[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":97,"limit":98},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2026-02-17T00:00:00.000Z","2026-06-19T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,50,57,64,71,80,89],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1717","ECLI:NL:RBDHA:2026:18559","ecli-nl-rbdha-2026-18559","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4991\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18559","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:35.531Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1798","ECLI:NL:RBDHA:2026:17164","ecli-nl-rbdha-2026-17164","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.28974 en NL26.30997\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 21 mei 2026 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978.\n\nOver bestreden besluit 1 (de zaak bekend onder nummer NL26.30997)\n\n2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op\n\nvreemdelingen heeft onttrokken;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;\n\n en als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van\n\nhet Vb 2000 heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3. Allereerst wordt vastgesteld dat de gronden waarop het terugkeerbesluit berust niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichten gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en deze gronden kunnen het besluit dan ook dragen.\n\n4. De rechtbank volgt het betoog van eiser niet dat het terugkeerbesluit ondeugdelijk is gemotiveerd en onvoldoende concreet is ten aanzien van het land van terugkeer. Op 21 mei 2026 heeft verweerder een terugkeerbesluit genomen waarin als land\u002Fgebied van herkomst de Westelijke Sahara is opgenomen naar aanleiding van eisers eigen verklaringen en daarbij is tevens de Algerijnse nationaliteit van eiser vermeld. Mede omdat de Westelijke Sahara geen erkend land is, is op 28 mei 2026 een aanvullend terugkeerbesluit genomen met als aangewezen landen voor terugkeer Algerije en Marokko. De rechtbank is van oordeel dat uit het terugkeerbesluit van 21 mei 2026 mede door de daarin genoemde nationaliteit al voldoende duidelijk bleek op welk land het is gericht. Anders dan eiser en verweerder menen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake was van een gebrek. In het aanvullend terugkeerbesluit van 28 mei 2026 heeft verweerder dit nader geconcretiseerd en daarnaast ook Marokko genoemd als land waarnaar eiser mogelijk uitgezet kan worden. Verweerder heeft ook bij beide landen een aanvraag voor een laissez-passer (lp) gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zowel het oorspronkelijke als het aanvullend terugkeerbesluit rechtmatig zijn.\n\nOver bestreden besluit 2 (de zaak bekend onder nummer NL26.28974)\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft dit op dezelfde gronden gebaseerd als hiervoor onder overweging 2 zijn genoemd.\n\n6. De gemachtigde van eiser betwist de zware gronden 3b en 3d die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarbij is er onvoldoende zicht op uitzetting. Eiser verblijft inmiddels bijna een maand in bewaring en er is nog geen concrete voortgang zichtbaar ten aanzien van eisers uitzetting. Zolang een deugdelijke grondslag voor de lp-procedure ontbreekt is aannemelijk dat uitzetting niet binnen een redelijk termijn kan worden gerealiseerd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de zware grond onder 3a en 3i, en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarvoor gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen, nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Gelet hierop behoeven de door eiser bestreden gronden geen bespreking meer.\n\n8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de verwijdering uit Nederland, dan wel dat zicht op uitzetting ontbrak. Op 21 mei 2026 is eiser op de onderhavige grondslag in bewaring gesteld. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld is verweerder niet gehouden om uitzettingshandelingen te verrichten in de periode dat eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring verbleef. Op 1 juni 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden, op 2 juni 2026 is de lp-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten zal zo spoedig mogelijk worden ingediend omdat de aanvraag moet worden voorzien van dactyloscopische gegevens. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat eiser op 3 juni 2026 heeft geweigerd om zijn vingerafdrukken te laten afnemen. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank acht ten aanzien van het zicht op uitzetting van belang dat voor Marokko en Algerije in zijn algemeenheid wordt aangenomen dat daarvan sprake is. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van eiser anders over te oordelen mede gelet op het feit dat niet is gebleken dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten de aanvraag niet in behandeling zullen nemen. 10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.Over de beroepen\n\n11. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\n De rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17164","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.444Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"2000","ECLI:NL:RBDHA:2026:17204","ecli-nl-rbdha-2026-17204","2026-06-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: AWB 25\u002F14954 en AWB 25\u002F14955\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft ook voor hem getolkt in het Portugees. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Braziliaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1976. Eiser had een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden omdat hij aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Verweerder heeft die verblijfsvergunning op 21 juni 2024 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 22 januari 2024, omdat het Openbaar Ministerie op laatstgenoemde datum heeft besloten geen vervolging in te stellen op basis van de aangifte van eiser.\n\n3. Eiser heeft op 22 november 2024 een aanvraag ingediend tot verlenging van zijn verblijfsvergunning. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen omdat de verblijfsvergunning al was ingetrokken. Omdat ook in de bezwaarfase niet is gebleken dat het strafrechtelijk onderzoek is heropend of dat er een nieuw onderzoek is gestart, is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven met het bestreden besluit van 27 juni 2025. Dat besluit ligt in deze zaak voor.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Anders dan het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd, heeft eiser wel vastgezeten in de macht van de mensenhandelaar. Daarnaast heeft eiser familieleven in Nederland opgebouwd. Zijn kinderen zitten hier op school, spreken Nederlands en hebben hier hun sociale leven. Eiser heeft daarnaast een eigen bedrijf in de bouw, waarmee hij een bijdrage levert aan de Nederlandse economie. Verweerder moest eiser in de bezwaarfase horen, omdat tijdens een hoorzitting meer informatie naar voren had kunnen komen over de mensenhandel en eisers gezin. Verweerder heeft nu nagelaten de belangen van de kinderen mee te nemen in het bestreden besluit.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n6. Anders dan eiser heeft betoogd, hoefde verweerder het bezwaar in deze procedure niet op te vatten als een bezwaar tegen het intrekkingsbesluit. Het intrekkingsbesluit is namelijk op de juiste manier bekendgemaakt aan de vorige gemachtigde van eiser en eiser heeft toen de gelegenheid gehad om in bezwaar te gaan tegen de intrekking. Dit heeft hij niet gedaan. Daarom ligt in deze zaak alleen de vraag voor of verweerder de verlengingsaanvraag terecht heeft afgewezen.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning op goede gronden afgewezen. Allereerst vindt de rechtbank van belang dat de intrekking van de verblijfsvergunning in rechte vast is komen te staan. Omdat er geen vervolging of strafzaak loopt, voldoet eiser ook in deze procedure niet aan de eisen voor dit type verblijfsvergunning. Er is ten eerste geen sprake van een strafrechtelijke vervolging in de zaak waarin eiser aangifte heeft gedaan, nu het Openbaar Ministerie op 22 januari 2024 heeft besloten de zaak te seponeren. Eiser heeft ook niet naar aanleiding van die beslissing verzocht om alsnog vervolging in te stellen op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank kan in deze procedure niet beoordelen of het Openbaar Ministerie terecht is gestopt met het onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiser. Er is ook niet gebleken dat het eerdere strafrechtelijke onderzoek is heropend of dat er een nieuw onderzoek is begonnen. Dat eiser een nieuwe aangifte heeft ingediend, is hiervoor niet voldoende, omdat niet is gebleken dat naar aanleiding van die aangifte een nieuw onderzoek is begonnen. Het stuk dat eiser na afloop van de zitting heeft ingediend over zijn aangifte, kan de rechtbank niet betrekken bij de beoordeling van het beroep omdat het onderzoek al is gesloten.\n\n8. Hoewel te prijzen is dat eiser na wat hij heeft meegemaakt, in staat is geweest een leven op te bouwen in Nederland, hard te werken en voor zijn gezin te zorgen, kan dat niet leiden tot voortzetting van zijn verblijfsvergunning op basis van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft namelijk bij de aanvraag en in de bezwaarfase niet onderbouwd waar zijn privéleven in Nederland uit bestaat. Verweerder hoefde daarom geen aanleiding te zien dit nader te onderzoeken.\n\n9. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Verweerder heeft in het primaire besluit al gemotiveerd waarom de aanvraag is afgewezen en eiser heeft zijn bezwaargronden, ondanks het verzoek van verweerder, niet aangevuld. Verweerder hoefde daarom geen aanknopingspunten te zien om eiser te horen. Voor een verstrekkende ambtshalve toetsing van de punten die pas in de beroepsfase naar voren zijn gekomen – namelijk eisers privéleven en het belang van het kind – ziet de rechtbank in deze zaak geen ruimte. Dit geldt te meer omdat ook in beroep geen stukken zijn ingebracht ter onderbouwing van de situatie van eiser en zijn gezin in Nederland.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n10.1.. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.\n\n10.2.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie paragraaf B9\u002F12 van de Vreemdelingencirculaire.\n\n Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17204","2026-07-13T00:29:49.412Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":54,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":56},"1993","ECLI:NL:RBDHA:2026:17203","ecli-nl-rbdha-2026-17203","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummers: AWB 26\u002F2184 en AWB 25\u002F14754\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser)\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\n(gemachtigde: drs. F.W. King),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. Verweerder heeft met het besluit van 15 juli 2025 de aanvraag van eiser om wedertoelating als oud-Nederlander niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1976. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk. Hij verzoekt wedertoelating als oud-Nederlander.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat eiser onvoldoende stukken en informatie heeft overgelegd om de aanvraag te beoordelen.Omdat eisers aanvraag niet compleet was, heeft verweerder hem op 12 juni 2025 gevraagd om meer stukken en informatie. Eiser heeft niet gereageerd op dat verzoek.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder hanteert beperkingen die eisers toelating in de weg staan en niet verenigbaar zijn met het verblijfsdoel als oud-Nederlander. Verweerder heeft miskend dat eiser is geboren als Nederland en die nationaliteit van rechtswege heeft verloren en heeft daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Daarnaast heeft verweerder niet goed gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval de aanvraag niet heeft ingewilligd. Van eiser mag ook niet worden verwacht dat hij naar Suriname gaat om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan te vragen. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n6. Verweerder heeft de bevoegdheid om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit.Verweerder moet de aanvrager dan wel eerst de gelegenheid geven om de aanvraag binnen een door hem gestelde termijn aan te vullen. Het is aan verweerder om te beoordelen of hij over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op de aanvraag te nemen. De omvang van het geding bij de rechter beperkt zich dan tot de rechtsvraag of het bestuursorgaan terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en vervolgens om die reden buiten behandeling heeft mogen laten.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn brief van 12 juni 2025 heeft aangegeven dat de aanvraag niet compleet is. Verweerder heeft eiser verzocht om de ontbrekende informatie en stukken alsnog aan te leveren. Specifiek heeft verweerder aan eiser gevraagd om te onderbouwen dat hij een bijzondere band heeft met Nederland, bijvoorbeeld vanwege zijn opleidingsachtergrond, opvoeding, maatschappelijke positie of dienstbetrekking. Verweerder heeft eiser ook gevraagd aan te geven wanneer hij Nederland binnen is gekomen en of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat niet van eiser verwacht mag worden dat hij vanuit Suriname een mvv aanvraagt. In de brief is aangegeven dat verweerder kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen als eiser de aanvraag niet compleet maakt.\n\n8. Eiser heeft bij zijn aanvraag kopieën van zijn paspoort, stukken omtrent het overlijden van zijn moeder, en toelichtingen bij de nationaliteit van eisers ouders en zijn kinderen overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder dit onvoldoende vinden om vast te stellen of een bijzondere band heeft met Nederland zoals vereist voor dit type verblijfsvergunning. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder wel van eiser verwachten dat hij zelf zijn band met Nederland nader zou onderbouwen. Het is immers in eerste instantie aan de aanvrager om zijn aanvraag compleet te maken. Hiervoor is onvoldoende dat eisers ouders Nederlands waren en dat eiser op latere leeftijd bij de ambassade heeft verzocht om de Nederlandse nationaliteit. Ook eisers betoog dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom in dit specifieke geval de aanvraag niet in behandeling is genomen, slaagt niet. Verweerder heeft in de brief van 12 juni 2025 en de beide besluiten duidelijk aangegeven welke informatie nodig is om op de aanvraag te beslissen en welke informatie ontbreekt. Dat eiser ter zitting heeft aangegeven over meer relevante stukken te beschikken, bijvoorbeeld over zijn opleiding, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Van belang is namelijk dat deze stukken bij de aanvraag en in bezwaar niet zijn overgelegd.\n\n9. Gemachtigde heeft ter zitting een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in het kader van de hoorplicht. Een rechtbank van een andere zittingsplaats zou in een gelijk geval het beroep gegrond hebben verklaard vanwege schending van de hoorplicht, mede omdat verweerder niet ter zitting bij de rechtbank was verschenen. Zoals besproken ter zitting, zou gemachtigde de uitspraak overleggen waar hij naar heeft verwezen in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder niet ter zitting is verschenen. Gemachtigde heeft de uitspraak, voorzien van een begeleidend schrijven overgelegd. De rechtbank zal echter alleen de uitspraak betrekken bij het beroep, zoals afgesproken. Ten aanzien van die overgelegde uitspraak, merkt de rechtbank op dat dit geen gelijk geval betreft als dat van eiser. In die zaak ging het om een aanvraag ‘afwachting beslissing artikel 17 RWN’ én die aanvraag inhoudelijk is afgewezen. Nu het in onderhavige zaak gaat om een aanvraag ‘wedertoelating van een oud- Nederlander’ en de aanvraag buiten behandeling is gesteld, is het geen gelijk geval en slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Bovendien is in de aangehaalde zaak het beroep gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek en schending van de hoorplicht omdat er in de bestuurlijke fase sprake is geweest van een grondslagwijziging in het bestreden besluit.\n\n10. In het besluit op bezwaar moest verweerder eerst en vooral beoordelen of het niet in behandeling nemen van de aanvraag rechtmatig was. Omdat er geen (verschoonbare) reden is gegeven voor het niet overleggen van de aanvullende informatie en die informatie ook in bezwaar niet alsnog beschikbaar is gekomen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestond dat het bezwaar van eiser niet zou leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder hoefde eiser daarom niet te horen in bezwaar.\n\n11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat er niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van enig beleid op grond van artikel 4:84 van de Awb.\n\n12. Omdat verweerder de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te behandelen, komt de rechtbank niet toe aan eisers inhoudelijke gronden over een belangenafweging en het mvv-vereiste.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Verweerder hoefde eisers aanvraag niet in behandeling te nemen.\n\n13.1.. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.\n\n13.2.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart beroep ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nTegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie artikel 4:5, eerste lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2060, r.o. 4.2.\n\n Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4177.\n\n Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17203","2026-07-13T00:29:49.062Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":63},"2003","ECLI:NL:RBDHA:2026:17205","ecli-nl-rbdha-2026-17205","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 25\u002F16942\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres 1], eiseres 1\n\nV-nummer: [V-nummer 1]\n\nen\n\n [eiseres 2], eiseres 2\n\nV-nummer: [V-nummer 2]\n\nhierna tezamen: eiseressen,\n\nen\n\nde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een visum kort verblijf\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met de besluiten van 20 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2025 op het bezwaar van eiseressen is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent en de echtgenote van referent. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 1970 en eiseres 2 op [geboortedatum 2] 2014. Zij hebben de Marokkaanse nationaliteit. Zij hebben een visum kort verblijf aangevraagd om hun zus en tante, [naam 1], en haar echtgenoot, [naam 2] (referent) in Nederland te bezoeken.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseressen het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.\n\nWat vinden eiseressen in beroep?\n\n4. Eiseressen zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren het volgende aan. Bij de aanvraag hebben zij de nodige documenten al aangeleverd. Verweerder vraagt nu om stukken en informatie die niet bij de aanvraag al werden verwacht. Verweerder verwacht bijvoorbeeld een familieboekje en geboorteaktes, terwijl deze niet in de checklist bij de aanvraag genoemd werden. Ook is met de overgelegde stukken wel duidelijk genoeg dat de betrokkenen familie van elkaar zijn en dat eiseressen zullen terugkeren naar Marokko. Eiseres 1 woont bij haar zoons en eiseres 2 is een schoolgaande tiener die bij haar gezin woont. Verweerder heeft eiseressen ook in de bezwaarfase niet in de gelegenheid gesteld de stukken aan te vullen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiseressen geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n6. In artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een visum geweigerd kan worden. Deze weigeringsgronden zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden van toepassing is.De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat wel van eiseressen verwacht mocht worden dat zij hun aanvraag met meer stukken zouden onderbouwen. Het is namelijk in eerste instantie aan een aanvrager om diens aanvraag compleet te maken. Hoewel het begrijpelijk is dat voor eiseressen niet heel duidelijk was welke stukken nog meer nodig waren, was die informatie wel voldoende beschikbaar via de website van de IND en de aanvraagformulieren die daarop staan. Op pagina 5 van de ‘Vragenlijst (1) Visumaanvraag’ is benoemd: ‘Stuur bewijs mee van de gezinsband van de visumaanvrager. Zoals een huwelijksakte, geboorteakte(s) of een familieboekje.’ Dat ziet op elke visumaanvrager die op de voorgaande pagina gezinsleden heeft ingevuld. Hoewel de rechtbank inziet dat vanwege de plaatsing op het aanvraagformulier makkelijk over deze tekst heen te lezen is, concludeert de rechtbank toch dat verweerder eiseressen voldoende heeft geïnformeerd over welke stukken nodig zijn. Dat eiseressen zich bij hun aanvraag met name hebben gebaseerd op de checklist, neemt niet weg dat de informatie over de benodigde stukken beschikbaar was. Verweerder heeft daarnaast in de primaire besluiten van 20 juni 2025 aangegeven dat de aanvraag is afgewezen omdat verschillende punten onvoldoende waren onderbouwd. Benoemd zijn onder andere om de familierelatie, het doel en de omstandigheden van het verblijf, en het voornemen om terug te gaan naar Marokko. Ook in de vragenlijst van het bezwaar is ruimte geboden om die punten met meer stukken te onderbouwen. Verweerder hoefde eiseressen in de bezwaarfase niet meer gelegenheid te geven om de stukken aan te vullen of om specifieke stukken te vragen.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook concluderen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en dat er twijfel bestaat over hun voornemen om het grondgebied te verlaten. De rechtbank ziet in dat eiseressen en referent veel moeite hebben gedaan om hun aanvraag te onderbouwen. Toch is van belang dat eiseressen – zoals verweerder heeft gesteld – geen stukken hebben ingediend over verschillende punten die belangrijk zijn voor de beoordeling van hun visumaanvraag. Zoals hiervoor besproken, mocht dit wel van hen verwacht worden. Omdat eiseressen de aanvraag hebben gedaan voor een familiebezoek, mocht van hen verwacht worden dat zij de familieband onderbouwen. Dit is namelijk nodig om het doel en de omstandigheden van het bezoek vast te stellen. Dat de betrokkenen dezelfde achternaam hebben, is op zichzelf niet genoeg voor de conclusie dat een familierelatie bestaat. Ook kan op basis daarvan niet worden vastgesteld wat die relatie dan precies is. Zonder nadere onderbouwing van de (leef)omstandigheden van eiseressen in Marokko, kon verweerder ook niet vaststellen dat zij voldoende binding met Marokko hebben om terug te keren. Dat eiseres 1 bij haar zoons woont en eiseres 2 naar school gaat, kon verweerder met het dossier zoals het er ligt, niet vaststellen. De rechtbank kan goed begrijpen dat eiseres 1, juist nu zij vanwege het overlijden van haar moeder geen zorgtaken meer heeft voor haar moeder, graag Nederland wil bezoeken. In dat licht is de rechtbank ook met eiseressen eens dat aan het overlijden van de moeder niet zomaar de conclusie mag worden verbonden dat eiseres geen sociale binding meer heeft met Marokko. Maar ook hiervoor geldt dat er nu onvoldoende stukken zijn overgelegd om te concluderen dat eiseressen wel een sterke sociale binding hebben met Marokko.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie artikel 32, eerste lid, onder a en ii en onder b, van de Verordening (EG) nr. 810\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17205","2026-07-13T00:29:49.513Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":68,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":70},"2005","ECLI:NL:RBDHA:2026:17206","ecli-nl-rbdha-2026-17206","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\n zaaknummer: AWB 25\u002F17747\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [v-nummer]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU\u002FEER, met als doel verblijf bij een burger van de Unie.\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en G. Günes als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU\u002FEER, omdat hij in Nederland wilde verblijven bij zijn partner [referente] (referente). In bezwaar heeft eiser aangegeven dat de relatie inmiddels is geëindigd. Eiser heeft verweerder verzocht toch in Nederland te mogen blijven om als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) in de bouw te werken.\n\n3. Verweerder is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft daarbij benoemd dat nu eisers relatie voorbij is, eiser ook geen afgeleid EU-verblijfsrecht kan hebben vanwege die relatie. Dat eiser in Nederland wil werken, maakt dat voor deze aanvraag niet anders. Volgens verweerder is ook het privéleven van eiser in de zin van artikel 8 van het EVRMgeen reden is om eiser toe te staan in Nederland te blijven.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Hij heeft werkervaring in de bouw en wil als ZZP’er in Nederland werken. Hij zal belasting betalen en geen gebruik maken van overheidssteun. Zijn werkervaring heeft eiser onderbouwd met certificaten, Whatsappgesprekken met klanten en foto’s. Eiser heeft daarnaast in Nederland zijn leven opgebouwd. Hij is de Nederlandse taal aan het leren en aan het integreren.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\n6. Eiser heeft zijn aanvraag in eerste instantie gedaan op basis van zijn relatie met referente. Nu eiser zelf heeft aangegeven dat hij en referente uit elkaar zijn gegaan, heeft hij geen afgeleid EU-verblijfsrecht vanwege de relatie. Hier zijn partijen het ook over eens.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde verweerder eiser ook geen verblijfsvergunning te verlenen omdat hij als ZZP’er wil werken in de bouw. Eiser heeft zijn aanvraag namelijk niet voor dat doel gedaan. Verweerder hoefde daarom in deze procedure niet uit zichzelf (ook wel: ambtshalve) te beoordelen of eiser wel als ZZP’er in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat eiser werkervaring en certificaten heeft is dus in deze aanvraagprocedure niet relevant. Eiser kan een aanvraag indienen op basis van zijn werk en werkervaring. Verweerder kan dan in die procedure beoordelen of eiser daarom in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.\n\n8. Ook eisers betoog dat hij in Nederland zijn leven heeft opgebouwd en zijn toekomst hier ziet, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder aan hem een verblijfsvergunning moest verlenen. De rechtbank begrijpt eisers betoog als een beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daar is verweerder in de besluiten van 25 juli 2025 en 26 augustus 2025 op ingegaan. Partijen zijn het erover eens dat eiser in Nederland enig privéleven heeft opgebouwd in de zin van artikel 8 van het EVRM. Dat betekent dat verweerder de belangen van Nederland moest afwegen tegen de belangen van eiser, zoals hij heeft gedaan in het bestreden besluit. Partijen zijn het er niet over eens of verweerder eisers aanvraag moest inwilligen omdat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat binding die met Nederland ontstaat door langdurig illegaal verblijf niet genoeg is om een schending van privéleven aan te nemen.Dit ligt anders als de band die de vreemdeling met Nederland heeft, de gebruikelijke banden overstijgt. Daar is in eisers geval geen sprake van.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1429).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17206","2026-07-13T00:29:49.589Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":78,"parsedAt":31,"updatedAt":79},"1040","ECLI:NL:RBDHA:2026:15055","ecli-nl-rbdha-2026-15055","2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.8753\n uitspraak van 2 juni 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n \n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (hierna: referent). Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (namens referent),\n\nK. Lachmansingh als tolk, de gemachtigde van verweerder, en mr. [naam 2] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)).\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Van\n\n22 maart 2023 tot en met 22 maart 2025 heeft hij een GVVA gehad om als Aziatische kok bij referent te werken. Op 20 februari 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan om verlenging van deze vergunning.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen vanwege een negatief UWV-advies. Uit het UWV-advies volgt dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is, er geen (goede) vacaturemelding is gedaan, referent onvoldoende gezocht heeft naar kandidaten, en referent onnodige eisen heeft gesteld aan de functie.Deze voorwaarden mogen volgens verweerder worden tegengeworpen omdat de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca is komen te vervallen.\n\nWat vindt eiser in beroep?\n\n4. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte het negatieve UWV-advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het advies is namelijk onzorgvuldig en onjuist en de conclusies zijn niet inzichtelijk en niet navolgbaar. Verweerder heeft in de eerste plaats ten onrechte niet om een reactie gevraagd op het advies in de bezwaarfase.In het UWV-advies komt in de tweede plaats niet of onvoldoende terug dat het gaat om een verblijfsvergunning die eerder wel aan eiser is verleend voor dezelfde functie, zodat eiser vertrouwen kon en mocht ontlenen aan de eerder verleende vergunning. In die eerdere procedure is eisers aanvraag in eerste instantie afgewezen omdat eiser niet aan de ervaringsvereisten zou voldoen. Referent heeft bij de verlengingsaanvraag rekening gehouden met deze eisen en vervolgens wordt tegengeworpen dat die ervaringsvereisten niet gesteld mogen worden. Onder gelijkblijvende omstandigheden kunnen niet plotseling andere functie-eisen worden gesteld, dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Alle tegengeworpen afwijzingsgronden zien op de door referent gestelde eis van één jaar werkervaring in de Indiase keuken. De conclusie van het UWV dat de werkervaringseis irreëel is kan niet worden gevolgd. Het UWV stelt ten onrechte in zijn algemeenheid dat voor het werken als kok in de Aziatische horeca geen werkervaring vereist is en er daarom prioriteitgenietend aanbod bestaat. Referent heeft namelijk uitgebreid gemotiveerd wat de karakteristieken zijn van deze specifieke functie. Verweerder heeft tot slot ten onrechte gesteld dat het advies gestoeld is op dwingende afwijzingsgronden en er geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging.\n\nWat is de voorgeschiedenis?\n\n5. Vanwege een personeelsprobleem in de Aziatische horeca is op 1 oktober 2014 het Convenant Aziatische Horecagesloten. Onder dit Convenant werd afgezien van de wettelijke toets op prioriteitgenietend aanbod voor werkgevers in de Aziatische horeca die koks wilden tewerkstellen voor de functieniveaus 4 tot en met 6. In 2019 is het Convenant Aziatische Horeca voortgezet in de Regeling Aziatische horeca. Als onderdeel van de uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horeca hanteerde het UWV bij toetsing van de aanvragen “specifieke functie-eisen”. Het betrof verschillende eisen, waaronder vaardigheden die volgens de branche nodig waren om de specifieke gerechten te kunnen bereiden en kennis van de taal en cultuur van het desbetreffende Aziatische land. Om aan de specifieke functie-eisen te voldoen, had een kok op functieniveau 4 een mbo niveau 3-diploma en twee jaar werkervaring nodig.5.1.. Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen.De aanleiding hiervoor was dat het kabinet signalen had ontvangen die zouden kunnen duiden op gevallen van mensenhandel en\u002Fof mensensmokkel. Tot 1 februari 2022 was er sprake van overgangsrecht en daarnaast bleef de Regeling Aziatische horeca van toepassing op reeds verleende vergunningen en verlengingsaanvragen. Na het besluit tot stopzetting van de regeling heeft het kabinet nagedacht over de vraag of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven. In afwachting van dit besluit is het UWV na 1 februari 2022 blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen die voortvloeiden uit het Convenant Aziatische Horeca. Op 18 november 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd dat de Regeling voor de Aziatische horeca definitief komt te vervallen.De minister heeft het UWV in lijn daarmee verzocht om het toetsingskader aan te passen. In een brief van 17 mei 2023 zijn de sectorvertegenwoordigers geïnformeerd dat per 1 juli 2024 de toets aan de specifieke functie-eisen kwam te vervallen.Daarmee is een definitief einde gekomen aan de uitzonderingspositie van de Aziatische horeca.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHeeft verweerder eiser opnieuw moeten horen naar aanleiding van het UWV-advies in bezwaar?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft hoeven te stellen om – op grond van artikel 7:9 van de Awb – opnieuw gehoord te worden naar aanleiding van het aanvullende UWV-advies in de bezwaarfase. Eiser is in bezwaar in staat gesteld zijn zienswijze te geven op het eerste advies van het UWV. Vervolgens heeft verweerder in de opmerkingen van eiser aanleiding gezien om een aanvullend advies te vragen. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat het aanvullend advies een nadere nuancering is van het eerste advies. Het UWV heeft hier geen nieuwe argumenten aan ten grondslag gelegd, maar is enkel ingegaan op de bezwaargronden en heeft aangegeven waarom deze volgens hem geen afbreuk doen aan het eerdere advies. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke onderdelen van het aanvullende advies meer dan een nadere nuancering zouden zijn.\n\nHeeft verweerder het UWV-advies ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit?\n\n7. Verweerder moet voordat hij een besluit neemt over de verlening, verlenging of intrekking van een GVVA advies vragen aan het UWV.Het UWV-advies is een deskundigenadvies. Wanneer verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een aanvrager kan de bevindingen uit een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag verweerder niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt verweerder de opsteller van het advies een reactie over wat op het advies is aangevoerd.\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende is nagegaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Verweerder heeft het UWV om een reactie gevraagd op de beroepsgronden waarin eiser het UWV-advies inhoudelijk betwist en deze reactie opgenomen in het verweerschrift. In dat wat door eiser naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het UWV-advies of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in het UWV-advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\n8.1.. De beroepsgrond van eiser dat in het UWV-advies, dan wel in de keuze van verweerder om dit onverkort aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, onvoldoende terugkomt dat het gaat om een verlenging van een verblijfsvergunning die eerder aan eiser voor dezelfde functie is verleend, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank licht dit hierna toe.\n\n8.1.1.. Bij een verlengingsaanvraag moet opnieuw worden getoetst of nog aan de beperking wordt voldaan waarvoor de vergunning is verleend. Er wordt niet of niet langer aan de beperking voldaan, indien de vreemdeling niet meer in Nederland verblijft voor het doel waarvoor de vergunning is verleend of niet meer voldoet aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van het verblijfsdoel worden gesteld.Het uitgangspunt is dat een aanvraag wordt getoetst aan de op dat moment geldende regelgeving. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat het hem er niet om gaat dat de Regeling Aziatische horeca is afgeschaft, maar om het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen. Volgens eiser is het vervallen van die toets niet op de juiste manier bekendgemaakt en volgt dit niet zonder meer uit het afschaffen van de regeling. Ook is het vervallen van de toets volgens eiser in strijd met de regels uit de Wav, waarin de toets aan prioriteitgenietend aanbod leidend is. Tot slot heeft eiser gewezen op Richtlijn 2024\u002F1233waarin is aangegeven dat de voorwaarden en criteria op grond waarvan een GVVA-aanvraag kan worden afgewezen objectief moeten zijn en in het nationale recht moeten zijn vastgesteld.\n\n8.1.2.. De rechtbank oordeelt dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten eerste strekt het rechtszekerheidsbeginsel niet zover dat regelgeving en\u002Fof beleid niet mag worden aangepast. Daarnaast vloeiden de specifieke functie-eisen voort uit het Convenant Aziatische Horeca. Zoals weergegeven in 5. en 5.1. is het UWV, nadat de Regeling Aziatische horeca was vervallen, blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen omdat de regeling mogelijk in een andere vorm zou herleven. Nadat duidelijk werd dat de Regeling Aziatische horeca definitief kwam te vervallen, heeft het UWV daarom ook de toets aan de specifieke functie-eisen mogen laten vervallen. Dat dit beleid zou komen te vervallen is daarbij ruim van tevoren aangekondigd in de brief aan de sectorvertegenwoordigers van 17 mei 2023, zodat werkgevers maatregelen konden treffen.\n\n8.1.3.. Ook volgt de rechtbank niet dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen in strijd zou zijn met de regels uit de Wav. Dat de beleidsmatige toets aan die specifieke functie-eisen is vervallen, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod die volgt uit de Wav niet meer gekeken kan worden of voor het werken als kok bij een werkgever bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. Het betekent alleen dat niet langer op voorhand door het UWV beleidsmatig wordt aangenomen dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-vereisten gelden. Eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024\u002F1233 slaagt niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.\n\n8.1.4.. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij kon en mocht afleiden dat zijn verlengingsaanvraag zou worden ingewilligd. Eiser heeft dit niet kunnen afleiden uit de eerdere verlening van zijn vergunning in 2023, gelet op het vervallen van de regeling Aziatische Horeca en de aankondiging van het vervallen van de beleidsmatige toets aan specifieke functie-eisen.\n\n8.2.. De conclusie van het UWV dat de door referent gestelde eis van aantoonbare werkervaring als zelfstandig kok irreëel is, is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n8.2.1.. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV de toets aan de specifieke functie-eisen, na het intrekken van de Regeling Aziatische horeca, mogen laten vervallen. Dat het UWV niet langer beleidsmatig aanneemt dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod niet meer gekeken kan worden of voor het werken als zelfstandig kok I bij referent bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. De rechtbank vindt in dit kader de conclusie van het UWV dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I in functiegroep 5, waar referent voor geworven heeft, in de Aziatische horecasector in het algemeen geen werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft verwezen naar het referentiehandboek horeca, waarin staat dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I mbo 3 werk- en denkniveau vereist is, zonder werkervaring. Ook heeft het UWV gewezen op een notitie van adviesbureau EVZ organisatie-advies (hierna: EVZ) van 5 april 2024 waaruit volgt dat vanuit het oogpunt van functiewaardering er geen reden is om onderscheid te maken tussen de niveaus van verschillende restaurants met een van oorsprong verschillende keuken. Een verschil in indeling wordt volgens EVZ alleen gerechtvaardigd door het kwaliteitsniveau van het restaurant. Voor restaurants in het ‘reguliere’ segment concludeert EVZ dat in ieder geval de functies van kok, zelfstandig werkende kok en sous-chefkok na een zekere inwerktijd ook kunnen worden uitgevoerd door koks die in Nederland zijn opgeleid. Het eigen maken van de voorbereiding van specifieke grondstoffen, het gebruik van specifieke ingrediënten en het leren toepassen van bereidingsmethoden voor specifieke gerechten vergt voor een in Nederland opgeleide kok een inwerktijd van ongeveer 3 tot 6 maanden.\n\n8.2.2.. In het Panteia-rapport uit 2016, waar eiser op heeft gewezen en waarin is geconcludeerd dat de functie-eisen uit het Convenant Aziatische Horeca reëel en proportioneel waren, ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt tot twijfel aan de redenering en de conclusie van het UWV. In het Panteia-rapport zijn namelijk de inhoudelijke functie-eisen van het Convenant Aziatische Horeca als uitgangspunt genomen en is op basis daarvan onderzocht of beheersing van de taal en kennis van de cultuur noodzakelijk zijn om de functies goed uit te oefenen. In het rapport is daarbij ook aangegeven dat het de onderzoekers niet lijkt dat voor elke koksfunctie vanaf niveau 4 de kok alles moet beheersen wat in de functieomschrijving staat. Daarnaast is het Panteia-rapport inmiddels 10 jaar oud en is in de brief van 17 mei 2023, waarin het vervallen van de specifieke functie-eisen is aangekondigd, ook aangegeven dat het maatschappelijk speelveld en ook de Aziatische horecasector sinds 2016 sterk zijn gewijzigd.\n\n8.2.3.. Verder is ook de conclusie van het UWV dat referent niet heeft onderbouwd dat voor zijn specifieke restaurant wel werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft terecht opgemerkt dat pas in beroep voor het eerst is toegelicht dat referent de vegetarische\u002Fveganistische Indiase keuken bedient en welke specifieke deskundigheid, zoals authentieke kooktechnieken, hiervoor zijn vereist. Dit komt ook niet terug in de vacatures. Gelet op het feit dat in deze zaak gekeken moet worden naar hetgeen bij partijen op dit punt bekend was ten tijde van het bestreden besluit (de ex tunc-toetsing), kan de rechtbank dit niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Het staat eiser vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen waarin nader onderbouwd wordt waarom voor het werken bij referent in de beoogde functie nu juist wel specifieke werkervaring vereist is.\n\n8.3.. Gelet op het voorgaande volgt afdoende uit het UWV-advies dat er prioriteitgenietend aanbod is, bestaande uit personen met een mbo niveau 3 opleiding als (zelfstandig werkend) kok. In het verweerschrift heeft het UWV erop gewezen dat er op dit moment meer dan 500 werkzoekenden op zoek zijn naar een functie binnen het beroep van zelfstandig werkend kok. De stelling van eiser dat dit anders is omdat in het eerste kwartaal van 2026 50 procent van de GVVA-aanvragen in de Aziatische horeca wel is toegekend, leidt gelet op hetgeen hiervoor in deze uitspraak is overwogen niet tot een ander oordeel. Omdat referent heeft geworven met een irreële functie-eis, zijn ook de conclusies van het UWV dat geen (goede) vacaturemelding heeft plaatsgevonden en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht voldoende inzichtelijk en te volgen. Op de zitting heeft het UWV er nog op gewezen dat eiser en referent tegenbewijs kunnen leveren voor de stelling dat er sprake is van prioriteitgenietend aanbod wanneer de vacature op de juiste manier wordt opgesteld en er na wervingsinspanningen geen geschikte kandidaat voor de functie wordt gevonden. De aanvraag kan dan mogelijk alsnog ingewilligd worden.\n\n9. Nu verweerder voldaan heeft aan zijn vergewisplicht, heeft verweerder het UWV-advies aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.\n\nHeeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is van dwingende afwijzingsgronden en er daarom geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging?\n\n10. Eiser heeft erop gewezen dat artikel 9 van de Wav een facultatieve bepaling is en dat dit ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).Daarnaast kan volgens eiser op grond van artikel 8, derde lid, van de Wav worden afgeweken van de in het eerste lid opgenomen weigeringsgronden. Ook heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 2024\u002F1233 waaruit volgens hem volgt dat altijd aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\n10.1.. In het UWV-advies is geconcludeerd dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav van toepassing zijn. De weigeringsgronden van artikel 8 van de Wav zijn dwingend geformuleerd. In artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Wav staat dat ‘in door Onze Minister te bepalen gevallen’ kan worden afgeweken van het eerste lid, onder a, b, c, d en f. De uitzonderingen op grond van deze bepaling zijn nader uitgewerkt in bijlage I Uitvoeringsregels behorende bij de RuWav 2022. Het UWV heeft er terecht op gewezen dat daarin geen mogelijkheid is opgenomen om in gevallen als deze af te wijken. Volgens artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ verlenen, indien geen afwijzingsgrond uit de artikelen 8 en 9 van de Wav van toepassing is. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor een belangenafweging, omdat er dwingende weigeringsgronden aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Er heeft ook geen belangenafweging plaats hoeven vinden wat betreft de facultatieve weigeringsgrond uit artikel 9 van de Wav. Deze belangenafweging zou namelijk niet tot een ander oordeel kunnen leiden met betrekking tot de dwingende weigeringsgronden. Tot slot slaagt eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024\u002F1233 niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.\n\n11. Eiser heeft daarnaast gewezen op artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000, waarin staat dat de verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ ook in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid kan worden verleend. Verweerder heeft zich in reactie hierop op het primaire standpunt gesteld dat de rechtbank deze beroepsgrond niet kan betrekken, omdat eiser hier in bezwaar geen beroep op heeft gedaan. Subsidiair heeft verweerder, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000, betoogd dat eiser niet onder de uitzondering van artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 valt.\n\n11.1.. De rechtbank overweegt dat er tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt, en dat daarom in beroep gronden tegen een besluit kunnen worden aangedragen die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht.De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 heeft mogen concluderen dat enkel in gevallen die geregeld worden in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan worden afgeweken van de afwijzingsgronden uit de Wav en dat de wetgever niet beoogd heeft dat artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 wordt ingezet als vangnet voor zaken waarin is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wav. In paragraaf B5\u002F2.1.1 en B5\u002F2.1.2 van de Vc 2000 is uiteengezet in welke situatie toepassing wordt gegeven aan artikel 3.31, vijfde lid van het Vb 2000. Gesteld noch gebleken is dat van één van deze situaties sprake is.\n\n12. Verder heeft eiser nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, en daarbij tevens verwezen naar de Global Compact for Migration. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder in het bestreden besluit niet aan artikel 8 van het EVRM heeft hoeven toetsen. Eiser heeft namelijk in de aanvraagfase noch in de bezwaarfase impliciet of expliciet een beroep gedaan op het recht op familie- of privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Pas in beroep heeft eiser gewezen op het recht op eerbiediging van het privéleven, maar hij heeft ook niet nader onderbouwd op welke wijze het bestreden besluit hiermee in strijd komt. Het staat eiser verder vrij om een aparte aanvraag in te dienen voor de beoordeling van zijn beroep op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n13. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij door het niet verlengen van zijn verblijfsvergunning geschaad is in een aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015.De rechtbank overweegt dat dit betoog niet slaagt, omdat deze uitspraak in deze zaak niet van toepassing is. De uitspraak van de Afdeling ging over de vraag of iemand wel of niet als belanghebbende moest worden aangemerkt. In dit kader overwoog de Afdeling dat er een reële mogelijkheid bestond dat appellant als gevolg van het besluit in een, aan het fundamentele recht op arbeid ontleend, belang zou worden geschaad, ter bescherming waarvan toegang tot de bestuursrechter haar niet mocht worden onthouden. Eiser heeft in dit geval toegang tot de bestuursrechter gehad.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n15. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. E.M.A. Vinken, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav).\n\n Door de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca golden de voorwaarden in artikel 8, aanhef en onder a, b en c, van de Wav niet voor deze groep.\n\n Eiser beroept zich hierbij op artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\nStcrt.2014, 30765.\n\n Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2019, nr. 2019-0000122747, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de tewerkstelling van koks ten behoeve van de Aziatische horeca, Stcrt.2019, 48234.\n\n Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2021, 2021-0000162643, tot Wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de regeling voor tewerkstelling van koks in de Aziatische horeca, Stcrt.2021, 44414.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 35680, nr. 23.\n\n Brief van de Directeur Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 2023 aan de Aziatische horeca sector.\n\n Artikel 14a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).\n\n Memorie van Toelichting bij artikel 18 van de Vw, Kamerstukken II1998\u002F99, 26732, nr. 3.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (herschikking).\n\n In artikel 18, eerste lid, van Richtlijn 2024\u002F1233 staat dat de implementatietermijn op 21 mei 2026 verstrijkt.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022.\n\nStb.2000, 497.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, r.o. 9.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:1852.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15055","2026-06-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.762Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":31,"updatedAt":88},"954","ECLI:NL:RBDHA:2026:18606","ecli-nl-rbdha-2026-18606","2026-04-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F17090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn partner. Eiser is het er niet mee eens dat zijn aanvraag niet in behandeling is genomen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoefde te nemen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 1 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In het besluit van 30 mei 2024 heeft de minister bepaald dat hij de aanvraag niet in behandeling neemt.\n\n3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Eiser heeft hangende bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de werking van het besluit van 30 mei 2024 te schorsen (geregistreerd onder zaaknummer AWB 24\u002F10700).\n\n4. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2024 is de minister bij de niet in behandeling neming van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gelijktijdig heeft eiser ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de werking van het bestreden besluit te schorsen (geregistreerd onder zaaknummer AWB 24\u002F17091).\n\n5. De rechtbank heeft het beroep van eiser met de uitspraak van 12 maart 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zijn beroepsgronden niet tijdig heeft ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 24\u002F17091 met de uitspraak van 12 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het griffierecht niet heeft voldaan.\n\n6. Het door eiser ingestelde verzet is met de uitspraak van 31 oktober 2025 gegrond verklaard. De verzetsrechter overweegt dat de rechtbank in haar uitspraak van 12 maart 2025 het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat die uitspraak komt te vervallen. De verzetsrechter bepaalt dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich voor die uitspraak bevond en dat eiser in de gelegenheid gesteld dient te worden om zijn gronden van beroep in te dienen.\n\n7. Eiser heeft beroepsgronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\n8. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerdagingsverzoek\n\n9. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank verzocht de zitting te verdagen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Daaraan ligt de volgende motivering ten grondslag. De gemachtigde vraagt op donderdagavond 19 maart 2026 om 23:59 uur, voorafgaande aan de zitting daags erna om 11:40 uur, tot een nader te bepalen datum uitstel van de zitting wegens ziekte. Op grond van artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken dient een partij die na de uitnodiging voor de zitting om uitstel van de zitting verzoekt, dit verzoek onder aanvoering van gewichtige redenen schriftelijk, tijdig en zo mogelijk onderbouwd met bewijstukken in. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij moet in het verzoek om uitstel verhinderdata tot drie maanden na de zittingsdatum opnemen.\n\n10. In aanmerking genomen het middernachtelijke tijdstip waarop het verzoek is ingediend, acht de rechtbank het minder voor de hand liggen dat de ziekte kort daarvoor is opgekomen. Het is niet uit te sluiten, maar het verzoek is verder ook niet toegelicht op een manier die een betere beoordeling van de tijdigheid van de indiening mogelijk maakt. Op zijn minst mag worden verwacht dat vermeld wordt wanneer de ziekte is ingetreden. Niet uit te sluiten valt dat de gemachtigde immers al langer ziek was en al eerder zijn verzoek had kunnen indienen en daar te lang mee heeft wacht. Dit mag echter niet tot nadeel van de rechtbank en andere belanghebbenden strekken. Verder is het verzoek ook niet van verhinderdata voorzien. Dit is van belang om een voortgang in de zaak te kunnen behouden en een inschatting te kunnen maken van het belang om de zaak wel of niet door te laten gaan. Het onderliggende geschil is verder eenvoudig zodat ook de waarnemer zonder al te veel inspanningen deze zaak had kunnen overnemen. Naar de gemachtigde stelt is de waarnemer niet beschikbaar. Ook dit is verder niet toegelicht. De rechtbank houdt daarom vast aan de eisen die het procesreglement aan het indienen van een verdaging stelt en heeft verzoek om uitstel afgewezen.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n11. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 1 maart 2024 een aanvraag ingediend – middels een handgeschreven brief - voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn partner. Het gaat in deze zaak dus niet om (een van) de, zoals de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, vijf aanvragen om afgifte van een verblijfsdocument EU\u002FEER–die in de periode tussen 9 april 2024 en 13 januari 2026 zijn ingediend en waarvan inmiddels ook al twee (digitale) beroepsprocedures met bijbehorende voorzieningenprocedures bij de rechtbank aanhangig zijn.\n\n12. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag.Eiser is niet in persoon aan het IND-loket verschenen om de aanvraag compleet te maken en hij heeft geen leges betaald.\n\n13. Eiser vindt dat zijn aanvraag ten onrechte niet in behandeling is genomen. Eiser stelt dat hij geen nota heeft gehad. Tegen eiser is gezegd dat hij naar een IND-loket moest komen en daar de leges af moest rekenen. Eiser was hierdoor in de veronderstelling dat hij pas na ontvangst van de nota deze kon afrekenen bij het loket van de IND. Eiser vindt dat hij niet in verzuim is omdat hij geen termijn heeft ontvangen waarbinnen hij de nota moest betalen. In de bezwaarprocedure heeft eiser evenmin de gelegenheid gekregen de nota te voldoen, terwijl dit de enige mogelijkheid was om een eventueel bestaand verzuim te herstellen. Verder stelt eiser dat de minister stelselmatig de hoorplicht schendt.\n\nHet niet in behandeling nemen van de aanvraag\n\n14. De rechtbank stelt eerst vast dat eiser in zijn beroepschrift zijn bezwaargrond over het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag (grotendeels) letterlijk heeft herhaald. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op deze bezwaargrond. De enkele herhaling van de bezwaargrond- zonder daarbij aan te geven in welk opzicht de reactie van de minister in het bestreden besluit ontoereikend was – is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. De rechtbank zal zich dan ook enkel concentreren op de door eiser in beroep gemotiveerde gronden.\n\n15. Een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen als de aanvrager niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Voordat een bestuursorgaan besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen dient de aanvrager eerst in de gelegenheid te worden gesteld om de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen.\n\n16. Voor een aanvraag om en verblijfsvergunning zoals hier aan de orde worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag moet worden ingediend en behandeld. Ook worden regels gesteld over wie de benodigde gegevens moet verstrekken en of dit in persoon moet gebeuren.De vereisten die in dit geval (onder andere) gelden om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen zijn dat eiser in persoon de aanvraag moet doen bij een IND-loket en dat hij de leges ter plekke bij het IND-loket voldoet.\n\n17. De minister heeft eiser bij brief van 4 april 2024 uitgenodigd bij het loket in Zwolle. In die brief staat ook vermeld dat eiser de kosten van de aanvraag (de leges) moet betalen bij het loket. De hoogte van de leges staat ook in de brief vermeld. Omdat eiser niet op de afspraak is verschenen heeft de minister eiser op 2 mei 2024 nogmaals uitgenodigd voor een afspraak. Eiser heeft ook aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven.\n\n18. Omdat eiser niet bij een loket is verschenen en hij zijn leges niet heeft betaald hoefde de minister de aanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister hem in de bezwaarprocedure gelegenheid had moeten geven om alsnog de leges te betalen. De minister heeft eiser namelijk twee keer uitgenodigd om bij het loket te verschijnen om zijn leges te voldoen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en ook geen goede verklaring gegeven waarom hij niet op de afspraken is verschenen. Bij deze stand van zaken hoefde de minister niet op een later moment in de procedure alsnog gelegenheid tot herstel te bieden. Die mogelijkheid heeft eiser immers al gehad.\n\nHoorplicht\n\n19. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij het recht heeft om gehoord te worden, ook in aanwezigheid van zijn Nederlandse partner. Het bewijs van het samenwonen en bestendig verblijf mag volgens eiser niet louter worden gebaseerd op schriftelijke bewijsstukken. Gezien de aard van de zaak, te weten het recht op familie- en gezinsleven, is de minister gehouden eiser te horen. Door dit niet te doen is eiser in zijn belangen geschaad. Verder benoemt eiser in het beroepschrift dat hij op de zitting aanwezig zal zijn om zijn relatie nog eens mondeling (nader) toe te lichten.\n\n20. Bij de rechtbank is door deze beroepsgrond de indruk ontstaan dat (de gemachtigde van) eiser dit beroep verwart met (een van) de vijf ingediende aanvragen voor de afgifte van een EU\u002FEER-document. De aanvraag om een verblijfsvergunning regulier waar het in deze zaak om gaat is namelijk al gestrand op het niet betalen van de leges. In deze beroepsprocedure kan enkel ter discussie staan of de minister de aanvraag buiten behandeling mocht laten. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat hij daarover in bezwaar gehoord had moeten worden, is de rechtbank van oordeel dat de minister in de aangevoerde bezwaargronden daar geen aanleiding voor had hoeven zien. De minister heeft het bezwaar kennelijk ongegrond mogen achten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoefde te nemen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L. Langenhoff, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)\n\n NL25.44199 (beroep), NL 25.44201 (voorziening), NL 25.59277 (beroep) en NL 25.59278 (voorziening)\n\n Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de Vw\n\n Dit volgt uit artikel 24, tweede lid, van de Vw, in samenhang met artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B1\u002F3.4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18606","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.447Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":93,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":31,"updatedAt":96},"316","ECLI:NL:RBDHA:2026:3846","ecli-nl-rbdha-2026-3846","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.30337\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.E. Muller),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op nieuw ingediende stukken. Na ontvangst van de schriftelijke reactie van beide partijen, heeft de rechtbank met instemming van partijen het onderzoek gesloten zonder een nadere zitting te houden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Namens eiseres is op 21 juli 2021 een mvv aangevraagd omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar broer, [referent] (referent). Referent verblijft in Nederland met een asielvergunning. De ouders en andere broers en zussen van eiseres en referent verblijven inmiddels bij referent in Nederland.\n\n3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen om de volgende redenen. Tussen eiseres, referent en hun meerderjarige broer bestaan geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen is geen sprake van hechte persoonlijke banden. Verweerder neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar broer en zussen. Tussen eiseres en haar ouders bestaat wel gezinsleven omdat het jongvolwassenenbeleid van toepassing is. De belangenafweging die verweerder daarom heeft gemaakt, is echter in het nadeel van eiseres uitgevallen.\n\nWat vindt eiseres in beroep?\n\n4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft onterecht geen gezinsleven aangenomen tussen eiseres en referent en hun meerderjarige broer. Verweerder mocht niet als vereiste stellen dat eiseres exclusief van referent afhankelijk is.Ook moest verweerder aannemen dat er hechte persoonlijke banden, en dus gezinsleven, bestaan tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. Zij woonden namelijk tot aan het vertrek van het gezin samen. Daarnaast houdt de belangenafweging die is gemaakt voor eiseres en haar ouders geen stand. Verweerder heeft er niet genoeg rekening mee gehouden dat voor eiseres sprake was van een gedwongen scheiding en dat haar gezin nu in Nederland is. Daarnaast heeft referent nu wel voldoende inkomen en zal eiseres maar beperkt gebruik maken van de openbare kas en publieke voorzieningen.In beroep heeft eiseres salarisspecificaties van referent overgelegd.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.\n\nBijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar meerderjarige broers, of hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige broer en zussen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is.Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder bij de beoordeling dus mogen betrekken hoe de situatie van eiseres zich heeft ontwikkeld sinds het vertrek van haar gezin. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat referent heeft verklaard dat de band van eiseres met hemzelf en de andere zussen een gebruikelijke band is. Dat eiseres voorheen met haar broers en zussen in gezinsverband samenwoonde, maakt niet dat verweerder tussen hen gezinsleven aan hoefde te nemen. Dat eiseres financiële steun ontvangt van referent, hoefde ook niet tot de conclusie te leiden dat er tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank is met eiseres eens dat verweerder niet als vereiste mag stellen dat eiseres enkel van referent afhankelijk is en\u002Fof zich zonder hem niet zou kunnen redden, maar constateert dat verweerder dit ook niet heeft vereist. Verweerder mocht er in dit kader gewicht aan toekennen dat eiseres ook van anderen dan van referent financiële ondersteuning ontvangt.\n\nDe gemaakte belangenafweging\n\n7. Nu verweerder gezinsleven heeft aangenomen tussen eiseres en haar ouders, moest hij een belangenafweging maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen. Verweerder heeft alle relevante omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken en een “fair balance” gemaakt tussen de belangen van eiseres en die van de Nederlandse Staat.\n\n8. Verweerder mocht allereerst wijzen op het economisch belang van de staat en zijn belang bij een restrictief toelatingsbeleid. In het nadeel van eiseres mocht verweerder verder meewegen dat zij geen binding heeft met Nederland anders dan door de aanwezigheid van haar gezin. Verweerder heeft in het voordeel van eiseres gewogen dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar ouders, maar mocht hier minder gewicht aan toekennen vanwege de verminderde intensiteit van het gezinsleven. Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft verweerder er in dit kader voldoende rekening mee gehouden dat de familie voor de moeilijke keuze heeft gestaan om zonder eiseres naar Nederland te vertrekken. Nu er wel sprake was van een keuze, hoe moeilijk ook, hoefde verweerder dit niet aan te merken als een gedwongen scheiding. Ook heeft verweerder kenbaar betrokken dat een objectieve belemmering aanwezig is om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen. Over de asielgerelateerde omstandigheden van eiseres, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat niet duidelijk is geworden hoe deze invloed hebben op het familieleven, zodat zij niet in dit kader mee moesten worden genomen.\n\n9. In de salarisspecificaties die eiseres kort voor de zitting heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Verweerder moest het besluit namelijk baseren op de situatie zoals die bestond op het moment van het bestreden besluit. Verweerder mocht erop wijzen dat de salarisspecificaties zien op een periode na het bestreden besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n11. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.\n\nDe beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Eiseres verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:758) en van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189).\n\n Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12902).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3846","2026-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.122Z",1,20]