[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-breda-parental-responsibility-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":14,"decisions":20,"total":15,"page":72,"limit":73},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},64,"Breda","nl","breda",{"id":5,"slug":10,"name":11,"country":12,"createdAt":13},"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",{"totalDecisions":15,"dateRange":16,"topProvisions":19},6,{"min":17,"max":18},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[],[21,32,39,46,55,64],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"565","ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","ecli-nl-rbzwb-2026-5447","","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nzaaknummer: C\u002F02\u002F446788 \u002F KG ZA 26-177\n\nVonnis in kort geding van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. M.C.G. Voogt te Breda,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel te Breda.\n\nPartijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,\n\nhierna: de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4-2.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Bij die zitting zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een medewerker namens de Raad;\n\n- twee medewerkers van Stichting Jeugdbescherming Brabant (op afstand, via een audiovisuele verbinding).\n\n1.3.. \n\nGelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in deze zaak, het verzoek van de Raad (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F445894 \u002F JE RK 26-410) en de verzoeken in de bodemprocedure (in de zaak met kenmerk C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326) zijn die drie zaken gelijktijdig op zitting behandeld. In alle zaken wordt bij separate beschikking\u002Fvonnis beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie de volgende op dit moment nog minderjarige kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .\n\n2.2.. De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .\n\n2.3.. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bekend onder zaaknummer C\u002F02\u002F422607 \u002F FA RK 24-2326.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 november 2024 in voormelde bodemprocedure heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De man heeft [minderjarige 2] vervolgens erkend. De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw.\n\n2.6.. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank, bij voormelde beschikking van 12 november 2024 in genoemde bodemprocedure partijen naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA), waarbij de rechtbank de (definitieve) beslissingen op de overige verzoeken van partijen ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een omgangs- c.q. zorgregeling en een informatieregeling heeft aangehouden.\n\n2.7.. Partijen zijn in het UHA-traject een ouderschapsplan met elkaar overeengekomen, dat zij hebben ondertekend op 7 juli 2025. Daarin hebben partijen onder meer vastgelegd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] twee dagen per week bij de man zullen zijn en dat partijen in onderling overleg een nadere uitbreiding zullen regelen.\n\n2.8.. Nadat de vrouw de omgang tussen de man en de kinderen in augustus 2025 had beëindigd, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 1 december 2025 bepaald dat de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact\u002Fomgang met elkaar twee dagen per week van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de dagen in onderling overleg tussen partijen worden bepaald.\n\n2.9.. Bij mondeling gegeven beschikking van 7 mei 2026 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant.\n\n2.10.. Bij beschikking van vandaag (21 mei 2026) heeft de rechtbank in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure eindbeslissingen gegeven op de voorliggende verzoeken. Verkort weergegeven heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:\n\n- partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige 2] ;\n\n- de kinderen in het kader van de zorgregeling iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de man zullen verblijven;\n\n- de vrouw de man iedere maand moet informeren over de ontwikkeling van de kinderen.\n\n3. De vorderingen\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. de in rechte voorlopig vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de kinderen,\n\nzoals opgenomen in voormeld kortgedingvonnis van 1 december 2025, te schorsen totdat partijen anders overeenkomen of een rechter anders beslist,\n\nII. althans een zodanige beslissing te nemen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.\n\n3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot afwijzing van die vorderingen, onder veroordeling van de vrouw in de aan de zijde van de man gemaakte kosten van deze procedure.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de hiervoor onder 2.10. genoemde beschikking van vandaag (21 mei 2026) eindbeslissingen zijn gegeven op de verzoeken van partijen die nog voorlagen in de hiervoor onder 2.3 genoemde bodemprocedure. Eén van die beslissingen houdt de vastlegging in van een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op basis waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar iedere woensdag en zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur.\n\n4.2. Met die eindbeslissing in de bodemprocedure tussen partijen is de bij vonnis van 1 december 2025 door de voorzieningenrechter voorlopigbepaalde omgangsregeling tussen de man en de kinderen komen te vervallen. Bij de vorderingen van de vrouw om die voorlopige – inmiddels vervallen – regeling te schorsen, bestaat daarom geen belang meer.\n\n4.3. Bij gebrek aan belang zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw in deze kortgedingprocedure afwijzen.\n\n4.4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, zoals de man heeft verzocht. In procedures van familierechtelijke aard is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Daarvan wordt alleen maar afgeweken als er bijzondere omstandigheden zijn, bijvoorbeeld een partij die misbruik maakt van zijn of haar procesbevoegdheid. De omstandigheid dat de vorderingen van de vrouw in dit kort geding worden afgewezen, is onvoldoende om te concluderen dat zij misbruik heeft gemaakt van haar procesbevoegdheid. De voorzieningenrechter zal daarom het uitgangspunt hanteren en de proceskosten compenseren.\n\n4.5. De voorzieningenrechter hoopt dat partijen in de toekomst geen (kortgeding)procedures meer zullen (hoeven) aanspannen in verband met (de uitvoering van) de zorgregeling tussen de man en de kinderen. De (juridische) strijd tussen ouders is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Inmiddels heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. De voorzieningenrechter verwacht dat partijen met hulpverlening invulling weten te geven aan een vorm van gezamenlijk ouderschap waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duurzaam, positief en onbelast contact met beide ouders kunnen hebben.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Jong, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van mrs. Vos en Van Ham als griffiers.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5447","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:36.997Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"572","ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","ecli-nl-rbzwb-2026-5445","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking op de vraag van de minderjarigen door middel van een informele rechtsingang\n\n [minderjarige 1] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nen\n\n [minderjarige 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] ,\n\ngeboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,\n\nwonende te [plaats 1] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1. Het verloop van de zaak\n\n1.1. Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n1.2. De kinderrechter heeft op 25 maart 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over hun e-mailbericht.\n\n1.2. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders (en de Raad) uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Hierbij zijn verschenen: de ouders en hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3. Op 17 april 2026 heeft [minderjarige 2] nog een brief aan de kinderrechter gestuurd.\n\n2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op [datum 1] 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 2] . Binnen dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van [datum 2] 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. Partijen hebben vervolgens de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Tussen de ouders is een procedure aanhangig bij deze rechtbank bekend onder het nummer met kenmerk C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24-6047. In deze procedure heeft de man verzocht om de zorgregeling te wijzigen en is door de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten. Bij beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigvastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod. De man heeft in die procedure vervolgens verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n3. De vraag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n3.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vragen de kinderrechter feitelijk om de (voorlopige) zorgregeling te wijzigen en [minderjarige 1] vraagt daarnaast om haar hoofverblijf te wijzigen. Zij wil dat haar hoofdverblijf bij haar vader zal zijn.\n\n3.2. \n [minderjarige 1] geeft, samengevat, aan dat zij het liefst bij haar vader wil gaan wonen. Zij heeft het bij haar moeder niet altijd fijn en dat komt omdat zij niet goed kan opschieten met de nieuwe vriend van haar moeder. Hij heeft haar een keer met de platte hand in haar gezicht geslagen, nadat zij ruzie had met [minderjarige 2] . En hij heeft haar ook een keer tegen een muur aan geduwd en hard tegen haar geschreeuwd. De vriend van haar moeder is 2 meter lang en zij voelde zich op dat moment heel erg geïntimideerd. Verder praat de vriend van haar moeder ook slecht over haar vader en daar heeft [minderjarige 1] ook veel last van. Een week op week af regeling vindt [minderjarige 2] op dit moment goed, maar zij wil uiteindelijk bij haar vader gaan wonen.\n\n3.3. \n [minderjarige 2] geeft, samengevat, aan dat zij graag meer bij haar vader wil zijn. Zij twijfelt nog wel over welke zorgregeling zij precies wil. [minderjarige 2] wil uiteindelijk waarschijnlijk tot een week op week af regeling te komen, maar zij wil dat dan wel rustig opbouwen. Dus bijvoorbeeld eerst een halve week en een week in de maand naar haar vader gaan. Zij is namelijk bang dat zij een directe verandering naar een week op week af regeling niet aan kan. Verder vindt [minderjarige 2] het belangrijk dat zij bij een nieuwe zorgregeling naar haar handbaltrainingen en wedstrijden kan blijven gaan. Zij speelt topklasse handbal en het is ook een heel leuk team. Als zij een keer niet naar de training of een wedstrijd kan, dan wil zij dat haar vader daar met haar overlegt voordat zij wordt afgemeld. Verder wil [minderjarige 2] ook als zij bij haar vader is met haar vrienden kunnen afspreken.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat er voor de komende periode een nieuwe zorgregeling is overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dus meer contact hebben met de vader. Er is afgesproken dat [minderjarige 1] om de week een hele week bij de man verblijft (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27) en [minderjarige 2] een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader zal zijn. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] , die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is 8 jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hootp dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De beoordeling van de kinderrechter\n\n5.1. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.\n\nDe vraag van [minderjarige 1] over het wijzigen van haar hoofdverblijf5.2. De kinderrechter gaat geen (ambtshalve) beslissing nemen over de vraag van [minderjarige 1] om haar hoofdverblijf te wijzigen. De vader heeft inmiddels in de procedure die tussen ouders loopt ook verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Het bepalen van het hoofdverblijf hoort wat de kinderrechter betreft meer thuis in de procedure tussen de ouders dan in het kader van een informele rechtsingang.\n\nDe vragen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over het wijzigen van de zorgregeling5.3. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. [hulpverlening] is nu gestart met een hulpverleningstraject. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en dus ook een definitieve zorgregeling. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader.\n\n5.4. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de overeengekomen regeling voorlopigvaststellen en deze zaak aanhouden tot de hierna te melden pro forma datum. Van de advocaten van de ouders wordt verwacht dat zij de kinderrechter uiterlijk op die datum schriftelijke informeren over de resultaten, dan wel stand van zaken omtrent de zorgregeling en het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . Het rapport van [hulpverlening] zal worden ingebracht in de hiervoor vermelde tussen de ouders aanhangige procedure.\n\n5.5. De beslissing over de voorlopigezorgregeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als eventueel hoger beroep wordt ingesteld.\n\n5.6. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] krijgen ieder een brief met een uitleg van de beslissingen van de kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 1] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat jij het liefst bij je vader wil wonen en dat je hem in ieder geval vaker wil zien. Je ouders hebben samen een regeling voor de komende maanden afgesproken, waarbij jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nVoor wat betreft het hoofdverblijf, gaat de kinderrechter nu geen beslissing nemen. Tussen je ouders loopt er een juridische procedure en de kinderrechter vindt de vraag over waar jij je hoofdverblijf moet hebben beter in die procedure passen. Uiteindelijk zal daar dus een beslissing over genomen worden, maar eerst zal worden bekeken hoe de uitgebreidere contacten met je vader gaan verlopen.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\nBeste [minderjarige 2] ,\n\nJij hebt op 25 maart 2026 gesproken met de kinderrechter. Op 17 april 2026 heb jij nog een aanvullende e-mail gestuurd. Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter gesproken met je ouders, hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nJij geeft aan dat je meer contact wil met je vader, maar dat je nog niet precies weet hoe je dat het liefste wilt. Je ouders hebben samen afspraken gemaakt de komende maanden, waarbij ze hebben afgesproken dat jij je vader vaker ziet. De kinderrechter vindt dat ook een goed idee en heeft daarom die regeling nu – voorlopig - vastgesteld. De komende maanden gaan jij, je zusje en je ouders kijken hoe die regeling loopt. Er zal de komende periode ook hulp worden ingezet vanuit [hulpverlening] . Dat betekent dan ook dat er gesprekken met jou gaan plaatsvinden.\n\nJe ouders en hun advocaten zijn gevraagd om in augustus 2026 aan te geven hoe zij vinden dat de regeling loopt. Jij mag dan ook weer je mening geven.\n\nMet vriendelijke groet,\n\nDe kinderrechter.\n\n6. De beslissing van de kinderrechter\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1. neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige 1] om het hoofdverblijf van haar bij de vader te bepalen;\n\n6.2. bepaalt ambtshalve dat de bij beschikking van 10 juni 2025 vastgestelde voorlopige contactregeling wordt gewijzigd en bepaalt dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopigzal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader;\n\n6.3. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. houdt de verdere behandeling van deze zaak aan tot 25 augustus 2026 pro forma,in afwachting van een schriftelijke reactie van de advocaten van de ouders zoals staat beschreven in rechtsoverweging 5.4;\n\n6.5. houdt iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nVoor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:\n\na. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nb. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nc. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;\n\nd. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5445","2026-07-13T00:28:37.399Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":43,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"608","ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","ecli-nl-rbzwb-2026-5453","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F430176 \u002F FA RK 24\u002F6047\n\ndatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nbeschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nin de zaak van\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. Th. Kremers\n\nen\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N. van Vliet\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ;\n\n- [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats] ;\n\nDe Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda\u002FMiddelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.\n\n1 Het verdere procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken;\n\n- het op 14 april 2026 ingekomen aanvullend verzoek van de vader;\n\n- de op 15 en 16 april 2026 ontvangen brieven van mr. N. van Vliet;\n\n-\n\n1.2 De zaak is (nader) behandeld op de zitting van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.3 Gelet op de nauwe samenhang is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met kenmerk: C\u002F02\u002F446133 \u002F FA RK 26-1384. Die zaak betreft een kindbriefzaak, gestart met een e-mailbericht die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gestuurd naar de kinderrechter.2. De feiten\n\n2.1. De ouders zijn op 10 juli 2009 met elkaar getrouwd te [plaats 1] . Uit dit huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2018 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant en oudersschapsplan (door partijen ondertekend op 5 juni 20218) deel zal uitmaken van de beschikking.\n\n2.3.. \n\nPartijen hebben de afspraken van het ouderschapsplan gewijzigd door middel van een “addendum ouderschapsplan” dat zij op respectievelijk 15 en 27 november 2023 hebben ondertekend.\n\nIn het addendum ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eens\n\nin de twee weken van zaterdagochtend omstreeks 10.00 uur tot zondagavond omstreeks20.00. \n\nuur bij vader zijn (hierna: de weekendregeling). Partijen hebben ook afgesproken dat\n\nwanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangeven langer en\u002Fof vaker bij vader en\u002Fof moeder te willen\n\nverblijven, dit na overleg tussen de ouders mogelijk zal zijn. Partijen geven momenteel\n\nuitvoering aan een weekendregeling waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al vanaf vrijdagavond naar de\n\nman gaan.\n\n2.4.. Bij voormelde beschikking van 10 juni 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de tussen partijen overeengekomen wijziging van de zorgregeling voorlopigwordt vastgelegd en zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De vader verzoekt de in het ouderschapsplan opgenomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) te wijzigen naar een week-op-week-af-regeling, met het wisselmoment op zondagavond om 19.00 uur, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist acht.\n\n3.2.. De vader verzoekt (aanvullend) om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen.\n\n4. De standpunten\n\n4.1. De moeder en haar advocaat geven aan dat partijen voor de komende periode een nieuwe zorgregeling zijn overeengekomen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact zullen hebben met de vader. Het doel van deze ‘proefregeling’ is dat de ouders samen met hun dochters en onder begeleiding van de hulpverlening ( [hulpverlening] ), die in het kader van het Uniform Hulpaanbod is gerealiseerd, kunnen ervaren hoe die zorgregeling verloopt en wat één ieder daarin nodig heeft in het kader van het hebben van fijn contact van de beide dochters met de ouders. Er is acht jaar lang beperkt contact geweest tussen de vader en de kinderen, dus het is logisch dat er zorgvuldig wordt bekeken wat de ervaringen zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het hebben van meer contact met hun vader. De moeder wil graag dat de verstandhouding tussen haar partner en [minderjarige 1] wordt verbeterd. Zij hoopt dat [hulpverlening] daar ondersteuning in kan gaan bieden.\n\n4.2. De vader en zijn advocaat bevestigen dat er een nieuwe zorgregeling overeen is gekomen. Het is duidelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer contact met hem willen en zij willen dat er naar hen wordt geluisterd. De vader heeft al eerder aan de moeder gevraagd om een uitbreiding van het contact, maar zij wilde daar toen niet aan meewerken. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief hebben gestuurd, wil de moeder wel meewerken. De vader wil het liefst dat er nu al een co-ouderschapregeling wordt vastgesteld. Hij begrijpt ook dat er eerst een opbouw moet plaatsvinden en hij is daarom ook akkoord gegaan met de huidige gewijzigde contactregeling. Het heeft erg lang geduurd voordat er hulp is ingeschakeld. De vader heeft zelf nog geen contact gehad met [hulpverlening] .\n\n4.3. De vertegenwoordigster van de Raad is van mening dat de huidige afgesproken zorgregeling moet worden gecontinueerd. Het is ook belangrijk dat het traject bij [hulpverlening] wordt voortgezet. Een belangrijk onderwerp daarin is ook de verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De Raad adviseert om de huidige overeengekomen zorgregeling voorlopig vast te stellen in afwachting van de resultaten van het traject bij [hulpverlening] .\n\n5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. De ouders hebben overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor de komende periode. In die regeling wordt ook tegemoet gekomen aan de wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om meer contact te hebben met hun vader. Ouders hebben afgesproken dat het contact tussen vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als volgt voorlopig zal plaatsvinden:\n\n- [minderjarige 1] verblijft om de week een hele week bij de man (weken, 15, 17, 19, 21, 23, 25 en 27);\n\n- [minderjarige 2] verblijft een hele week (weken 15, 17, 21 en 25) afgewisseld door een halve week (in de weken 19, 23 en 27 van woensdagavond tot en met zondagavond) bij de vader. De kinderrechter vindt dat de ouders een groot compliment verdienen met het overeenkomen van deze ‘proefregeling’. Zij komen daarmee tegemoet aan de wensen van hun kinderen. Deze regeling is ambtshalve door de rechtbank vastgelegd in het kader van de informele rechtsingang.\n\n5.2.. De komende periode wordt er gewerkt aan het contact tussen de vader en de kinderen. [hulpverlening] is gestart met een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De ouders gaan werken aan een ouderschapsplan en zullen dan naar de rechtbank hoopt ook een definitieve zorgregeling overeenkomen. Daarnaast zal er onder begeleiding van [hulpverlening] ook aandacht zijn voor de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige 1] en haar stiefvader. De rechtbank vindt het daarom niet wenselijk om nu al een beslissing te nemen over het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en zal daarom die beslissing aanhouden. Het loket zal opnieuw worden verzocht om uiterlijk op de na te melden pro forma datum de UHA-rapportage (van [hulpverlening] ) bij de griffie van de rechtbank in te dienen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nverzoekt het loket om uiterlijk op 25 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als\n\nmogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het\n\n(jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 in aanwezigheid van Weterings, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5453","2026-07-13T00:28:39.062Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"542","ECLI:NL:RBZWB:2026:5420","ecli-nl-rbzwb-2026-5420","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446131 \u002F JE RK 26-454\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant 's-Hertogenbosch, gevestigd te 's-Hertogenbosch,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat mr. W.H.P. de Jongh uit Roosendaal.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. De Jongh van 15 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\n- twee vertegenwoordigers van de GI.1.3.. De vader en zijn advocaat zijn juist opgeroepen, maar niet verschenen. De advocaat van de vader heeft voorafgaand aan de zitting aan de kinderrechter te kennen gegeven dat zowel hij als de vader niet aanwezig zullen zijn.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij hun moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 22 mei 2025 tot 22 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De mening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aan de kinderrechter verteld dat zij het fijn hebben bij de moeder en haar nieuwe partner. Zij willen op dit moment geen contact met de vader.\n\n5. De standpunten\n\n5.1.. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het navolgende naar voren gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hadden bij aanvang van de ondertoezichtstelling al geruime tijd de vader niet gezien en er waren zorgen rondom [minderjarige 2] . De zorgen over de schoolgang en het welbevinden van [minderjarige 2] zijn in de loop van het jaar toegenomen. Het lukte hem niet om mee te komen in de groep en hij ging nog maar halve dagen naar school. In het najaar is hij door school aangemeld bij de [school] , een geïntegreerde onderwijs- en zorgsetting voor kinderen uit het primair onderwijs die uit dreigen te vallen op school, met als doel hen duurzaam te laten terugkeren naar passend regulier onderwijs. Hier is [minderjarige 2] uiteindelijk medio januari 2026 toegelaten. Om versnippering van de hulpverlening te voorkomen en de samenwerking en effectiviteit te vergroten is Expertise In Ervaren (E-I-E) ingezet voor systemische therapie zowel thuis als op school en [praktijk] in onderaannemerschap voor het contacthersteltraject. Door wachtlijsten zit de hulpverlening nog in een voortraject, maar de eerste gesprekken hebben plaatsgevonden of zullen op korte termijn plaatsvinden. Hoewel de vader zich heeft geconformeerd aan het contacthersteltraject en zich tijdens de eerste gesprekken heeft opengesteld, verloopt de verdere samenwerking zeer moeizaam. De vader voelt zich machteloos en is gefrustreerd waardoor het hem niet lukt om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Zo is hij na twee keer al gestopt met het versturen van kaartjes naar de kinderen. De samenwerking met de moeder verloopt goed en zij neemt adviezen aan en handelt daar ook naar. De ingezette hulpverlening zal veel van de moeder als hoofdopvoeder gaan vragen. Zij moet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stabiliteit bieden terwijl zij zelf ook nog wel last heeft van de traumatische gebeurtenissen uit het verleden.\n\n5.2.. De moeder heeft naar voren gebracht dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Zij ziet de positieve ontwikkelingen die de ondertoezichtstelling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gebracht.\n\n5.3.. De advocaat van de vader heeft middels voornoemd bericht aangegeven dat de vader geen verweer voert tegen verlenging van de ondertoezichtstelling.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. Op grond van artikel 1:260 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n6.2.. Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\na. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en\n\nb. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.\n\n6.3.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n6.4.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over hen zoals omschreven in de vorige beschikking zijn onverminderd aanwezig. Zij hebben veel meegemaakt en hebben verbleven in een spanningsvolle gezinssituatie waarbij sprake was van huiselijk geweld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben al geruime tijd geen contact met de vader. Het lukt de vader niet om hen te geven wat zij nodig hebben, namelijk erkenning voor wat zij hebben meegemaakt en betrouwbaarheid. Hierdoor blijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] last houden van de situatie. Daarnaast kampt [minderjarige 2] met kind-eigenproblemen en gaat hij sinds kort naar [school] , een geïntegreerde onderwijs- en zorgsetting. De nodig geachte hulpverlening voor systemische behandeling bij E-I-E en het contacthersteltraject bij [praktijk] is pas net van de grond gekomen. De bij de ondertoezichtstelling bepaalde doelen zijn dan ook nog niet behaald. Hieraan dient in de komende periode verder te worden gewerkt.\n\n6.5.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter acht betrokkenheid van en regievoering door de GI noodzakelijk. Immers, de verstandhouding tussen de ouders is ernstig verstoord en het zal hen samen niet lukken om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Bovendien is de vader onvoldoende in samenwerking. De situatie is daardoor te complex om de nodig geachte hulpverlening voort te zetten in het vrijwillig kader.\n\n6.6.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen, dit gelet op alles wat er nog moet gebeuren.\n\n6.7.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6.8.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n7. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;7.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5420","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.919Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":59,"fullText":60,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":30,"updatedAt":63},"396","ECLI:NL:RBZWB:2026:5377","ecli-nl-rbzwb-2026-5377","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nBreda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446868 FA RK 26\u002F1770\n\ndatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking betreffende vervangende toestemming reizen naar het buitenland\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,\n\nen\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen.\n\n1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Hoewel correct opgeroepen, is de man niet verschenen.2. De feiten\n\n2.1. Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:\n\n- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.\n\n- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016.\n\n- Genoemd kind is door de man erkend.\n\n- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige;\n\n- de minderjarige staat ingeschreven op het adres van de vrouw.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan haar vervangende toestemming te verlenen voor de reis en het verblijf van de vrouw tezamen met de minderjarige dochter van partijen te ( [plaats] ) Duitsland gedurende de periode 12 en 13 juni 2026.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\n4.2. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Dit betekent dat de vrouw de toestemming van de man nodig heeft om met de minderjarige naar het buitenland te reizen en daar te verblijven. In het algemeen is het in het belang van een kind dat een kind op (mini)vakantie dan wel uitstapjes kan met zijn of haar ouders. In het onderhavige geval gaat het om een [concert] in [locatie] . [minderjarige] is groot fan van de zanger. Op vrijdag 12 juni 2026 zullen [minderjarige] en de vrouw heen reizen, en op zaterdag 13 juni weer terug naar Nederland reizen. De vrouw beschikt niet over een toestemmingsformulier van de man zodat zij met [minderjarige] naar het buitenland mag reizen, ondanks dat de vrouw daarom heeft verzocht. De rechtbank kijkt naar het belang van [minderjarige] . Er is geen enkele reden om haar het uitstapje naar het concert in Duitsland met haar moeder te ontzeggen. Uitzonderingen kunnen bijvoorbeeld zijn wanneer de ouder die met het kind op vakantie wil niet in staat is om goed voor het kind te zorgen of wanneer er een gegronde vrees zou zijn voor ontvoering van het kind door de ouder dan wel wanneer een vakantie in strijd is met tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke situaties hier aan de orde zijn. De rechtbank zal aan de vrouw dan ook vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] naar Duitsland te gaan in de periode van 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026.\n\n4.3. De rechtbank zal deze beslissing in het belang van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep uitgevoerd kan worden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om in de periode 12 juni 2026 tot en met 13 juni 2026 met [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, af te reizen en te verblijven in Duitsland ( [plaats] );\n\n5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5377","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.718Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":17,"fullText":68,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":30,"updatedAt":71},"1162","ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","ecli-nl-rbzwb-2026-5345","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658 (bodem)\n\n C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119 (voorlopige voorziening artikel 223 Rv)\n\ndatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nbeschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming en over provisionele voorzieningen\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. W.H.P. de Jongh in Roosendaal,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. Z.A. Hoetjes in Breda,\n\nover de minderjarige\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. In het dossier zitten de volgende stukken:\n\n- het op 6 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen 1 tot en met 5, van de zijde van de man;\n\n- het op 27 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek, tevens houdende provisionele voorziening, met bijlagen 1 tot en met 7, van de zijde van de vrouw;\n\n- het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift naar aanleiding van zelfstandig verzoek, tevens houdende verweerschrift provisionele voorziening, met bijlagen 6 tot en met 9, van de zijde van de man;\n\n- de op 28 april 2026 ingediende reactie van de zijde van vrouw op de door de man ingediende bijlage 8;\n\n- het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] .\n\n1.2. De verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn mondeling behandeld op 1 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij na de mondelinge behandeling in onderling overleg zullen treden over een voorlopige zorgregeling. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld uiterlijk 13 mei 2026 te berichten of zij in onderling overleg een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld zich nader inhoudelijk over de zaak uit te laten. Vervolgens heeft de rechtbank ontvangen:\n\n- de brief van mr. Hoetjes van 13 mei 2026;\n\n- de brief van mr. De Jongh van 13 mei 2026.\n\nUit deze brieven blijkt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige zorgregeling. Voor zover partijen zich in hun brieven nader inhoudelijk hebben uitgelaten over de voorlopige zorgregeling, gaat de rechtbank daaraan bij de beoordeling van het verzoek voorbij. Zij zijn daarmee immers buiten het onderwerp getreden waarover zij de rechtbank mochten informeren, zodat dat als in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing dient te blijven.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond.\n\n2.2. \n\nUit deze relatie is het volgende, minderjarige kind geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , hierna [minderjarige] .\n\n2.3. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .\n\n2.4. \n [minderjarige] verblijft in de gezamenlijke woning. Partijen verblijven op dit moment afwisselend ieder 24 uur in de woning bij [minderjarige] .\n\n3. De verzoeken en de standpunten\n\n3.1. \n\nDe man verzoekt in de bodemprocedure, na wijziging van zijn verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man en op het adres\n\n zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen;\n\nII. te bepalen dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n - zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur\n\n aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook\n\n het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan de\n\n [adres] in [woonplaats] .\n\n - zodra één van partijen over andere woonruimte beschikt, 3 ½ dag per week\n\n met een wisselmoment op woensdag rond de middag en zondag;\n\n - gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen en, totdat [minderjarige]\n\n naar school gaat, één keer per jaar een periode van twee weken\n\n aaneengesloten om een vakantie met [minderjarige] te kunnen doorbrengen,\n\n althans een zodanige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als uw rechtbank juist acht;\n\nIII. te bepalen dat de man vervangende toestemming wordt verleend in plaats van\n\n de toestemming van de vrouw voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma en dat de man [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als bijlage 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met\n\n de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\nVerder verzoekt de man, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\n- te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn met elkaar door te brengen:\n\n zolang geen van partijen over andere huisvesting beschikt, om de dag 24 uur aaneengesloten, waarbij het wisselmoment om 19:30 uur is, zoals thans ook het geval is, en welk verblijf steeds plaatsvindt in de woning aan [adres] in [woonplaats] .\n\n3.2. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.\n\nDe vrouw verzoekt in de bodemprocedure zelfstandig om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;\n\nII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een zorgregeling zal gelden inhoudende\n\n dat:\n\n - [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks (vooralsnog) zonder overnachting, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nIII. subsidiair, en uitsluitend voor het geval de rechtbank aanleiding ziet om aan de\n\n man vervangende toestemming te verlenen voor deelname van [minderjarige] aan het\n\n Rijksvaccinatieprogramma, te bepalen dat:\n\n - vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt;\n\n - indien en voor zover tot vaccinatie wordt overgegaan, uitsluitend\n\n monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties;\n\nkosten rechtens.\n\nVerder verzoekt de vrouw, bij wege van voorlopige voorziening, om bij beschikking:\n\nI. te bepalen dat de vrouw in afwachting van de bodemprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de inboedel van de woning, met bevel aan de man om de woning te verlaten en niet meer te betreden;\n\nII. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;\n\nIII. te bepalen dat tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling zal gelden,\n\n inhoudende dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting, althans een zodanige voorlopige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;\n\nkosten rechtens.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Vanwege de nauwe samenhang zullen de verzoeken in de bodemprocedure en de verzoeken in het kader van de voorlopige voorziening gezamenlijk worden beoordeeld.\n\nHoofdverblijf(bodemprocedure)\n\nVoorlopige toevertrouwing(voorlopige voorziening)\n\n4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij zich niet langer verzet tegen het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw. De man heeft zijn eigen verzoek om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem en op zijn adres zal zijn ingeschreven volgens de Basisregistratie Personen ingetrokken.\n\n4.3. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] als niet weersproken zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man zal worden afgewezen. Aangezien in de bodemprocedure een definitieve beslissing zal worden gegeven met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] , heeft de vrouw geen belang meer bij de door haar verzochte voorlopige voorziening om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen. Dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nRegeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)(bodemprocedure en voorlopige voorziening)\n\nVerzoeken4.4. De man verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, kort gezegd, vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\n4.5. De vrouw verzoekt zowel in de bodemprocedure als in het kader van een voorlopige voorziening, te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per week gedurende één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend bij de man verblijft, zulks vooralsnog zonder overnachting.\n\nStandpunt van de man4.6. Ter onderbouwing van zijn verzoeken is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Na een conflict in november 2025 is in samenspraak met de politie een co-ouderschapsregeling afgesproken, waarbij [minderjarige] in de woning woont en partijen steeds afwisselend 24 uur in de woning zijn. Deze regeling loopt nog steeds. Hoewel er soms conflicten zijn, functioneert de regeling. Vanuit het CJG is het advies gekomen om deze regeling voorlopig te handhaven. Wijziging van deze voorlopige regeling acht hij ook niet in het belang van [minderjarige] . Verder betwist de man alle beschuldigingen van de vrouw, onder meer over mishandeling, drugs- of alcoholgebruik en betwist hij de inhoud van haar logboeken. Verder is hij prima in staat om [minderjarige] de juiste zorg te geven en houdt hij het door de vrouw gemailde voedingsschema aan. Tussen partijen is sprake van een hoog conflictgehalte. Het is in belang van partijen en van [minderjarige] dat daaraan een einde komt. Hij wenst uiteindelijk vaststelling van een co-ouderschapsregeling.\n\nStandpunt van de vrouw4.7. \n\nTer onderbouwing van haar verweer en haar verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. De relatie van partijen werd gekenmerkt door vele fysieke en verbale escalaties van de man richting de vrouw. Nadat de situatie op 30 november 2025 weer was geëscaleerd, heeft zij de relatie definitief beëindigd. Op het moment van het incident heeft zij de politie ingeschakeld. Met tussenkomst van de politie is de door de man beschreven\n\n24-uursregeling afgesproken. Dit was bedoeld als tijdelijke oplossing voor enkele dagen, maar de regeling loopt nog steeds. Zij ervaart de regeling als zeer belastend. Er zijn te veel wisselingen en de overdrachtsmomenten verlopen niet goed. Volgens de vrouw is de regeling ook te belastend voor [minderjarige] , wat zich uit in een verandering van haar gedrag. Bovendien maakt zij zich zorgen over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de man. [minderjarige] is na een contactmoment met de man vaak overstuur. Daarnaast houdt de man zich niet aan het voedingsschema, waardoor [minderjarige] iedere 24 uur een ander voedingsschema heeft, en heeft hij onvoldoende oog voor de persoonlijke verzorging van [minderjarige] . Daarnaast was haar een aantal keer niet duidelijk waar de man met [minderjarige] heeft verbleven tijdens de zorgmomenten. Zo heeft hij [minderjarige] een keer zonder haar toestemming meegenomen naar een vakantiepark in België. De vrouw heeft haar zorgen neergelegd bij het CJG. Vanuit het CJG is met beide ouders afgesproken dat er bij ieder overdrachtsmoment een alcohol- en drugstest wordt uitgevoerd. Deze testen zijn echter nooit aangeschaft en uitgevoerd. Het CJG was voornemens een veiligheidsplan op te stellen, maar dit is niet van grond gekomen. Vervolgens heeft het CJG zich teruggetrokken, omdat het vrijwillig kader in de situatie van partijen ontoereikend is gebleken. De vrouw acht het in het belang van [minderjarige] dat er nieuwe afspraken worden gemaakt, waarbij een opbouwende zorgregeling met de man wordt overeengekomen, bestaande uit één volledige doordeweekse dag en één volledige dag in het weekend, vooralsnog zonder overnachting. Zodra het aansluit bij de ontwikkeling van [minderjarige] en de man heeft aangetoond dat hij over voldoende opvoedingscapaciteiten beschikt, kan de zorgregeling worden uitgebreid, waarbij bijvoorbeeld kan worden toegewerkt naar een weekendregeling eens per veertien dagen.\n\nAdvies van de Raad4.8. De Raad geeft aan dat de huidige 24-uursregeling, die als tijdelijke maatregel was bedoeld, niet in het belang van partijen en ook niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw geeft aan dat zij deze regeling als zeer belastend ervaart. Dat vindt de Raad een belangrijk signaal. Als een verzorgende ouder zodanig wordt belast dat het stress en spanning geeft, heeft een kind daar ook last van. Dit betekent dat partijen in gesprek zullen moeten over de invulling van de zorgregeling. Aangezien de invulling van de zorgregeling nauw samenhangt met de huisvesting van partijen en de huisvesting weer nauw samenhangt met de verdeling van de inboedel, is het belangrijk dat partijen ook over deze onderwerpen in gesprek gaan. De Raad ziet geen reden waarom deze gesprekken zouden moeten plaatsvinden in een gedwongen kader. Er is immers geen sprake van een ontwikkelings-bedreiging van [minderjarige] . Dat neemt niet weg dat partijen – gelet op hun conflictueuze communicatie en gebrek aan vertrouwen, met name aan de zijde van de vrouw – wel een zeker kader nodig hebben, bijvoorbeeld in de vorm van het UHA. Als het gaat om de invulling van de zorgregeling, dan heeft de man aangegeven dat hij graag een volwaardige vader wil zijn en zorgtaken wil hebben. Partijen moeten hierover in gesprek gaan en bekijken hoe daaraan invulling kan worden gegeven. In dat kader is het belangrijk dat [minderjarige] , vanwege haar zeer jonge leeftijd, met beide ouders een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Daarvoor is nodig dat [minderjarige] regelmatig contact heeft met beide ouders. Anderzijds moet de zorgregeling ook praktisch haalbaar zijn voor partijen. Daarbij geldt dat een verblijf van [minderjarige] bij een ouder prevaleert boven opvang door derden.\n\nOverweging van de rechtbank4.9. \n\nIn artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.\n\nLid 2 aanhef en onder a van dat artikel bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag kan vaststellen, waaronder een zorgregeling.\n\n4.10. De rechtbank volgt de Raad in zijn standpunt dat de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] is en evenmin in het belang van partijen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de vrouw overbelast is geraakt. Dit heeft ook zijn weerslag op [minderjarige] . Het is dus in het belang van [minderjarige] en in het belang van partijen dat er een andere zorgregeling wordt vastgesteld. Daarbij is het, zoals de Raad heeft aangegeven, van belang dat [minderjarige] met beide partijen een goede hechtingsrelatie kan opbouwen. Aan de ene kant is daarvoor nodig dat [minderjarige] , gelet op haar zeer jonge leeftijd, beide partijen regelmatig ziet, aan de andere kant moet worden voorkomen dat er te veel wisselingen zijn en moet de regeling voor partijen praktisch uitvoerbaar zijn. Partijen hebben aangegeven dat zij voor de invulling van de definitieve zorgregeling gesprekken wensen aan te gaan onder begeleiding van een professional en dat zij een doorverwijzing wensen naar het UHA. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\nUHA\n\n4.11. De problematiek van partijen (de ouders) omvat het volgende: Zowel tijdens als na het beëindigen van de relatie in november 2025 is sprake van conflictueuze situaties. Volgens de vrouw was tijdens de relatie ook sprake van conflictsituaties met geweld. [minderjarige] is een heel jong kind. Zij was pas 6 maanden oud toen partijen uit elkaar gingen. Sinds het uiteengaan verblijft [minderjarige] in de woning en verblijven partijen afwisselend 24 uur in de woning. Deze regeling is in samenspraak met de politie tot stand gekomen. De regeling loopt maar er is nog steeds sprake van conflicten. Partijen hebben over en weer aangifte tegen elkaar gedaan. De man is van mening dat partijen prima met elkaar communiceren over [minderjarige] . De vrouw is van mening dat de communicatie helemaal niet goed gaat. De 24-uursregeling was bedoeld als tijdelijke oplossing, maar de regeling loopt nu al maanden. De vrouw lijkt hierdoor overbelast te zijn. Partijen slagen er niet in om tot verdere afspraken te komen over de zorgregeling.\n\n4.12. Het lukt partijen samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 4 mei 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.\n\n4.13. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ; - [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.\n\n4.14. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] (lichte interventie); - [minderjarige] en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden\u002Fbelemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst (bijlage 1).\n\n4.15. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente\u002Ftoegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.\n\n4.16. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .\n\n4.17. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.\n\n4.18. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.\n\n4.19. \n\nWanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:\n\n- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?\n\n4.20. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.\n\n4.21. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.\n\n4.22. Door in te stemmen met de verwijzing hebben partijen tevens ingestemd met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt (bijlage 2).\n\n4.23. Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot definitieve zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en\u002Fof de gemeente\u002Ftoegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.\n\nVoorlopige zorgregeling\n\n4.24. Partijen hebben ieder voor zich verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzoeken voldoende samenhang met de hoofdzaak, zodat partijen (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoeken.\n\n4.25. Zowel tijdens als na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd afspraken te maken over een tijdelijke regeling in afwachting van resultaten UHA, maar zijn daarin niet geslaagd. Dit betekent dat de rechtbank een voorlopige zorgregeling zal vaststellen. Zoals hiervoor is overwogen is de huidige 24-uursregeling niet in het belang van [minderjarige] (en ook niet in het belang van partijen). Met inachtneming van het advies van de Raad over de frequentie van het contact tussen [minderjarige] en ieder van partijen, en zoveel mogelijk rekening houdend met de werkdagen van de vrouw op dinsdag, donderdag en vrijdag (de man heeft aangegeven dat zijn werkgever flexibel is), acht de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling in het belang van [minderjarige] :\n\n- [minderjarige] verblijft bij de vrouw van zondag 09:00 uur tot donderdag 09:00 uur,\n\n- [minderjarige] verblijft bij de man van donderdag 09:00 uur tot zondag 09:00 uur.\n\nOp deze wijze is de zorg voor [minderjarige] ongeveer gelijk tussen partijen verdeeld, ziet [minderjarige] beide ouders regelmatig, maar zijn er niet te veel wisselingen. De rechtbank zal voormelde voorlopige regeling vaststellen. De voorlopige regeling gaat in vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026). De verzoeken van partijen zullen, voor zover meer of anders is verzocht, worden afgewezen.\n\n4.26. De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nVervangende toestemming deelname Rijksvaccinatieprogramma\n\nVerzoeken4.27. De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor het laten deelnemen van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma en dat hij [minderjarige] de vaccinaties kan geven zoals vermeld op het als productie 5 weergegeven overzicht van vaccinaties tot en met de leeftijd van 14 maanden te geven vaccinaties.\n\n4.28. De vrouw verzoekt primair het verzoek van de man af te wijzen. Zij verzoekt voorwaardelijk – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma – te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereikt en dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend (en geen combivaccinaties).\n\nStandpunt van de man4.29. Ter onderbouwing van zijn verzoek is door en namens de man in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aangevoerd. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is in het belang van [minderjarige] , zodat zij wordt beschermd tegen vele ernstige ziektes. Volgens het consultatiebureau kan [minderjarige] de vaccinaties, die zij tot nu toe nog niet heeft gekregen, alsnog krijgen. Dit is voor de vrouw echter onbespreekbaar. Hij verzoekt hem daarom vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] alsnog te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover het de vaccinaties betreft tot en met de leeftijd van 14 maanden. Hij gaat ervan uit dat partijen met betrekking tot de overige vaccinaties alsnog afspraken kunnen maken. In reactie op het verweer van de vrouw heeft de man betwist dat partijen het er tijdens hun relatie over eens waren dat [minderjarige] niet gevaccineerd zou worden. Nadat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling haar voorwaardelijk verzoek had toegelicht, heeft de man aangegeven dat hij ermee instemt dat alleen monovaccinaties, op de wijze zoals de vrouw beoogt, worden toegediend.\n\nStandpunt van de vrouw4.30. \n\nDe vrouw voert als verweer, samengevat, het volgende aan. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is vrijwillig en kent geen wettelijke verplichting. Partijen hebben tijdens de relatie en de zwangerschap uitvoerig gesproken over al dan niet deelnemen aan het\n\nRijksvaccinatieprogramma. In de stukken heeft de vrouw gesteld dat partijen hadden afgesproken dat [minderjarige] niet zou worden gevaccineerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit nader toegelicht. Volgens de vrouw heeft zij zich altijd op het standpunt gesteld dat zij niet wenst dat [minderjarige] gevaccineerd zou worden. De man heeft daarover zijn twijfels geuit, maar heeft vervolgens niks gedaan met de aangeboden informatie, althans hij is er bij haar niet op teruggekomen. In het dossier van het consultatiebureau is in ieder geval vastgelegd dat [minderjarige] niet wordt gevaccineerd. Zij is niet principieel tegen vaccinaties, maar zij is wel van mening dat medische handelingen bij een baby met grote zorgvuldigheid moeten worden overwogen, mede doordat aan het vaccineren risico's verbonden zijn. Bovendien geeft vaccinatie geen 100% garantie dat [minderjarige] de ziekte niet zal krijgen. Hoogstens zal het verloop van de ziekte milder zijn. Bij vaccineren zal het lichaam een kunstmatige respons geven, terwijl zij meer gelooft in een natuurlijke respons. Bovendien is er geen sprake van een medische noodsituatie of concrete gezondheidsdreiging die onmiddellijke vaccinatie voor [minderjarige] noodzakelijk maakt. Voor het geval de rechtbank aanleiding ziet vervangende toestemming te verlenen, verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat vaccinatie niet eerder plaatsvindt dan na het tweede levensjaar van [minderjarige] , omdat de nieren en lever dan beter ontwikkeld zijn en beter in staat zijn om toxische stoffen uit te scheiden, zodat eventuele schade wordt beperkt. Verder verzoekt de vrouw voorwaardelijk te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties worden toegediend in plaats van combinatievaccinaties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen bijvoorbeeld de DKTP-vaccinatie, de vaccinatie die vroeger ook werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie.\n\nAdvies van de Raad4.31. De Raad geeft aan dat zij voorstander is van het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat het in beginsel wordt gerespecteerd wanneer beide ouders daarvan willen afwijken. In dit geval zijn partijen het er echter niet over eens dat zij daarvan willen afwijken. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man om vervangende toestemming voor deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma toe te wijzen.\n\nOverweging van de rechtbank4.32. De vrouw stelt primair dat partijen het erover eens waren dat [minderjarige] niet zou deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Dit is echter niet vast komen te staan. De vrouw stelt immers dat dit háár standpunt is en dat de man – in ieder geval vanaf de geboorte van [minderjarige] – daarover zijn twijfels heeft geuit. Uit het gegeven dat de man – ondanks dat de vrouw hem daarop heeft gewezen – geen nader onderzoek heeft gedaan en er bij de vrouw niet meer op is teruggekomen, kan niet worden afgeleid dat hij het eens is met het standpunt van de vrouw.\n\n4.33. Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat partijen het er niet over eens zijn of [minderjarige] moet deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.34. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat als ouders, die samen het gezag hebben over een kind, het niet eens kunnen worden over een beslissing over het kind, zij de rechtbank kunnen vragen die beslissing te nemen. De rechter moet dan een beslissing nemen die zij het meest in het belang van het kind vindt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.\n\n4.35. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico’s kan worden opgevolgd. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen zijn, wordt blootgesteld. Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw geen principiële of godsdienstige bezwaren heeft tegen het laten vaccineren van [minderjarige] overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma, maar dat haar bezwaren met name zien op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor [minderjarige] als gevolg van deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het op zichzelf juist is dat bijwerkingen kunnen ontstaan, de vrouw niets heeft gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat [minderjarige] meer risico op bijwerkingen of schadelijke gevolgen loopt dan enig ander kind. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel is dat het zowel in het algemeen belang als het individueel belang van [minderjarige] is dat zij deelneemt aan het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.36. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat vaccinatie van [minderjarige] niet eerder zal plaatsvinden dan nadat zij de leeftijd van twee jaren heeft bereik, zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat [minderjarige] , zolang zij niet is gevaccineerd, geen bescherming opbouwt en de kans op ziekte groter is. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat zo spoedig als mogelijk met het vaccineren wordt gestart.\n\n4.37. Het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om te bepalen dat uitsluitend monovaccinaties zullen worden toegediend en geen combivaccinaties, zal worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek toegelicht en aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen de DKTP-vaccinatie zoals deze vroeger ook al werd gegeven, maar wel tegen de huidige toevoeging van Hib en HepB aan de DKTP vaccinatie. De rechtbank leidt hieruit af dat de vrouw in beginsel geen bezwaar heeft tegen combivaccinatie als DKTP en BMR, maar dat zij specifiek bezwaar heeft tegen het feit dat de vaccinatie tegen DKTP wordt gecombineerd met vaccinaties tegen Hib en HepB. De man heeft ermee ingestemd dat deze vaccinaties als monovaccinatie zullen worden gegeven.\n\n4.38. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot vervangende toestemming om [minderjarige] te laten deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, zal worden toegewezen, met dien verstande dat de DKTP – Hib – HepB combivaccinatie zal worden gegeven als monovaccinaties, dus als drie afzonderlijke vaccinaties (een vaccinatie tegen DKTP, een vaccinatie tegen Hib en een vaccinatie tegen HepB). Daarbij acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat het tijdstip van de (in te halen) vaccinaties (RS, Rota, DKTP, Hib, HepB, Pneu, BMR en MenACWY) wordt bepaald in overeenstemming met het daartoe in te winnen advies van Jeugdgezondheidszorg (GGD, consultatiebureau), zijnde de uitvoerder van het Rijksvaccinatieprogramma.\n\n4.39. De rechtbank zal de beslissing over de vervangende toestemming voor deelname van [minderjarige] aan het Rijksvaccinatieprogramma uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man, aangezien de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.\n\nUitsluitend gebruik woning en inboedel(voorlopige voorziening)\n\n4.40. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten over het verzoek van de vrouw over en weer nader toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling kort onderbroken voor overleg tussen partijen. Dit heeft geleid tot overeenstemming. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt:\n\n- de man zal zich zo snel mogelijk uitschrijven van het adres van de woning;\n\n- partijen gaan in gesprek over de verdeling van de inboedel volgens een bij hen bekende lijst; binnen een week nadat partijen overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, zal de man de woning verlaten; de man zal de woning in ieder geval per 1 juni 2026 hebben verlaten.\n\n4.41. Gelet op deze afspraken begrijpt de rechtbank dat de vrouw haar verzoek met betrekking tot de woning intrekt. Aangezien het verzoek is ingetrokken, zullen de gronden van het verzoek niet meer worden onderzocht. Het verzoek zal om die reden worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat partijen gehouden zijn uitvoering te geven aan de onderlinge afspraken.\n\nDe proceskosten in de voorlopige voorziening\n\n4.42. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de bodemprocedure (C\u002F02\u002F444816 \u002F FA RK 26-658)\n\n5.1. bepaalt dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;\n\n5.2. wijst het verzoek van de man met betrekking tot het hoofdverblijf van [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op zijn adres af;\n\n5.3. verwijst partijen (ouders) en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;\n\n5.4. verzoekt het loket om uiterlijk 2 november 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;\n\n5.5. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;\n\n5.6. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;\n\n5.7. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.19 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;\n\n5.8. houdt de behandeling van deze zaak, alsmede iedere verdere beslissing, met betrekking tot de verzoeken over de zorgregeling aan tot 2 november 2026pro forma;\n\n5.9. geeft aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming om [minderjarige] deel te laten nemen aan het Rijksvaccinatieprogramma voor zover dat betrekking heeft op vaccinaties die worden gegeven tot en met de leeftijd van 14 maanden, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.38 van deze beschikking, en verklaart deze vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad;\n\n In de voorlopige voorziening (C\u002F02\u002F445629 \u002F FA RK 26-1119)\n\n5.10. wijst het verzoek van de vrouw om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen af;\n\n5.11. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig– totdat in de bodemprocedure is beslist op de verzoeken van partijen – recht hebben op contact met elkaar elke week van donderdag 09:00 uur tot zondag 09.00 uur, welke regeling ingaat vanaf het moment dat de man de woning heeft verlaten (uiterlijk 1 juni 2026);\n\n5.12. wijst de verzoeken van partijen ten aanzien van de voorlopige zorgregeling voor het overige af;\n\n5.13. wijst het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de woning af;\n\n5.14. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5345","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.539Z",1,20]