het erover eens dat de vrouw de volgende bedragen aan de man dient te vergoeden:\n\nin verband met eerder door de man voor zijn rekening genomen kosten gemoeid met verkoop van de woning (presentatiekosten die gemaakt zijn door makelaar Wino) een bedrag van € 350,=;\n\neen bedrag van € 137,50, zijnde de helft van de door de man gemaakte kosten die gemoeid waren met de aanvraag van een energielabel door de man;\n\n een bedrag van (5 maal € 141,60 =) € 708,=, zijnde haar aandeel in de maandelijkse aflossingen op de schuld uit hoofde van het doorlopend krediet bij de Interbank, die de man voor zijn rekening heeft genomen, terwijl partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig waren.\n\n4.18. Aangezien partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling van voormelde bestanddelen a., b., c. en e., is op grond van artikel 3:185 lid 1 BW voor de rechtbank geen taak meer weggelegd om de (wijze van) verdeling vast te stellen. De verzoeken die daartoe zien worden, voor zover die zien op deze bestanddelen, afgewezen. Dit laat onverlet dat partijen gehouden zijn om uitvoering te geven aan de door hen afgesproken wijze van verdeling van die bestanddelen.\n\nAd. d. een caravan en schuld wegens stallingskosten\n\n4.19. De vrouw stelt dat partijen het erover eens waren dat de caravan moest worden verkocht. Zij heeft vervolgens, korte tijd na de peildatum, de caravan verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. De vrouw heeft met de verkoopopbrengst de achterstallige stallingskosten over drie jaar, zijnde in totaal een bedrag van € 1.680,= voldaan. Van de verkoopopbrengst is dus € 70,= over, zodat de man recht heeft op een bedrag van € 35,=.\n\n4.20. De man voert aan dat de vrouw zonder medeweten van de man de caravan van stalling heeft gehaald en verkocht. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij het niet eens is met de prijs waarvoor de vrouw de caravan heeft verkocht. Volgens hem hadden partijen er € 2.500,= voor kunnen krijgen en de man vraagt de rechtbank om van dat bedrag uit te gaan bij verdeling van de caravan. Hij erkent verder dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten.\n\n4.21. De rechtbank overweegt als volgt. Door de vrouw is onweersproken aangevoerd dat de caravan van partijen na de peildatum is verkocht voor een bedrag van € 1.750,=. Of partijen overeenstemming hadden over het verkopen van de caravan kan de rechtbank niet vaststellen op grond van de standpunten van partijen en de overgelegde stukken. Daarbij heeft de man aan deze stelling verder geen conclusie verbonden. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de caravan, die op de peildatum tot de ontbonden gemeenschap behoorde, een oordeel geven van de waarde op de peildatum. Het is de rechtbank niet gebleken dat de caravan meer waard is dan € 1.750,=, zijnde de verkoopprijs die kort na de peildatum tot stand is gekomen in de verkooptransactie tussen twee particulieren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de informatie die de vrouw ter zitting heeft gedeeld, zoals het merk en type van de caravan, dat het kenteken van de caravan in 1994 is afgegeven, en het bedrag dat partijen bij de aanschaf van de (toen al tweedehands) caravan hebben betaald, zijnde € 3.400,=. De rechtbank sluit daarom voor de waardering van de caravan op de peildatum aan bij de verkoopprijs van € 1.750,=. De man heeft verder erkend dat er een achterstand was in de betaling van de stallingskosten en hij heeft ter zitting aangegeven dat het door de vrouw genoemde bedrag kan kloppen. Ook niet weersproken is de stelling van de vrouw dat deze op de peildatum bestaande schuld is ingelost met de verkoopopbrengst van de caravan. De man is gerechtigd tot de helft van het resterende bedrag en dus tot € 35,=, door de vrouw aan hem te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 20 juni 2007 in de gemeente Moerdijk;5.2. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2009,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2010,\n\nhun hoofdverblijfplaats bij de man hebben;5.3. stelt, uitvoerbaar bij voorraad, vast dat genoemde minderjarige [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw is: om de week van donderdagmiddag tot zondagavond na het avondeten;5.4. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man over de periode van 1 juli 2025 tot 1 januari 2026 een bedrag van € 285,= (tweehonderdvijfentachtig euro) per maand moet betalen aan de vrouw ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] ;\n\n5.5. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 juli 2025 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 1] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 17,= (zeventien euro) per maand moet betalen aan de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige 2] , vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand;\n\n5.7. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw, uit hoofde van de verdeling van de caravan een bedrag ter hoogte van € 35,= aan de man moet voldoen;\n\n5.8. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bollen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Reijerse, griffier, op 21 mei 2026.\n\nTegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\n- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem\u002Fhaar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5446","2026-07-13T00:28:38.439Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":83,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":85},"605","ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","ecli-nl-rbzwb-2026-5444","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441941 FA RK 25-5884\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende omgangsregeling en levensonderhoud\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B. Krijnen,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nzonder advocaat.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 7 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- de brief van de griffier van de rechtbank aan de man van 24 december 2025, houdende de oproep voor de zitting;\n\n- de brief van mr. Krijnen van 9 april 2026, tevens houdende wijziging van het verzoek, met bijlagen;\n\n- het vonnis van deze rechtbank in kort geding van 25 november 2025.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. De man is niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot juni 2025;\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna ook: [minderjarige] );\n\n- [minderjarige] is door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat:\n\nvaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en de minderjarige contact met elkaar hebben om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\nvaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4. De beoordeling\n\nOproep van de man\n\n4.1. De man is voor de zitting opgeroepen bij brief van 24 december 2025 op bovenvermeld adres, zijnde het adres waar hij in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. De brief is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden. De aangetekend verzonden brief is door de man niet opgehaald en teruggestuurd naar de rechtbank. De per gewone post gestuurde brief is niet geretourneerd. Uit raadpleging van de BRP is gebleken dat genoemd adres met ingang van 12 december 2025 in onderzoek is. Een (ander) adres waarop de man bereikbaar is, ontbreekt. De rechtbank overweegt dat het de verantwoordelijkheid van de man is om te zorgen dat hij in de BRP staat ingeschreven op een adres waarop hij bereikbaar is. Mr. Krijnen heeft op de zitting toegelicht het verzoek en het gewijzigd verzoek ook per email aan de man te hebben toegestuurd, onder vermelding van de zittingsdatum en tijdstip, maar dat ook zij daar geen reactie van de man op heeft ontvangen. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande op de zitting geconstateerd dat de man op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgeroepen en heeft daarop de verzoeken inhoudelijk behandeld.\n\nOmgangsregeling\n\n4.2. De vrouw heeft toegelicht dat de man sinds het uiteengaan van partijen weinig interesse heeft getoond in [minderjarige] en dat er maar zeer weinig contact tussen hen heeft plaatsgevonden. De vrouw vindt het erg belangrijk dat de man en [minderjarige] op structurele basis contact met elkaar hebben en dat de situatie voor [minderjarige] voorspelbaar is, met name omdat zij kampt met bepaalde problematiek en veel aandacht vraagt. [minderjarige] geeft zelf ook aan dat zij haar vader mist en is altijd blij als zij haar vader heeft gezien. De vrouw is daarom eind 2025 een kort gedingprocedure gestart. In het vonnis van 25 november 2025 is een omgangsregeling vastgesteld gedurende iedere zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De afgelopen periode is echter gebleken dat het voor de man niet haalbaar is om iedere week omgang met [minderjarige] te hebben. Hij laat steeds op vrijdagavond weten of hij wel of niet komt. Dit is erg onrustig, zowel voor de vrouw als voor [minderjarige] . De vrouw verzoekt daarom nu te bepalen dat de man en [minderjarige] om de week op zaterdag contact met elkaar hebben. De vrouw hoopt dat de man zijn verantwoordelijkheid neemt en laat zien dat hij deze regeling kan nakomen. De vrouw zal het contact tussen de man en [minderjarige] blijven stimuleren.\n\n4.3. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat een structurele omgang tussen de man en [minderjarige] wenselijk is en dat de door de vrouw verzochte regeling op dit moment het hoogst haalbare lijkt. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat aan [minderjarige] op een kindvriendelijke manier wordt uitgelegd dat het niet aan haar ligt dat de contacten met haar vader nu onregelmatig zijn. Kinderen hebben namelijk de neiging dit soort zaken op zichzelf te betrekken.\n\n4.4. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe, omdat dit verzoek niet door de man is weersproken en omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen de verzochte regeling verzet. De vrouw heeft op de zitting toegezegd contact op te nemen met de gezinscoach, die haar begeleidt bij opvoedkundige vragen, om te bekijken op welke wijze [minderjarige] kan worden voorgelicht over het door de Raad genoemde punt. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de man het belang van [minderjarige] voorop zal stellen en de omgangsregeling, zoals deze nu wordt vastgesteld, zal nakomen. Het is immers niet in het belang van [minderjarige] en haar ontwikkeling dat zij (om de week) op vrijdag in onzekerheid verkeert of zij haar vader zal zien.\n\nKinderalimentatie\n\n4.5. De vrouw verzoekt verder vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 400,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.\n\n4.6. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.2. \n\nbepaalt dat de man met ingang van 7 november 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van\n\n€ 400,= (vierhonderd euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5444","2026-07-13T00:28:38.946Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":90,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":92},"565","ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","ecli-nl-rbzwb-2026-5447","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nzaaknummer: C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177\n\nVonnis in kort geding van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda.\n\nPartijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,\n\nhierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4-2.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een medewerker namens de Raad;\n\n- twee medewerkers van Stichting Jeugdbescherming Brabant (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3.. \n\nGelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in deze zaak, het verzoek van de Raad (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410) en de verzoeken in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326) zijn die drie zaken gelijktijdig op zitting behandeld. In alle zaken wordt bij separate beschikking\u002Fvonnis beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de volgende op dit moment nog minderjarige kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .\n\n2.2.. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3.. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bekend onder zaaknummer C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 november 2024 in voormelde bodemprocedure heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] vervolgens erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.\n\n2.6.. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank, bij voormelde beschikking van 12 november 2024 in genoemde bodemprocedure partijen naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de (definitieve) beslissingen op de overige verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een omgangs- c.q. zorgregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.7.. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen, dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat partijen in onderling overleg een nadere uitbreiding zullen regelen.\n\n2.8.. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9.. Bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant.\n\n2.10.. Bij beschikking van vandaag (21 mei 2026) heeft de rechtbank in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure eindbeslissingen gegeven op de voorliggende verzoeken. Verkort weergegeven heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:\n\n- partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige 2] ;\n\n- de kinderen in het kader van de zorgregeling iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man zullen verblijven;\n\n- de vrouw de man iedere maand moet informeren over de ontwikkeling van de kinderen.\n\n3. De vorderingen\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. de in rechte voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de kinderen,\n\nzoals opgenomen in voormeld kortgedingvonnis van 1 december 2025, te schorsen totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist,\n\nII. althans een zodanige beslissing te nemen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.\n\n3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen, onder veroordeling van de vrouw in de aan de zijde van de man gemaakte kosten van deze procedure.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de hiervoor onder 2.10. genoemde beschikking van vandaag (21 mei 2026) eindbeslissingen zijn gegeven op de verzoeken van partijen die nog voorlagen in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure. Eén van die beslissingen houdt de vastlegging in van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur.\n\n4.2. Met die eindbeslissing in de bodemprocedure tussen partijen is de bij vonnis van 1 december 2025 door de voorzieningenrechter voorlopigbepaalde omgangsregeling tussen de man en de kinderen komen te vervallen. Bij de vorderingen van de vrouw om die voorlopige – inmiddels vervallen – regeling te schorsen, bestaat daarom geen belang meer.\n\n4.3. Bij gebrek aan belang zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in deze kortgedingprocedure afwijzen.\n\n4.4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, zoals de man heeft verzocht. In procedures van familierechtelijke aard is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Daarvan wordt alleen maar afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn, bijvoorbeeld een partij die misbruik maakt van zijn of haar procesbevoegdheid. De omstandigheid dat de vorderingen van de vrouw in dit kort geding worden afgewezen, is onvoldoende om te concluderen dat zij misbruik heeft gemaakt van haar procesbevoegdheid. De voorzieningenrechter zal daarom het uitgangspunt hanteren en de proceskosten compenseren.\n\n4.5. De voorzieningenrechter hoopt dat partijen in de toekomst geen (kortgeding)procedures meer zullen (hoeven) aanspannen in verband met (de uitvoering van) de zorgregeling tussen de man en de kinderen. De (juridische) strijd tussen ouders is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Inmiddels heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen met hulpverlening invulling weten te geven aan een vorm van gezamenlijk ouderschap waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duurzaam, positief en onbelast contact met beide ouders kunnen hebben.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham als griffiers.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","2026-07-13T00:28:36.997Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":97,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":99},"608","ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","ecli-nl-rbzwb-2026-5453","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24\u002F6047\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nen\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1 Het verdere procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n- het op 14 april 2026 ingekomen aanvullend verzoek van de vader;\n\n- de op 15 en 16 april 2026 ontvangen brieven van mr. N. van Vliet;\n\n-\n\n1.2 De zaak is (nader) behandeld op de zitting van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.3 Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met kenmerk: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384. Die zaak betreft een kindbriefzaak, gestart met een e-mailbericht die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gestuurd naar de kinderrechter.2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op 10 juli 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 1] . Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel zal uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. \n\nPartijen hebben de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Bij voormelde beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigwordt vastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt de in het ouderschapsplan opgenomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) te wijzigen naar een week-op-week-af-regeling, met het wisselmoment op zondagavond om 19.00 uur, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist acht.\n\n3.2.. De vader verzoekt (aanvullend) om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat partijen voor de komende periode een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact zullen hebben met de vader. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] ), die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is acht jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hoopt dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt ook dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. Ouders hebben afgesproken dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopig zal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. Zij komen daarmee tegemoet aan de wensen van hun kinderen. Deze regeling is ambtshalve door de rechtbank vastgelegd in het kader van de informele rechtsingang.\n\n5.2.. De komende periode wordt er gewerkt aan het contact tussen de vader en de kinderen. [hulpverlening] is gestart met een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en zullen dan naar de rechtbank hoopt ook een definitieve zorgregeling overeenkomen. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De rechtbank vindt het daarom niet wenselijk om nu al een beslissing te nemen over het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en zal daarom die beslissing aanhouden. Het loket zal opnieuw worden verzocht om uiterlijk op de na te melden pro forma datum de UHA-rapportage (van [hulpverlening] ) bij de griffie van de rechtbank in te dienen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nverzoekt het loket om uiterlijk op 25 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als\n\nmogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het\n\n(jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","2026-07-13T00:28:39.062Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":104,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":106},"569","ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","ecli-nl-rbzwb-2026-5448","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nNadere beschikking over gezag, omgang en een informatieregeling\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda.\n\nover de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] , en\n\n- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe rechtbank merkt verder als belanghebbende aan:\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1.. In het dossier bevinden zich de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;\n\nde F9-formulieren van mr. Van Riel van 13 november 2024, met bijlage, en van 1 oktober 2025;\n\nde e-mailberichten van de gemeente Breda van 3 september 2025, met bijlage, en van 28 oktober 2025, met bijlagen, waaronder het (definitieve) UHA-rapport;\n\nhet e-mailbericht van mr. Voogt van 18 september 2025;\n\nde brieven van de Raad van 13 november 2025 en van 6 maart 2026, met bij de laatste brief het rapport van het raadsonderzoek van dezelfde datum.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:\n\nde man, bijgestaan door mr. Van Riel;\n\nde vrouw, bijgestaan door mr. Voogt; en\n\neen vertegenwoordiger namens de Raad;\n\ntwee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3. Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177 en C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.\n\n2.2. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] op 17 december 2025 erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.4. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.\n\n2.5. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 12 november 2024 eveneens een voorlopige informatieregeling bepaald. Partijen zijn daarnaast naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de definitieve beslissingen op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een zorg- c.q. omgangsregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.6. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat zij voornemens zijn het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 2] te regelen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat ouders elkaar over en weer op de hoogte zullen brengen omtrent gewichtige aangelegenheden.\n\n2.7. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).\n\n2.8. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9. Gelijktijdig met de toezending van het rapport van het raadsonderzoek op 6 maart 2026, heeft de Raad een verzoek ingediend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410. De kinderrechter heeft bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.\n\n2.10. Begin april 2026 heeft de vrouw haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen opgeschort. Zij heeft vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarin zij vordert dat de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals die bij vonnis van 1 december 2025 is bepaald, schorst totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist. Bij vonnis van vandaag (21 mei 2026) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afgewezen, omdat in deze bodemprocedure een definitieve beslissing over de contactregeling tussen de man en de kinderen wordt gegeven.\n\n3. De resterende verzoeken\n\n3.1. In deze procedure zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nhet eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat partijen voortaan het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar uitoefenen;\n\neen (definitieve) contact-\u002Fomgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen;\n\neen (definitieve) informatieregeling te bepalen op basis waarvan de vrouw de man eenmaal per maand dient te informeren over de gezondheid van de minderjarigen, de ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, de sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarigen en hun vrijetijdsbesteding.\n\n3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt:\n\nprimairom de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. De vrouw kan instemmen met het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, met dien verstande dat partijen geen direct contact met elkaar hebben;\n\nsubsidiairte bepalen dat het contact\u002Fde omgang tussen de man en de minderjarigen onder begeleiding plaatsvindt, tenminste eenmaal per week en maximaal tweemaal per week gedurende een uur.\n\n3.3. Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, primairte bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ensubsidiairom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van de hulpverlening die wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n4. De verdere beoordeling\n\nGezag\n\n4.1. De man verzoekt om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 2] . De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dat verzoek van de man en verzoekt op haar beurt om aan haar het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] toe te kennen.\n\n4.2. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.3. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.4. De man voert aan dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat de man betrokken is bij de totstandkoming van belangrijke beslissingen in haar leven. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] een goede band met haar vader kan opbouwen. Daarbij hoort dat hij actief betrokken is bij te nemen beslissingen.\n\n4.5. De vrouw voert daartegen verweer. Volgens haar bestaat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen dat zij klem of verloren zullen raken indien partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hen. Partijen zijn niet daadwerkelijk in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Er is niet of nauwelijks contact tussen partijen. De relatie tussen de man en de vrouw is ernstig verstoord en er is vanuit de vrouw sprake van wantrouwen en zorgen over de man als opvoeder. Mede gelet op de voorgeschiedenis, valt volgens de vrouw niet te verwachten dat in die situatie, al dan niet met hulpverlening, binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht de vrouw het van belang dat zij als verzorgende ouder, in staat zal zijn en blijven om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden verzoekt de vrouw om de huidige situatie te wijzigen in die zin dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag, zodat de vrouw alleen met het gezag over beide kinderen zal zijn belast.\n\n4.6. In het raadsrapport adviseert de Raad om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] in stand te laten. Weliswaar ziet de Raad risico’s voor de kinderen omdat partijen op dit moment niet op een goede manier met elkaar kunnen communiceren en zij (nu) onvoldoende vorm kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. De Raad ziet echter nog (hulpverlenings)mogelijkheden voor ouders om onder begeleiding van een jeugdbeschermer te komen tot gezamenlijk ouderschap. Met name op het gebied van de onderlinge communicatie tussen ouders zijn nog stappen te zetten, zodat partijen een modus weten te vinden waar zij zich beiden comfortabel bij voelen. Daarnaast verwacht de Raad dat gezamenlijk gezag de ouders ‘dwingt’ om hun eigen belang opzij te zetten en zich te richten op hetgeen belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad ziet tot slot geen reden om de (definitieve) beslissing op de verzoeken die zien op de gezagsverhouding aan te houden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening. Het is voor alle betrokkenen van belang dat de langlopende juridische procedures worden afgesloten. De (definitieve) beslissing van de rechtbank biedt een duidelijk uitgangspunt voor de verdere hulpverlening.\n\n4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.\n\n4.8. Hoewel partijen op dit moment niet in staat zijn op een respectvolle en passende wijze met elkaar te communiceren en dus het nodige overleg te voeren over beslissingen over Lavinia en Georginia, zal de rechtbank bepalen dat ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen krijgen\u002Fbehouden. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige 2] zal toewijzen, terwijl het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden afgewezen.\n\n4.9. Voor de rechtbank is daarbij met name van belang dat partijen in de zomer van 2025 hebben laten zien dat zij in staat zijn om te komen tot afspraken en omgangsvormen die in het belang zijn van de kinderen. Die afspraken hebben partijen neergelegd in het ouderschapsplan dat zij op 7 juli 2025 hebben ondertekend. Daarin hebben zij ook het voornemen opgenomen om het gezamenlijk gezag te regelen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen zal lukken om onder regie van de GI en met de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet, te werken aan een basis van onderling vertrouwen en een passende vorm van communicatie. Dat is werkelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden om de definitieve beslissing omtrent het gezag aan te houden, zoals de vrouw subsidiair heeft verzocht. Met de Raad vindt de rechtbank het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor partijen, juist ook met het oog op het in te zetten hulpverleningstraject. Dat traject is gericht op het toewerken naar een vorm van gezamenlijk ouderschap, een situatie waarin de kinderen positief contact kunnen hebben met beide ouders, zonder belast te worden met spanning en\u002Fof strijd die tussen de ouders bestaat. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol voor beide ouders en dat impliceert dat zij beiden met het gezag zijn belast.\n\n4.10. Zoals ook tijdens de zitting benadrukt, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat het (gezamenlijk) gezag voor partijen ook verplichtingen meebrengt. Van beide partijen wordt verlangd dat zij zich volledig zullen inzetten om – in het belang van de kinderen – te komen tot een vorm van gezamenlijk ouderschap. Daar hoort bij dat ouders zich zullen laten leiden door de adviezen en inzichten van de hulpverlening en de GI en dat zij eventuele eigen problematiek onder ogen zullen zien en daaraan zullen werken. Omdat beide ouders met het gezag zijn belast, kan de GI zo nodig aan ieder van hen schriftelijke aanwijzingen geven.\n\nZorgregeling\n\n4.11. De man verzoekt een (nader te specificeren) zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (op termijn) doordeweeks, een weekend per 14 dagen, de helft van de vakanties en feestdagen, op de verjaardag van de man en op de verjaardag van de kinderen contact met elkaar hebben.\n\n4.12. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Met name het onvoorspelbare gedrag van de man, zijn middelengebruik, de thuisomgeving van de man en zijn sociale kring baren de vrouw zorgen. Volgens de vrouw scheldt de man de minderjarigen regelmatig uit of spreekt hij ze toe op een denigrerende manier. Na een omgangsmoment zijn de kinderen vaak overstuur en ontregeld. Daarnaast wijst de vrouw erop dat zich op zaterdag 28 maart 2026 een incident heeft voorgedaan bij het ophalen van de kinderen. De man heeft zich agressief en onrustig gedragen richting de kinderen, waarbij hij de kinderen heeft uitgescholden en [minderjarige 2] op grove wijze bij haar arm heeft gepakt. De vrouw heeft ook krassen op het gezicht van [minderjarige 2] gezien, waarna zij aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat is voor de vrouw ook de reden geweest om haar medewerking aan de in kort geding voorlopig bepaalde omgangsregeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8.) op te schorten. De vrouw zou het liefst zien dat de omgang weer onder begeleiding plaats gaat vinden en op neutraal terrein.\n\n4.13. De Raad ziet op basis van de binnen het raadsonderzoek verkregen informatie geen reden om de omgang tussen de man en de kinderen begeleid en op neutraal terrein te laten plaatsvinden, zoals de vrouw wenst. Hoewel de vrouw haar zorgen blijft uiten, komt uit de informatie van de politie en uit het rapport van het UHA-traject naar voren dat er geen risico’s worden gezien voor de veiligheid van de kinderen in het contact met hun vader. Er is gedurende langere tijd sprake geweest van begeleide omgang en de omgangsbegeleider schetste daarvan een overwegend positief beeld. De Raad ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Raad adviseert daarom de huidige zorgregeling (tweemaal per week van 09:00 uur tot 17:00 uur) vast te leggen. Dat is op dit moment het hoogst haalbare en ook conform het eerder door ouders overeengekomen ouderschapsplan.\n\n4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, waaronder kwesties over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.\n\n4.15. De rechtbank vindt het in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met hun vader zo snel mogelijk en duurzaam wordt hersteld. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Het contact met hun vader is al meerdere malen (abrupt) weggevallen. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed en er was ruimte voor contact en flexibiliteit. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact voor de vierde keer abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid en kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe zij zichzelf zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan. Vanwege die ontwikkelingsbedreiging heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI . Eén van de doelen waar partijen met hulpverlening aan moeten werken is een positief, veilig en onbelast contact tussen de man en de kinderen, volgens een vaste regeling.\n\n4.16. Een vaste regeling was er tot begin april van dit jaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven wekelijks op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat die regeling niet in het belang is van de kinderen, zal zij die regeling, die ook past bij de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve zorgregeling vastleggen in deze beschikking.\n\n4.17. Tijdens de zitting heeft de vrouw wederom haar zorgen uitgesproken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn en aangedrongen op het (opnieuw) starten met begeleid contact. Daarom vordert de vrouw in kort geding schorsing van de huidige voorlopige regeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.). De rechtbank ziet op dit moment echter geen aanleiding om te concluderen dat het belang van de kinderen zich tegen (hervatting van) de hiervoor genoemde regeling verzet. Partijen hebben ieder een andere beleving bij wat er op 28 maart 2026 bij het overdrachtsmoment is voorgevallen en de man weerspreekt dat de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Dat betekent niet dat de rechtbank de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Er is op dit moment echter te weinig zicht op de situatie van de kinderen om daaraan de door de vrouw gewenste conclusies te verbinden. Zoals ook tijdens de zitting besproken, biedt de ondertoezichtstelling een kader waarbinnen de zorgen van de vrouw een plaats hebben. Door de ondertoezichtstelling komt er meer zicht op de kinderen en de ouders. Met de GI heeft de vrouw, ook buiten kantoortijden, een vast aanspreekpunt bij wie zij met haar zorgen terecht kan. Dat kan al direct in het intake-\u002Fkennismakingsgesprek, maar ook gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling en tijdens de uitvoering van de zorgregeling, met name indien zich een incident heeft voorgedaan. Het is dan aan de betrokken professionals van de GI om te beoordelen of er nadere actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van het maken van veiligheidsafspraken. Op die manier moet de ondertoezichtstelling voorkomen dat de vrouw op eigen initiatief (opnieuw) het contact tussen de kinderen en hun vader verbreekt, terwijl de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat de ondertoezichtstelling daarmee bijdraagt aan het ontstaan van een basis van vertrouwen tussen partijen.\n\nInformatieregeling\n\n4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een regeling vaststellen die betrekking heeft op de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\n4.19. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige regeling bepaald dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de kinderen met betrekking tot hun gezondheid, ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en vrijetijdsbesteding.\n\n4.20. Aangezien de vrouw zich niet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling verzet, zal de rechtbank de hiervoor weergegeven voorlopige regeling, die ook past bij de afspraak die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve informatieregeling bepalen. Met hulpverlening zullen partijen moeten werken aan een geschikte vorm waarin de vrouw de man informeert. Daarnaast merkt de rechtbank op dat van de man als gezagsdragende ouder van beide kinderen ook verwacht wordt dat hij zich uit eigen beweging tot verschillende instanties (zoals kinderopvang, school, sportvereniging, medisch behandelaars) zal wenden om zich betrokken te tonen bij en op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de kinderen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.12. De rechtbank zal de beslissingen over het gezag, de zorg- en informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, direct uitgevoerd kunnen worden.\n\nProceskosten\n\n4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nbepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ;\n\n5.2. bepaalt dat de man en de minderjarigen\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , en\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nin het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.3. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de gezondheid van de hiervoor genoemde kinderen, hun ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, hun sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en hun vrijetijdsbesteding;\n\n5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham, griffiers, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","2026-07-13T00:28:37.194Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":111,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":113},"572","ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","ecli-nl-rbzwb-2026-5445","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking op de vraag van de minderjarigen door middel van een informele rechtsingang\n\n [minderjarige 1] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nen\n\n [minderjarige 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,\n\nwonende te [plaats 1] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1. Het verloop van de zaak\n\n1.1. Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n1.2. De kinderrechter heeft op 25 maart 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over hun e-mailbericht.\n\n1.2. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders (en de Raad) uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Hierbij zijn verschenen: de ouders en hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3. Op 17 april 2026 heeft [minderjarige 2] nog een brief aan de kinderrechter gestuurd.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op [datum 1] 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 2] . Binnen dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum 2] 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. Partijen hebben vervolgens de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Tussen de ouders is een procedure aanhangig bij deze rechtbank bekend onder het nummer met kenmerk C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24-6047. In deze procedure heeft de man verzocht om de zorgregeling te wijzigen en is door de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten. Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigvastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. De man heeft in die procedure vervolgens verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n3. De vraag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n3.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen de kinderrechter feitelijk om de (voorlopige) zorgregeling te wijzigen en [minderjarige 1] vraagt daarnaast om haar hoofverblijf te wijzigen. Zij wil dat haar hoofdverblijf bij haar vader zal zijn.\n\n3.2. \n [minderjarige 1] geeft, samengevat, aan dat zij het liefst bij haar vader wil gaan wonen. Zij heeft het bij haar moeder niet altijd fijn en dat komt omdat zij niet goed kan opschieten met de nieuwe vriend van haar moeder. Hij heeft haar een keer met de platte hand in haar gezicht geslagen, nadat zij ruzie had met [minderjarige 2] . En hij heeft haar ook een keer tegen een muur aan geduwd en hard tegen haar geschreeuwd. De vriend van haar moeder is 2 meter lang en zij voelde zich op dat moment heel erg geïntimideerd. Verder praat de vriend van haar moeder ook slecht over haar vader en daar heeft [minderjarige 1] ook veel last van. Een week op week af regeling vindt [minderjarige 2] op dit moment goed, maar zij wil uiteindelijk bij haar vader gaan wonen.\n\n3.3. \n [minderjarige 2] geeft, samengevat, aan dat zij graag meer bij haar vader wil zijn. Zij twijfelt nog wel over welke zorgregeling zij precies wil. [minderjarige 2] wil uiteindelijk waarschijnlijk tot een week op week af regeling te komen, maar zij wil dat dan wel rustig opbouwen. Dus bijvoorbeeld eerst een halve week en een week in de maand naar haar vader gaan. Zij is namelijk bang dat zij een directe verandering naar een week op week af regeling niet aan kan. Verder vindt [minderjarige 2] het belangrijk dat zij bij een nieuwe zorgregeling naar haar handbaltrainingen en wedstrijden kan blijven gaan. Zij speelt topklasse handbal en het is ook een heel leuk team. Als zij een keer niet naar de training of een wedstrijd kan, dan wil zij dat haar vader daar met haar overlegt voordat zij wordt afgemeld. Verder wil [minderjarige 2] ook als zij bij haar vader is met haar vrienden kunnen afspreken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat er voor de komende periode een nieuwe zorgregeling is overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus meer contact hebben met de vader. Er is afgesproken dat [minderjarige 1] om de week een hele week bij de man verblijft (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27) en [minderjarige 2] een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader zal zijn. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] , die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is 8 jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hootp dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De beoordeling van de kinderrechter\n\n5.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.\n\nDe vraag van [minderjarige 1] over het wijzigen van haar hoofdverblijf5.2. De kinderrechter gaat geen (ambtshalve) beslissing nemen over de vraag van [minderjarige 1] om haar hoofdverblijf te wijzigen. De vader heeft inmiddels in de procedure die tussen ouders loopt ook verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Het bepalen van het hoofdverblijf hoort wat de kinderrechter betreft meer thuis in de procedure tussen de ouders dan in het kader van een informele rechtsingang.\n\nDe vragen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het wijzigen van de zorgregeling5.3. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. [hulpverlening] is nu gestart met een hulpverleningstraject. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en dus ook een definitieve zorgregeling. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader.\n\n5.4. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de overeengekomen regeling voorlopigvaststellen en deze zaak aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum. Van de advocaten van de ouders wordt verwacht dat zij de kinderrechter uiterlijk op die datum schriftelijke informeren over de resultaten, dan wel stand van zaken omtrent de zorgregeling en het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . Het rapport van [hulpverlening] zal worden ingebracht in de hiervoor vermelde tussen de ouders aanhangige procedure.\n\n5.5. De beslissing over de voorlopigezorgregeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als eventueel hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5.6. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen ieder een brief met een uitleg van de beslissingen van de kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 1] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat jij het liefst bij je vader wil wonen en dat je hem in ieder geval vaker wil zien. Je ouders hebben samen een regeling voor de komende maanden afgesproken, waarbij jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nVoor wat betreft het hoofdverblijf, gaat de kinderrechter nu geen beslissing nemen. Tussen je ouders loopt er een juridische procedure en de kinderrechter vindt de vraag over waar jij je hoofdverblijf moet hebben beter in die procedure passen. Uiteindelijk zal daar dus een beslissing over genomen worden, maar eerst zal worden bekeken hoe de uitgebreidere contacten met je vader gaan verlopen.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 2] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 17 april 2026 heb jij nog een aanvullende e-mail gestuurd. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat je meer contact wil met je vader, maar dat je nog niet precies weet hoe je dat het liefste wilt. Je ouders hebben samen afspraken gemaakt de komende maanden, waarbij ze hebben afgesproken dat jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\n6. De beslissing van de kinderrechter\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1. neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige 1] om het hoofdverblijf van haar bij de vader te bepalen;\n\n6.2. bepaalt ambtshalve dat de bij beschikking van 10 juni 2025 vastgestelde voorlopige contactregeling wordt gewijzigd en bepaalt dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopigzal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader;\n\n6.3. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot 25 augustus 2026 pro forma,in afwachting van een schriftelijke reactie van de advocaten van de ouders zoals staat beschreven in rechtsoverweging 5.4;\n\n6.5. houdt iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nVoor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:\n\na. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nb. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nc. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nd. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","2026-07-13T00:28:37.399Z",{"id":115,"ecli":116,"slug":117,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":119,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":122},"490","ECLI:NL:RBZWB:2026:5415","ecli-nl-rbzwb-2026-5415","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441650 FA RK 25\u002F5732\n\ndatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A. van Tol-Macharoblishvili,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. J.W.J. van den Broek.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 6 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek\n\n met bijlagen;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Tol-Macharoblishvili van 9 april 2026 met als bijlage\n\n het door partijen op 2 en 9 april 2026 ondertekende echtscheidingsconvenant;\n\n- het F9-formulier van mr. Van den Broek van 13 april 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op [datum] 2024 te [plaats] , Suriname, met elkaar gehuwd;\n\n- uit hun huwelijk zijn geen minderjarige kinderen geboren;\n\n- de vrouw bezit in ieder geval de Surinaamse nationaliteit en de man bezit de Nederlandse nationaliteit;\n\n- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De man verzoekt nu, samengevat,\n\n- echtscheiding;\n\n- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n3.2. De vrouw verzoekt nu, samengevat, opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Bij F9-formulier van 9 april 2026 is namens de man bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een convenant. Gelet hierop wijzigt de man zijn verzoek op de wijze zoals hiervoor onder 3.1. is weergegeven. Verder verzoekt de man de zaak schriftelijk af te doen.\n\n4.2. Bij F9-formulier van 13 april 2026 is namens de vrouw bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt. De vrouw wijzigt haar verzoek op de wijze zoals hiervoor onder 3.2. is vermeld. Ook de vrouw heeft aangegeven dat er geen mondelinge behandeling hoeft plaats te vinden.\n\nEchtscheiding\n\n4.3. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoek partijen hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.\n\n4.4. In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt erkend in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.\n\n4.5. Uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Op grond van artikel 10:31 lid 4 BW wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.\n\n4.6. De man heeft een gewaarmerkt en gedateerd afschrift van de huwelijksakte in het geding gebracht. Gelet hierop wordt vermoed dat het huwelijk tussen partijen rechtsgeldig is voltrokken. De rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden die het rechtsvermoeden van artikel 10:31 lid 4 BW weerleggen. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat dit huwelijk niet voor erkenning in Nederland vatbaar is, omdat die erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland (artikel 10:32 BW) is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het huwelijk in Nederland kan worden erkend.\n\n4.7. De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit verzoek zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.\n\nConvenant\n\n4.8. Op verzoek van partijen zullen de door partijen onderling getroffen regelingen worden opgenomen in de beschikking.\n\n4.9. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.\n\n4.10. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2024 te [plaats] , Suriname, met elkaar gehuwd;\n\n bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde convenant deel uitmaken van deze beschikking;\n\n wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5415","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.121Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":127,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":129},"430","ECLI:NL:RBZWB:2026:5423","ecli-nl-rbzwb-2026-5423","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F447020 \u002F JE RK 26-635\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nLEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarigen:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\n hierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. S.O. Zengin te Den Haag,\n\nDE HEER EN MEVROUW [de pleegouders],\n\nhierna te noemen: de pleegouders,\n\nwonende te [woonplaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;\n\n- de bericht van mr. Zengin van 8 mei 2026, betreffende een verzoek om uitstel van de zitting;\n\n- de brief van de griffier aan mr. Zengin van 11 mei 2026;\n\n- de brief van [minderjarige 1] , ingekomen bij de griffie op 13 mei 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:\n\nde advocaat van de moeder;\n\neen vertegenwoordigster namens de GI.\n\n1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de moeder en de pleegouders niet bij de zitting verschenen. Bij aanvang van de zitting meldt de advocaat van de moeder dat haar cliënte niet naar de rechtbank zal komen. De kinderrechter zet de zitting voort bij afwezigheid van de moeder en de pleegouders.\n\n1.4.. De [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft [minderjarige 2] gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter een brief geschreven. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige 2] heeft verteld en [minderjarige 1] heeft geschreven, waarna zij de gelegenheid kregen om daarop te reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 21 augustus 2020 onder toezicht gesteld van de GI. Sinds 20 november 2020 is sprake van een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. Laatstelijk, bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 mei 2025, beide maatregelen verlengd tot 21 mei 2026.\n\n2.4.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectiefbiedend pleeggezin.\n\n2.5.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 april 2026 waarin de Raad adviseert om in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.\n\n3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien al jaren op in het pleeggezin. Zij ervaren daar veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit. Met de pleegouders hebben zij een stevige hechtingsrelatie opgebouwd. In de thuissituatie bij de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onveiligheid meegemaakt, met zorgen over de leefomgeving, het onder invloed zijn van de moeder, schulden en het structureel niet nakomen van afspraken door de moeder.\n\n4.2.. Als gevolg van de thuissituatie bij de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder kind-eigenproblematiek. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met trauma- en hechtingsproblematiek. Er zijn zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, identiteits- en cognitieve ontwikkeling. Op school laat [minderjarige 1] gedragsproblemen zien. Recent is hij overgestapt naar speciaal onderwijs. [minderjarige 1] is gestart met een behandeltraject bij [jeugdzorginstelling] . Hij heeft baat bij structuur, voorspelbaarheid en een vast ritme. [minderjarige 2] laat kenmerken van verlatingsangst zien. Ook bij hem zijn er zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling. Ook [minderjarige 2] is gestart bij [jeugdzorginstelling] voor screening en behandeling. Tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is sprake van interactieproblemen. Er is geadviseerd om middels EMDR-storytelling belastende ervaringen binnen de broerrelatie te verwerken met als einddoel de onderlinge relatie te verbeteren.\n\n4.3.. Vanwege de problemen in de onderlinge relatie tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het elkaar versterken in negatief gedrag, hebben zij sinds kort apart van elkaar contact met de moeder. De frequentie in het contact is vanwege de behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangepast. Inmiddels is dit eens per twee weken, twee uur. Met de omgangsbegeleiding is de moeder tevreden. In december 2025 heeft zich een incident plaatsgevonden tijdens het contact met de moeder waarna [minderjarige 1] ontregeld is geraakt. Onverwachts had de moeder haar nieuwe partner meegenomen. Deze partner had maar één arm. Ook reed de moeder weg in een auto, terwijl [minderjarige 1] wist dat zij geen rijbewijs heeft.\n\n4.4.. De moeder bevindt zich momenteel in een onzekere woonsituatie. Zij is onverwachts uit haar woning gezet. Dit zorgt bij haar voor stress en praktische problemen. De moeder krijgt ondersteuning van [stichting] .\n\n4.5.. De verlenging van de maatregelen is nodig om de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders te waarborgen, alsook hun behandeltraject bij [jeugdzorginstelling] . Dit is in volle gang. Ook omgangsbegeleiding moet gecontinueerd worden. In de komende periode worden de omgangsmomenten in duur verlengd tot drie uur, afhankelijk van de activiteit die ondernomen wordt. Daarnaast zal er in de komende periode een borgingsplan worden opgesteld, waarbij het de wens is om de casus over te dragen naar een vrijwillig kader en te realiseren dat de moeder en de pleegouders de contactmomenten zelfstandig kunnen regelen.\n\n5. Het standpunt van belanghebbende\n\n5.1.. Namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij tevreden is met de huidige vorm van omgang waarbij zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] los van elkaar ziet. Er is daardoor met beiden meer ‘quality time’. Dat de omgang verder wordt uitgebreid, vindt de moeder fijn. Uiteraard zou de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer willen zien, maar zij realiseert zich dat dit nu niet kan. Zij accepteert het gegeven advies van [jeugdzorginstelling] en maakt een pas op de plaats. Op een dag zou de moeder willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar komen wonen, maar anderzijds ziet de moeder ook dat zij het goed hebben bij de pleegouders. Om die reden kan de moeder dan ook instemmen met de verzoeken.\n\n6. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onverminderd in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter constateert dat de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling nog altijd aanwezig zijn. De situatie ten opzichte van de vorige beschikking is daarin niet veranderd.\n\n6.6.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben intensieve hulpverlening nodig en bevinden zich in een kwetsbare situatie, ook ten opzichte van elkaar. Behandeling bij [jeugdzorginstelling] is in volle gang en is gericht op het verwerken van belastende ervaringen en het verbeteren van hun onderlinge band. De inzet van deze hulpverlening moet gewaarborgd blijven.\n\n6.7.. Ook de omgangsbegeleiding is op dit moment nog nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien de moeder tweewekelijks, los van elkaar. De aanwezigheid van de omgangsbegeleidster biedt hen rust. Hoewel uit het kindgesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] is gebleken dat zij langer omgang wensen met de moeder, is ter zitting besproken dat de omgang inmiddels al in duur is verlengd. De omgang met de moeder verloopt over het algemeen goed, maar blijft ook risicovol. De kinderrechter verwijst daarbij naar het incident in december 2025, zoals gemeld in rechtsoverweging 4.3.\n\n6.8.. Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De ingezette hulpverlening blijft daarmee gewaarborgd en de GI blijft daarmee als regievoerder betrokken. In de komende periode zal, naast het continueren van de hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook worden bekeken of en in hoeverre de omgang verder kan worden uitgebreid en zal er een borgingsplan worden opgesteld en toegewerkt worden naar een overdracht naar het vrijwillig kader. Zoals ter zitting uitvoering is besproken staan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd onder toezicht. Er moet dan ook zicht komen op een overdracht naar het vrijwillig kader. Indien en voor zover een nieuwe verlenging nodig is, vraagt de kinderrechter de GI om dit borgingsplan te overleggen, dan wel uitvoerig te onderbouwen waarom het niet is gelukt om een borgingsplan op te stellen én wat daaruit de gevolgtrekking is.\n\n6.9.. Over de machtiging tot uithuisplaatsing kan de kinderrechter kort zijn. Deze maatregel dient verlengd te worden om het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het perspectiefbiedend pleeggezin te waarborgen. Daar ontwikkelen zij zich goed en ervaren zij de veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit die zij nodig hebben.\n\n6.10.. De kinderrechter geeft de GI tot slot nog het volgende mee. Sinds 1 juli 2025 hanteert de rechtbank een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De kinderrechter benoemt bij het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing voor welke categorie die machtiging wordt afgegeven. In het geval van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing ‘in een pleeggezin’. Dit valt in de categorie een ‘voorziening voor pleegzorg’.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n6.11.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.\n\nBrief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n6.12.. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief, die naar het adres van de pleegouders zal worden gestuurd, zullen zij het volgende lezen:\n\nBeste [minderjarige 1] ,\n\nOp 20 mei 2026 is er een zitting geweest over een verlenging van jouw ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ik heb je gevraagd om mij te laten weten wat je daarvan vindt.\n\nJij hebt mij een brief geschreven en uitgelegd wat jij vindt. Je gaf aan dat je het fijn hebt bij je pleegouders en je daar graag wil blijven wonen. Je wil ook graag dat het contact met je mama wat langer is.\n\nTijdens de zitting heb ik ook met de jeugdbeschermer, [persoon] en de advocaat van je mama gesproken. Iedereen was het erover eens dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu nog nodig zijn. Ik vind dat ook en daarom heb ik deze worden verlengd met één jaar. Dat betekent dat [persoon] bij jullie betrokken blijft en dat de hulpverlening bij [jeugdzorginstelling] ook door blijft gaan. Je blijft dan bij je pleegouders wonen.\n\nTijdens de zitting is het ook gegaan over het contact met jullie moeder. Iedereen is het erover eens dat het voor jullie fijn is om jullie moeder te zien met begeleiding. Voorlopig blijft dit zo. Van [persoon] heb ik begrepen dat de duur van het contact met je mama al is uitgebreid.\n\nIk wens jullie allebei het beste toe en ik hoop dat jullie het bij de hulpverlening goed blijven doen. Dit zal jullie helpen voor de toekomst. Als jullie vragen hebben over deze brief, dan kunnen jullie die stellen aan [persoon] . Zij was bij de zitting aanwezig en weet wat er is besproken.\n\nVriendelijke groeten, ook namens de griffier,\n\nmr. Sumner\n\nDe kinderrechter\n\nEn de brief voor [minderjarige 2] :\n\nBeste [minderjarige 2] ,\n\nOp 20 mei 2026 is er een zitting geweest over een verlenging van jouw ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ik heb je gevraagd om mij te laten weten wat je daarvan vindt.\n\nIk heb met jou op de rechtbank een gesprek gehad. Ik vond het een fijn gesprek en ik hoop dat jij dat ook vond. Je hebt mij verteld dat je graag bij je pleegouders wil blijven wonen. Je gaf ook aan dat je het contact met je moeder te kort vindt. Ook vertelde je me over jouw hobby’s, zoals vissen. Ik heb hierover veel van je geleerd!\n\nTijdens de zitting heb ik ook met de jeugdbeschermer, [persoon] en de advocaat van je mama gesproken. Iedereen was het erover eens dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu nog nodig zijn. Ik vind dat ook en daarom heb ik deze worden verlengd met één jaar. Dat betekent dat [persoon] bij jullie betrokken blijft en dat de hulpverlening bij [jeugdzorginstelling] ook door blijft gaan. Je blijft dan bij je pleegouders wonen.\n\nTijdens de zitting is het ook gegaan over het contact met jullie moeder. Iedereen is het erover eens dat het voor jullie fijn is om jullie moeder te zien met begeleiding. Voorlopig blijft dit zo. Van [persoon] heb ik begrepen dat de duur van het contact met je mama al is uitgebreid.\n\nIk wens jullie allebei het beste toe en ik hoop dat jullie het bij de hulpverlening goed blijven doen. Dit zal jullie helpen voor de toekomst. Als jullie vragen hebben over deze brief, dan kunnen jullie die stellen aan [persoon] . Zij was bij de zitting aanwezig en weet wat er is besproken.\n\nVriendelijke groeten, ook namens de griffier,\n\nmr. Sumner\n\nDe kinderrechter\n\n6.13.. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;\n\n7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5423","2026-07-13T00:28:29.536Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":134,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":136},"399","ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","ecli-nl-rbzwb-2026-5413","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nC\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-3226 maart 2025\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F430758 \u002F HA ZA 25-32\n\nVonnis van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende op het [adres] , [woonplaats 2] ),\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.\n\n1. De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 23 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n de akte uitlaten rechtsmacht en toepasselijk recht van de zijde van de vrouw;\n\n de mondelinge behandeling op 19 november 2025;\n\n de akte uitlaten en wijzigen eis van de zijde van de vrouw;\n\n het op 27 januari 2026 aan de man uitgebrachte betekeningsexploot.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil2.1. Na wijziging van eis vordert de vrouw nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nter zake de polis bij Aegon met nummer [nummer 1]\n\nI. voor recht te verklaren dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de polis bij Aegon (polisnummer [nummer 1] ), als ook de verdeling van het tijdens huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\nII. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de nog onverdeelde waarde uit de polis bij Aegon ten bedrage van (50% van € 40.325,=) € 20.162,50, althans (50% van € 39.171,98) € 19.585,99, althans een nader te bepalen bedrag, te voldoen binnen twee weken na dit vonnis, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is en over het toe te kennen bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nter zake het pensioen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens\n\nprimair\n\nIII. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), in die zin dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen;\n\nsubsidiair\n\nIV. de man te verplichten aan de vrouw opgave te doen van de aan hem toekomende pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens binnen twee weken na dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag dat de man nalatig is uitvoering te geven aan de veroordeling tot het doen van opgave aan de vrouw van de aan hem toekomende pensioenuitkering, met een maximum van € 50.000,=, althans een nader te bepalen dwangsom;\n\nV. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen haar aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens (met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ), voor zover dit pensioen door de man is opgebouwd tijdens het huwelijk van partijen, met ingang van de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling voor de eerste van elke maand te voldoen, bij uitblijven waarvan de man in verzuim is vanaf de eerste dag van elke maand dat de man niet heeft betaald en hij over het aan de vrouw toekomende aandeel van het door de man opgebouwde pensioen tijdens het huwelijk de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag der algehele voldoening;\n\nen overigens\n\nVI. de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat van de vrouw, alsmede de nakosten\u002Fhet nasalaris.\n\n3. De nadere beoordelingBetekening \u002F verstekverlening\n\n3.1. Blijkens het (tussen)vonnis van 23 juli 2025 is tegen de man verstek verleend. Vervolgens heeft de vrouw bij akte van 14 januari 2026 haar vorderingen gewijzigd.\n\n3.2. Nu de man in de Dominicaanse Republiek woont, moet betekening gebeuren volgens de bepalingen in het Haags Betekeningsverdrag 1965. De rechtbank stelt vast dat zowel de dagvaarding als de akte van wijziging van eis op juiste wijze aan de man zijn betekend. Ook na de wijziging van eis is de man niet in de procedure verschenen. Voor zover nodig wordt in dit vonnis ter zake de gewijzigde vorderingen van de vrouw tegen de man verstek verleend.\n\n3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de vorderingen van de vrouw en zo ja, welk recht op die vorderingen van toepassing is.\n\nPolis bij Aegon, met nummer [nummer 1] (vorderingen onder I. en II.)\n\n3.4. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van het huwelijk een beleggingspolis bij Aegon hadden (met nummer [nummer 1] ), welke tot de huwelijksgemeenschap behoorde. In het kader van de echtscheiding heeft de vrouw verzocht om over te gaan tot verdeling van de waarde van de polis door splitsing of afkoop, maar de man wilde hier niet aan meewerken. In de afgelopen jaren heeft de vrouw de man meerdere keren aangeschreven met het verzoek om alsnog tot verdeling van de waarde van de Aegon polis over te gaan. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de polis per datum echtscheiding, zijnde 22 juni 2015. Volgens de vrouw is de polis vanaf 20 mei 2021 tot uitkering gekomen. De waarde van de polis per 20 mei 2021 werd volgens de vrouw gegarandeerd tot in ieder geval € 40.325,=, waarvan aan haar de helft toekomt, zijnde een bedrag van € 20.162,=.\n\n3.5. De vordering van de vrouw onder I., voor zover deze betrekking heeft op de Aegon polis, en de vordering onder II. strekken, kort samengevat, tot verdeling van de waarde van de polis van Aegon. Deze vorderingen vloeien voort uit het staken van de huwelijksband tussen partijen. Gelet hierop moet de rechtsmacht beoordeeld worden aan de hand van de Huwelijksvermogensrechtverordening. Op grond van het bepaalde in artikel 6 onder b van deze verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland was en de vrouw daar op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak nog verblijft.\n\n3.6. De vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime moet worden beantwoord aan de hand van het Chelouche-Van Leer arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275), omdat het huwelijk van partijen is gesloten voor 1 september 1992 en het Haags Huwelijskvermogensverdrag niet van toepassing is. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing, omdat beide partijen ten tijde van huwelijkssluiting beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.\n\n3.7. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht brengt mee dat partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw alsnog verdeling van de waarde van de polis van Aegon vordert in die zin dat de polis aan de man moet worden toegedeeld, onder gehoudenheid de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. Met betrekking tot de Aegon polis kunnen de vorderingen van de vrouw onder I. en II. als niet weersproken worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum is verwoord.\n\nPensioen (vorderingen onder I., III., IV. en V.)\n\n3.8. De vorderingen van de vrouw met betrekking tot het pensioen strekken tot verevening van het door de man tijdens het huwelijk bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens opgebouwde pensioen en op de uitvoering van die verevening.\n\n3.9. Gelet op de woonplaats van de man in de Dominicaanse Republiek zijn er geen verdragen of EU-verordeningen van toepassing die het onderwerp van de pensioenverevening tussen voormalige echtgenoten bestrijken. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter zal dan ook op grond van artikel 1 Rv moeten worden beoordeeld volgens de regels van het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht, zoals neergelegd in de artikelen 2 tot en met 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv.).\n\n3.10. De vrouw betoogt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 9, aanhef en onder c, Rv., omdat de zaak voldoende met de Nederlandse rechtssfeer is verbonden en het onaanvaardbaar is om van de vrouw te vergen dat zij de zaak aan het oordeel van een rechter in de Dominicaanse Republiek onderwerpt. Ook is de Nederlandse rechter volgens de vrouw bevoegd omdat de vorderingen verband houden met Nederlandse pensioenrechten en Nederlands huwelijksvermogensrecht.\n\n3.11. De rechtbank stelt vast dat artikel 9 Rv. twee cumulatieve voorwaarden stelt voor de uitoefening van een noodbevoegdheid door de Nederlandse rechter, te weten: (i) de zaak is voldoende verbonden met de rechtssfeer van Nederland en (ii) het is onaanvaardbaar om van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt. Voldoende binding met Nederland volgt uit het feit dat de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland en dat de vordering van de vrouw ziet op pensioen dat in Nederland en bij een Nederlands pensioenfonds (Stichting Pensioenfonds Hoogovens) is opgebouwd. Daarnaast ontvangt de vrouw een bijstandsuitkering en kan naar het oordeel van de rechtbank niet van haar gevergd worden dat zij een gerechtelijke procedure gaat voeren in de Dominicaanse Republiek. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten van artikel 9, aanhef en onder c, Rv., zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.\n\n3.12. Vervolgens moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is op de vorderingen van de vrouw. In artikel 10:51 BW is bepaald dat de vraag, of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 1 lid 7 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS), dat bepaalt dat de Nederlandse wet de Verevening beheerst van pensioenrechten die opgebouwd zijn ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4-6 WVPS.\n\n3.13. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man in Nederland voor verevening vatbare pensioenrechten heeft opgebouwd, te weten bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens. Derhalve is Nederlands recht van toepassing op de vordering van de vrouw ter zake de verevening van het pensioen.\n\n3.14. Overeenkomstig de vordering van de vrouw (onder I.) zal de rechtbank voor recht verklaren dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen bij Stichting Pensioenfonds Hoogovens (polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] ) opgebouwde pensioen nog niet is verevend. Dit nu door de man geen verweer is gevoerd tegen de vordering van de vrouw.\n\n3.15. Ook het door de vrouw onder III. gevorderde zal als niet weersproken worden toegewezen. Nu het door de vrouw primair gevorderde wordt toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen onder IV. en V. geen verdere bespreking. Deze subsidiaire vorderingen zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten (vordering onder VI.)\n\n3.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat en nakosten.\n\n3.17. In zaken tussen ex-echtgenoten is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. De vordering van de vrouw zal worden afgewezen en de proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.\n\n3.18. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tevens vergoeding van nakosten wenst, maar ingevolge artikel 8 van het liquidatietarievenbesluit bestaat in geval van proceskostencompensatie geen aanspraak op vergoeding van nakosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1. verleent verstek tegen de man;\n\n4.2. verklaart voor recht dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap na echtscheiding nog niet volledig heeft plaatsgevonden, maar dat de verdeling van de polis bij Aegon, met nummer [nummer 1] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.3. deelt de polis bij Aegon met nummer [nummer 1] toe aan de man, onder de verplichting van de man om de helft van de waarde van € 40.325,= aan de vrouw te betalen, zijnde een bedrag van € 20.162,50;\n\n4.4. veroordeelt de man om, binnen twee weken na dit vonnis, ter zake de onverdeelde waarde van de hiervoor genoemde polis bij Aegon een bedrag van € 20.162,50 (twintigduizend eenhonderdentweeënzestig euro en vijftig eurocent) aan de vrouw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de man in verzuim is tot de dag van algehele betaling;\n\n4.5. verklaart voor recht dat de verevening van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Pensioenfonds Hoogovens met polisnummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] nog uitgevoerd moet worden;\n\n4.6. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking en uitvoering van de man aan het betalen van het aan de vrouw toekomende aandeel uit de maandelijks door de man te ontvangen pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens, uit de polis met nummer [nummer 2] \u002F [nummer 3] , op die manier dat de Stichting Pensioenfonds Hoogovens rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen haar aandeel uit de maandelijks door de man ter zake voormeld polisnummer te ontvangen pensioenuitkeringen van de Stichting Pensioenfonds Hoogovens vanaf de dag dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van elke maand;\n\n4.7. verklaart de beslissingen hiervoor onder 4.3., 4.4. en 4.5. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.9. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Meyboom, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk,\n\n griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5413","2026-07-13T00:28:27.849Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":141,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":143},"421","ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","ecli-nl-rbzwb-2026-5414","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F442299 FA RK 25\u002F6059\n\n20 mei 2026\n\nbeschikking betreffende echtscheiding\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. J.A.E. van Raak-Kuiper.\n\n1. Het procesverloop\n\nDit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 24 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;\n\n- het op 26 januari 2026 ontvangen gecorrigeerde verzoekschrift;\n\n- het F9-formulier van mr. Smeulders-Martens van 4 februari 2026 met als bijlage een door partijen op 29 januari en 1 februari 2026 ondertekend ouderschapsplan;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 9 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 11 maart 2026;\n\n- de brief van mr. Smeulders-Martens van 20 maart 2026;\n\n- het F9-formulier van mr. Van Raak-Kuiper van 23 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- zij zijn op [datum] 2020 in de gemeente Dongen met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;\n\n- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\n3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2025.\n\n- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;\n\n- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.\n\n3. Het verzoek\n\nDe vrouw verzoekt nu, samengevat,\n\n- echtscheiding;\n\n- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve\n\nvan de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 25,= per maand per kind;\n\n- opneming van de door partijen getroffen regelingen in de beschikking.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Bij brieven van 11 en 19 maart 2026 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dit is vastgelegd in een ouderschapsplan. Gelet hierop wijzigt de vrouw haar verzoek zoals hiervoor onder 3. is weergegeven. Verder verzoekt de vrouw, zo de rechtbank begrijpt, de zaak schriftelijk af te doen.\n\n4.2.. Bij F9-formulier van 23 maart 2026 is namens de man bericht dat hij instemt met de gewijzigde verzoeken van de vrouw. De rechtbank begrijpt dat ook de man geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling.\n\n4.3.. Aangezien het verzoek op de wet is gegrond en de man hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Hierbij overweegt de rechtbank ten aanzien van het ouderschapsplan en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 3] is. Nu [minderjarige 3] echter binnen het huwelijk van partijen is geboren, is de man wel de juridische vader. De vrouw heeft een procedure aanhangig gemaakt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk ontstane vaderschap. Gelet hierop zal de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het ouderschapsplan geen betrekking heeft op [minderjarige 3] en er voor hem geen onderhoudsbijdrage wordt verzocht.\n\n4.4.. Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.\n\n4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2020 in de gemeente [woonplaats 1] met elkaar gehuwd;\n\n bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 februari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen\n\n1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2020,\n\n2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022,\n\naan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 25,= (vijfentwintig euro) per maand;\n\ncompenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;\n\n wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5414","2026-07-13T00:28:29.040Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":148,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":149,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":150},"542","ECLI:NL:RBZWB:2026:5420","ecli-nl-rbzwb-2026-5420","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446131 \u002F JE RK 26-454\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant 's-Hertogenbosch, gevestigd te 's-Hertogenbosch,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. W.H.P. de Jongh uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. De Jongh van 15 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\n- twee vertegenwoordigers van de GI.1.3.. De vader en zijn advocaat zijn juist opgeroepen, maar niet verschenen. De advocaat van de vader heeft voorafgaand aan de zitting aan de kinderrechter te kennen gegeven dat zowel hij als de vader niet aanwezig zullen zijn.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De mening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aan de kinderrechter verteld dat zij het fijn hebben bij de moeder en haar nieuwe partner. Zij willen op dit moment geen contact met de vader.\n\n5. De standpunten\n\n5.1.. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het navolgende naar voren gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hadden bij aanvang van de ondertoezichtstelling al geruime tijd de vader niet gezien en er waren zorgen rondom [minderjarige 2] . De zorgen over de schoolgang en het welbevinden van [minderjarige 2] zijn in de loop van het jaar toegenomen. Het lukte hem niet om mee te komen in de groep en hij ging nog maar halve dagen naar school. In het najaar is hij door school aangemeld bij de [school] , een geïntegreerde onderwijs- en zorgsetting voor kinderen uit het primair onderwijs die uit dreigen te vallen op school, met als doel hen duurzaam te laten terugkeren naar passend regulier onderwijs. Hier is [minderjarige 2] uiteindelijk medio januari 2026 toegelaten. Om versnippering van de hulpverlening te voorkomen en de samenwerking en effectiviteit te vergroten is Expertise In Ervaren (E-I-E) ingezet voor systemische therapie zowel thuis als op school en [praktijk] in onderaannemerschap voor het contacthersteltraject. Door wachtlijsten zit de hulpverlening nog in een voortraject, maar de eerste gesprekken hebben plaatsgevonden of zullen op korte termijn plaatsvinden. Hoewel de vader zich heeft geconformeerd aan het contacthersteltraject en zich tijdens de eerste gesprekken heeft opengesteld, verloopt de verdere samenwerking zeer moeizaam. De vader voelt zich machteloos en is gefrustreerd waardoor het hem niet lukt om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Zo is hij na twee keer al gestopt met het versturen van kaartjes naar de kinderen. De samenwerking met de moeder verloopt goed en zij neemt adviezen aan en handelt daar ook naar. De ingezette hulpverlening zal veel van de moeder als hoofdopvoeder gaan vragen. Zij moet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stabiliteit bieden terwijl zij zelf ook nog wel last heeft van de traumatische gebeurtenissen uit het verleden.\n\n5.2.. De moeder heeft naar voren gebracht dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Zij ziet de positieve ontwikkelingen die de ondertoezichtstelling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gebracht.\n\n5.3.. De advocaat van de vader heeft middels voornoemd bericht aangegeven dat de vader geen verweer voert tegen verlenging van de ondertoezichtstelling.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\na. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en\n\nb. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n6.4.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over hen zoals omschreven in de vorige beschikking zijn onverminderd aanwezig. Zij hebben veel meegemaakt en hebben verbleven in een spanningsvolle gezinssituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al geruime tijd geen contact met de vader. Het lukt de vader niet om hen te geven wat zij nodig hebben, namelijk erkenning voor wat zij hebben meegemaakt en betrouwbaarheid. Hierdoor blijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] last houden van de situatie. Daarnaast kampt [minderjarige 2] met kind-eigenproblemen en gaat hij sinds kort naar [school] , een geïntegreerde onderwijs- en zorgsetting. De nodig geachte hulpverlening voor systemische behandeling bij E-I-E en het contacthersteltraject bij [praktijk] is pas net van de grond gekomen. De bij de ondertoezichtstelling bepaalde doelen zijn dan ook nog niet behaald. Hieraan dient in de komende periode verder te worden gewerkt.\n\n6.5.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter acht betrokkenheid van en regievoering door de GI noodzakelijk. Immers, de verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord en het zal hen samen niet lukken om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Bovendien is de vader onvoldoende in samenwerking. De situatie is daardoor te complex om de nodig geachte hulpverlening voort te zetten in het vrijwillig kader.\n\n6.6.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen, dit gelet op alles wat er nog moet gebeuren.\n\n6.7.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6.8.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;7.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5420","2026-07-13T00:28:35.919Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":155,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":157},"470","ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","ecli-nl-rbzwb-2026-5437","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F447026 \u002F JE RK 26-638\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige],\n\ngeboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige]\n\nDe kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:\n\n [de moeder], hierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. Schietekatte uit Rotterdam,\n\n [de oma],\n\nhierna te noemen: [de oma] ,\n\nwonende in [woonplaats 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n - het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;\n\n - het stelbericht van mr. Schietekatte van 14 april 2026;\n\n - het bericht van de moeder dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn, ingekomen bij de griffie op 17 mei 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:\n\nde vader, bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\n [de oma] , bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;\n\ntwee vertegenwoordigsters namens de GI;\n\neen medewerker namens de Raad.\n\n1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder, met kennisgeving vooraf, niet bij de zitting aanwezig.\n\n1.4.. Volledigheidshalve merkt de kinderrechter hier op dat mr. Krol heeft toegelicht dat zij, anders dan het stelbericht van mr. Schiettekatte vermeldt, als waarnemend advocaat optreedt voor zowel de vader als [de oma] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [geboortedag] 2023 is [minderjarige] uit de moeder geboren.\n\n2.2.. \n\nDe vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het\n\nouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n\nDe vader heeft een relatie en woont samen met [de oma] . [de oma] is\n\nde biologische moeder van de moeder en de oma van [minderjarige] .\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 mei 2025 is [minderjarige]\n\nonder toezicht gesteld van de GI tot 23 mei 2026. Daarnaast is een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 23 augustus 2025.\n\n2.5.. Bij beschikking van 15 augustus 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 mei 2026.\n\n2.6.. \n\nOp grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft zij in een\n\nneutraal pleeggezin.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.\n\n3.2.. De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van zes maanden.\n\n3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is opgeroeid in een complex familiesysteem en heeft spanningsvolle situaties meegemaakt waarbij sprake was van huiselijk geweld. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een pleeggezin van [woongroep] . Daar ontwikkelt zij zich positief. De pleegouders zijn in staat om [minderjarige] de veilige opvoedplek te geven die zij nodig heeft.\n\n4.2.. Gezien wordt dat [minderjarige] veel last heeft van spanningen. Dit komt tot uiting in onrustig slapen. Met name voor en na de omgangsmomenten met de vader en [de oma] – eenmaal per week drie uur onder begeleiding – laat [minderjarige] spanning zien, wat zich uit in schreeuwen, spugen en het op de lip bijten. Voor en na de omgang met de moeder (eveneens eens per week drie uur onder begeleiding) zijn deze uitingen niet zichtbaar. Zij laat een beginnende hechtingsrelatie met de moeder zien. Dit maakt het extra spijtig dat de moeder in maart 2026 om een time-out heeft gevraagd en zij momenteel volledig uit contact is.\n\n4.3.. De GezinsManager (hierna: DGM) komt nog met een advies over hoe het vervolgtraject ten aanzien van de contacten met de ouders er uit moet zien. Op dit moment zijn de ouders zoekende hoe zij, los van het verleden, gezamenlijk vorm kunnen geven aan toekomstgericht ouderschap. Het wantrouwen tussen de ouders blijft een belemmerende factor, evenals de invloed van het bredere familiesysteem. Van gelijkwaardig ouderschap is geen sprake, terwijl dit van belang is voor de bepaling van het toekomstperspectief. De vader en [de oma] moeten leren om de moeder een rol te (blijven) geven in het leven van [minderjarige] .\n\n4.4.. Een verlenging van de maatregelen is nodig. [minderjarige] kan op dit moment niet terug naar een van de ouders. Er zijn forse zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en [de oma] . Hierop is nog geen zicht verkregen. Er blijft een zekere onzekerheid over de vraag of [minderjarige] zich kan ontwikkelen om het complexe familiesysteem. Daarnaast heeft DGM extra tijd nodig voor omgangsobservaties vanuit de thuissituatie en ouderschap-reorganisatiegesprekken. De benodigde persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] zijn nog niet afgenomen. De aanmelding voor een persoonlijkheidsonderzoek verloopt moeizaam. Meerdere zorgaanbieders zijn hiervoor benaderd. De gemeente draagt niet bij aan de kosten. De GI heeft een persoonlijkheidsonderzoek nodig naast het advies van DGM. Dit heeft betrekking op het complexe familiesysteem en de keuzes die de vader en [de oma] daarin maken. Hoe de verwekking van [minderjarige] tot stand is gekomen is bijzonder. Er zijn daarin keuzes gemaakt die door de ouders anders worden ervaren. De moeder spreekt van misbruik door de vader. Deze keuzes maken dat er mogelijk sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] , ook op het gebied van normen en waarden. De vraag is daarbij ook of er bij de vader en [de oma] sprake is van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Door middel van het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan dit uitgesloten worden.\n\n4.5.. Desgevraagd verklaart de GI bewust voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te hebben gekozen. Deze periode is passend, omdat het advies van DGM nog moet komen.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad\n\n5.1.. \n\nDoor en namens de vader en [de oma] is, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten de vader en [de oma] zich niet.\n\nTen aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht om dit verzoek voor drie maanden toe te wijzen, onder aanhouding van het resterende deel. Binnenkort, in juli, volgt een evaluatie van de hulpverlening. Dat dient te worden afgewacht alvorens er verdere beslissingen worden genomen. Ten aanzien van de persoonlijkheids-onderzoeken geldt dat de vader en [de oma] overal aan mee willen werken. In de vorige beschikking wordt onterecht als doel gesteld dat zij aan persoonlijkheidsonderzoeken dienen mee te werken. De kinderrechter kan bij een ondertoezichtstelling doelen opstellen, echter daarbij moet het altijd gaan om het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het verplicht deelnemen aan een persoonlijkheidsonderzoek valt daar niet onder. Bovendien, al zou dit verplicht kunnen worden, dan is nog de vraag wat dit oplevert, omdat dit alleen zal kijken naar de DSM en dit niets zegt over opvoedvaardigheden. De vragen die de GI beoogt te beantwoorden, namelijk ten aanzien van de normen en waarden van de vader en [de oma] , worden met een persoonlijkheidsonderzoek niet beantwoord. Hiervoor kan andere hulpverlening worden ingezet, zoals systeemtherapie. Dat er sprake is van een complexe situatie wordt niet ontkend. De geschiedenis kan echter niet gewist worden. Met de kennis van nu hadden de vader en [de oma] andere keuzes gemaakt. De vraag is echter hoe met de geschiedenis om wordt gegaan en hoe [minderjarige] hier later in mee wordt genomen. Daar moet meer zicht op komen en dat zicht is er vanuit DGM. Op dit moment is [minderjarige] neutraal geplaatst. De vader staat achter de omgang van [minderjarige] met de moeder. Daar is ook hulpverlening op ingezet. Het contact tussen [minderjarige] , de vader en [de oma] verloopt positief. Concluderend geldt; de vader en [de oma] werken over al mee, er is contact, de vader en [de oma] accepteren de moeder en DGM komt over drie maanden met een conclusie. Er is gelet daarop geen reden voor een toewijzing van het verzoek voor de duur van zes maanden.\n\n5.2.. De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI alsook de koppeling die de GI maakt tussen de resultaten van de hulpverlening door DGM als de persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] . De Raad vindt daarnaast systemisch onderzoek van belang. Het is echter niet noodzakelijk dat de twee sporen van persoonlijkheidsonderzoek en systemisch onderzoek gelijktijdig worden gelopen. Dit kan los van elkaar plaatsvinden.\n\n6. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nVerlenging ondertoezichtstelling\n\n6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van een complex familiesysteem. De vraag is of [minderjarige] zich binnen dit systeem positief kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over onveiligheid en de normen en waarden van de vader en [de oma] . Een nieuwe zorgelijke ontwikkeling is dat de moeder uit contact is getreden en dat [minderjarige] spanningen laat zien na een contactmoment met de vader en [de oma] . Dit moet verder onderzocht worden. Ook statusvoorlichting moet nog plaatsvinden.\n\n6.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de beschikking van 23 mei 2025 genoemde zorgen nog altijd aanwezig zijn. Gebleken is verder dat de vader en [de oma] zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten. Zij zijn bereid om mee te werken aan hulpverlening, alsook aan een persoonlijkheidsonderzoek, en\u002Fof systeemtherapie. Hulpverlening vanuit DGM in de vorm van ouderschap-reorganisatiegesprekken en omgangsobservatie is in volle gang. In de komende periode dient deze hulpverlening gecontinueerd te worden. Gelet op het complexe familiesysteem is dit naar het oordeel van de kinderrechter niet mogelijk in het vrijwillig kader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toewijzen.\n\nVerlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n6.7.. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij vooralsnog uit huis geplaatst blijft. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] op dit moment niet bij een van de ouders teruggeplaatst kan worden. De omgangsobservaties zijn in volle gang, alsook ontbreekt het zicht op de opvoedsituatie bij de ouders. DGM is weliswaar betrokken, maar heeft nog langere tijd nodig om tot een advies te komen. Daarnaast blijft de verhouding tussen de vader, de moeder en [de oma] zeer complex.\n\n6.8.. Ten aanzien van de duur van de verlenging zal de kinderrechter aansluiten bij het verzoek en het advies van de Raad. De kinderrechter overweegt daarbij dat is gebleken dat DGM nog tijd nodig heeft om tot een gedegen advies te komen. Wanneer de kinderrechter de verlenging zal toestaan voor de door de vader en [de oma] verzochte periode van drie maanden, zal naar verwachting van de kinderrechter de hulpverlening niet zijn afgerond. Immers, enerzijds is er nog geen duidelijkheid over de omgangsobservatie, anderzijds omdat er nog onvoldoende zicht is op wat de omgang met [minderjarige] doet én hoe de ontwikkelingen ten aanzien van de medewerking van de moeder verlopen. De kinderrechter vertrouwt er daarbij op dat, indien [minderjarige] wel teruggeplaatst kan worden bij een van de ouders, de GI hiertoe overgaat zodra dit kan.\n\n6.9.. Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. Hiermee blijft de plaatsing van [minderjarige] in haar huidige neutrale pleeggezin gewaarborgd. Gebleken is dat [minderjarige] zich hier goed ontwikkelt.\n\nDoelen ondertoezichtstelling\n\n6.10.. \n\nDe kinderrechter zal, zoals ter zitting uitvoering is besproken, ingaan op de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. De kinderrechter zal de doelen zoals genoemd in de beschikking van 23 mei 2025 in rechtsoverweging 5.4 overnemen, met uitzondering van de doelen ‘Er wordt een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij de vader en de\n\nWensmoeder en ‘Er wordt een NIKA traject ingezet om meer zicht te krijgen op de interactie\u002Fde gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de vader, [minderjarige] en de wensmoeder en [minderjarige] en de\n\nmoeder’. De kinderrechter benadrukt dat alle overige doelen van kracht blijven. Het is daarbij de GI die bepaalt of en welke hulpverlening er wordt ingezet.\n\n6.11.. Ten aanzien van de persoonlijkheidsonderzoeken volgt de kinderrechter het standpunt van de advocaat van de vader en [de oma] ; een persoonlijkheidsonderzoek kan richting geven aan de in te zetten hulpverlening, maar zal naar verwachting niet de antwoorden brengen waarnaar de GI op zoek is. Deze antwoorden kunnen ook worden gevonden bij de inzet van andere hulpverlening, zoals systeemtherapie. Dit neemt echter niet weg dat een persoonlijkheidsonderzoek wel kan bijdragen aan het krijgen van zicht op het geheel. De kinderrechter volgt de Raad in zijn standpunt dat het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan plaatsvinden naast het inzetten van systeemtherapie. Het een hoeft niet te wachten op het ander.\n\n6.12.. Indien de GI het persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk acht geeft de kinderrechter haar het volgende mee. Op grond van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor de financiering van persoonlijkheidsonderzoeken die nodig zijn in het kader van jeugdhulp aan kinderen en hun ouders (zie de artikelen 2.6 lid 1 sub a juncto 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Het is aan de GI om te regelen dat het persoonlijkheids-onderzoek plaats kan vinden en betaald wordt. De kinderrechter geeft hierbij uitdrukkelijkaan dat hij de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek volledig onderschrijft, maar de kinderrechter kan dit niet opleggen in het kader van deze maatregel.\n\n6.13.. Zoals de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, blijft het doel terugwerken naar huis. Ten aanzien van de omgang geldt dat de uitbereiding daarvan reeds is ingezet. Dit duidt erop dat in feite al wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. De kinderrechter geeft de GI mee dat wanneer wordt getwijfeld over de haalbaarheid van een thuisplaatsing, zij de Raad kunnen vragen om een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] . Dit geldt ook voor het geval de GI vasthoudt aan een thuisplaatsing en zij na zes maanden een verlenging van de uithuisplaatsing nog nodig vindt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n6.14.. \n\nDe kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar\n\nbij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast\n\nmoet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;\n\n7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5437","2026-07-13T00:28:32.061Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":118,"fullText":162,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":163,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":164},"457","ECLI:NL:RBZWB:2026:5431","ecli-nl-rbzwb-2026-5431","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F446916 \u002F KG ZA 26-187\n\nVonnis in kort geding van 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man]\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser in conventie,\n\ngedaagde in reconventie,\n\nadvocaat: mr. K. el Joghrafi,\n\ntegen\n\n [de vrouw]\n\nhierna te noemen: de vrouw;\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat: mr. F. Ergec\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de\n\nRaad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen:\n\nde Raad, de voorzieningenrechter over (een deel van) de vorderingen geadviseerd.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de (concept) dagvaarding;\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties 1 t\u002Fm 4;\n\n- de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.\n\n1.2.. Op 11 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nog minderjarige kind is geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.\n\n2.2.. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de vrouw.\n\n2.4.. Bij het uiteengaan van partijen hebben partijen een ouderschapsplan (hierna: parenting plan) opgesteld waarin een omgangsregeling is overeengekomen die inhoudt dat [minderjarige] eenmaal per 14 dagen op zaterdag en zondag bij de man zal verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.\n\n2.5.. Sinds half november 2025 is er geen omgang meer geweest tussen de man en [minderjarige] . Er is wel nog een kort contactmoment geweest in januari 2026 toen de man zijn nieuwe auto aan [minderjarige] heeft laten zien.\n\n3. De vorderingen in conventie en reconventie\n\n3.1.. De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te gebieden tot nakoming van de overeengekomen regeling, waarbij [minderjarige] eenmaal per 14 dagen van zaterdag tot zondag, alsmede gedurende de helft van de vakantie en feestdagen, bij de man verblijft.\n\n3.2.. De vrouw vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n- de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan tussen partijen met onmiddellijke ingang te schorsen;\n\n- partijen te verwijzen naar het Uniforme Hulpaanbbod (UHA);\n\n- de man te veroordelen om binnen 7 dagen na dit vonnis zijn huidige verblijfplaats (adres) schriftelijk aan de vrouw kenbaar te maken, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dat dat hij hiermee in gebreke blijft.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zullen alle vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nEr is sprake van een spoedeisend belang\n\n4.2.. De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of er een (voldoende) spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen. De man stelt dat de spoedeisendheid uit de aard van de zaak voortvloeit. De vrouw heeft zich niet uitgelaten over het spoedeisend belang in deze zaak.\n\n4.3.. Op grond van de gedingstukken en hetgeen tussen partijen is besproken ter zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen voldoende vast. Er is sprake van een omgangsregeling die niet wordt nagekomen en partijen hebben er belang bij dat er zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen over de vraag of de omgangsregeling moet worden nageleefd of dat de omgangsregeling (tijdelijk) moet worden geschorst.\n\nDe vastgelegde omgangsregeling moet worden nagekomen\n\n4.4.. De man vraagt om nakoming van de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan. Concreet betekent dit dat de man omgang wil met [minderjarige] één keer per veertien dagen op zaterdag en zondag en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De man heeft toegelicht dat gedurende een bestendige periode uitvoering is gegeven aan de regeling die is vastgelegd in het parenting plan, maar dat de vrouw sinds half november 2025 weigert de regeling na te komen. De man vindt dat er geen enkele reden is waarom de regeling zoals partijen die zijn overeengekomen niet zou moeten worden nagekomen door de vrouw.\n\n4.5.. \n\nDe vrouw voert aan dat er inderdaad een omgangsregeling is afgesproken tussen partijen, maar dat voortzetting van de huidige omgangsregeling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] . Daarom moet de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) worden geschorst volgens de vrouw. Zij licht toe dat de man onbetrouwbaar is omdat hij de ene keer wel en de andere keer niet komt bij de omgangsmomenten. Dit leidt tot ernstige onzekerheid en emotionele schade bij [minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw nog aangevuld dat de man en [minderjarige] vaak omgang hebben (gehad) bij de vrouw thuis en dat de man [minderjarige] alleen meeneemt in de perioden waarin de man een relatie heeft.\n\nVerder voert de vrouw aan dat er binnen de huidige relatie van man sprake is van heftige ruzies, waarbij de politie betrokken is geweest. Het incident waarbij de politie langs is geweest, is voorgevallen in november. In augustus en september hebben de man en zijn huidige partner ook ruzie gehad volgens de vrouw. Door de ruzies is er een reëel risico voor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] . Ook in de relatie tussen de man en de vrouw is er volgens de vrouw sprake geweest van agressieproblematiek. Toen waren er ook ruzies waarbij de politie is geweest.\n\nVolgens de vrouw heeft [minderjarige] last van de situatie wat onder meer blijkt uit het feit dat hij overdag meerdere keren per dag in zijn broek plast terwijl hij eerder zindelijk was.\n\nEr kan wat de vrouw betreft wel omgang plaatsvinden maar die moet dan wel begeleid plaatsvinden of bij de vrouw thuis, totdat de man inzicht toont in zijn handelen en de schadelijke gevolgen daarvan voor [minderjarige] .\n\n4.6.. De man heeft ter zitting aangeven dat er in november 2025 inderdaad een incident is geweest met zijn huidige partner waarbij de politie langs is geweest. De oorzaak van deze ruzie was dat de omgang met [minderjarige] bij de vrouw had plaatsgevonden en dat de man daar was blijven slapen. De betrokkenheid van de politie is eenmalig geweest en het incident heeft plaatsgevonden op een moment waarop [minderjarige] bij de vrouw was. Er is volgens de man geen sprake van een gewelddadige relatie. De man ontkent niet dat hij wel eens ruzie heeft met zijn (huidige) partner. De man ontkent dat er tijdens de relatie met de vrouw sprake is geweest van agressieproblematiek. Naar de mening van de man heeft de vrouw moeite met het feit dat hij verder is gegaan met zijn leven nadat de relatie met de vrouw is verbroken.\n\n4.7.. Namens de Raad is ter zitting aangegeven dat de omgang zo spoedig mogelijk weer moet worden opgestart. Voor de Raad is onbegrijpelijk dat de omgangsregeling zo plotseling is stopgezet. Het valt de Raad op dat er nog veel onderwerpen spelen op ex-partner niveau. Dat is iets wat ouders onderling moeten bespreken en dat mag niet leiden tot het stopzetten van de omgang. De Raad heeft op zitting niets gehoord wat leidt tot zorgen over de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgang met de man. De omgang moet weer worden opgestart en ouders moeten zich zoveel mogelijk houden aan de regeling.\n\n4.8.. De voorzieningenrechter overweegt het navolgende. Uit de wet vloeit voort dat een ouder die niet met het gezag belast is in beginsel recht heeft op omgang met zijn kind. Dat is alleen anders als er een reden is om die ouder het recht op omgang te ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:\n\n- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;\n\n- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;\n\n- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;\n\n- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n4.9.. \n\nBovenstaande betekent dat de man in beginsel recht heeft op omgang met [minderjarige] en dat de omgangsregeling zoals partijen die in het parenting plan zijn overeengekomen moet worden nageleefd. Dat is alleen anders als de vrouw erin slaagt voldoende aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die de (voorlopige) conclusie rechtvaardigen dat omgang tussen de man en [minderjarige] niet (langer) in het belang van [minderjarige] is. Het moet dan gaan om ernstige en zwaarwegende omstandigheden in lijn met de hiervoor onder 4.8. genoemde omstandigheden. De vrouw is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd dergelijke omstandigheden voldoende aannemelijk te maken. Niet is komen vast te staan dat de situatie bij de man thuis een situatie oplevert die schadelijk is voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] . Het incident in november, dat door de vrouw is genoemd en door de man is erkend, is een voorval geweest waarbij [minderjarige] niet aanwezig was. Ook bij de voorvallen van augustus en september die de vrouw schetst, en waaraan de man overigens een andere uitleg geeft, was [minderjarige] niet aanwezig. Zonder nadere uitleg is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom deze voorvallen dan toch schadelijk zijn voor de gezondheid en het welzijn van [minderjarige] en zouden moeten leiden tot (tijdelijke) schorsing van de omgang. De enkele omstandigheid dat partners ruzie hebben rechtvaardigt in ieder geval niet de conclusie dat er geen veilige situatie is met betrekking tot de omgang.\n\nDat er sprake is van agressieproblematiek bij de man, hetgeen door de man is betwist, is door de vrouw onvoldoende onderbouwd.\n\nDe voorzieningenrechter begrijpt dat er zorgen zijn bij de vrouw over het broekplassen van [minderjarige] . Door de vrouw is echter niet onderbouwd wat hiervan de oorzaak is. Broekplassen bij kinderen kan meerdere oorzaken hebben en aan de enkele omstandigheid dat hiervan sprake is kan de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting en onderbouwing van de zijde van de vrouw niet de conclusie verbinden dat er tijdelijk geen omgang moet zijn tussen de man en [minderjarige] .\n\nDe rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd ook geen aanleiding om de omgang begeleid plaats te laten vinden, aangezien geen van de aangevoerde omstandigheden voldoende is onderbouwd.\n\n4.10.. \n\nDit betekent dat de in het parenting plan overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] zo snel mogelijk moet worden hervat op de wijze zoals overeengekomen in het parenting plan. Omdat het de voorzieningenrechter is opgevallen dat in het parenting plan geen afspraken zijn gemaakt over het tijdstip waarop de omgang aanvangt en het tijdstip waarop de omgang eindigt én het naar het oordeel van de voorzieningenrechter van belang is dat er zoveel mogelijk duidelijkheid is over de omgangsregeling, is hierover op de zitting gesproken. Ter zitting zijn partijen het niet eens geworden over het aanvangstijdstip. De man wil dat de omgang aanvangt om 9.00 uur. De vrouw wil dat dit 10.00 uur is. Partijen zijn het wel eens over de eindtijd. De eindtijd is 18.00 uur. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de omgang plaatsvindt van zaterdag 9.30 uur tot zondag 18.00 uur.\n\nVerder wijst de voorzieningenrechter erop dat in het parenting plan is bepaald dat de ouder bij wie het kind verblijft [minderjarige] naar de andere ouders zal brengen op het moment dat het de beurt is van de andere ouder om [minderjarige] bij zich te hebben. Deze afspraak wordt door deze uitspraak niet aangetast. Concreet betekent dit dat de vrouw [minderjarige] op zaterdag naar de man zal brengen en dat de man [minderjarige] op zondag terugbrengt naar de vrouw. Dit vonnis brengt evenmin wijziging in de afspraak van partijen dat de man gedurende de helft van de vakanties en feestdagen omgang zal hebben met [minderjarige] .\n\n4.11.. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de vordering van de man tot nakoming van de omgangsregeling wordt toegewezen. Uit de toewijzing van de vordering van de man volgt dat de vordering (in reconventie) van de vrouw om de omgangsregeling zoals die is vastgelegd in het parenting plan te schorsen, wordt afgewezen.\n\nPartijen worden niet verwezen naar het Uniforme Hulpaanbod (UHA)\n\n4.12.. De vrouw vordert dat partijen worden verwezen naar het UHA. De vrouw vindt de verwijzing naar het UHA noodzakelijk zodat partijen tot veilige afspraken kunnen komen. De man verzet zich hiertegen, maar heeft wel aangegeven dat hij openstaat voor hulpverlening als op een later tijdstip blijkt dat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.\n\n4.13.. De Raad heeft ter zitting gemotiveerd aangegeven dat er op dit moment geen aanleiding is om partijen te verwijzen naar het UHA.\n\n4.14.. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om partijen op dit moment naar het UHA te verwijzen. Uit het voorgaande blijkt dat de voorzieningenrechter van oordeel is de feiten en omstandigheden die door de vrouw zijn aangevoerd om de omgang tussen de man en [minderjarige] (tijdelijk) te schorsen, onvoldoende zijn onderbouwd. Nu de vrouw geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering tot verwijzing naar het UHA, is er op dit moment ook geen grond voor verwijzing naar het UHA. Daar komt bij dat de man zich verzet tegen de verwijzing, waardoor toewijzing sowieso lastig zou zijn. Verder blijkt uit het advies van de Raad dat hij op basis van hetgeen door de vrouw is aangevoerd geen aanleiding ziet voor een verwijzing naar het UHA. De voorzieningenrechter zal de vordering tot verwijzing naar het UHA dan ook afwijzen.\n\nDe vrouw heeft geen belang meer bij een veroordeling van de man tot het kenbaar maken van zijn adres\n\n4.15.. De vrouw heeft verder nog gevorderd dat de man, op straffe van een dwangsom, wordt veroordeeld zijn huidige verblijfplaats kenbaar te maken aan de vrouw.\n\n4.16.. De man heeft ter zitting zijn adres doorgegeven aan de vrouw, zodat de vrouw bij dit gedeelte van haar vordering geen belang meer heeft. De voorzieningenrechter zal deze vordering om die reden afwijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. veroordeelt de vrouw tot nakoming van de in het parenting plan vastgelegde omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , met de aanvulling dat de omgang op zaterdag aanvangt om 9.30 uur waarbij de vrouw [minderjarige] naar de man brengt en dat deze duurt tot zondag om 18.00 uur waarbij de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw (zoals overwogen in rechtsoverweging 4.10);\n\n5.2.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. wijst af hetgeen, zowel in conventie als in reconventie, meer of anders is gevorderd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van den Broek, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier.\n\n Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5431","2026-07-13T00:28:31.281Z",{"id":166,"ecli":167,"slug":168,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":169,"fullText":170,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":171,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":63,"updatedAt":173},"310","ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","ecli-nl-rbzwb-2026-5387","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443877 \u002F FA RK 26-165\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking over gezamenlijk gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel in Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.M.H.B. Stoffels in Zevenbergen,\n\nover de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het op 10 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het stelbericht van mr. Stoffels van 26 januari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van Riel van 26 maart 2026, betreffende de geboorteakten van de minderjarigen;\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlage;\n\n- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Riel van 9 april 2026, betreffende productie 6.\n\n1.2. Op 15 april 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord, partijen bijgestaan door hun advocaten. Ook is aanwezig een medewerker namens de Raad.\n\n1.3. Tevens was bij de zitting een kantoorgenoot van mr. Van Riel aanwezig, aan wie de rechtbank bijzondere toestemming heeft verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te mogen zijn.\n\n1.4. Gelet op zijn leeftijd is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken bij een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarnaar gevraagd geeft de vrouw aan dat zij [minderjarige 1] te jong vond om over het verzoek met de kinderrechter in gesprek te gaan. De kinderrechter betreurt dit. Zij had graag met [minderjarige 1] gepraat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).\n\n2.2. De man heeft de minderjarigen erkend.\n\n2.3. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarigen.\n\n2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken gedurende een weekend. Tevens heeft de rechtbank een bedrag aan kinderalimentatie bepaald en is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan deel uit maken van de beschikking.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De man verzoekt om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] , kosten rechtens.\n\n3.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met het verzoek en verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\n- het verzoek van de man om hem tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren te [geboorteplaats] , af te wijzen;\n\nsubsidiair:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar\n\n de (on)wenselijkheid van gezamenlijk gezag en de veiligheidsrisico's binnen de\n\n gezinssituatie;\n\n- iedere verdere beslissing aan te houden.\n\n4. De standpunten en het advies van de Raad\n\n4.1. De man legt aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen gingen ervan uit dat zij gezamenlijk gezag hadden over de minderjarigen, maar dit bleek niet zo te zijn. Ook de rechtbank ging er in een eerdere procedure onterecht van uit dat partijen belast waren met het gezamenlijk gezag. De man heeft de vrouw gevraagd om het gezamenlijk gezag alsnog samen te regelen, maar de vrouw verleende hieraan geen medewerking. De vrouw onderbouwt niet waarom zij het gezamenlijk gezag niet wil regelen, terwijl gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en er geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders als er gezamenlijk gezag zou zijn. Het verzoek tot gezamenlijk gezag voldoet dan ook aan de wettelijke maatstaven. De stelling van de vrouw dat er sprake zou zijn van disproportioneel straffen van [minderjarige 2] , grensoverschrijdend gedrag en stalking wordt door de man betwist. De vrouw onderbouwt haar stellingen bovendien niet. De e-mailcorrespondentie tussen partijen die de vrouw in het geding heeft gebracht, laat niets raars zien; sterker nog, de man toont zich betrokken en probeert invulling te geven aan zijn rol als vader. Als de man zorgpunten heeft over de minderjarigen, brengt hij dat bij de vrouw onder de aandacht. Zij reageert daar dan niet op. De man staat ervoor open om aan de communicatie tussen partijen te werken. Dit lijkt hem zinvol voor de toekomst. Dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, is geen reden om het verzoek van de man af te wijzen. De communicatie is niet dermate slecht dat er sprake is van het ‘klem-criterium’.\n\n4.2. \n\nDe vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Tussen partijen is sprake is van een extreem verstoorde verstandhouding waarin constructief overleg onmogelijk is. Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen structureel verstoord. De vrouw heeft de man en zijn partner moeten blokkeren vanwege aanhoudende stalking en grensoverschrijdend gedrag richting de vrouw. De man misbruikt de telefoon van [minderjarige 1] om contact met de vrouw af te dwingen. Volgens de vrouw moet bij de beoordeling van het verzoek van de man rekening worden gehouden met het verdrag van Istanbul. Tussen partijen is in het verleden sprake geweest van fysiek geweld, waarvan de vrouw aangifte heeft gedaab. Uit de jurisprudentie volgt dat het verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen wordt bij een extreem verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het ontbreken van communicatie. Daarvan is in deze zaak sprake. De minimale basis die nodig is voor communicatie ontbreekt.\n\nDaarnaast stelt de vrouw dat de minderjarigen stress-signalen vertonen na het contact met de man. Dit heeft geleid tot een melding bij Veilig Thuis. [minderjarige 2] wordt onderworpen aan disproportionele straffen. Hij heeft de vrouw verteld dat de man hem slaat. De pedagogische onmacht van de man vormt een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Tevens bagatelliseert de man de emotionele staat van de kinderen. Volgens de vrouw laat de man na om bij te dragen aan de kosten van de kinderen. Hij heeft een alimentatieachterstand van\n\n€ 8.000,=. De man zou hierin zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.\n\nGelet op al het voornoemde is er volgens de vrouw geen basis voor gezamenlijk gezag. Handhaven van eenhoofdig gezag is de enige manier om rust en veiligheid van de minderjarigen te waarborgen.\n\nDesgevraagd verklaart de vrouw dat zij geen tijd heeft gehad om de aangiften in het geding te brengen en dat zij niet reageert op de e-mails van de man, omdat deze vol staan met verwijten aan haar adres. Ook geeft de vrouw aan dat partijen een ingang hebben bij het CJG voor hulpverlening. Partijen zijn daar al bekend. De vrouw staat ervoor open om het CJG te vragen om hulpverlening in te zetten voor het verbeteren van de oudercommunicatie. De vrouw zegt toe om partijen bij het CJG aan te melden voor hulpverlening.\n\n4.3. De Raad adviseert de rechtbank als volgt. De Raad acht de communicatie tussen partijen zorgelijk. Zij hebben daarin het belang van de minderjarigen niet voor ogen. Ook de Raad heeft de e-mailberichten van de man aan de vrouw gelezen. De Raad ziet dat de man daarin neutraal is in zijn bewoordingen en hij zijn zorgen bespreekbaar probeert te maken. Zichtbaar is dat de man graag met de vrouw in gesprek wil om de zorgen samen op te lossen. Dat hiermee vervolgens niets wordt gedaan, baart de Raad zorgen. De Raad heeft ter voorbereiding op deze zaak contact opgenomen met Veilig Thuis. Daaruit is gebleken dat er een melding is gedaan bij Veilig Thuis door de man over de zorgen die hij heeft en die hij vervolgens niet bespreekbaar kan maken. De zaak staat bij Veilig Thuis op de wachtlijst voor verder onderzoek. De Raad verwacht dat Veilig Thuis gaat kijken naar hulpverlening rondom de communicatie tussen partijen en dat onderzocht gaat worden in hoeverre de minderjarigen worstelen met hun loyaliteit. De Raad kan zich daarbij voorstellen dat er voor de minderjarigen een kindbehartiger wordt ingezet. Dat er iets met de oudercommunicatie moet gebeuren, staat voor de Raad buiten kijf. Nu partijen bij Veilig Thuis op de wachtlijst staan, kan dat daar verder worden opgepakt. Partijen kunnen zich alvast bij het CJG melden, zodat de hulpverlening gedurende het onderzoek van Veilig Thuis alvast in gang kan worden gezet.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n5.1. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om in deze zaak af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Uit de stukken en de zitting is niet gebleken dat van uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag sprake is. De stellingen van de vrouw over grensoverschrijdend gedrag van en stalking door de man worden niet met enige stukken onderbouwd. Van aangiften is niets gebleken. Ook van fysiek geweld in het verleden blijkt niets. Ook noemt de vrouw geen concrete voorbeelden. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt bovendien niet dat sprake is van misstanden tussen partijen of van een dermate verstoorde verhouding dat gezamenlijk gezag niet mogelijk zou zijn. De rechtbank ziet weliswaar dat de man veelvuldig e-mailt, echter uit de e-mails blijkt niet dat hij de vrouw in bewoordingen onheus bejegent, beledigt of zwartmaakt. De man probeert zijn zorgen over de minderjarigen met de vrouw te bespreken, maar krijgt daarop geen reactie. Anders dan de vrouw stelt, kan de rechtbank op basis van de overlegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, niet vaststellen dat sprake is van een situatie waarvan kan worden geconcludeerd dat de minderjarigen klem en verloren zullen raken tussen hun ouders wanneer sprake zal zijn van gezamenlijk gezag. Gelet hierop is de jurisprudentie waarnaar de vrouw in haar verweerschrift verwijst niet van toepassing. In die gevallen is er aantoonbaar sprake geweest van fysiek geweld en zijn er forse veiligheidszorgen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ook is, anders dan in de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie, sprake van structureel contact tussen de man en de minderjarigen. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals partijen deze hebben afgesproken, wordt doorlopend nagekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stellingen van de vrouw onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij komt dat de rechtbank het in het belang van de minderjarigen acht dat de man wordt betrokken bij de belangrijke beslissingen over hen, nu niet is gebleken dat hij gezagsbeslissingen zal gaan tegenwerken. Gezamenlijk gezag doet recht aan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap.\n\n5.4. De rechtbank heeft, met de Raad, wel geconstateerd dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat en verbetering behoeft. Het lukt partijen bijvoorbeeld niet om samen de zorgen die de man over de minderjarigen heeft, te bespreken. Het is aan partijen om hun huidige communicatieproblemen samen op te lossen. Tijdens de zitting geven zij beiden te kennen hiervoor open te staan en hieraan te willen werken. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd om partijen hiervoor aan te melden bij het CJG, waar het gezin al bekend is. De rechtbank gaat uit van deze toezegging. De rechtbank spreekt de hoop uit dat nu er met deze beschikking duidelijkheid is over het gezamenlijk gezag, er mogelijk meer ruimte is om de oudercommunicatie, alsmede de onderlinge verhoudingen te verbeteren.\n\n5.5. De rechtbank concludeert als volgt. Met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Nu evenmin feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijzen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een raadsonderzoek.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.6. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is in het belang van de minderjarigen dat er duidelijk is en blijft dat de ouders samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.\n\nProceskosten\n\n5.7. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1. bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021;\n\n6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n6.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.858Z",{"id":175,"ecli":176,"slug":177,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":169,"fullText":178,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":179,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":63,"updatedAt":180},"312","ECLI:NL:RBZWB:2026:5391","ecli-nl-rbzwb-2026-5391","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F437450 \u002F FA RK 25-3529\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nNadere beschikking over verdeling kosten DNA-onderzoek\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. R. Joosen te Oosterhout,\n\nover de minderjarige\n\n [minderjarige],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nvertegenwoordigd door:\n\nmr. L.E. SWART, advocaat te Roosendaal, als bijzondere curator over [minderjarige] ,\n\nhierna te noemen: de bijzondere curator.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N.A. Boelhouwer in Tilburg,\n\n [de juridische vader],\n\nhierna te noemen: de juridische vader,\n\nenkel belanghebbend met betrekking tot het verzoek vernietiging erkenning,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven in Tilburg.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 18 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet rapport van 30 maart 2026 van de deskundige (Verilabs Nederland B.V. te Gouda);\n\nhet V3-formulier van 7 april 2026 van mr. Boelhouwer, met bijlagen;\n\nhet F9-formulier van 20 april 2026 van mr. Joosen;\n\nhet op 22 april 2026 ontvangen bericht van mr. Boelhouwer.\n\n2. De nadere beoordeling\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven (nadere) beschikking van 18 november 2025. Hierbij is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige] door de juridische vader, tot verkrijging van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] , tot verkrijging van gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank heeft daarnaast een DNA-onderzoek gelast met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is. Daarbij is Verilabs Nederland B.V. te Gouda benoemd als deskundige. De rechtbank heeft de kosten van dit deskundigenonderzoek vooralsnog begroot op een totaalbedrag van € 755,= (inclusief BTW) en, in afwachting van een definitieve beslissing over de betaling en de verdeling van deze kosten, vooralsnog ten laste laten komen van ’s-Rijks kas. In afwachting van het deskundigenrapport heeft de rechtbank de beslissing voor het overige pro forma aangehouden tot 24 februari 2026.\n\n2.2.. Aan de orde is nu nog de beslissing over de definitieve verdeling van de kosten van het deskundigenonderzoek.\n\n2.3.. In voormeld F9-formulier van 20 april 2026 heeft mr. Joosen, namens de man, onder meer het volgende aangegeven. De man heeft geen op- of aanmerkingen over de uitslag van het deskundigenonderzoek. De uitslag van het deskundigenonderzoek komt voor de man niet als een verrassing, omdat partijen zelf al een betrouwbare DNA-test hadden verricht waaruit naar voren is gekomen dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Voor de man was het deskundigenonderzoek dan ook niet nodig geweest. De vrouw heeft echter voor onduidelijkheid en twijfel gezorgd door - zonder gegronde motivering - de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan in twijfel te trekken. Gelet hierop stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw dient te worden veroordeeld in de volledige kosten van het deskundigenonderzoek. De man is financieel niet in staat om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen.\n\n2.4.. In voormeld op 22 april 2026 ontvangen bericht heeft mr. Boelhouwer, namens de vrouw, onder meer het volgende aangegeven. De vrouw wijst erop dat de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad, heeft bepaald dat er, met het oog op het belang van [minderjarige] , een DNA-test moet komen ondanks dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat zij de eerder verrichte DNA-test en de uitslag daarvan alsnog erkent. De vrouw heeft ook onvoldoende financiële middelen om de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Als de rechtbank komt tot een kostenveroordeling, dan dienen de kosten van het deskundigenonderzoek, naar de mening van de vrouw, gelijk tussen partijen te worden verdeeld.\n\n2.5.. De rechtbank overweegt, gezien het voorgaande, als volgt.\n\nVerdeling kosten DNA-onderzoek\n\n2.6.. De deskundige heeft de kosten van het deskundigenonderzoek inmiddels definitief begroot op € 755,= (inclusief BTW). Partijen hebben geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het door de deskundige definitief begrote bedrag. De rechtbank stelt de kosten van het deskundigenonderzoek in deze procedure daarom definitief vast op € 755,= (inclusief BTW).\n\n2.7.. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in afstammingszaken heeft te gelden dat alle kosten behalve de deskundigenkosten van het DNA-onderzoek tussen partijen worden gecompenseerd. De deskundigenkosten van het DNA-onderzoek worden in beginsel geheel ten laste van de in het ongelijk gestelde partij gebracht. Dit betekent in de praktijk dat ofwel één van partijen in de kosten van het DNA-onderzoek wordt veroordeeld ofwel dat partijen ieder de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek dienen te dragen.\n\n2.8.. De rechtbank overweegt, gelet op de twijfels die de vrouw in het verleden heeft geuit over het verwekkerschap van de man over [minderjarige] en de uitkomst van het deskundigenonderzoek, dat de vrouw in ieder geval voor een deel kan worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Daarnaast kan de man, hoewel hij niet in het ongelijk is gesteld in zijn standpunt dat hij de verwekker van [minderjarige] is, gezien de uitkomst in deze zaak, namelijk dat de man niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoeken tot vernietiging erkenning en vervangende toestemming erkenning, eveneens voor een deel worden gezien als de “in het ongelijk gestelde partij” in deze zaak. Gelet hierop zal de rechtbank beide partijen als “de (deels) in het ongelijk gestelde partij” veroordelen in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek. In de gestelde beperkte financiële mogelijkheden van beide partijen ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om anders te beslissen. Het voorgaande betekent dat de man en de vrouw ieder een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW) dienen te voldoen. Voormeld bedrag dienen zij te voldoen na ontvangst van een nota daartoe met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).\n\nTaak bijzondere curator\n\n2.9.. Nu de rechtbank reeds bij voormelde beschikking van 18 november 2025 een eindbeslissing heeft genomen over de afstammingsverzoeken in deze zaak, overweegt de rechtbank voor de volledigheid dat zij de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als beëindigd beschouwt. Indien (één van) partijen hoger beroep instelt tegen voormelde beslissingen, hetgeen inmiddels is gebeurd, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.\n\n2.10.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. stelt de kosten van de deskundige definitief vast op € 755,= (inclusief BTW);\n\n3.2.. bepaalt dat de man en de vrouw de kosten van het deskundigenonderzoek ieder voor de helft moeten voldoen, zijnde een bedrag van € 377,50 (inclusief BTW), welk bedrag na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het LDCR moet worden voldaan;\n\n3.3.. beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als geëindigd.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Triest, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5391","2026-07-13T00:28:23.951Z",{"id":182,"ecli":183,"slug":184,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":169,"fullText":185,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":186,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":63,"updatedAt":187},"301","ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","ecli-nl-rbzwb-2026-5375","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\n(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\nlocatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n- de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\n1.2. Op 19 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- [minderjarige] en zijn advocaat, die apart met de kinderrechter hebben gesproken; [minderjarige] heeft de behandeling die aansluitend plaats vond niet bijgewoond;\n\n- de advocaat van [minderjarige] ;\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordiger namens de GI.\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\n2. De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2. \n\nBij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 november 2025 tot\n\n3 november 2026.\n\n2.3. Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, zijnde tot 26 mei 2026, onder aanhouding van het overige.\n\n2.4. Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats 2] .\n\n3. De (resterende) verzoeken\n\nThans liggen de volgende resterende verzoeken nog ter beoordeling voor.\n\n3.1. \n\nDe GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in\n\neen gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van twee weken;\n\n3.2. \n\nDe GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van\n\n [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes\n\nmaanden.\n\n4. Het standpunt van de GI\n\n4.1.. \n\nTer onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan.\n\n [minderjarige] is een jongen van 15 jaar oud die bij zijn moeder en broertje in [plaats 3] woont. In\n\ndecember 2025 heeft er een intake met MST plaatsgevonden omdat hij al langere tijd\n\ngedragsproblemen laat zien. Hij is dagelijks verbaal agressief, gebruikt cannabis, verzuimt van school en\u002Fof werk, gaat regelmatig zonder toestemming van huis waardoor moeder niet weet waar hij is. [minderjarige] is eerder van school gestuurd vanwege zijn verbale agressie richting leraren die aangaven zich onveilig te voelen. Eerdere pogingen tot een vorm van dagbesteding liepen vast, onder andere door een verstoord dag- en nachtritme, overmatig gamen en veel conflicten tussen moeder en [minderjarige] . Moeder voelt zich overbelast en machteloos.\n\nDe MST-behandeling bij de Viersprong richtte zich op:\n\nHet verminderen van agressief en grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] .\n\nHet stoppen of verminderen van het cannabisgebruik.\n\nHet herstellen van structuur en deelname aan werk.\n\nHet versterken van de opvoedvaardigheden van moeder.\n\nHet verbeteren van de communicatie en onderlinge relaties binnen het gezin.\n\nTijdens de implementatie van de plannen raakt [minderjarige] ernstig ontregeld. Vervolgens heeft zich een incident voorgedaan (begin april) waarbij [minderjarige] fors grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien richting de therapeut (vasthouden in huis onder bedreiging van een mes en het lek steken van haar autobanden). Hierbij zijn strafbare feiten gepleegd. Naar aanleiding hiervan is de behandeling tijdelijk ‘on hold’ gezet en na overleg met de moeder beëindigd..\n\n [minderjarige] is op 11 mei aangehouden door de politie i.v.m. het stelen van een scooter.\n\n [minderjarige] is op die scooter staande gehouden door de politie en is toen doorgereden. Er heeft een achtervolging plaatsgevonden en hij is alsnog meegenomen naar het politiebureau.\n\nDe politie heeft Jeugdbescherming Brabant gebeld met het bericht dat hij onhandelbaar is. Hij zegt o.a. zichzelf iets aan te gaan doen.\n\nGezien de combinatie van ernstig probleemgedrag, veiligheidsrisico’s voor de omgeving en\n\n [minderjarige] zelf, en het ontbreken van voldoende opvoedingsmogelijkheden in de thuissituatie, is\n\neen gesloten plaatsing noodzakelijk.\n\nTijdens de gesloten plaatsing zal in de eerste weken alles gericht zijn op afkoeling van [minderjarige] . Daarna dient aan zijn problematiek gewerkt te worden.\n\n4.2.. De gedragskundige concludeert dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen: Eerdere intensieve ambulante hulpverlening, waaronder MST, heeft ondanks inzet van moeder en betrokken hulpverlening onvoldoende geleid tot structurele veiligheid, begrenzing en gedragsverandering bij [minderjarige] . Daarbij blijft sprake van ernstige escalaties, agressief en grensoverschrijdend gedrag, suïcidale uitingen en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening, waardoor een gesloten setting momenteel noodzakelijk is om de veiligheid van [minderjarige] en zijn omgeving te waarborgen. De gedragskundige adviseert een termijn van drie maanden te hanteren en het verzoek voor de resterende termijn aan te houden.\n\n5. Het standpunt van belanghebbenden\n\n5.1. \n [minderjarige] vertelt de kinderrechter, samengevat, dat hij weer bij zijn moeder wil wonen. Hij ziet in dat hij zich soms moeilijk kan beheersen, maar ziet daar niet zo’n groot probleem in. [minderjarige] heeft een vriendinnetje. Zijn toekomstwens is dat hij gelukkig zal zijn in zijn familie leven.\n\n5.2. De moeder brengt naar voren dat er iets aan de situatie moet worden gedaan. Ingrijpen was noodzakelijk. Gevraagd naar de oorzaak wordt duidelijk verwoord dat structureel huiselijk geweld in de thuis situatie de achterliggende oorzaak vormt van het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] heeft daartoe dringend (trauma)behandeling nodig. Die zal in een niet gesloten kader niet van de grond komen. De moeder ondersteunt het verzoek. Zij is ook van mening dat zeker zes maanden nodig zullen zijn om [minderjarige] in een goed spoor te krijgen.\n\n5.4. Namens [minderjarige] voert mr. Groenhuis-Kools aan dat [minderjarige] zelf het liefst weer meteen terug wil keren naar zijn moeder. De realiteit is ook dat er sprake is van een uit de hand gelopen samenstel van gebeurtenissen waarin herstel en terugkeer naar een normaal patroon niet aan [minderjarige] zelf kunnen worden overgelaten. Ook het vrijwillig kader zal niet toereikend zijn. Een minimale termijn die nodig zal zijn om tot normalisering te geraken is de nog lopende termijn van de ondertoezichtstelling..\n\n6. De (nadere) beoordelingSpoedmachtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.1. Bij voornoemde beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend voor de duur van twee weken en iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6.2. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen aangezien de kinderrechter thans tevens zal beslissen op het reguliere verzoek gesloten plaatsing ten aanzien van [minderjarige] .\n\nReguliere machtiging gesloten jeugdhulp\n\n6.3. De kinderrechter dient de vraag te beantwoorden of een machtiging gesloten jeugdhulp gerechtvaardigd is. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven alleen worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:\n\na. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;\n\nb. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en\n\nc. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.\n\n6.4. \n\nUit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, volgt dat bij [minderjarige] sprake is van een langdurig en ernstig patroon van gedrags- en opvoedingsproblematiek. Sinds langere tijd laat [minderjarige] forse gedragsproblemen zien, waaronder verbale en fysieke agressie, grensoverschrijdend gedrag, cannabisgebruik, school- en werkverzuim, weglopen van huis en het zich onttrekken aan gezag en hulpverlening. Eerdere hulpverleningstrajecten en vormen van dagbesteding\n\nzijn onvoldoende duurzaam gebleken. Het MST-traject heeft niet geleid tot voldoende stabiliteit en veiligheid. Zorgwekkend is dat gedurende het MST-traject ernstige escalaties hebben plaatsgevonden, waaronder het bedreigen van een therapeut met een mes en vernieling van eigendommen.\n\nDaarnaast hebben recent opnieuw ernstige incidenten plaatsgevonden, waaronder\n\nbetrokkenheid bij diefstal van een scooter, een politieachtervolging, suïcidale uitingen,\n\nfysieke agressie richting moeder en een escalatie waarbij politie, een onderhandelaar en een\n\narrestatieteam moesten worden ingezet. Deze gebeurtenissen laten zien dat sprake is van\n\nernstige emotieregulatieproblemen, agressieregulatieproblematiek en een sterk verhoogd\n\nrisico op verdere escalaties en mogelijk crimineel gedrag.\n\nDe moeder is niet in staat verandering bij [minderjarige] tot stand te brengen.\n\n6.5. Naar het oordeel van de kinderrechter is er een onhoudbare situatie ontstaan, waarbij sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren.\n\n6.6. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter deelt de ernstige zorgen van de GI en acht een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk om de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, hem te beschermen en een verdere ontwikkelingsbedreiging af te wenden. De kinderrechter onderschrijft de visie van (de advocaat van) de moeder dat na een eerste periode van afkoeling bij de behandeling van [minderjarige] aandacht dient te zijn voor de geschiedenis van structureel ernstig huiselijk geweld waarin [minderjarige] heeft verkeerd, althans waarvan hij getuige is geweest.\n\nDuur van de machtiging\n\n6.7. De kinderrechter zal de machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] verlenen voor de duur van de nog lopende ondertoezichtstelling, derhalve tot 3 november 2026. Dit is niet conform het advies van de gedragswetenschapper, maar gelet op de ernst van de situatie en het gegeven dat alle ter zitting verschenen belanghebbenden doordrongen zijn van de noodzaak van een termijn die tenminste de nog lopende ondertoezichtstelling periode bestrijkt, zal de kinderrechter in dit specifieke geval het advies van de gedragswetenschapper niet opvolgen.\n\n6.8. De kinderrechter stelt vast dat het spoedverzoek op goede gronden is toegewezen, zodat de spoedbeslissing dus in stand blijft. Het resterende deel van het spoedverzoek zal worden afgewezen, nu daarin wordt voorzien door de beslissing op het regulier verzoek.\n\n6.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448105 \u002F JE RK 26-824 (spoed)\n\n7.1. wijst het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;\n\nIn de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F448114 \u002F JE RK 26-828 (regulier):\n\n7.2. verleent een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] met ingang van 26 mei 2026 tot 3 november 2026.\n\nDeze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 mei 2026.\n\nHoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5375","2026-07-13T00:28:23.418Z",{"id":189,"ecli":190,"slug":191,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":169,"fullText":192,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":193,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":63,"updatedAt":194},"304","ECLI:NL:RBZWB:2026:5380","ecli-nl-rbzwb-2026-5380","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447086 \u002F FA RK 26-1887\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking over voorziening voogdij\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling\n\nSTICHTING NIDOS,\n\ngevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige],\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012,\n\nthans verblijvende op het [adres] , [plaats] ,\n\nhierna te noemen de minderjarige.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\nhet verzoek met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;\n\nde bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige, gedateerd 13 april 2026;\n\nde akkoordverklaring van de minderjarige van 4 maart 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De minderjarige heeft, met onderbouwing van onder meer een kopie van een laissez-passer, het volgende verklaard. Zij is samen met haar broertje en haar neefje gereisd. Zij is op 25 mei 2025 in Nederland aangekomen. Zij heeft zich bij de vreemdelingendienst gemeld met een visum in het kader van gezinshereniging en zal in dat verband voor langere tijd in Nederland verblijven. De naam van haar moeder is [naam moeder] en van haar vader [naam vader] . Beide ouders zijn overleden. Zij heeft zich herenigd met [persoon] . [persoon] is een zus van haar moeder. Haar [pleegmoeder] is ook haar oma (pleegmoeder). De pleegmoeder heeft de zorg voor haar op zich genomen toen zij twee jaar was. Zij heeft de Somalische nationaliteit. Zij maakt onderdeel uit van het gezin van de pleegmoeder.\n\n2.2.. Op dit moment verblijft de minderjarige bij de pleegmoeder op bovengenoemd adres.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De beoordeling\n\nInternationale bevoegdheid\n\n4.1.. Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.\n\n4.2.. Uit het inleidende verzoek van de GI volgt dat het verzoek te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019\u002F1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II-terVerordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II-terVerordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en overweegt in dit kader als volgt.\n\n4.3.. Het begrip gewone verblijfplaats is meermalen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II-bisVerordening (en inmiddels de Brussel II-terVerordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en met name beantwoorden aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie arresten 2 april 2009,A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111\u002F47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40).\n\n4.4.. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010,Mercredi, C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017,OL v. PQ, C-111\u002F47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42).\n\n4.5.. Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A, C-523\u002F07, ECLI:NL:EU:C:2009:225).\n\n4.6.. Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure verbleef zij naar eigen zeggen pas vanaf 25 mei 2025 in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland.\n\n4.7.. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel II-terVerordening, nu zij zich in Nederland en binnen haar rechtsgebied bevindt.\n\nToepasselijk recht\n\n4.8.. Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori,dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter.\n\nInhoudelijke beoordeling van het verzoek\n\n4.9.. Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.\n\n4.10.. Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de minderjarige niet onder ouderlijk gezag staat en er nog geen voogd is. Er is dan ook sprake van een gezagsvacuüm. Daarin dient te worden voorzien.\n\n4.11.. Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige.\n\n4.12.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. benoemt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2012, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht;\n\n5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5380","2026-07-13T00:28:23.548Z",{"id":196,"ecli":197,"slug":198,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":169,"fullText":199,"summary":24,"language":7,"source":60,"sourceUrl":200,"sourceTimestamp":172,"parsedAt":63,"updatedAt":201},"331","ECLI:NL:RBZWB:2026:5373","ecli-nl-rbzwb-2026-5373","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446280 \u002F KG ZA 26-145\n\nVonnis in kort geding van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\ningeschreven te [woonplaats] ,\n\neiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18;\n\n- de brief met producties 19 tot en met 22 van mr. Albicher van 30 april 2026;\n\n- de brief met bijlagen 1 tot en met 7 van mr. Mattheussens van 1 mei 2026;\n\n- de brief van mr. Mattheussens van 4 mei 2026.\n\n1.2. De zaak is besproken op de zitting van 4 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen.\n\n1.3. Op de zitting heeft mr. Mattheussens een conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie overhandigd en voorgedragen. Ook mr. Albicher heeft spreekaantekeningen overhandigd en (gedeeltelijk) voorgedragen. Deze stukken maken onderdeel uit van het procesdossier.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Tussen partijen staat het volgende vast:\n\n- zij zijn op 9 mei 2025 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. Daarin zijn zij, voor zover van belang, het volgende overeengekomen: “GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING\n\nArtikel 3\n\n (…) 2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de\n\n Kosten van de gemeenschappelijke huishouding.\n\n (…)\n\nArtikel 4\n\n (…)\n\n 3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. (…)”.\n\n- zij zijn de eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), waarvoor zij een hypotheek bij Florius hebben afgesloten.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. \n\nDe vrouw vordert na een wijziging ter zitting – samengevat:\n\nI. de man te veroordelen om telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen primair € 1.308,75 per maand, subsidiair € 654,38 per maand, nog meer subsidiair een bedrag door de voorzieningenrechter te bepalen, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;\n\nII. te bepalen dat de vrouw, met uitsluiting van de man, gerechtigd is tot het gebruik en de bewoning van de woning;\n\nIII. de man te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten en niet meer te betreden en deze met de inboedel volledig ter vrije beschikking van de vrouw te stellen, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw;\n\nIV. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordelingen onder I, II en III te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;\n\nV. de man te veroordelen in de kosten van het geding.\n\n3.2. \n\nDe man vordert in reconventie – samengevat:\n\nI. te bepalen dat hij, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;\n\nII. de vrouw te verbieden om de woning te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;\n\nIII. als de voorzieningenrechter het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal toekennen, de vrouw te veroordelen om telkens op de latste werkdag van de maand, met ingang van 31 mei 2026, aan Florius de hypotheektermijn van € 1.308,75 per maand te betalen, subsidiair € 654,38, meer subsidiair € 350,= per maand.\n\n3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nHet spoedeisend belang\n\n4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2. De vrouw stelt een spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben. De man is met de vrouw van mening dat sprake is van een spoedeisend belang bij de over en weer gedane vorderingen.\n\n4.3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is duidelijk geworden dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft de woning ook al verlaten. Zij verblijft afwisselend bij haar ouders die al op leeftijd zijn en bij vriendinnen, maar dat is volgens haar niet langer mogelijk. Ook de man stelt geen alternatieve woonruimte te hebben. Hieruit vloeit voor beide partijen een spoedeisend belang bij hun vorderingen voort. Ten behoeve van de beslissing wie van partijen voorlopig in de woning mag wonen, komt het voor de voorzieningenrechter aan op een belangenafweging.\n\nVorderingen II en III in conventie en vorderingen I en II in reconventie - het uitsluitend gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen\n\n4.4. De vorderingen onder II en III in conventie en de vorderingen I en II in reconventie lenen zich, gelet op de nauwe samenhang, voor een gezamenlijke behandeling. De vorderingen van beide partijen strekken ertoe de woning voorlopig bij uitsluiting van de ander te mogen bewonen. Zij stellen beiden een groter belang te hebben bij het gebruik van de woning dan de ander.\n\n4.5. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de vrouw dat de onderlinge verstandhouding ernstig is verstoord, zodat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw heeft aangifte tegen de man gedaan van mishandeling en doodsbedreiging. Er loopt daarom een politieonderzoek. De man heeft de sloten vervangen, zodat de vrouw geen toegang meer tot de woning heeft, terwijl de woning op beider naam staat en de vrouw nog steeds vaste lasten betaalt. De man heeft de vrouw laten weten dat zij niet meer welkom is in de woning. Bij de vrouw is echter sprake van psychische kwetsbaarheid, omdat zij PTSS klachten heeft als gevolg van een ernstig auto-ongeluk waarbij zij een vriendin is verloren. De huidige situatie en spanningen zorgen voor een verergering van haar klachten. Voor haar is rust en stabiliteit noodzakelijk, dat alleen kan ontstaan als zij het exclusief gebruik van de woning heeft.\n\n4.6. De man voert aan dat hij recht en belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning. De man is voornemens en in staat om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Bovendien drijft de man een onderneming, waarvan zijn gereedschap en bedrijfsmiddelen in de woning zijn opgeslagen. Ook zijn zoon uit een eerder huwelijk, genaamd [persoon] , woont inmiddels bij hem in [plaats] , ten gevolge van een conflict tussen de zoon en de moeder. Als de man de woning moet verlaten, zal ook [persoon] geen verblijfplaats meer hebben. Daar komt bij dat de man een omgangsregeling heeft met zijn andere zoon. Als de man niet meer in de woning kan verblijven, zal deze omgang ook onmogelijk zijn. Ten slotte kan de man geen deugdelijke vervangende woonruimte verkrijgen, waarbij hij zijn kinderen huisvesting kan bieden én zijn bedrijf vanuit huis kan blijven uitoefenen. Dat zou bovendien betekenen dat hij dubbele financiële lasten heeft. De vrouw beschikt echter wel over vervangende huisvesting en hoewel zij stelt behoefte te hebben aan rust en stabiliteit, is dat niet onderbouwd met recente (medische) stukken.\n\n4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 3:168 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Op grond van artikel 3:168 lid 2 BW kan de rechter, voor zover een overeenkomst ontbreekt, op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Een dergelijke regeling kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in kort geding worden getroffen, mits aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige maatregel, zoals het aanwezig zijn van een spoedeisend belang, is voldaan.\n\n4.8. Zoals hiervoor is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw haar gezondheidssituatie niet met actuele stukken heeft onderbouwd. Hoewel zij aangeeft dat het lastig is om bij haar ouders en vriendinnen te verblijven, is dit kennelijk wel een mogelijke optie. Daarbij is niet gebleken dat de vrouw daar niet langer kan verblijven. De man heeft aangegeven niet bij familie terecht te kunnen, omdat die ver weg woont. Dat is door de vrouw ook niet betwist. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in overweging dat de man in de woning zijn twee kinderen ontvangt. Bij een verhuizing op zeer korte termijn zal het moeilijker worden om deze kinderen te blijven ontvangen. Bovendien drijft de man een eigen onderneming, waarvan spullen in de woning van partijen staan. De vrouw heeft in dat kader aangeboden dat de man spullen kan komen ophalen als zij in de woning verblijft, maar zij verbindt daaraan de voorwaarde dat er een derde bij aanwezig moet zijn. Dit acht de voorzieningenrechter niet wenselijk. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat de situatie op dit moment rustig is. De man heeft zijn excuses aangeboden voor het incident in maart 2026 en er wordt niet veel meer tussen partijen gecommuniceerd. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de man bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De reconventionele vorderingen van de man onder I en II worden gelet hierop toegewezen, onder afwijzing van de conventionele vorderingen van de vrouw onder II en III. De voorzieningenrechter benadrukt dat hiermee geen oordeel wordt gegeven over toedeling van de woning aan één van partijen in de toekomst.\n\nVordering I in conventie - hypotheekbetalingen aan Florius\n\n4.9. De voorwaarde voor de vordering van de man onder III, namelijk dat het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw zal worden toegekend, is niet ingetreden. Deze vordering van de man behoeft dan ook geen bespreking.\n\n4.10. Ter onderbouwing van haar vordering met betrekking tot de door de man te betalen hypotheekbetalingen aan Florius van € 1.308,75 per maand stelt de vrouw het volgende. Ter uitvoering van de afspraak tussen partijen (verwoord in artikel 3 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst) betaalde de man deze rente en aflossing aan Florius en de vrouw de boodschappen, gas, elektriciteit, internet, verzekeringen voor de woning en Brabant Water. Daarmee droeg de vrouw al meer dan naar evenredigheid bij in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. De man dient daarom de hypotheektermijnen volledig voor zijn rekening te nemen. Afgelopen maanden heeft de man meermaals nagelaten om deze betalingen te verrichten, ondanks sommatie door de vrouw. Florius heeft daarom inmiddels maatregelen getroffen en een incassobureau ingeschakeld.\n\n4.11. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij de hypotheeklasten zal voldoen, als zijn vordering met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht het bovendien redelijk dat de man de hypotheeklasten zal voldoen, nu hij het gebruik van de woning heeft en deze lasten in het verleden ook heeft betaald. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw met betrekking tot de hypotheeklasten toewijzen. Daarbij wordt een termijn van tien dagen na betekening van het vonnis opgenomen in het kader van de huidige achterstand in hypotheekbetalingen.\n\nVordering V in conventie – dwangsom\n\n4.12. Nu de vorderingen van de vrouw onder II en III (met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning) worden afgewezen, ziet de door de vrouw gevorderde dwangsom alleen nog op de vordering onder I.\n\n4.13. \n\nDe vrouw vordert de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om de hypotheekbetalingen te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=. De man zal niet vrijwillig tot betalingen aan Florius overgaan, zoals blijkt uit zijn WhatsApp bericht van 26 februari 2026.\n\nTen aanzien van het verweer van de man (dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dwangsom rechtvaardigen) voert de vrouw nog aan dat het een betaling van een geldsom aan een derde betreft, zodat de door de man genoemde bijzondere omstandigheden niet vereist zijn.\n\n4.14. De man voert hiertegen verweer. Bij een vordering tot betaling van een geldsom wordt in beginsel geen dwangsom toegewezen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een dwangsom rechtvaardigen. Die bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Daar komt bij dat de man het aandeel van de vrouw in de woning wenst over te nemen, zodat hij er belang bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan.\n\n4.15. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de Tekst & Commentaar bij artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat dit wetsartikel er niet aan in de weg staat dat dwangsommen kunnen worden verbonden aan de veroordeling tot betaling van een geldsom aan een derde. In casu betreft het de betaling van de hypotheek aan een derde, namelijk Florius. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat de man er baat bij heeft dat de hypotheek tijdig wordt voldaan, gelet op zijn wens om de woning over te nemen. Zijn toezegging dat hij de hypotheek zal blijven voldoen, acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende. Uit het recente verleden is namelijk gebleken dat de man de hypotheek meermaals niet (tijdig) heeft voldaan. Gelet op de consequenties daarvan voor de vrouw, zal de voorzieningenrechter de vordering tot een dwangsom toewijzen zoals door haar is gevorderd.\n\nVordering VI in conventie - proceskosten\n\n4.16. De vrouw vordert de man te veroordelen in de proceskosten. Volgens de vrouw dient de man als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.\n\n4.17. De man voert hiertegen verweer en is van mening dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen, omdat het een familierechtelijk geschil betreft. Er is geen sprake van misbruik van recht.\n\n4.18. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten gelet op de relatie tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1. veroordeelt de man om binnen tien dagen na betekening van het vonnis en telkens uiterlijk de laatste werkdag van de maand, ingaande 31 maart 2026, aan Florius te betalen ter zake de hypotheektermijnen van € 1.308,75 per maand, zolang partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn en de woning onverdeeld is;\n\n5.2. veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag dat hij in gebreke is om aan de veroordeling sub 5.1. te voldoen, tot een maximum van € 25.000,=;\n\n5.3. bepaalt dat de man, met uitsluiting van de vrouw, gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de aan [adres] te [woonplaats] en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen;\n\n5.4. verbiedt de vrouw om de woning genoemd onder sub 5.3. te betreden en de zich in de woning bevindende inboedelgoederen tot zich te nemen;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5373","2026-07-13T00:28:24.762Z",20]