[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-housing-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},39,"housing-law-nl","Housing Law","NL","2026-07-08T16:53:25.992Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-07-17T00:00:00.000Z","2026-03-31T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124387","Burgerlijk Wetboek","art. 7:268 lid 3",1,[27,38,47,55],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1848","ECLI:NL:GHDHA:2026:468","ecli-nl-ghdha-2026-468","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.357.918\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 11447058 \\ CV EXPL 24-4000\n\nArrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant 1] ,\n\n2. [appellant 2] ,\n\nbeiden wonende te [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. A.C. Mens, te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n1. WOONSTICHTING STEK,\n\ngevestigd te Hillegom,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon, te Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna [appellant 1] , [appellant 2] of gezamenlijk [appellant 1] c.s. enerzijds en Stek anderzijds.1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst met Stek mag voortzetten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat van het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de inmiddels overleden huurder geen sprake was en heeft [appellant 1] c.s. veroordeeld tot ontruiming van de huurwoning. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en concludeert daarnaast dat [appellant 1] c.s. niet de vereiste huisvestingsvergunning heeft. Anders dan de kantonrechter, verklaart het hof de ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad. Stek kan dus niet ontruimen zolang er nog een rechtsmiddel open staat of is aangewend.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 juli 2025 met grieven en bijlagen, tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Leiden) van 25 juni 2025 (het bestreden vonnis);\n\nde conclusie van antwoord in het incident van 26 augustus 2025;\n\nde e-mail van 8 september 2025 tot intrekking van de vordering in het incident;\n\nde memorie van antwoord van 21 oktober 2025 met bijlagen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Tussen (de rechtsvoorganger van) Stek en de heer [naam] (hierna: [naam] ) is per 1 juli 2003 een huurovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van de woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning).3.2. Uit de basisregistratie blijkt dat [appellant 1] c.s. op het adres van de woning staan ingeschreven.3.3. Op 28 juli 2024 is [naam] overleden. Hij verbleef op dat moment in Marokko.3.4. Op 25 september 2024 heeft de dochter van [naam] (tevens erfgenaam) de huurovereenkomst namens de erfgenamen opgezegd tegen 25 oktober 2024. De huuropzegging is op diezelfde dag bevestigd door Stek. Daarbij heeft Stek aangegeven dat op 26 september 2024 de voorinspectie en op 25 oktober 2024 de eindinspectie zal plaatsvinden.3.5. Op 26 september 2024 bracht Stek een bezoek aan de woning in verband met de (aangekondigde) voorinspectie. De woning is geïnspecteerd op twee afgesloten slaapkamers na. Dat zijn de kamers waarvan [appellant 1] en [appellant 2] gebruik maken. De erven van [naam] hebben aan Stek verklaard [appellant 1] en [appellant 2] niet te kennen.3.6. De gemachtigde van [appellant 1] c.s. heeft in een brief van 8 oktober 2024 aan Stek bericht dat [appellant 1] c.s. de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW voortzetten en niet aan de ontruiming van de woning zullen meewerken. Op 25 oktober 2024 heeft geen eindinspectie en oplevering van de huurwoning plaatsgevonden.4. Procedure bij de rechtbank4.1. \n [appellant 1] c.s. hebben Stek gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bepaalt dat zij de huurovereenkomst met betrekking tot de woning met Stek mogen voortzetten. Stek heeft verweer gevoerd. Verder heeft Stek in reconventie gevorderd dat [appellant 1] c.s. worden veroordeeld tot ontruiming van de woning, uitvoerbaar bij voorraad.4.2. De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juni 2025 de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen en hen in reconventie veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [appellant 1] c.s. zijn in de kosten van het geding veroordeeld.4.3. De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis geschorst totdat in hoger beroep op de op artikel 7:268 lid 2 BW gebaseerde vordering van [appellant 1] c.s. is beslist.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n [appellant 1] c.s. vorderen dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de beslissing op hun conventionele vordering om het huurrecht met betrekking tot de woning voort te zetten aan te houden nadat getuigen zijn gehoord en het hof in deze procedure arrest heeft gewezen. Bij incident hebben zij gevorderd dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning schorst totdat onherroepelijk op hun conventionele vorderingen is beslist. Doordat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring bij vonnis in kort geding van 15 augustus 2025 al is geschorst hebben zij die incidentele vordering weer ingetrokken.5.2. Stek concludeert dat het hof het hoger beroep van [appellant 1] c.s. ongegrond verklaart en het bestreden vonnis bekrachtigt, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten in hoger beroep.6. Beoordeling in hoger beroepOnvoldoende gesteld voor duurzame gemeenschappelijke huishouding6.1. De vordering van appellanten in hoger beroep strekt strikt genomen niet tot toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van [appellant 1] c.s. , maar strekt ertoe dat iedere beslissing wordt aangehouden totdat getuigen zijn gehoord. Feitelijk is de vordering niets anders dan een bewijsaanbod. Zonder handhaving van de in eerste aanleg geformuleerde vordering bestaat daarbij geen belang. Omdat Stek er kennelijk ook vanuit gaat dat de vordering uit eerste aanleg ondanks de tekst van het petitum is gehandhaafd, zal het hof daar ook van uitgaan.6.2. Volgens [appellant 1] c.s. woont [appellant 2] al meer dan 20 jaar en [appellant 1] al bijna 12 jaar met [naam] in de woning. Volgens hen was er sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding omdat zij [naam] hielpen met het huishouden, zij de kosten daarvan deelden en zij [naam] hielpen met zijn gezondheidsklachten. Stek betwist dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.6.3. Het hof overweegt dat een persoon die in de woonruimte hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad op grond van artikel 7:268 lid 2 BW de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder, en ook daarna als de rechter dit heeft bepaald op een vordering van die persoon, ingediend binnen de termijn van zes maanden en in elk geval zolang op deze vordering niet onherroepelijk is beslist. Die persoon moet aan de volgende voorwaarden voldoen om de huur te mogen voortzetten: a) hij moet zijn hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd; b) hij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke Huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet hij in de procedure een huisvestingsvergunning over (kunnen) leggen. De rechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan (een van) deze drie voorwaarden is voldaan (artikel 7:268 lid 3 BW).6.4. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant 1] c.s. samen met [naam] in de woning woonden en daar hun hoofdverblijf hadden. Dat betekent dat in de eerste plaats moet worden beoordeeld of zij met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden. Bij die beoordeling moeten volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, waarbij mede van belang kan zijn of de overleden huurder en degene die aanspraak maakt op voortzetting van de huur gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van de huisvesting of de kosten van levensonderhoud, alsmede of die andere persoon de verzorging van de huurder duurzaam op zich heeft genomen.Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht.Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, dan moet de samenwoner voldoende concrete feiten over de gestelde gemeenschappelijke huishouding aanvoeren om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van een gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat wel sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.6.5. Doordat [appellant 1] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij een gemeenschappelijke huishouding hadden met [naam] , rust op hen dus een verzwaarde stelplicht. Met hun eerste grief stellen [appellant 1] c.s. dat zij daar aan de hand van bankafschriften en drie verklaringen van getuigen aan hebben voldaan en dat zij verder alleen door middel van getuigenbewijs de gemeenschappelijke huishouding kunnen bewijzen. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] c.s. niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan en licht dat toe als volgt.6.6. Uit de door [appellant 1] c.s. overgelegde bankafschriften blijkt dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag overmaakten. Volgens hen was dat voor de huur en energielasten en hebben zij alle overige kosten voor de huishouding voldaan. Uit de bankafschriften blijkt echter niet dat zij gezamenlijk hebben voorzien in de kosten van levensonderhoud en huisvesting. In eerste aanleg heeft Stek dat reeds gemotiveerd betwist, door erop te wijzen dat er alleen kosten voor boodschappen uit blijken, maar dat die kosten geenszins de kosten voor drie volwassen mannen dekken. Ondanks die specifieke betwisting van Stek en de overweging van de kantonrechter dat de bankafschriften niet getuigen van een gemeenschappelijke huishouding, hebben [appellant 1] c.s. ook in dit hoger beroep geen concrete feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.6.7. Ook uit de door hen overgelegde verklaringen blijken geen concrete feiten waaruit het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding kan worden afgeleid. Daartoe overweegt het hof dat het voor buitenstaanders in het algemeen lastig zal zijn om wetenschap te hebben van de huishouding waar zij zelf geen deel van uitmaken. Waarom deze getuigen daar wel specifiek over kunnen verklaren blijkt niet uit de verklaringen en is door [appellant 1] c.s. ook niet toegelicht. Die verklaringen zijn volledig identiek, in algemene bewoordingen opgesteld en niet voorzien van enige feiten en\u002Fof omstandigheden waaruit blijkt dat de ondertekenaars daadwerkelijk op de hoogte waren van de gestelde samenwoning, en waarop die verklaringen op zijn gebaseerd. Die verklaringen zijn aldus onvoldoende concreet om als onderbouwing van een gemeenschappelijke huishouding te dienen, laat staan dat ze iets zeggen over de duurzaamheid daarvan. Ook bij de duurzaamheid van de samenwoning zijn namelijk de nodige vragen te stellen: [appellant 1] en [appellant 2] zijn beiden gehuwd en hebben niet verklaard waarom zij desondanks een duurzame huishouding met een ander voeren. Daarnaast heeft Stek onbetwist en onderbouwd gesteld dat [appellant 1] met zijn echtgenote Mabruk en hun vier kinderen ingeschreven staan als woningzoekende en dat hij reageert op het woningaanbod.6.8. In hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. niets over de verzorging van (de gezondheidsklachten van) [naam] aangevoerd. Voor zover zij zich op het standpunt stellen dat de gemeenschappelijke huishouding uit die verzorging blijkt, komt het hof tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Tegenover de gemotiveerde betwisting van Stek dat [naam] in december 2023 al naar Marokko is vertrokken toen hij ziek werd en [appellant 1] c.s. hem dus niet hoefden te verzorgen hebben zij immers ook geen feiten en\u002Fof omstandigheden aangevoerd.6.9. Daarom komt het hof tot het oordeel dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met [naam] ook in hoger beroep onvoldoende concreet hebben onderbouwd. Dat betekent dat het hof niet aan bewijslevering toekomt, zodat het bewijsaanbod van [appellant 1] c.s. om enkele getuigen te horen wordt verworpen. Het hof wijst de vordering tot voortzetting van de huur van de woning door [appellant 1] c.s. dan ook af. Daarmee is het hof dus ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. geen recht of titel hebben om in de woning te blijven en laat het de veroordeling tot ontruiming in stand. Aangezien de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. uitgaan van het standpunt dat [appellant 1] c.s. in de woning mogen blijven, liggen die grieven voor afwijzing gereed. Ten aanzien van grief 4 voegt het hof daar het volgende aan toe. Zoals hierna zal blijken, is grief 2 terecht voorgesteld. Dat heeft echter geen gevolgen voor de conclusie dat [appellant 1] c.s. in eerste aanleg de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij waren, zodat zij terecht in de kosten zijn veroordeeld.6.10. \n\nHet hof overweegt nog het volgende. Stek heeft al in eerste aanleg gesteld dat voor de woning een huisvestingsvergunning nodig is en dat [appellant 1] c.s. deze niet hebben overgelegd. [appellant 1] c.s. hebben dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Op grond van artikel 7:268 lid 3 BW moet de vordering (ook) worden afgewezen indien [appellant 1] c.s. die huisvestingsvergunning niet overleggen. Zij hebben dat niet gedaan. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof ook bij het slagen van de grieven de vordering op deze grond zou moeten afwijzen.\n\nGeen grondslag voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring bestreden vonnis6.11. De kantonrechter heeft de reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen met de motivering dat niets zich daartegen verzet. Met hun tweede grief komen [appellant 1] c.s. op tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming van de woning in het vonnis. Volgens hen is dat in strijd met artikel 7:268 lid 2 BW. Volgens Stek verzet dat artikel zich niet tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de ontruiming en voor zover dat wel het geval zou zijn, dan maken [appellant 1] c.s. volgens haar misbruik van recht.6.12. Het hof overweegt dat artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat een samenwoner de huur voortzet zolang op zijn daartoe strekkende vordering niet onherroepelijk is beslist. Anders dan Stek stelt, volgt uit dat artikel dat uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een tegenvordering tot ontruiming van de woning in beginsel is uitgesloten. Van dit - in de jurisprudentie bevestigde - wettelijke uitgangspunt kan (bij uitzondering) worden afgeweken indien wordt vastgesteld dat er sprake is van misbruik van recht door de huurder.6.13. Volgens Stek maken [appellant 1] c.s. misbruik van recht, omdat de vordering van [appellant 1] c.s. geen reële kans van slagen heeft en zij een groot belang heeft bij de door haar gevraagde ontruiming. Het hof overweegt dat van misbruik van recht sprake kan zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten of omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat moet terughoudend worden beoordeeld.6.14. Zoals hiervoor is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat [appellant 1] c.s. hun hoofdverblijf in de woning hebben. Verder hebben [appellant 1] c.s. aan de hand van de bankafschriften onderbouwd dat zij aan [naam] maandelijks een bedrag voor de huur en energielasten hebben overgemaakt. [appellant 1] c.s. hebben hun vordering in zoverre dus niet op onjuiste feiten gebaseerd. Hoewel het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. hun stelling dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende concreet hebben onderbouwd, betekent dat niet dat zij hadden moeten begrijpen dat hun vordering geen enkele kans van slagen had. Mede in het licht van de terughoudende toets, is het hof dan ook van oordeel dat [appellant 1] c.s. met hun vordering geen misbruik van recht maken. Dat betekent dat de tweede grief van [appellant 1] c.s. met betrekking tot de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de ontruiming van de woning slaagt. Conclusie en proceskosten6.15. De conclusie is dat de grieven 1, 3 en 4 van [appellant 1] c.s. niet slagen en grief 2 slaagt voor zover deze op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling tot ontruiming van de woning ziet. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het die uitvoerbaar bij voorraad verklaring betreft en voor het overige bekrachtigen.6.16. \n\nHet hof zal [appellant 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Stek op:\n\ngriffierecht € 827,- salaris advocaat € 1.290,- (1 punt × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.306,-6.17. \n [appellant 1] c.s. hebben het incident pas ingetrokken nadat Stek een antwoordakte had genomen. Stek heeft dus wel een proceshandeling in het incident verricht. Die akte heeft zich echter beperkt tot twee korte alinea’s, omdat de voorzieningenrechter reeds de uitvoerbaar bij voorraadverklaring had geschorst. Gelet op de intrekking zal het hof [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incident, maar die kosten aan de zijde van Stek begroten op nihil.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- vernietigt het bestreden vonnis voor zover de veroordeling tot ontruiming van de woning uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;\n\nen in zoverre opnieuw recht doende:\n\nwijst de reconventionele vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling tot ontruiming af;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nwijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van Stek begroot op nihil;\n\nveroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Stek begroot op € 2.306,-;\n\nbepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.H.J. Doornink, mr. J.J. van der Helm en mr. Th.G. Lautenbach en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804, r.o. 3.2.2.\n\n HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1901, NJ1996\u002F181.\n\n Hof Den Haag 19 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:974. Hof Amsterdam 19 maart 2024,\n\nECLI:NL:GHAMS:2024:684.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:468","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:41.911Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":36,"updatedAt":46},"1532","ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","ecli-nl-rbdha-2024-24033","2024-12-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F3138\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. V. Boender-Wiebenga).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een woningvormingsvergunning (aanvraag).\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag van 21 april 2021 met het besluit van 16 juni 2021 (primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 april 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 6 maart 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en voor verweerder zijn gemachtigde.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikt die nodig is om het onderzoek op de zitting te kunnen afronden. Partijen hebben vervolgens een nadere schriftelijke reactie aan de rechtbank gestuurd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om de uitspraak in deze zaak aan te houden in afwachting van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over schaarse woonruimte. De Afdeling heeft op 28 augustus 2024 uitspraak gedaan.Partijen hebben hierop vervolgens schriftelijk gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser is eigenaar van een woning aan [adres] . De woning is een zogenoemd herenhuis en telt zes kamers, die eiser sinds 2006 afzonderlijk verhuurt. Hiervoor is destijds een gebruiksvergunning verleend. Eiser wil de woning verbouwen tot drie zelfstandige woningen.\n\n2.1.. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de woning in het [wijk] in Den Haag ligt en daarmee in een gebied waar een verbod op woningvorming geldt.Dit verbod is ingesteld vanwege negatieve gevolgen van woningvorming op zowel het woningaanbod als de leefomgeving in het [wijk] .\n\n2.2.. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser is advies uitgebracht door de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie). In het adviesheeft de commissie geconcludeerd dat uitsluitend voor zelfstandige woningen een vergunningplicht geldt. Voor onzelfstandige woningen geldt dit niet. Volgens de commissie gaat het in dit geval om een onzelfstandige woning, omdat de woning bestaat uit zes kamers die afzonderlijk worden verhuurd. De commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en adviseert verweerder het bestreden besluit in te trekken en de aanvraag buiten behandeling te stellen.\n\n2.3.. \n\nVerweerder heeft dit advies van de commissie bij het nemen van het bestreden besluit niet gevolgd. Volgens verweerder gaat het om een zelfstandige woningondanks de kamerverhuur en niet om een onzelfstandige woning waarvoor geen vergunning is vereist.\n\nVerweerder heeft verder gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. In deze uitspraak is geoordeeld dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er nu sprake is van schaarste in alle prijssegmenten. Ook in het duurdere segment is het instellen van een vergunningplicht volgens verweerder daarom een geschikt en noodzakelijk instrument om de onevenwichtige effecten van schaarste in de gehele woningvoorraad te bestrijden. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verder ziet verweerder in dit geval geen mogelijkheid om in afwijking van het beleid de hardheidsclausule toe te passen. Met deze aanvullende motivering heeft verweerder het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nWat stellen partijen in beroep?\n\n3. Eiser voert aan dat geen vergunning nodig is, omdat het hier gaat om een onzelfstandige woning, omdat de woning al sinds 2006 wordt verhuurd. Als de woningvormingsvergunning niet wordt verleend, zal de kamerverhuur worden voortgezet. Hierdoor keert de woning niet terug naar de woningvoorraad. Verweerder heeft het advies van de commissie onvoldoende gemotiveerd opzij geschoven en ten onrechte geconcludeerd dat de woning ondanks de kamerverhuur altijd een zelfstandige woning is gebleven. Deze stelling heeft verweerder niet onderbouwd en is feitelijk onjuist. De woning is al sinds 1985 als kamerverhuurpand in gebruik, zodat de woning al sindsdien aan de woningvoorraad is onttrokken. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering.Als wordt afgeweken van een advies geldt een verzwaarde motiveringsplicht.\n\n3.1.. \n\nVerweerder handhaaft zijn standpunt dat sprake is van een vergunningplicht. Verweerder heeft gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. Gelet hierop geldt de vergunningplicht ook voor woningen die vallen binnen het hogere segment aan woningen. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat het in dit geval gaat om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). Met dit gebruik blijft het pand een zelfstandige woning.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs sprake van een zelfstandige of onzelfstandige woning?\n\n4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient de vraag of sprake is van een zelfstandige woning beoordeeld te worden aan de hand van de feitelijke situatie.Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor de uitleg van het begrip zelfstandige woonruimte aansluiting moet worden gezocht bij de definitie ervan in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek en de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel.Hieruit volgt dat het gebruik van de wezenlijke voorzieningen exclusief aan de bewoner moet toekomen. Verder wordt onder zelfstandige woning ook de onvrije woning verstaan. Dat wil zeggen een woning waarbij de bewoner voor wezenlijke voorzieningen niet afhankelijk is van gemeenschappelijke voorzieningen en waarbij de ruimten afsluitbaar zijn en bereikbaar zijn via een gemeenschappelijke verkeersruimte waarover anderen niet krachtens zakelijk of persoonlijk recht bij uitsluiting zeggenschap hebben.\n\n4.1.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de woning als een zelfstandige woning is aan te merken. Zoals verweerder in zijn verweerschrift nader heeft toegelicht gaat het hier om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). De woning blijft als bouwwerk echter een zelfstandige woonruimte met een eigen toegang waarachter de wezenlijke voorzieningen liggen. Het pand blijft ook op grond van de BAG, een verblijfsobject, een zelfstandige woonruimte. Onzelfstandige woonruimte zijn geen verblijfsobjecten en krijgen daarom geen huisnummer. Als deze woning als onzelfstandige woonruimte moeten worden beschouwd dan zou het geen huisnummer hebben. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser dat geen vergunning nodig is, omdat het gaat om een onzelfstandige woning niet slagen.\n\nWelk recht is van toepassing op de aanvraag?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft beoordeeld met toepassing van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (versie 3 geldend van 24\u002F12\u002F2020 – 31\u002F5\u002F2021 en versie 4 geldend van 1\u002F6\u002F2021 – 28\u002F2\u002F2022).\n\n5.1.. Eiser stelt in zijn brief van 20 maart 2024 dat de aanvraag had moeten worden beoordeeld volgens het recht dat gold op het moment van aanvraag. Op dat moment was de Huisvestingsverordening 2019 van toepassing. Uit de uitspraken van deze rechtbankvolgt dat deze verordening in ieder geval op dat moment buiten toepassing moest worden gelaten voor de categorie zelfstandige woningen in het hogere segment. Op dat moment was namelijk de noodzaak door de gemeenteraad nog niet aangetoond voor die categorie zelfstandige woningen in het hogere segment.\n\n5.2.. In zijn brief van 8 april 2024 geeft verweerder aan dat de juiste wet- en regelgeving is toegepast en dat met de notitie voldoende is onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle prijssegmenten en categorieën.5.3.. Verweerder heeft in het geschil het juiste recht toegepast. Tussen versie 3 en versie 4 van de Huisvestingsverordening 2019 is er inhoudelijk geen verschil wat betreft de voor eiser geldende normstelling. Uit de door eiser genoemde uitspraak volgt niet dat de Huisvestingsverordening 2019 onverbindend was, maar dat die in die zaak buiten toepassing moest worden gelaten.\n\nMocht verweerder eiser een algemene vergunningplicht tegenwerpen?\n\n6. Recent heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder met de notitie,gelet op de daarin gehanteerde onderzoeken en de op de gemeente Den Haag toegesneden analyse, toereikend heeft onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle segmenten, en dat een vergunningplicht voor omzetting noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ten behoeve van het behoud van de woningvoorraad en de doorstroming binnen de markt het aanwijzen van het gehele grondgebied wenselijk is. De gemeenteraad mocht dus een vergunningplicht voor het omzetten van woonruimte in de Huisvestingsverordening 2019 opnemen. Het cijfermateriaal dat verweerder in de notitie betrokken heeft, ziet op de periode 2015-2022. De Afdeling is van oordeel dat daarmee ook voor de Huisvestingsverordening 2023 een voldoende toereikende motivering voor de vergunningplicht is gegeven. Met de notitie is nu ook voor het hogere segment voldoende gemotiveerd dat sprake is van schaarste en onevenredige en onevenwichtige effecten daarvan.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het in de zaak van eiser weliswaar niet om een omzettings- maar om een woningvormingsvergunning gaat, maar ziet daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Het gaat immers ook in dit geval om de onderbouwing door verweerder dat sprake is van schaarste in alle segmenten en dat een vergunningplicht noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte.\n\n6.2.. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, niet in zijn betoog dat verweerder met de notitie onvoldoende heeft onderbouwd dat op het moment van de aanvraag ook schaarste bestond in het hogere segment. Volgens eiser ziet de motivering die verweerder hiervoor achteraf heeft gegeven niet op de betreffende periode en wijk en onderbouwt daarmee niet waarom de toegepaste bepalingen uit de Huisvestingsverordening en daarmee de vergunningplicht in dit geval mocht worden toegepast. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in beginsel niet is uitgesloten dat verweerder in een procedure over een besluit dat met toepassing van de Huisvestingsverordening is genomen en waarin een algemeen verbindend voorschrift uit die verordening exceptief moet worden getoetst, alsnog onderbouwt waarom de toegepaste bepaling rechtmatig is en in dat geval toegepast mocht worden. Het moet dan gaan om een motivering die in lijn is met dat voorschrift en die het standpunt van de gemeenteraad weergeeft. Omdat de notitie in lijn is met het standpunt van de gemeenteraad oordeelde de Afdeling dat deze mocht worden meegenomen als onderbouwing van de in de Huisvestingsverordening 2019 opgenomen vergunningplicht.\n\nHad verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?\n\n7. De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerder in redelijkheid toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank constateert dat eiser dit in bezwaar ook heeft aangevoerd en dat verweerder in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank kan deze motivering van verweerder volgen.\n\nMocht verweerder afwijken van het advies van de commissie?\n\n8. In artikel 7:13, zevende lid, van de Awb is bepaald dat indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, en indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.\n\n8.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, voldoende gemotiveerd aangegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie. Het bestreden besluit is op dit punt niet onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de woningvormingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:3424.\n\n Op grond van artikel 21, onder d, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 5:2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening).\n\n Van 21 januari 2022.\n\n Als bedoeld in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning die een eigen toegang heeft en die de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n De motivering van verweerder voldoet niet aan de wettelijke eisen van de artikelen 3:46 en 7:13, zevende lid van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5633.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1109.\n\n Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0658, r.o. 4.1, en de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2070, r.o. 4.3.\n\n Kamerstukken II 1997\u002F98, 26 089, nr. 3, p. 38-39.\n\n Uitspraken van deze rechtbank van 26 april 2022, ECLI:NL:RBDHA: 2022:4114.\n\n De notitie ‘Schaarste aan woonruimte in Den Haag’ van 29 augustus 2022.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3424, overwegingen 15.3 en 15.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.677Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":36,"updatedAt":54},"1362","ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","ecli-nl-ghdha-2024-1587","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F171 en BK-23\u002F172\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nStichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummers SGR 22\u002F4187 en 22\u002F4188.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2019 en 2020 op aangifte een bedrag van respectievelijk € 3.850.288 en € 4.062.304 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.1.2.. Belanghebbende heeft een gecorrigeerde aangifte ingediend.\n\n1.1.3.. De Inspecteur heeft op grond van de gecorrigeerde aangifte en rekening houdend met een hogere heffingsvermindering bij beschikking de verhuurderheffing over 2019 verminderd tot € 3.660.288.\n\n1.2.. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant ingesteld. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaken op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2019, en een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F174 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2019 en 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2019 en 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.Begunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n7. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Nu de rechtbank eiseres niet volgt in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Voor het jaar 2019 is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.1.. Voor het jaar 2020 is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is evenals over 2019 in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.2.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.4.. Belanghebbende concludeert voor beide jaren tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.5.. De Inspecteur concludeert voor beide jaren tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.22 ten aanzien van het ontbreken van beleidsruimte bij de Belastingdienst is overwogen, niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nGelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) (2019)\n\n5.12.. Belanghebbende stelt primair dat tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.13.. Voorop moet worden gesteld dat een ongelijke behandeling van twee met elkaar vergeleken gevallen slechts in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan zijn, indien de met elkaar vergeleken gevallen\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht gelijk zijn; of\n\n- in juridisch en in feitelijk opzicht ongelijk zijn en niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld.\n\n5.14.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n5.15.. Hetgeen onder 5.14 is overwogen over de ongelijke behandeling van gelijke gevallen geldt, mutatis mutandis, eveneens voor de onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.16.. Belanghebbende stelt primair dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Enig-eigenaren en mede-eigenaren zijn voor de toepassing van de verhuurderheffing naar het oordeel van het Hof echter niet gelijk. Naast de feitelijke en juridische verschillen geldt de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw (tekst 2019) namelijk uitsluitend voor mede-eigenaren. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat, anders dan belanghebbende stelt, de Hoge Raad artikel 3 Wvh in het arrest van 8 juni 2018 niet onverbindend heeft verklaard. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat artikel 3 Wvh discriminatoir is, maar heeft geen rechtsregel geformuleerd om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien en geoordeeld dat de verhuurderheffing ten aanzien van de mede-eigenaar in die procedure buiten toepassing moet blijven (r.o. 2.5.3 van het arrest). Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over artikel 3 Wvh geldt, mutatis mutandis, eveneens voor artikel 1.3 Wmw (tekst 2019). Aan het vorenstaande doet niet af dat enig-eigenaren en mede-eigenaren gelet op het doel van de verhuurderheffing vergelijkbare gevallen zijn.\n\n5.17.1.. Het Hof overweegt als volgt ten aanzien van de subsidiaire stelling van belanghebbende dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Uit doel en strekking van de Wmw volgt dat zowel huurwoningen van enig-eigenaren als huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing worden betrokken, waarbij de huurwoningen van mede-eigenaren op basis van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw worden toegerekend aan de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Als gevolg van het arrest van 8 juni 2018 is over het jaar 2019 echter uitsluitend verhuurderheffing geheven van de enig-eigenaren en niet van de mede-eigenaren over een evenredig deel van de WOZ-waarde. Daardoor is sprake van een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen.\n\n5.17.2.. Niet elke wettelijke regeling waarin ongelijke gevallen niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld, is in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Dat doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid (HR 21 oktober 1992, nr. 28548, ECLI:NL:HR:1992:ZC5139, BNB 1993\u002F29). Dit geldt, mutatis mutandis, eveneens voor ongelijke gevallen die niet naar de mate van hun ongelijkheid ongelijk worden behandeld vanwege de toepassing die, als gevolg van het arrest van 8 juni 2018, aan een wettelijke regeling moet worden gegeven.\n\n5.17.3.. Bij de ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, zoals die is ontstaan na het arrest van 8 juni 2018, is sprake van een overduidelijke onevenredigheid, omdat huurwoningen van enig-eigenaren over het jaar 2019 in de heffing worden betrokken en huurwoningen van mede-eigenaren in het geheel niet.\n\n5.17.4.. Een wettelijke regeling die, zoals de onderhavige, leidt tot een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen kan, gelet op onder 5.14 vermelde jurisprudentie, toch door de beugel van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, in verbinding met artikel 1 van het EP, indien er voor deze overduidelijke onevenredige behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. Aan de nationale wetgever komt, zoals eveneens uit deze jurisprudentie volgt, een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging in de zo-even bedoelde zin zich voordoet. In een situatie als de onderhavige, waarin een overduidelijke onevenredigheid van de behandeling van de met elkaar vergeleken ongelijke gevallen niet uit de wettelijke regeling volgt, maar uit de toepassing van die wettelijke regeling als gevolg van een arrest van de Hoge Raad, is naar het oordeel van het Hof van belang of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging is voor het feit dat de wetgever de ongelijke behandeling (nog) niet had weggenomen op het moment van verschuldigdheid van de verhuurderheffing.\n\n5.17.5.. Het is niet evident van redelijke grond ontbloot dat de wetgever de ongelijke behandeling tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren van huurwoningen niet eerder heeft weggenomen. De wetgever mocht namelijk enige tijd nemen voor de reparatiewetgeving en bij de prioritering van de wetgevingsagenda rekening houden met het budgettaire, politieke of maatschappelijke belang (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467). Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat de wetgever twee andere opties voor de reparatiewet heeft overwogen en dat het budgettaire belang van de reparatiewet aanvankelijk als relatief beperkt werd ingeschat, omdat er bij de Belastingdienst nog geen signalen waren binnengekomen dat het arrest van 8 juni 2018 een substantiële derving van belastinginkomsten tot gevolg zou hebben (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4).\n\n5.18.. Gelet op het vorenstaande heeft het arrest van 8 juni 2018 weliswaar geleid tot een tijdelijke onevenredige ongelijke behandeling van enig-eigenaren en mede-eigenaren, maar is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling aanwezig. Het gelijkheidsbeginsel (discriminatieverbod) is dan ook niet geschonden.\n\nGelijkheidsbeginsel. Beleid? (2019)\n\n5.19.. Belanghebbende stelt ter onderbouwing van haar standpunt dat het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden dat sprake is van begunstigend beleid, omdat de Belastingdienst na het arrest van 8 juni 2018 op zijn website de volgende tekst heeft gepubliceerd:\n\nBent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.\n\n5.20.. Belanghebbende voert aan dat de Hoge raad artikel 1:3 Wmw in het arrest van 8 juni 2018 onverbindend heeft verklaard, dat mede-eigenaren op grond van artikel 1:4 Wmw belastingplichtig zijn en dat de Belastingdienst een voortdurende ongelijke behandeling had kunnen voorkomen door mede-eigenaren in de heffing te betrekken naar rato van de mate van de eigendom van de huurwoningen waarvan zij bij aanvang van het kalenderjaar mede-eigenaar zijn.\n\n5.21.. Het Hof heeft onder 5.16 overwogen dat de Hoge Raad artikel 1:3 Wmw niet onverbindend heeft verklaard. Voor het jaar 2019 geldt dat een huurwoning op grond van de toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw uitsluitend in aanmerking kan worden genomen bij de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Vervolgens moet rekening worden gehouden met de discriminatie van die mede-eigenaar ten opzichte van de mede-eigena(a)r(en) aan wie de WOZ-beschikking niet is bekendgemaakt. De Hoge Raad heeft de discriminatie in het arrest van 8 juni 2018 weggenomen door de verhuurderheffing buiten toepassing te laten ten aanzien van de desbetreffende belanghebbende\u002Fmede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt (r.o. 2.5.3 van het arrest).\n\n5.22.. Gelet op het vorenstaande had de Belastingdienst de facto geen beleidsruimte om huurwoningen van mede-eigenaren in de heffing van verhuurderheffing over het jaar 2019 te betrekken. Het zou namelijk van onbehoorlijk bestuur hebben getuigd als de Belastingdienst de uitkomsten van het arrest van 8 juni 2018 zou hebben genegeerd ten aanzien van andere mede-eigenaren aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. Voor het naar evenredigheid in de heffing betrekken ontbrak - anders dan belanghebbende betoogt - een wettelijke bepaling. En tot een verdergaand fiscaal privilege, bestaande uit het eveneens buiten de heffing laten van enig-eigenaren, dwong het arrest niet en die keuze zou bovendien evident aan de wetgever zijn (vgl. conclusie A-G Wattel van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, r.o. 8.7). Het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is daarom evenmin geschonden.\n\nTerugwerkende kracht en gelijkheidsbeginsel (2020)\n\n5.23.. Belanghebbende stelt zich ten aanzien van het jaar 2020 op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 EP en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende - evenals in 2019 - in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.24.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake meer. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.25.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.26.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.27.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.28.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.29.. Voorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018. De reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.30.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.31.. De overige stellingen van belanghebbende met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1587","2024-09-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.887Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":36,"updatedAt":61},"1363","ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","ecli-nl-ghdha-2024-1586","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-23\u002F174\n\nUitspraak van 17 juli 2024\n\nin het geding tussen:\n\nWoningstichting [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: G.J.W. de Ruiter)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 januari 2023 met zaaknummer SGR 22\u002F7620.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 op aangifte een bedrag van € 10.145.675 aan verhuurderheffing voldaan.\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing ongegrond verklaard.\n\n1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank Gelderland ingesteld. De rechtbank Gelderland heeft de zaak op verzoek van partijen overgedragen aan de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 359. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 548. De Inspecteur heeft op 8 augustus 2023 een nader stuk, getiteld verweerschrift 2020, ingediend. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n1.5.. \n\nDe mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 4 juni 2024. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn ook de zaken met de nummers BK-23\u002F171, 23\u002F172, 23\u002F175 tot en met 23\u002F180, 23\u002F183 tot en met 23\u002F197, 23\u002F199 tot en met 23\u002F219, 23\u002F222 en 23\u002F223 behandeld. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd wordt geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken, tenzij hetgeen is aangevoerd en overgelegd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 1 januari 2020 enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wmw). De huurwoningen zijn opgenomen in de aangifte verhuurderheffing van belanghebbende over het jaar 2020.\n\n2.2.1.. De Belastingdienst heeft na het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 (hierna ook: het arrest van 8 juni 2018) op zijn website de volgende tekst gepubliceerd:\n\n“Bent u gezamenlijk eigenaar van een huurwoning? Dan hoeft u deze woning niet op te nemen in de aangifte verhuurderheffing.”\n\n2.2.2.. De tekst stond tot 24 december 2019 op de website van de Belastingdienst.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\nTerugwerkende kracht reparatiewetgeving\n\n4. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Zoals hierna wordt uiteengezet volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling.\n\nSchending gelijkheidsbeginsel\n\n5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen. Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en\u002Fof inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken.\n\nBegunstigend beleid\n\n6. Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest. Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid.\n\nVerzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad\n\n7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.\n\n8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Tussen partijen is in geschil of aan de Wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020 nr. 243 van 8 juli 2020 (de reparatiewet) terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Als geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend, dan is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n4.1.2.. Belanghebbende stelt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en dat, als het Hof tot dat oordeel komt, primair sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat huurwoningen van enig-eigenaren wel in de aangifte verhuurderheffing dienden te worden opgenomen en huurwoningen van mede-eigenaren als gevolg van het vervallen van de terugwerkende kracht niet. Belanghebbende stelt subsidiair dat als aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld.4.1.3.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de wetgever aan de reparatiewet terugwerkende kracht heeft mogen toekennen en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot teruggaaf van de op aangifte voldane verhuurderheffing en tot toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nJuridisch kader\n\n5.1.. Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet Verhuurderheffing, Stb. 2013, nr. 285 (de Wvh) ingevoerd. Artikel 3 Wvh luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken is bekendgemaakt.\n\n5.2.. Artikel 4 Wvh luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is degene die op 1 januari 2013 het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan 10 huurwoningen.\n\n5.3.. De Wvh is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II, Stb. 2013 nr. 583 (de Wmw) ingevoerd. Artikel 1.3 Wmw (tekst 2019) luidde als volgt:\n\nIndien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.\n\n5.4.. Artikel 1.4 Wmw luidde als volgt:\n\nBelastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan vijftig huurwoningen.\n\n5.5.. De Hoge Raad heeft op 8 juni 2018 in de arresten ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 en ECLI:NL:HR:2018:847 geoordeeld over de heffing van verhuurderheffing in geval van mede-eigendom, waarbij het laatstgenoemde arrest verwijst naar het eerstgenoemde arrest. In het arrest ECLI:NL:HR:2018:846, BNB 2018\u002F144 is onder meer het volgende overwogen:\n\n“2.4.3. In gevallen waarin er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende is, wordt de huurwoning op grond van artikel 3 Wvh in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, leden 3 en 4, Wet WOZ is bekendgemaakt. Artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ bepaalt dat de bekendmaking van de WOZ-beschikking geschiedt door toezending aan degene die aan het begin van het kalenderjaar het genot heeft van de onroerende zaak. Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, kan bekendmaking op grond van artikel 24, lid 4, Wet WOZ plaatsvinden aan één van hen. Deze bepaling verleent de gemeente vrijheid voor het ontwikkelen van beleid met betrekking tot het bekendmaken van WOZ-beschikkingen indien sprake is van verschillende genothebbenden van een zelfde onroerende zaak (vgl. Kamerstukken II 1996\u002F97, 25 037, nr. 6, blz. 20).\n\nTijdens de parlementaire behandeling van de Wet maatregelen woningmarkt 2014, de opvolger van de Wvh, is onderkend dat in gevallen waarin met betrekking tot een zelfde onroerende zaak meer dan één genothebbende kan worden aangewezen, de keuze voor de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt afhankelijk is van het beleid van de gemeente waarin die woning zich bevindt, en dat in die situatie in de meeste gemeenten de oudste genothebbende de WOZ-beschikking ontvangt (zie Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 3, blz. 31, en Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4).\n\n2.4.4.. De toerekeningssystematiek die besloten ligt in de hiervoor in 2.4.3 besproken bepalingen brengt mee dat voor toepassing van de verhuurderheffing een verschil in behandeling ontstaat tussen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, te weten het geval van de medegenothebbende van huurwoningen die een WOZ-beschikking met betrekking tot die woning ontvangt, zoals belanghebbende, en het geval van de medegenothebbende bij wie dat niet het geval is, zoals de broers van belanghebbende. De mate waarin deze ongelijke behandeling zich voordoet, is onder meer afhankelijk van het door de desbetreffende gemeente gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen.\n\n2.4.5.. Het effect van de hiervoor in 2.4.4 beschreven ongelijke behandeling kan worden versterkt doordat de belastingplicht voor de verhuurderheffing aangrijpt bij het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van meer dan tien huurwoningen. Dat versterkte effect doet zich onder meer voor in gevallen als het onderhavige, waarin meer personen gezamenlijk het genot hebben van meer dan tien huurwoningen en het door de betrokken gemeente(n) gevoerde beleid ter zake van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen, in combinatie met het eventuele genot van andere huurwoningen dat zij hebben, tot gevolg heeft dat een deel van hen buiten de verhuurderheffing kan blijven.\n\n2.4.6.. De in artikel 3 Wvh gebezigde bewoordingen “in aanmerking nemen” vormen niet een toereikende grond om aan te nemen dat ook andere gerechtigden dan degene aan wie de WOZ-beschikkingen zijn bekendgemaakt, ter zake van die woningen zijn onderworpen aan de verhuurderheffing of voor de heffing ter zake van die woningen draagplichtig zouden zijn, nog daargelaten de vraag voor welk deel zij dan draagplichtig zouden moeten zijn, gelet op de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh. Er is ook geen ander wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit voor de belastingplichtige de waarborg voortvloeit dat bij mede-eigendom van huurwoningen de ter zake daarvan verschuldigde verhuurderheffing door alle genothebbenden wordt gedragen.\n\nDe verhuurderheffing is om die reden (en ook in verband met de drempel van tien woningen uit artikel 4 Wvh) niet aan te merken als een op een huurwoning rustende last die zonder meer overeenkomstig het bepaalde in Titel 7, Afdeling 1, Boek 3 BW door alle genothebbenden naar evenredigheid van hun aandeel moet worden gedragen.\n\n2.4.7.. Tijdens de parlementaire behandeling van de hiervoor reeds genoemde Wet maatregelen woningmarkt 2014, is opgemerkt dat medegenothebbenden van een zelfde huurwoning “in een privaatrechtelijke relatie tot elkaar staan voor wat betreft de lusten en de lasten van de huurwoningen” (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43-44; vgl. ook Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3). Een “privaatrechtelijke relatie” houdt, gelet op hetgeen in 2.4.6 is overwogen, niet in dat de voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ten aanzien van andere genothebbenden een verhaalsrecht geldend kan maken. Daarom getuigt ’s Hofs uitspraak van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het Hof uit die tijdens de parlementaire behandeling gemaakte opmerking heeft afgeleid dat het privaatrecht voldoende zekerheid biedt dat de gevolgen van de ongelijke behandeling van een voor de verhuurderheffing als belastingplichtige aangemerkte mede-eigenaar ongedaan worden gemaakt. Om dezelfde reden heeft het Hof ten onrechte betekenis toegekend aan het door de Inspecteur ingenomen standpunt “dat medegerechtigden de lasten van de verhuurderheffing in de praktijk ook daadwerkelijk dienovereenkomstig dragen”.\n\n2.4.8.. De hier toepasselijke verdragsbepalingen, artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang gelezen met artikel 1 EP, en artikel 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Daarbij is uitgangspunt dat op het terrein van de fiscale wetgeving de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378\u002F05, EHRC 2008\u002F80, paragraaf 60 en EHRM 22 juni 1999, no. 46757\u002F99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002\u002F398). Het ontbreken van zo een objectieve en redelijke rechtvaardiging kan alleen worden aangenomen indien de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452\u002F02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).\n\n2.4.9.. Het hiervoor in 2.4.3 genoemde gemeentelijke beleid ten aanzien van de bekendmaking van WOZ-beschikkingen pleegt, hoezeer het bij mede-eigendom van huurwoningen ook bepalend is voor de ongelijkheid in de behandeling van de genothebbenden, geen verband te houden met de doelstellingen van de verhuurderheffing. Daarin is reeds een aanwijzing te vinden dat de in de Wvh opgenomen regeling van onderworpenheid aan die heffing ten aanzien van huurwoningen met meer dan één genothebbende een redelijke grond ontbeert.\n\n2.4.10.. Ter rechtvaardiging van het aansluiten bij de basisregistratie WOZ in de verhuurderheffing heeft de regering erop gewezen dat dit tot lagere administratieve lasten en uitvoeringskosten leidt en voor eenvoudige en eenduidige wetgeving zorgt, waarbij alle belastingplichtigen baat hebben (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 12, blz. 3-4), dat het benutten van authentieke gegevens uit basisregistraties bij het vormgeven van nieuwe wetgeving een “best practice” is en dat daarmee eenduidige, objectieve wetgeving en efficiëntiewinst voor alle betrokken partijen worden beoogd (Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 756, nr. 6, blz. 43). De onderhavige zaak illustreert dat de op deze argumenten berustende keuze van de wetgever erin kan resulteren dat een belanghebbende de verhuurderheffing moet voldoen als ware hij de enige genothebbende van de huurwoningen, terwijl de andere genothebbenden – zoals in deze zaak belanghebbendes broers die elk voor een zelfde aandeel als belanghebbende eigenaar van de huurwoningen zijn – ter zake van die woningen in het geheel niet in de heffing worden betrokken. Deze uitkomst is ten aanzien van overigens in dezelfde positie verkerende genothebbenden als willekeurig te beschouwen. Redenen van praktische uitvoerbaarheid kunnen een dergelijke uitkomst niet rechtvaardigen.\n\n2.5.1.. Het hiervoor overwogene voert tot de slotsom dat, ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die aan de fiscale wetgever toekomt, voor de ongelijke behandeling die belanghebbende ten deel is gevallen geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. In zoverre veroorzaakt de toepassing van de Wvh ten aanzien van belanghebbende een inbreuk op diens in de hiervoor genoemde verdragsbepalingen gewaarborgde rechten.\n\nDaarom rijst de vraag of, en zo ja op welke wijze, de rechter ter zake van de hiermee verband houdende schending van de hiervoor genoemde verdragsbepalingen effectieve rechtsbescherming kan bieden. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien zich uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende duidelijk laat afleiden hoe dit dient te geschieden.\n\n2.5.2.. In het onderhavige geval laten zich diverse mogelijkheden denken om de geconstateerde schending van het verbod van discriminatie op te heffen (vgl. de onderdelen 7.29 tot en met 7.33 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).\n\n2.5.3.. Bij afweging van dit een en ander ziet de Hoge Raad, gelet op de te dezen geboden terughoudendheid, geen grond zelf een rechtsregel te formuleren om in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moet aan de wetgever worden overgelaten. Wel ziet de Hoge Raad in de willekeurige aanwijzing van belanghebbende als belastingplichtige aanleiding de verhuurderheffing ten aanzien van hem buiten toepassing te laten.”\n\n5.6.. De wetgever heeft in navolging van het arrest van 8 juni 2018 de reparatiewet ingevoerd. De reparatiewet is bij brief van 20 december 2019 aangekondigd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) en op 8 juli 2020 in het staatsblad gepubliceerd. De reparatiewet heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.\n\n5.7.. Artikel 1.3 Wmw is als gevolg van de reparatiewet vervallen. Daarnaast is een nieuw artikel 1.6a ingevoegd dat luidde als volgt:\n\nVoor de toepassing van de artikelen 1.4 en 1.6 wordt een huurwoning waarvan het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, in aanmerking wordt genomen bij elk van deze natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen, naar rato van de mate van de eigendom, onderscheidenlijk het bezit of het beperkt recht.\n\n5.8.. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 30 januari 2020 advies uitgebracht over het wetsvoorstel voor de reparatiewet. Het advies is op 10 maart 2020 gepubliceerd (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4). Ten aanzien van de terugwerkende kracht is het volgende opgemerkt:\n\nDe Afdeling onderschrijft de opmerking in de toelichting dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht aan wettelijke regelingen. De voorgestelde bepaling is een belastende maatregel. Zoals uit adviezen in het verleden al is gebleken, is de Afdeling van oordeel dat aan belastende maatregelen geen terugwerkende kracht dient te worden gegeven, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen (zie onder meer de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2015 over het Belastingplan 2016, (W06.15.0275\u002FIII), Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 302, nr. 4, van 24 juli 2013 over de Wet compartimenteringsreserve, (W06.13.0221\u002FIII), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 713, nr. 4, en van 10 januari 2013 over het voorstel van wet tot wijziging van de Wet verhuurderheffing, (W04.12.0513\u002FI), Kamerstukken II 2012\u002F13, 33 515, nr. 4. Zie ook aanwijzing 167 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.).\n\nDie omstandigheden kunnen worden gevormd door een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of door aanmerkelijke aankondigingseffecten. Bij een eventuele terugwerkende kracht dient de maatregel voor belastingplichtigen voldoende kenbaar te zijn.\n\nDe Afdeling merkt op dat met het persbericht en de brief aan de Tweede Kamer van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019\u002F20, 27 926, nr. 315) aan de eis van kenbaarheid is voldaan.\n\nMet betrekking tot de hierboven genoemde bijzondere omstandigheden merkt de Afdeling het volgende op. De genoemde arresten van de Hoge Raad zijn van 8 juni 2018. De Staatssecretaris van Financiën schreef op 22 oktober 2019 dat de regering naar aanleiding van deze arresten van de Hoge Raad aan een wetswijziging werkt en dat het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden. Dit betekent dat er blijkbaar aanvankelijk geen noodzaak werd gevoeld tot grote spoed. Ook de noodzaak tot het gebruik van terugwerkende kracht is blijkbaar pas na 22 oktober 2019 ontstaan.\n\nDe toelichting motiveert de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 door te wijzen op het risico dat de volledige voor het jaar 2020 geraamde opbrengst van de verhuurderheffing (€ 1,8 miljard) wordt misgelopen. Dat is alleen het geval als:\n\na. alle belastingplichtigen gaan procederen tegen de verhuurderheffing over het jaar 2020,\n\nb. ze daarbij aanvoeren dat het in de verhuurderheffing betrekken van huurwoningen in volle eigendom leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, en\n\nc. de uitkomst van die procedures zou zijn dat over het jaar 2020 in het geheel geen verhuurderheffing mag worden geheven.\n\nDat lijkt de Afdeling zeer onwaarschijnlijk. Los daarvan ziet de Afdeling niet hoe het starten van dergelijke procedures door belastingplichtigen met huurwoningen in volle eigendom kan worden gezien als omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening of als aanmerkelijk aankondigingseffect.\n\nDe toelichting motiveert daarnaast dat het toekennen van terugwerkende kracht het creëren van mede-eigendomssituaties, en daarmee een lagere opbrengst voor het heffingsjaar 2020, voorkomt. De omvang van die lagere opbrengst wordt echter niet inzichtelijk gemaakt. Mede gelet op de genoemde budgettaire gevolgen (€ 2 miljoen voor de periode van de arresten van de Hoge Raad tot 1 januari 2020) roept dit de vraag op of wel sprake is van een aankondigingseffect dat «aanmerkelijk» is en of wel sprake is van een «omvangrijk» oneigenlijk gebruik of misbruik van de wettelijke regeling dat een terugwerkende kracht zou rechtvaardigen.\n\nDaar komt bij dat indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik, van de wetgever verwacht had mogen worden dat deze eerder had ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd; de regeling en de uitleg door de Hoge Raad bestaan al langere tijd.\n\nGelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat genoemde omstandigheden onvoldoende rechtvaardiging vormen voor de voorgestelde terugwerkende kracht. De Afdeling adviseert daarom de terugwerkende kracht te schrappen.\n\n5.9.. De Minister voor Milieu en Wonen heeft in navolging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State de achtergrond van en noodzaak voor de spoedreparatie met terugwerkende kracht nader toegelicht als volgt (Kamerstukken II 2019\u002F20, 35409, nr. 4):\n\nAls gevolg van de door de Afdeling genoemde arresten van de Hoge Raad kunnen mede-eigenaren de huurwoningen die zij in mede-eigendom hebben buiten aanmerking laten in de aangifte voor de verhuurderheffing. Over deze huurwoningen wordt dan ook geen verhuurderheffing geheven. Dat heeft voor de heffingsjaren 2018 en 2019 geleid tot een derving van de opbrengst van de verhuurderheffing van € 1 miljoen per heffingsjaar. Het belang van reparatie van de mede-eigendomsbepaling is reeds in juni 2018 onderkend. De oplossingsrichting was echter nog niet meteen duidelijk. Ook waren bij de Belastingdienst op dat moment nog geen signalen binnengekomen dat de arresten potentieel een substantiëler derving tot gevolg zouden kunnen hebben. Hierdoor was het spoedeisende karakter niet evident. Daardoor is de reparatie van de mede-eigendomsbepaling aanvankelijk voorzien met ingang van 1 januari 2021, oftewel het heffingsjaar 2021.\n\nMedio november 2019 is dit beeld echter drastisch veranderd. Er is duidelijk geworden dat een reëel risico is ontstaan op procedures over het heffingsjaar 2019, en daarmee ook op procedures over het heffingsjaar 2020. Met deze procedures is een zeer groot budgettair belang gemoeid. Voor het heffingsjaar 2020 gaat het om maximaal € 1,8 miljard (de gehele opbrengst van de verhuurderheffing).\n\nOp 22 oktober 2019 was de noodzaak tot spoedreparatie van de mede-eigendomsbepaling met terugwerkende kracht derhalve nog niet duidelijk. Dit is te verklaren door het feit dat de aangiftetermijn voor het heffingsjaar 2019 is verstreken op 30 september 2019. Uiterlijk op deze datum moest de aangifte voor de verhuurderheffing over 2019 zijn ingediend en de verhuurderheffing over dat jaar zijn voldaan. De bezwaartermijn tegen deze aangifte is derhalve uiterlijk medio november verstreken. Veel belastingplichtigen hebben in eerste instantie een pro-formabezwaarschrift ingediend, waardoor niet aanstonds duidelijk was dat (i) deze bezwaarschriften zouden worden gemotiveerd met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en dat (ii) het met deze bezwaarschriften gemoeide budgettaire belang zou kunnen oplopen tot € 1,2 miljard voor het heffingsjaar 2019 (ruim 70% van de geraamde opbrengst van € 1,7 miljard).\n\nTegen de geschetste achtergrond is aannemelijk dat ten minste evenveel – en waarschijnlijk zelfs meer – belastingplichtigen een bezwaarschift tegen de verschuldigde verhuurderheffing over het heffingsjaar 2020 zullen indienen en zich daarin eveneens zullen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het lijkt mij daarbij niet onwaarschijnlijk dat deze belastingplichtigen vervolgens gaan procederen. Ingeval de uiteindelijke uitkomst van de procedures is dat de belastingheffing niet kan worden geëffectueerd bij volle eigenaren, wordt de Staat geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard).\n\nOngeacht de vraag of er daadwerkelijk strijd is met het gelijkheidsbeginsel, is het budgettaire belang dat in het geding is van een dusdanige omvang, dat ook als het risico laag wordt ingeschat, het van belang is dat dit risico wordt uitgesloten voor het heffingsjaar 2020. Daartoe is het toekennen van terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 aan de voorgestelde regeling noodzakelijk. Het budgettaire risico dat de Staat loopt, is dus de reden voor de terugwerkende kracht. In het licht van de opmerkingen van de Afdeling heb ik de andere reden die eerder is genoemd, te weten dat voorkomen wordt dat mede-eigendomssituaties worden gecreëerd, geschrapt.\n\nHoewel geen sprake is van omvangrijk oneigenlijk gebruik of misbruik van een wettelijke voorziening dan wel van een aanmerkelijk aankondigingseffect, acht ik het niettemin gerechtvaardigd om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten. Er is dan ook geen gevolg gegeven aan het advies de terugwerkende kracht te schrappen. Een en ander laat overigens onverlet dat ik het uitgangspunt dat terughoudend moet worden omgegaan met het toekennen van terugwerkende kracht uiteraard onderschrijf.\n\nGedingstukken\n\n5.10.. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en toegelicht waarom hij dat pas op de zitting van het Hof aan de orde heeft gesteld. Het gaat om alle stukken die betrekking hebben op de totstandkoming en de verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft gesteld dat hij niet beschikt over dergelijke informatie en dat deze daarom ook niet bij de totstandkoming van de uitspraak op bezwaar een rol heeft gespeeld.\n\n5.11.. Het Hof komt alles overziend tot de conclusie dat de stukken die een licht werpen op de totstandkoming en verwijdering van de onder 2.2.1 opgenomen tekst op de website van de Belastingdienst, wat er verder ook van zij, gelet op hetgeen onder 5.20 is overwogen niet van belang zijn voor de beslissing op een of meer van de geschilpunten en zal de zaak dus op basis van de thans ter beschikking staande gedingstukken beoordelen.\n\nTerugwerkende kracht\n\n5.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de terugwerkende kracht van de reparatiewet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en dat alsdan de verhuurderheffing ten aanzien van belanghebbende in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel (het discriminatieverbod) dan wel het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\n5.13.. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende alleen een belang bij de grieven zou kunnen hebben, indien aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend. Immers als het Hof zou oordelen dat er geen beletsel is aan de reparatiewet terugwerkende kracht toe te kennen, is er van enige discriminatie in het geheel geen sprake. Het Hof zal dan ook eerst het geschilpunt van de terugwerkende kracht beoordelen.\n\n5.14.. Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld. Belastingen vormen in beginsel een inmenging in het door artikel 1 EP gegarandeerde ongestoorde genot van eigendom. De tweede alinea van deze bepaling echter voorziet uitdrukkelijk in een algemene rechtvaardigingsgrond voor de inmenging die wordt veroorzaakt door de toepassing van fiscale maatregelen (EHRM 29 april 2008, nr. 13378\u002F05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008\u002F306, r.o. 59). Dit neemt niet weg dat ook op het terrein van de belastingen de inmenging volgens vaste rechtspraak van het EHRM ‘lawful’ moet zijn, een ‘legitimate aim’ moet dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang moet respecteren. Bij de beoordeling van de vraag of aan de laatstgenoemde voorwaarde is voldaan, moet de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsmarge worden gelaten (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529\u002F11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911, FED 2013\u002F79, r.o. 57 en 61).\n\n5.15.. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, de gestelde strijdigheid van een heffing met de door artikel 1 EP beschermde uitoefening van het eigendomsrecht gebaseerd wordt op het betoog dat bij de invoering van de desbetreffende belastingmaatregel de gerechtvaardigde verwachtingen van de betrokkenen zijn geschonden, komt het erop aan of bij die invoering de zojuist genoemde “fair balance” in acht is genomen (zie r.o. 61 van het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak N.K.M. tegen Hongarije). Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden'). Daartoe dient te worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van die terugwerkende kracht op de positie van de belanghebbende. Bij het oordeel of sprake is van een 'fair balance' speelt verder een rol om welke redenen de wetswijziging met terugwerkende kracht is ingevoerd (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793\u002F95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003\u002F52.2 en HR 2 oktober 2009, nr. 07\u002F13624, ECLI:NL:HR:2009:BI1909, BNB 2011\u002F48).\n\n5.16.. Ten aanzien van de verwachtingen die belanghebbende mocht hebben in het onderhavige geval, moet worden vastgesteld dat op het moment waarop de verhuurderheffing verschuldigd werd (1 januari 2020), als gevolg van de onder 5.6 genoemde brief van 20 december 2019 voor belanghebbende kenbaar was dat de regering met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 reparatiewetgeving wenste door te voeren. De inhoud van de reparatiewet werd in dit persbericht ook voldoende duidelijk weergegeven. De verschuldigdheid van de verhuurderheffing was dan ook in voldoende mate te voorzien op het moment waarop het belastbare feit plaatsvond.\n\n5.17.. De reparatiewet is met terugwerkende kracht ingevoerd, omdat de regering het risico dat enig-eigenaren zich voor het jaar 2020 met succes zouden beroepen op het gelijkheidsbeginsel wilde uitsluiten. De Staat zou namelijk kunnen worden geconfronteerd met een derving van 70% tot 100% van de geraamde opbrengst van de verhuurderheffing voor het heffingsjaar 2020 (€ 1,3 miljard tot maximaal € 1,8 miljard), indien dat risico, waarvan de aard en omvang pas in november 2019 duidelijk werd, zou materialiseren (zie de onder 5.9 opgenomen toelichting van de Minister voor Milieu en Wonen). Deze reden is niet van redelijke grond ontbloot.\n\n5.18.. \n\nVoorts is ten aanzien van belanghebbende geen sprake van een individuele en buitensporige last. De reparatiewet behelst in feite namelijk de beëindiging van een niet door de wetgever beoogd fiscaal privilege voor de mede-eigenaar dat is ontstaan als gevolg van de discriminatoire toerekeningssystematiek van artikel 1:3 Wmw en het arrest van 8 juni 2018.\n\nDe reparatiewet en de terugwerkende kracht daarvan hebben bovendien geen gevolgen gehad voor de belastingplicht van belanghebbende als enig-eigenaar van huurwoningen als zodanig.\n\n5.19.. Gelet op het vorenstaande vormt de reparatiewet en de daaraan verbonden terugwerkende kracht in het geval van belanghebbende geen inbreuk op artikel 1 EP noch komt deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, zodat de stelling van belanghebbende faalt.\n\n5.20.. De overige stellingen van belanghebbende zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat aan de reparatiewet geen terugwerkende kracht mocht worden toegekend en behoeven daarom geen behandeling.\n\nSlotsom\n\n5.21.. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 17 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1586","2026-07-13T00:29:17.973Z",20]