[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-parental-authority-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},74,"parental-authority-nl","Parental Authority","NL","2026-07-08T16:54:48.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121850","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","",1,[27,37,46],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"569","ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","ecli-nl-rbzwb-2026-5448","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nNadere beschikking over gezag, omgang en een informatieregeling\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda.\n\nover de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] , en\n\n- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe rechtbank merkt verder als belanghebbende aan:\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de resterende verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1.. In het dossier bevinden zich de volgende stukken:\n\nde in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 en alle daarin genoemde stukken;\n\nde F9-formulieren van mr. Van Riel van 13 november 2024, met bijlage, en van 1 oktober 2025;\n\nde e-mailberichten van de gemeente Breda van 3 september 2025, met bijlage, en van 28 oktober 2025, met bijlagen, waaronder het (definitieve) UHA-rapport;\n\nhet e-mailbericht van mr. Voogt van 18 september 2025;\n\nde brieven van de Raad van 13 november 2025 en van 6 maart 2026, met bij de laatste brief het rapport van het raadsonderzoek van dezelfde datum.\n\n1.2.. De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:\n\nde man, bijgestaan door mr. Van Riel;\n\nde vrouw, bijgestaan door mr. Voogt; en\n\neen vertegenwoordiger namens de Raad;\n\ntwee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3. Gelet op hun onderlinge samenhang, is deze zaak gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de zaaknummers C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177 en C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Daaruit zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.\n\n2.2. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] op 17 december 2025 erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.4. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.\n\n2.5. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank bij voormelde beschikking van 12 november 2024 eveneens een voorlopige informatieregeling bepaald. Partijen zijn daarnaast naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de definitieve beslissingen op de verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een zorg- c.q. omgangsregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.6. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat zij voornemens zijn het gezamenlijk gezag voor [minderjarige 2] te regelen, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat ouders elkaar over en weer op de hoogte zullen brengen omtrent gewichtige aangelegenheden.\n\n2.7. Uit het UHA-rapport van 7 oktober 2025 blijkt dat het ingezette (jeugd)hulptraject tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De Raad heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek en een beschermingsonderzoek uit te voeren (hierna: het raadsonderzoek).\n\n2.8. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 09:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9. Gelijktijdig met de toezending van het rapport van het raadsonderzoek op 6 maart 2026, heeft de Raad een verzoek ingediend om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410. De kinderrechter heeft bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI.\n\n2.10. Begin april 2026 heeft de vrouw haar medewerking aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen opgeschort. Zij heeft vervolgens een kortgedingprocedure gestart waarin zij vordert dat de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals die bij vonnis van 1 december 2025 is bepaald, schorst totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist. Bij vonnis van vandaag (21 mei 2026) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van de vrouw bij gebrek aan belang afgewezen, omdat in deze bodemprocedure een definitieve beslissing over de contactregeling tussen de man en de kinderen wordt gegeven.\n\n3. De resterende verzoeken\n\n3.1. In deze procedure zijn nog aan de orde de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nhet eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] te wijzigen in die zin dat partijen voortaan het gezamenlijk ouderlijk gezag over haar uitoefenen;\n\neen (definitieve) contact-\u002Fomgangsregeling tussen de man en de minderjarigen te bepalen;\n\neen (definitieve) informatieregeling te bepalen op basis waarvan de vrouw de man eenmaal per maand dient te informeren over de gezondheid van de minderjarigen, de ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, de sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling van de minderjarigen en hun vrijetijdsbesteding.\n\n3.2. De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt:\n\nprimairom de man niet-ontvankelijk te verklaren in deze verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen. De vrouw kan instemmen met het verzoek om een informatieregeling vast te stellen, met dien verstande dat partijen geen direct contact met elkaar hebben;\n\nsubsidiairte bepalen dat het contact\u002Fde omgang tussen de man en de minderjarigen onder begeleiding plaatsvindt, tenminste eenmaal per week en maximaal tweemaal per week gedurende een uur.\n\n3.3. Daarnaast verzoekt de vrouw, bij wijze van zelfstandig verzoek, primairte bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag met betrekking tot [minderjarige 1] wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] ensubsidiairom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van de hulpverlening die wordt ingezet in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n4. De verdere beoordeling\n\nGezag\n\n4.1. De man verzoekt om partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 2] . De vrouw verzet zich tegen toewijzing van dat verzoek van de man en verzoekt op haar beurt om aan haar het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] toe te kennen.\n\n4.2. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.3. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen zij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n4.4. De man voert aan dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat de man betrokken is bij de totstandkoming van belangrijke beslissingen in haar leven. De man vindt het belangrijk dat [minderjarige 2] een goede band met haar vader kan opbouwen. Daarbij hoort dat hij actief betrokken is bij te nemen beslissingen.\n\n4.5. De vrouw voert daartegen verweer. Volgens haar bestaat er een onaanvaardbaar risico voor de kinderen dat zij klem of verloren zullen raken indien partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over hen. Partijen zijn niet daadwerkelijk in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Er is niet of nauwelijks contact tussen partijen. De relatie tussen de man en de vrouw is ernstig verstoord en er is vanuit de vrouw sprake van wantrouwen en zorgen over de man als opvoeder. Mede gelet op de voorgeschiedenis, valt volgens de vrouw niet te verwachten dat in die situatie, al dan niet met hulpverlening, binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Voor de ontwikkeling van de kinderen acht de vrouw het van belang dat zij als verzorgende ouder, in staat zal zijn en blijven om zelfstandig beslissingen te nemen met betrekking tot de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Om die reden verzoekt de vrouw om de huidige situatie te wijzigen in die zin dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar eenhoofdig gezag, zodat de vrouw alleen met het gezag over beide kinderen zal zijn belast.\n\n4.6. In het raadsrapport adviseert de Raad om partijen te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] en het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] in stand te laten. Weliswaar ziet de Raad risico’s voor de kinderen omdat partijen op dit moment niet op een goede manier met elkaar kunnen communiceren en zij (nu) onvoldoende vorm kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. De Raad ziet echter nog (hulpverlenings)mogelijkheden voor ouders om onder begeleiding van een jeugdbeschermer te komen tot gezamenlijk ouderschap. Met name op het gebied van de onderlinge communicatie tussen ouders zijn nog stappen te zetten, zodat partijen een modus weten te vinden waar zij zich beiden comfortabel bij voelen. Daarnaast verwacht de Raad dat gezamenlijk gezag de ouders ‘dwingt’ om hun eigen belang opzij te zetten en zich te richten op hetgeen belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De Raad ziet tot slot geen reden om de (definitieve) beslissing op de verzoeken die zien op de gezagsverhouding aan te houden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening. Het is voor alle betrokkenen van belang dat de langlopende juridische procedures worden afgesloten. De (definitieve) beslissing van de rechtbank biedt een duidelijk uitgangspunt voor de verdere hulpverlening.\n\n4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat ouders belast zijn met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind(eren) in gezamenlijk overleg kunnen nemen.\n\n4.8. Hoewel partijen op dit moment niet in staat zijn op een respectvolle en passende wijze met elkaar te communiceren en dus het nodige overleg te voeren over beslissingen over Lavinia en Georginia, zal de rechtbank bepalen dat ouders het gezamenlijk gezag over beide kinderen krijgen\u002Fbehouden. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige 2] zal toewijzen, terwijl het verzoek van de vrouw om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal worden afgewezen.\n\n4.9. Voor de rechtbank is daarbij met name van belang dat partijen in de zomer van 2025 hebben laten zien dat zij in staat zijn om te komen tot afspraken en omgangsvormen die in het belang zijn van de kinderen. Die afspraken hebben partijen neergelegd in het ouderschapsplan dat zij op 7 juli 2025 hebben ondertekend. Daarin hebben zij ook het voornemen opgenomen om het gezamenlijk gezag te regelen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen zal lukken om onder regie van de GI en met de hulpverlening die in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden ingezet, te werken aan een basis van onderling vertrouwen en een passende vorm van communicatie. Dat is werkelijk in het belang van de kinderen. De rechtbank ziet geen reden om de definitieve beslissing omtrent het gezag aan te houden, zoals de vrouw subsidiair heeft verzocht. Met de Raad vindt de rechtbank het belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor partijen, juist ook met het oog op het in te zetten hulpverleningstraject. Dat traject is gericht op het toewerken naar een vorm van gezamenlijk ouderschap, een situatie waarin de kinderen positief contact kunnen hebben met beide ouders, zonder belast te worden met spanning en\u002Fof strijd die tussen de ouders bestaat. Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een gelijkwaardige rol voor beide ouders en dat impliceert dat zij beiden met het gezag zijn belast.\n\n4.10. Zoals ook tijdens de zitting benadrukt, merkt de rechtbank voor de volledigheid op dat het (gezamenlijk) gezag voor partijen ook verplichtingen meebrengt. Van beide partijen wordt verlangd dat zij zich volledig zullen inzetten om – in het belang van de kinderen – te komen tot een vorm van gezamenlijk ouderschap. Daar hoort bij dat ouders zich zullen laten leiden door de adviezen en inzichten van de hulpverlening en de GI en dat zij eventuele eigen problematiek onder ogen zullen zien en daaraan zullen werken. Omdat beide ouders met het gezag zijn belast, kan de GI zo nodig aan ieder van hen schriftelijke aanwijzingen geven.\n\nZorgregeling\n\n4.11. De man verzoekt een (nader te specificeren) zorgregeling waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (op termijn) doordeweeks, een weekend per 14 dagen, de helft van de vakanties en feestdagen, op de verjaardag van de man en op de verjaardag van de kinderen contact met elkaar hebben.\n\n4.12. De vrouw maakt zich zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn. Met name het onvoorspelbare gedrag van de man, zijn middelengebruik, de thuisomgeving van de man en zijn sociale kring baren de vrouw zorgen. Volgens de vrouw scheldt de man de minderjarigen regelmatig uit of spreekt hij ze toe op een denigrerende manier. Na een omgangsmoment zijn de kinderen vaak overstuur en ontregeld. Daarnaast wijst de vrouw erop dat zich op zaterdag 28 maart 2026 een incident heeft voorgedaan bij het ophalen van de kinderen. De man heeft zich agressief en onrustig gedragen richting de kinderen, waarbij hij de kinderen heeft uitgescholden en [minderjarige 2] op grove wijze bij haar arm heeft gepakt. De vrouw heeft ook krassen op het gezicht van [minderjarige 2] gezien, waarna zij aangifte heeft gedaan van mishandeling. Dat is voor de vrouw ook de reden geweest om haar medewerking aan de in kort geding voorlopig bepaalde omgangsregeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8.) op te schorten. De vrouw zou het liefst zien dat de omgang weer onder begeleiding plaats gaat vinden en op neutraal terrein.\n\n4.13. De Raad ziet op basis van de binnen het raadsonderzoek verkregen informatie geen reden om de omgang tussen de man en de kinderen begeleid en op neutraal terrein te laten plaatsvinden, zoals de vrouw wenst. Hoewel de vrouw haar zorgen blijft uiten, komt uit de informatie van de politie en uit het rapport van het UHA-traject naar voren dat er geen risico’s worden gezien voor de veiligheid van de kinderen in het contact met hun vader. Er is gedurende langere tijd sprake geweest van begeleide omgang en de omgangsbegeleider schetste daarvan een overwegend positief beeld. De Raad ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De Raad adviseert daarom de huidige zorgregeling (tweemaal per week van 09:00 uur tot 17:00 uur) vast te leggen. Dat is op dit moment het hoogst haalbare en ook conform het eerder door ouders overeengekomen ouderschapsplan.\n\n4.14. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, waaronder kwesties over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.\n\n4.15. De rechtbank vindt het in het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met hun vader zo snel mogelijk en duurzaam wordt hersteld. Voor de kinderen is de huidige situatie verwarrend en emotioneel belastend. Het contact met hun vader is al meerdere malen (abrupt) weggevallen. Ze hebben een periode gehad waarin ze hun vader regelmatig zagen. Die omgang verliep goed en er was ruimte voor contact en flexibiliteit. Dat gaf de kinderen de kans om beide ouders te ervaren in een veilige setting. Nu is dat contact voor de vierde keer abrupt gestopt. Voor jonge kinderen, die nog volop bezig zijn met het vormen van vertrouwen en veiligheid in relaties, is zo’n breuk met een hechtingsfiguur moeilijk te begrijpen. Dat raakt aan hun basisgevoel van veiligheid en kan (op latere leeftijd) gevolgen hebben voor hoe zij zichzelf zien, hoe zij omgaan met emoties en hoe ze relaties met anderen aangaan. Vanwege die ontwikkelingsbedreiging heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI . Eén van de doelen waar partijen met hulpverlening aan moeten werken is een positief, veilig en onbelast contact tussen de man en de kinderen, volgens een vaste regeling.\n\n4.16. Een vaste regeling was er tot begin april van dit jaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven wekelijks op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man. Omdat er geen concrete aanwijzingen zijn waaruit de rechtbank kan afleiden dat die regeling niet in het belang is van de kinderen, zal zij die regeling, die ook past bij de afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve zorgregeling vastleggen in deze beschikking.\n\n4.17. Tijdens de zitting heeft de vrouw wederom haar zorgen uitgesproken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man zijn en aangedrongen op het (opnieuw) starten met begeleid contact. Daarom vordert de vrouw in kort geding schorsing van de huidige voorlopige regeling (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.10.). De rechtbank ziet op dit moment echter geen aanleiding om te concluderen dat het belang van de kinderen zich tegen (hervatting van) de hiervoor genoemde regeling verzet. Partijen hebben ieder een andere beleving bij wat er op 28 maart 2026 bij het overdrachtsmoment is voorgevallen en de man weerspreekt dat de kinderen bij hem niet veilig zouden zijn. Dat betekent niet dat de rechtbank de zorgen van de vrouw niet serieus neemt. Er is op dit moment echter te weinig zicht op de situatie van de kinderen om daaraan de door de vrouw gewenste conclusies te verbinden. Zoals ook tijdens de zitting besproken, biedt de ondertoezichtstelling een kader waarbinnen de zorgen van de vrouw een plaats hebben. Door de ondertoezichtstelling komt er meer zicht op de kinderen en de ouders. Met de GI heeft de vrouw, ook buiten kantoortijden, een vast aanspreekpunt bij wie zij met haar zorgen terecht kan. Dat kan al direct in het intake-\u002Fkennismakingsgesprek, maar ook gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling en tijdens de uitvoering van de zorgregeling, met name indien zich een incident heeft voorgedaan. Het is dan aan de betrokken professionals van de GI om te beoordelen of er nadere actie moet worden ondernomen, bijvoorbeeld in de vorm van het maken van veiligheidsafspraken. Op die manier moet de ondertoezichtstelling voorkomen dat de vrouw op eigen initiatief (opnieuw) het contact tussen de kinderen en hun vader verbreekt, terwijl de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gewaarborgd. De rechtbank hoopt dat de ondertoezichtstelling daarmee bijdraagt aan het ontstaan van een basis van vertrouwen tussen partijen.\n\nInformatieregeling\n\n4.18. Op grond van artikel 1:253a lid 2 BW kan de rechtbank op verzoek van (één van) de ouders een regeling vaststellen die betrekking heeft op de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.\n\n4.19. Bij beschikking van 12 november 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige regeling bepaald dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de kinderen met betrekking tot hun gezondheid, ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en vrijetijdsbesteding.\n\n4.20. Aangezien de vrouw zich niet tegen het verzoek van de man om een informatieregeling verzet, zal de rechtbank de hiervoor weergegeven voorlopige regeling, die ook past bij de afspraak die partijen in het ouderschapsplan hebben opgenomen, als definitieve informatieregeling bepalen. Met hulpverlening zullen partijen moeten werken aan een geschikte vorm waarin de vrouw de man informeert. Daarnaast merkt de rechtbank op dat van de man als gezagsdragende ouder van beide kinderen ook verwacht wordt dat hij zich uit eigen beweging tot verschillende instanties (zoals kinderopvang, school, sportvereniging, medisch behandelaars) zal wenden om zich betrokken te tonen bij en op de hoogte te stellen van de ontwikkeling van de kinderen.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.12. De rechtbank zal de beslissingen over het gezag, de zorg- en informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat deze beslissingen, ondanks een eventueel hoger beroep, direct uitgevoerd kunnen worden.\n\nProceskosten\n\n4.21. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nbepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ;\n\n5.2. bepaalt dat de man en de minderjarigen\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , en\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] ,\n\nin het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur;\n\n5.3. bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per maand moet informeren over de gezondheid van de hiervoor genoemde kinderen, hun ontwikkeling op school en eventueel op de BSO, hun sociaal-emotionele en fysieke ontwikkeling en hun vrijetijdsbesteding;\n\n5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Jong, en, in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham, griffiers, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5448","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.194Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"310","ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","ecli-nl-rbzwb-2026-5387","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443877 \u002F FA RK 26-165\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking over gezamenlijk gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel in Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.M.H.B. Stoffels in Zevenbergen,\n\nover de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het op 10 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het stelbericht van mr. Stoffels van 26 januari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van Riel van 26 maart 2026, betreffende de geboorteakten van de minderjarigen;\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlage;\n\n- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Riel van 9 april 2026, betreffende productie 6.\n\n1.2. Op 15 april 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord, partijen bijgestaan door hun advocaten. Ook is aanwezig een medewerker namens de Raad.\n\n1.3. Tevens was bij de zitting een kantoorgenoot van mr. Van Riel aanwezig, aan wie de rechtbank bijzondere toestemming heeft verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te mogen zijn.\n\n1.4. Gelet op zijn leeftijd is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken bij een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarnaar gevraagd geeft de vrouw aan dat zij [minderjarige 1] te jong vond om over het verzoek met de kinderrechter in gesprek te gaan. De kinderrechter betreurt dit. Zij had graag met [minderjarige 1] gepraat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).\n\n2.2. De man heeft de minderjarigen erkend.\n\n2.3. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarigen.\n\n2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken gedurende een weekend. Tevens heeft de rechtbank een bedrag aan kinderalimentatie bepaald en is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan deel uit maken van de beschikking.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De man verzoekt om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] , kosten rechtens.\n\n3.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met het verzoek en verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\n- het verzoek van de man om hem tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren te [geboorteplaats] , af te wijzen;\n\nsubsidiair:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar\n\n de (on)wenselijkheid van gezamenlijk gezag en de veiligheidsrisico's binnen de\n\n gezinssituatie;\n\n- iedere verdere beslissing aan te houden.\n\n4. De standpunten en het advies van de Raad\n\n4.1. De man legt aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen gingen ervan uit dat zij gezamenlijk gezag hadden over de minderjarigen, maar dit bleek niet zo te zijn. Ook de rechtbank ging er in een eerdere procedure onterecht van uit dat partijen belast waren met het gezamenlijk gezag. De man heeft de vrouw gevraagd om het gezamenlijk gezag alsnog samen te regelen, maar de vrouw verleende hieraan geen medewerking. De vrouw onderbouwt niet waarom zij het gezamenlijk gezag niet wil regelen, terwijl gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en er geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders als er gezamenlijk gezag zou zijn. Het verzoek tot gezamenlijk gezag voldoet dan ook aan de wettelijke maatstaven. De stelling van de vrouw dat er sprake zou zijn van disproportioneel straffen van [minderjarige 2] , grensoverschrijdend gedrag en stalking wordt door de man betwist. De vrouw onderbouwt haar stellingen bovendien niet. De e-mailcorrespondentie tussen partijen die de vrouw in het geding heeft gebracht, laat niets raars zien; sterker nog, de man toont zich betrokken en probeert invulling te geven aan zijn rol als vader. Als de man zorgpunten heeft over de minderjarigen, brengt hij dat bij de vrouw onder de aandacht. Zij reageert daar dan niet op. De man staat ervoor open om aan de communicatie tussen partijen te werken. Dit lijkt hem zinvol voor de toekomst. Dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, is geen reden om het verzoek van de man af te wijzen. De communicatie is niet dermate slecht dat er sprake is van het ‘klem-criterium’.\n\n4.2. \n\nDe vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Tussen partijen is sprake is van een extreem verstoorde verstandhouding waarin constructief overleg onmogelijk is. Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen structureel verstoord. De vrouw heeft de man en zijn partner moeten blokkeren vanwege aanhoudende stalking en grensoverschrijdend gedrag richting de vrouw. De man misbruikt de telefoon van [minderjarige 1] om contact met de vrouw af te dwingen. Volgens de vrouw moet bij de beoordeling van het verzoek van de man rekening worden gehouden met het verdrag van Istanbul. Tussen partijen is in het verleden sprake geweest van fysiek geweld, waarvan de vrouw aangifte heeft gedaab. Uit de jurisprudentie volgt dat het verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen wordt bij een extreem verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het ontbreken van communicatie. Daarvan is in deze zaak sprake. De minimale basis die nodig is voor communicatie ontbreekt.\n\nDaarnaast stelt de vrouw dat de minderjarigen stress-signalen vertonen na het contact met de man. Dit heeft geleid tot een melding bij Veilig Thuis. [minderjarige 2] wordt onderworpen aan disproportionele straffen. Hij heeft de vrouw verteld dat de man hem slaat. De pedagogische onmacht van de man vormt een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Tevens bagatelliseert de man de emotionele staat van de kinderen. Volgens de vrouw laat de man na om bij te dragen aan de kosten van de kinderen. Hij heeft een alimentatieachterstand van\n\n€ 8.000,=. De man zou hierin zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.\n\nGelet op al het voornoemde is er volgens de vrouw geen basis voor gezamenlijk gezag. Handhaven van eenhoofdig gezag is de enige manier om rust en veiligheid van de minderjarigen te waarborgen.\n\nDesgevraagd verklaart de vrouw dat zij geen tijd heeft gehad om de aangiften in het geding te brengen en dat zij niet reageert op de e-mails van de man, omdat deze vol staan met verwijten aan haar adres. Ook geeft de vrouw aan dat partijen een ingang hebben bij het CJG voor hulpverlening. Partijen zijn daar al bekend. De vrouw staat ervoor open om het CJG te vragen om hulpverlening in te zetten voor het verbeteren van de oudercommunicatie. De vrouw zegt toe om partijen bij het CJG aan te melden voor hulpverlening.\n\n4.3. De Raad adviseert de rechtbank als volgt. De Raad acht de communicatie tussen partijen zorgelijk. Zij hebben daarin het belang van de minderjarigen niet voor ogen. Ook de Raad heeft de e-mailberichten van de man aan de vrouw gelezen. De Raad ziet dat de man daarin neutraal is in zijn bewoordingen en hij zijn zorgen bespreekbaar probeert te maken. Zichtbaar is dat de man graag met de vrouw in gesprek wil om de zorgen samen op te lossen. Dat hiermee vervolgens niets wordt gedaan, baart de Raad zorgen. De Raad heeft ter voorbereiding op deze zaak contact opgenomen met Veilig Thuis. Daaruit is gebleken dat er een melding is gedaan bij Veilig Thuis door de man over de zorgen die hij heeft en die hij vervolgens niet bespreekbaar kan maken. De zaak staat bij Veilig Thuis op de wachtlijst voor verder onderzoek. De Raad verwacht dat Veilig Thuis gaat kijken naar hulpverlening rondom de communicatie tussen partijen en dat onderzocht gaat worden in hoeverre de minderjarigen worstelen met hun loyaliteit. De Raad kan zich daarbij voorstellen dat er voor de minderjarigen een kindbehartiger wordt ingezet. Dat er iets met de oudercommunicatie moet gebeuren, staat voor de Raad buiten kijf. Nu partijen bij Veilig Thuis op de wachtlijst staan, kan dat daar verder worden opgepakt. Partijen kunnen zich alvast bij het CJG melden, zodat de hulpverlening gedurende het onderzoek van Veilig Thuis alvast in gang kan worden gezet.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n5.1. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om in deze zaak af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Uit de stukken en de zitting is niet gebleken dat van uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag sprake is. De stellingen van de vrouw over grensoverschrijdend gedrag van en stalking door de man worden niet met enige stukken onderbouwd. Van aangiften is niets gebleken. Ook van fysiek geweld in het verleden blijkt niets. Ook noemt de vrouw geen concrete voorbeelden. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt bovendien niet dat sprake is van misstanden tussen partijen of van een dermate verstoorde verhouding dat gezamenlijk gezag niet mogelijk zou zijn. De rechtbank ziet weliswaar dat de man veelvuldig e-mailt, echter uit de e-mails blijkt niet dat hij de vrouw in bewoordingen onheus bejegent, beledigt of zwartmaakt. De man probeert zijn zorgen over de minderjarigen met de vrouw te bespreken, maar krijgt daarop geen reactie. Anders dan de vrouw stelt, kan de rechtbank op basis van de overlegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, niet vaststellen dat sprake is van een situatie waarvan kan worden geconcludeerd dat de minderjarigen klem en verloren zullen raken tussen hun ouders wanneer sprake zal zijn van gezamenlijk gezag. Gelet hierop is de jurisprudentie waarnaar de vrouw in haar verweerschrift verwijst niet van toepassing. In die gevallen is er aantoonbaar sprake geweest van fysiek geweld en zijn er forse veiligheidszorgen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ook is, anders dan in de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie, sprake van structureel contact tussen de man en de minderjarigen. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals partijen deze hebben afgesproken, wordt doorlopend nagekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stellingen van de vrouw onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij komt dat de rechtbank het in het belang van de minderjarigen acht dat de man wordt betrokken bij de belangrijke beslissingen over hen, nu niet is gebleken dat hij gezagsbeslissingen zal gaan tegenwerken. Gezamenlijk gezag doet recht aan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap.\n\n5.4. De rechtbank heeft, met de Raad, wel geconstateerd dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat en verbetering behoeft. Het lukt partijen bijvoorbeeld niet om samen de zorgen die de man over de minderjarigen heeft, te bespreken. Het is aan partijen om hun huidige communicatieproblemen samen op te lossen. Tijdens de zitting geven zij beiden te kennen hiervoor open te staan en hieraan te willen werken. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd om partijen hiervoor aan te melden bij het CJG, waar het gezin al bekend is. De rechtbank gaat uit van deze toezegging. De rechtbank spreekt de hoop uit dat nu er met deze beschikking duidelijkheid is over het gezamenlijk gezag, er mogelijk meer ruimte is om de oudercommunicatie, alsmede de onderlinge verhoudingen te verbeteren.\n\n5.5. De rechtbank concludeert als volgt. Met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Nu evenmin feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijzen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een raadsonderzoek.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.6. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is in het belang van de minderjarigen dat er duidelijk is en blijft dat de ouders samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.\n\nProceskosten\n\n5.7. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1. bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021;\n\n6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n6.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5387","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.858Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"1826","ECLI:NL:RBZWB:2026:5343","ecli-nl-rbzwb-2026-5343","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F445417 \u002F JE RK 26-329\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nEindhoven,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. S. van Reeven-Özer,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. A. Elias.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;\n\n- de brief van mr. Van Reeven-Özer van 12 mei 2026;\n\n- de brief van mr. Elias van 15 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de Raad;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI, middels een videobelverbinding.\n\nDe onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met procedurenummer C\u002F02\u002F418757 FA RK 24-532.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Tussen [minderjarige 1] en vader bestaat reeds ruim twee jaar geen fysiek contact.\n\n2.3.. \n [minderjarige 2] verblijft feitelijk bij de moeder van woensdag uit school (in de even weken) tot maandagochtend naar school (in de oneven weken). De rest van de tijd verblijft hij bij de vader.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De Raad legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Er is volgens de Raad sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , omdat zij opgroeien in een context van een langdurige en geëscaleerde ouderstrijd, waarbij ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om samen te werken en gezamenlijk invulling te geven aan hun ouderlijk gezag. De communicatie is tussen hen structureel verstoord en er ontbreekt basale afstemming over opvoedings- en ontwikkelingszaken. Hierdoor worden de kinderen belast met spanningen en loyaliteitsdruk. Bij [minderjarige 2] bestaat de ontwikkelingsdreiging dat hij verder klem raakt tussen ouders. Hoewel hij zelf aangeeft dat het goed met hem gaat, is het zorgelijk dat hij structureel wordt blootgesteld aan de onderlinge strijd en dat zijn emotionele ruimte beperkt wordt door het conflict tussen ouders. Bij [minderjarige 1] is sprake van een meer zichtbare emotionele belasting. Zij ervaart angst, spanningen, somberheid en piekeren in relatie tot haar vader en de ouderlijke dynamiek. Zonder duidelijke regie en begrenzing van het ouderlijk conflict bestaat het risico dat haar klachten verergeren en haar ontwikkeling verder wordt belemmerd. De ouders zijn onvoldoende in staat de bedreiging weg te nemen en noodzakelijke hulpverlening duurzaam te accepteren. De verwachting is dat ouders, mits er duidelijke regie wordt gevoerd en hulpverlening wordt ingezet binnen een dwingend kader, zij in staat zijn om binnen aan aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding weer zelf te kunnen dragen. De Raad acht een periode van een jaar passend, gelet op de geformuleerde doelen waaraan gewerkt moet worden tijdens de ondertoezichtstelling. Een kortere termijn biedt onvoldoende ruimte om noodzakelijke veranderingen te realiseren en te bestendigen.\n\n4.2.. Ten aanzien van [minderjarige 2] kan de moeder ermee instemmen dat een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken voor de duur van een jaar. De vrouw vraagt zich bij [minderjarige 2] af of het daadwerkelijk zijn wens is om bij vader te gaan wonen, of omdat vader bij hem aangeeft dat hij in dat geval geen alimentatie meer hoeft te betalen aan de moeder. De emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] moet daarom worden gemonitord. Hoewel de moeder het in eerste instantie niet eens was met de ondertoezichtstelling, kan zij hier nu toch achter staan, nadat hierover uitvoerig is gesproken ter zitting.\n\n4.3.. De vader is het eens met de ondertoezichtstelling.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat zij opgroeien in een situatie waarin sprake is van een langdurige en escalerende ouderlijke strijd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden aan deze spanningen tussen ouders direct of indirect blootgesteld. Bij [minderjarige 1] heeft dit ertoe geleid dat zij reeds twee jaar geen fysiek contact heeft gehad met haar vader. Zij heeft hier last van. Een eventueel (begin van) herstel van contact levert bij haar veel spanning op, onzekerheid, het gevoel niet gezien en gehoord te worden en niet belangrijk genoeg te zijn voor vader. Dit heeft een negatieve weerslag op haar dagelijks functioneren en haar zelfbeeld. Daarom zijn er reeds therapieën voor haar geïnitieerd (PMT en EMDR) zodat zij sterker in haar schoenen komt te staan en beter om kan gaan met voornoemde gevoelens. [minderjarige 2] op zijn beurt is terughoudend geworden in wat hij met moeder deelt en er zijn bij hem signalen van loyaliteitsdruk. Hij lijkt nu ook de boodschapper te zijn tussen ouders, een rol die niet past bij een kind van deze leeftijd. Dit brengt namelijk verantwoordelijkheden met zich mee die hij nu niet hoeft te ervaren. Het is noodzaak dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan opgroeien in een omgeving van emotionele veiligheid, voorspelbaarheid en rust.\n\n5.3.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat deze hulpverlening tot op heden niet de gewenste verbetering heeft gebracht en vader al eerder aangegeven heeft hiervoor niet meer open te staan. De kinderrechter benadrukt dat de ouders aan zet zijn om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit hun klem-positie te halen. Zoals ook ter zitting aan ouders is voorgehouden zullen zij zich wederom in moeten zetten om met hulpverlening, en nu onder regie van de GI, dit te bewerkstelligen. Ouders hebben de sleutel in handen om hun kinderen hieruit te halen en zullen zich hiertoe tot het uiterste in moeten spannen.\n\n5.4.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. Gewerkt zal worden aan de volgende doelen:\n\n- Het structureel vormgeven van parallel ouderschap;\n\n- Het herstellen en stabiliseren van de hulpverlening voor [minderjarige 1] ;\n\n- Het monitoren van de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] ;\n\n- Het implementeren van pedagogische begeleiding bij beide ouders;\n\n- Het beoordelen of ouders in staat zijn afspraken duurzaam na te komen;\n\n- Het zorgvuldig opstarten van een gefaseerd omgangstraject tussen [minderjarige 1] en vader, mitsdit in het belang van [minderjarige 1] wordt geachtén mits[minderjarige 1] toe is aan contact met haar vader; te allen tijde moet voorkomen worden dat er druk op [minderjarige 1] komt te liggen ten aanzien van het herstellen van het contact met haar vader en ze moet zich kunnen richten op haar eigen therapieën.\n\n5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5343","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.683Z",20]