[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-03-20T00:00:00.000Z","2026-05-27T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124488","Burgerlijk Wetboek","art. 4:13",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124489","art. 4:215 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124490","art. 4:215 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"124492","art. 4:205",[36,47,56],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"1922","ECLI:NL:GHDHA:2026:1804","ecli-nl-ghdha-2026-1804","","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Familie\n\nzaaknummer : 200.360.876\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank : 11662918 EJ VERZ 25-75281\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026\n\ninzake\n\n [de verzoekster] ,\n\nwonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,\n\nverzoekster in het principaal hoger beroep,\n\nverweerster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de verzoekster,\n\nadvocaat mr. D. Tap te Den Haag,\n\ntegen\n\n [de stichting] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de stichting,\n\nadvocaten mrs. E.J. Lievense en M.E. Ernens te Rotterdam.\n\nAls overige belanghebbenden zijn aangemerkt:\n\n- [belanghebbende 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] , Spanje,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 1] ,\n\n- [belanghebbende 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 2] ,\n\n- [belanghebbende 3] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 3] .\n\n1. Het verloop van het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. De verzoekster is op 29 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.\n\n2.2. De stichting heeft op 9 februari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.3. De verzoekster heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.\n\n2.4. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:\n\n- een journaalbericht van de zijde van verzoekster van 5 december 2025 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;\n\n- een brief van de zijde van [belanghebbende 3] van 11 februari 2026 waarin zij zich afmeldt voor de mondelinge behandeling bij het hof;\n\n- een journaalbericht van de zijde van de stichting van 2 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.\n\n2.5. De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de verzoekster, bijgestaan door mr. Tap;\n\n- de stichting, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , en bijgestaan door mr. Lievense en mr. Ernens ;\n\n- [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [belanghebbende 3] is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.\n\nDe advocaat van de verzoekster en de advocaat mr. Lievense van de stichting hebben tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd en voorgedragen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.\n\n3.2. Op 12 januari 2023 is in de gemeente [gemeente 2] overleden: [de erflaatster] , geboren op [geboortedatum] 1932 in [geboorteplaats] (hierna te noemen: de erflaatster).\n\n3.3. De erflaatster heeft voor het laatst op 24 januari 2011 bij testament, verleden voor [notaris] , notaris in [vestigingsplaats] , over haar nalatenschap beschikt. In het testament zijn de verzoekster, [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , ieder voor gelijke delen, tot erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Verder is in het testament de verzoekster tot executeur benoemd. Erflaatster heeft ten aanzien van het loon van de executeur in haar testament bepaald:\n\n“Het loon\n\nDe executeur komt als loon een procent “1%” van het saldo van mijn vermogen op mijn sterfdag toe. De door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten komen voor rekening van mijn erfgenamen, naar rato van hun verkrijging. Op grond van onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de executeur of een van de erfgenamen, de beloning anders regelen dan hierboven is aangegeven.”\n\n3.4. Bij de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 april 2023 is de verzoekster met onmiddellijke ingang geschorst als executeur en is [het notariskantoor] (hierna te noemen: het notariskantoor) via de stichting benoemd tot waarnemend executeur. Bij beschikking van 17 augustus 2023 is de verzoekster ontslagen als executeur en is de stichting benoemd tot opvolgend executeur.\n\n3.5. \n\nIn de brieven van het notariskantoor aan alle erfgenamen van 21 april 2023 staat, voor zover hier van belang:\n\n“Tenslotte meld ik dat onze werkzaamheden worden verricht volgens uurtarief, zijnde € 275,00 exclusief BTW, kantoorkosten en eventueel verschuldigde griffierechten. Voor een (kandidaat-)notaris. Voor andere medewerkers geldt een lager uurtarief. Onze declaraties zullen in beginsel worden voldaan uit het saldo van de nalatenschap.”\n\n3.6. Het notariskantoor heeft aan de (erven van de) nalatenschap diverse facturen gestuurd voor de door haar ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap verrichtte werkzaamheden.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. \n\nDe verzoekster heeft in eerste aanleg de kantonrechter, kort gezegd, verzocht om te bepalen dat alleen de stichting en niet het aan haar verbonden notariskantoor ( [het notariskantoor] ) recht heeft op loon en dat dit loon 1% van het saldo van het vermogen van de erflaatster op de datum van haar overlijden bedraagt. Ook heeft zij verzocht om te bepalen dat het door de stichting teveel in rekening gebrachte en\u002Fof gefactureerde teruggestort moet worden en te bepalen dat de proceskosten en de kosten van de stichting in het kader van de procedure niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.\n\nDe stichting heeft de kantonrechter verzocht om te bepalen dat de uurtarieven van de stichting, althans het aan haar verbonden notariskantoor kunnen worden gehanteerd dan wel het loon vast te stellen conform de Recofa-richtlijnen.\n\n4.2. \n\nDe kantonrechter heeft, wat de verzoeken van de verzoekster betreft, bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\nVerder heeft de kantonrechter bepaald ten aanzien van de verzoeken van de stichting dat de stichting recht heeft op het loon conform het uurtarief van haar kantoor, althans het aan haar verbonden notariskantoor gebruikelijke uurtarief, voor de afwikkeling van nalatenschappen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.\n\n4.3. \n\nDe verzoekster verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking, het hof begrijpt: met uitzondering van de beslissing betreffende de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, te vernietigen en alsnog rechtdoende te oordelen dat de stichting recht heeft op een loon ter hoogte van 1% van het saldo van de nalatenschap op de dag van overlijden van de erflaatster.\n\nIndien mogelijk in het kader van deze procedure, verzoekt de verzoekster de stichting te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen aan de nalatenschap is onttrokken, al dan niet door betaling aan het notariskantoor, met veroordeling van de stichting in de kosten van beide procedures.\n\n4.4. \n\nDe stichting :\n\nI. concludeert in principaal appel: dat het verzoek en\u002Fof de grieven van de verzoekster moeten worden afgewezen; en\n\nII. verzoekt in incidenteel appel: dat de bestreden beschikking vernietigd wordt voor zover het de beslissing over de kosten van de stichting in het kader van de procedure betreft en, opnieuw rechtdoende, dat bepaald wordt dat de kosten van de stichting in het kader van zowel de procedure bij de kantonrechter als dit hoger beroep (waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht;\n\nIII. verzoekt bij aanvullend verzoek: dat de verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van de hoger beroepsprocedure ter hoogte van het liquidatietarief.\n\n4.5. De verzoekster concludeert dat het incidenteel hoger beroep van de stichting moet worden afgewezen en de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de executeur in het kader van de procedure in eerste aanleg niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, bekrachtigd moet worden. Ook dient volgens de verzoekster de verzochte proceskostenveroordeling afgewezen te worden, met compensatie van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep zodat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nPrincipaal hoger beroep\n\nBeginsel van hoor en wederhoor\n\n5.1. Het hof overweegt als volgt. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich dat eventuele gebreken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep kunnen worden gerepareerd. Indien en voor zover er al sprake van is geweest dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, zoals de verzoekster stelt en de stichting betwist, is het hof van oordeel dat dit gebrek in hoger beroep is hersteld. In hoger beroep is gebleken dat de verzoekster over de stukken beschikt die volgens haar door de stichting vlak voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank zijn ingediend, en zij heeft hierop alsnog (in hoger beroep) kunnen reageren. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de stelling van de verzoekster dat het beginsel van hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden.\n\nBeloning executeur\n\n5.2. De verzoekster heeft drie grieven aangevoerd waarin zij, kort samengevat, betwist dat het benoemen van een professionele executeur een onvoorziene omstandigheid is die rechtvaardigt dat de opvolgende executeur recht heeft op een van het testament afwijkend loon. Ook is de verzoekster van mening dat de kantonrechter niet had mogen oordelen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de testamentaire bepaling ten aanzien van het loon van de executeur niet mag worden verwacht. Daarnaast verzet de verzoekster zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het loon van de executeur met terugwerkende kracht gewijzigd moet worden.\n\n5.3. De stichting heeft de grieven van de verzoekster gemotiveerd weersproken. De stichting meent, eveneens kort samengevat, dat aannemelijk is dat de erflaatster ervan uitging dat de verzoekster haar taak als executeur zou blijven vervullen. De benoeming van een professionele executeur vormt dan een onvoorziene omstandigheid, ondanks dat in het testament aan de kantonrechter de bevoegdheid is toegekend om een vervanger te benoemen. De stichting betoogt ook dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om ook ten aanzien van een onafhankelijke en professionele executeur vast te houden aan de testamentaire bepaling waarin het loon wordt gefixeerd op 1% van het saldo van de nalatenschap op de overlijdensdatum. Verder wordt door de stichting benadrukt dat bij de bereidverklaring namens de stichting kenbaar is gemaakt dat de taak van de executele zal worden uitgevoerd tegen het door het notariskantoor gebruikelijk gehanteerde uurtarief, waarna dit tarief ook uitdrukkelijk is vermeld. Volgens de stichting bepaalt artikel 6:258 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW) dat de wijziging van een overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden, welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht, met terugwerkende kracht kan worden verleend.\n\n5.4. Het hof overweegt als volgt. De vraag die in de onderhavige zaak moet worden beantwoord is of de stichting, als opvolgend en professioneel executeur, recht heeft op een hoger loon voor de executeur dan testamentair door de erflaatster is bepaald.\n\n5.5. Het hof acht het, evenals de kantonrechter en op dezelfde gronden, na een eigen afweging, aannemelijk dat de erflaatster bij de benoeming van de verzoekster als executeur, ervan is uitgegaan dat de verzoekster als executeur zou blijven fungeren. De erflaatster heeft in haar testament niet geanticipeerd op de huidige verstoorde verhouding tussen de erfgenamen als gevolg waarvan de benoeming van een professioneleexecuteur noodzakelijk was om de nalatenschap af te wikkelen. Derhalve is, zo is het hof met de kantonrechter van oordeel, sprake van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW. Gelet hierop acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om ongewijzigde instandhouding van het in het testament opgenomen loon van de executeur te verwachten.\n\n5.6. De kantonrechter heeft de stichting als opvolgend executeur bij beschikking van 17 augustus 2023 benoemd. Hieraan voorafgaand had de kantonrechter in het kader van een voorlopige voorziening het notariskantoor via de stichting reeds bij beslissing van 14 april 2025 als waarnemend executeur benoemd. In het inleidend verzoek van 28 februari 2023 van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , waarin zij verzoeken de stichting tot executeur te benoemen, is vermeld wat het uurtarief van de opvolgend executeur, zijnde het notariskantoor via de stichting, was. Daarna, op 21 april 2023, heeft het notariskantoor een brief verstuurd aan alle erfgenamen, waaronder de verzoekster, met daarin het uurtarief genoemd (zie ook hiervoor) en vermeld dat het kantoor, via de stichting, als waarnemend executeur is benoemd. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stellingen van de verzoekster dat op geen enkel moment gedurende de procedures over de schorsing en het ontslag, van de zijde van stichting is aangegeven dat de stichting aanspraak zal gaan maken op een van het testament afwijkend loon en dat het notariskantoor de werkzaamheden zal verrichten. De verzoekster had op het moment van de benoeming door de kantonrechter van de professionele executeur kunnen weten dat de executeur onder de voorwaarde van zijn uurtarief, de benoeming op zich had aanvaard. Dit klemt te meer nu verzoekster in haar brief van 24 mei 2023 aan [vertegenwoordiger 1] schrijft ‘ivm met de hoge kosten en uurloon wat u en uw colleges berekent’.\n\n5.7. \n\nOp grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat de erfgenamen ervan uit hadden moeten gaan dat de opvolgend executeur niet zijn werkzaamheden zou verrichten voor 1% van het saldo van de nalatenschap. De grieven 2 en 3 van de verzoekster falen.\n\nHet hof is, met de stichting, van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de wijziging van het loon met terugwerkende kracht in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover deze stelling van de verzoekster bedoeld was als vierde grief, faalt ook deze.\n\nIncidenteel hoger beroep\n\n5.8. Gelet op het voorgaande is de stichting vanaf de aanvang van haar werkzaamheden duidelijk geweest over de in rekening te brengen tarieven; deze tarieven zijn naar het oordeel van het hof voor een professionele bewindvoerder redelijk. Dit brengt mee dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mag brengen. Het hof zal dan ook het incidentele verzoek van de stichting toewijzen.\n\nProceskostenveroordeling\n\n5.9. Het hof ziet aanleiding om gezien de uitkomst van de procedure, zoals verzocht door de stichting, de verzoekster als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof begroot de kosten op € 2.953,-.\n\nBewijsaanbod\n\n5.10. Gezien de uitkomst van de procedure komt het hof niet meer toe aan het door de stichting gedane bewijsaanbod.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025 voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, en in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nbepaalt dat de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure ten laste van de nalatenschap mag brengen;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nbekrachtigt voor het overige de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025;\n\nveroordeelt de verzoekster in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting begroot op € 373,- voor verschotten en op € 2.580,- salaris overeenkomstig het liquidatietarief;\n\nverklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en A.S. Mertens - de Jong, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer - van Zeggeren als griffier en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1804","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.678Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":55},"1907","ECLI:NL:RBDHA:2026:9584","ecli-nl-rbdha-2026-9584","2026-04-09T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nTeam handel\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F09\u002F692264 \u002F HA RK 25-555\n\nBeschikking van 9 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nverzoeker,\n\nadvocaat mr. M.L. Neuteboom-van Asselt te Leiden,\n\nen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verweerder 1] ,\n\n2. [verweerder 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [verweerder 2] ,\n\nverweerders,\n\nadvocaat mr. P.J. de Groen te Leiden,\n\nen\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende] ,\n\nbelanghebbende,\n\nprocederend in persoon.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:\n\nde maatschap BOS VAN DER BURG ADVOCATEN,\n\nin haar hoedanigheid van schuldeiser van:\n\n [erfgenaam] ,\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats 1] ,\n\n met een briefadres te [plaats 1] ,\n\n hierna te noemen: [erfgenaam] ,\n\ndie na te melden nalatenschap heeft verworpen,\n\nkantoorhoudende te Zoetermeer,\n\nhierna te noemen: Bos van der Burg Advocaten,\n\nadvocaat: mr. drs. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennisgenomen van:\n\n- het verzoekschrift met producties (nummers 1 t\u002Fm 12), ontvangen op 29 september 2025;\n\n- de brief van 18 december 2025 van [belanghebbende] ;\n\n- het verweerschrift met producties (nummers 1 t\u002Fm 6), ontvangen op 22 januari 2026;\n\n- de brief van 20 januari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 13 en 14);\n\n- de brief van 22 januari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 15 t\u002Fm 17);\n\n- het e-mailbericht van 22 januari 2026 met een ongenummerde productie;\n\n- de brief van 27 februari 2026 van [verzoeker] met producties (nummers 18 t\u002Fm 22).\n\n1.2.. Op 23 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en op 6 maart 2026 heeft de voortzetting van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van wat tijdens deze zittingen is besproken zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het dossier bevinden.\n\n1.3.. Na afloop van de laatste zitting is de zaak één week aangehouden teneinde te bezien of partijen (alsnog) in onderling overleg afspraken konden maken over de verkoop van de tot de nalatenschap behorende woning aan [verweerder 1] en [verweerder 2] . Uit de berichten van [verzoeker] , [verweerder 1] en [verweerder 2] volgt dat dat niet is gelukt. De uitspraak is daarop bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 18 januari 2025 is overleden te [plaats 2] : [erflater] ,geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats 2] (hierna te noemen: de overledene).\n\n2.2.. De laatste woonplaats van de overledene was [woonplaats] .\n\n2.3.. Volgens opgave van het Centraal Testamentenregister van 10 september 2025 heeft de overledene niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Ten tijde van het overlijden was de overledene ongehuwd en niet als partner geregistreerd.\n\n2.4.. Uit de verklaring van erfrecht van 24 december 2025 blijkt dat:\n\n- [erfgenaam] de nalatenschap heeft verworpen,\n\n- [belanghebbende] en [verzoeker] ieder voor 1\u002F3e deel van de nalatenschap erfgenaam zijn,\n\n- [verweerder 1] en [verweerder 2] ieder voor 1\u002F6e deel van de nalatenschap erfgenaam zijn,\n\n- [belanghebbende] , [verzoeker] , [verweerder 1] en [verweerder 2] de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.\n\n2.5.. In een brief van 22 januari 2026 heeft Bos van der Burg Advocaten aan [verzoeker] onder meer het volgende geschreven:\n\n“Gelet op het feit dat mevrouw [erfgenaam] bij mijn kantoor een aanzienlijke openstaande schuld heeft, acht mijn kantoor de rechtshandeling tot verwerping van de nalatenschap paulianeus als omschreven in artikel 3:45 BW. Als gevolg daarvan is de verwerping vernietigbaar. Met dit schrijven roep ik namens mijn kantoor de vernietiging in van de rechtshandeling tot verwerping van de nalatenschap door mevrouw [erfgenaam] .\n\nEen en ander houdt in dat mevrouw [erfgenaam] wat mijn kantoor betreft simpelweg erfgename is gebleven in de nalatenschap van wijlen haar broer en dat zij door te handelen zoals zij dat thans doet, moedwillig en onverplicht als schuldenaar in verzuim is en tracht het verhaal van de vorderingen van mijn kantoor doelbewust te frustreren.\n\n(…)\n\nMijn kantoor is er mee bekend dat op vrijdag 23 januari 2026 een rechtszitting plaatsvindt ten aanzien van de benoeming van een vereffenaar. Mijn kantoor kan eventueel instemmen met vereffening van de nalatenschap, maar op geen enkele wijze met de levering van de woning aan derden zonder dat mijn kantoor zeker gesteld is voor de vordering die wij hebben.”\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 heeft Bos van der Burg Advocaten executoriaal beslag gelegd op het gehele aandeel in de onverdeelde nalatenschap van de overledene, waartoe [erfgenaam] is gerechtigd, onder meer bestaande uit de tot nalatenschap behorende woning gelegen aan de [adres 1] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. De laatste woonplaats van de overledene was in [woonplaats] , zodat de rechtbank Den Haag bevoegd is kennis te nemen van het verzoek.\n\n3.2.. Het verzoek strekt tot het benoemen van een vereffenaar van de nalatenschap van de overledene.\n\n3.3.. De rechtbank kan, indien een beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap heeft plaatsgevonden, een vereffenaar benoemen op verzoek van een erfgenaam (artikel 4:203 lid 1 sub a BW). [verzoeker] is erfgenaam van de overledene en kan daarom in zijn verzoek worden ontvangen.\n\n3.4.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat de schuldeiser van een erfgenaam niet op grond van benadeling de verwerping van die erfgenaam kan vernietigen (artikel 4:190 lid 4 tweede zin BW). De vernietiging van de verwerping door [erfgenaam] die Bos van der Burg Advocaten heeft ingeroepen treft daarom geen doel. Dit betekent echter niet dat Bos van der Burg Advocaten per definitie met lege handen komt te staan. De rechtbank kan, wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft door deze verwerping klaarblijkelijk is benadeeld, bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend en een vereffenaar benoemen (artikel 4:205 BW).\n\nVan een klaarblijkelijke benadeling is sprake indien (1) de schuldeiser haar vordering op de erfgenaam niet of niet geheel op haar kan verhalen en (2) aan de erfgenaam een aandeel in het overschot zou zijn toegekomen, indien zij niet zou hebben verworpen.\n\n3.5.. Uit de stukken en wat tijdens de zittingen is besproken, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat Bos van der Burg Advocaten klaarblijkelijk is benadeeld doordat [erfgenaam] de nalatenschap heeft verworpen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van [erfgenaam] moet worden vereffend.\n\n3.6.. Vervolgens is de vraag of een vereffenaar moet worden benoemd. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is, omdat de erfgenamen niet in staat zijn om gezamenlijk de nalatenschap van de overledene correct af te wikkelen. Zij verschillen van mening over het bestaan van een tussen hen bindende afspraak over de aankoop van de tot de nalatenschap behorende woning door [verweerder 1] en [verweerder 2] . Zolang daarover geen duidelijkheid komt blijft de afwikkeling van de nalatenschap stil liggen. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de schuldeisers van de nalatenschap én de schuldeisers van [erfgenaam] , en ook niet in het kader van een voortvarende afwikkeling van de nalatenschap op zich. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar zal dan ook worden toegewezen.\n\n3.7.. De voorgestelde vereffenaar heeft zich schriftelijk bereid verklaard een benoeming als zodanig te aanvaarden.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbenoemt STICHTING EXECUTELE PARTNERS,\n\ncorrespondentieadres: [adres 2] ,\n\ntot vereffenaar van de nalatenschap van:\n\n [erflater] ,\n\n geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats 2] ,\n\n laatstelijk wonende te [woonplaats] ,\n\n overleden op 18 januari 2025 te [plaats 2] ;\n\nbepaalt dat de nalatenschap van de overledene mede in het belang van de schuldeisers van [erfgenaam] moet worden vereffend;\n\ndraagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nverzoekt de griffier de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven;\n\nverzoekt de griffier de kantonrechter te Leiden op de hoogte te stellen van deze benoeming.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7355, r.o. 4.8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9584","2026-04-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.867Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":45,"updatedAt":63},"1906","ECLI:NL:RBDHA:2026:9647","ecli-nl-rbdha-2026-9647","beschikking\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nTeam kanton\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: 11987304 EJ VERZ 25-82064\n\nBeschikking van 20 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nmr. A.R. Autar,\n\nin zijn hoedanigheid van vereffenaar van na te melden nalatenschap,\n\nkantoorhoudende te Rotterdam,\n\nhierna: de vereffenaar,\n\nverzoeker in het verzoek,\n\nverweerder in het tegenverzoek,\n\nen\n\n [partij B],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [partij B] ,\n\nbelanghebbende in het verzoek,\n\nverzoekster in het tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr M.G. Hees,\n\nwaarin als belanghebbenden worden aangemerkt:\n\n1. [belanghebbende 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 1] ,\n\n2. [belanghebbende 2] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 2] ,\n\n3. [belanghebbende 3] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 3] ,\n\ngemachtigde: mr. D.W. Ruys,\n\n4. de stichting [belanghebbende 4] ,\n\nin haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder over de erfrechtelijke verkrijgingen van:\n\n[naam 1], wonende te [woonplaats] , hierna: [naam 1] ,\n\n[naam 2], wonende te [woonplaats] , hierna: [naam 2] , gemachtigde: mr. I.F. van Schagen,\n\ngevestigd te [woonplaats] ,\n\nhierna: [belanghebbende 4] ,\n\ngemachtigde van [belanghebbende 4] : mr. A.H.N. Stollenwerck.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de vereffenaar met producties, ingekomen op 13 november 2025, het tegenverzoek van [partij B] , ingekomen op 19 november 2025, en de standpunten van [belanghebbende 2] , mr. D.W. Ruys namens [belanghebbende 3] , mr. I.F. van Schagen namens [naam 2] , en mr. A.H.N. Stollenwerck namens [belanghebbende 4] .\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Bij beschikking van 27 januari 2023 is mr. A.R. Autar benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van [erflater](hierna: erflater), overleden op [datum] 2020 te Dordrecht. Ten tijde van zijn overlijden was erflater gehuwd met [partij B] , met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen. [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , [belanghebbende 3] , [naam 1] en [naam 2] zijn de kinderen van erflater.\n\n2.2.. Erflater heeft bij testament van 7 december 2006 over zijn nalatenschap beschikt. In het testament zijn tot erfgenamen benoemd [partij B] (voor 10 procent) en zijn kinderen tezamen, ieder voor een gelijk deel, voor het restant. De wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW is van toepassing verklaard, zodat [partij B] van rechtswege alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen en de voldoening van de schulden van de nalatenschap – waaronder de schulden uit hoofde van de legaten – voor rekening van [partij B] komt. Er is testamentair bewind ingesteld over de verkrijgingen van de kinderen, tot die de leeftijd van dertig jaar bereiken, zodat het bewind thans geldt over de erfrechtelijke verkrijgingen van [naam 1] en [naam 2] . [belanghebbende 4] is als bewindvoerder benoemd.\n\n2.3.. Aan ieder van de kinderen is een geldbedrag van € 1.250.000,- gelegateerd, verminderd met reeds gedane schenkingen. Verder is aan de kinderen samen een boot gelegateerd. Aan [partij B] is gelegateerd de woning te [plaats 1] , de inboedel en een collectie aquarellen. De nalatenschap is door de erfgenamen beneficiair aanvaard.\n\nhet verzoek, het tegenverzoek en de standpunten van de belanghebbenden\n\n2.4.. De vereffenaar heeft de kantonrechter toestemming verzocht om een procedure in te stellen tegen [partij B] . In dat verband heeft de vereffenaar laten weten dat hij voornemens is om over te gaan tot verkoop van het vakantiehuis te [plaats 2] (hierna: het vakantiehuis), om deze procedure(s) te kunnen bekostigen. [partij B] heeft de kantonrechter daarop verzocht om op de voet van artikel 4:215 lid 2 BW een beslissing te nemen over de voorgenomen verkoop, aangezien zij hier bezwaar tegen heeft.\n\n2.5.. \n [partij B] heeft over de voorgenomen verkoop van het vakantiehuis het volgende aangevoerd. Het is in dit stadium van de vereffening niet aan de orde om de schulden uit legaten te voldoen, zoals door mr. Ruys en mr. Stollenwerck is gesteld. Weliswaar moet er een procedure worden ingesteld om duidelijkheid te krijgen over de vermeende vorderingen, maar [partij B] acht de verkoop van het vakantiehuis niet noodzakelijk en niet proportioneel, nu volgens haar de advocaatkosten niet zo hoog kunnen zijn en deze ook niet in één keer hoeven te worden voldaan. Daarnaast zou de garage kunnen worden verkocht om deze kosten te dekken. De huidige WOZ waarde daarvan bedraagt € 44.000,-. Ook zouden de certificaten van aandelen in [bedrijfsnaam] B.V. (gedeeltelijk) te gelde kunnen worden gemaakt.\n\n2.6.. Mr. Stollenwerck heeft namens [belanghebbende 4] aangevoerd dat, nog daargelaten dat [naam 2] zich niet zonder medewerking van de bewindvoerder in het geding had mogen mengen, het niet in het (financiële) belang van [naam 1] en [naam 2] is om het vakantiehuis niet te verkopen, omdat zij geen goederen uit de nalatenschap verkrijgen maar slechts geldvorderingen hebben op de nalatenschap.\n\n2.7.. \n [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben te kennen gegeven dat naar hun mening niet alleen het vakantiehuis maar al het onroerend goed verkocht dient te worden voor zover dat voor een behoorlijke vereffening noodzakelijk is. Zij onderschrijven de stellingen van mr. Stollenwerck (namens [belanghebbende 4] ) in diens brief van 16 februari 2026, waarin hij onder andere aangeeft dat het onzeker is of de vordering op [partij B] daadwerkelijk kan worden geïnd en dat die onzekerheid het creëren van liquiditeit (om de geldlegaten te kunnen voldoen) via verkoop van het onroerend goed op korte termijn noodzakelijk maakt.\n\n2.8.. Het standpunt van [naam 2] is door mr Van Schagen naar voren gebracht. [naam 2] heeft bezwaar tegen de voorgenomen verkoop van het vakantiehuis, gelet op de grote emotionele waarde die dit huis voor hem heeft. Het aan hem toekomende legaat zou wat hem betreft kunnen worden omgezet in een geldlening of iets dergelijks, en zou niet behoeven te worden uitgekeerd in contanten, waardoor goederen van de nalatenschap verkocht zouden moeten worden.\n\n2.9.. Het standpunt van [belanghebbende 1] is niet bekend.\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\n2.10.. Op grond van artikel 4:215 lid 1 BW maakt de vereffenaar goederen van de nalatenschap te gelde voor zover dit nodig is voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap. Omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking treedt de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen. Als tegen de voorgenomen tegeldemaking bezwaren bestaan wordt de erfgenaam in de gelegenheid gesteld om een beslissing van de kantonrechter in te roepen (artikel 4:215 lid 2 BW).\n\n2.11.. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is duidelijk naar voren gekomen dat de vereffening van de nalatenschap moeizaam verloopt. De vereffenaar is drie jaar geleden benoemd maar het is in de afgelopen periode niet gelukt om met de erfgenamen\u002Flegatarissen in overleg tot afwikkeling van de nalatenschap te komen. Het staat vast dat de omvang van de nalatenschap niet toereikend is om de schulden uit de legaten volledig te voldoen. De vorderingen die de vereffenaar op [partij B] meent te hebben, belopen – zoals ter zitting is aangegeven – in totaal een bedrag van bijna € 1.000.000,-. Het is niet gelukt om met [partij B] tot overeenstemming te komen over de vermeende vorderingen; zij neemt daarover een ander standpunt in. De vereffenaar acht het daarom raadzaam een procedure in te stellen met betrekking tot deze vorderingen op [partij B] , en is in verband daarmee voornemens het vakantiehuis te gelde te maken. De vereffenaar heeft aangegeven dat de [belanghebbende 4] kenbaar heeft gemaakt gelden voor de procedure beschikbaar te stellen in de vorm van een geldlening, onder de voorwaarde dat het vakantiehuis wordt verkocht.\n\n2.12.. De kantonrechter acht het noodzakelijk dat het vakantiehuis wordt verkocht. Er moet duidelijkheid komen over de vorderingen op [partij B] , zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de omvang van de nalatenschap. Vast staat dat er in de boedel onvoldoende liquiditeiten zijn om de advocaatkosten voor de procedure(s) te kunnen voldoen. Verder is ter zitting vastgesteld dat, ook als de vorderingen op [partij B] volledig worden toegewezen, de nalatenschap nog steeds niet voldoende is om de schulden te kunnen betalen. Dat betekent dat onroerend goed te gelde moet worden gemaakt, en dus in ieder geval het vakantiehuis zal moeten worden verkocht, nu verkoop van de garage – ook bij een WOZ-waarde van € 44.000,00 – daarvoor onvoldoende oplevert. Het is begrijpelijk dat het vakantiehuis een emotionele waarde vertegenwoordigt, maar dit belang kan niet opwegen tegen het belang de nalatenschap op een juiste en voortvarende wijze af te wikkelen. Daarbij komt dat de erflater juist met het oog op de bescherming van de financiële belangen van [naam 2] en [naam 1] – nu zij geen goederen uit de nalatenschap verkrijgen – hun verkrijgingen onder bewind heeft gesteld, zoals namens de bewindvoerder terecht is opgemerkt. De verkoop van de certificaten van aandelen is niet aan de orde, nu de vereffenaar niet bevoegd is deze te gelde te maken. Bovendien staat niet vast of de in de boedelbeschrijving opgenomen waarde ervan juist is en ook niet of de certificaten makkelijk liquide te maken zijn om daarmee de schulden van de nalatenschap te voldoen.\n\n2.13.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar van [partij B] tegen de door de vereffenaar voorgenomen verkoop van het vakantiehuis ongegrond zal worden verklaard. Het verzoek van de vereffenaar tot het verlenen van toestemming om een gerechtelijke procedure te voeren en een vordering in te stellen tegen [partij B] wordt toegewezen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. verklaart het bezwaar van [partij B] tegen de door de vereffenaar voorgenomen verkoop van het vakantiehuis te [plaats 2] ongegrond;\n\n3.2.. staat de vereffenaar toe een gerechtelijke procedure te starten en een vordering in te stellen tegen [partij B] .\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.J. Japenga, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9647","2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.818Z",20]