[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":51,"total":16,"page":25,"limit":148},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"1915-05-28T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,39,42,45,48],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122715","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 217",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122735","art. 700 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122737","art. 700 lid 3",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"124387","Burgerlijk Wetboek","art. 7:268 lid 3",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"122922","art. 1074",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"122923","art. 7 lid 2",{"provisionId":43,"code":34,"article":44,"count":25},"124480","art. 6:237",{"provisionId":46,"code":34,"article":47,"count":25},"124482","art. 7:412",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"124255","art. 218",[52,62,71,79,88,97,106,115,123,131,140],{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":57,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":60,"updatedAt":61},"1759","ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","ecli-nl-rbdha-2026-18180","","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703871 \u002F KG ZA 26\u002F427\n\nVonnis in kort geding van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A] B.V.te [plaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,\n\ntegen:\n\n1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,\n\n2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,\n\n3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,\n\ngedaagden in conventie,\n\neisers in reconventie,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nwaarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:\n\nCOMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,\n\nadvocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;\n\n- de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;\n\n- de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;\n\n- het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;\n\n- de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);\n\n- de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.\n\n1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.\n\n1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.\n\n1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst en voeging\n\n2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.\n\n2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.\n\n2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en\u002Fof voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n [partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk\n\n3.1.. \n\n [partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.\n\nHij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.\n\n3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.\n\n3.3.. \n [partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.\n\n3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.\n\nCommerbas\n\n3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.\n\n [partij B] c.s.\n\n3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.\n\nOvereenkomst [partij A] en [partij B] c.s.\n\n3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:\n\nBasis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.\n\n1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.\n\n5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.\n\n6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010\u002F11 voor een onbepaalde periode.\n\n7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.\n\n8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.\n\n3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.\n\nSommaties\n\n3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.\n\n3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.\n\n3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.\n\n3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.\n\n3.13.. \n [partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;\n\nII. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;\n\nIII. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:\n\na. a) de fabrikant(en) en\u002Fof leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);\n\nb) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en\u002Fof geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;\n\nc) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en\u002Fof door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;\n\nd) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en\u002Fof ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);\n\ne) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);\n\nIV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag \u002F [partij B sub 1] v.o.f.’\n\nV. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;\n\nVII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;\n\nVIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;\n\nIX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;\n\nX. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.\n\n4.2.. \n [partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n4.3.. \n [partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n4.4.. \n [partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;\n\nII. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i\n\nIII. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:\n\n [partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.\n\nIV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.\n\n4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie en voorwaardelijke reconventie\n\nBevoegdheid\n\n5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.\n\n5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.\n\n5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.\n\nIn conventie verder\n\nAuteursrechten modellen Panara schoencollectie\n\n5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.\n\n5.6.. \n [partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.\n\n5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.\n\n5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.\n\n5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.\n\n5.10.. \n\nOnder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.\n\nHet onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.\n\n5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.\n\nmerkinbreuk\n\n5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.\n\n5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.\n\n5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.\n\n5.15.. \n [partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.\n\n5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.\n\nProceskosten\n\n5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.\n\nIn voorwaardelijke reconventie verder\n\n5.18.. \n [partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”\n\n5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nIn conventie\n\n6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;\n\n6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;\n\n6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;\n\n6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;\n\nIn voorwaardelijke reconventie\n\n6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken\n\n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\n Verordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra)\n\n Auteurswet\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75\n\n Productie 12 bij de dagvaarding\n\nHvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580\u002F23 en C-795\u002F23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18180","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:37.443Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":66,"fullText":67,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":60,"updatedAt":70},"1000","ECLI:NL:GHDHA:2026:1981","ecli-nl-ghdha-2026-1981","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.354.523\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F526115 \u002F HA ZA 17-440\n\nArrest van 30 juni 2026 in het incident\n\nin de zaak van\n\nStichting Petrobras Compensation Foundation,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nverweerster in het incident,\n\nadvocaat: mr. W.P. Wijers, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Petrobras International Braspetro B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\n2. Petrobras Global Finance B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep,\n\nappellanten in incidenteel hoger beroep,\n\neiseressen in het incident,\n\nadvocaat: mr. P. Sluijter, kantoorhoudend in Rotterdam.\n\nHet hof noemt eiseressen sub 1 en 2 in het incident hierna respectievelijk PIB en PGF en verweerster in het incident de Stichting.1. De zaak in het kort1.1. PIB en PGF vorderen in dit incident dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar tegen hen gerichte hoger beroep. Het hof wijst deze vordering toe, nu de Stichting haar hoger beroep tegen PIB en PGF heeft ingetrokken.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident – blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingsexploten van 29 januari 2025, waarmee de Stichting in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024;\n\nde memorie van grieven van de Stichting, met bijlagen;\n\nde incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring tevens voorwaardelijke memorie van antwoord van PIB en PGF, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en voeging van de Stichting, met bijlagen.3. De vordering in het incident3.1. In het incident vorderen PIB en PGF dat de Stichting niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen PIB en PGF, met veroordeling van de Stichting in de kosten. Daaraan leggen PIB en PGF ten grondslag dat de Stichting geen grieven richt tegen oordelen uit de procedure in eerste aanleg die betrekking hebben op de vorderingen van de Stichting jegens PIB en PGF.4. Beoordeling van de vordering in het incident4.1. De Stichting heeft op 28 juli 2025, een week nadat zij haar memorie van grieven in het principaal hoger beroep heeft genomen, het hof in reactie op een brief van PIB en PGF laten weten dat zij (i) afziet van het vervolgen van het principaal hoger beroep jegens PIB en PGF en (ii) de intrekking van het principaal hoger beroep tegen PIB en PGF bij de eerstvolgende proceshandeling zou formaliseren. De Stichting heeft vervolgens op 9 december 2025 via een H16-formulier aan het hof gemeld dat zij haar hoger beroep tegen PIB en PGF intrekt.4.2. Hieruit volgt dat de Stichting in hoger beroep haar rechtsvordering tegen PIB en PGF prijsgeeft. De Stichting zal daarom in haar hoger beroep tegen PIB en PGF niet-ontvankelijk worden verklaard.4.3. De Stichting verzet zich tegen de door PIB en PGF gevorderde kostenveroordeling. Volgens de Stichting zijn de proceskosten onnodig gemaakt, omdat zij reeds op 28 juli 2025 heeft gemeld dat zij haar principaal hoger beroep tegen PIB en PGF niet wilde vervolgen en de intrekking zou formaliseren bij de volgende proceshandeling.4.4. Consequentie van het door de Stichting prijsgeven van haar rechtsvordering tegen PIB en PGF is dat de Stichting de door PIB en PGF gemaakte kosten moet vergoeden. Mede gelet op de omstandigheid dat PIB en PGF in de hoofdzaak niet afzonderlijk processtukken hebben ingediend en dus niet voldoende is aangevoerd om te veronderstellen dat zij zelf proceskosten hebben gemaakt, zal het hof de proceskosten in de hoofdzaak aan de zijde van PIB en PGF begroten op nihil.4.5. Het hof zal de Stichting, als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure in het incident.5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nverklaart de Stichting niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen PIB en PGF;\n\nveroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van PIB en PGF tot op heden begroot op € 607,- (0,5 punt x tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Stichting de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als de Stichting deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nverklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders gevorderde af;in de hoofdzaak\n\n- verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1981","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.277Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":60,"updatedAt":78},"1001","ECLI:NL:GHDHA:2026:1982","ecli-nl-ghdha-2026-1982","2026-06-23T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.354.523\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F526115 \u002F HA ZA 17-440\n\nArrest van 23 juni 2026 in het incident\n\ningesteld door\n\n1. Interfund SICAV,\n\ngevestigd in Luxemburg, Luxemburg,\n\n2. Fideuram Asset Management (Ireland) Limited,\n\ngevestigd in Dublin, Ierland,\n\neiseressen in het incident,\n\nadvocaat: mr. F.M. Peters, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nin de zaak van\n\nStichting Petrobras Compensation Foundation,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nappellante in principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in incidenteel hoger beroep,\n\nverweerster in het incident,\n\nadvocaat: mr. W.P. Wijers, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Petróleo Brasileiro s.a. - Petrobras,\n\ngevestigd in Rio de Janeiro, Brazilië,\n\n2. Petrobras International Braspetro B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\n3. Petrobras Global Finance B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngeïntimeerden in principaal hoger beroep,\n\nappellanten in incidenteel hoger beroep,\n\nverweersters in het incident,\n\nadvocaat: mr. P. Sluijter, kantoorhoudend in Rotterdam.\n\nHet hof noemt eiseressen in het incident hierna samen de Beleggers en afzonderlijk respectievelijk Interfund en Fideuram. Verweersters in het incident noemt het hof respectievelijk de Stichting en Petrobras c.s. en Petrobras c.s. afzonderlijk respectievelijk Petrobras, PIB en PGF.1. De zaak in het kort1.1. De Beleggers vorderen in dit incident zich te mogen voegen aan de kant van de Stichting in de zaak tussen de Stichting en Petrobras c.s. Het hof wijst die vordering af.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep – voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident – blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 29 januari 2025, waarmee de Stichting in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2024;\n\nde incidentele memorie tot voeging van de Beleggers, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord in de incidenten tot niet-ontvankelijkverklaring en voeging van de Stichting, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van Petrobras, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van PIB en PGF, met bijlagen.3. Achtergrond van het incident3.1. Petrobras is een olieproductiebedrijf. Petrobras hield in de periode 2004-2015 (indirect) alle aandelen in PIB en PGF. Ruim de helft van de aandelen in Petrobas is in handen van de Braziliaanse staat. De overige (gewone en preferente) aandelen in Petrobras zijn genoteerd aan de beurs in São Paulo, Brazilië (Bovespa). Ook op andere beurzen in de wereld vindt handel in haar aandelen plaats.3.2. Artikel 58 van de tot november 2016 geldende statuten van Petrobras (hierna: de statuten) behelst een arbitrageclausule die in Engelse vertaling (voor zover van belang) als volgt luidt:\n\n\"Art. 58 - Disputes or controversies involving the Corporation, its shareholders, managers and members of the Audit Board shall be resolved according to the rules of the Market Arbitration Chamber, with the purpose of applying the provisions contained in Law n° 6,404 of 1976, in these Bylaws, in the rules issued by the National Monetary Council, by the Central Bank of Brazil and by\n\nthe Brazilian Securities and Exchange Commission (Comissão de Valores Mobiliários - CVM) as well as in all further rules applicable to the operation of the capital market in general, in addition to those contained in the contracts occasionally signed by Petrobras with the stock exchange or an organized over-the-counter market entity accredited at the Brazilian Securities and Exchange\n\nCommission (Comissão de Valores Mobiliários - CVM), with the purpose of the adoption of corporate governance standards established by these entities and of the respective rules on differentiated practices of corporate governance, if such is the case.\"3.3. In 2009 is in Brazilië een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam ‘Lava Jato’ naar witwaspraktijken van criminele organisaties. In 2014 is dit onderzoek uitgebreid naar een bouwkartel. Uit dat onderzoek is gebleken dat deelnemende bouwbedrijven en leveranciers fraudeerden door in de periode 2004-2014 aan (onder meer) Petrobras bovenop de normale prijs een opslag in rekening te brengen en daarvan een ‘kick-back fee’ aan (onder meer) hooggeplaatste functionarissen van Petrobras en politieke partijen betalen.3.4. De waarde van de Petrobras-effecten is na het bekend worden van de fraude, in de periode van 24 oktober 2014 tot 18 maart 2015, aanzienlijk gedaald.3.5. De Stichting is op 12 november 2015 opgericht. Conform artikel 3.1 van haar statuten heeft zij als doel:\n\n“a. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders die schade lijden, schade dreigen te lijden en of schade hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van een of meer Petrobras Entiteiten die aanleiding geven tot een Claim;\n\nb. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Investeerders in verband met een Vaststellingsovereenkomst waarvan de verbindendverklaring wordt verzocht aan het Gerechtshof krachtens de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM);\n\nc. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade welke de desbetreffende Investeerders stellen te hebben geleden, een en ander met inachtneming van een Vaststellingsovereenkomst,\n\nen het verrichten van al hetgeen verband houdt met het bepaalde in artikel 3.1 onder a en artikel 3.1 onder b, dan wel daaraan dienstig kan zijn, een en ander in de ruimste zin van het woord.”3.6. De Stichting heeft onder meer Petrobras c.s. gedagvaard in Nederland en vorderingen ingediend gebaseerd op onrechtmatig handelen van Petrobras c.s. in verband met – kort gezegd – de in Brazilië geconstateerde fraude (zie hiervoor in 3.3).3.7. Petrobras c.s. hebben een beroep gedaan op de arbitrageclausule van artikel 58 van de statuten. Daarover heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 19 september 2018 geoordeeld dat dit beding niet tot gevolg heeft dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting voor zover deze zijn ingesteld ten behoeve van de aandeelhouders van Petrobras. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 januari 2020 over de ontvankelijkheid van de Stichting in verband met artikel 58 van de statuten geoordeeld in r.o. 5.35:\n\n“(…) de rechtbank [is] van oordeel dat de Stichting in het kader van deze procedure niet de belangen kan behartigen van de Petrobras beleggers die in staat waren Portugees te lezen toen zij effecten kochten op de Bovespa, een arbitrageprocedure zijn gestart, partij waren in of deelnamen aan een procedure waarin is geoordeeld dat voor die partij slechts de weg van arbitrage openstaat, en\u002Fof via een Braziliaanse intermediair\u002Fadviseur hebben gehandeld aan de Bovespa. (…)”3.8. In het tussenvonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank het volgende overwogen:\n\n“2.8. (…) de in het tussenvonnis [van 29 januari 2020, hof] gegeven beslissingen met betrekking tot artikel 58 van de Statuten [kunnen] niet in stand blijven. (...) Daarom is de rechtbank van oordeel dat aan de aandeelhouders van Petrobras die gehandeld hebben op de Bovespa niet de toegang tot de onafhankelijke overheidsrechter ontzegd kan worden. De rechtbank komt derhalve terug van het eerder gegeven oordeel over de toepasselijkheid van artikel 58 van de Statuten.\n\n2.9.. De groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt bestaat derhalve ook uit Petrobras beleggers die aandelen hebben gekocht op de Bovespa, zulks met uitzondering van de Petrobras beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart alsmede de Petrobras beleggers die een procedure zijn gestart waarin de onafhankelijke overheidsrechter (in Brazilië of elders) bij onherroepelijke uitspraak heeft geoordeeld dat zij gebonden zijn aan een ruime uitleg van artikel 58 van de Statuten en derhalve aangewezen zijn op arbitrage. (…)”3.9. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 30 oktober 2024 het door de Stichting gevorderde deels toegewezen.3.10. De Stichting heeft hoger beroep ingesteld. Petrobas heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.3.11. De Beleggers hebben naar aanleiding van de gebeurtenissen omschreven in 3.3 afzonderlijk arbitrageprocedures geïnitieerd bij de arbitragekamer in Brazilië (Câmara de Arbitragem do Mercado). Deze procedures zijn voor de Beleggers onsuccesvol verlopen.4. De vordering in het incident4.1. De Beleggers vorderen in dit incident zich te mogen voegen aan de kant van de Stichting in de zaak tussen de Stichting en Petrobras c.s. (de hoofdzaak), onder de voorwaarde, althans voor het geval het hof tevens van oordeel is dat de groep belanghebbenden namens wie de Stichting in deze procedure optreedt mede omvat Petrobras-beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart en aan wie door het arbitragepanel een inhoudelijke beoordeling op de grondslag van hun vorderingen (‘decision on the merits’) is geweigerd, met veroordeling van Petrobras c.s. in de kosten.4.2. De Beleggers leggen aan hun vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. De Beleggers hebben, direct of indirect, gehandeld in gewone aandelen en\u002Fof preferente aandelen in Petrobras, uitgegeven door Petrobras, buiten de Verenigde Staten, vóór 28 juli 2015, en zijn daarmee “Investeerders” in de zin van artikel 1 van de statuten van de Stichting, of “Petrobras-beleggers”. De Beleggers hebben belang bij de toewijzing van de vorderingen van de Stichting, omdat zij vallen onder de groep Petrobras-beleggers, zoals omschreven door de rechtbank. De Beleggers hebben op enig moment een arbitrageprocedure geïnitieerd, maar zij hebben – zo stellen zij – geen inhoudelijk oordeel gekregen op hun vorderingen. Als de Beleggers niet zouden worden toegelaten zich te voegen aan de zijde van de Stichting, krijgen zij noch in arbitrage noch van de overheidsrechter een inhoudelijke beslissing op hun vorderingen. Dat is in strijd met het recht op effectieve toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM en artikel 47 EU-Handvest).5. Het verweer in het incident5.1. Petrobras concludeert primair tot onbevoegdverklaring van het hof en subsidiair tot afwijzing, steeds met veroordeling van de Beleggers in de kosten.5.2. Volgens Petrobras is de Nederlandse rechter onbevoegd op grond van artikel 1074 Rv vanwege de arbitrageovereenkomst in artikel 58 van de statuten, die de Beleggers ondubbelzinnig hebben aanvaard door zelf arbitrageprocedures aan te vangen tegen Petrobras conform die bepaling en die procedures ook volledig te doorlopen. Daarmee hebben de Beleggers afstand gedaan van hun recht op toegang tot de overheidsrechter. De redenen waarom de arbitrages hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen zijn niet relevant. Bovendien zijn de Beleggers gebonden aan de door de rechtbank gegeven omschrijving van Petrobras-beleggers en vallen zij daarbuiten omdat beleggers die een arbitrage zijn gestart, zijn gebonden aan artikel 58 van de statuten. De Beleggers hebben geen belang bij de voeging, omdat zij niet behoren tot de achterban van de Stichting. Petrobras-beleggers die een arbitrage zijn gestart (zoals de Beleggers hebben gedaan), behoren daar namelijk volgens de rechtbank niet toe. Dat de arbitrages tot een voor de Beleggers ongunstig resultaat hebben geleid, schept geen belang bij voeging. Een negatieve uitkomst van de procedure tussen de Stichting en Petrobras voor de Stichting heeft ook geen nadelige gevolgen voor de Beleggers.5.3. PIB en PGF concluderen tot afwijzing, met veroordeling van de Beleggers in de proceskosten die zij nodeloos hebben moeten maken. Volgens PIB en PGF maken de Beleggers geen verwijt aan PIB en PGF en behoren de Beleggers ook niet tot de achterban van de Stichting.5.4. De Stichting refereert zich aan het oordeel van het hof.6. Beoordeling van de vordering in het incidentInternationale rechtsmacht6.1. Op grond van art. 7 lid 2 Rv geldt het volgende. Indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in de hoofdzaak, komt hem deze ook toe ten aanzien van een vordering tot voeging, tenzij tussen de vordering tot voeging en de vorderingen die in de hoofdzaak zijn ingesteld, onvoldoende samenhang bestaat.6.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 september 2018 geoordeeld dat zij rechtsmacht heeft om te oordelen over een aantal van de vorderingen die de Stichting heeft ingesteld tegen Petrobras, PIB en PGF. In het kader van de beoordeling van dit incident neemt het hof (bij wijze van veronderstelling) aan dat dit oordeel juist is.6.3. \n\nNaar het oordeel van het hof biedt artikel 7 lid 2 Rv een grondslag voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vordering tot voeging. Het is niet gebleken dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de vordering tot voeging en de vorderingen in de hoofdzaak.\n\nArtikel 1074 Rv in verband met artikel 58 van de statuten6.4. De volgende vraag is of de arbitrageclausule in artikel 58 van de statuten leidt tot onbevoegdheid van het hof op grond van artikel 1074 Rv.6.5. \n\nDe rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 september 2018 over de arbitrageclausule in artikel 58 van de statuten geoordeeld dat – kort gezegd – deze ten aanzien van de Stichting niet geldig is en dat artikel 58 van de statuten niet tot gevolg heeft dat zij ten aanzien van de Petrobas-aandeelhouders onbevoegd is om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen. Ook hier zal het hof in het kader van de beoordeling van dit incident bij wijze van veronderstelling aannemen dat dit oordeel van de rechtbank juist is. Dit betekent dat artikel 1074 Rv niet in de weg staat aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ter zake van de vordering tot voeging.\n\nHet belang van de Beleggers6.6. Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (artikel 217 Rv). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen.6.7. \n\nDe Beleggers wensen zich aan te sluiten bij de vordering van de Stichting tegen Petrobras. Zij zijn van mening dat zij behoren tot de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt. De rechtbank heeft (voor zover van belang) geoordeeld dat tot de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt behoort de belegger die Petrobras-aandelen heeft gekocht, maar die geen arbitrageprocedure is gestart. De Beleggers zijn van mening dat dit oordeel zo moet worden uitgelegd dat tot de groep belanghebbenden ook behoren de Petrobras-beleggers zoals zijzelf, die een arbitrageprocedure zijn gestart maar waarbij het arbitragepanel een inhoudelijke beoordeling op de grondslag van hun vorderingen (‘decision on the merits’) heeft geweigerd. Hun vordering tot voeging is onder deze voorwaarde ingesteld.\n\n(i) Arbitrageprocedure6.8. Onbetwist is dat Interfund in een arbitrageprocedure – door haar geïnitieerd op grond van artikel 58 van de statuten – heeft geprobeerd haar rechten geldend te maken en dat haar haar vordering door het scheidsgerecht is ontzegd, omdat naar Braziliaans recht waardevermindering van aandelen in een vennootschap niet als schade geldt. De Beleggers stellen zich dan op het standpunt dat met dat oordeel van het scheidsgerecht de vordering van Internfund op formele gronden is afgewezen en haar vordering niet inhoudelijk is beoordeeld. Dit is onwenselijk en in strijd met artikel 6 EVRM, omdat, als haar nu ook de toegang tot de overheidsrechter wordt ontzegd, haar vordering onbeoordeeld blijft. De omschrijving die de rechtbank heeft gegeven van de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, moet daarom zo worden begrepen dat daaronder ook valt die belegger wiens vordering op niet inhoudelijke gronden is afgewezen.6.9. Het hof volgt de Beleggers niet. De bewoordingen “beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart” die de rechtbank in r.o. 5.35 van het tussenvonnis van 29 januari 2020 en 2.9 van het tussenvonnis van 26 mei 2021 heeft gebruikt om bepaalde beleggers uit te sluiten van de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt, moeten als volgt worden begrepen. Beleggers die een arbitrageprocedure zijn gestart zijn uitgesloten, tenzij de arbiters zich onbevoegd hebben verklaard om van de vordering kennis te nemen omdat een arbitrageovereenkomst ontbreekt. Als beleggers vanwege het bestaan van een arbitrageovereenkomst hebben gekozen voor arbitrage, staat de weg naar de overheidsrechter niet meer open. Deze beleggers vallen dan ook niet onder de groep van belanghebbenden waarvoor de Stichting opkomt.6.10. Ter zake van Fideuram is het hof van oordeel dat onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat zij weliswaar een arbitrageprocedure tegen Petrobras is begonnen, maar dat het scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard om van de vordering kennis te nemen vanwege het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.6.11. Interfund stelt zelf (onder verwijzing naar de door haar overlegde productie 3) dat de arbiters haar vordering hebben afgewezen (onder meer) op de grond dat Interfund geen actie tot schadevergoeding kan instellen, omdat de waardevermindering van haar aandelen indirecte schade is die naar Braziliaans recht in dit geval niet toewijsbaar is. Het hof stelt vast dat de vordering dus is afgewezen op inhoudelijke gronden en dat de arbiters zich niet onbevoegd hebben verklaard op de grond dat een arbitrageovereenkomst ontbreekt.6.12. \n\nHet beroep van de Beleggers op artikel 6 EVRM slaagt niet. Van een vacuüm, in de zin dat Interfund zowel in arbitrage als bij de overheidsrechter niet terecht kan voor een beoordeling van haar vordering, is namelijk geen sprake. Dit volgt al uit het voorgaande. Bovendien zou Interfund, als zij zou worden toegelaten als voegende partij, geen ruimte hebben om eigen rechten geldend te maken of veilig te stellen.\n\nConclusie en proceskosten6.13. Uit het voorgaande volgt dat de Beleggers geen belang hebben bij hun vordering tot voeging aan de zijde van de Stichting omdat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder de vordering door de Stichting is ingesteld.6.14. De conclusie is dat de vordering tot voeging van de Beleggers zal worden afgewezen. Het hof zal de Beleggers veroordelen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Stichting, PIB en PGF en Petrobras. De kosten aan de zijde van de Stichting en PIB en PGF worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van Petrobras worden begroot op € 1.290,- (1 punt × tarief II).7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nwijst de vordering van de Beleggers af;\n\nveroordeelt de Beleggers in de kosten van dit incident, aan de kant van Petrobras tot op heden begroot op € 1.290,- (1 punt × tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Beleggers deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;\n\nbepaalt dat als de Beleggers niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Beleggers de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Beleggers deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben voldaan;\n\nverklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;in de hoofdzaak\n\nverwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2026 voor arrest in het ontvankelijkheids-incident dat is ingesteld door PIB en PGF;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, A.J.P. Schild en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1982","2026-07-13T00:28:58.319Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":60,"updatedAt":87},"884","ECLI:NL:RBDHA:2026:17175","ecli-nl-rbdha-2026-17175","2026-06-19T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nrekestnummer: C\u002F09\u002F707312 \u002F KG RK 26-948\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nCOTY BEAUTY GERMANY GMBHte Darmstadt, Duitsland,\n\nverzoekende partij,\n\nadvocaat: mr. P.S. Trapman te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. [gerekwestreerden sub 1], vennoot van gerekwestreerde sub 3.,\n\nte [woonplaats],\n\n2. [gerekwestreerden sub 2],vennoot van gerekwestreerde sub 3.,\n\nte [woonplaats],\n\n3. [gerekwestreerden sub 3] v.o.f. (tevens h.o.d.n. [handelsnaam])\n\nte [vestigingsplaats],\n\ngerekwestreerden.\n\nDe verzoekende partij wordt hierna in enkelvoud aangeduid als verzoekster, de wederpartij als gerekwestreerden.\n\nSlechts de aangekruiste onderdelen van deze beschikking zijn van toepassing.\n\nGegevens met betrekking tot het verzoek\n\nHet verzoek is ingekomen op 17 juni 2026\n\n1. Bevoegdheid\n\n☒ 1.1.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Uniemerk(en) of Uniemodel(len) is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen nu gerekwestreerden gevestigd of woonachtig zijn in Nederland (artikel 123 lid 1, 124 onder a, 125 lid 1 en 131 lid 1 en lid 2 UMVo 2017en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 80 lid 1, 81 onder a, 82 lid 1 en 90 lid 1 en lid 3 UModVoen artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen). De bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.\n\n☐ 1.2.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk in Nederland op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Uniemerk(en) of Uniemodel(len) is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 123 lid 1, 124 onder a, 125 lid 5 en 131 lid 1 UMVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 80 lid 1, 81 onder a, 82 lid 5 en 90 lid 1 UModVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen. De bevoegdheid is beperkt tot Nederland.\n\n☐ 1.3.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Benelux-merk(en), Benelux-model(en) of internationale merk- of modelinschrijving met gelding voor de Benelux is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen nu gerekwestreerde gevestigd of woonachtig is in dit arrondissement dan wel de gestelde inbreuk (mede) in dit arrondissement plaatsvindt (artikel 4.6 BVIE). De bevoegdheid strekt zich uit tot de Benelux.\n\n☐ 1.4.Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Benelux-merk(en) of Benelux-model(en) of internationale merk- of modelinschrijving met gelding voor de Benelux is de voorzieningenrechter bevoegd daarvan kennis te nemen nu dat verzoek verknocht moet worden geacht aan de gestelde inbreuk op het\u002Fde ingeroepen Uniemerk(en) respectievelijk Uniemodel(len).\n\n☐ 1.5.Voor zover het verzoek is gebaseerd op een ander recht dan de hiervoor in 1.1 tot en met 1.4 genoemde rechten, is de rechtbank internationaal bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 4 Brussel I bis-Vozodat tevens bevoegdheid bestaat kennis te nemen van het verzoek tot het treffen van voorlopige maatregelen als de onderhavige. De bevoegdheid is in de Europese Unie territoriaal onbeperkt.\n\n☐ 1.6.Voor zover het verzoek is gebaseerd op een ander recht dan de hiervoor in 1.1 tot en met 1.4 genoemde rechten, is de rechtbank internationaal (en relatief) bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I bis-Vo zodat tevens bevoegdheid bestaat kennis te nemen van het verzoek tot het treffen van voorlopige maatregelen als de onderhavige. De bevoegdheid is beperkt tot Nederland.\n\n☐ 1.7. Voor zover het verzoek is gebaseerd op communautaire kwekersrechten is\n\nde rechtbank internationaal (en relatief) bevoegd voor de hoofdzaak op grond van artikel 101 lid 1, lid 2 onder a) of b) en lid 4 van de GKVojo art. 78 lid 2 ZPW.\n\n☐ 1.8. De rechtbank is relatief (exclusief) bevoegd kennis te nemen van het\n\nverzochte bevel tot staking van de inbreuk op een octrooirecht, een communautair kwekersrecht of een nationaal kwekersrecht op grond van artikel 80 lid 2 sub c ROWrespectievelijk artikel 101 lid 2 GKVo en\u002Fof artikel 78 lid 2 ZPW.\n\n☐ 1.9.Voor zover het verzoek tot het leggen van bewijsbeslag verband houdt met de handhaving van een octrooi in de zin van artikel 70, 71, 72 of 73 ROW is de voorzieningenrechter relatief (exclusief) bevoegd op grond van art. 80 tweede lid sub c ROW.\n\n☐ 1.10.De voorzieningenrechter is relatief bevoegd kennis te nemen van het verzochte bevel tot staking van de inbreuk op grond van artikel 262 aanhef en sub b Rvnu gerekwestreerde gevestigd of woonachtig is in dit arrondissement dan wel de gestelde inbreuk (mede) in dit arrondissement plaatsvindt en deze rechtbank dus relatief bevoegd is kennis te nemen van de in te leiden hoofdzaak.\n\n☐ 1.11.De voorzieningenrechter is relatief bevoegd kennis te nemen van het verzoek om verlof tot het leggen van bewijsbeslag, monsterneming, beschrijving, beslag tot afgifte en\u002Fof verhaalsbeslag op grond van (artikel 1019c lid 1 jo.) artikel 700 lid 1 Rv nu een of meer van de betrokken zaken zich in dit arrondissement bevinden, dan wel, indien het beslag niet op zaken betrekking heeft, de gerekwestreerde of (een van) degene(n) onder wie het beslag gelegd wordt, in dit arrondissement woonplaats heeft.\n\n☐ 1.12.Nu de voorzieningenrechter internationaal en\u002Fof relatief bevoegd is kennis te nemen van het verzoek op een van de voornoemde gronden, wordt tevens geacht bevoegdheid te bestaan voor de andere gronden in het verzoek en\u002Fof andere beslagobjecten waarop het verzoek betrekking heeft.\n\n2. Beoordeling\n\naannemelijkheid van de inbreuk\n\n☒ 2.1.Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerden inbreuk op die rechten maken, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en\u002Fof beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.\n\naannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel\n\n☒ 2.2.Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerden voorafgaand te horen.\n\naannemelijkheid van de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit van het gevraagde verlof voor beslag en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving\n\n☐ 2.3.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat, met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen, het gevraagde verlof gerechtvaardigd is, terwijl de beoogde maatregel niet op andere, voor de gerekwestreerde minder ingrijpende wijze kan plaatsvinden.\n\n☐ 2.4.Verzoekster heeft voorts het in beslag te nemen bewijs voldoende concreet omschreven en voldoende aannemelijk gemaakt dat het in beslag te nemen bewijs zich onder gerekwestreerde of de in het verzoekschrift genoemde derde(n) bevindt.\n\naannemelijkheid van de noodzaak af te zien van verhoor van de gerekwestreerde op het verzochte verlof voor bewijsbeslag en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving\n\n☐ 2.5.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat indien de gerekwestreerde wordt gehoord gegronde vrees bestaat voor verduistering of verlies van bewijs dan wel dat dit uitstel verzoekster onherstelbare schade zal berokkenen.\n\naannemelijkheid van het gestelde recht op afgifte\n\n☐ 2.6.Verzoekster heeft het gestelde recht op afgifte voldoende aannemelijk gemaakt.\n\naannemelijkheid van de noodzaak van bewaring van de in bewijsbeslag en afgiftebeslag genomen zaken\n\n☐ 2.7.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat noodzakelijk is dat de inbeslaggenomen zaken in gerechtelijke bewaring zullen worden genomen. Tevens is voldoende aannemelijk gemaakt dat voorafgaand verhoor van gerekwestreerde over de bewaring van de zaken die in beslag tot afgifte zullen worden genomen achterwege dient te blijven.\n\naannemelijkheid van de vordering\n\n☐ 2.8.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat zij een vordering op gerekwestreerde heeft, die kan worden begroot op na te melden bedrag.\n\naannemelijkheid van de vrees voor verduistering van verhaalsobjecten\n\n☐ 2.9.Verzoekster heeft voldoende aangevoerd om te concluderen dat vrees voor verduistering van de in het verzoekschrift genoemde verhaalsobjecten bestaat.\n\noverige overwegingen\n\n☐ 2.10.Het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk dient te worden afgewezen omdat het niet in overeenstemming wordt geacht met de aan een ingrijpende maatregel als een ex parte verbod te stellen hoge eisen, in het bijzonder ten aanzien van de aannemelijkheid van het gestelde recht en de gestelde inbreuk daarop en ten aanzien van de spoedeisendheid van de zaak.\n\n☐ 2.11.Het verzoek wordt op onderdelen afgewezen omdat onvoldoende aanleiding voor de verzochte maatregelen bestaat, dan wel omdat een wettelijke grondslag ontbreekt, het verzochte onvoldoende specifiek is of ter voorkoming van executiegeschillen.\n\n3. Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n☐ 3.1.wijst het verzoek af;\n\n☒ 3.2. beveeltgerekwestreerden binnen zes uur na betekening van deze beschikking de in het verzoekschrift beschreven inbreuk op de in randnummer 5 van het verzoekschrift genoemde merken in de Europese Unie testakenen gestaakt te houden, meer specifiek door te staken en gestaakt te houden het faciliteren van, (doen) verhandelen, (doen) verkopen, (doen) leveren, (doen) aanbieden van de in randnummer 12 van het verzoekschrift bedoelde parfums;\n\n☐ 3.3.wijst het verzochtebeveltot staking van de inbreuk af;\n\n☒ 3.4.veroordeelt gerekwestreerden tot betaling van eendwangsomvan € 50.000 voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij in strijd handelen met dit bevel, dan wel een dwangsom van € 500 voor ieder inbreukmakend product dat zij in strijd met voormeld bevel verhandelen, zulks ter keuze van verzoekster, met een maximum van € 1.000.000;\n\n☐ 3.5.verleent verlof tot het leggen van conservatoirbewijsbeslagonder gerekwestreerde op de in het verzoekschrift onder [] vermelde bescheiden en\u002Fof digitale bestanden en\u002Fof gegevensdragers;\n\n☐ 3.6.bepaalt dat indien redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat digitale bestanden waarvoor dit beslagverlof geldt elders op eenexterne serverworden bewaard, gerekwestreerde deze bestanden voor de deurwaarder toegankelijk dient te maken door het verstrekken van de benodigde wachtwoorden en inlogcodes;\n\n☐ 3.7.bepaalt dat gerekwestreerde eendwangsomverbeurt indien hij\u002Fzij niet voldoet aan deze medewerkingsplicht en er twee uur zijn verstreken na een verzoek van de deurwaarder daartoe, van € [] per uur met een maximum van € [];\n\n☐ 3.8.bepaalt dat gegevensdragers van eventuelehuisgenotenvan gerekwestreerde uitdrukkelijk zijn uitgezonderd van de beslaglegging;\n\n☐ 3.9.verleent verlof om bij gerekwestreerde []monsterste nemen van elke type van de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken;\n\n☐ 3.10.verleent verlof om een gedetailleerdebeschrijvingte maken van de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken en\u002Fof omstandigheden;\n\n☐ 3.11.verleent verlof tot het leggen van conservatoirbeslag tot afgifteop de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken;\n\n☐ 3.12.bepaalt dat de inbewijsbeslaggenomen zaken, monsters c.q. beschrijving in gerechtelijkebewaringzullen worden gegeven aan de in het verzoekschrift genoemde bewaarder;\n\n☐ 3.13.bepaalt dat de inbeslag tot afgiftegenomen zaken in gerechtelijkebewaringzullen worden gegeven aan de in het verzoekschrift genoemde bewaarder;\n\n☐ 3.14.bepaalt dat de deurwaarder zich bij de inbeslagneming kan laten bijstaan door de in het verzoekschrift genoemdedeskundige(n);\n\n☐ 3.15.verleent verlof tot het leggen van conservatoirverhaalsbeslagop de in het verzoekschrift onder [] bedoelde zaken\u002Fonder de in het verzoekschrift onder [] genoemde derden op alle gelden, geldswaarden en\u002Fof roerende zaken (niet-registergoederen) die de betreffende derde onder zich heeft en\u002Fof uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding heeft en\u002Fof mocht verkrijgen ten behoeve van gerekwestreerde en begroot de vordering op gerekwestreerde, met inbegrip van rente en kosten, voorlopig op € [],- (zegge: [bedrag in letters] euro);\n\n☐ 3.16.bepaalt dat [het bewijsbeslag, de monsterneming, de beschrijving, het beslag tot afgifte, het verhaalsbeslag] onder gerekwestreerde kan worden gelegd c.q. gedaan op de navolgendelocaties[]. Het beslag strekt zich tevens uit tot de zich op of nabij die locatie bevindende voertuigen die bij gerekwestreerde in gebruik zijn en kan tevens worden gelegd op enige andere locatie in Nederland ten aanzien waarvan tijdens de beslaglegging concrete aanwijzingen worden gevonden dat in beslag te nemen zaken door gerekwestreerde of door (een) derde(n) voor gerekwestreerde worden gehouden. Beslag op zaken die zich onder derden bevinden mag slechts worden gelegd binnen de grenzen van artikel 461d Rv;\n\n☐ 3.17.bepaalt dat [het bewijsbeslag\u002Fde monsterneming\u002Fde beschrijving\u002Fhet beslag tot afgifte\u002Fhet verhaalsbeslag][aantal malen] kan wordenherhaaldin een periode van [] na het eerstgelegde beslag;\n\n☐ 3.18.verbindt aan het verlof de voorwaarde dat tot een bedrag van € []zekerheidwordt gesteld voor schade die door de tenuitvoerlegging van het verlof kan worden veroorzaakt;\n\n☐ 3.19. Het bewijsbeslag dient zoveel mogelijk te worden gelegd op kopieën\n\nvan documenten en\u002Fof digitale bestanden. Indien het maken van kopieën ter plaatse van de beslaglegging praktisch niet uitvoerbaar blijkt en de deurwaarder geen toestemming verkrijgt van beslagene voor het maken van kopieën elders, kan onder de volgende (cumulatieve) voorwaarden het beslag worden gelegd op de integrale gegevensdrager(s) waarop deze documenten en\u002Fof digitale bestanden zich bevinden. De deurwaarder dient de beslagene en (als dat een ander is) gerekwestreerde te horen. Als hij van oordeel blijft dat beslaglegging ter plaatse praktisch niet uitvoerbaar is, dient hij de volgende procedure te volgen:\n\na) ter plaatse een integrale kopie te maken, die op het terrein\u002Fbinnen het bedrijf van de beslagene blijft, en daar dient te worden bewaard in een door de deurwaarder af te sluiten ruimte of in verzegelde vorm. De bewaartermijn is [10] werkdagen. De deurwaarder, eventueel vergezeld van de IT-specialist, kan deze integrale kopie gedurende de bewaarperiode raadplegen en dient deze na afloop van de bewaarperiode te vernietigen; en\n\nb) een kopie te maken van een eerste selectie van de onder het beslag vallende bescheiden en deze kopie mee te nemen naar het kantoor van de deurwaarder\u002FIT-specialist. Definitieve selectie van daadwerkelijk in beslag te nemen bescheiden wordt vervolgens ten kantore van de deurwaarder of de IT-specialist (onder toezicht van de deurwaarder) gemaakt. De gerekwestreerde\u002Fbeslagene, diens advocaat en\u002Fof een door deze aan te wijzen eigen IT-specialist is\u002Fzijn gerechtigd daarbij aanwezig te zijn met maximaal [2] personen. Om die aanwezigheid mogelijk te maken zal het selectieproces uiterlijk 3 werkdagen worden uitgesteld. De selectie zelf zal hoogstens 5 werkdagen duren, waarna de meegenomen kopie aan de gerekwestreerde\u002Fbeslagene wordt geretourneerd; en\n\nc) binnen 24 uur na aanvang van de beslaglegging in een proces-verbaal vast te leggen dat sprake is van een beslag dat ter plaatse niet praktisch uitvoerbaar is onder vermelding van de omstandigheden waarop die beoordeling is gebaseerd. Dit proces-verbaal wordt aan verzoeker, gerekwestreerde en de beslagene verstrekt.\n\n☐ 3.20.Aan het verlof zijn voorts de navolgende voorwaarden verbonden.\n\n1) Indien tijdens het bewijsbeslag een gegevensdrager wordt aangetroffen waarop een of meer versleutelde of met een toegangscode beschermde bestanden staan en er redelijke grond bestaat om te vermoeden dat deze bestanden zijn aan te merken als bescheiden in de zin van het beslagverlof, kan de deurwaarder deze gegevensdrager in beslag nemen indien de bestanden niet voor hem toegankelijk worden gemaakt.\n\n2) Het is de deurwaarder toegestaan om, als daartoe aanleiding is, twee verschillende processen-verbaal van het bewijsbeslag op te maken: één proces-verbaal dat is bestemd voor verzoekster, waarin de in beslag genomen zaken slechts globaal zijn omschreven, en één proces-verbaal dat is bestemd voor gerekwestreerde, dat een gedetailleerde omschrijving van deze zaken bevat.\n\n3) De bij het bewijsbeslag \u002F beslag tot afgifte \u002F de verhaalsbeslagen \u002F monsterneming en\u002Fof beschrijving betrokken personen, zoals de deurwaarder, de deskundige(n) en de bewaarder mogen geen informatie omtrent de in beslag genomen zaken, waaronder begrepen het overeenkomstig het bepaalde onder 2 aan gerekwestreerde te verstrekken proces-verbaal, en\u002Fof monsterneming en\u002Fof beschrijving ter kennis brengen aan verzoekster of derden en evenmin gelegenheid geven tot inzage in of onderzoek daaraan, behoudens toestemming van gerekwestreerde, een wettelijk voorschrift of nader rechterlijk bevel.\n\n☐ 3.21.Het is verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers in geen geval toegestaan bij het beslag, de inbewaringgeving, monsterneming en\u002Fof beschrijving tegenwoordig te zijn. Het staat de deurwaarder ook niet vrij om hierop een uitzondering te maken op grond van artikel 443 lid 2 jo 702 lid1 jo 1019c Rv door verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers toe te staan wel daarbij tegenwoordig te zijn. Die aanwezigheid wordt in geen geval noodzakelijk geacht.\n\n☐ 3.22.Het is verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers niet toegestaan bij het beslag, de monsterneming en\u002Fof beschrijving tegenwoordig te zijn. Het staat de deurwaarder vrij om op grond van artikel 443 lid 2 jo 702 lid1 jo 1019c Rv verzoekster en\u002Fof haar vertegenwoordigers toe te staan wel tegenwoordig te zijn bij het afgiftebeslag of verhaalsbeslag, indien hij dat noodzakelijk acht, zolang is gewaarborgd dat deze personen niet aanwezig zijn bij de uitvoering van het bewijsbeslag, de monsterneming en\u002Fof beschrijving.\n\n☐ 3.23.Het bewijsbeslag\u002Fbeslag tot afgifte\u002Fverhaalsbeslag\u002Fde monsterneming en\u002Fof beschrijving mag niet plaatsvinden tussen vijf uur ’s middags en negen uur ’s ochtends en evenmin in het weekend of op een algemeen erkende feestdag, met dien verstande dat een [eenmaal\u002Fvoor … uur] aangevangen beslag\u002Fde monsterneming en\u002Fof beschrijving op deze dagen en uren mag worden afgerond.\n\n☐ 3.24.bepaalt dat de deurwaarder een afschrift van het verlof bij aanvang van de beslaglegging dient te verstrekken aan de beslagene of althans een op de beslaglocatie aanwezige vertegenwoordiger van beslagene.\n\n☐ 3.25. bepaalt dat het gerekwestreerde vrij staat de bijstand van een advocaat of andere vertrouwenspersoon in te roepen, maar dat de beslaglegging een aanvang mag nemen ook zonder aanwezigheid van die advocaat of vertrouwenspersoon. Indien de gerekwestreerde binnen een uur na aanvang van de beslaglegging meedeelt dat een advocaat of vertrouwenspersoon voor hem de beslaglegging bij wil wonen, zal de deurwaarder de beslaglegging niet mogen afsluiten alvorens de advocaat of vertrouwenspersoon zich een oordeel heeft kunnen vormen over de gang van zaken bij de beslaglegging. Is de komst van de advocaat of vertrouwenspersoon aangekondigd, maar is deze nog niet aanwezig op het moment dat de deurwaarder zijn werkzaamheden (voor zover deze ter plekke kunnen plaatsvinden) heeft voltooid, dan behoeft niet langer dan een uur op de komst van de advocaat of vertrouwenspersoon te worden gewacht.\n\n☒ 3.26.bepaalt, voor zover nodig, determijnvoor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv op 14 dagen na het eerst gelegde beslag en de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na heden.\n\n☒ 3.27.verklaart deze beschikking voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad.\n\n☐ 3.28.wijst het overigens meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek op 19 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\nVerordening (EU) 2017\u002F1001 van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk\n\nVerordening (EG) nr. 6\u002F2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen.\n\nBenelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen)\n\nVerordening (EU) 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken\n\n Verordening (EG) 2100\u002F94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht\n\n Rijksoctrooiwet 1995\n\n de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005\n\nWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17175","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.872Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":92,"fullText":93,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":60,"updatedAt":96},"574","ECLI:NL:RBDHA:2026:18503","ecli-nl-rbdha-2026-18503","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Den Haag\n\nTeam handel\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F705835 \u002F HA ZA 26-519 (voorheen C\u002F09\u002F692095 \u002F HA ZA 25-839)\n\nVonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\nESSENT ENERGIE VERKOOP NEDERLAND B.V.te ‘s-Hertogenbosch,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Essent,\n\nadvocaat: mr. P. van Zwijndregt,\n\ntegen\n\nDE HEER [verweerder]te [woonplaats],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder],\n\nadvocaat: mr. J.P. van Rossum.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet proces-verbaal van de verificatievergadering in het faillissement van [gefailleerde] B.V. (hierna: gefailleerde) van 18 september 2025, waarin de betwiste vorderingen zijn verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 van deze rechtbank voor renvooi;\n\nde conclusie van eis van Essent met de producties 1 – 5;\n\nde conclusie van antwoord van [verweerder] met de producties 1 – 8;\n\nhet tussenvonnis van 4 februari 2026 (gewezen onder het voormalige zaaknummer), waarin een mondelinge behandeling is bepaald;\n\nde door [verweerder] overgelegde producties A – L.\n\n1.2.. Bij voornoemd tussenvonnis is de mondelinge behandeling bepaald op 28 mei 2026. Op 26 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn zich onbevoegd te verklaren en de procedure te verwijzen. Desgevraagd hebben partijen de rechtbank bericht af te zien van het recht om op die beslissing gehoord te worden. De mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden. Vervolgens is vonnis bepaald.\n\n2. De bevoegdheid van de rechtbank\n\n2.1.. Deze renvooi-procedure draait om de vraag of de door Essent in het faillissement van gefailleerde (hierna: het faillissement) ingediende vordering (hierna: de vordering) al dan niet terecht door [verweerder] is betwist tijdens de in het faillissement gehouden verificatievergadering.\n\n2.2.. De rechtbank maakt uit de door partijen overgelegde stukken op dat voorafgaand aan het faillissement al een procedure over de vordering aanhangig was tussen Essent en gefailleerde. Deze procedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2016, waartegen hoger beroep loopt bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) met kenmerk 200.203.353\u002F01.\n\n2.3.. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat zij om die reden niet bevoegd is. Immers bepaalt art. 29 Fw dat een lopende procedure, als de vordering ziet op voldoening van een verbintenis uit de boedel, na de faillietverklaring wordt geschorst, om voortgezet te worden als de verificatie betwist wordt. Alsdan wordt de betwister in plaats van gefailleerde partij (nog steeds art. 29 Fw.). Daarnaast bepaalt art. 122 Fw dat een op de verificatievergadering betwiste vorderingalleenvoor renvooi naar de rechtbank wordt verwezen als het geschil nog niet aanhangig is, wat zich hier niet voordoet.\n\n2.4.. Verder maakt de rechtbank uit de processtukken op dat partijen twisten over de vraag of tijdig hoger beroep is ingesteld (en op de juiste wijze) tegen het vonnis van de kantonrechter. Het is echter aan het hof om daar, als hoger beroepsinstantie, over te oordelen.\n\n2.5.. De slotsom is dat de vordering van Essent ten onrechte naar deze rechtbank is verwezen. De rechtbank zal de vordering alsnog verwijzen naar het hof, alwaar de hiervoor bedoelde procedure kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van de schorsing bevond.\n\n2.6.. De rechtbank wijst partijen erop dat zij dienen zorg te dragen voor voortzetting van de procedure bij het gerechtshof Den Haag.\n\n2.7.. Nu partijen door een beslissing van de (waarnemend) rechter-commissaris van Team Insolventies van deze rechtbank ten onrechte naar deze procedure zijn verwezen, zal de rechtbank bepalen dat de door partijen in deze procedure betaalde griffierechten aan hen worden gerestitueerd.\n\n2.8.. Nu inhoudelijk nog niet over het geschil tussen partijen is beslist en dus nog niet kan worden gezegd welke partij in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank een beslissing over de proceskosten aanhouden. Denkbaar is dat partijen bij het hof (grotendeels) dezelfde processtukken indienen als zij in deze procedure hebben gedaan, zodat de rechtbank ook de begroting van de kosten aan het hof overlaat.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering,\n\n3.2.. verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, alwaar de zaak met zaaknummer 200.203.355\u002F01 kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevindt,\n\n3.3.. houdt iedere beslissing ten aanzien van de proceskosten aan,\n\n3.4.. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.\n\nDit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18503","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.502Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":60,"updatedAt":105},"1901","ECLI:NL:GHDHA:2026:942","ecli-nl-ghdha-2026-942","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.342.473\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F652830\u002FHA ZA 23-751\n\nArrest van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\nwonend in [woonplaats],\n\nappellant,\n\nadvocaat: mr. I.N.A. Denninger, kantoorhoudend in Haarlem,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\nkantoorhoudend in [kantoorplaats],\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. L.C. Dufour, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].\n\n1. De zaak in het kort1.1. \n [geïntimeerde] is advocaat. Hij heeft [appellant] bijgestaan in een procedure, waarin aan [appellant] een bedrag is toegewezen. Deze zaak gaat over de vraag of [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten door niet tijdig conservatoir en\u002Fof executoriaal beslag te leggen op vermogensbestanddelen van de wederpartij van [appellant]. Daarnaast is aan de orde of [appellant] facturen van [geïntimeerde] moet betalen. Volgens [appellant] is de prijsafspraak in de vorm van alleen een uurtarief niet transparant, is daarmee sprake van een oneerlijk beding en dient dit ertoe te leiden dat de betalingsverplichting van [appellant] geheel vervalt.1.2. Het hof komt tot het oordeel dat een kans om tijdig executoriaal beslag te laten leggen op een aantal in aanbouw zijnde woonboten door [geïntimeerde] ten onrechte niet is benut. Het staat echter nog niet vast dat deze woonboten in de relevante periode nog in of bij de werkplaats lagen. [appellant] krijgt de gelegenheid dit te bewijzen.1.3. Wat betreft de prijsafspraak komt het hof tot het oordeel dat deze voldoende transparant was. Ook is ten aanzien van de kosten voldaan aan de informatieplicht, omdat duidelijk is hoe de prijs moet worden berekend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 23 mei 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2024;\n\nde memorie van grieven van [appellant], met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen.2.2. Op 27 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. \n [appellant] is consument. Hij heeft in 2019 via een obligatielening in totaal € l50.000 uitgeleend aan Houseboats Invest B.V. (hierna Houseboats) ten behoeve van de bouw van zogenoemde watervilla’s, een soort woonboten bestemd voor de verhuur (in de stukken ook wel aangeduid als houseboats). Houseboats vormde samen met andere partijen waaronder Youmanitas Projects C.V. (hierna: Youmanitas) een samenstel van entiteiten dat was gericht op het drijven van de onderneming die watervilla’s bouwt en verkoopt. Het hof zal deze groep ook aanduiden als de Houseboats groep. Youmanitas was de eigenaar van de (in aanbouw zijnde) watervilla’s. Stichting Youmanitas Energy Farms was de beherend vennoot van Youmanitas. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was de uiteindelijk belanghebbende bij de bij het project betrokken juridische entiteiten.3.2. \n\nDe overeengekomen rentebedragen werden niet of niet op tijd aan [appellant] betaald. In april 2021 verleende [appellant] aan [geïntimeerde] de opdracht om als zijn advocaat de door [appellant] uitgeleende bedragen met rente en kosten op Houseboats te verhalen. In de door [geïntimeerde] opgestelde en door [appellant] ondertekende opdrachtbevestiging staat onder meer:\n\n“U heeft mij, [geïntimeerde], advocaat te Den Haag, (...), op 7-4-2021 de opdracht verstrekt om aan u juridische bijstand te verlenen ter zake: (...)(...)Algemene voorwaarden1. Op deze overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] toepasselijk. De toepasselijke algemene voorwaarden zijn als bijlage aan deze opdrachtbevestiging gehecht.”3.3. \n\nIn de aangehechte algemene voorwaarden staat onder meer:\n\n“1. [geïntimeerde] jr is een eenmanszaak van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] jr neemt met zijn eenmanszaak deel aan de samenwerking met Deen Advocaten(...)15. Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden.(...)17. Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”3.4. In mei 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een verzoekschrift voor het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Het verzoek strekte tot het leggen van conservatoir derdenbeslag ten laste van Houseboats, Smit Holding B.V. en Youmanitas op drie bankrekeningen bij drie verschillende banken. De rechtbank Amsterdam liet op 20 mei 2021 weten dat de voorzieningenrechter niet bereid was verlof te verlenen, omdat de obligatieovereenkomst nog niet was ontbonden en omdat de onderbouwing van de groepsaansprakelijkheid onvoldoende was om ook Smit Holding B.V. en Youmanitas aansprakelijk te kunnen achten. De rechtbank Amsterdam deelde mee dat er een aangepast verzoekschrift kon worden ingediend. [geïntimeerde] heeft geen aangepast verzoekschrift ingediend.3.5. \n [geïntimeerde] heeft op 21 mei 2021 namens [appellant] een ontbindingsbrief naar Houseboats gestuurd. Op 7 juni 2021 heeft [geïntimeerde] namens [appellant] een (herhaalde) sommatie tot betaling aan Houseboats gestuurd en op diezelfde dag ook een dagvaarding betekend aan Houseboats, Youmanitas, Smit Holding B.V., Stichting Youmanitas Energy Farms en [betrokkene 1]. Namens alle gedaagden stelde zich een advocaat, die zich daarna weer heeft onttrokken. Op 24 november 2021 sprak de rechtbank een vonnis op tegenspraak uit waarin alle gedaagden hoofdelijk zijn veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van het geleende bedrag, inclusief rente en (proces)kosten. Vanwege het ontbreken van verweer is het vonnis gemotiveerd als ware het een verstekvonnis.3.6. \n\nDit vonnis heeft [geïntimeerde] op 25 november 2021 doorgestuurd naar [appellant]. Naar aanleiding van het vonnis is er telefonisch contact geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant]. Op 26 november 2021 heeft [geïntimeerde] de deurwaarder gemaild met het verzoek het vonnis ten uitvoer te leggen. De deurwaarder stuurde als reactie een verhaalsformulier. [geïntimeerde] heeft dit formulier ingevuld en onder vermelding van de veroordeelde partijen en samen met KvK-uittreksels van de Houseboats groep teruggestuurd. In het verhaalsformulier staat onder meer:\n\n“VERHAALSINFORMATIE SCHULDENAAR\u002FSCHULDENAREN(...)Overige verhaalsmogelijkheden: Er zouden een aantal watervilla’s door Houseboats Invest in aanbouw zijn. Het adres waar deze zich bevinden is nog niet bekend maar daar wordt aan gewerkt.”3.7. Een kopie van het formulier heeft [geïntimeerde] op 20 december 2021 naar [appellant] gestuurd. De deurwaarder heeft in opdracht van [geïntimeerde] het vonnis op 29 november 2021 betekend aan het huisadres van [betrokkene 1]. Tussen 1 december 2021 en 17 januari 2022 heeft de deurwaarder onder diverse banken en de belastingdienst beslag gelegd. De beslagen troffen geen doel.3.8. \n\nRond 16 februari 2022 is gebleken dat de watervilla’s lagen bij een zekere [betrokkene 2]. Op 16 februari 2022 heeft de deurwaarder onder [betrokkene 2] op de watervilla’s executoriaal beslag gelegd ten laste van alle in het vonnis veroordeelde partijen. Op 1 maart 2022 werd Youmanitas failliet verklaard. Daarmee vervielen alle ten laste Youmanitas gelegde beslagen. De deurwaarder heeft op 7 maart 2022 opnieuw beslag gelegd bij één van de banken ten laste van de overige in het vonnis van 24 november 2021 hoofdelijk veroordeelde partijen. Ook dit beslag trof geen doel. Op 9 maart 2022 berichtte de deurwaarder aan [geïntimeerde] dat verdere executie zinloos leek. In het bericht stond:\n\n“Ik adviseer u het faillisement aan te vragen diverse ebslagen geen effect. Ik ben diverse weekenden op zoek naar de boten geweest. De boten zouden in pandrecht toebehoren aan de aan [betrokkene 1] gelieerde failliete B.V.”3.9. Uit het faillissementsverslag van de curator van Youmanitas van 17 januari 2023 volgt dat de curator de watervilla’s heeft verkocht aan een derde voor een bedrag van € 50.000.3.10. \n [geïntimeerde] heeft [appellant] op 9 januari 2023 verzocht om de deurwaarderskosten van € 4.320,48 te betalen. Op 16 februari 2023 stuurde hij een betalingsherinnering. Diezelfde dag heeft Oomen, de inmiddels nieuwe advocaat van [appellant], aan [geïntimeerde] vragen gesteld over het dossier van [appellant]. [geïntimeerde] heeft deze vragen beantwoord. Op 14 april 2023 heeft Oomen namens [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor door [appellant] gestelde beroepsfouten. [geïntimeerde] heeft op 26 april 2023 op deze aansprakelijkstelling gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 14 augustus 2023 is de dagvaarding betekend. Daarna heeft [geïntimeerde] op 9 oktober 2023 een factuur van € 3.847,80 voor zijn werkzaamheden van april 2021 tot en met april 2023 naar [appellant] gestuurd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd (na vermindering van eis) dat de rechtbank (i) [geïntimeerde] veroordeelt om aan [appellant] te betalen al hetgeen [appellant] in geld te vorderen heeft uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 (tussen [appellant] en de Houseboats groep) en (ii) voor recht verklaart dat [geïntimeerde] niets meer te vorderen heeft van [appellant] in verband met de gelegde bankbeslagen en het beslag onder de belastingdienst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.4.2. \n [appellant] legde samengevat aan zijn vordering ten grondslag dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Bij adequaat handelen van [geïntimeerde] zou op de drie watervilla’s (1) conservatoir beslag zijn gelegd of in elk geval (2) executoriaal beslag gelegd zijn vóór 17 december 2021, de datum waarop de eerste watervilla werd getransporteerd vanuit Havelte. Ook zou hij (3) [appellant] dan de kans hebben gegeven om de onzekerheid die [geïntimeerde] stelde te hebben over de situering van de watervilla’s weg te nemen, zodat hij per direct de deurwaarder alsnog correct had kunnen instrueren. In alle drie de gevallen zou tijdig beslag zijn gelegd op de watervilla’s en zouden deze zonder verdere discussies executoriaal verkocht zijn ruim vóór het faillissement van Youmanitas in maart 2022. Nu dit niet is gebeurd, heeft [appellant] schade geleden: in totaal zou de opbrengst van de watervilla’s na tijdige beslaglegging en veiling zonder meer genoeg zijn geweest om de volledige vordering uit hoofde van het vonnis van 24 november 2021 te verhalen, aldus [appellant]. Hoe dan ook is sprake van een gemiste kans om verhaal op de watervilla’s te nemen, zodat [appellant] in ieder geval recht heeft op een kansschadevergoeding.4.3. \n [geïntimeerde] voerde gemotiveerd verweer en vorderde in reconventie betaling van de door hem voor [appellant] betaalde deurwaarderskosten ten bedrage van € 4.320,48, en een bedrag van € 8.168,28 aan openstaande declaraties. [geïntimeerde] legde aan die vordering ten grondslag dat dit kosten zijn voor verrichtingen waarvoor [appellant] opdracht heeft gegeven.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en in reconventie [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 7.130,62 met de wettelijke rente over dat bedrag berekend met ingang van drie dagen na betekening van het vonnis, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.4.5. De rechtbank kwam kort samengevat op de volgende gronden tot dit oordeel.4.5.1. \n [geïntimeerde] is niet tekortgeschoten door geen conservatoir beslag te leggen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij met [appellant] de keuze besproken om af te zien van het conservatoir beslag en de daarmee samenhangende strategische overwegingen, waarna is besloten het conservatoire beslag niet door te zetten. Deze gang van zaken is door [appellant] onvoldoende weersproken.4.5.2. Het verwijt dat [geïntimeerde] niet voor 17 december 2021 executoriaal beslag heeft laten leggen op de watervilla’s wordt door de rechtbank verworpen. [appellant] heeft onvoldoende betwist dat de focus nietlag op het verhaal van de vordering op de watervilla’s, maar op verhaal op de ingelegde gelden. Ook heeft [appellant] onvoldoende betwist dat hij op de hoogte was van de bankbeslagen. [appellant] had [geïntimeerde] erop moeten wijzen dat dit niet de bedoeling was. Daarvan is niets gebleken. [appellant] heeft verder onvoldoende betwist dat er tussen 24 november 2021 en 20 december 2021 veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat het leggen van bankbeslagen in overleg met [appellant] is gedaan. Het is bovendien niet komen vast te staan dat de watervilla’s tot 17 december 2021 daadwerkelijk in Havelte waren en dat [geïntimeerde] dat wist.4.5.3. De deurwaarderskosten en de facturen van [geïntimeerde] voor zover betrekking hebbend op handelingen verricht voor de sluiting van het dossier op 17 februari 2023 komen voor vergoeding in aanmerking, in totaal een bedrag van € 7.130,62.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof zijn vordering alsnog toewijst en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de eerste aanleg en de kosten van het hoger beroep.5.2. \n [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.6. Beoordeling in hoger beroepHet beroep van [geïntimeerde] op het in de algemene voorwaarden opgenomen vervalbeding wordt verworpen6.1. \n\n [geïntimeerde] deed in eerste aanleg een beroep op de in artikel 15 van de toepasselijke algemene voorwaarden opgenomen vervaltermijn van één jaar. Artikel 15 luidt als volgt:\n\n“Alle vorderingsrechten of andere bevoegdheden uit welke hoofd ook jegens Deen Advocaten vervallen in ieder geval één jaar na het moment waarop de opdrachtgever en of derden bekend werden of redelijkerwijs bekend konden zijn met het bestaan van deze rechten of bevoegdheden”6.2. \n\nIn artikel 17 van de algemene voorwaarden staat:\n\n“Niet alleen Deen Advocaten, maar ook alle personen die bij de uitvoering van enige opdracht van een opdrachtgever zijn ingeschakeld, kunnen op deze algemene voorwaarden een beroep doen.”6.3. De rechtbank oordeelde op dit punt, dat [geïntimeerde] zich op deze voorwaarden kan beroepen, ook al vermelden deze voorwaarden Deen advocaten. Uit artikel 1 van de algemene voorwaarden blijkt namelijk dat [geïntimeerde] deelneemt aan de samenwerking met Deen advocaten en artikel 17 van die voorwaarden brengt mee dat [geïntimeerde] zich kan beroepen op de vervaltermijn van artikel 15. De rechtbank heeft vervolgens echter in het midden gelaten of het vervalbeding onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is, omdat zij oordeelde dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn.6.4. Omdat een van de grieven van [appellant] slaagt (zie hierna), brengt de devolutieve werking van het appel mee dat door de geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweren die toen zijn verworpen of niet behandeld, alsnog aan de orde moeten komen. Het beroep op het vervalbeding is het verweer van de verste strekking: als dat slaagt, zijn de vorderingen van [appellant] vervallen. Het hof zal dit verweer daarom als eerste behandelen. Daarbij moet het hof ook de stellingen betrekken die [appellant] in eerste aanleg op dit punt heeft ingenomen. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [appellant] grieven had moeten aanvoeren tegen het oordeel dat de voorwaarden van toepassing zijn en ook in hoger beroep opnieuw aan de orde had moeten stellen dat de desbetreffende voorwaarden vernietigbaar zijn. Dat is niet juist. Het vonnis van de eerste aanleg heeft gezag van gewijsde voor zover het gaat om overwegingen waartegen niet is gegriefd, maar uitsluitend voor zover het dictum op die overwegingen steunt. Omdat het dictum in dit geval nu juist niet steunt op de overwegingen van de rechtbank over de algemene voorwaarden, behoefde [appellant] tegen deze overwegingen geen grieven te richten (vgl. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779).6.5. Het hof verenigt zich wat betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] met de overwegingen van de rechtbank (rov. 4.3) en maakt deze tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep niet nader toegelicht dat en waarom de voorwaarden niet van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen hem en [geïntimeerde].6.6. \n [appellant] heeft wel aangevoerd dat het vervalbeding onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is. [appellant] is consument en beroept zich op de vernietigbaarheid van het beding, primair met een beroep op art. 6:236 onder g BW (zwarte lijst), subsidiair op art. 6:237 onder h BW (grijze lijst) en meer subsidiair op de algemene norm ex art. 6:233 onder a BW. Het al na een jaar laten vervallen van een claim verstoort volgens [appellant] ernstig het contractuele evenwicht, zeker gelet op het feit dat mr. [geïntimeerde] verzekerd is (en ook moet zijn) voor dergelijke claims. Namens [geïntimeerde] is hiertegen in gebracht dat het voor beroepsbeoefenaren van belang is om na afronding van hun werkzaamheden in een bepaalde kwestie niet nog lange tijd later met claims te worden geconfronteerd. Als redenen daarvoor noemt hij: dossiers en mailboxen worden geschoond en (extern) gearchiveerd, de herinneringen aan een zaak worden minder scherp, advocaten stappen over naar een andere verzekeraar met mogelijke in- en uitloopdiscussies tot gevolg en collega's met wie is samengewerkt aan een zaak stappen over en raken zo uit beeld.6.7. Het hof oordeelt als volgt. Bedingen in algemene voorwaarden die een wettelijke verjarings- of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht moet geldend maken, verkorten tot een verjarings- onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar, staan op de zogenoemde zwarte lijst onder artikel 6:236 sub g BW. In dit geval gaat het echter om een vervaltermijn van een jaar, dus dit artikel is niet van toepassing. Uit jurisprudentie volgt dat bedingen die een wettelijke vervaltermijn verkorten tot een vervaltermijn van één jaar of meer, niet vallen onder artikel 6:236 sub g noch onder artikel 6:237 sub h BW, en wat hun inhoud betreft alleen getoetst kunnen worden aan de open norm van art. 6:233 sub a BW. Alle andere contractuele vervalbedingen, waaronder vervalbedingen die de factoeen wettelijke verjaringstermijn vervangen, vallen onder art. 6:237 onder h BW (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, JOR 2020, 192 mt.nt. Spanjaard, en de in die noot genoemde vindplaatsen). Voorts volgt uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1698) van art. 6:237 BW dat bedingen die betrekking hebben op gevallen waarin de wet het verval van rechten aan een door een partij binnen een “binnen bekwame tijd” te verrichten handeling verbindt, zoals artikel 6:89 BW, óók worden bestreken door art. 6:236 onder h BW.6.8. Naar het oordeel van het hof vervangt het contractuele vervalbeding uit artikel 15 van de algemene voorwaarden de klachttermijn van artikel 6:89 BW. Ingevolge de parlementaire geschiedenis valt het beding daarmee onder art. 6:236 onder h BW. Het hof merkt op dat ook wanneer het vervalbeding niet geacht moet worden de klachttermijn van artikel 6:89 BW te vervangen omdat in het vervalbeding niet wordt gesproken van een klachtplicht, het beding wordt bestreken door artikel 6:237 onder h BW. In dat geval vervangt het contractuele vervalbeding immers (feitelijk) de wettelijke verjaringstermijn.6.9. Naar het oordeel van het hof valt het beding gezien het voorgaande hoe dan ook onder artikel 6:237 sub h BW en wordt het dus vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dit brengt mee dat [geïntimeerde] omstandigheden naar voren moet brengen die maken dat het vervalbeding (toch) niet onredelijk bezwarend is. [geïntimeerde] heeft hierover aangevoerd dat hij er belang bij heeft om niet met late claims te worden geconfronteerd omdat informatie over de zaak na verloop van een jaar verloren kan zijn gegaan. Het hof vindt dit argument onvoldoende om het beding niet onredelijk bezwarend te achten.6.10. Van een advocaat mag immers worden verwacht dat hij op een zorgvuldige wijze dossier houdt en vastlegt welke afspraken met een cliënt zijn gemaakt en welke procesbeslissingen op welke gronden zijn genomen. Belangrijke afspraken dienen bij voorkeur schriftelijk aan de cliënt te worden bevestigd, en in ieder geval te worden neergelegd in een telefoonnotitie. Dat een dossier binnen een jaar al zou kunnen zijn geschoond, zoals [geïntimeerde] suggereert, sluit niet aan bij de op een advocaat rustende bewaarplicht van dossiers gedurende vijf jaar (vergelijk artikel 7:412 BW). Tegenover het belang van [geïntimeerde] om niet met late claims te worden geconfronteerd staat bovendien het belang van een cliënt als [appellant], die heeft vertrouwd op de juridische juistheid van de door zijn advocaat verstrekte adviezen. De onbekendheid van [appellant] met de materie was immers de reden dat hij een advocaat in de arm nam. Daarmee verhoudt zich niet een vervaltermijn van slechts een jaar in het geval van een beroepsfout. Van een consument als [appellant] (voormalig vrachtwagenchauffeur) kan ook niet worden verwacht dat hij bedacht is op de consequenties van een vervalbeding als het onderhavige.6.11. Ten overvloede overweegt het hof dat het verval van recht in artikel 15 van de algemene voorwaarden niet is gekoppeld aan enig nalaten van de cliënt. Bij letterlijke lezing vervalt de vordering na een jaar, ook als binnen dat jaar is geklaagd of zelfs een vordering aanhangig is gemaakt. Een dergelijk beding vormt een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en plichten van de gebruiker ([geïntimeerde]) en de wederpartij die consument is ([appellant]).6.12. \n\nDe slotsom is dat het vervalbeding in artikel 15 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is en dat [geïntimeerde] daarom geen beroep op dat artikel toekomt. Het hof hoeft daarom niet te beoordelen wanneer de in artikel 15 van de algemene voorwaarden neergelegde vervaltermijn in dit geval is gaan lopen.\n\nHet beroep van [geïntimeerde] op de klachtplicht slaagt niet6.13. \n [geïntimeerde] heeft ook een beroep gedaan op de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Volgens [geïntimeerde] is namens [appellant] op 16 februari 2023 voor het eerst een brief aan hem gestuurd met klachten; dat is bijna anderhalf jaar na het vonnis van de rechtbank van 21 november 2021 in de zaak tegen Youmanitas c.s. en bijna een jaar na het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. [geïntimeerde] is, zo stelt hij, door deze late klacht in zijn belangen geschaad. Door de overstap naar een andere softwareleverancier in mei 2022 zijn een deel van de e-mails van voor die tijd verloren gegaan. Ook registraties van (telefoon)notities zijn hierdoor verloren gegaan. Daarnaast is er WhatsApp belgeschiedenis verdwenen. Ten slotte was er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid geweest om het vonnis van 21 november 2021 tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen.6.14. De ratio van artikel 6:89 BW is bescherming van de schuldenaar tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De lengte van de termijn die beschikbaar is voor het te verrichten onderzoek is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt, en de deskundigheid van de schuldeiser. Bij dit alles is in belangrijke mate mede bepalend of de belangen van de schuldenaar zijn geschaad, en zo ja, in hoeverre. Als die belangen niet zijn geschaad, zal er niet spoedig voldoende reden zijn de schuldeiser een gebrek aan voortvarendheid te verwijten.6.15. Aan de hand van deze maatstaven komt het hof tot het oordeel dat de klacht van [appellant] niet te laat was. Het hof verwijst naar de overwegingen hierboven over het beroep van [geïntimeerde] op de vervaltermijn. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht dat hij door het tijdstip van de klacht in zijn belangen is geschaad. Het ligt op de weg van een advocaat om zodanig dossier te houden dat hij ook na (ruim) een jaar kan nagaan welke adviezen zijn gegeven en wat daaraan ten grondslag lag. Daaraan voegt het hof toe, dat een probleem met software of het overschrijven van belgeschiedenis in de risicosfeer van [geïntimeerde] ligt, en niet in die van [appellant]. Verder geldt dat [appellant] mag afgaan op de juistheid van de door [geïntimeerde] gegeven juridische adviezen en ligt het voor de hand dat hij niet meteen kon doorzien of [geïntimeerde] een fout had gemaakt.6.16. \n\nHet argument dat er, als [appellant] eerder had geklaagd, wellicht nog een mogelijkheid was geweest om het vonnis tegen de andere veroordeelden ten uitvoer te leggen maakt het voorgaande niet anders. [geïntimeerde] doet geen beroep op feitelijke omstandigheden die het bestaan van een alternatieve verhaalmogelijkheid aannemelijk maken. Ook legt [geïntimeerde] niet uit waarom na het vonnis, toen hij nog optrad voor [appellant], niet is geprobeerd van deze alternatieve verhaalmogelijkheden gebruik te maken.\n\n [geïntimeerde] had na het vonnis executoriaal beslag moeten laten leggen in Havelte6.17. De grieven II t\u002Fm IV gaan over de vraag of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt. Concreet verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat hij geen conservatoir beslag heeft laten leggen op de watervilla’s en dat hij, toen het vonnis was verkregen, niet aan de deurwaarder opdracht heeft gegeven om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Volgens [appellant] lagen de watervilla’s tot in ieder geval 17 en 18 december 2021 in Havelte en was dat ook bij [geïntimeerde] bekend, althans had dat moeten zijn.6.18. Het hof sluit zich aan bij het door de rechtbank in haar vonnis van 10 april 2024 in rov. 4.5 weergegeven toetsingskader: [geïntimeerde] moet als advocaat de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend, redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. [appellant] heeft (in de toelichting op grief 1) opgemerkt dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedragsregels, die kleuring geven aan het toetsingskader. In het bijzonder wijst [appellant] op de informatieplicht van de advocaat (gedragsregel 16) en de plicht van de advocaat om bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken te maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Het hof zal ingaan op de informatieplicht en de plicht duidelijke afspraken te maken voor zover dat voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] relevant is.6.19. Grief II heeft betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] geen beroepsfout heeft gemaakt door geen conservatoir beslag te leggen op de watervilla’s.6.20. Deze grief slaagt niet. Van belang is dat niet de contractuele wederpartij van [appellant], Houseboats, de eigenaar van de watervilla’s was, maar Youmanitas. [geïntimeerde] heeft in mei 2021 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de rechtbank. Dat verlof is echter niet gegeven zoals volgt uit een e-mail van de rechtbank van 20 mei 2021. Daarin staat onder meer dat de groepsaansprakelijkheid in het voorliggende verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd. [appellant] heeft in zijn grief niet toegelicht, dat de aansprakelijkheid van Youmanitas voor de vordering die [appellant] had op Houseboats op dat moment zodanig onderbouwd kon worden dat het verlof zou zijn gegeven. Dit volgt ook niet uit het vonnis in de bodemprocedure: dat vonnis is, hoewel op tegenspraak gewezen, feitelijk een verstekvonnis en zonder nadere toelichting valt ook niet zonder meer in te zien dat inderdaad sprake was van groepsaansprakelijkheid.6.21. Het was uitgaande van de stand van zaken op dat moment daarom een goed verdedigbare keuze om eerst in te zetten op de bodemprocedure, en het conservatoire beslag niet door te zetten. Uit de eigen stellingen van [appellant] (hij had zijn hele vermogen in het project gestoken) volgt immers dat zijn financiële middelen om aan de procedure te besteden beperkt waren, zodat keuzes gemaakt moesten worden. Hoewel [geïntimeerde] deze keuze(s) onvoldoende heeft vastgelegd – hij heeft geen telefoonnotities, e-mails of brieven overgelegd waaruit blijkt dat en hoe hij deze keuze met [appellant] heeft besproken – is het ook gelet op de stand van zaken op dat moment waarbij er procesrechtelijke keuzes moesten worden gemaakt, onvoldoende aannemelijk dat [appellant] erop had aangedrongen dat het conservatoire beslag zou zijn voortgezet.6.22. Dat ligt anders met betrekking tot het executoriale beslag. Toen met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 een titel was verkregen, ook tegen Youmanitas als eigenaar van de watervilla’s, was snel handelen vereist. De omstandigheid dat geen rentebetalingen meer werden gedaan, vormde immers een belangrijke aanwijzing dat de Houseboats groep haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Ook het feit dat in de bodemprocedure geen verweer werd gevoerd, wees daarop. Dit maakt het ook onaannemelijk dat er enig positief saldo zou zijn op bekende bankrekeningen van de Houseboats groep. Het lag daarom voor de hand om met het toewijzende vonnis van 24 november 2021 in ieder geval te proberen executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s en niet alleen op de bankrekeningen.6.23. \n\nDat de watervilla’s de meest voor de hand liggende mogelijkheid waren om (een deel van) het toegewezen bedrag te executeren volgt ook uit de brief van [geïntimeerde] die hij schreef aan mr. Oomen op 13 maart 2023, naar aanleiding van vragen die mr. Oomen stelde namens [appellant]. [geïntimeerde] schreef:\n\n“Toen de heer [appellant] bij mij kwam was House Boats Invest al lang en breed gestopt met het nakomen van haar (financiële) verplichtingen. Bovendien bereikte ons via verscheidene kanalen het bericht dat House Boats Invest geen liquide middelen meer had. Vanaf het begin van de zaak leek mij de enige reële manier voor de heer [appellant] om zijn schade te verhalen een beslag op eventueel nog aanwezige houseboats. Dit heb ik de heer [appellant] vaak uitgelegd. Destijds echter, kon niemand mij vertellen of deze houseboats nog bestonden, of zij werkelijk eigendom waren van House Boats Invest B.V. en waar zij zich dan wel bevonden.”6.24. \n [geïntimeerde] heeft hierover gesteld, dat hij de brief van 13 maart 2023 schreef terwijl hij de feiten uit het dossier niet helder voor ogen had. Het hof gaat daaraan voorbij. [geïntimeerde] licht onvoldoende toe welke feiten hij onvoldoende voor ogen had. De brief van 13 maart 2023 sluit juist goed aan bij de in deze zaak vaststaande feiten.6.25. \n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 niet wist waar de watervilla’s waren en dat [appellant] hem dat ook niet kon vertellen. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de watervilla’s aanvankelijk werden gebouwd op het adres [adres]. [geïntimeerde] betwist ook niet dat dit adres hem bekend was. Dat de watervilla’s ten tijde van het toewijzende vonnis van 24 november 2021 daar al waren weggehaald, volgt niet uit hetgeen [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. [geïntimeerde] verwijst naar een nieuwbrief van Houseboats van 5 juli 2021, waarin staat dat productiefaciliteit te Havelte is verkocht en dat de nieuwe pandeigenaar deze faciliteit op termijn zelf wil gaan gebruiken. In de nieuwsbrief staat echter niet per wanneer dat zal zijn. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen feiten gesteld waaruit onomstotelijk volgt dat de watervilla’s vóór 24 november 2021 waren weggehaald in Havelte.6.26. Ten tijde van het vonnis van 24 november 2021 was het adres in Havelte de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vestigingsplaats van Houseboats. Dat vonnis had dus door de deurwaarder daar betekend kunnen worden, in plaats van aan het woonadres van bestuurder [betrokkene 1]. Dan had – zonder (veel) extra kosten te maken, omdat het vonnis hoe dan ook betekend moest worden – door de deurwaarder kunnen worden onderzocht of de watervilla’s daar nog lagen. Dat het te duur was om de deurwaarder naar de watervilla’s te laten zoeken, volgt het hof dus niet. [geïntimeerde] heeft bovendien de deurwaarder op een gegeven moment kennelijk wel degelijk opdracht gegeven om naar de watervilla’s te zoeken, hetgeen de deurwaarder, zo volgt uit diens e-mail van 10 januari 2022, kort voor die datum heeft gedaan. Daar heeft de deurwaarder ook kosten voor in rekening gebracht, die [geïntimeerde] wil doorbelasten aan [appellant]. [geïntimeerde] heeft onvoldoende toegelicht wanneer deze opdracht (in overleg met [appellant]) aan de deurwaarder is gegeven en waarom dat niet meteen na het verkrijgen van het vonnis is gedaan.6.27. Het standpunt van [geïntimeerde] dat hij geen beslag kon laten leggen op de watervilla’s omdat hij niet kon weten waar de watervilla’s lagen, wordt gezien het voorgaande verworpen. Er was wel degelijk reden om aan te nemen dat de watervilla’s kort na het verkrijgen van het veroordelend vonnis nog in Havelte lagen. Er was bovendien een makkelijke manier (het laten betekenen van het vonnis aldaar) om daar achter te komen. Dat [appellant] (in deze executoriale fase) alleen beslag wilde leggen op bankrekeningen en niet op de watervilla’s, zoals [geïntimeerde] stelt, wordt door [appellant] betwist. Deze stelling van [geïntimeerde] is ook niet aannemelijk gezien het doel van [appellant] om – in ieder geval een deel – van het door hem uitgeleende geld terug te krijgen. Het is daarbij voor [appellant] niet relevant of dit gebeurt door een beslag op de watervilla’s en een daarop volgende executoriale verkoop daarvan, of door een beslag op een bankrekening. Voor zover [appellant] zou hebben gedacht dat een beslag op de watervilla’s ertoe zou leiden dat hij zelf eigenaar van de watervilla’s zou worden, heeft [geïntimeerde] hem hierover kennelijk onvoldoende voorgelicht. Er is bovendien geen enkele vastlegging in het dossier waaruit volgt dat hierover overleg met [appellant] heeft plaatsgevonden, zoals telefoonnotities of e-mails. De verhaalsinformatie waaruit blijkt dat alleen executoriaal beslag is gelegd onder banken, heeft [appellant] pas op 20 december 2021 gekregen.6.28. De conclusie uit het voorgaande is dus dat een redelijk bekwaam, redelijk handelend advocaat ervoor had gezorgd dat in de eerste weken na het toewijzend vonnis van 24 november 2021 met bekwame spoed een poging werd gedaan om executoriaal beslag te leggen op de watervilla’s. Als dat was gelukt, moet er van uit gegaan worden dat – anders dan in de huidige situatie – de watervilla’s executoriaal verkocht hadden kunnen worden nog voor het faillissement van Youmanitas op 1 maart 2022. In zoverre slagen de grieven II t\u002Fm IV.6.29. Voor het oordeel dat [appellant] door het nalaten van [geïntimeerde] schade heeft geleden, moet wel vaststaan dat de watervilla’s in die eerste weken na het vonnis daadwerkelijk nog in Havelte lagen. De bewijslast rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant], die zich beroept op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zoals gezegd zijn er geen sluitende aanwijzingen dat de watervilla’s op of rond 24 november 2021 niet meer in Havelte waren. Tussen partijen is niet in geschil dat de watervilla’s rond 16 februari 2022 zijn opgedoken bij een zekere [betrokkene 2]. Het staat echter ook nog niet vast dat de villa’s tot die tijd in Havelte zijn gebleven. [appellant] heeft een e-mail van [betrokkene 2] aan een kantoorgenoot van Oomen overgelegd, waarin [betrokkene 2] verklaart dat het transport van de watervilla’s plaatsvond op 17 en 18 december 2021. Uit dat mailbericht blijkt echter niet waar de watervilla’s toen vandaan kwamen. [appellant] heeft te bewijzen aangeboden dat de watervilla’s tot 17 of 18 december 2021 in Havelte waren, in of buiten de werkplaats aan de Oeveraseweg en zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.6.30. Als [appellant] slaagt in dit bewijs, zal nog moeten worden vastgesteld wat de omvang van de schade is die [appellant] heeft geleden doordat geen executoriaal beslag is gelegd. Dat bedrag moet in dat geval worden vastgesteld door een schatting van de opbrengst van de executieverkoop verminderd met de aan die verkoop verbonden deurwaarderskosten. Vooruitlopend op de beoordeling hiervan merkt het hof op dat als uitgangspunt bij de vaststelling daarvan kan dienen het bedrag waarvoor de curator de watervilla’s heeft verkocht, zijnde € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat de watervilla’s bij een executoriale verkoop meer zouden hebben opgebracht. [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de waarde van de watervilla’s substantieel was, onder verwijzing naar een in opdracht van Youmanitas opgemaakt taxatierapport, maar dat verhoudt zich niet tot de beperkte opbrengst bij verkoop door de curator. Dat de waarde ten tijde van die verkoop door de curator aanzienlijk zou zijn teruggelopen door beschadigingen of juridische onduidelijkheid over het eigenaarschap van de watervilla’s, acht het hof onvoldoende toegelicht. Daarbij komt nog dat een executoriale verkoop door een deurwaarder een (aanzienlijk) drukkend effect heeft op de opbrengst. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt onvoldoende toegelicht dat de opbrengst, bij verkoop door een deurwaarder, lager zou zijn geweest dan de door de curator gerealiseerde opbrengst.6.31. In het geval [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, in het kader van het vaststellen van de schade, nog moeten ingaan op het beroep op eigen schuld dat [geïntimeerde] heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de schade aan zichzelf te wijten, doordat hij een zeer ondoordachte investeringsbeslissing heeft genomen. Die stelling slaagt niet. Dat sprake was van een ondoordachte investeringsbeslissing is juist, maar daar gaat deze zaak niet over. In deze zaak is die beslissing een gegeven en gaat het er om of [geïntimeerde] een beroepsfout heeft gemaakt die ertoe heeft geleid dat [appellant] de schade die van die beslissing het gevolg is niet (gedeeltelijk) op de Houseboats groep heeft kunnen verhalen.6.32. \n\n [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de schade het gevolg is van aan [appellant] toerekenbare omstandigheden, doordat [appellant] na het beëindigen van de relatie met [geïntimeerde] onvoldoende moeite heeft gedaan om het toewijzend vonnis van 24 november 2021 te verhalen op de andere veroordeelden, waaronder bestuurder [betrokkene 1]. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit verweer rusten op [geïntimeerde]. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd dat sprake was van reële verhaalsmogelijkheden bij de veroordeelden op andere vermogensbestanddelen dan de watervilla’s. Als [appellant] slaagt in het hem opgedragen bewijs zal bij het vaststellen van de schade dus geen rekening worden gehouden met deze door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheden.\n\nDe declaraties van [geïntimeerde]6.33. Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde] – na enkele correcties – kon worden toegewezen. Volgens [appellant] dient de rechter – desnoods ambtshalve – de (on)eerlijkheid van een prijsbeding te beoordelen (artikel 3 lid 1 van de richtlijn oneerlijke bedingen) en in dat kader (eerst) of het beding voldoende transparant is, omdat de prijs een kernbeding betreft (artikel 4 lid 2 van de richtlijn oneerlijke bedingen). [appellant] verwijst daarbij naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna HvJEU) (HvJ EU 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14). Volgens [appellant] is het tussen hem en [geïntimeerde] afgesproken prijsbeding (een uurtarief) onvoldoende transparant. Weliswaar heeft [appellant] afgesproken dat maandelijks werd gefactureerd, maar dat heeft [geïntimeerde] niet gedaan. [appellant] had geen zicht op de tijdsbesteding door [geïntimeerde] en deze heeft [appellant] ook nooit geïnformeerd dat de kosten van de zaak konden oplopen tot meer dan € 9.500,-, aldus [appellant]. Het beding is volgens [appellant] ook oneerlijk, zodat het prijsbeding vernietigd moet worden. Dit brengt mee dat alle bedragen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan moet terugbetalen, aldus nog steeds [appellant].6.34. \n [geïntimeerde] betwist dat sprake is van een oneerlijk beding. [appellant] wist voldoende van procedures en de daarbij horende kosten en werd daarover ook door derden geadviseerd. Het verwijt van [appellant] dat [geïntimeerde] hem tussentijds geen declaraties heeft gestuurd is volgens [geïntimeerde] ongepast, omdat dit de afspraak was. Tijdens de zitting heeft [geïntimeerde] hierover opgemerkt dat het er gewoon niet van gekomen was. [geïntimeerde] beroept zich verder op artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na de dagtekening van de factuur schriftelijk moeten worden ingediend. Dat heeft [appellant] niet gedaan. Artikel 11 bepaalt verder dat kosten van derden, zoals deurwaarders, voor rekening komen van de opdrachtgever, aldus [geïntimeerde].6.35. \n\nHet hof overweegt als volgt. In de opdrachtbevestiging van [geïntimeerde] staat over de financiële afspraken onder meer het volgende:\n\n2. Het standaard honorarium bedraagt € 150,— per uur, exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten. Verschotten zijn de voor u door mij gedane uitgaven, zoals griffierecht, deurwaarderskosten, reis- en verblijfkosten en bureaukosten (porti, telefoon, telefax, fotokopieën en dergelijke). De bureaukosten bedragen 3% van het geldende uurtarief.3. In dit geval komen wij overeen een vast tarief van €150,- exclusief omzetbelasting en exclusief belaste en onbelaste verschotten tot een maximum van 10 declarabele uren en exclusief4. griffierechten. Indien ik meer dan 10 uur aan uw zaak dien te besteden breng ik u mijn standaard uurtarief als hiervoor genoemd onder punt 2 in rekening.5. [geïntimeerde] is gerechtigd opdrachtgever een voorschot in rekening te brengen. Het betaalde voorschot zal worden verrekend met de eerste declaratie.6. U ontvangt van mij per maand een declaratie voor dc door mij verrichte werkzaamheden inclusief de door mij voor u gedane uitgaven.7. De declaraties dienen door u binnen 14 dagen te zijn voldaan, zonder aftrek, korting of verrekening.6.36. Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] bij aanvang van de werkzaamheden een voorschot van € 1.500,- in rekening heeft gebracht. Tussentijds heeft hij verder geen declaraties verzonden. Op 9 oktober 2023 heeft hij een declaratie gezonden voor de werkzaamheden over de periode april 2021 tot en met april 2023.6.37. Artikel 10 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde], waarin staat dat klachten over facturen binnen 30 dagen na dagtekening daarvan kenbaar moeten worden gemaakt, staat er niet aan in de weg dat het hof (zo nodig ambtshalve) toetst of sprake is van oneerlijk beding. Een ander oordeel zou op onaanvaardbare wijze de werking van het Europese consumentenrecht doorkruisen. Het gaat hier ook niet om een klacht over de inhoud van de factuur als zodanig, maar om het toetsen van de bepalingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan de factuur.6.38. Het afgesproken uurtarief is een kernbeding. Kernbedingen waarover niet is onderhandeld hoeven alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn (zie artikel 6:231 sub a BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93\u002F13\u002FEEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna: de Richtlijn). Er is niet gebleken dat over dit beding is onderhandeld; [geïntimeerde] heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij voor [appellant], omdat [appellant] weinig geld had, zijn vaste lage tarief heeft toegepast, waarover niet is onderhandeld.6.39. In zijn arrest van 12 januari 2023 oordeelde het HvJEU dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder heeft het HvJEU overwogen dat een dienstverlener als [geïntimeerde], voordat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die een consument zoals [appellant] in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.6.40. Het hof moet de transparantie van het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen beding beoordelen naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst (vlg. HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773). Het gaat bij die beoordeling niet om de vraag of het beding (dat al dan niet transparant is) ook daadwerkelijk is nagekomen. De overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] bevat een verbintenis om met redelijke tussenpozen, namelijk maandelijks, tussentijdse facturen te sturen. Naar het oordeel van het hof is een prijsbeding als het onderhavige, waarbij is overeengekomen dat maandelijks tussentijdse facturen zullen worden gestuurd, voldoende transparant. Daarbij betrekt het hof dat in een zaak als de onderhavige zeer lastig te voorspellen is hoeveel uren daaraan uiteindelijk in totaal besteed moeten worden. Hoeveel werk [geïntimeerde] aan de zaak zou moeten besteden, zou immers sterk afhangen van de houding van de wederpartij. Een voorspelling daarvan vooraf voegt daarom niet zoveel toe aan het maandelijks tussentijds declareren.6.41. Ten overvloede overweegt het hof dat als toch zou moeten worden geoordeeld dat het beding niet transparant is, dit niet automatisch betekent dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet namelijk worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is één van die omstandigheden. In dit geval geldt dat [geïntimeerde] een zeer redelijk uurtarief heeft gehanteerd: € 150,- ligt ruim onder hetgeen gebruikelijk is in de commerciële advocatuur. Verder is niet aannemelijk dat [appellant] de overeenkomst niet had willen sluiten als [geïntimeerde] meer informatie had gegeven over de te verwachten totale kosten. Het was voor [appellant] immers zeer belangrijk om een poging te doen om het aan Houseboats uitgeleende geld via een procedure terug te krijgen. Hierbij komt, zoals hiervoor al overwogen, dat het ramen van de totale kosten in dit geval niet goed mogelijk was. Dit leidt het hof tot de conclusie dat (ook) geen sprake is van een oneerlijk beding.6.42. Daarmee is de (ambtshalve) toetsing nog niet voltooid: het hof moet ook beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 6:230l onder c of 6:230m onder e BW. Omdat de hiervoor genoemde artikelen gelijkluidend zijn, hoeft het hof niet vast te stellen of het gaat om een overeenkomst gesloten op afstand of buiten de verkoopruimte, of een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte.6.43. De genoemde artikelen schrijven voor, dat de handelaar de consument vóór het aangaan van de overeenkomst informatie verstrekt over de totale prijs van de diensten of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. In dit geval geldt dat de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend omdat niet voorspelbaar was hoeveel uren aan de zaak zouden moeten worden besteed. Wel bevat de overeenkomst de manier waarop de prijs moet worden berekend, namelijk het uurtarief vermeerderd met BTW vermenigvuldigd met het aantal bestede uren (vgl. conclusie Wissink vóór HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:1856). De overeenkomst vermeldt ook dat de deurwaarderskosten zullen worden doorberekend. Het hof is van oordeel dat daarmee aan de informatieplicht is voldaan.6.44. De conclusie uit al het voorgaande is dat er geen aanleiding is om de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te vernietigen en ook niet om een korting toe te passen op de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen.6.45. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Het feit dat [geïntimeerde], anders dan overeengekomen, niet maandelijks tussentijds heeft gedeclareerd, vormt een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Een dergelijke tekortkoming kan een grondslag vormen voor schadevergoeding. Dat schade is geleden zal het geval kunnen zijn als de wederpartij van de advocaat aannemelijk kan maken dat hij, als tussentijds was gedeclareerd, aanleiding had gezien om de opdracht aan de advocaat te beëindigen vanwege het oplopen van de kosten. In deze zaak is hierop geen beroep gedaan.6.46. \n [appellant] heeft ten aanzien van de facturen van [geïntimeerde] wel een beroep gedaan op een opschortingsrecht en aangevoerd dat de openstaande facturen verrekend moeten worden met de verschuldigde schadevergoeding. Het hof geeft een bewijsopdracht en zal alle verdere beslissingen aanhouden. Het beroep op het opschortingsrecht hoeft het hof daarom nu niet te behandelen. Op het beroep op verrekening zal zo nodig in het eindarrest worden ingegaan.7. Conclusie7.1. De conclusie uit het voorgaande is dat het hof [appellant] toelaat tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres].7.2. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.8. Beslissing\n\nHet hof:\n\nlaat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling, dat de watervilla’s tussen 24 november 2021 en 17\u002F18 december 2021 hebben gelegen in of bij een loods op het adres [adres];\n\nbepaalt dat, als [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. Schreuder, op 19 juni 2026 om 09:00 uur;\n\nbepaalt dat, als één der partijen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak, opgeeft verhinderd te zijn op de genoemde datum en daarbij de verhinderdata van beide partijen in de maanden juni tot en met oktober van 2026 opgeeft, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;\n\ndeelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor het getuigenverhoor over te leggen;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. R.G.C. Veneman en mr. L.M. van Bochove en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:942","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.557Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":60,"updatedAt":114},"1848","ECLI:NL:GHDHA:2026:468","ecli-nl-ghdha-2026-468","2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.357.918\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11447058 \\ CV EXPL 24-4000\n\nArrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\n2. [appellant 2] ,\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. A.C. Mens, te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n1. WOONSTICHTING STEK,\n\ngevestigd te Hillegom,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon, te Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant 1] , [appellant 2] of gezamenlijk [appellant 1] c.s. enerzijds en Stek anderzijds.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst met Stek mag voortzetten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat van het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de inmiddels overleden huurder geen sprake was en heeft [appellant 1] c.s. veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en concludeert daarnaast dat [appellant 1] c.s. niet de vereiste huisvestingsvergunning heeft. Anders dan de kantonrechter, verklaart het hof de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad. Stek kan dus niet ontruimen zolang er nog een rechtsmiddel open staat of is aangewend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 juli 2025 met grieven en bijlagen, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Leiden) van 25 juni 2025 (het bestreden vonnis);\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 26 augustus 2025;\n\nde e-mail van 8 september 2025 tot intrekking van de vordering in het incident;\n\nde memorie van antwoord van 21 oktober 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) Stek en de heer [naam] (hierna: [naam] ) is per 1 juli 2003 een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning).3.2. Uit de basisregistratie blijkt dat [appellant 1] c.s. op het adres van de woning staan ingeschreven.3.3. Op 28 juli 2024 is [naam] overleden. Hij verbleef op dat moment in Marokko.3.4. Op 25 september 2024 heeft de dochter van [naam] (tevens erfgenaam) de huurovereenkomst namens de erfgenamen opgezegd tegen 25 oktober 2024. De huuropzegging is op diezelfde dag bevestigd door Stek. Daarbij heeft Stek aangegeven dat op 26 september 2024 de voorinspectie en op 25 oktober 2024 de eindinspectie zal plaatsvinden.3.5. Op 26 september 2024 bracht Stek een bezoek aan de woning in verband met de (aangekondigde) voorinspectie. De woning is geïnspecteerd op twee afgesloten slaapkamers na. Dat zijn de kamers waarvan [appellant 1] en [appellant 2] gebruik maken. De erven van [naam] hebben aan Stek verklaard [appellant 1] en [appellant 2] niet te kennen.3.6. De gemachtigde van [appellant 1] c.s. heeft in een brief van 8 oktober 2024 aan Stek bericht dat [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW voortzetten en niet aan de ontruiming van de woning zullen meewerken. Op 25 oktober 2024 heeft geen eindinspectie en oplevering van de huurwoning plaatsgevonden.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant 1] c.s. hebben Stek gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat zij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning met Stek mogen voortzetten. Stek heeft verweer gevoerd. Verder heeft Stek in reconventie gevorderd dat [appellant 1] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, uitvoerbaar bij voorraad.4.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juni 2025 de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen en hen in reconventie veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [appellant 1] c.s. zijn in de kosten van het geding veroordeeld.4.3. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst totdat in hoger beroep op de op artikel 7:268 lid 2 BW gebaseerde vordering van [appellant 1] c.s. is beslist.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant 1] c.s. vorderen dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de beslissing op hun conventionele vordering om het huurrecht met betrekking tot de woning voort te zetten aan te houden nadat getuigen zijn gehoord en het hof in deze procedure arrest heeft gewezen. Bij incident hebben zij gevorderd dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning schorst totdat onherroepelijk op hun conventionele vorderingen is beslist. Doordat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 al is geschorst hebben zij die incidentele vordering weer ingetrokken.5.2. Stek concludeert dat het hof het hoger beroep van [appellant 1] c.s. ongegrond verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten in hoger beroep.6. Beoordeling in hoger beroepOnvoldoende gesteld voor duurzame gemeenschappelijke huishouding6.1. De vordering van appellanten in hoger beroep strekt strikt genomen niet tot toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van [appellant 1] c.s. , maar strekt ertoe dat iedere beslissing wordt aangehouden totdat getuigen zijn gehoord. Feitelijk is de vordering niets anders dan een bewijsaanbod. Zonder handhaving van de in eerste aanleg geformuleerde vordering bestaat daarbij geen belang. Omdat Stek er kennelijk ook vanuit gaat dat de vordering uit eerste aanleg ondanks de tekst van het petitum is gehandhaafd, zal het hof daar ook van uitgaan.6.2. Volgens [appellant 1] c.s. woont [appellant 2] al meer dan 20 jaar en [appellant 1] al bijna 12 jaar met [naam] in de woning. Volgens hen was er sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat zij [naam] hielpen met het huishouden, zij de kosten daarvan deelden en zij [naam] hielpen met zijn gezondheidsklachten. Stek betwist dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.6.3. Het hof overweegt dat een persoon die in de woonruimte hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad op grond van artikel 7:268 lid 2 BW de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder, en ook daarna als de rechter dit heeft bepaald op een vordering van die persoon, ingediend binnen de termijn van zes maanden en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Die persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen om de huur te mogen voortzetten: a) hij moet zijn hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; b) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke Huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet hij in de procedure een huisvestingsvergunning over (kunnen) leggen. De rechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan (een van) deze drie voorwaarden is voldaan (artikel 7:268 lid 3 BW).6.4. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant 1] c.s. samen met [naam] in de woning woonden en daar hun hoofdverblijf hadden. Dat betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of zij met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden. Bij die beoordeling moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, waarbij mede van belang kan zijn of de overleden huurder en degene die aanspraak maakt op voortzetting van de huur gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud, alsmede of die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen.Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht.Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, dan moet de samenwoner voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aanvoeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van een gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat wel sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.6.5. Doordat [appellant 1] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij een gemeenschappelijke huishouding hadden met [naam] , rust op hen dus een verzwaarde stelplicht. Met hun eerste grief stellen [appellant 1] c.s. dat zij daar aan de hand van bankafschriften en drie verklaringen van getuigen aan hebben voldaan en dat zij verder alleen door middel van getuigenbewijs de gemeenschappelijke huishouding kunnen bewijzen. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] c.s. niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan en licht dat toe als volgt.6.6. Uit de door [appellant 1] c.s. overgelegde bankafschriften blijkt dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag overmaakten. Volgens hen was dat voor de huur en energielasten en hebben zij alle overige kosten voor de huishouding voldaan. Uit de bankafschriften blijkt echter niet dat zij gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van levensonderhoud en huisvesting. In eerste aanleg heeft Stek dat reeds gemotiveerd betwist, door erop te wijzen dat er alleen kosten voor boodschappen uit blijken, maar dat die kosten geenszins de kosten voor drie volwassen mannen dekken. Ondanks die specifieke betwisting van Stek en de overweging van de kantonrechter dat de bankafschriften niet getuigen van een gemeenschappelijke huishouding, hebben [appellant 1] c.s. ook in dit hoger beroep geen concrete feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.6.7. Ook uit de door hen overgelegde verklaringen blijken geen concrete feiten waaruit het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding kan worden afgeleid. Daartoe overweegt het hof dat het voor buitenstaanders in het algemeen lastig zal zijn om wetenschap te hebben van de huishouding waar zij zelf geen deel van uitmaken. Waarom deze getuigen daar wel specifiek over kunnen verklaren blijkt niet uit de verklaringen en is door [appellant 1] c.s. ook niet toegelicht. Die verklaringen zijn volledig identiek, in algemene bewoordingen opgesteld en niet voorzien van enige feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit blijkt dat de ondertekenaars daadwerkelijk op de hoogte waren van de gestelde samenwoning, en waarop die verklaringen op zijn gebaseerd. Die verklaringen zijn aldus onvoldoende concreet om als onderbouwing van een gemeenschappelijke huishouding te dienen, laat staan dat ze iets zeggen over de duurzaamheid daarvan. Ook bij de duurzaamheid van de samenwoning zijn namelijk de nodige vragen te stellen: [appellant 1] en [appellant 2] zijn beiden gehuwd en hebben niet verklaard waarom zij desondanks een duurzame huishouding met een ander voeren. Daarnaast heeft Stek onbetwist en onderbouwd gesteld dat [appellant 1] met zijn echtgenote Mabruk en hun vier kinderen ingeschreven staan als woningzoekende en dat hij reageert op het woningaanbod.6.8. In hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. niets over de verzorging van (de gezondheidsklachten van) [naam] aangevoerd. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat de gemeenschappelijke huishouding uit die verzorging blijkt, komt het hof tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Stek dat [naam] in december 2023 al naar Marokko is vertrokken toen hij ziek werd en [appellant 1] c.s. hem dus niet hoefden te verzorgen hebben zij immers ook geen feiten en\u002Fof omstandigheden aangevoerd.6.9. Daarom komt het hof tot het oordeel dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [naam] ook in hoger beroep onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Dat betekent dat het hof niet aan bewijslevering toekomt, zodat het bewijsaanbod van [appellant 1] c.s. om enkele getuigen te horen wordt verworpen. Het hof wijst de vordering tot voortzetting van de huur van de woning door [appellant 1] c.s. dan ook af. Daarmee is het hof dus ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. geen recht of titel hebben om in de woning te blijven en laat het de veroordeling tot ontruiming in stand. Aangezien de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. uitgaan van het standpunt dat [appellant 1] c.s. in de woning mogen blijven, liggen die grieven voor afwijzing gereed. Ten aanzien van grief 4 voegt het hof daar het volgende aan toe. Zoals hierna zal blijken, is grief 2 terecht voorgesteld. Dat heeft echter geen gevolgen voor de conclusie dat [appellant 1] c.s. in eerste aanleg de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij waren, zodat zij terecht in de kosten zijn veroordeeld.6.10. \n\nHet hof overweegt nog het volgende. Stek heeft al in eerste aanleg gesteld dat voor de woning een huisvestingsvergunning nodig is en dat [appellant 1] c.s. deze niet hebben overgelegd. [appellant 1] c.s. hebben dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Op grond van artikel 7:268 lid 3 BW moet de vordering (ook) worden afgewezen indien [appellant 1] c.s. die huisvestingsvergunning niet overleggen. Zij hebben dat niet gedaan. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof ook bij het slagen van de grieven de vordering op deze grond zou moeten afwijzen.\n\nGeen grondslag voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring bestreden vonnis6.11. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen met de motivering dat niets zich daartegen verzet. Met hun tweede grief komen [appellant 1] c.s. op tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming van de woning in het vonnis. Volgens hen is dat in strijd met artikel 7:268 lid 2 BW. Volgens Stek verzet dat artikel zich niet tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming en voor zover dat wel het geval zou zijn, dan maken [appellant 1] c.s. volgens haar misbruik van recht.6.12. Het hof overweegt dat artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat een samenwoner de huur voortzet zolang op zijn daartoe strekkende vordering niet onherroepelijk is beslist. Anders dan Stek stelt, volgt uit dat artikel dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een tegenvordering tot ontruiming van de woning in beginsel is uitgesloten. Van dit - in de jurisprudentie bevestigde - wettelijke uitgangspunt kan (bij uitzondering) worden afgeweken indien wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik van recht door de huurder.6.13. Volgens Stek maken [appellant 1] c.s. misbruik van recht, omdat de vordering van [appellant 1] c.s. geen reële kans van slagen heeft en zij een groot belang heeft bij de door haar gevraagde ontruiming. Het hof overweegt dat van misbruik van recht sprake kan zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten of omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat moet terughoudend worden beoordeeld.6.14. Zoals hiervoor is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat [appellant 1] c.s. hun hoofdverblijf in de woning hebben. Verder hebben [appellant 1] c.s. aan de hand van de bankafschriften onderbouwd dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag voor de huur en energielasten hebben overgemaakt. [appellant 1] c.s. hebben hun vordering in zoverre dus niet op onjuiste feiten gebaseerd. Hoewel het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende concreet hebben onderbouwd, betekent dat niet dat zij hadden moeten begrijpen dat hun vordering geen enkele kans van slagen had. Mede in het licht van de terughoudende toets, is het hof dan ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. met hun vordering geen misbruik van recht maken. Dat betekent dat de tweede grief van [appellant 1] c.s. met betrekking tot de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontruiming van de woning slaagt. Conclusie en proceskosten6.15. De conclusie is dat de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. niet slagen en grief 2 slaagt voor zover deze op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning ziet. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het die uitvoerbaar bij voorraad verklaring betreft en voor het overige bekrachtigen.6.16. \n\nHet hof zal [appellant 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Stek op:\n\ngriffierecht € 827,- salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.306,-6.17. \n [appellant 1] c.s. hebben het incident pas ingetrokken nadat Stek een antwoordakte had genomen. Stek heeft dus wel een proceshandeling in het incident verricht. Die akte heeft zich echter beperkt tot twee korte alinea’s, omdat de voorzieningenrechter reeds de uitvoerbaar bij voorraadverklaring had geschorst. Gelet op de intrekking zal het hof [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incident, maar die kosten aan de zijde van Stek begroten op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het bestreden vonnis voor zover de veroordeling tot ontruiming van de woning uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;\n\nen in zoverre opnieuw recht doende:\n\nwijst de reconventionele vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming af;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van Stek begroot op nihil;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Stek begroot op € 2.306,-;\n\nbepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, r.o. 3.2.2.\n\n HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901, NJ1996\u002F181.\n\n Hof Den Haag 19 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:974. Hof Amsterdam 19 maart 2024,\n\nECLI:NL:GHAMS:2024:684.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:468","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.911Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":60,"updatedAt":122},"1849","ECLI:NL:GHDHA:2026:469","ecli-nl-ghdha-2026-469","2026-03-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.311.086\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F592138 \u002F HA ZA 20-231\n\nArrest van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nJACM B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nappellante,\n\nhierna te noemen: JACM ,\n\nadvocaat: voorheen mr. T.A. Vermeulen, te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. Aemstel Participaties B.V.,\n\ngevestigd te Zandvoort,\n\nhierna te noemen: AP,\n\nadvocaat: mr. M. Bitter, te Haarlem,\n\n2. [geïntimeerde] ,\n\nwonende te [woonplaats],\n\nhierna te noemen: [geïntimeerde] ,\n\nniet verschenen,\n\ngeïntimeerden,\n\nhierna samen te noemen: AP c.s.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of JACM aanspraak kan maken op boetes uit hoofde van een koopovereenkomst ten aanzien van enkele onroerende zaken. De rechtbank heeft dat deel van de vordering afgewezen en het hof komt tot dezelfde conclusie.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 20 mei 2022 waarmee JACM in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2022;\n\nde memorie van grieven van 9 augustus 2022;\n\nde memorie van antwoord, tevens vermeerdering van eis van AP van 8 augustus 2023 met bijlagen;\n\nde akte van JACM van 4 juli 2024 met bijlagen;\n\nde brieven namens AP van 2 juli 2024 en 7 maart 2025 met bijlagen;\n\nde akte namens AP van 27 mei 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. AP en Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 (hierna: SBGW1) als verkopers en Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed B.V. (hierna: SHMOG) als koper hebben op 4 januari 2018 een koopovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst betrof de overdracht van het bloot eigendom, door SBGW1, en de overdracht van de rechten van erfpacht, door AP, van enkele panden aan de [straatnaam] aan SHMOG of aan een nader te noemen meester voor het totaalbedrag van € 750.000,00.3.2. \n\nDie overeenkomst vermeldt, voor zover hier relevant, onder meer het volgende:\n\n“De ondergetekenden:1. [geïntimeerde] , (...), te dezen handelend:a. als algemeen directeur van (...), welke vennootschap handelt als bestuurder van:Aemstel Participaties (...), hierna te noemen: \"Verkoper 1\";b. als mondeling gevolmachtigde van:Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 (...),hierna te noemen:\"Verkoper 2\";Verkoper 1 en Verkoper 2 hierna tezamen te noemen: \"Verkoper\";de geldigheid van vorenstaande mondelinge volmacht kon door de notaris ten tijde van het opmaken van deze koopovereenkomst niet worden gecontroleerd.\n\n(…)\n\nLeveringArtikel 9De Leveringsakte zal worden verleden op1 maart 2018 of zoveel eerder of later als Koper en Verkoper nader zullen overeenkomen, ten overstaan van de notaris.”3.3. \n\nArtikel VI lid 2 sub a van de algemene bepalingen van de overeenkomst, die onder de kop “Definities” op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard, vermeldt:\n\n“Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen, na de dag waarop het deurwaardersexploot is uitgebracht, tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen -(...)- is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:a. uitvoering van de Koop te verlangen, in welk geval de partij die in verzuim is na afloop van voormelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien ingegane dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd is van drie pro mille van de koopprijs; (…)”3.4. Op 1 maart 2018 is het onbezwaarde volle eigendom (en dus ook het recht van erfpacht) namens AP en SBGW1 niet aan SHMOG geleverd.3.5. Vanwege het uitblijven van de levering heeft SHMOG AP en SBGW1 bij brief van 27 maart 2018 in gebreke gesteld en bij exploot van 3 april 2018 gesommeerd om binnen acht dagen hun verplichtingen na te komen. In deze brief maakt SHMOG tevens aanspraak op contractuele boetes.3.6. \n\nOp 6 april 2018 is namens SBGW1 per e-mail het volgende aan [geïntimeerde] bericht:\n\n“De hoofddirectie heeft besloten om (voorlopig) geen medewerking (meer) te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de [straatnaam] . Er is besloten om het dossier door medewerkers te laten beoordelen die tot op heden geen enkele relatie hebben gehad met het dossier Aemstel. Die gaan advies uitbrengen aan de hoofddirectie. Mijn rol en die van het bestuur is (voorlopig) uitgespeeld.”3.7. \n\nNamens SHMOG is op 9 april 2018 een brief aan SBGW1 verzonden waarin, voor zover hier relevant, onder meer het volgende staat:\n\n“Namens cliënte deel ik u mede dat zij ten onrechte Stichting Bewaarentiteit Grondvermogen Woningen 1 in gebreke heeft gesteld en in geding heeft betrokken. U kunt voornoemde brief en ingebrekestelling derhalve als niet-verzonden respectievelijk nietig beschouwen.”3.8. SHMOG heeft geen intrekking van haar ingebrekestelling aan AP verzonden. Evenmin is AP haar verplichtingen uit de oorspronkelijke overeenkomst jegens SHMOG nagekomen.3.9. SBGW1 heeft als verkoper op 1 november 2018 een koopovereenkomst met JACM als koper gesloten voor de verkoop van een groot aantal onroerende zaken. Daartoe behoort onder meer het bloot eigendom van de panden aan de [straatnaam] die ook in de koopovereenkomst van 4 januari 2018 zijn vermeld. Op 22 februari 2019 zijn die onroerende zaken door SBGW1 aan JACM geleverd. Uit de transportakte blijkt dat de totale koopprijs € 1.156.797,15 bedraagt.3.10. Op 12 maart 2019 hebben SHMOG en JACM een meestersverklaring ondertekend waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed heeft met de desbetreffende verkoper een koopovereenkomst gesloten, die op 4 januari 2018 is ondertekend – gemelde koopovereenkomst hierna te noemen: de'overeenkomst', welke overeenkomst aan deze verklaring is gehecht;\n\nStedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed heeft zich bij de overeenkomst het recht voorbehouden nader haar meester te noemen.\n\nVerklaren als volgt:\n\nStedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed verklaart van bedoeld recht gebruik te maken en nader als meester te benoemen: JACM ;\n\nJACM verklaart een kopie van de overeenkomst te hebben ontvangen;\n\nJACM aanvaardt voormelde benoeming en treedt mitsdien in alle voor Stedelijke Huizen Maatschappij Onroerend Goed uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen als ware zij zelf partij bij de overeenkomst. Onder bedoelde rechten en verplichtingen is mede begrepen - doch niet beperkt tot - het recht op levering van \"het Verkochte\", zoals vermeld in de overeenkomst, zulks onder de in de overeenkomst opgenomen voorwaarden.”3.11. De rechtbank Haarlem heeft [geïntimeerde] op 15 juni 2021 failliet verklaard met benoeming van mr. [curator] tot curator. Bij beschikking van 9 april 2024 is dat faillissement door de rechtbank opgeheven.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n\nDe rechtbank Rotterdam heeft de vorderingen van JACM bij verstekvonnis van 25 september 2019, gewezen onder zaak-\u002Frolnummer C\u002F10\u002F577716 \u002F HA ZA 19-633, integraal toegewezen als volgt:\n\n“De rechtbank,\n\nI. wijzigt de overeenkomst tussen [ JACM ] en [AP], zoals overgelegd als productie 1 bij dagvaarding, zodanig dat de volgende passage:\n\nkomen overeen:Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt de volle eigendom van de Registergoederen, vrij van erfpacht, hierna aan te duiden als: “het Verkochte\".\n\nDe koopprijs bedraagt voor het Verkochte:zevenhonderdvijftigduizend euro (€ 750,000,00).\n\nwordt gewijzigd in:\n\nkomen overeen:Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt, de rechten van erfpacht voor onbepaalde tijd, rustend op de percelen gelegen aan de [straatnaam] [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] , hierna aan te duiden als: “het Verkochte”.\n\nDe koopprijs bedraagt voor het Verkochte: tweehonderdzesentachtigduizend negenhonderdvijfentachtig euro en achtenvijftig cent (€ 286.985,58)\n\nen wijzigt voorts artikel 9, dat als volgt komt te luiden:\n\nArtikel 9De voor eigendomsoverdracht vereiste akte tot levering, althans de inschrijving van het ten dezen te wijzen vonnis, zal worden verleden voor een door koper aan te wijzen notaris op een door koper te bepalen tijdstip.\n\nII. bepaalt dat dit vonnis in plaats treedt van de akte van levering van het onder 1. omschreven recht van erfpacht door [AP] aan [ JACM ];\n\nIII. veroordeelt [AP c.s.] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan [ JACM ] te betalen het bedrag van € 384.849,12 (driehonderdvierentachtigduizend achthonderdnegenenveertig euro en twaalf cent), ter zake van contractuele boetes en bepaalt daarbij dat voormeld bedrag verrekend mag worden met de koopsom ter zake van de levering van de rechten van erfpacht voornoemd, voor zover nog door [ JACM ] verschuldigd;\n\nveroordeelt [AP c.s.] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [ JACM ] vastgesteld op € 4.119,75 aan verschotten en € 2.402,00 aan salaris voor de advocaat;\n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”4.2. AP c.s. zijn bij verzetdagvaarding van 14 februari 2020 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Daarbij hebben zij ook incidentele vorderingen en een reconventionele vordering ingesteld.4.3. In de verzetprocedurevorderden AP c.s. dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat JACM alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, dan wel dat die vorderingen alsnog worden afgewezen..4.4. In reconventievorderden AP c.s. dat de rechtbank JACM veroordeelt om al hetgeen JACM ter uitvoering van het verstekvonnis heeft verricht ongedaan te maken, zodat AP c.s. zoveel mogelijk worden teruggebracht in de (feitelijke, juridische en economische) positie waarin zij zouden verkeren als het vonnis niet was gewezen, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 1.000.000,00.4.5. Bij voorwaardelijke vermeerdering van eis in reconventievorderde AP daarnaast - verkort weergegeven - voor zover het verstekvonnis voor wat betreft onderdeel I en II van het dictum van het verstekvonnis in stand blijft:\n\n- Primair, JACM te veroordelen om te voldoen aan AP de waarde van de erfpachtrechten zoals geldend op de dag van de koopovereenkomst van 4 januari 2018 volgens productie 1 van de inleidende dagvaarding, althans op de dag van levering en overdracht van de erfpachtrechten ingevolge onderdeel II van het verstekvonnis, zoals die waarde zal blijken te zijn vastgesteld door een of meer deskundigen als door de rechtbank te benoemen;\n\n- Subsidiair, JACM te veroordelen aan AP een bedrag te voldoen van € 286.985,58 te vermeerderen met de rente en kosten zoals bepaald in laatstgenoemde koopovereenkomst, in het bijzonder artikel VI Algemene Bepalingen, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119a, althans 6:119 BW.4.6. Bij antwoordakte tevens houdende akte eisvermeerdering heeft JACM de door haar gevorderde boete vermeerderd naar een bedrag van € 507.966,40.4.7. Bij vonnis van 30 september 2020 in de incidenten heeft de rechtbank Rotterdam AP c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzet tegen de onderdelen I en II van het verstekvonnis, vanwege het niet tijdig inschrijven van het hoger beroep als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW. Voor het overige heeft de rechtbank AP c.s. wel ontvankelijk verklaard. De incidentele vordering van AP c.s. tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het verstekvonnis is afgewezen.4.8. Bij vonnis in verzet van 23 februari 2022 heeft de rechtbank Rotterdam het verstekvonnis vernietigd wat betreft onderdeel III van het dictum en de proceskostenveroordeling. Met betrekking tot de vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft de rechtbank overwogen dat de procedure vanwege zijn faillissement is geschorst op grond van artikel 29 Fw. In conventie heeft de rechtbank geoordeeld dat JACM niet binnen een redelijke termijn als meester is benoemd en dus geen partij bij de overeenkomst had kunnen worden. Aangezien zij op grond van het onherroepelijke verstekvonnis wel partij is geworden, heeft de rechtbank dat in de meest enge zin begrepen. Om die reden is JACM volgens de rechtbank geen partij geworden wat het boetebeding betreft, zodat haar vordering tot betaling daarvan is afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat JACM de koopprijs aan AP is verschuldigd en de subsidiaire vordering daartoe ter hoogte van € 286.985,58 toegewezen. De proceskosten heeft de rechtbank gecompenseerd, zowel in conventie als reconventie.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. JACM vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank. Bij akte heeft zij haar eis vermeerderd in die zin dat zij nu ook vordert dat het hof voor recht verklaart dat JACM gerechtigd is zich tegenover [geïntimeerde] op verrekening te beroepen tot een bedrag van ten minste € 482.925,27 en tegenover AP tot een bedrag van € 567.659,91, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.5.2. Bij memorie van antwoord heeft AP haar reconventionele vordering vermeerderd. Die vermeerdering bestaat - zakelijk weergegeven - uit vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, die AP heeft geleden doordat de verkochte rechten van erfpacht op het moment van verkoop meer waard waren dan het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 286.985,58.6. Beoordeling in hoger beroep\n\nDe vordering van JACM\n\nJACM is jegens [geïntimeerde] niet-ontvankelijk6.1. JACM is deze procedure in hoger beroep tegen zowel AP als [geïntimeerde] gestart. Het hof stelt vast dat de rechtbank in het vonnis van 23 februari 2022 onder randnummer 4.4. expliciet heeft overwogen dat de procedure tegen [geïntimeerde] in conventie op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst, omdat de vorderingen van JACM voldoening van een verbintenis uit de boedel van [geïntimeerde] ten doel hebben. In overweging 4.5. heeft de rechtbank vervolgens opgenomen dat in conventie alleen nog over de vordering van JACM tegen AP dient te worden geoordeeld.6.2. \n\nDoordat de procedure tegen [geïntimeerde] in conventie is geschorst, bestaat er (nog) geen uitspraak tussen JACM en [geïntimeerde] waartegen JACM beroep kan instellen. Om die reden wordt JACM in deze procedure ten aanzien van [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard. Aangezien [geïntimeerde] niet is verschenen, bestaat voor een kostenveroordeling ten gunste van hem geen aanleiding.\n\nJACM is volledig partij geworden bij de oorspronkelijke overeenkomst6.3. Volgens JACM is op grond van het verstekvonnis van 25 september 2019 en het vonnis in incident van 30 september 2020 al in rechte komen vast te staan dat zij partij is geworden bij de volledige koopovereenkomst van 4 januari 2018. Om die reden heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte geoordeeld dat zij slechts in de meest enge zin partij is geworden bij die overeenkomst. Voor zover de rechtbank in weerwil van die vonnissen al mocht toetsen of JACM partij bij de overeenkomst is geworden, stelt JACM zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet binnen een redelijke termijn als meester is benoemd.6.4. AP stelt dat de koopovereenkomst van 4 januari 2018 na het sluiten van de koopovereenkomst tussen SBGW1 en JACM van 1 november 2018 niet meer bestaat, althans dat daar sindsdien geen beroep meer op kan worden gedaan. Voor zover er nog wel een beroep op die koopovereenkomst kan worden gedaan, is JACM daar volgens AP geen partij bij geworden omdat zij te laat als meester is benoemd.6.5. Voor zover de grieven van AP willen opkomen tegen (de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet tegen) de onderdelen I en II van het dictum van het verstekvonnis, is AP in haar hoger beroep niet ontvankelijk. De niet-ontvankelijkverklaring in het vonnis van 30 september 2020 was immers een gedeeltelijk eindvonnis, waartegen direct had moeten worden geappelleerd, niet pas gelijktijdig met het appel tegen het eindvonnis (buiten de beroepstermijn, gerekend vanaf het vonnis van 30 september 2020). In die onderdelen I en II is bepaald dat JACM partij is geworden bij de overeenkomst met AP en wordt gewijzigd zoals gevorderd door JACM . Daarmee staat in rechte vast dat JACM partij is geworden bij de oorspronkelijke overeenkomst. AP heeft in hoger beroep ook met zoveel woorden naar voren gebracht dat zij berust in de overdracht van het recht van erfpacht, zoals door de rechtbank is bevolen (par. 17 memorie van antwoord).6.6. Het hof verwerpt het verweer van AP dat de overeenkomst niet meer bestaat, omdat niet is gebleken van een grond voor het tenietgaan van de overeenkomst. Het enkele feit dat er een nadere overeenkomst is gesloten tussen SGBW1 als verkoper en JACM als koper ten aanzien van het bloot eigendom van de percelen, brengt niet mee dat de eerdere overeenkomst, die ook betrekking had op het recht van erfpacht, zijn kracht verliest. Anders dan de rechtbank, ziet het hof ook geen grondslag voor de conclusie dat JACM slechts in “de meest enge zin” – wat dat ook moge betekenen - bij de overeenkomst partij is geworden. Door de niet-ontvankelijkheid van AP in het verzet tegen onderdelen I en II van het dictum van het verstekvonnis staat vast dat JACM als nader genoemde meester partij is geworden bij de koopovereenkomst. Niet goed in te zien is hoe zij slechts gedeeltelijk partij is geworden. Daarvoor is geen goede grond. Zelfs als JACM niet binnen een redelijke termijn als nadere meester is genoemd en dus eigenlijk geen partij bij de oorspronkelijke overeenkomst had kunnen worden, dan doet dat niet af aan het onherroepelijke oordeel in het verstekvonnis waaruit dat wel volgt. Het beroep op de artikelen 3:67 en 3:301 lid 2 BW maakt dat niet anders. Dat beroep had in een eventueel hoger beroep tegen het vonnis in het incident kunnen worden beoordeeld, maar kan nu niet afdoen aan het onherroepelijk karakter van het vonnis in het incident.6.7. \n\nIn zoverre slagen grieven I, VI en VII van JACM dan ook. Dat leidt echter niet tot toewijzing van de door haar gevorderde boete. Dat licht het hof hierna toe.\n\nSHMOG heeft aanspraak op de contractuele boete verwerkt6.8. Het is tussen partijen niet in geschil dat de levering van de onroerende zaken niet conform de koopovereenkomst van 4 januari 2018 heeft plaatsgevonden. Logischerwijs heeft SHMOG zowel AP als SBGW1 in gebreke gesteld en hen, met aanspraak op de contractuele boete, bij deurwaardersexploot van 3 april 2018 gesommeerd om alsnog aan hun verplichtingen te voldoen.6.9. Vervolgens heeft SHMOG op 9 april 2018 alleen aan SBGW1 te kennen gegeven dat zij de ingebrekestelling als nietig of niet verzonden kan beschouwen. Een reden waarom SHMOG van SBGW1 niet en van AP kennelijk nog wel nakoming verlangde blijkt niet uit de in het geding gebrachte stukken en evenmin heeft JACM , als nader genoemde meester van SHMOG, daarvoor een verklaring gegeven. Het hof overweegt dat AP c.s. met de e-mail van 6 april 2018 die namens SBGW1 aan [geïntimeerde] is verzonden hebben onderbouwd dat SBGW1 heeft besloten om (voorlopig) niet (meer) aan de levering aan SHMOG mee te werken. Aangezien SHMOG het volledig eigendom heeft gekocht en SBGW1 het bloot eigendom zou leveren, was de medewerking van SBGW1 noodzakelijk voor het door SHMOG beoogde gevolg, namelijk de verkrijging van het volle eigendom van de panden. Met andere woorden: levering alleen door AP van haar erfpachtrecht zou niet leiden tot het door partijen beoogde resultaat. Naar het oordeel van het hof past daarom het intrekken van alleen de ingebrekestelling aan de partij die het bloot eigendom zou leveren niet bij de situatie waarin SHMOG nog de nakoming van de volledige koopovereenkomst verlangde. Dat tussen partijen in geschil is of [geïntimeerde] namens SBGW1 als mondeling gemachtigde mocht optreden, doet daar niet aan af, temeer nu niet is gesteld of gebleken dat SBGW1 tegen [geïntimeerde] of tegen SHMOG die volmacht heeft betwist.6.10. Uit het feit dat SHMOG de ingebrekestelling jegens SBGW1 had ingetrokken, kon voor AP dus het beeld ontstaan dat zij niet langer aanspraak maakte op het verkrijgen van de volle eigendom van de panden. Het beeld dat SHMOG niet langer aanspraak maakte op de nakoming van de koopovereenkomst wordt verder versterkt door de omstandigheid dat nergens uit blijkt dat SHMOG jegens SBGW1 en JACM nog concreet aanspraak op de levering van het bloot eigendom aan haar heeft gemaakt. Kennelijk was die levering aan JACM voor SHMOG akkoord. Sterker nog, zij heeft juist JACM , de partij die het bloot eigendom na haar van SBGW1 heeft gekocht en wél geleverd heeft gekregen, ruim een jaar na de oorspronkelijke leverdatum als nadere meester benoemd. Het hof stelt dus vast dat SHMOG eerst haar ingebrekestelling tegen alleen SBGW1 heeft ingetrokken, vervolgens niet tegen levering door SBGW1 van het door haar gekochte deel aan een derde heeft geprotesteerd en later diezelfde derde zelfs als haar eigen nadere meester heeft benoemd, terwijl zij al die tijd tegen AP heeft stilgezeten. In die omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat SHMOG jegens AP nog een beroep op de boetebepaling van de koopovereenkomst kan doen. Conclusie6.11. \n\nHet hof concludeert dat SHMOG haar recht op nakoming van de boetebepaling in de algemene voorwaarden van de koopovereenkomst van 4 januari 2018 heeft verwerkt. Dat betekent dat SHMOG geen beroep meer kon doen op die boeteclausule jegens AP. Aangezien JACM in de rechten van SHMOG is getreden, kan JACM daar dus ook geen aanspraak op maken. De vordering van JACM tot veroordeling van AP tot betaling van de boetes wordt daarom afgewezen. Om die reden wordt de beslissing van de rechtbank bekrachtigd.\n\nDe vordering van AP\n\nGeen onrechtvaardigde verrijking6.12. AP heeft haar reconventionele vordering in hoger beroep vermeerderd. Zij stelt dat uit de akte van levering van 22 februari 2019, waarbij SBGW1 onder meer het bloot eigendom van de onroerende zaken die bij de koopovereenkomst van 4 januari 2018 zijn verkocht heeft geleverd aan JACM , geen koopprijs voor dat bloot eigendom is gespecificeerd. Aldus staat volgens haar niet vast dat het bloot eigendom voor € 463.014,42 aan JACM is verkocht. Aan de hand van een indicatie van een taxateur stelt zij zich op het standpunt dat de rechten van erfpacht op het moment van de levering aan JACM een waarde van € 870.000,00 hadden. Doordat de koopprijs in het verstekvonnis is bepaald op € 286.985,58 is AP verarmd en JACM ongerechtvaardigd verrijkt. De precieze hoogte van haar schade wenst zij nader op te laten maken bij staat.6.13. Het hof stelt voorop dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander verplicht is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond bestaat. Het hof overweegt dat AP, rechtsgeldig vertegenwoordigd door [geïntimeerde] , partij was bij de koopovereenkomst van 4 januari 2018. In die overeenkomst is een koopprijs opgenomen van € 750.000,00 voor het volledige eigendom van de onroerende zaken. Die koopprijs zag dus op zowel de door AP te leveren rechten van erfpacht als het door SBGW1 te leveren bloot eigendom van de onroerende zaken. Als kopende partij bij die overeenkomst hoeft JACM dus nooit meer dan € 750.000,00 voor het volledige eigendom van de onroerende zaken te betalen. Zelfs als de rechten van erfpacht ten tijde van de levering aan JACM meer dan dat totale bedrag waard zouden zijn, zoals AP stelt, dan zou JACM niet ongerechtvaardigd zijn verrijkt, omdat die verrijking dan zijn redelijke grondslag heeft in de mede door AP gesloten koopovereenkomst. Ook de verkrijging die op grond van het verstekvonnis heeft plaatsgevonden, en de betaling daarvoor, heeft uiteindelijk plaatsgevonden op grond van de overeenkomst en is dus niet zonder grond. Het hof komt daarom tot het oordeel dat AP haar stelling dat JACM ongerechtvaardigd is verrijkt niet voldoende concreet heeft onderbouwd.6.14. \n\nVoor zover AP met haar vermeerdering van eis heeft bedoeld dat JACM mogelijk een lager bedrag aan SBGW1 en daarom een lager totaalbedrag dan de overeengekomen € 750.000,00 heeft betaald, geldt eveneens dat AP daarvoor onvoldoende concrete onderbouwing heeft gegeven. De vermeerderde vordering van AP wordt daarom afgewezen.\n\nBeroep op verrekening in strijd met de tweeconclusie regel6.15. Met haar akte van 4 juli 2024 heeft JACM zich op verrekening beroepen tot een bedrag van tenminste € 482.925,27 tegenover [geïntimeerde] en tot een bedrag van € 567.659,91 tegenover AP. AP heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen dat beroep op verrekening, omdat deze naar haar mening in strijd is met de tweeconclusieregel en de goede procesorde.6.16. \n\nHet hof overweegt dat JACM haar verrekeningsverweer voor het eerst bij haar akte na de memorie van antwoord voert. De tweeconclusieregel vereist echter dat JACM als appellant al haar grieven en weren en ook nieuwe feiten en stellingen in de memorie van grieven aanvoert. Door AP is bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging, en aangezien JACM haar verweer bij executie van het vonnis alsnog jegens AP kan voeren doet zich naar het oordeel van het hof ook geen situatie voor waarin toepassing van de tweeconclusieregel in strijd zou komen met een goede procesorde. Het hof gaat dan ook aan het verrekeningsverweer van JACM voorbij vanwege strijd met de tweeconclusieregel.\n\nConclusie en proceskosten6.17. De conclusie is dat zowel de vermeerdering van eis van AP als het verrekeningsverweer van JACM niet slagen. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.6.18. Het hof verwerpt het bewijsaanbod van AP aangezien het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Datzelfde geldt voor het bewijsaanbod van JACM .6.19. \n\nHet hof zal JACM als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de AP c.s. op:\n\ngriffierecht € 5.689,- salaris advocaat € 8.428,50 (1,5 punt × tarief VII) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 14.306,506.20. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.21. Het hof zal AP als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep c.q. wat betreft de eisvermeerdering van AP in hoger beroep. Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van JACM op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart JACM niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen;\n\nbekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 februari 2022;\n\nveroordeelt JACM in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van de AP c.s. begroot op € 14.306,50, en vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als JACM deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als JACM niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, JACM de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als JACM deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nveroordeelt AP in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van de JACM tot op heden begroot op nihil; wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:469","2026-07-13T00:29:41.968Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":119,"fullText":127,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":129,"parsedAt":60,"updatedAt":130},"1709","ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","ecli-nl-rbdha-2026-16959","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F698812 \u002F KG ZA 26-113\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser]te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,\n\neiser,\n\nadvocaat mr. F.L.P. Vulto te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde Staat der Nederlanden, het Ministerie van Financiënte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nin persoon verschenen.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de op 13 februari 2026 betekende dagvaarding met producties 1 tot en met 16;\n\n- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. Op 24 mei 2016 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) beslag gelegd op twee boten van het merk Baja, type 38 Special (hierna: de boten). Dit beslag vond plaats in verband met een vordering van de Ontvanger op [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap). [eiser] is bestuurder van de vennootschap.\n\n2.2.. Op 19 december 2018 heeft de Ontvanger een brief van [eiser] ontvangen waarin hij in beroep gaat tegen de beslaglegging op de boten. [eiser] stelt in het beroep dat de boten geen eigendom zijn van de vennootschap, maar dat deze tot zijn privévermogen behoren. De Ontvanger heeft naar aanleiding van het beroep nadere stukken opgevraagd bij [eiser] , waarna op 25 februari 2019 een aantal stukken van [eiser] zijn ontvangen.\n\n2.3.. \n\nNa 25 februari 2019 is er door de Ontvanger geruime tijd geen vervolg gegeven aan de afhandeling van het beroep van [eiser] . Pas bij brief van 25 mei 2025 heeft [eiser] een reactie van de Ontvanger gekregen. In deze brief staat het volgende, voor zover nu relevant:\n\n“(…)\n\nOp 19 december 2018 heb ik uw brief ontvangen waarin u in beroep gaat tegen de beslaglegging op twee boten ten laste van [vennootschap] B.V. Dit beroep is gebaseerd op artikel 22 van de Invorderingswet 1990.\n\nIn het beroepschrift voert u aan dat de betreffende boten geen eigendom zijn van de B.V., maar tot uw privévermogen behoren.\n\nDoor omstandigheden is op het beroepschrift tot op heden geen beslissing genomen. De Ontvanger acht het wenselijk om alsnog inhoudelijk op het beroepschrift te beslissen. Hoewel het tijdsverloop tussen indiening van het beroepschrift en deze beschikking onwenselijk lang is, vormt dit geen belemmering om alsnog op zorgvuldige wijze een inhoudelijk besluit te nemen.\n\nOverwegingen en motivering\n\nArtikel 22 van de Invorderingswet 1990 biedt de belanghebbenden de mogelijkheid om op te komen tegen een beslagmaatregel als een zaak ten onrechte als verhaalsobject is aangemerkt. Aan de hand van de door u overlegde documenten en daarbij rekening houdend met het tijdsverloop, dient het beslag als onrechtmatig te worden aangemerkt. De Ontvanger komt hiermee tot het oordeel dat het beroep gegrond is.\n\nOpheffing beslag\n\nOmdat de Ontvanger hiermee uw beroepschrift gegrond heeft verklaard, zal de inbeslagname van de twee boten ongedaan worden gemaakt. Het beslag op de twee boten wordt hiermee per direct opgeheven. Wij maken graag met u een afspraak voor het ophalen van de boten. (…).\n\n(…)”\n\n2.4.. Op 26 juni 2025 heeft de teruggave van de twee boten plaatsgevonden. Na de teruggave van de boten heeft [eiser] deze op enig moment verkocht.\n\n2.5.. \n\nIn een brief van 8 juli 2025 laat de Ontvanger het volgende aan [eiser] weten:\n\n“(…)\n\nIn uw brief van 18 juni 2025 waarin u resumerend verzocht om verdeling van de kosten van het vervoer van de vaartuigen deel ik u mede hiermee in te stemmen. Ik vraag u om de factuur te overleggen en tevens kenbaar te maken naar welk rekeningnummer de helft van de gedeelde kosten kunnen worden overgemaakt.\n\n(…)”\n\n2.6.. Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [eiser] de Ontvanger bericht dat hij de schade als gevolg van het beslag heeft geïnventariseerd en vastgesteld. Hij stelt – onder overlegging van een factuur van Delta Watersport – dat hij € 9.125,= (exclusief BTW) aan kosten heeft gemaakt voor transport, takelen en werkzaamheden door derden, staling en werkplaatstarief. In de e-mail staat dat van de transportkosten van € 2.000,= de helft voor rekening van [eiser] komt en dat daarmee ‘de eenvoudig te berekenen schade waarvan zonder beslag geen sprake zou zijn geweest’inclusief BTW € 9.831,25 bedraagt. [eiser] stelt verder in de e-mail dat hij ook schade heeft geleden als gevolg van waardeverlies door de boten negen jaar onrechtmatig in beslag te houden. Volgens [eiser] bedraagt het totale waardeverlies € 106.760,=. Ter onderbouwing van dit bedrag verwijst [eiser] naar“de officiële waarderingsbron van [naam] ”.Hij stelt voor in goed overleg tot een minnelijke regeling te komen.\n\n2.7.. \n\nBij brief van 4 november 2025 stelt de Ontvanger dat hij een deel van de kosten zoals vermeld op de factuur van Delta Watersport wil betalen, maar niet de kosten die verband houden met het verkoopklaar maken van de boten (vermeld onder “werkplaatstarief”). In de brief staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nVoor de financiële afwikkeling van de directe kosten ontvangen wij graag het betalingsbewijs behorend bij de factuur van Delta Transport. Na ontvangst en beoordeling stellen wij de toewijsbare directe kosten vast en keren wij uit. Ons eerdere aanbod inzake de transportkosten nemen wij in de eindafrekening mee.\n\nVoor de door u gestelde waardevermindering tussen een veronderstelde marktwaarde in 2016 en de verkoopopbrengst in 2025 zien wij op dit moment geen grond voor vergoeding. Over een periode van negen jaar spelen reguliere veroudering en marktontwikkeling een zelfstandige rol. Zonder een objectieve waardebepaling per peildatum 2016 van de twee vaartuigen en een onderbouwing van het causaal verband kan deze gevolgschade niet aan het beslag worden toegerekend. Mocht u dit onderdeel toch willen voortzetten, dan kan uitsluitend worden gedacht aan een onafhankelijke registertaxateur (pleziervaartuigen) voor zo’n waardebepaling. Zonder die basis handhaven wij ons standpunt.\n\n(…)”\n\nIn de brief staat verder dat de Ontvanger de wens deelt om het dossier tot een nette minnelijke oplossing te brengen. Hij nodigt [eiser] uit voor een eerste gesprek hierover. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.\n\n2.8.. De Ontvanger heeft over het geschil met [eiser] contact gezocht met (de juristen van) het Ministerie van Financiën, waarna een medewerker van het Ministerie (hierna ook: de jurist van het Ministerie) de correspondentie met [eiser] over de afwikkeling van de schade door het beslag heeft voortgezet.\n\n2.9.. De jurist van het Ministerie heeft opdracht gegeven aan een taxateur (hierna: ‘de expert’) om de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop te begroten. De jurist van het Ministerie heeft via de advocaat van [eiser] een aantal foto’s ontvangen waarmee [eiser] zijn claim wilde onderbouwen. Deze foto’s zijn doorgeleid naar de expert. De expert heeft de schade als gevolg van waardeverlies door tijdsverloop begroot op € 31.250,= inclusief omzetbelasting. De jurist van het Ministerie heeft het rapport van de expert op 31 december 2025 aan de advocaat van [eiser] gezonden.\n\n2.10.. \n\nPer e-mail van 9 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] een conceptdagvaarding voor een kort geding aan de jurist van het Ministerie toegezonden. In de e-mail schrijft de advocaat dat het geduld van [eiser] op is, dat hij geen uitstel meer accepteert en wil dat er “juridisch wordt doorgepakt om een voorschot op de schadevergoeding af te dwingen”.In de e-mail staat verder het volgende:\n\n“(…)\n\nDaarbij wijs ik u op een specifiek punt: cliënt heeft mij de uitdrukkelijke opdracht gegeven om niet alleen de Staat, maar ook de betrokken ambtenaren (mevrouw (…) en de heer (…)) in privé in rechte te betrekken wegens onrechtmatig handelen en het bewust traineren van de afwikkeling. Hoewel ik mij als advocaat nog beraad op de proceseconomische wenselijkheid van deze specifieke stap in dit stadium, wilde ik u dit concept en de intentie van cliënt niet onthouden. Het tekent de frustratie en de ernst van de zaak.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft de jurist van het Ministerie aan de advocaat van [eiser] het volgende laten weten:\n\n“De Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\n(…)”\n\n2.12.. \n\nPer e-mail van 12 januari 2026 heeft [eiser] zelf gereageerd op voormelde e-mail aan zijn advocaat. In zijn e-mail – gericht aan zijn advocaat, de jurist van het Ministerie en de Ontvanger – staat, voor zover nu van belang, het volgende:\n\n“(…)\n\nMet het genoemde bedrag van € 35.741,25 als voorwaarde om van het kort geding af te zien, kan ik akkoord gaan. (…)\n\nSecundaire voorwaarde is wel dat dit bedrag uiterlijk einde van week 3 (16 januari 2026) zal zijn bijgeschreven op rekeningnummer (…).\n\n(…)\n\nEveneens akkoord is dat het genoemde bedrag van € 35.741,25 tevens strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat (uiteindelijk) ten gronde zal blijken schuldig te zijn.\n\nDe verdere voorwaarden die de heer (…) aan de bodemprocedure koppelt, zijn niet acceptabel.\n\nVooral de eis dat een eventuele bodemprocedure uitsluitend zou mogen zien op vorderingen jegens de Staat – waarbij ik ervan uitga dat hiermee wordt beoogd de betrokken ambtenaren in privé te vrijwaren – ervaar ik als een principieel probleem.\n\n(…)\n\nWel ben ik bereid om, uit proceseconomische overwegingen, in een eventuele bodemprocedure (vooralsnog) uitsluitend de Staat aan te spreken, maar uitsluitend indien dit niet inhoudt dat ik afstand doe van mijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\n(…)”\n\n2.13.. \n\nPer e-mail van 13 januari 2026, in reactie op de onder 2.12 genoemde e-mail, heeft de jurist van het Ministerie als volgt bericht aan de advocaat van [eiser] :\n\n“(…)\n\nDe Staat is bereid het eerder geformuleerde schikkingsvoorstel in de door uw cliënt aangepaste vorm gestand te doen. Het voorstel komt daarmee te luiden als volgt:\n\nDe Staat is bereid een bedrag van (€ 9.831,25 + € 25.910,-=) € 35.741,25 aan uw cliënt te vergoeden, indien uwerzijds wordt afgezien van een kort geding.\n\nDaarnaast geldt dat, ingeval uw cliënt alsnog een bodemprocedure wenst te beginnen, deze zich thans zal beperken tot hetgeen uw cliënt jegens de Staat meent als vordering te hebben, en het genoemde bedrag van € 35.741,25 alsdan strekt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen de Staat ten gronde zal blijken schuldig te zijn. Het voorgaande houdt niet in dat uw cliënt afstand doet van zijn rechten jegens individuele ambtenaren in een aparte procedure of in geval van nieuwe feiten, opzet of grove schuld.\n\nGraag ontvang ik, indien akkoord, hiervan een schriftelijke bevestiging van u.\n\nNa ontvangst daarvan zal ik zorg dragen voor uitbetaling van het overeengekomen bedrag. Ik merk daarbij op voorhand op dat het, gelet op mijn ervaringen, niet mogelijk is toe te zeggen dat dit bedrag vrijdag al zal worden uitgekeerd. Verder wijs ik er op dat standaard voorafgaand aan uitbetaling wordt bezien of er sprake is van betalingsachterstanden.\n\nVoor een kort geding zal echter nog een datum gevonden moeten worden en daarna zal twee weken moeten worden gewacht op een uitspraak, en geldt eenzelfde procedure rond uitbetaling. Het lijkt mij daarom niet zinvol die procedure om deze reden voort te zetten.\n\n(…)”\n\n2.14.. \n\nPer e-mail van 14 januari 2026, gericht aan zijn advocaat en in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, laat [eiser] het volgende weten in reactie op voormelde e-mail van 13 januari 2026 van het Ministerie:\n\n“(…)\n\nIk kan mij vinden in het door de Staat aangeboden bedrag van € 35.741,25 als voorschot op de uiteindelijk door de Staat verschuldigde schadevergoeding, onder de reeds door mij geformuleerde voorwaarden ten aanzien van de bodemprocedure en – met name – het behoud van de mogelijkheid om individuele ambtenaren afzonderlijk aan te spreken.\n\nMet de door de heer (…) genoemde extra termijn van veertien dagen voor uitbetaling kan ik mij daarentegen niet verenigen.\n\n(…)\n\nVanuit dat perspectief verzoek ik u de opgedwongen interval niet te zien als reden tot wachten, maar juist als gelegenheid om de kortgedingdagvaarding omgaand te (doen) uitbrengen de datum te laten bepalen.\n\n(…)”\n\n2.15.. \n\nNadat de jurist van het Ministerie in reactie op voormelde e-mail van 14 januari 2026 aan de advocaat van [eiser] heeft laten weten dat geen uitbetalingstermijn van veertien dagen wordt genoemd en vraagt om alsnog een akkoord op zijn laatste voorstel, stuurt [eiser] eveneens op 14 januari 2026 een e-mail aan zijn advocaat, in cc aan de jurist van het Ministerie en de Ontvanger, met de volgende inhoud:\n\n“(…)\n\nNaar aanleiding van de recente correspondentie met de heer (…) constateer ik dat strikt taalkundig en inhoudelijk kan worden verdedigd dat hij zichzelf niet daadwerkelijk tegenspreekt over de “twee weken”. De frictie zit verleer in het afwijzen van mijn harde eis van betaling uiterlijk 16 januari tegenover zijn beschrijving van vermeend “realistische” betaal- en vonnistermijnen.\n\nDat laat echter onverlet dat ik niet bereid ben twee weken af te wachten op ambtelijke contemplatie. Mijn instructie blijft dan ook ongewijzigd: laat de dagvaarding in kort geding gewoon uitbrengen.\n\n(…)”\n\n2.16.. Ook na 14 januari 2026 is er nog correspondentie geweest tussen partijen, maar dat heeft er niet toe geleid dat de Staat tot betaling van enig geldbedrag aan [eiser] is overgegaan. Op 3 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] de aanvraag voor dit kort geding ingediend.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – zakelijk weergegeven:\n\nprimair:\n\n- de Staat te veroordelen aan [eiser] te betalen het bedrag van € 35.741,25, ter nakoming van de tussen partijen op 13 januari 20226 tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2026;\n\nsubsidiair:\n\n- de Staat te veroordelen om aan [eiser] een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van € 50.000,= te betalen, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding;\n\nprimair en subsidiair:\n\n- de Staat te bevelen om aan [eiser] schriftelijk de volledige naam, vestigingsplaats en (register)kwalificaties te verschaffen van de door de Staat opgevoerde deskundige, in de stukken aangeduid als ‘Expert NN’;\n\nalle vorderingen op straffe van een dwangsom en alles met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.\n\n3.2.. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Tussen partijen is op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De Staat is gehouden deze overeenkomst na te komen en het daarin vastgestelde bedrag van € 35.741,25 onverwijld aan [eiser] te voldoen. Voor zover geoordeeld wordt dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, vordert [eiser] subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. De Staat heeft in de beschikking van 28 mei 2025 expliciet erkend dat het beslag onrechtmatig was. De onrechtmatige daad bestaat uit twee componenten, namelijk een inbreuk op het eigendomsrecht gedurende negen jaar en de schending van de zorgplicht. De Staat heeft gedurende de beslagperiode grovelijke nagelaten de zorg van een ‘goed bewaarder’ te betrachten. De boten zijn zonder adequaat onderhoud weggezet, waardoor ze ten prooi zijn gevallen aan verval, ongedierte en technische veroudering. De waardevernietiging die in negen jaar is opgetreden, komt voor risico van de onrechtmatig beslaglegger. Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn primaire vordering vloeit volgens hem voort uit de aard van die vordering. Bovendien weegt de persoonlijke situatie van [eiser] zwaar. Hij is inmiddels 85 jaar en deze kwestie beheerst zijn leven bijna tien jaar. Van een man op deze leeftijd kan in redelijkheid niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten om te ontvangen wat de Staat al heeft toegezegd. Bovendien heeft [eiser] noodgedwongen uit privévermogen een bedrag van ongeveer € 19.000,= voorgeschoten aan derden om de boten veilig te stellen. Het is maatschappelijk onaanvaardbaar dat een burger als bankier voor de overheid moet fungeren nadat diezelfde overheid zijn eigendom negen jaar lang onrechtmatig heeft gegijzeld en laten verpauperen. Ook de proceshouding van de Staat maakt onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk. De Staat heeft de afwikkeling stelselmatig getraineerd, door eerst negen jaar lang niet te beslissen, door te schermen met anonieme experts en daarna terug te komen op een al gesloten akkoord. Alleen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan dit patroon van ambtelijk traineren doorbreken, aldus [eiser] .\n\n3.3.. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nPrimaire vordering: nakoming vaststellingsovereenkomst\n\n4.1.. \n [eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat op 13 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en de Staat die moet worden nagekomen. [eiser] stelt daartoe dat de Staat op 12 januari 2026 een aanbod heeft gedaanen dat hij dat aanbod per e-mail van dezelfde dag heeft aanvaard, waarna de Staat de wilsovereenstemming per e-mail van 13 januari 2026 heeft bevestigd.\n\n4.2.. Uit de tussen partijen gewisselde correspondentie kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat – zoals [eiser] stelt – op 13 januari 2026 een bindende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van de Staat van 12 januari 2026 is gedaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [eiser] zou afzien van een kort geding. Die voorwaarde is één van de essentialia van de te bereiken overeenstemming, zoals [eiser] ook erkent. In reactie op dit aanbod schrijft [eiser] weliswaar dat hij instemt met het door de Staat aangeboden bedrag als voorwaarde om af te zien van een kort geding, maar hij heeft niet ingestemd met de voorwaarde dat een eventuele bodemprocedure alleen gericht mocht worden tegen de Staat en hij heeft een extra eis gesteld ten aanzien van een (uiterst korte) betaaltermijn (namelijk betaling uiterlijk op 16 januari 2026). Uit de reactie van [eiser] blijkt niet dat hij ook bereid is af te zien van een kort geding als de Staat niet instemt met de aanvullende voorwaarden die hij stelt. Uit deze reactie van [eiser] kan dan ook niet worden afgeleid dat er sprake is van overeenstemming over alle essentialia van de overeenkomst.\n\n4.3.. Voor zover de reactie van [eiser] van 12 januari 2026 moet worden aangemerkt als een nieuw aanbod, dan geldt dat dit aanbod door de Staat niet is aanvaard. Dit blijkt uit de reactie van de Staat van 13 januari 2026. Daarin stelt de Staat dat hij bereid is het schikkingsvoorstel in de door [eiser] aangepaste vorm ten aanzien van zijn rechten jegens individuele ambtenaren gestand te doen, Er wordt in die e-mail uitdrukkelijk gevraagd om aanvaarding van dat aanbod, én er wordt uitdrukkelijk nietingestemd met de voorwaarde van betaling op 16 januari 2026. De reacties van [eiser] van 14 januari 2026 daarop houden in dat hij niet instemt met de afwijzing van zijn“harde eis van betaling uiterlijk 16 januari”, inclusief een (herhaalde) instructie aan zijn advocaat om de dagvaarding in kort geding uit te brengen. Ook hieruit kan dus niet worden afgeleid dat op 12 of 13 januari 2026 overeenstemming is bereikt. Conclusie is dan ook dat de primaire vordering worden afgewezen.\n\n4.4.. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat er ook na 14 januari 2026 nog correspondentie is geweest tussen partijen, maar die heeft er niet toe geleid dat op een later moment alsnog overeenstemming over een vaststellingsovereenkomst is bereikt. Dat stelt [eiser] ook niet.\n\n4.5.. Overigens heeft de Staat terecht gesteld dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden, onder andere door de tweede e-mail die [eiser] op 14 januari 2026 heeft gestuurd – waaruit blijkt dat [eiser] niet afziet van een kort geding – niet over te leggen. De Staat verzoekt de voorzieningenrechter daaraan de gevolgtrekking te verbinden die zij geraden acht. De voorzieningenrechter zal aan de schending van de waarheidsplicht geen ander gevolg verbinden dan de constatering ervan. Voor een andere gevolgtrekking ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat zij – door overlegging van de e-mail door de Staat – alsnog kennis van die e-mail heeft kunnen nemen en de primaire vordering van [eiser] mede op grond van die e-mail wordt afgewezen.\n\nSubsidiaire vordering: voorschot op schadevergoeding\n\n4.6.. De Staat heeft (alleen) ten aanzien van de subsidiaire vordering (terecht) gesteld dat hij ten onrechte is gedagvaard. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet treedt immers de Ontvanger in alle rechtsgedingen die uit zijn taakuitoefening voortvloeien als zodanig in rechte op. Daarom had ten aanzien van de subsidiaire vordering niet de Staat, maar de Ontvanger moeten worden gedagvaard. De Staat heeft [eiser] hier in aanloop naar dit kort geding, voorafgaand aan betekening van de dagvaarding, ook op gewezen.\n\n4.7.. Het is te verwachten dat een nieuw kort geding tegen de Ontvanger zal volgen als [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Dat heeft de Staat ook erkend. De voorzieningenrechter acht dat uit oogpunt van proceseconomie en doelmatige van inzet van gemeenschapsmiddelen onwenselijk en ziet daarin aanleiding (ten overvloede) een inhoudelijk oordeel te geven over de subsidiaire vordering. Hierbij speelt ook een rol dat de Ontvanger weliswaar niet gedagvaard is, maar ter zitting wel aanwezig was en ook het woord heeft gevoerd, terwijl de Staat als gevolg van de schikkingsonderhandelingen die zijn gevoerd ook ten volle is geïnformeerd over de voorgeschiedenis in deze zaak.\n\n4.8.. Ten aanzien van geldvorderingen in kort geding is volgens vaste jurisprudentie terughoudendheid geboden. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar als het bestaan van de vordering in zo’n mate aannemelijk is dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrecht de vordering zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist en moet in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.\n\n4.9.. De voor toewijzing van de vordering in kort geding vereiste onverwijlde spoed ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Zoals de Staat terecht stelt, is niet gebleken van enige financiële nood aan de zijde van [eiser] . Dat [eiser] een bedrag aan derden heeft betaald, levert geen spoedeisend belang op, nu niet is gebleken dat [eiser] daarvoor de middelen niet had. Ook uit de uitlatingen van [eiser] ter zitting blijkt dat van enig spoedeisend belang geen sprake is. Hij heeft immers verklaard dat het hem niet om de centen gaat, dat hij zonder kan en dat hij er geen boterham minder om eet. Het spoedeisend belang is evenmin gelegen in de omstandigheid dat het beslag al in 2016 is gelegd en dat deze kwestie al lang speelt. Weliswaar heeft de Ontvanger ten onrechte lange tijd niet beslist op het beroep van [eiser] tegen de beslaglegging, maar daar staat tegenover dat [eiser] de kwestie ook heeft laten rusten tot er in 2025 is beslist. Dat zijn leven, zoals in de dagvaarding wordt gesteld, wordt beheerst door het beslag blijkt nergens uit. Tot slot speelt de leeftijd van [eiser] geen rol van doorslaggevende betekenis in een geschil van uitsluitend financiële aard.\n\nPrimair en subsidiair: gegevens deskundige\n\n4.10.. In de pogingen om te komen tot overeenstemming over de afwikkeling van het beslag heeft de Staat zelf een expert ingeschakeld om een schadeberekening te maken. Deze expert wil niet dat zijn \u002F haar naam bij [eiser] bekend wordt. [eiser] vordert nu dat deze gegevens wel aan hem worden verstrekt. Deze vordering is door [eiser] niet afzonderlijk onderbouwd of van een grondslag voorzien. Alleen al hierom komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Daar komt nog het volgende bij. De Staat heeft ervoor gekozen zelf een expert in te schakelen in de hoop dat er overeenstemming met [eiser] kon worden bereikt over de afwikkeling van door hem geleden schade. Dat doet geen afbreuk aan dat het uitgangspunt is dat het aan [eiser] is om de schade die hij stelt te hebben geleden te onderbouwen en het staat hem vrij om daartoe zelf een deskundige in te schakelen. Dat de Staat in het traject om te komen tot overeenstemming van zijn kant heeft besloten een expert in te schakelen leidt er niet toe dat hij – binnen het bestek van een kort geding – verplicht kan worden om de persoonsgegevens van de deskundige aan [eiser] te verstrekken.\n\nAfronding en proceskosten\n\n4.11.. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De voorzieningenrechter merkt wel nog het volgende op. Ter zitting is aan de orde gekomen dat de Ontvanger al in juli 2025 heeft toegezegd dat helft van de kosten van het vervoer van de boten te zullen betalen. De factuur daarvan heeft [eiser] op 13 oktober 2025 al aan de Ontvanger toegestuurd (onderdeel van de factuur van Delta Watersport). Desondanks was ten tijde van de mondelinge behandeling het bedrag van de helft van de kosten van vervoer van de boten nog niet aan [eiser] uitbetaald. De Ontvanger – ter zitting aanwezig in persoon van de heer [medewerker belastingdienst] – heeft toegezegd alsnog opdracht te geven tot betaling van de helft van de transportkosten, waarbij echter wel voorafgaand aan uitbetaling gecontroleerd zal worden of er op grond van artikel 24 Invorderingswet 1990 aanleiding is om het uit te betalen bedrag te verrekenen met enig bedrag dat [eiser] nog schuldig is. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat aan deze toezegging inmiddels uitvoering is gegeven.\n\n4.12.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Omdat de Staat in persoon is verschenen, heeft hij geen advocaatkosten gemaakt. De proceskosten van de Staat worden daarom begroot op € 3.083,= aan griffierecht. Deze kosten worden verhoogd met de kosten van betekening indien [eiser] niet tijdig de proceskosten aan de Staat betaalt, een en ander zoals opgenomen in het dictum.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af;\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat van € 3.083,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij de kosten van die betekening betalen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nidt\n\nIn de e-mail van 13 oktober 2025 (zie onder 2.6) stelt [eiser] dat beide boten zijn verkocht voor in totaal € 65.000,=.\n\n Dit betreft de onder 2.11 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.12 geciteerde e-mail.\n\n Dit betreft de onder 2.13 geciteerde e-mail.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16959","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.736Z",{"id":132,"ecli":133,"slug":134,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":135,"fullText":136,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":138,"parsedAt":60,"updatedAt":139},"876","ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","ecli-nl-ghdha-2025-2926","2025-12-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.360.538\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11844194 RL EXPL 25-15226\n\nArrest van 30 december 2025 in het incident tot voeging\n\nopgeworpen door:\n\n [voegende partij] B.V.\n\ngevestigd in Den Haag,\n\neiseres in het incident,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\nin de zaak van\n\n1. [Vof], voorheen handelend onder de naam [voegende partij],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\n2. [Appellant 2] ,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\n3. [Appellant 3],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. C.A. Gobbens, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonend in [woonplaats 3] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nverweerder in het incident,\n\nadvocaat: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudend in Voorburg.\n\nHet hof noemt partijen hierna [voegende partij] B.V., [Vof] en [verweerder] .1. De zaak in het kort1.1. \n [Vof] heeft met [verweerder] een huurovereenkomst gesloten voor een bedrijfsruimte waarin [Vof] een bakkerij exploiteert. [Vof] had uit hoofde van de huurovereenkomst een bankgarantie gesteld. Na omzetting van het bedrijf in een B.V., ontstond er een conflict tussen appellanten en gedaagde of indeplaatsstelling toegestaan was. Dit hof heeft over dat geschil in een procedure tussen partijen besloten een machtiging tot indeplaatsstelling van [voegende partij] B.V. in de huurovereenkomst onder voorwaarden toe te staan. Een van deze voorwaarden was, dat een nieuwe bankgarantie zou worden gesteld door [voegende partij] BV. Na het arrest is een nieuwe bankgarantie gesteld. [verweerder] heeft deze echter niet geaccordeerd en niet meegewerkt aan retournering van de oude bankgarantie, omdat deze volgens hem afwijkt van de oude bankgarantie. [Vof] heeft hierop een kort geding gestart en gevorderd dat [verweerder] deze oude bankgarantie zou retourneren. De kantonrechter overwoog echter dat geen spoedeisend belang daartoe was gebleken en dat deze vordering ook op inhoudelijke gronden niet kon worden toegewezen. [Vof] is in hoger beroep gekomen. In dit incident heeft [voegende partij] B.V. verzocht zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] . [verweerder] verzet zich tegen de voeging, terwijl [Vof] de voeging ondersteunt.2. Het procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 21 oktober 2025 (met daarin opgenomen de grieven), waarmee [Vof] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, houdende een incidentele conclusie tot voeging door [voegende partij] B.V. ex artikel 218 jo. 353 Rv;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [verweerder] ;\n\nde conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [Vof] .3. De vordering in incident3.1. \n [voegende partij] B.V. vordert in dit incident - zakelijk weergegeven - zich te mogen voegen aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] (de hoofdzaak), op de voet van artikel 217 jo. 353 Rv.3.2. \n [verweerder] concludeert tot afwijzing van de gevraagde voeging, met veroordeling van [voegende partij] B.V. in de kosten van het incident.4. De beoordeling van de vordering in incident4.1. Een partij die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangige procedure kan vragen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat de partij die voeging vraagt nadelige gevolgen kan ondervinden van een ongunstige uitkomst van de procedure voor de partij aan de kant van wie zij zich wil voegen. Met nadelige gevolgen worden in dit verband bedoeld de feitelijke of juridische gevolgen die (1) de toe- of afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of (2) het gezag van gewijsde van de eindbeslissingen in die procedure zullen kunnen hebben voor degene die de voeging vraagt. De mogelijke precedentwerking van die uitspraak vormt dus op zichzelf niet een voldoende belang. Hetzelfde geldt in het geval van sterk op elkaar lijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.4.2. De vordering tot voeging kan bovendien worden afgewezen als toewijzing daarvan in strijd is met de eisen van een goede procesorde.4.3. Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren. Uit het karakter van voeging vloeit echter voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt. De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Zij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt. De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.4.4. \n [voegende partij] B.V. heeft over het belang om zich te voegen aangevoerd dat zij zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst van de hoofdzaak. De vordering van appellanten strekt immers tot vrijgave van de oude bankgarantie en deze gelden zouden bij vrijgave rechtstreeks in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeien en direct bestemd zijn voor haar bedrijfsvoering. Ook voert [voegende partij] B.V. aan dat zij de liquiditeit nodig heeft om inkopen voor tijdens de feestdagen te voorfinancieren. [Vof] geeft aan dat het verzoek met haar instemming is gedaan. Volgens [Vof] is het evident dat [voegende partij] B.V. belang heeft bij voeging en nadelige gevolgen van de uitkomst van de hoofdprocedure kan ondervinden.4.5. \n [verweerder] heeft aangevoerd dat het verzoek tot voeging dient te worden afgewezen wegens strijd met de eisen van de goede procesorde en wegens misbruik van recht. Hij voert aan dat de ratio van de voeging is dat de interveniërende partij een andere partij kan ondersteunen met (nadere) argumenten, maar dat dat in deze zaak nergens voor nodig is, omdat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de drie appellanten in de hoofdzaak, met dezelfde advocaat die appellanten bijstaat. Ook heeft [voegende partij] B.V. geen argumenten aangevoerd die appellanten niet aanvoeren. Volgens [verweerder] leidt de voeging enkel tot vertraging en tot extra kosten. [voegende partij] B.V. verzoekt waarschijnlijk voeging enkel om te trachten het vermeende (spoedeisend) belang van [voegende partij] B.V. een rol te laten spelen, terwijl dat belang niet ter zake doet, maar wel de vraag of [Vof] een dergelijk spoedeisend belang heeft, aldus nog steeds [verweerder] .4.6. Het hof overweegt als volgt. [verweerder] heeft met zijn betoog dat er geen enkele reden is voor de voeging niet concreet betwist dat [voegende partij] B.V. zelf een rechtstreeks en zelfstandig belang heeft bij de uitkomst in de hoofdzaak en dat het geld van de oude bankgarantie bij vrijgave direct in het vermogen van [voegende partij] B.V. vloeit. Hij heeft niet betwist dat dit geld bestemd is voor haar bedrijfsvoering en zij dit geld daarvoor hard nodig heeft. Het feit dat [voegende partij] B.V. wordt vertegenwoordigd door twee van de appellanten en wordt vertegenwoordigd door dezelfde advocaat doet daar niet aan af, en betekent niet dat [voegende partij] B.V. niet een zelfstandige rechtspersoon is die andere argumentatie vanuit haar perspectief kan aanvoeren. Daarnaast geldt dat een voegende partij zelfstandig gronden mag aanvoeren. Het vermoeden van [verweerder] waarom [voegende partij] B.V. mogelijk voeging vordert, is een speculatie van de gronden die [voegende partij] B.V. zou kunnen aanvoeren ter ondersteuning in de hoofdzaak. De vraag of die gronden relevant zijn (bijvoorbeeld voor een spoedeisend belang), moet het hof na verweer in de hoofdzaak beoordelen.4.7. Het hof oordeelt dat een ongunstig resultaat voor [Vof] in de hoofdzaak ook [voegende partij] B.V. benadeelt en dat zij daarmee voldoende belang heeft bij voeging in de hoofdprocedure.4.8. Van strijd met de goede procesorde of van misbruik van recht is geen sprake. Het verzoek tot voeging is direct bij dagvaarding in hoger beroep gedaan. [verweerder] heeft niet onderbouwd gesteld dat er sprake is van een onredelijke vertraging of dat er met het verzoek tot voeging sprake is van misbruik van recht.4.9. De conclusie is dat de vordering tot voeging van [voegende partij] B.V. zal worden toegewezen. Het hof zal [verweerder] veroordelen tot betaling van de proceskosten. Deze begroot het hof aan de zijde van [Vof] op € 607,- (0,5 punt tarief II). Het hof merkt op dat aan de zijde van [voegende partij] B.V. geen extra kosten zijn gemaakt voor het incident, naast de kosten voor de memorie van grieven waarover het hof in de hoofdzaak zal oordelen.5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin het incident\n\nlaat [voegende partij] B.V. toe als gevoegde partij aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] ;\n\nbeveelt [Vof] en [verweerder] om [voegende partij] B.V. te voorzien van hun processtukken bij de kantonrechter en in het hoger beroep tot op heden;\n\nveroordeelt [verweerder] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [Vof] begroot op € 607,-;in de hoofdzaak\n\nverwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van [verweerder] ;\n\nhoudt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij, mr. G. Dulek-Schermers en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Arrest van 18 februari 2025, zaaknummer 200.322.530\u002F01, ECLI:NL:GHDHA:2025:193","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2926","2026-03-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.408Z",{"id":141,"ecli":142,"slug":143,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":144,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":60,"updatedAt":147},"1545","ECLI:NL:HR:1915:104","ecli-nl-hr-1915-104","Uitgetypte tekst van het originele HR-arrest in de civiele zaak met uitspraakdatum 28 mei 1915 en HR-zaaknummer 4397.\n\nOpenbare terechtzitting van Vrijdag 28 Mei 1915.\n\nDe zitting is geopend te elf uur.\n\nDe deurwaarder roept de volgende zaak op:\n\nDe Hooge Raad der Nederlanden in de zaak (nº 4397) van:\n\n [eischeresse], van tafel en bed gescheiden echtgenoote van [echtgenoot], wonende te [woonplaats], eischeresse tot cassatie van een arrest den 5den Juni 1914 door het Gerechtshof te Amsterdam tusschen partijen gewezen, kosteloos procedeerende krachtens beschikking van den Hoogen Raad van 30 October 1914, vertegenwoordigd door Mr. G.A. van Haeften, advocaat bij den Hoogen Raad.\n\nTegen:\n\nde Handelsvennootschap onder de firma [verweerster], gevestigd en kantoor houdende te [vestigingsplaats], verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.A. de Ranitz, mede advocaat bij dien Raad.\n\nGehoord den Procureur-Generaal in zijne ter terechtzitting van heden herhaalde conclusie tot verwerping van het beroep met veroordeeling van de eischeres in de kosten;\n\nGezien de stukken;\n\nOverwegende, dat uit het bestreden arrest en uit het daarbij vernietigde vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 November 1913, waarheen dit arrest voor wat de feiten betreft verwijst, blijkt:\n\ndat de President van voormelden Rechtbank bij beschikking van 14 Augustus 1912 aan de tegenwoordige eischeresse verlof heeft verleend om tegen haren echtgenoot [echtgenoot] in te stellen eene vordering tot echtscheiding, subsidiair tot scheiding van tafel en bed, en daarbij tevens heeft bepaald, dat die echtgenoot haar van dien 14en Augustus af voorloopig voor levensonderhoud een bedrag van tien gulden per week zou uitkeeren;\n\nOverwegende, dat de eischeresse uit kracht dier beschikking op 21 September 1912 onder handen van de tegenwoordige verweerster, tot een toen haar verschuldigd bedrag van vijftig gulden voor vijf wekelijksche termijnen, executoriaal beslag heeft doen leggen op al hetgeen de verweerster aan [echtgenoot] zou zijn of worden verschuldigd, of van [echtgenoot] mocht onder zich hebben of krijgen, en nadat de termijn was verloopen waarbinnen de geexecuteerde tegen dat beslag in verzet kon komen zonder dat zoodanig verzet was gedaan, van die verweerster heeft gevorderd verklaring van hetgeen zij aan [echtgenoot] verschuldigd is of van hem onder zich heeft;\n\ndat de partij [verweerster] deze verklaring op 19 December 1912 heeft afgelegd, doch de eischeresse deze als ondeugdelijk heeft bestreden, en heeft gevorderd, dat mocht geen verstek tegen de derde beslagene worden verleend, hare verklaring zou worden verbeterd, en zij bovendien ingevolge artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen zoude worden veroordeeld;\n\ndat de geexecuteerde [echtgenoot] den 31sten Maart 1913 is verklaard in staat van faillissement, en de partij [verweerster] heeft betoogd, dat op grond daarvan het beslag was vervallen, waartegen de eischeresse onder meer heeft aangevoerd, dat, al ware het beslag vervallen door de faillietverklaring, daarmede niet vervallen is de vordering tot het doen van verklaring, zoodat nu die verklaring is onjuist, de derde gearresteerde niettegenstaande die faillietverklaring tot vergoeding van kosten, schaden en interessen moet worden veroordeeld;\n\nOverwegende, dat de Rechtbank bij haar bovenvermeld vonnis, na te hebben overwogen, dat het beslag was vervallen door [echtgenoot]'s faillissement, en dat dientengevolge verbetering der afgelegde verklaring onnoodig was, die verklaring ondeugdelijk heeft verklaard, en, van oordeel, dat tengevolge van de onjuistheid der verklaring aan de eischeresse eene schade van vijftig gulden was berokkend, de partij [verweerster] tot betaling van dit bedrag heeft veroordeeld;\n\nOverwegende, dat op het tegen dit vonnis ingesteld hooger beroep, het Hof, na vooraf ambtshalve te hebben overwogen en bevestigend te hebben beantwoord de vraag, of het vonnis vatbaar was voor hooger beroep, omtrent de zaak zelve heeft overwogen:\n\ndat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet het executoriaal beslag onder de partij [verweerster] gelegd, door de later gevolgde faillietverklaring van den schuldenaar [echtgenoot] was vervallen;\n\ndat derhalve de vervolging van dit beslag door middel van eene vordering tot het doen van verklaring tegen de [verweerster] als derde gearresteerden niet meer mogelijk was;\n\ndat dus de rechter de deugdelijkheid der afgelegde verklaring niet meer kon onderzoeken, noch op grond van bevonden ondeugdelijkheid eene veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen kon uitspreken;\n\nen op die gronden het vonnis waartegen beroep heeft vernietigd en aan de tegenwoordige eischeresse hare vorderingen heeft ontzegd;\n\nOverwegende, dat tegen 's Hofs beslissing worden aangevoerd de volgende middelen van cassatie:\n\nI Schending of verkeerde toepassing van artikel 54, 69 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, 1, 5, 134, 332, 475, 479, 741, 750 en 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordien het Hof, vooropstellende dat de volstrekte bevoegdheid des rechters wordt bepaald door het bedrag, dat bij dagvaarding wordt gevorderd, van oordeel is, dat deze regel eene uitzondering toelaat in de verklaringsprocedure, in dien zin dat de volstrekte bevoegdheid aldaar moet worden beoordeeld niet slechts naar het bij dagvaarding gevorderde bedrag, doch ook naar datgene wat bij repliek daarenboven gevorderd wordt ingeval van betwisting der afgelegde verklaring, - welke onjuiste overweging het Hof ertoe heeft geleid de onderhavige vordering te beschouwen als te zijn van een onbepaald bedrag, en te oordeelen, dat tegen het te dezer zake gewezen vonnis hooger beroep zoude zijn toegelaten;\n\nII Schending of verkeerde toepassing van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met artikel 33 der Faillissementswet, en de artikelen 479, 741, 751, 752 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en 1401 en 1402 van het Burgerlijk Wetboek, door aan te nemen, dat, nu het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft, dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op eenig deel van het vermogen van den schuldenaar voor het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, ook de verklaringsprocedure tegen den derde- gearresteerde in haar geheel een einde heeft genomen tengevolge van het faillissement van den hoofddebiteur, ook dus ten aanzien van eene vordering tot schadeloosstelling ingevolge de bepaling van de tweede alinea van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen den derde gearresteerde ingesteld, daarbij uit het oog verliezende dat laatstbedoelde vordering niet strekt om te geraken tot executie van eenig bestanddeel van het vermogen van den gefailleerde, doch gericht is op het vermogen van den derde-gearresteerde, geheel onafhankelijk van diens schuld aan den hoofddebiteur, waarop het derden-arrest rust;\n\nOverwegende ten aanzien van het eerste middel:\n\ndat artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, dat indien de juistheid der verklaring van den derden beslagene door den arrestant wordt betwist, deze laatste van dien derden gearresteerde, behalve verbetering der verklaring, kan vorderen vergoeding van kosten, schaden en interessen hem door de ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring berokkend;\n\ndat door die bepaling den arrestant de bevoegdheid wordt gegeven, om zijnen eisch tegen den derden gearresteerde, aanvankelijk tot het vorderen der in artikel 741 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omschreven verklaring beperkt, met eene vordering tot schadevergoeding te vermeerderen, in welk geval de rechter over die vermeerderde vordering zal hebben te oordeelen;\n\nOverwegende, dat de vordering tot het afleggen van verklaring geen hoogere waarde heeft, dan het daarbij uitgedrukt bedrag der vordering des beslagleggers ten laste van zijn schuldenaar, daar de vordering tot het doen van verklaring geene andere strekking heeft dan om tot verhaal van dat bedrag te geraken;\n\nOverwegende, dat dan ook volgens de artikelen 741 en 746 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de derde beslagene, bij gebreke van het doen van verklaring, wordt veroordeeld tot\n\nvoldoening van het bedrag der vordering waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, en volgens artikel 751 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de door deze derden beslagene verschuldigde of onder hem berustende gelden den arrestant slechts tot aan het bedrag zijner vordering worden uitbetaald;\n\nOverwegende, dat derhalve, daar de vordering der eischeresse, waarvoor zij beslag onder de [verweerster] had gelegd, slechts fl. 50 .- bedroeg, het vonnis op de vordering tot het doen van verklaring gewezen, op zich zelf niet voor hooger beroep zou zijn vatbaar geweest, doch dat, nu bovendien werd gevorderd de vergoeding in het tweede lid van artikel 750 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemd, de vordering waarover de Rechtbank had te oordeelen was eene vordering van onbepaalde waarde en dus hare uitspraak over die vordering aan hooger beroep onderworpen;\n\ndat mitsdien het eerste middel van cassatie is ongegrond;\n\nVoor wat betreft het tweede middel:\n\nOverwegende, dat de strekking der vordering tot het doen van verklaring, door de eischeresse tegen de [verweerster] ingesteld, was om op hetgeen deze van [echtgenoot] onder zich hadden of aan [echtgenoot] verschuldigd waren, te verhalen hetgeen zij eischeresse van [echtgenoot] had te vorderen krachtens het bevelschrift van den President der Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 Augustus 1912, waarbij [echtgenoot] was veroordeeld haar met ingang van dien dag voor levensonderhoud te verstrekken een bedrag van f 10 .- per week, en dat het instellen der vordering tegen de partij [verweerster] mitsdien was eene daad van ten uitvoerlegging van voormeld bevelschrift;\n\nOverwegende, dat ingevolge artikel 33 der Faillissementswet die daad van ten uitvoerlegging noodzakelijk een einde nam, toen [echtgenoot] op 31 Maart 1913 werd verklaard in staat van faillissement, zoodat de Rechtbank de deugdelijkheid of ondeugdelijkheid der afgelegde verklaring niet verder kon onderzoeken, noch haar oordeel kon uitspreken over den eisch tot schadevergoeding gevorderd voor het geval dat de Rechtbank die verklaring ondeugdelijk zou oordeelen;\n\ndat mitsdien ook het tweede middel is onaannemelijk;\n\nVerwerpt het beroep;\n\nVeroordeelt de eischeresse in de kosten op het beroep in cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van verweerster begroot op twee gulden vijf en vijftig cent aan verschot en op negentig gulden aan salaris.\n\nGedaan bij de Heeren Mrs. Nypels, waarnemend President, Krabbe, Loder, Bosch en Nelissen, Raden, en door den waarnemend president voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den acht en twintigsten Mei 1900 vijftien, in bijzijn van Mr. Noyon, Procureur-Generaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:HR:1915:104","2018-07-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:26.362Z",20]