[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-energy-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":77,"limit":78},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},38,"energy-law-nl","Energy Law","NL","2026-07-08T16:53:25.981Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,55,63,70],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316","","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.426Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","2026-07-13T00:29:11.197Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","2026-07-13T00:29:11.301Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":31,"updatedAt":54},"1217","ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","ecli-nl-rbdha-2026-17345","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 25\u002F4253\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. A.M.C. Marius - van Eeghen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag\n\n(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: [derde-partij 1] B.V.en[derde-partij 2] B.V., beiden gevestigd te [plaats] (belanghebbenden),\n\n(gemachtigde: mr. J.C.W. van Eekeren)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n2. Eisers wonen in een appartementencomplex, op het adres [adres 1] . Zij hebben op 14 juli 2020 een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro. Zij stellen schade te ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun woning door wijziging van het planologisch regime. Het planologisch regime is gewijzigd door het besluit van 23 april 2023 waarin het college in afwijking van de beheersverordening Vlietzone een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van een windturbine op het terrein [adres 2] (de omgevingsvergunning). Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 december 2015is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden. De windturbine waarvoor de omgevingsvergunning is verleend staat op circa 600 meter afstand van de zuidoostgevel van het gebouw waarvan de woning van eisers deel uitmaakt.\n\n2.1.. Het college heeft Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) opdracht gegeven om een advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag van eisers.\n\n2.2.. Voorafgaand aan het door SAOZ uitbrengen van een concept-advies hebben belanghebbenden Langhout & Wiarda (Langhout) gevraagd een deskundigenadvies te geven over de aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Langhout heeft dat advies in de brief van 8 juni 2021 gegeven. Langhout adviseert daarin de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade af te wijzen.\n\n2.3.. SAOZ heeft op 2 maart 2022 een conceptadvies uitgebracht. In dat conceptadvies heeft SAOZ geadviseerd geen tegemoetkoming in planschade toe te kennen. SAOZ komt tot de conclusie dat de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning ten aanzien van eisers heeft geleid tot een planologisch nadeliger positie. Er is slechts sprake van een zeer beperkte invloed op het uitzicht en de omgevingskarakteristiek. Daaruit is in beginsel voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering van de woning voortgevloeid. De waardevermindering van de woning is getaxeerd op € 3.000,-. Daarvan moet het normaal maatschappelijk risico worden afgetrokken. Dat is in dit geval een aftrek van 4% en dus een bedrag van € 7.600,-. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het bedrag van € 3.000,-, wat leidt tot een tegemoetkoming van nihil.\n\n2.4.. Eisers en belanghebbenden hebben op het conceptadvies van SAOZ gereageerd.\n\n2.5.. Belanghebbenden hebben in de bezwaarfase een nader deskundigenadvies van Langhout van 31 maart 2022 ingebracht. Daarin sluit Langhout zich aan bij de conclusie van SAOZ dat de tegemoetkoming in planschade nihil is.\n\n2.6.. Op 28 mei 2022 heeft SAOZ een definitief planschadeadvies uitgebracht, waarin zij haar advies handhaaft.\n\n2.7.. Het college heeft in het besluit van 29 september 2022 het advies van SAOZ overgenomen en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. In het bestreden besluit is dit besluit gehandhaafd.\n\n2.8.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.9.. Eisers hebben e-mails van 20 augustus 2025 en van 19 december 2025 ingediend met opmerkingen van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers.\n\n2.10.. Belanghebbenden hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.11.. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, namens het college mr. M.W. van Amerongen, bijgestaan door mr. D.S. Krijgsman, en namens belanghebbenden hun gemachtigde en [naam] .\n\n2.12.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen inzicht te geven in de gemaakte berekening van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers op 30 meter hoogte en een nieuwe berekening te overleggen van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementencomplex van eisers, uitgaande van de beoordelingshoogtes van 22 en 24 meter. Daarbij dient het college aan te geven met welk akoestisch model deze berekeningen zijn gemaakt (hetzelfde model dat Pondera heeft gebruikt of een ander model) en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gebruikt.\n\n2.13.. Met de e-mail van 12 februari 2026 hebben belanghebbenden een notitie van Haskoning van 2 februari 2026 ingediend.\n\n2.14.. In de e-mail van 13 februari 2026 heeft het college een reactie ingediend.\n\n2.15.. In de brief van 26 februari 2026 hebben eisers gereageerd op de reacties van het college en belanghebbenden.\n\n2.16.. Nadat geen van de partijen desgevraagd hebben verklaard gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOvergangsrecht\n\n3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.\n\nHet juridisch kader\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade moet worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen als realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden.\n\n4.1.. Daarbij geldt dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n4.2.. SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Het college mag dan ook in beginsel uitgaan van het door SAOZ uitgebrachte advies als dat advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de in dat advies gevolgde redenering begrijpelijk is en de conclusies daarop aansluiten. De rechtbank zal dit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.\n\nUitzicht\n\n5. Eisers voeren aan dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat ten aanzien van het uitzicht sprake is van een zeer beperkte invloed van de aanwezigheid van de turbine. Er is sprake van aanzienlijke visuele hinder. De zichtbaarheid van de windturbine vanaf het balkon is een storende factor, zeker tijdens een gesprek.\n\n5.1.. SAOZ heeft geconstateerd – en eisers hebben dit niet betwist – dat vanuit hun woonkamer nauwelijks zicht is op de windturbine. Aan de orde is dan ook slechts het zicht op de windturbine vanaf het balkon van de woning van eisers. Dat het uitzicht vanaf het balkon door de aanwezigheid van de windturbine wordt beperkt, wordt door SAOZ onderkend. SAOZ heeft in haar advies wel vermeld dat het zicht op de windturbine vanaf het balkon slechts vanuit een heel schuine kijkhoek wordt beperkt en ook dat er een ruime afstand is tussen de woning van eisers en de windturbine. SAOZ – en in navolging daarvan het college – heeft dit planologisch nadeel dan ook als zeer beperkt aangemerkt en geconcludeerd dat het uitzicht niet zozeer in kwantitatieve maar voornamelijk in kwalitatieve zin is beperkt.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de schadefactor uitzicht sprake is van een planologisch nadeel. Enkel is in geschil hoe zwaar dit planologisch nadeel moet worden aangemerkt, waarbij SAOZ – en in navolging daarvan het college – dit nadeel als veel minder zwaar aanmerkt dan eisers.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank mag het college afgaan op het advies van SAOZ. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat het nadeel als veel zwaarder moet worden aangemerkt niet een tegenonderzoek van een deskundige overgelegd. Er is dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van SAOZ op dit punt. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nGeluidhinder\n\n6. Voorafgaand aan het uitbrengen van het concept-advies van SAOZ heeft Langhout op verzoek van belanghebbenden in haar advies het volgende vermeld. Pondera heeft in haar geluidsonderzoek wel de woning Park Vronesteyn 28 betrokken maar niet de woning van eisers. Gelet op de gemeten geluidsbelasting bij die woning moet voor juist worden gehouden, dat vanwege de hogere ligging van het appartement van eisers de geluidsbelasting vergelijkbaar is aan die van Park Vronesteyn 28, maar in ieder geval niet van dien aard is dat planologisch nadeel is opgetreden ten opzichte van de voorheen bestaande en maximaal ingevulde planologische omgeving. Tussen de windturbine en de woning van eisers bevindt zich een groot bedrijventerrein, waarbinnen bedrijven tot en met milieucategorie 4 zijn toegestaan, en ook wegen, waaronder de A4 en spoorwegen en een spoorwegemplacement. Uitgaande van een maximale invulling van deze voor het geluid relevante bestemmingen wordt al uitgegaan van een hoge geluidsbelasting ten aanzien van de woning van eisers. Indien de gemeten geluidswaarden worden gecumuleerd, treedt als gevolg daarvan in de dagperiode een toename op van circa 0,6 dB en in de nachtperiode een toename van 1 dB. Deze toenames zijn niet waarneembaar, aangezien eerst bij een verschil van tenminste 5 dB sprake is van een duidelijk waarneembaar verschil en dus sprake is van nadeel. Verder blijkt uit vaste rechtspraak dat piekgeluiden bij windturbines bij de planologische vergelijking buiten beschouwing dienen te blijven. Ten tijde van de opname op 3 juni 2021 na de ochtendspits was de windturbine niet hoorbaar. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid werd volledig bepaald door auto- en treinverkeer, aldus Langhout.\n\n6.1.. SAOZ heeft er in haar advies ten aanzien van geluid op gewezen dat bij verzoeken om tegemoetkoming in planschade rekening moet worden gehouden met de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) op het gebied van geluidhinder. Op grond van artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit dient de geluidhinder van een windturbine te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Klachten van omwonenden over feitelijke geluidoverlast kunnen in dit kader niet in de beoordeling worden meegenomen. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat tussen de woning van eisers en de windturbine een gebied met een bedrijfsbestemming is gelegen die intensieve gebruiksmogelijkheden biedt. Door Pondera is een akoestisch onderzoek gedaan. Dat onderzoek, dat andere huisnummers in het appartementencomplex betreft, is van 21 augustus 2012. In het rapport naar aanleiding van het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij alle toetspunten de geluidnormen niet worden overschreden. SAOZ heeft geconstateerd dat in het onderzoek van Pondera geen aandacht is besteed aan de geluidbelasting op het hoger gelegen appartement van eisers. SAOZ heeft daarom aan de gemeente om een aanvulling op dat onderdeel gevraagd. De gemeente heeft die aanvulling gevraagd aan een deskundige, namelijk de Omgevingsdienst Haaglanden. Op 12 november 2021 heeft SAOZ van de Omgevingsdienst Haaglanden die aanvulling ontvangen. Daaruit blijkt dat de gevraagde locatie in het rekenmodel is ingevoerd, en dat daaruit volgt dat de berekende waarde van Park Vronesteyn 28 op 5 meter hoogte overeenkomt met de berekende waarde bij de woning van eisers op 30 meter hoogte. SAOZ concludeert dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de uit het Activiteitenbesluit voortvloeiende toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein en dat de cumulatieve geluidbelasting met maximaal 2,5 dB in de nachtperiode is toegenomen. Eerst bij toename van 5 dB is sprake van een duidelijk waarneembaar verschil, zodat er in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluidhinder.\n\n6.2.. Eisers zijn het niet eens met hetgeen SAOZ ten aanzien van de geluidhinder opmerkt. Volgens hen moet worden uitgegaan van feitelijk nadeel. De windturbine zorgt voor geluidhinder, vooral in de nacht, omdat er dan geen andere geluiden zijn. Vanwege de geluidhinder van de windturbine moeten eisers in de slaapkamer met gesloten ramen slapen en hebben zij daarom airconditioning aangelegd. De kosten van aanschaf, onderhoud en elektriciteit van de airconditioning zijn onderdeel van de geleden schade. SAOZ heeft daarover niets opgemerkt. Verder vermeldt het SAOZ-advies dat de geluidbelasting door de windturbine bij de huizen op nummer 30 en 24a gelijk is aan die bij de woning van eisers, die zich op de 7e en 8e etage bevindt. Doordat de woning van eisers hoger ligt dan die woningen, wordt het geluid niet verminderd door bouwwerken en bomen en struiken. Er is nooit onderzoek gedaan naar de geluidbelasting ter hoogte van het appartement van eisers. SAOZ had moeten toelichten waarom de rekenresultaten in de tabel van Pondera op pagina 15 van het advies hetzelfde zijn als de resultaten op pagina 16. SAOZ concludeert ten onrechte dat er geen sprake is van een relevante waarneembare toename van geluid. Volgens SAOZ blijkt uit rechtspraak van de Afdeling dat een toename van geluid met maximaal 5 dB aanvaardbaar is, maar die regel moet binnen de context van de in die rechtspraak aan de orde zijnde casus worden gezien, aldus eisers.\n\n6.3.. Eisers hebben een e-mail van 20 augustus 2025 overgelegd van een door hen ingeschakelde deskundige, ir. J.F.C. Kupers (Kupers). Daarin vermeldt Kupers dat bij flats bij een dergelijke geluidmeting een beoordelingspunt van 1,5 meter boven de vloer van de betreffende woning moet worden aangehouden. Verder is onduidelijk of in het rapport van Pondera en in de aanvullende berekening is uitgegaan van de maximale planologische invulling van het bestemmingsplan. Ten slotte constateert de Adviescommissie bezwaarschriften dat de cumulatieve geluidbelasting met 2,5 dB(A) toeneemt. Dat is fysisch bijna een verdubbeling en dat is voor het menselijk oor waarneembaar. Deze toename betreft een jaargemiddelde over alle windrichtingen. Volgens Kupers is de geluidsbelasting bij wind van de windturbine in de richting van de woning doorgaans 5 tot 10 dB(A) hoger dan het jaargemiddelde.\n\n6.4.. Verder hebben eisers een e-mail van 19 december 2025 toegestuurd, waarin Kupers toelicht welke effecten een rol kunnen spelen bij een geluidberekening en dat in rekenmodellen wordt uitgegaan van een gestandaardiseerde overdracht van geluid. Die effecten zijn (1) gebouwen, die op lagere hoogte geluid kunnen afschermen maar op grotere hoogte niet (2) geluidsdemping door vegetatie, (3) windeffecten, (4) temperatuuropbouw in de luchtlagen en (5) bodemreflectie van geluid. In de rekenmodellen wordt rekening gehouden met de effecten (1), (2) en (5). Met de variabele effecten (3) en (4) wordt geen rekening gehouden. Verder merkt Kupers op dat Lden een jaargemiddelde maat is, waarbij met de effecten (1), (2) en (3) rekening wordt gehouden, en waarbij een standaard weerprofiel gehanteerd wordt. Windturbines produceren echter onder meer laagfrequent geluid. De impact daarvan op de geluidbelasting kan bij (3) en (4) groot zijn. Lden-normen zijn daarvoor volgens Kupers niet bruikbaar.\n\n6.5.. Ten aanzien van de e-mails van Kupers overweegt de rechtbank dat daarin alleen algemene opmerkingen worden gemaakt. Kupers heeft niet zelf een tegenonderzoek verricht en een rapport daarvan ingediend, zodat er in beginsel geen aanleiding is om ten aanzien van het geluid het rapport van SAOZ en de na schorsing van het onderzoek ter zitting ingediende nadere berekening niet te volgen. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de rechtbank een onafhankelijke deskundige onderzoek moet laten verrichten, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. Indien eisers het niet eens zijn met het advies van de SAOZ en het onderzoek van Pondera dat daarin is betrokken, hadden eisers zelf een deskundige onderzoek kunnen laten doen. Dat eisers dat hebben nagelaten is voor hun eigen rekening en risico.\n\n6.6.. Wel is de rechtbank van oordeel dat uit het advies van SAOZ niet blijkt van inzicht in de berekening die is gemaakt ten aanzien van de geluidsbelasting op de gevel van het appartementengebouw op 30 meter hoogte en dat ten onrechte niet is gerekend met de beoordelingshoogtes voor de woon- en slaapkamer van eisers op (afgerond) 22 respectievelijk 24 meter. Ook blijkt daaruit niet met welk akoestisch model de berekeningen zijn gemaakt en welke relevante invoergegevens voor die berekening zijn gemaakt. Gelet daarop kleeft een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient wegens dat motiveringsgebrek te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\n6.7.. \n\nNa schorsing van het onderzoek ter zitting hebben het college en belanghebbenden het akoestisch rapport van Pondera van 1 december 2015 en een notitie met een nadere geluidberekening van Haskoning ingediend. In die laatste notitie is het volgende geconcludeerd:\n\n“De geluidbelasting ter plaatse van het flatgebouw waar [adres 1] zich bevindt is berekend op meerder[e] beoordelingshoogtes, waaronder +22, +24 en +30 m t.o.v. het maaiveld. De geluidbelasting bedraagt maximaal 34 dB Lnight en 41 dB Lden. Dat is minstens 6 dB lager dan de normstelling die geldt voor de windturbine op het terrein van CEVA\u002FProDelta van 41 dB Lnight en 47 dB Lden.\n\nHet verschil tussen de geluidbelasting op +5 meter en +30 meter bedraagt 0,35 dB. Een verschil van minder dan 1 dB is niet of nauwelijks hoorbaar. Door de afronding is er echter wel een verschil in de berekende waarde in hele dB’s. Dit verschil wordt niet toegeschreven aan minder afscherming door begroeiing of bebouwing, deze is immers vanuit worst-case uitgangspunten niet opgenomen in het oorspronkelijke rekenmodel, maar aan een kortere afstand tussen bron en ontvanger. De kortere afstand tussen bron en ontvanger (een toetspunt op 22 m hoogte is dichterbij de bron op 94 m hoogte dan een toetspunt op 5 m hoogte) zorgt ervoor dat het geluid een kortere afstand hoeft te overbruggen en leidt daarmee tot een beperkt hogere geluidbelasting.”\n\n6.8.. De omgevingsdienst voegt hieraan in opdracht van het college toe dat uit de invoergegevens van het rekenmodel blijkt dat in een worst-case scenario bij een maximale waarde van een windturbine de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. De conclusie in het rapport van SAOZ dat in planologisch opzicht geen sprake is van een relevante waarneembare toename van de geluidhinder wordt daarmee volgens het college bevestigd.\n\n6.9.. Eisers voeren in reactie op deze geluidsberekeningen aan dat nog niet duidelijk is in hoeverre is voldaan aan de vraagpunten in het proces-verbaal van schorsing. Volgens eisers heeft Haskoning ten onrechte geen rekening gehouden met wat door Kupers is opgemerkt over de maximale planologische invulling, de windrichting, afscherming van geluid bij laagbouw en vegetatie en bouwwerken tot 15 meter hoog, windeffecten, temperatuuropbouw, luchtlagen, bodemreflectie en dergelijke. Ook is geen aandacht besteed aan de feitelijke hinder die eisers ondervinden van het laagfrequente pulsgeluid van de bladen van de windturbine. Met de bestaande normen voor het pulsgeluid is geen rekening gehouden. Lden waarden, zoals in dit rekenmodel zijn gebruikt en zijn gepresenteerd in het SAOZ-advies, zijn niet bruikbaar.\n\n6.10.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de indiening van de aanvullende berekeningen het motiveringsgebrek in het bestreden besluit voor wat betreft het aspect geluid hersteld. In reactie op wat eisers over de aanvullende berekeningen naar voren heeft gebracht, overweegt de rechtbank als volgt.\n\n6.11.. Zoals onder het juridisch kader al is overwogen, is in het kader van een planschadeverzoek niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daarvan heeft plaatsgevonden. Het betoog van eisers dat het gaat om de feitelijke toename van de geluidhinder kan dan ook niet slagen.\n\n6.12.. Verder overweegt de rechtbank dat het college op grond van vaste rechtspraak bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark mag aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde geluidnormen.Het betoog van eisers biedt geen grond om daarover in het kader van een verzoek om een tegemoetkoming in planschade anders te oordelen. SAOZ sluit dan ook terecht aan bij die normen. Daarnaast gelden voor de zogenoemde piekgeluiden van windturbines geen normen, dus die hoefden niet beoordeeld te worden.6.13.. Verder overweegt de rechtbank dat uit de nieuwe berekening blijkt dat de gemeten geluidsbelastingen van 34 dB Lnight en 41 Lden voldoen aan de normen in het Activiteitenbesluit van 41 dB Lnight en 47 dB Lden. Lden is een 24 uurs norm die ook jaargemiddeld geldt. In de rechtspraak is geaccepteerd dat bij geluidoverlast in relatie tot planschade wordt uitgegaan van gemiddelden.Voor zover eisers betogen dat Lden-waarden niet bruikbaar zijn omdat niet moet worden uitgegaan van een jaargemiddelde, slaagt dat betoog dan ook niet. Omdat uitgegaan mag worden van een jaargemiddelde geluidsbelasting, hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de berekening geen rekening te worden gehouden met specifieke windeffecten of de temperatuuropbouw in de luchtlagen. Met de afschermende werking van gebouwen, de geluidsdemping door vegetatie en de bodemreflectie wordt, zoals Kupers zelf al opmerkt, in het rekenmodel rekening gehouden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aspecten op een onjuiste manier zijn gemodelleerd.6.14.. Berekend is dat de cumulatieve geluidbelasting nooit met meer dan 2 dB toeneemt. Uit vaste rechtspraak volgt dat eerst een toename van 5 dB goed waarneembaar is en dat in dat geval pas sprake is van relevant planologisch nadeel.Dit geldt in het algemeen en is niet per casus verschillend. In dit geval is de toename nooit meer dan 2 dB, en dus ruimschoots minder dan 5 dB. Er is dan ook terecht geconcludeerd dat ten aanzien van het aspect geluid geen sprake is van relevant planologisch nadeel. De stelling dat de gemeten toename ook al waarneembaar is, ook al is het geen toename van 5 dB, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Daarbij betrekt de rechtbank dat het gaat om de toename van de cumulatieve geluidsbelasting ten opzichte van de maximale planologische mogelijkheden, niet ten opzichte van de feitelijke situatie vóór plaatsing van de windturbine.\n\n6.15.. Ten aanzien van het repeterend geluid van de wieken overweegt de rechtbank dat de omgevingsdienst in opdracht van het college inzicht heeft gegeven in de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting. Die berekening is uitgevoerd conform de methode beschreven in hoofdstuk 4 van het Reken- en meetvoorschrift windturbines.Die methode berekent de gecumuleerde geluidsbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidsbronnen, waarbij voor het geluid van windturbines geldt dat dit geluid, bij gelijke geluidbelasting, hinderlijker is dan industrie- en wegverkeersgeluid. Om de grotere hinderlijkheid van windturbinegeluid uit te drukken, is berekend welke geluidbelasting vanwege industrie en wegverkeer evenveel hinder veroorzaakt als de geluidbelasting vanwege de windturbine. Om de totale geluidhinder in de situatie na de planologische wijziging te bepalen is dus de berekende geluidbelasting van de windturbine verhoogd. Uit het voorgaande volgt dat in de berekende geluidbelasting ter plaatse van de woning van eisers tevens het specifieke karakter en de mate van hinderlijkheid van het geluid van windturbines is verdisconteerd.Het betoog van eisers ten aanzien van het pulsgeluid van de windturbine slaagt dan ook niet.\n\n6.16.. Voor zover eisers stellen dat onduidelijk is of in het onderzoek rekening is gehouden met de maximale planologische invulling, slaagt dat betoog niet. Op p. 30 van het advies van SAOZ is overwogen dat de geluidbelasting van de windturbine gedurende de dag-, avond- en nachtperiode beduidend lager is dan de in het Activiteitenbesluit toegestane geluidbelasting van het tussengelegen bedrijventerrein. Daaruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met de maximale planologische invulling van de omgeving.\n\n6.17.. De rechtbank concludeert, gelet op het bovenstaande, dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het geluid van de windturbine niet leidt tot relevant planologisch nadeel. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit is hersteld met de nadere berekeningen die door het college en belanghebbende zijn overgelegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de kosten van de door eisers aangelegde airconditioning moeten worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van het nadeel.\n\nGezondheid\n\n7. Eisers voeren aan dat de Adviescommissie bezwaarschriften ten onrechte de gezondheidsaspecten in het midden laat omdat die niet zijn komen vast te staan voor eisers. Dat windturbines nadelig zijn voor de gezondheid van mensen staat inmiddels wel vast. Hierover zijn veel onderzoeken bekend, onder meer van het RIVM en de Gezondheidsraad. Aan die onderzoeken mag volgens eisers niet voorbij gegaan worden.\n\n7.1.. De rechtbank overweegt dat in vaste rechtspraak van de Afdeling is overwogen dat alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime van belang zijn.Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.\n\n7.2.. Eisers hebben de door hen gestelde nadelige invloed van windturbines op hun gezondheid niet aangetoond door het overleggen van onderzoeken door deskundigen waaruit dit blijkt. De enkele stelling dat er onderzoeken zijn waaruit dit blijkt is niet voldoende. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nTaxatie\n\n8. Eisers voeren aan dat hun appartement voor de mutatie in goede staat verkeerde en dat de taxatie op een waarde van € 190.000,- op de peildatum dan ook te laag is. Ook ligt het balkon op de 8e etage en is het onjuist om maisonnettes als één etage aan te merken. Volgens de NVM neemt de waarde van een appartement toe indien het op een hogere etage ligt. Verder achten eisers de drie door taxateur Punt gehanteerde referentie-objecten niet vergelijkbaar. [adres 3] is niet vergelijkbaar, omdat deze een veel eenvoudiger keuken en badkamer heeft. Verder is de waardedaling na mutatie van € 3.000,- niet onderbouwd. Volgens eisers is de waardedaling eerder circa € 25.000,-, wat ertoe leidt dat wel een tegemoetkoming in planschade moet worden toegekend.\n\n8.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat, wanneer het betoog ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, de juistheid van het taxatierapport in beginsel slechts met vrucht kan worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden. Onvoldoende is een - niet met een tegenrapport onderbouwd - betoog van de betrokkene of diens gemachtigde dat ziet op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur. De betrokkene zelf, of diens gemachtigde in zijn hoedanigheid van gemachtigde, kunnen immers niet als onafhankelijke taxateur worden aangemerkt.\n\n8.2.. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ziet op aspecten die de specifieke deskundigheid van een taxateur betreffen. Zij hebben die stellingen niet onderbouwd met een tegenrapport van een onafhankelijke taxateur. Gelet daarop is er geen aanleiding om te twijfelen aan het rapport van de taxateur. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het bestreden besluit berust ten aanzien van het aspect geluid niet op een draagkrachtige motivering. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien het college met de aanvullende reactie het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Dat betekent dat eisers geen tegemoetkoming in planschade krijgen.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Toegekend wordt een bedrag van € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na schorsing van het onderzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3693\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690.\n\n Zie de in voetnoot 2 vermelde overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3713.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:423.\n\n Bijlage 4 bij de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.\n\n Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:437.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025.\n\n Zie de overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17345","2026-07-13T00:29:10.542Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"956","ECLI:NL:CBB:2026:305","ecli-nl-cbb-2026-305","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F238\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Een van de voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van de investeringssubsidie voor een warmtepomp is dat de installatie moet worden gedaan door een bouwinstallatiebedrijf.Niet in geschil is dat [naam 2] geen bouwinstallatiebedrijf is als bedoeld in de subsidieregeling. [naam 1] heeft een bon van € 85,- overgelegd van [naam 3] – wel een bouwinstallatiebedrijf – voor controle van de installatie, maar dat wil niet zeggen dat de installatie is gedaan door [naam 3] . Het achteraf controleren van de installatie van de warmtepompen omvat namelijk niet de hele installatie. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf. De minister was daarom bevoegd om de subsidie vast te stellen op nihil.\n\n2 De minister mocht ook van die bevoegdheid gebruik maken. De vaststelling op nihil is een geschikt en noodzakelijk middel om een ten onrechte verleende subsidie terug te krijgen. [naam 1] heeft aangevoerd dat na de controle is gebleken dat de warmtepompen veilig zijn geïnstalleerd, maar dat leidt niet tot een andere conclusie. De voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is gesteld zodat uitsluitend deskundige en vakbekwame bedrijven de installatie uitvoeren. Op die manier wordt ook beoogd dat de warmtepompen al vanaf het moment van de installatie veilig zijn. Dat [naam 1] nadeel heeft van de vaststelling op nihil maakt het besluit niet onevenwichtig.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:305","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.513Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":69},"957","ECLI:NL:CBB:2026:306","ecli-nl-cbb-2026-306","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F607\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Het College ziet geen aanleiding om aan de eerste verstrekte informatie bij de subsidieaanvraag van 31 december 2024 te twijfelen. Bij die aanvraag heeft [naam] als aankoopdatum van de warmtepomp 20 december 2024 vermeld en een factuur aangeleverd met de datum 20 december 2024. Aan de daarna ingediende factuur uit 2025 kan niet de door [naam] gewenste waarde worden gehecht. Omdat de aankoop van de warmtepomp aan de aanvraag voorafging, is niet voldaan aan een van de voorwaarden voor de subsidie.De minister was daarom gehouden de subsidieaanvraag af te wijzen.\n\n2 Het gaat hier om het vereiste van het stimulerend effect, waaraan alleen is voldaan als de subsidieaanvraag voorafgaat aan de aankoop van de warmtepomp. Het Europese staatssteunkader biedt geen ruimte om hiervan af te wijken. Dit staatssteunkader kan namelijk niet opzij worden gezet door het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.\n\n Zie de uitspraak van het College van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:553, onder 6.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:306","2026-07-13T00:28:56.543Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":76},"958","ECLI:NL:CBB:2026:307","ecli-nl-cbb-2026-307","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F402\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1], te [vestigingsplaats] (onderneming), waarvoor is verschenen [naam 2]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. De onderneming heeft bij de subsidieaanvraag onjuiste informatie verstrekt. De aankoop van de warmtepomp ging namelijk vooraf aan de aanvraag. Als de onderneming wel de juiste informatie had verstrekt, dan had de minister geen subsidie verleend. De minister was daarom bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen.\n\n2 De onderneming heeft naar voren gebracht dat de minister geen gebruik mocht maken van die bevoegdheid, maar dat gaat hier niet op. Er bestaat geen recht op subsidie als niet is voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect.Het gaat hier om een dwingende bepaling van het Europese staatssteunkader. Als de onderneming anders had gehandeld en de aankoop van de warmtepomp na de subsidieaanvraag had gedaan, had zij wel aanspraak op de subsidie kunnen maken. Er is geen sprake van een onevenwichtig besluit.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:307","2026-07-13T00:28:56.572Z",1,20]