[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-local-taxes-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":106},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2025-04-04T00:00:00.000Z","2026-04-23T00:00:00.000Z",[21,26,30,33],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122381","Wet op de belasting van personenauto's","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123965","Algemene wet bestuursrecht","art. 8:31",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"124135","art. 6:5",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"124136","art. 6:6",[37,47,56,64,73,80,89,98],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"736","ECLI:NL:GHDHA:2026:1839","ecli-nl-ghdha-2026-1839","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F485 tot en met BK-25\u002F487\n\nuitspraak van 23 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A. Oosters)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 15 mei 2025, nummers SGR 24\u002F8510 tot en met SGR 24\u002F8512.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021, 2022 en 2023 (de waardepeildata) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als de [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op respectievelijk € 2.652.000, € 2.916.000 en € 2.907.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022, 2023 en 2024 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen (de aanslagen).\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikkingen en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.747,50;\n\ndraagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\ndraagt de heffingsambtenaar op om de toegekende proceskosten en het griffierecht (ingevolge artikel 30a, vierde en vijfde lid, Wet WOZ) te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende.”\n\n1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 21 februari 2026.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De Heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 een compromisvoorstel gedaan, inhoudende dat de waarde van de woning voor het belastingjaar 2022 wordt vastgesteld op € 2.140.000 en voor 2023 en 2024 op € 2.360.000. Op 10 februari 2025 heeft de Heffingsambtenaar een aanvulling gedaan op zijn voorstel voor zover het de proceskostenvergoeding betreft. De voorgestelde proceskostenvergoeding bedraagt € 1.520,75. Voor de bezwaarfase bestaat deze uit 1 punt vastgesteld op € 647 voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt vastgesteld op € 646 voor de hoorzitting. De toegepaste wegingsfactor voor de bezwaarfase is 1. Voor de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar 1 punt vastgesteld op € 907 toegekend voor het indienen van het beroepschrift. In de beroepsfase is op grond van artikel 30a Wet WOZ een wegingsfactor van 0,25 toegepast.\n\n2.3.. Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van de gemachtigde van belanghebbende, dat hij dient te worden aangemerkt als een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebezigd sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:\n\n“1. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase bij e-mailbericht van 24 januari 2025, met een aanvulling op 10 februari 2025, een compromisvoorstel gedaan. Dit compromisvoorstel houdt in dat de waarde van de woningen voor belastingjaar 2022 op € 2.140.000 wordt vastgesteld en voor de belastingjaren 2023 en 2024 op € 2.360.000 wordt vastgesteld. In het compromisvoorstel biedt de heffingsambtenaar € 1.520,75 proceskostenvergoeding aan, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde per punt van € 647,-), 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (met een waarde per punt van € 647,-) en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift. Hierbij heeft de heffingsambtenaar de vermenigvuldigingsfactor van 0,25 toegepast voor de beroepsfase. De (nader voorgestelde) waarden van de woning en de proceskostenvergoeding in bezwaar zijn niet langer in geschil. Het beroep ziet slechts op de toepassing van vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ in beroep.\n\n(…)\n\n3. Belanghebbende bepleit wat betreft de kosten voor het beroep dat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ niet op hem van toepassing is omdat hij voldoet aan de uitzonderingen zoals genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025.[1]\n\n4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm[2] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.[3]\n\n5. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat hij tot 2024 diensten op basis van no cure no pay verleende en dat hij vanaf 2024 diensten verleent op basis van een uurtarief. Gemachtigde heeft een overeenkomst overgelegd die ziet op het uitvoeren van werkzaamheden voor de beroeps- en hoger beroepsfase. Ook heeft gemachtigde een betalingsbewijs overgelegd. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde documenten nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde naar het oordeel van de rechtbank niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust[4], heeft met de enkele verwijzing door zijn gemachtigde naar diens website geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfactor(en) wel geld(t)(en). In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025[5] geldt dat het uitblijven van een dergelijke onderbouwing ertoe leidt dat geen sprake is van een bijzonder geval. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe.\n\n6. In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit worden beschouwd als één zaak. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij dient per fase van de procedure (bezwaar- dan wel beroepsfase) te worden beoordeeld of sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt vast dat deze zaken in de beroepsfase op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en de werkzaamheden in elk van de zaken (nagenoeg) identiek is geweest. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend.\n\n7. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Bpd voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.747,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647,- (tarief 2025) en wegingsfactor 1 (totaal bezwaarfase € 1294,-); 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- (tarief 2025), en een wegingsfactor 0,25[6] (totaal beroepsfase € 453,50).\n\n8. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij, gelet op artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende. Over de vraag of deze wettelijke bepaling onrechtmatig is, zoals belanghebbende meent, laat de rechtbank zich niet uit. De rechtbank is als bestuursrechter namelijk niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of een bedrag aan proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan de belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen in een geschil over een dergelijke vraag.[7]\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2025:46.\n\n[2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.\n\n[3] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.\n\n[4] ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2, laatste volzin.\n\n[5] ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.2 t\u002Fm 3.4.6.\n\n[6] Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ.\n\n[7] Zie ECLI:NL:HR:2025:156.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de gemachtigde van belanghebbende is aan te merken als een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de proceskostenvergoeding zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ en terugbetaling van de betaalde griffierechten.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n5.1.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraken op de bezwaren, is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht.\n\n5.1.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende in de onderhavige zaak zijn werkzaamheden verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van de WHpkv, op basis van no cure no pay.\n\n5.2.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende in nieuwe zaken niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht waarin onder andere het volgende is bepaald:\n\n“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase\n\nDe kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per gemotiveerd aanslagbiljet. Staan er meer dan 3 objecten op een aanslagbiljet moeten er aanvullende maatwerkafspraken gemaakt worden.\n\nAls het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.\n\n [kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank beroep in te stellen. In dat geval\n\nontvangt u geen extra factuur van [kantoor gemachtigde] .\n\nArtikel 3.2: Kosten controle voor beroep, hoger beroep- of cassatiefase\n\nDe kosten voor het beoordelen van een uitspraak bedragen € 99,- inclusief BTW per uitspraak. Het beroepschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 395,- inclusief BTW per procedure. Indien we voor u de bezwaarprocedure gevoerd hebben, dan bedragen de kosten voor beroep alleen € 395,- want de beoordelingskosten van € 99,- worden dan niet in rekening gebracht.\n\nAls het (hoger)beroep gegrond wordt verklaard kent de rechtbank\u002Fgerechtshof, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase zal voor 75% aan [kantoor gemachtigde] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever. Indien we voor u in hoger beroep of cassatie gaan nadat we voor u in de voorgaande fase geprocedeerd hebben, dan gelden dezelfde voorwaarden als voor die voorgaande fase.\n\n [kantoor gemachtigde] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [kantoor gemachtigde] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank, het gerechtshof en\u002Fof de Hoge Raad daartegen (hoger)beroep, verzet en\u002Fof cassatie in te stellen. In dit geval ontvangt u geen extra\n\nfactuur van [kantoor gemachtigde] .\n\nArtikel 3.3: Verbod op winst\n\nOpdrachtgever kan nooit meer vergoeding ontvangen dan de gemaakte kosten. In dat geval\n\nvervalt het meerdere aan [kantoor gemachtigde] .\n\n(…)\n\nArtikel 5: Ambtshalve verzoek\n\nAls het bezwaar gegrond wordt verklaard en de WOZ-waarde met 20% of meer wordt verlaagd, dan kan [kantoor gemachtigde] namens opdrachtgever een ambtshalve verzoek indienen bij de gemeente om de WOZ-waarden en\u002Fof OZB-aanslagen van de afgelopen vier jaren op juistheid te beoordelen. Als het verzoek deels of geheel wordt gehonoreerd wordt bij opdrachtgever 25% excl. BTW van het voordeel in de gemeentebelastingen in rekening gebracht. Opdrachtgever dient de factuur binnen 14 dagen na ontvangst van de belastingvermindering te voldoen.”\n\n5.2.2.. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij voor zijn diensten bij een eventueel hoger beroep op verzoek van de cliënt wederom de in artikel 3.2 genoemde bedragen aan de cliënt in rekening brengt. Voor het ambtshalve verzoek als bedoeld in artikel 5 brengt de gemachtigde geen extra bedrag in rekening, nu het ambtshalve verzoek enkel plaatsvindt na afloop van een afgeronde (bezwaar)procedure. De gemachtigde heeft verklaard dat het op eigen initiatief procederen over de proceskostenvergoeding en het indienen van een ambtshalve verzoek slechts in een klein aantal gevallen aan de orde is.\n\n5.2.3.. De gemachtigde heeft individuele overeenkomsten en facturen overgelegd die het jaar 2024 betreffen. De gemachtigde van belanghebbende heeft toegelicht dat de bedragen volgens de eerder in 2024 gesloten overeenkomsten variëren als gevolg van de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in april tot en met december 2024 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 240 tot € 387 tot € 484 tot € 580 tot € 851. Volgens een op 18 juli 2024 gesloten overeenkomst bedragen de kosten van een beroepschrift en een taxatierapport € 774,40 inclusief btw.\n\n5.3.. In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:\n\n“2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [Hof: ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n2.3.3. Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken.\n\nDe door belanghebbende verstrekte gegevens2.4.1. Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde) noch het eerste kenmerk van optreden op basis van no cure no pay, noch het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft. De gemachtigde is een in 2018 opgerichte besloten vennootschap, [A B.V.] , met een advies- en procespraktijk, gespecialiseerd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).\n\n2.4.2. Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren. Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand.\n\n(…)\n\nBeoordeling optreden op basis van no cure no pay2.6.1. Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. Voor de verder strekkende opvatting van de Staatssecretaris (neergelegd in de hiervoor in 2.2 bedoelde reactie) dat wanneer het bedrijfsmodel van de gemachtigde zo is vormgegeven dat de winstgevendheid of het voortbestaan van het bedrijf volledig afhankelijk is van bedragen aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen van immateriële schade, dat bedrijfsmodel op één lijn moet worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay, valt geen steun te ontlenen aan de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv.\n\n2.6.2. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n2.7.1. Met de overlegging van de hiervoor in 2.4.3 en 2.5 bedoelde gegevens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Hoge Raad buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde vanaf 20 september 2023 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht de uitkomst van die procedure. Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij een instapvergoeding ter hoogte van dit bedrag staat vast dat klanten van de gemachtigde financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. Daaraan staat niet in de weg dat de klant van de gemachtigde – de belanghebbende in een bpm-procedure – vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt.\n\n2.7.2. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.”\n\n5.4.. Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad (in het bijzonder r.o. 2.7.1) volgt dat het bedrijfsmodel van de beroepsmatig optredende gemachtigde moet worden beoordeeld naar het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is ingesteld en dat voor de toets of wordt opgetreden op basis van no cure no pay moet worden gekeken naar hetgeen volgens dat bedrijfsmodel voor elke op te starten procedure in rekening wordt gebracht. Hierbij heeft de Hoge Raad klaarblijkelijk niet van belang geacht dat de desbetreffende procedure reeds vóór ingang van het nieuwe door de Hoge Raad in aanmerking genomen bedrijfsmodel werd opgestart (de uitspraak van de rechtbank in die procedure is van 26 juni 2023 terwijl het nieuwe bedrijfsmodel startte per 20 september 2023).\n\n5.5.. Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.2) ten tijde van het instellen van beroep op 24 oktober 2024, heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft de gemachtigde van belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die dusdanig hoog zijn dat niet kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij bedragen zoals door de gemachtigde in rekening worden gebracht staat vast dat zijn klanten financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof erkend dat de klanten van de gemachtigde financieel risico lopen.\n\n5.6.. Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, waaraan de omstandigheid dat in de onderhavige zaak (zoals voorheen) nog geprocedeerd wordt op basis van no cure no pay niet afdoet.\n\nProceskosten en griffierecht\n\n6.1.. Er is aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in hoger beroep betaalde griffierechten. Het Hof laat de vergoeding van kosten voor de bezwaarfase (€ 1.294) zoals bepaald door de Rechtbank in stand, aangezien deze niet in geschil is.\n\nBeroepsfase\n\n6.2.. Wat betreft de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep, worden deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, gesteld op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1).\n\nHogerberoepsfase\n\n6.3.. De vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep wordt, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 934 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5).\n\nGriffierechten\n\n6.4.. Verder dient de Heffingsambtenaar het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\n- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de vergoeding van proceskosten in beroep betreft;\n\n- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 2.802;\n\n- draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de in hoger beroep betaalde griffierechten van € 143 te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en R.A. Bosman in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon.\n\nDe griffier, de raadsheer,\n\nD.W. Renes H.A.J. Kroon\n\nDe beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1839","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:45.676Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":55},"1677","ECLI:NL:GHDHA:2026:1889","ecli-nl-ghdha-2026-1889","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-25\u002F416\n\nUitspraak van 21 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V., te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: D.A.N. Bartels)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 april 2025, nummer SGR 24\u002F1072.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte van het Hoogheemraadschap van Rijnland opgelegd ten bedrage van € 64,60 (de voorlopige aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslag gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 371 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding van immateriële schade afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 juli 2025, 31 december 2025, 8 januari 2026 (drie stukken) en 20 januari 2026 zijn door belanghebbende nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft in 2021 het gebruik van de bedrijfsruimte [adres] te [woonplaats] . De bedrijfsruimte bestaat uit een kantoorgebouw met een hal. De bedrijfsruimte staat in 2021 leeg.\n\n2.2.. De voorlopige aanslag ten bedrage van € 64,60 is opgelegd met dagtekening 28 februari 2021 en is berekend naar 1,0 vervuilingseenheid.\n\n2.3.. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n“(…)\n\nBezwaar\n\nU heeft een bezwaarschrift ingediend tegen [aanslagnummer] waarvan u een kopie bij uw\n\nbezwaarschrift heeft gevoegd. De aanslag betreft de Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten voor het object [adres] [woonplaats] . In uw motivatie bespreekt u alleen de WOZ-waarde e.d.\n\nOverwegingen\n\n [aanslagnummer] betreft een voorlopige aanslag Zuiveringsheffing Bedrijfsruimten 2021\n\n(ZUIB).\n\nIn uw motivatie benoemt u alleen WOZ-waarde gerelateerde zaken. De ZUIB staat geheel los van de WOZ. Zodoende beschouw ik uw huidige motivatie niet als een motivatie in het kader van de aanslag ZUIB. Dit betekent dat u het bezwaarschrift niet gemotiveerd heeft en\n\nderhalve niet aan de wettelijke eisen voldoet.\n\nArtikel 6:5 Awb vermeldt waaraan een bezwaarschrift dient te voldoen. Twee van de eisen (lid c en d) betreffen het aangeven van een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar gericht is en het vermelden van de gronden van bezwaar.\n\nConform het gestelde in artikel 6:6 Awb heb ik u de mogelijkheid geboden om deze fout te\n\nherstellen.\n\nIk heb u per brief met dagtekening 6 juli 2021verzocht om ons een duidelijke motivatie toe te zenden waaruit blijkt op welke gronden u het niet eens bent met de opgelegde aanslag ZUIB 2021. U heeft ons een kopie van onze brief toegezonden, waar u de volgende tekst bij heeft geschreven:\n\n“geen aansluiting”.\n\nMet dagtekening 30 december 2021heb ik u wederom een brief gezonden met het verzoek uw bezwaar toe te lichten, daar Dunea op het betreffende adres wel melding maakt van een\n\nwatermeter ten name van [belanghebbende] In deze brief hebben wij u tevens verzocht ons te voorzien van een machtiging waaruit blijkt dat u gerechtigd bent om [belanghebbende] te vertegenwoordigen. 13 januari 2022hebben wij uw machtiging ontvangen, zonder verdere toelichting op uw bezwaar.\n\nD.d. 5 juli 2022(per abuis 5 juli 2021 vermeld op de brief), hebben wij u wederom een brief\n\ngezonden om nogmaals de machtiging op te vragen, dan wel een verduidelijking van de\n\nbevoegdheid van de persoon waarvan u reeds de machtiging heeft toegezonden. Tevens hebben wij u nogmaals te verzocht uw bezwaar toe te lichten. U heeft ons 20 juli 2022 een nieuwe machtiging toegezonden.\n\nIn uw reactie heeft u aangegeven dat uw verdere motivatie pas volgt bij een mondelinge\n\nhoorzitting. U heeft geen verdere motivatie gegeven.\n\nNu u geen nadere toelichting op uw motivatie in kader van de zuiveringsheffing heeft aangegeven zullen wij een besluit nemen op basis van uw argument ‘geen aansluiting’.\n\nWij hebben u in onze brieven verzocht om aan te geven welk soort aansluiting er volgens u, dan wel uw cliënt, niet aanwezig is op het object [adres] [woonplaats] , voorzien van een bewijsstuk en verdere toelichting. Nu u uw bezwaar niet verder heeft toegelicht, hebben wij de situatie beoordeeld op basis van de informatie die ons ter beschikking staat.\n\nDunea geeft ons jaarlijks na afloop van het jaar het waterverbruik op de locatie door. Er is sprake van een wateraansluiting op het adres.\n\nHoren\n\nMet dagtekening 6 december 2023 hebben wij u een brief gezonden met daarin de uitnodiging voor een hoorgesprek, met daarbij de keuze uit twee momenten. Ook hebben wij vermeld dat indien u geen keuze door zou geven, wij het tweede moment, donderdag 21 december 2023 14:00 zouden kiezen.\n\nU heeft geen van beide momenten gekozen. U bent niet verschenen. U heeft niet bij ons\n\naangegeven of u de voorgestelde momenten mogelijk verhinderd was.\n\nUitspraak\n\nUw bezwaar is tijdig ingediend, u bent ontvankelijk in uw bezwaar.\n\nEr is een aansluiting aanwezig op het adres. Om deze reden wijs ik uw bezwaar af.\n\n(…)”\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“Beoordeling van het geschil\n\n6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag bevat enkel stellingen en verzoeken omtrent de WOZ-waardering. Bij brief van 6 juli 2021 verzocht verweerder eiseres om het bezwaarschrift van een op de aanslag betrekking hebbende motivering te voorzien. De gemachtigde van eiseres heeft deze brief geretourneerd met daarop de handgeschreven toevoeging: “geen aansluiting”. Bij brief van 30 december 2021 liet verweerder weten dat volgens opgave van Dunea er in 2021 een aansluiting op naam van eiseres was, met watergebruik, en verzocht hij eiseres om een nadere motivering van het bezwaar. Daar heeft eiseres niet op gereageerd. Nadat eiseres de haar geboden gelegenheden voor een hoorzitting ongebruikt heeft gelaten, heeft verweerder het bezwaar afgewezen.\n\n7. Het beroepschrift en de verdere in de beroepsprocedure namens eiseres ingediende stukken bevatten vele stellingen die op de WOZ-waardering betrekking hebben, maar niets dat verband houdt met zuiveringsheffing. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat het object in 2001 leeg stond en in verband daarmee van het water was afgesloten. Verweerder heeft daartegenover ter zitting benadrukt dat blijkens de gegevens van Dunea er in 2021 niet alleen een aansluiting was, maar ook water is verbruikt.\n\n8. In aanmerking genomen dat a priori aannemelijk dat is bij tijdelijke leegstand van een object als het onderhavige de wateraansluiting gehandhaafd blijft, alsmede gelet op de manier en de momenten waarop de gestelde afsluiting door de gemachtigde naar voren is gebracht, beoordeelt de rechtbank die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder als ongeloofwaardig. Gelet daarop moet het beroep ongegrond worden verklaard.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n9. De gemachtigde heeft in naam van eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat die overschrijding geen aanleiding kan geven tot vergoeding van immateriële schade. Uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, in het bijzonder uit de e-mail van 10 mei 2021, leidt de rechtbank af dat de machtiging door eiseres is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen OZB. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in de bezwaarfase al had gewezen op het waterverbruik in 2021 acht de rechtbank niet geloofwaardig dat eiseres heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat het object in 2021 van het waternet was afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen spanning en frustratie ter zake van de lange duur van de procedure kunnen ondervinden.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift en de nadere stukken volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaak. Daarom is hem ter zitting gevraagd welke hoger beroepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Daarop heeft hij verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de hierna onder 4.1.2 genoemde punten.\n\n4.1.2.. \n\nIn geschil is:\n\n(i) of de voorlopige aanslag terecht is opgelegd; en\n\n(ii) of belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade.\n\nBelanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Heffingsambtenaar beantwoordt de vragen tegenovergesteld.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de voorlopige aanslag, toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hogerberoepsfase en tot vergoeding van immateriële schade.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDe voorlopige aanslag\n\n5.1.. Naar aanleiding van het door de gemachtigde van belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 10 maart 2021, heeft de Heffingsambtenaar op 6 juli 2021 ingevolge het bepaalde in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hem onder meer verzocht om gronden van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag in te dienen. De gemachtigde van belanghebbende heeft deze brief, ingekomen bij de Heffingsambtenaar op 27 juli 2021, retour gezonden met daarop onder meer de handgeschreven tekst “geen aansluiting”. De Heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 30 december 2021 medegedeeld dat volgens de gegevens van Dunea op het adres van de bedrijfsruimte sprake is van een wateraansluiting met waterverbruik op naam van belanghebbende. De Heffingsambtenaar heeft dit gedurende de gehele procedure gesteld, hetgeen belanghebbende steeds heeft betwist. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende dit verduidelijkt door te stellen dat de bedrijfsruimte niet beschikt over een wateraansluiting noch een rioolaansluiting.\n\n5.2.. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2021 (de Verordening), wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren. Onder afvoeren wordt verstaan het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap (artikel 1, aanhef en onderdeel c, van de Verordening). Aan de zuiveringsheffing wordt ingevolge het bepaalde in artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de Verordening onder meer onderworpen ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte degene die het gebruik heeft van die ruimte. Daarbij wordt in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel b, van de Verordening verstaan degene die dat deel in gebruik heeft gegeven.\n\n5.3.. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar die een belastingaanslag oplegt, de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het daarin vermelde belastbare feit zich heeft voorgedaan tegenover de gemotiveerde betwisting door de belastingplichtige aannemelijk maakt.\n\n5.4.. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende heeft betwist dat er in de bedrijfsruimte een aansluiting op het waternet en op het riool is – en aldus heeft betoogd dat geen sprake is van het feitelijk afvoeren van afvalwater zoals bedoeld in 5.2 – had het op de weg van de Heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling dat volgens de gegevens van Dunea sprake is van waterverbruik en aldus sprake moet zijn geweest van het feitelijk afvoeren van afvalwater, met stukken te onderbouwen. Mede gelet op het feit dat niet in geschil is dat de bedrijfsruimte in het onderhavige jaar leegstond, is niet aannemelijk geworden dat het belastbare feit zich heeft voorgedaan. De voorlopige aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd en dient te worden vernietigd.\n\nVergoeding van immateriële schade\n\n5.5.. Belanghebbende heeft in beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, afgeleid kan worden dat de machtiging door belanghebbende is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen onroerende-zaakbelastingen en dat het niet geloofwaardig is dat belanghebbende gelet op het verloop van de procedure heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten.\n\n5.6.. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden moeten onder meer worden gerekend de situatie dat degene die een rechtsmiddel heeft aangewend daartoe niet is gerechtigd, en de situatie dat de belanghebbende geen weet ervan heeft (gehad) dat namens hem of haar een belastingprocedure wordt gevoerd (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775). Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Hierbij geldt dat voor de bezwaarfase een termijn van een half jaar als redelijk wordt beschouwd en dat voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar als redelijk wordt beschouwd (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).\n\n5.7.. Het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 6 mei 2021 en hij heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 11 januari 2024. Het beroepschrift is op 19 januari 2024 door de Rechtbank ontvangen en de Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 22 april 2025. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de Heffingsambtenaar tot en met de datum waarop de Rechtbank uitspraak doet, zijn (afgerond) vier jaar verstreken, zodat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden.\n\n5.8.. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, zoals bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 en 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775, die afdoen aan de veronderstelling dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Naar het oordeel van het Hof is uit de omstandigheden die hebben geleid tot de totstandkoming van de volmacht niet gebleken dat belanghebbende niet heeft gewild (of geweten) dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet de stelling dat de bedrijfsruimte in 2021 van het waternet was afgesloten. Het Hof wijst daarbij op de omstandigheid dat naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek van de Heffingsambtenaar van 5 juli 2022, waarin ook een passage over de aansluiting op het waternet staat vermeld, een nieuwe volmacht (gedateerd 6 juni 2022) is overgelegd. In de titel van deze volmacht staat de zuiveringsheffing expliciet vermeld en de inhoud van deze volmacht ziet op “ten onrechte (teveel) betaalde WOZ\u002FOZB en andere lokale belastingen\u002Fheffingen”. Tevens wordt in aanmerking genomen dat het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de gestelde aansluiting op het waternet inhoudelijk is behandeld. Hieruit volgt dat de Rechtbank de volmachten kennelijk toereikend achtte voor een ontvankelijk beroep.\n\n5.9.. Aangezien het financiële belang groter is dan € 15 is er ook op die grond geen aanleiding om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 5.3). Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het Hof zal de Heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van genoemd bedrag van € 2.000.\n\nProceskosten\n\n6.1.. Het Hof ziet aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt de kosten voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 4.275 (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 647 x wegingsfactor 1, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de Rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 x wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding.\n\n6.2.. Voorts dient de Heffingsambtenaar de voor de behandeling in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van respectievelijk € 371 en € 579 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof:\n\nvernietigt de uitspraak van de Rechtbank;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nvernietigt de voorlopige aanslag;\n\ngelast de Heffingsambtenaar een bedrag van € 2.000 als vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende te vergoeden;\n\nveroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 4.275; en\n\ngelast de Heffingsambtenaar de voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 950 aan belanghebbende te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nJ. Azmi Shenouda C. Maas\n\nDe beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1889","2026-06-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.049Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":63},"1605","ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","ecli-nl-ghdha-2026-1886","2026-04-16T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-24\u002F965\n\nUitspraak van 16 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: A. Bakker)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 oktober 2024, nummer SGR 23\u002F2712.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 339.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Rotterdam (de aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 12 mei 2025 en 11 juni 2025 nadere stukken overgelegd.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Na afloop van de zitting zijn het Hof, onder meer via openbare gegevens van het zogenoemde WOZ-waardeloket (www.wozwaardeloket.nl), gegevens ter kennis gekomen waardoor twijfel is ontstaan over het bouwjaar van de woning. Hierin heeft het Hof aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Bij bericht van 1 december 2025 heeft het Hof, onder verwijzing naar de genoemde openbare gegevens, partijen verzocht het bouwjaar van de woning uiterlijk op 15 december 2025 met stukken te onderbouwen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 bij nader stuk (met bijlagen) gereageerd en het Hof inlichtingen verstrekt. Van de zijde van belanghebbende is binnen de termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende vervolgens bij bericht van 18 december 2025 uitstel verleend tot 9 januari 2026 voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen. Belanghebbende heeft op 9 januari 2026 gereageerd op het verzoek van het Hof met het bericht dat hij wacht op de reactie van de Heffingsambtenaar omtrent het bouwjaar. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 13 januari 2026 een afschrift van de door de Heffingsambtenaar op 10 december 2025 verstrekte inlichtingen toegezonden en in de gelegenheid gesteld daarop uiterlijk op 27 januari 2026 te reageren. Van de zijde van belanghebbende is binnen deze termijn geen reactie ingekomen. Het Hof heeft belanghebbende bij bericht van 29 januari 2026 een laatste uitstel voor een reactie verleend tot 12 februari 2026. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd. Op 17 februari 2026 heeft het Hof partijen laten weten geen aanleiding te zien een nadere zitting te houden omdat het Hof zich voldoende voorgelicht acht, tenzij een van partijen uiterlijk op 3 maart 2026 kenbaar maakt dat hij op een zitting wil worden gehoord. Partijen hebben niet kenbaar gemaakt te willen worden gehoord. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten en partijen hierover op 5 maart 2026 bericht.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een twee-onder-een- kapwoning die is gelegen in de wijk [Wijk 1] . De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m2 en staat op een perceel van 250 m2. Op het perceel staat een garage.\n\n2.2.. De Heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatierapport en een matrix overgelegd. De matrix bevat gegevens van de woning en vijf, volgens de Heffingsambtenaar, met de woning vergelijkbare objecten (de vergelijkingsobjecten). Het taxatierapport bevat onder meer foto’s van het aanzicht en luchtfoto’s van de ligging van de woning en de vergelijkingsobjecten. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen gelegen in de wijk [Wijk 1] in [woonplaats] . In de matrix zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen:\n\nAdres\n\n [adres 1]\n\n [adres 2]\n\n [adres 3]\n\n [adres 4]\n\n [adres 5]\n\n [adres 6]\n\nBouwjaar\n\n1981\n\n2004\n\n2004\n\n2001\n\n2003\n\n2004\n\nGO (m2)\n\n131\n\n163\n\n174\n\n207\n\n209\n\n148\n\nPerceel\n\n250\n\n256\n\n306\n\n290\n\n335\n\n258\n\nVLOK\n\n3-1-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\n3-3-3-3\n\nWOZ waarde\n\n€ 339.000\n\nVerkoopdatum\n\n13-1-2020\n\n18-1-2021\n\n17-2-2020\n\n31-3-2020\n\n14-9-2020\n\nKoopsom\n\n€ 650.000\n\n€ 740.000\n\n€ 772.500\n\n€ 640.000\n\n€ 625.000\n\nKoopsom op waardepeildatum\n\n€ 721.867\n\n€ 740.000\n\n€ 849.466\n\n€ 695.170\n\n€ 646.277\n\nWaardeverandering (%) naar waardepeildatum\n\n11,06\n\n0,00\n\n9,96\n\n8,62\n\n3,40\n\nGarage\u002Fparkeerplaats\n\n€ 22.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\n€ 30.000\n\nAanbouw\u002Fserre\n\n€ 0\n\n€ 39.684\n\n€ 86.077\n\n€ 31.747\n\nDakkapel\n\n€ 0\n\n€ 0\n\n€ 4.000\n\n€ 0\n\nOverige onderdelen\n\n-€ 64.000\n\n € 4.000\n\nGrondwaarde\n\n€ 124.468\n\n€ 144.880\n\n€ 171.460\n\n€ 163.240\n\n€ 185.380\n\n€ 145.960\n\nGrondprijs per m2\n\n€ 498\n\n€ 566\n\n€ 560\n\n€ 563\n\n€ 553\n\n€ 566\n\nHoofdgebouwwaarde na correctie\n\n€ 256.532\n\n€ 507.303\n\n€ 452.463\n\n€ 656.226\n\n€ 471.790\n\n€ 438.570\n\nPrijs opstal per m2\n\n€ 1.958\n\n€ 3.112\n\n€ 2.600\n\n€ 3.170\n\n€ 2.257\n\n€ 2.963\n\nCorrectie VLOK naar object belanghebbende\n\n€ 2.801\n\n€ 2.340\n\n€ 2.853\n\n€ 2.032\n\n€ 2.667\n\nOverige onderdelen betreft vrijstelling water verdedigingswerken\n\nUitgezonderd is 112 m2\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in beroep een WOZ-deskundigenrapport met daarin opgenomen een matrix overgelegd (de referentiematrix). In de referentiematrix is als bouwjaar van de woning 1981 vermeld en zijn drie objecten opgenomen die naar de mening van belanghebbende vergelijkbaar zijn met de woning, te weten [adres 7] (bouwjaar 1989), [adres 8] (bouwjaar 1987) en [adres 9] (bouwjaar 1989). Deze objecten zijn eveneens twee-onder-een-kapwoningen. Ze zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] in [woonplaats] . In de referentiematrix wordt de waarde van de woning bepaald op € 268.237. Voorts heeft belanghebbende gegevens van [A B.V.] van de woningen in de referentiematrix en gegevens over de prijsontwikkeling vanaf de verkoop van die woningen tot aan de waardepeildatum van Vastgoedpro overgelegd.\n\n2.4.. Bij het nader stuk van 10 december 2025 heeft de Heffingsambtenaar gegevens uit het Stadsarchief overgelegd, te weten een Pandkaart, gegevens over de sloop van de voormalige woning in 1997 en bestektekeningen van de bouw van de woning uit 1997.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:\n\n“Heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n(…)\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.[1] De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.[2]\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [Wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [Wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten[3], waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n(…)\n\n[1] Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n[2] HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300\n\n[3] € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de Heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking naar een waarde van de woning van € 268.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken – artikel 8:42 Awb\n\n5.1.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar heeft verzuimd de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten over te leggen aan de Rechtbank en het Hof. Volgens belanghebbende is sprake van een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij verzoekt het Hof daaraan de gevolgen te verbinden die het geraden voorkomen (artikel 8:31 Awb).\n\n5.2.. Tot de op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de Heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. De verplichting tot overlegging van stukken strekt zich ook uit tot stukken die pas in de loop van het beroep of hoger beroep ter beschikking van de Heffingsambtenaar zijn gekomen. Indien dergelijke stukken ter beschikking van de Heffingsambtenaar komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die de Heffingsambtenaar heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Daartoe behoren in beginsel ook stukken die de Heffingsambtenaar wel ter beschikking staan of hebben gestaan maar die hij niet heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit. Stukken die de Heffingsambtenaar wel heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn besluit, maar die voor de beoordeling van de zaak door de rechter niet (langer) van belang zijn, behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2).\n\n5.3.. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, behoren de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Dat is slechts anders indien de Heffingsambtenaar in het kader van de onderhavige procedure de bouwtekeningen en de iWOZ-kaarten heeft opgevraagd en ingezien. In die situatie behoren die stukken tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Daarnaast geldt dat, als belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld dat de door de Heffingsambtenaar in de matrix genoemde gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning of de vergelijkingsobjecten onjuist zijn, en hij daarmee voldoende twijfel zaait, het in reactie daarop op de weg van de Heffingsambtenaar kan liggen om de gebruiksoppervlakten en objectkenmerken te controleren en (als gevolg daarvan) bijvoorbeeld bouwtekeningen, iWOZ-kaarten of ander bewijs in te brengen. Dat is hier niet aan de orde. De gemachtigde voert standaard in zijn (hoger)beroepschriften aan dat hij de gebruiksoppervlakte en de objectkenmerken bestrijdt bij gebrek aan wetenschap. Iedere verdere motivering ontbreekt, zodat hij daarmee niet de minste twijfel zaait dat de Heffingsambtenaar is uitgegaan van de juiste gebruiksoppervlakten en objectkenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde van de woning\n\n5.4.. De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).\n\n5.5.. De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of aan de bewijslast is voldaan de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332). Indien de heffingsambtenaar niet het van hem verlangde bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, dient de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vast te stellen. Indien de belanghebbende een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waarde van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776).\n\n5.6.. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een taxatierapport en een matrix overgelegd (zie 2.2). Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten rondom de waardepeildatum. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.\n\n5.7.. Naar het oordeel van het Hof zijn de vergelijkingsobjecten vergelijkbaar met de woning. Alle vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kapwoningen met een garage die zijn gelegen in dezelfde wijk van [woonplaats] als de woning, [Wijk 1] . De percelen zijn van een vergelijkbare oppervlakte. Qua uitstraling zijn de vergelijkingsobjecten eveneens vergelijkbaar met de woning.\n\n5.8.. Met de verschillen in gebruiksoppervlakte en in staat tussen de vergelijkingsobjecten en de woning is in de matrix in voldoende mate rekening gehouden. Dit komt naar voren doordat de Heffingsambtenaar aparte waardes heeft toegekend aan de grond en aan de deelobjecten van de woning en de vergelijkingsobjecten, en aan de woning voor ligging factor 1 heeft toegekend vanwege geluidsoverlast en als gevolg van de ligging nabij een snelweg. Uit de matrix blijkt een prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning van € 1.958. Dit is lager dan de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van elk van de vergelijkingsobjecten (zie 2.2). Ten opzichte van het gemiddelde van de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de vergelijkingsobjecten is de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte van de woning € 581 lager. Dit is ruim voldoende om eventuele verschillen die nog niet zijn verdisconteerd in de aan de grond en de deelobjecten toegekende waardes te absorberen. De Heffingsambtenaar heeft met de gerealiseerde verkoopcijfers van de door hem gebezigde vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.\n\n5.9.. Belanghebbende betwist dat de door de Heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten kunnen dienen ter onderbouwing van de beschikte waarde van de woning, omdat de woning uit het bouwjaar 1981 is, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gebouwd in de periode 2001-2004. Gelet op het grote verschil in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit in 1981 ten opzichte van de periode 2001-2004 zijn de vergelijkingsobjecten volgens belanghebbende onvoldoende vergelijkbaar met de woning. Belanghebbende wijst erop dat de vereisten die bij het bouwen van een woning aan energie- en geluidsisolatie werden gesteld in het jaar 1981 aanzienlijk lager waren dan de vereisten die in de periode 2001-2004 golden. Daarnaast zijn de vergelijkingsobjecten gelegen in een rustigere omgeving dan de woning, aldus belanghebbende.\n\n5.10.. Uit de bijlagen bij het nader stuk van de Heffingsambtenaar van 10 december 2025 blijkt dat de woning is gebouwd in 1998. De door belanghebbende aangevoerde verschillen in NEN-regime en bouwfysische kwaliteit tussen woningen gebouwd in 1981 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004 zijn daarom niet relevant. Gesteld noch gebleken is dat in dat opzicht sprake zou zijn van relevante verschillen tussen woningen gebouwd in 1998 en woningen gebouwd in de periode 2001-2004. Het betoog van belanghebbende faalt.\n\n5.11.. Belanghebbende stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging van de woning nabij een industriegebied en in een gebied met veel geluidsoverlast. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een luchtfoto van de ligging van de woning overgelegd en afbeeldingen uit de Atlas Leefomgeving waaruit een geluidsniveau van 61-65 dB volgt, volgens belanghebbende het geluidsniveau van een klein opstijgend vliegtuig, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gelegen in een gebied met een geluidsniveau van 46-50 dB. De Heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbende betwist door erop te wijzen dat de woning aan de voorzijde uitzicht heeft op groen, wel met zicht op enige kassen, en aan de achterkant is gelegen aan een park. De snelweg […] is op 1,3 km afstand van de woning gelegen. De Heffingsambtenaar heeft foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn verweer.\n\n5.12.. Het Hof is op basis van de door beide partijen overgelegde stukken van oordeel dat de Heffingsambtenaar met het toekennen van factor 1 voor ligging (zeer slecht, ondergemiddeld) aan de woning en factor 3 voor ligging (voldoende, gemiddeld) aan de vergelijkingsobjecten voldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning. Factor 1 betekent dat de prijs per vierkante meter gebruiksoppervlakte met 10% verminderd wordt vanwege de zeer slechte ligging. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een nog grotere waardevermindering rekening moet worden gehouden.\n\n5.13.. Belanghebbende heeft in zijn referentiematrix (zie 2.3) drie objecten opgenomen die naar zijn mening beter vergelijkbaar zijn met de woning, omdat ze in dezelfde periode als de woning zijn gebouwd. Deze objecten zijn gelegen in de wijk [Wijk 2] . De Heffingsambtenaar heeft hiertegen, met stukken onderbouwd en door belanghebbende onweersproken, ingebracht dat de gemiddelde prijs per vierkante meter van woningen in de wijk [Wijk 2] € 3.538 is terwijl dat voor woningen in [Wijk 1] € 4.380 is en dat de door belanghebbende aangedragen objecten op ruime afstand van de woning liggen. Het Hof is van oordeel dat de door belanghebbende aangedragen objecten vanwege het lagere prijsniveau in de wijk [Wijk 2] en de afstand tot de woning niet vergelijkbaar zijn met de woning en laat deze daarom buiten beschouwing. Daar komt nog bij dat inmiddels is komen vast te staan (zie 5.10) dat het bouwjaar van de woning 1998 is en dat de door belanghebbende gehanteerde objecten bouwjaren hebben variërend van 1987-1989. Reeds daarom zijn deze objecten niet geschikt om de waarde van de woning te bepalen.\n\n5.14.. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten zijn geïndexeerd. Het Hof stelt vast dat de indexeringspercentages, voor zover van toepassing, zijn opgenomen in de matrix (zie 2.2), zodat belanghebbendes stelling feitelijke grondslag mist.\n\n5.15.. Belanghebbende heeft zijn stellingen dat de oppervlakte en de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten niet kloppen op geen enkele manier onderbouwd. Hij heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht.\n\nSlotsom\n\n5.16.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nJ. Azmi Shenouda M.J.M. van der Weijden\n\nDe beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1886","2026-07-13T00:29:29.259Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":45,"updatedAt":72},"1626","ECLI:NL:GHDHA:2026:2165","ecli-nl-ghdha-2026-2165","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F418 tot en met BK-25\u002F422\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X]te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: [Y] )\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2025, nummers SGR 24\u002F1604, 24\u002F1606, 24\u002F1607, 24\u002F1609 en 24\u002F1610.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van vijf verschillende objecten te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Noordwijk (de aanslagen). De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten (onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\nObject\n\nWaarde\n\nType\n\n [adres 1]\n\n€ 137.000\n\nniet-woning\n\n [adres 2]\n\n€ 240.000\n\nniet-woning\n\n [adres 3]\n\n€ 409.000\n\nwoning\n\n [adres 4]\n\n€ 409.000\n\nwoning\n\n [adres 5]\n\n€ 190.000\n\nniet-woning\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] met zaaknummers 24\u002F1604, 24\u002F1606 en 24\u002F1610 niet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen ten aanzien van [adres 3] en [adres 4] met zaaknummers 24\u002F1607 en 24\u002F1609 ongegrond; en\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.”\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 2 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026, 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 5 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 11 maart 2024 een termijn gegeven voor het indienen van een machtiging (uiterlijk 8 april 2024) met de mededeling dat de beroepen anders niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard.\n\n2.2.. \n [Y] heeft op 19 maart 2024 een machtiging ingediend op naam van [A] uit 2021, een machtiging op naam van [B] uit 2022 en een e-mailconversatie met [C] over de twee woningen [adres 3] en [adres 4] met waarderapporten opgemaakt voor die woningen.\n\n2.3.. De Rechtbank heeft [Y] bij brief van 18 maart 2025 in de gelegenheid gesteld uiterlijk ter zitting van 11 april 2025 een machtiging op de juiste naam in te dienen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs.\n\n2.4.. Ter zitting van de Rechtbank heeft [Y] een kopie van e-mailconversatie tussen [C] en zijn dochter [belanghebbende] overgelegd van 8 april 2025 met aangehecht een machtiging, ondertekend op 9 april 2025 door [belanghebbende] met bijgevoegd een kopie paspoort. In deze e-mail schrijft [C] aan [belanghebbende] het volgende:\n\n“Namens ons heeft [Y] bezwaar gemaakt tegen de te grote waardestijging van de [adres 3] en [adres 4] (de woningen). Daar heb ik e.e.a. voor ingevuld. Formeel moet jij dat echter doen. Wil jij de volmacht in de bijlage invullen en tekenen(…).”\n\n2.5.. Op 22 mei 2025 heeft het Hof [Y] verzocht een recente machtiging te verstrekken. In die brief is verder vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien geen recente machtiging wordt overgelegd. Op 17 juni 2025 heeft [Y] dezelfde volmacht en email toegestuurd aan het Hof als hij aan de Rechtbank heeft overgelegd.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“9. (…) Aangezien in de aan de machtiging gehechte e-mail uitdrukkelijk alleen over bezwaar tegen de woningen [adres 3] en [adres 4] wordt gesproken, evenals in de tot het dossier behorende correspondentie tussen [C] en [Y] , acht de rechtbank [Y] niet bevoegd beroep in te stellen namens [belanghebbende] tegen de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . De hiertegen, kennelijk op eigen initiatief, ingestelde beroepen door [Y] zijn daarom niet-ontvankelijk verklaard.\n\n10. Ten aanzien van de twee woningen heeft [Y] zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vastgestelde waarde van de woningen niet te hoog is als wordt uitgegaan van de waarde in vrije staat, maar dat de fictie in de Wet WOZ die vrij van huur wordt gewaardeerd onjuist is en gelet op de verhuurde staat buiten toepassing moeten blijven. [Y] bepleit een waarde (in verhuurde staat) van € 311.000. Dit beroep faalt. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Het betoog van [Y] ter zitting dat hij dit uitgangspunt van de wetgever niet redelijk vindt, kan nergens toe leiden, omdat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. De beroepen tegen de woningen zijn daarom ongegrond verklaard.\n\n11. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 maart 2023 de redelijke termijn van twee jaar met (afgerond) twee maanden is overschreden. De rechtbank laat het bij die constatering. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024[1] wordt niet tegemoet gekomen aan een verzoek tot vergoeding van immateriële schade indien het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1000 bedraagt, zodat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen.\n\n12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2024:853.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brieven” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het hierna onder 4.1.2 genoemde punt.\n\n4.1.2.. In geschil is of:\n\na. a) de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank;\n\nb) de waarde van de onroerende zaken op te hoge bedragen zijn vastgesteld; en\n\nc) belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\nBelanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Belanghebbende concludeert verder tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de onroerende zaken wordt verminderd met 20% en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nDe beroepen inzake de kantoren [adres 1] , [adres 2] en [adres 5]\n\n5.1.. De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beroepen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] niet-ontvankelijk zijn. In hoger beroep heeft [Y] geen nadere informatie overgelegd waaruit volgt dat hij bevoegd was (hoger) beroep in te stellen met betrekking tot de waarde van de kantoren aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 5] . Deze beroepen zijn derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n [adres 3] en [adres 4]\n\n5.2.. \n\nMet inachtneming van de herkansingsfunctie die de partijen in hoger beroep toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en in zoverre terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of eerste aanleg zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven.\n\nVerzoek om vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n5.3.. De Rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden en mocht het op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, bij deze constatering laten. Hoewel belanghebbende voorafgaand aan de datum van voormeld arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, was de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure op de datum van dat arrest nog niet overschreden (r.o. 3.5 in voormeld arrest). Dit brengt mee dat de Rechtbank mocht beslissen conform dat arrest, aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het financiële belang bij de procedure meer dan € 1.000 bedroeg.\n\nSlotsom\n\n5.4.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra P.J.J. Vonk\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2165","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:30.292Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":77,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":45,"updatedAt":79},"1658","ECLI:NL:GHDHA:2026:2164","ecli-nl-ghdha-2026-2164","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F331 tot en met BK-25\u002F339\n\nUitspraak van 8 april 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: D.A.N. Bartels)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 april 2025, nummers SGR 23\u002F6557, SGR 23\u002F6558, SGR 23\u002F6559, SGR 23\u002F6561, SGR 23\u002F6562, SGR 23\u002F6563, SGR 23\u002F6564, SGR 23\u002F6566, SGR 23\u002F6567.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van negen verschillende objecten te [woonplaats 1] en [woonplaats 2] , voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld. Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Noordwijk (de aanslagen). De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de objecten (onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\n [adres 1]\n\n€ 260.000\n\n [adres 2]\n\n€ 244.000\n\n [adres 3]\n\n€ 244.000\n\n [adres 4]\n\n€ 317.000\n\n [adres 5]\n\n€ 339.000\n\n [adres 6]\n\n€ 319.000\n\n [adres 7]\n\n€ 1.341.000\n\n [adres 8]\n\n€ 671.000\n\n [adres 9]\n\n€ 1.108.000\n\n1.2.. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van eenmaal € 50. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van eenmaal € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en op 3 juli 2025, 21 januari 2026 en 3 februari 2026 nadere stukken ingediend. Van de zijde van belanghebbende zijn op 2 december 2025, 13 januari 2026, 14 januari 2026 en 23 januari 2026 nadere stukken ingekomen.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 5 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024[1] toegelicht hoe de bewijslastverdeling in WOZ-zaken over de waarde, rekening houdend met het zogenoemde ‘Oostflakkee’-arrest[2], moet worden uitgelegd. In dit eerstgenoemde arrest stelt de Hoge Raad voorop dat de bewijslastverdeling, anders dan vaak uit het Oostflakkee-arrest wordt afgeleid (en vaak wordt aangeduid als de drietrapsraket), niets anders behelst dan het toepassen van de gewone regels van bewijslastverdeling. Dat betekent dat de rechtbank eerst beoordeelt of verweerder de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, bezien in het licht van de betwisting door eiseres. Als er aspecten zijn die volgens eiseres tot een lagere waardering zouden moeten leiden, is het ook aan eiseres om deze aspecten aan te dragen en aannemelijk te maken. Als verweerder er niet in slaagt om de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken, dan moet de rechtbank, als eiseres een lagere waarde bepleit, beoordelen of eiseres die lagere waarde aannemelijk heeft gemaakt. Pas als beide partijen de door hen voorgestane waarde niet aannemelijk hebben gemaakt en dus niet het van hen te verlangen bewijs hebben geleverd, volgt volgens de Hoge Raad uit het Oostflakkee-arrest dat de rechter de waarde van de onroerende op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen. De rechtbank zal de waarde van de onroerende zaken hierna dan ook op voormelde wijze beoordelen.\n\n5. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn beroepschrift, nadere stukken en zijn zogenoemde “pinpoint”brief volstaan met een opsomming van algemene niet naar de zaken zelf geconcretiseerde beroepsgronden en een verwijzing naar het door hem ingediende bezwaarschrift. Nog afgezien van het feit dat een enkele verwijzing naar een bezwaarschrift onvoldoende is als beroepsgrond, heeft de gemachtigde in dat bezwaarschrift ook volstaan met algemene gronden en niet nader geconcretiseerd dat en in hoeverre deze algemene gronden van toepassing zijn in de onderhavige zaken.\n\n6. Door pas ter zitting zijn beroepsgronden concreet te maken, heeft de gemachtigde verweerder de kans ontnomen deze gronden te onderzoeken en een nadere toelichting of onderbouwing (met stukken) te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde voor het eerst concreet gemaakt waarom de vergelijkingsobjecten van de woningen niet goed vergelijkbaar zouden zijn en voor de twee winkelpanden gesteld dat deze ten onrechte als woning zijn gewaardeerd, de kelders van de winkelpanden ten onrechte verschillend zijn gewaardeerd en de in aftrek gebrachte coronavermindering op een te laag percentage is vastgesteld. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde en zal deze stellingen van eiseres derhalve niet betrekken in de beoordeling.[3] De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde veelvuldig procedeert, met de gang van zaken tijdens een belastingprocedure bekend is en voor de late inbreng van zijn concrete standpunten desgevraagd geen afdoende verklaring heeft kunnen geven.[4] Het ter zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde dat de beroepsgronden in zijn stukken zijn opgenomen dan wel dat de rechtbank deze zelfstandig uit de stukken had kunnen afleiden miskent de rol van de rechtbank. De bezwaren van de gemachtigde die samenhangen met de door verweerder op 18 maart 2025 overgelegde iWOZ-rapportages voor [adres 9] worden niet buiten beschouwing gelaten, omdat van de gemachtigde redelijkerwijs niet mocht worden verwacht dat hij eerder op die rapportages zou reageren.\n\nWoningen [adres 1] [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6]\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. Zoals volgt uit de waarderapporten, zijn de waarden van de woningen aan de [straat] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de waarden van de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 10] (verkocht op 7 januari 2021 voor € 325.000), [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500) en [adres 12] (verkocht op 27 december 2021 voor € 450.000). De waarden van de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] heeft verweerder onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500), [adres 13] (verkocht op 15 september 2022 voor € 450.000) en [adres 14] (verkocht op 29 september 2022 voor € 260.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning, bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken voldoende vergelijkbaar. Uit de waarderapporten volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en de woningen in de [straat] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden. Eiseres heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n [adres 9]\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarde van [adres 9] per waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Zoals volgt uit het waarderapport is de waarde van [adres 9] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 15] (verkocht op 19 augustus 2022 voor € 1.050.000), [adres 16] (verkocht op 2 juni 2022 voor € 762.000) en [adres 17] (verkocht op 24 september 2021 voor € 1.345.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning (vrijstaand), het identieke waardegebied (W053), de identieke ligging (3), bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken goed vergelijkbaar. Uit het waarderapport volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en [adres 9] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden.\n\n9. In reactie op de door verweerder ingediende iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten voor [adres 9] heeft de gemachtigde ter zitting aangevoerd dat er verschillen bestaan in het aantal vierkante meters in de iWOZ-rapportages tussen de BAGoppervlakte en de gebruiksoppervlakte en dat er gegevens over de inhoud staan genoemd. De gemachtigde heeft vervolgens opgemerkt dat deze verschillen kunnen leiden tot een hogere of lagere waarde. De gemachtigde heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat en vooral in hoeverre dit tot een waardeverschil zou moeten leiden voor [adres 9] . Verder geldt dat de gegevens in iWOZ-rapportages marktinformatie betreft afkomstig uit de verkoopadvertenties van makelaars die de inhoud en oppervlakte op andere wijze vaststellen. Die informatie is dan ook niet bepalend. Een verschil in vierkante meters tussen de in de iWOZ-rapportages opgenomen gebruiksoppervlakte en BAG oppervlakte leidt niet tot de conclusie dat de vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als vergelijkingsobject te dienen.\n\n10. De ter zitting overgelegde schriftelijke toelichting van eiseres op de onderhoudstoestand en het fotomateriaal, leiden evenmin tot een ander oordeel. Uit de foto’s kan weliswaar worden afgeleid dat er (water)schade is geweest en dat er werkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar eiseres heeft hiermee niet onderbouwd dat de volgens haar met het herstel gemoeide kosten € 30.000 bedragen. De stelling van de gemachtigde ter zitting dat eiseres een dochter van een architect is en dus precies weet hoeveel de kosten bedragen is daartoe onvoldoende. Er is ook geen offerte of factuur overgelegd waaruit deze kosten blijken en evenmin is aannemelijk geworden dat deze kosten een waardevermindering op de woning rechtvaardigen van eenzelfde bedrag.\n\nWinkelpanden [adres 7] en [adres 8]\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 7] en [adres 8] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. De waarden van deze twee winkelpanden heeft verweerder bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Voor [adres 7] heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 239,50 per m² (winkelruimte), € 95,80 per m² (opslag) en € 60,35 per m² (kelder). Voor [adres 8] heeft verweerder eveneens een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 250,75 per m² (winkelruimte), € 100,30 per m² (opslag) en € 70,21 per m² (kelder). Deze gegevens heeft hij gebaseerd op huurtransacties van [adres 18] (verhuurd per 15 mei 2023 voor € 34.000) en [adres 19] (verhuurd per 1 september 2020 voor € 30.000) en op een verkooptransactie van [adres 20] (verkocht op 24 januari 2022 voor € 1.235.000), winkelpanden gelegen in dezelfde straat op een A1locatie. De door verweerder gehanteerde huurwaarden voor [adres 7] en [adres 8] vallen allemaal binnen de bandbreedte van de huurwaarden van de vergelijkingsobjecten. Vanwege de Coronacrisis heeft verweerder voor [adres 7] en [adres 8] over de totale huurwaarden een coulancekorting van 2% toegepast, gebaseerd op een advies van de Waarderingskamer. Verweerder heeft de kapitalisatiefactor van [adres 7] en [adres 8] berekend aan de hand van het object [adres 18] . Tot de gedingstukken behoort een afschrift van deze berekening. Hieruit blijkt dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een geïndexeerde transactieprijs en een onderbouwde huurwaarde. Daarmee heeft hij de gehanteerde kapitalisatiefactor in voldoende mate onderbouwd. Gelet op de gelijke ligging op een A1-locatie, heeft verweerder deze kapitalisatiefactor terecht toegepast voor [adres 7] en [adres 8] . Eiseres heeft tegen de onderbouwing geen concrete gronden aangevoerd en heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarden van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld.\n\n13. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 6 april 2023 en door de rechtbank is heden, op 4 april 2025, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n[2] Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n[3] Vgl. Gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:111.\n\n[4] Vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:475.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.1.. Gemachtigde heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken (door hem onder meer “pinpoint brieven” genoemd) volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaken. Daarom is de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Uit de daarop aangevoerde hogerberoepsgronden blijkt dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op het hierna onder 4.1.2 genoemde punt.\n\n4.1.2.. In geschil is of de waarde van de onroerende zaken op te hoge bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de onroerende zaken wordt verminderd met 20% en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die de partij die hoger beroep instelt toekomt, is de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op alle punten op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden ingebracht die niet al in de bezwaarfase of in de beroepsfase zijn aangevoerd, noch argumenten gebezigd of nadere onderbouwingen van de in de bezwaarfase en eerste aanleg ingenomen stellingen verstrekt die een zodanig nieuw of ander licht op de onderhavige geschilpunten werpen, dat op grond daarvan de conclusie dient te worden getrokken dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Dit leidt tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.\n\nSlotsom\n\n5.2.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra P.J.J. Vonk\n\nDe beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2164","2026-07-13T00:29:32.028Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":84,"fullText":85,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":45,"updatedAt":88},"1884","ECLI:NL:GHDHA:2025:2593","ecli-nl-ghdha-2025-2593","2025-10-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummer BK-24\u002F922\n\nUitspraak van 1 oktober 2025\n\nin het geding tussen:\n\n [X] te [Z] , belanghebbende,\n\nen\n\nde Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 12 september 2024, nummer SGR 23\u002F3542.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordwijk opgelegd ter zake van het perceel [perceel] te [woonplaats] (de aanslag).\n\n1.2.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 31 juli 2025 een nader stuk ingediend.\n\n1.7.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025. Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Belanghebbende is via een bericht verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’ (het webportaal) op 11 juni 2024, 11:29 uur, onder vermelding van datum, tijdstip en plaats uitgenodigd de zitting bij te wonen. Belanghebbende heeft het Hof verzocht om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. Het Hof heeft belanghebbende op 6 augustus 2025, 17:01 uur, door middel van een e-mailbericht verzonden aan het door belanghebbende via het webportaal opgegeven e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’ uitgenodigd de zitting digitaal bij te wonen. Aan het begin van de zitting heeft de griffier vergeefs nog tweemaal getracht telefonisch contact met belanghebbende op te nemen. De Heffingsambtenaar heeft deelgenomen aan de zitting via een videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.8.. Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 12 augustus 2025 om 12:22 uur een bericht ontvangen van belanghebbende waarin hij meldt dat de gegevens voor de deelname niet zijn verstuurd en niet in de digitale mailbox staan en stelt dat de stukken van de gemeente te laat zijn toegestuurd en buiten behandeling moeten blijven. Hetgeen belanghebbende aanvoert, geeft het Hof geen aanleiding om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het bericht zal daarom niet tot de gedingstukken worden gerekend en buiten beschouwing worden gelaten.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar en maakt gebruik van het perceel [perceel] te [woonplaats] (het perceel).\n\n2.2.. Het perceel ligt aan een onverharde weg, die ongeveer 315 meter lang is en zich bevindt op grond die in particulier eigendom is. Aan het begin van de onverharde weg staat een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:\n\n“3. Ingevolge artikel 2, tweede, lid, van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023, wordt afvalstoffenheffing geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.\n\n4. De verplichting van artikel 10.21 van de Wmb bestaat ten aanzien van percelen waar afvalstoffen geregeld kúnnen ontstaan. Het is dus niet van belang of daar daadwerkelijk (geregeld) huishoudelijke afvalstoffen ontstaan.[1]\n\n5. Vast staat dat het perceel in gebruik is als woning en dat daar geregeld afvalstoffen (kunnen) ontstaan. De gemeente heeft dus op grond van artikel 10.21 van de Wmb een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen ten aanzien van het perceel.\n\n6. De gemeente maakt voor haar inzamelplicht gebruik van de diensten van [Afvalverwerkingsbedrijf] . Tussen de gemeente en [Afvalverwerkingsbedrijf] bestaat de afspraak dat de vuilniswagens van [Afvalverwerkingsbedrijf] niet op particulier terrein hoeven te rijden teneinde schade aan dat terrein en aan de vuilniswagens te voorkomen.\n\n7. Het perceel is gelegen aan een zandweg van 315 meter lang die eigendom is van diverse particulieren. De gemeente heeft daarom bepaald dat het inzamelpunt voor het huishoudelijk afval is gelegen aan de [straat] ter hoogte van nummer […] . Eiser stelt dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt te groot is. De gemeente voldoet daarmee volgens hem niet aan haar inzamelplicht om bij het perceel het afval op te halen. Verder heeft de Minister volgens eiser bepaald dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt maximaal 125 meter mag bedragen.\n\n8. De bepaling waar eiser naar verwijst, betreft artikel 3 van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (de Regeling). In deze bepaling is uitvoering gegeven aan artikel 10.26, vierde lid, van de Wmb. Dit artikel en de Regeling zijn op 26 november 2008 vervallen. Met het vervallen van de Regeling geldt de grens van 125 meter dus niet meer. In de Memorie van Toelichting[2] is dit als volgt toegelicht:\n\n“Aangezien de wettelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeenten ligt, is het uit oogpunt van decentralisatie niet noodzakelijk om te bepalen binnen welke maximale afstand van de perceelsgrens de gemeente moet zorg dragen voor de inzameling van huishoudelijk afval. Voorgesteld wordt de dwingend voorgeschreven delegatiebevoegdheid (neergelegd in artikel 10.26, vierde lid, Wm) te laten vervallen (artikel I, onderdeel H). Met het vervallen van deze delegatiebevoegdheid komt de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel van rechtswege te vervallen.”\n\n9. Met het vervallen van de Regeling geldt er dus geen maximale afstand meer van een perceel tot het inzamelpunt.\n\n10. Een redelijke uitlegging van artikel 10.21 van de Wmb brengt mee dat de in dat artikel bedoelde inzamelplicht zich niet uitstrekt tot buiten de voor het openbare rijverkeer openstaande wegen.[3] Van een gemeente kan in redelijkheid niet worden geëist dat zij huishoudelijk afval ophaalt op particulier terrein. Verweerder heeft onweersproken gesteld en de rechtbank acht aannemelijk dat het door de gemeente aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel gelegen voor het openbare rijverkeer openstaande weg is waar de vuilniswagens het huishoudelijk afval kunnen ophalen. Hiermee komt de gemeente dan ook haar inzamelplicht na. Dat eiser een heel eind moet lopen met de containers doet hier niet aan af. De landelijke ligging van het perceel maakt dit nodig. De aanslag is daarom terecht aan eiser opgelegd.\n\n11. De eerst ter zitting ingenomen stelling van eiser dat het opleggen van de aanslag in strijd is met diverse mensenrechten is op geen enkele wijze onderbouwd en ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van enige schending van de mensenrechten.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.\n\n(…)\n\n[1] Zie Hoge Raad, 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1838.\n\n[2] Kamerstukken II 2007\u002F08, 31 337, nr. 3, blz. 3.\n\n[3] Vgl. HR 15 februari 1984, nr. 22 311, ECLI:NL:HR:1984:AC4018.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de gemeente Noordwijk aan haar inzamelverplichting heeft voldaan en of de aanslag is opgelegd in strijd met diverse bepalingen van internationale verdragen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.\n\n4.3.. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nInzamelverplichting\n\n5.1.. Op grond van artikel 10.21, lid 1 van de Wet Milieubeheer (Wm) draagt de gemeente ervoor zorg dat de huishoudelijke afvalstoffen tenminste eenmaal per week worden ingezameld nabij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel, waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.\n\n5.2.. Op grond van artikel 3 in verbinding met artikel 2 van de Verordening afvalstoffenheffing Noordwijk 2023 (de Verordening) wordt een afvalstoffenheffing geheven van degene die in de gemeente Noordwijk gebruik maakt van een perceel waarvoor volgens artikel 10.21 en 10.22 Wm een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Daarbij is niet van belang of de gebruiker van het perceel daadwerkelijk gebruik maakt van de gemeentelijke afvalophaaldienst.\n\n5.3.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht van huishoudelijke afvalstoffen niet nakomt. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de gemeente Noordwijk geen mogelijkheid biedt om de huishoudelijke afvalstoffen in de nabijheid van de woning, en aldus binnen redelijke afstand tot de woning, aan te bieden. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de gemeente Noordwijk haar inzamelplicht wel nakomt.\n\n5.4.. Naar oordeel van het Hof heeft de Rechtbank juist en op goede gronden beslist dat de gemeente Noordwijk belanghebbende de gelegenheid biedt om huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden op een plaats binnen een redelijke afstand van zijn perceel. Vast staat dat belanghebbende gebruikmaakt van het perceel. Niet in geschil is dat het door de gemeente Noordwijk aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel van belanghebbende voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke weg is. Omdat de gemeente Noordwijk aan belanghebbende de mogelijkheid biedt om op dit punt zijn huishoudelijk afval aan te bieden, voldoet de gemeente Noordwijk aan haar inzamelplicht. De inzamelplicht omvat niet het ophalen van huishoudelijke afvalstoffen die zich op particulier terrein bevinden. Bovendien staat aan het begin van de zandweg een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld geldt er geen maximale afstand (van 125 meter) van het perceel van belanghebbende tot het voornoemde inzamelpunt.\n\n5.5.. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de gemeente Noordwijk niet de vrijheid om geen afvalstoffenheffing aan belanghebbende in rekening te brengen, al dan niet omdat belanghebbende feitelijk geen gebruik maakt van de afvalophaaldienst. Afvalstoffenheffing is op grond van de Verordening verschuldigd op grond van het gebruik van een perceel waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan, zoals het perceel van belanghebbende. Hierop zijn in de Verordening geen uitzonderingen gemaakt.\n\nSchending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n5.6.. Belanghebbendes stelling dat met het opleggen van de aanslag sprake is van een schending van diverse bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het handvest) treft geen doel. Het handvest richt zich slechts tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met het heffen van afvalstoffenheffing brengt de gemeente Noordwijk niet het recht van de Unie tot uitvoering, zodat belanghebbende ten aanzien van die heffing geen rechten kan ontlenen aan het handvest (vgl. HvJ EU 6 maart 2014, Siragusa, C-206\u002F13, r.o. 24 e.v.).\n\nSchending Arbeidsomstandighedenwet en onrechtmatige daad\n\n5.7.. Voor zover de klachten betrekking hebben een schending van de Arbeidsomstandighedenwet is het Hof, nog daargelaten dat die wet de arbeidsomstandigheden tussen werkgever en werknemer regelt en met de afvalstoffenheffing geen verband houdt, niet bevoegd daarover een oordeel te geven. Ook ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding in verband met een onrechtmatige daad van de gemeente Noordwijk, is de belastingrechter onbevoegd om daarover te oordelen.\n\nSlotsom\n\n5.8.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nEr is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nT. van Hout M.J.M. van der Weijden\n\nDe beslissing is op 1 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2593","2025-12-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.713Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":45,"updatedAt":97},"1676","ECLI:NL:RBDHA:2025:9392","ecli-nl-rbdha-2025-9392","2025-04-29T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummer: SGR 24\u002F1072\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 de aanslag gehandhaafd.\n\nEiseres heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2025. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder is drs. [naam] verschenen.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Aan eiseres is met dagtekening 28 februari 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimten 2021 (de aanslag) ten bedrage van € 64,60 opgelegd voor het object [adres] te [plaats] (het object).\n\n2. Het object bestaat uit hallen met een kantoorgebouw.\n\nGeschil 3. In geschil is of de aanslag terecht aan eiseres is opgelegd.\n\n4. Eiseres stelt dat er geen aansluiting op het waternet was en dat daarom de aanslag ten onrechte is opgelegd.\n\n5. Verweerder stelt dat er gedurende het belastingjaar 2021 niet alleen een aansluiting maar ook waterverbruik was en dat de aanslag terecht is.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n6. Het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslag bevat enkel stellingen en verzoeken omtrent de WOZ-waardering. Bij brief van 6 juli 2021 verzocht verweerder eiseres om het bezwaarschrift van een op de aanslag betrekking hebbende motivering te voorzien. De gemachtigde van eiseres heeft deze brief geretourneerd met daarop de handgeschreven toevoeging: “geen aansluiting”. Bij brief van 30 december 2021 liet verweerder weten dat volgens opgave van Dunea er in 2021 een aansluiting op naam van eiseres was, met watergebruik, en verzocht hij eiseres om een nadere motivering van het bezwaar. Daar heeft eiseres niet op gereageerd. Nadat eiseres de haar geboden gelegenheden voor een hoorzitting ongebruikt heeft gelaten, heeft verweerder het bezwaar afgewezen.\n\n7. Het beroepschrift en de verdere in de beroepsprocedure namens eiseres ingediende stukken bevatten vele stellingen die op de WOZ-waardering betrekking hebben, maar niets dat verband houdt met zuiveringsheffing. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat het object in 2001 leeg stond en in verband daarmee van het water was afgesloten. Verweerder heeft daartegenover ter zitting benadrukt dat blijkens de gegevens van Dunea er in 2021 niet alleen een aansluiting was, maar ook water is verbruikt.\n\n8. In aanmerking genomen dat a priori aannemelijk dat is bij tijdelijke leegstand van een object als het onderhavige de wateraansluiting gehandhaafd blijft, alsmede gelet op de manier en de momenten waarop de gestelde afsluiting door de gemachtigde naar voren is gebracht, beoordeelt de rechtbank die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder als ongeloofwaardig. Gelet daarop moet het beroep ongegrond worden verklaard.\n\nVerzoek om vergoeding van immateriële schade\n\n9. De gemachtigde heeft in naam van eiseres verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 10 maart 2021, zodat de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak is overschreden. Op grond van de navolgende overwegingen is de rechtbank van oordeel dat die overschrijding geen aanleiding kan geven tot vergoeding van immateriële schade. Uit de correspondentie rond de totstandkoming van de volmacht, in het bijzonder uit de e-mail van 10 mei 2021, leidt de rechtbank af dat de machtiging door eiseres is verstrekt met het oog op de krachtens onderlinge afspraak door de gemachtigde te controleren beschikkingen WOZ en aanslagen OZB. Mede in aanmerking genomen dat verweerder in de bezwaarfase al had gewezen op het waterverbruik in 2021 acht de rechtbank niet geloofwaardig dat eiseres heeft gewild dat in haar naam een procedure werd gevoerd met als inzet dat het object in 2021 van het waternet was afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen spanning en frustratie ter zake van de lange duur van de procedure kunnen ondervinden.\n\nProceskosten\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9392","2025-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.001Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":102,"summary":24,"language":7,"source":42,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":45,"updatedAt":105},"1657","ECLI:NL:RBDHA:2025:9624","ecli-nl-rbdha-2025-9624","Rechtbank DEN HAAG\n\nTeam belastingrecht\n\nzaaknummers: SGR 23\u002F6557, SGR 23\u002F6558, SGR 23\u002F6559, SGR 23\u002F6561, SGR 23\u002F6562, SGR 23\u002F6563, SGR 23\u002F6564, SGR 23\u002F6566, SGR 23\u002F6567\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2025 in de zaken tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, verweerder.\n\nDe bestreden uitspraak op bezwaar\n\nDe uitspraak van verweerder van 4 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres tegen na te noemen beschikking en aanslag.\n\nZitting\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2025.\n\nNamens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.\n\nOverwegingen\n\n1. Verweerder heeft bij beschikkingen van 24 februari 2023 (de beschikkingen) op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde van acht verschillende objecten te Noordwijk vastgesteld voor het belastingjaar 2023 naar de waardepeildatum 1 januari 2022 (de waardepeildatum). Met de beschikkingen zijn in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2023 (de aanslagen). Verweerder heeft de waarde van de hieronder genoemde objecten (de onroerende zaken) als volgt vastgesteld:\n\nZaaknummer\n\nObject\n\nWaarde\n\nType\n\nGrootte\n\nBouwjaar\n\nSGR 23\u002F6557\n\n [adres 1]\n\n€ 260.000\n\nBovenwoning\n\nWoning: 55 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6558\n\n [adres 2]\n\n€ 244.000\n\nAppartement\n\nWoning: 49 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6559\n\n [adres 3]\n\n€ 244.000\n\nAppartement\n\nWoning: 49 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6561\n\n [adres 4]\n\n€ 317.000\n\nAppartement\n\nWoning: 91 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6562\n\n [adres 5]\n\n€ 339.000\n\nBenedenwoning\n\nWoning: 101 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6563\n\n [adres 6]\n\n€ 319.000\n\nAppartement\n\nWoning: 92 m²\n\nSchuur: 4 m²\n\n1985\n\nSGR 23\u002F6564\n\n [adres 7]\n\n€ 1.341.000\n\nWinkel met opslagruimte en kelder\n\nWinkel: 400 m²\n\nOpslag: 146 m²\n\nKelder: 188 m²\n\n1963\n\nSGR 23\u002F6566\n\n [adres 8]\n\n€ 671.000\n\nWinkel met opslagruimte en kelder\n\nWinkel: 200 m²\n\nOpslag: 75 m²\n\nKelder: 42 m²\n\n1963\n\nSGR 23\u002F6567\n\n [adres 9]\n\n€ 1.108.000\n\nVrijstaande woning met aanbouw, garage en vrijstaande schuur\n\nWoning en aanbouw: 319 m²\n\nGarage: 79 m²\n\nSchuur: 18 m²\n\nGrond: 6.370 m²\n\n1975\n\n1966\n\n2. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaken.\n\n3. In geschil zijn de waarden van de onroerende zaken op de waardepeildatum.\n\nEiseres heeft pas ter zitting de volgende waarden bepleit:\n\nObject\n\nWaarde\n\n [adres 1]\n\n€ 199.000\n\n [adres 2]\n\n€ 184.000\n\n [adres 3]\n\n€ 184.000\n\n [adres 4]\n\n€ 229.000\n\n [adres 5]\n\n€ 249.000\n\n [adres 6]\n\n€ 230.000\n\n [adres 7]\n\n€ 999.000\n\n [adres 8]\n\n€ 419.000\n\n [adres 9]\n\n€ 799.000\n\n4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024toegelicht hoe de bewijslastverdeling in WOZ-zaken over de waarde, rekening houdend met het zogenoemde ‘Oostflakkee’-arrest, moet worden uitgelegd. In dit eerstgenoemde arrest stelt de Hoge Raad voorop dat de bewijslastverdeling, anders dan vaak uit het Oostflakkee-arrest wordt afgeleid (en vaak wordt aangeduid als de drietrapsraket), niets anders behelst dan het toepassen van de gewone regels van bewijslastverdeling. Dat betekent dat de rechtbank eerst beoordeelt of verweerder de vastgestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt, bezien in het licht van de betwisting door eiseres. Als er aspecten zijn die volgens eiseres tot een lagere waardering zouden moeten leiden, is het ook aan eiseres om deze aspecten aan te dragen en aannemelijk te maken. Als verweerder er niet in slaagt om de door hem vastgestelde waarde aannemelijk te maken, dan moet de rechtbank, als eiseres een lagere waarde bepleit, beoordelen of eiseres die lagere waarde aannemelijk heeft gemaakt. Pas als beide partijen de door hen voorgestane waarde niet aannemelijk hebben gemaakt en dus niet het van hen te verlangen bewijs hebben geleverd, volgt volgens de Hoge Raad uit het Oostflakkee-arrest dat de rechter de waarde van de onroerende op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen. De rechtbank zal de waarde van de onroerende zaken hierna dan ook op voormelde wijze beoordelen.\n\n5. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn beroepschrift, nadere stukken en zijn zogenoemde “pinpoint”brief volstaan met een opsomming van algemene niet naar de zaken zelf geconcretiseerde beroepsgronden en een verwijzing naar het door hem ingediende bezwaarschrift. Nog afgezien van het feit dat een enkele verwijzing naar een bezwaarschrift onvoldoende is als beroepsgrond, heeft de gemachtigde in dat bezwaarschrift ook volstaan met algemene gronden en niet nader geconcretiseerd dat en in hoeverre deze algemene gronden van toepassing zijn in de onderhavige zaken.\n\n6. Door pas ter zitting zijn beroepsgronden concreet te maken, heeft de gemachtigde verweerder de kans ontnomen deze gronden te onderzoeken en een nadere toelichting of onderbouwing (met stukken) te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde voor het eerst concreet gemaakt waarom de vergelijkingsobjecten van de woningen niet goed vergelijkbaar zouden zijn en voor de twee winkelpanden gesteld dat deze ten onrechte als woning zijn gewaardeerd, de kelders van de winkelpanden ten onrechte verschillend zijn gewaardeerd en de in aftrek gebrachte coronavermindering op een te laag percentage is vastgesteld. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde en zal deze stellingen van eiseres derhalve niet betrekken in de beoordeling.De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde veelvuldig procedeert, met de gang van zaken tijdens een belastingprocedure bekend is en voor de late inbreng van zijn concrete standpunten desgevraagd geen afdoende verklaring heeft kunnen geven.Het ter zitting ingenomen standpunt van de gemachtigde dat de beroepsgronden in zijn stukken zijn opgenomen dan wel dat de rechtbank deze zelfstandig uit de stukken had kunnen afleiden miskent de rol van de rechtbank. De bezwaren van de gemachtigde die samenhangen met de door verweerder op 18 maart 2025 overgelegde iWOZ-rapportages voor [adres 9] worden niet buiten beschouwing gelaten, omdat van de gemachtigde redelijkerwijs niet mocht worden verwacht dat hij eerder op die rapportages zou reageren.\n\nWoningen [adres 1] [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6]\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. Zoals volgt uit de waarderapporten, zijn de waarden van de woningen aan de [straatnaam] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de waarden van de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 10] (verkocht op 7 januari 2021 voor € 325.000), [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500) en [adres 12] (verkocht op 27 december 2021 voor € 450.000). De waarden van de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] heeft verweerder onderbouwd met de verkoopgegevens van de vergelijkingsobjecten [adres 11] (verkocht op 1 maart 2022 voor € 280.500), [adres 13] (verkocht op 15 september 2022 voor € 450.000) en [adres 14] (verkocht op 29 september 2022 voor € 260.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning, bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken voldoende vergelijkbaar. Uit de waarderapporten volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en de woningen in de [straatnaam] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden. Eiseres heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n [adres 9]\n\n8. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarde van [adres 9] per waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Zoals volgt uit het waarderapport is de waarde van [adres 9] bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 15] (verkocht op 19 augustus 2022 voor € 1.050.000), [adres 16] (verkocht op 2 juni 2022 voor € 762.000) en [adres 17] (verkocht op 24 september 2021 voor € 1.345.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten gelet op het type woning (vrijstaand), het identieke waardegebied (W053), de identieke ligging (3), bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en objectkenmerken goed vergelijkbaar. Uit het waarderapport volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met verschillen in primaire kenmerken (zoals bouwjaar en gebruiks- en perceeloppervlakte), secundaire kenmerken (ligging en niveau van kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen) en bijgebouwen tussen de vergelijkingsobjecten en [adres 9] . Met de verschillen is ook in voldoende mate rekening gehouden.\n\n9. In reactie op de door verweerder ingediende iWOZ-rapporten van de vergelijkingsobjecten voor [adres 9] heeft de gemachtigde ter zitting aangevoerd dat er verschillen bestaan in het aantal vierkante meters in de iWOZ-rapportages tussen de BAGoppervlakte en de gebruiksoppervlakte en dat er gegevens over de inhoud staan genoemd. De gemachtigde heeft vervolgens opgemerkt dat deze verschillen kunnen leiden tot een hogere of lagere waarde. De gemachtigde heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat en vooral in hoeverre dit tot een waardeverschil zou moeten leiden voor [adres 9] . Verder geldt dat de gegevens in iWOZ-rapportages marktinformatie betreft afkomstig uit de verkoopadvertenties van makelaars die de inhoud en oppervlakte op andere wijze vaststellen. Die informatie is dan ook niet bepalend. Een verschil in vierkante meters tussen de in de iWOZ-rapportages opgenomen gebruiksoppervlakte en BAG oppervlakte leidt niet tot de conclusie dat de vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als vergelijkingsobject te dienen.\n\n10. De ter zitting overgelegde schriftelijke toelichting van eiseres op de onderhoudstoestand en het fotomateriaal, leiden evenmin tot een ander oordeel. Uit de foto’s kan weliswaar worden afgeleid dat er (water)schade is geweest en dat er werkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar eiseres heeft hiermee niet onderbouwd dat de volgens haar met het herstel gemoeide kosten € 30.000 bedragen. De stelling van de gemachtigde ter zitting dat eiseres een dochter van een architect is en dus precies weet hoeveel de kosten bedragen is daartoe onvoldoende. Er is ook geen offerte of factuur overgelegd waaruit deze kosten blijken en evenmin is aannemelijk geworden dat deze kosten een waardevermindering op de woning rechtvaardigen van eenzelfde bedrag.\n\nWinkelpanden [adres 7] en [adres 8]\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van hetgeen eiseres heeft aangevoerd, verweerder erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door hem verdedigde waarden van [adres 7] en [adres 8] per waardepeildatum niet te hoog zijn vastgesteld. De waarden van deze twee winkelpanden heeft verweerder bepaald met behulp van de huurwaardekapitalisatiemethode. Voor [adres 7] heeft verweerder een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 239,50 per m² (winkelruimte), € 95,80 per m² (opslag) en € 60,35 per m² (kelder). Voor [adres 8] heeft verweerder eveneens een kapitalisatiefactor van 11,3 toegepast en is uitgegaan van huurwaarden van € 250,75 per m² (winkelruimte), € 100,30 per m² (opslag) en € 70,21 per m² (kelder). Deze gegevens heeft hij gebaseerd op huurtransacties van [adres 18] (verhuurd per 15 mei 2023 voor € 34.000) en [adres 19] (verhuurd per 1 september 2020 voor € 30.000) en op een verkooptransactie van [adres 20] (verkocht op 24 januari 2022 voor € 1.235.000), winkelpanden gelegen in dezelfde straat op een A1locatie. De door verweerder gehanteerde huurwaarden voor [adres 7] en [adres 8] vallen allemaal binnen de bandbreedte van de huurwaarden van de vergelijkingsobjecten. Vanwege de Coronacrisis heeft verweerder voor [adres 7] en [adres 8] over de totale huurwaarden een coulancekorting van 2% toegepast, gebaseerd op een advies van de Waarderingskamer. Verweerder heeft de kapitalisatiefactor van [adres 7] en [adres 8] berekend aan de hand van het object [adres 18] . Tot de gedingstukken behoort een afschrift van deze berekening. Hieruit blijkt dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een geïndexeerde transactieprijs en een onderbouwde huurwaarde. Daarmee heeft hij de gehanteerde kapitalisatiefactor in voldoende mate onderbouwd. Gelet op de gelijke ligging op een A1-locatie, heeft verweerder deze kapitalisatiefactor terecht toegepast voor [adres 7] en [adres 8] . Eiseres heeft tegen de onderbouwing geen concrete gronden aangevoerd en heeft de door haar bepleitte waarden niet onderbouwd.\n\n12. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de waarden van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld.\n\n13. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat, behoudens bijzondere omstandigheden, een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 6 april 2023 en door de rechtbank is heden, op 4 april 2025, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.\n\n14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2025.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).\n\nDat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.\n\nVerder vermeldt u ten minste het volgende:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).\n\n ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n Vgl. Gerechtshof Den Haag 9 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:111.\n\n Vgl. Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:475.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9624","2025-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.982Z",20]