[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-planning-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},104,"planning-permit-nl","Planning Permit","NL","2026-07-08T16:56:40.776Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2023-07-14T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123823","Algemene wet bestuursrecht","art. 2:4",1,[27,37,46,55],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"899","ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","ecli-nl-rbdha-2026-17366","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 26\u002F1234\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college\n\n(gemachtigde: mr. T. Janssens).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor het splitsen van de woning aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college geweigerd verzoeker een omgevingsvergunning te verlenen voor een reeds gerealiseerde splitsing van de woning aan de [adres] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 12 januari 2026 heeft het college deze weigering in stand gelaten. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1. Verzoeker heeft het verzoek aangevuld en nadere stukken overgelegd.\n\n2.2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd.\n\n2.4. Het college heeft een nadere reactie ingediend.\n\n2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVoorgeschiedenis\n\n3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] . Hij heeft deze woning gesplitst in twee woningen, die worden verhuurd.\n\n3.1. Het college heeft met het besluit van 28 maart 2024 verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om de zonder omgevingsvergunning uitgevoerde splitsing van deze woning ongedaan te maken en de illegale bewoning hiervan door meerdere huishoudens te (laten) beëindigen en beëindigd te houden. Verzoeker heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend. Met de uitspraak van 1 december 2025 van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit besluit onherroepelijk geworden.\n\n3.2. Nadat het college had beslist op de bezwaren van verzoeker tegen de last onder dwangsom, heeft verzoeker een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om de woningsplitsing alsnog te legaliseren. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd en deze weigering met het bestreden besluit in stand gelaten. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld (zaak SGR 26\u002F1237).\n\nOmvang van het verzoek\n\n4. In het inleidende verzoekschrift is vermeld dat het verzoek strekt tot schorsing van de opgelegde last onder dwangsomp. Uit de inhoud van het aanvullende verzoekschrift, de door verzoeker ingediende nadere stukken en zijn toelichting op de zitting, is de voorzieningenrechter echter gebleken dat het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot weigering van de alsnog aangevraagde omgevingsvergunning. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met het verzoek wil bereiken dat het college voorlopig niet overgaat tot invordering van verbeurde dwangsommen.\n\n4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker dit doel van zijn verzoek niet kan bereiken met de enkele schorsing van het weigeringsbesluit. Ook bij schorsing van dat besluit beschikt verzoeker immers nog niet over een omgevingsvergunning, zodat sprake blijft van een illegale situatie. Daarom neemt de voorzieningenrechter aan dat verzoeker beoogt dat hij tot de uitspraak in de beroepsprocedure over de geweigerde omgevingsvergunning, wordt aangemerkt als ware hij in het bezit van die vergunning.\n\nSpoedeisend belang\n\n5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5.1. \n\nDe weigering van de omgevingsvergunning levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. Deze weigering heeft geen onomkeerbare gevolgen.\n\nVoor zover verzoeker vreest dat de weigering van de omgevingsvergunning hem blootstelt aan mogelijke invordering van verbeurde dwangsommen, is dat ook onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. De verbeurte van dwangsommen en de invordering daarvan is het rechtstreekse gevolg van de onherroepelijke last onder dwangsom, niet van de weigering van de omgevingsvergunning.\n\n5.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college vooralsnog geen invorderingsbesluit heeft genomen. Mocht het college daartoe alsnog overgaan, dan kan verzoeker daartegen desgewenst rechtsmiddelen aanwenden. Als verzoeker vindt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien, dan kan hij dat in die procedure naar voren brengen. De wens om te voorkomen dat het college een invorderingsbesluit neemt, levert echter een onvoldoende spoedeisend belang op in deze zaak. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat de wens om toekomstige invordering van verbeurde dwangsommen te voorkomen, betrekking heeft op een louter financieel belang. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk belang in beginsel onvoldoende om een spoedeisend belang aan te ontlenen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Verzoeker heeft een onvoldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5796","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17366","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.641Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1532","ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","ecli-nl-rbdha-2024-24033","2024-12-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 23\u002F3138\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. Geelhoed),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. V. Boender-Wiebenga).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor een woningvormingsvergunning (aanvraag).\n\n1.1.. Verweerder heeft deze aanvraag van 21 april 2021 met het besluit van 16 juni 2021 (primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 april 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 6 maart 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en voor verweerder zijn gemachtigde.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikt die nodig is om het onderzoek op de zitting te kunnen afronden. Partijen hebben vervolgens een nadere schriftelijke reactie aan de rechtbank gestuurd. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien om de uitspraak in deze zaak aan te houden in afwachting van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over schaarse woonruimte. De Afdeling heeft op 28 augustus 2024 uitspraak gedaan.Partijen hebben hierop vervolgens schriftelijk gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Eiser is eigenaar van een woning aan [adres] . De woning is een zogenoemd herenhuis en telt zes kamers, die eiser sinds 2006 afzonderlijk verhuurt. Hiervoor is destijds een gebruiksvergunning verleend. Eiser wil de woning verbouwen tot drie zelfstandige woningen.\n\n2.1.. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de woning in het [wijk] in Den Haag ligt en daarmee in een gebied waar een verbod op woningvorming geldt.Dit verbod is ingesteld vanwege negatieve gevolgen van woningvorming op zowel het woningaanbod als de leefomgeving in het [wijk] .\n\n2.2.. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser is advies uitgebracht door de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie). In het adviesheeft de commissie geconcludeerd dat uitsluitend voor zelfstandige woningen een vergunningplicht geldt. Voor onzelfstandige woningen geldt dit niet. Volgens de commissie gaat het in dit geval om een onzelfstandige woning, omdat de woning bestaat uit zes kamers die afzonderlijk worden verhuurd. De commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en adviseert verweerder het bestreden besluit in te trekken en de aanvraag buiten behandeling te stellen.\n\n2.3.. \n\nVerweerder heeft dit advies van de commissie bij het nemen van het bestreden besluit niet gevolgd. Volgens verweerder gaat het om een zelfstandige woningondanks de kamerverhuur en niet om een onzelfstandige woning waarvoor geen vergunning is vereist.\n\nVerweerder heeft verder gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. In deze uitspraak is geoordeeld dat verweerder voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat er nu sprake is van schaarste in alle prijssegmenten. Ook in het duurdere segment is het instellen van een vergunningplicht volgens verweerder daarom een geschikt en noodzakelijk instrument om de onevenwichtige effecten van schaarste in de gehele woningvoorraad te bestrijden. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verder ziet verweerder in dit geval geen mogelijkheid om in afwijking van het beleid de hardheidsclausule toe te passen. Met deze aanvullende motivering heeft verweerder het bezwaar van eiser met het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nWat stellen partijen in beroep?\n\n3. Eiser voert aan dat geen vergunning nodig is, omdat het hier gaat om een onzelfstandige woning, omdat de woning al sinds 2006 wordt verhuurd. Als de woningvormingsvergunning niet wordt verleend, zal de kamerverhuur worden voortgezet. Hierdoor keert de woning niet terug naar de woningvoorraad. Verweerder heeft het advies van de commissie onvoldoende gemotiveerd opzij geschoven en ten onrechte geconcludeerd dat de woning ondanks de kamerverhuur altijd een zelfstandige woning is gebleven. Deze stelling heeft verweerder niet onderbouwd en is feitelijk onjuist. De woning is al sinds 1985 als kamerverhuurpand in gebruik, zodat de woning al sindsdien aan de woningvoorraad is onttrokken. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering.Als wordt afgeweken van een advies geldt een verzwaarde motiveringsplicht.\n\n3.1.. \n\nVerweerder handhaaft zijn standpunt dat sprake is van een vergunningplicht. Verweerder heeft gewezen op een uitspraakwaarin is geoordeeld dat het aanwijzen van een vergunningplicht voor het gehele grondgebied, in alle prijssegmenten noodzakelijk en geschikt is geacht voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte. Gelet hierop geldt de vergunningplicht ook voor woningen die vallen binnen het hogere segment aan woningen. Het pand ligt in het [wijk] in Den Haag. Daarvoor geldt een verbod op woonvorming. Dit betekent dat een aanvraag om woonvormingsvergunning moet worden geweigerd.Verweerder heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat het in dit geval gaat om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). Met dit gebruik blijft het pand een zelfstandige woning.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs sprake van een zelfstandige of onzelfstandige woning?\n\n4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient de vraag of sprake is van een zelfstandige woning beoordeeld te worden aan de hand van de feitelijke situatie.Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor de uitleg van het begrip zelfstandige woonruimte aansluiting moet worden gezocht bij de definitie ervan in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek en de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel.Hieruit volgt dat het gebruik van de wezenlijke voorzieningen exclusief aan de bewoner moet toekomen. Verder wordt onder zelfstandige woning ook de onvrije woning verstaan. Dat wil zeggen een woning waarbij de bewoner voor wezenlijke voorzieningen niet afhankelijk is van gemeenschappelijke voorzieningen en waarbij de ruimten afsluitbaar zijn en bereikbaar zijn via een gemeenschappelijke verkeersruimte waarover anderen niet krachtens zakelijk of persoonlijk recht bij uitsluiting zeggenschap hebben.\n\n4.1.. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de woning als een zelfstandige woning is aan te merken. Zoals verweerder in zijn verweerschrift nader heeft toegelicht gaat het hier om een woning die mag worden gebruikt voor kamerverhuur (onzelfstandige bewoning). De woning blijft als bouwwerk echter een zelfstandige woonruimte met een eigen toegang waarachter de wezenlijke voorzieningen liggen. Het pand blijft ook op grond van de BAG, een verblijfsobject, een zelfstandige woonruimte. Onzelfstandige woonruimte zijn geen verblijfsobjecten en krijgen daarom geen huisnummer. Als deze woning als onzelfstandige woonruimte moeten worden beschouwd dan zou het geen huisnummer hebben. Gelet hierop slaagt het betoog van eiser dat geen vergunning nodig is, omdat het gaat om een onzelfstandige woning niet slagen.\n\nWelk recht is van toepassing op de aanvraag?\n\n5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvraag heeft beoordeeld met toepassing van artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (versie 3 geldend van 24\u002F12\u002F2020 – 31\u002F5\u002F2021 en versie 4 geldend van 1\u002F6\u002F2021 – 28\u002F2\u002F2022).\n\n5.1.. Eiser stelt in zijn brief van 20 maart 2024 dat de aanvraag had moeten worden beoordeeld volgens het recht dat gold op het moment van aanvraag. Op dat moment was de Huisvestingsverordening 2019 van toepassing. Uit de uitspraken van deze rechtbankvolgt dat deze verordening in ieder geval op dat moment buiten toepassing moest worden gelaten voor de categorie zelfstandige woningen in het hogere segment. Op dat moment was namelijk de noodzaak door de gemeenteraad nog niet aangetoond voor die categorie zelfstandige woningen in het hogere segment.\n\n5.2.. In zijn brief van 8 april 2024 geeft verweerder aan dat de juiste wet- en regelgeving is toegepast en dat met de notitie voldoende is onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle prijssegmenten en categorieën.5.3.. Verweerder heeft in het geschil het juiste recht toegepast. Tussen versie 3 en versie 4 van de Huisvestingsverordening 2019 is er inhoudelijk geen verschil wat betreft de voor eiser geldende normstelling. Uit de door eiser genoemde uitspraak volgt niet dat de Huisvestingsverordening 2019 onverbindend was, maar dat die in die zaak buiten toepassing moest worden gelaten.\n\nMocht verweerder eiser een algemene vergunningplicht tegenwerpen?\n\n6. Recent heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder met de notitie,gelet op de daarin gehanteerde onderzoeken en de op de gemeente Den Haag toegesneden analyse, toereikend heeft onderbouwd dat sprake is van schaarste in alle segmenten, en dat een vergunningplicht voor omzetting noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ten behoeve van het behoud van de woningvoorraad en de doorstroming binnen de markt het aanwijzen van het gehele grondgebied wenselijk is. De gemeenteraad mocht dus een vergunningplicht voor het omzetten van woonruimte in de Huisvestingsverordening 2019 opnemen. Het cijfermateriaal dat verweerder in de notitie betrokken heeft, ziet op de periode 2015-2022. De Afdeling is van oordeel dat daarmee ook voor de Huisvestingsverordening 2023 een voldoende toereikende motivering voor de vergunningplicht is gegeven. Met de notitie is nu ook voor het hogere segment voldoende gemotiveerd dat sprake is van schaarste en onevenredige en onevenwichtige effecten daarvan.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat het in de zaak van eiser weliswaar niet om een omzettings- maar om een woningvormingsvergunning gaat, maar ziet daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Het gaat immers ook in dit geval om de onderbouwing door verweerder dat sprake is van schaarste in alle segmenten en dat een vergunningplicht noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onevenredige effecten van schaarste aan woonruimte.\n\n6.2.. De rechtbank volgt eiser, gelet op het voorgaande, niet in zijn betoog dat verweerder met de notitie onvoldoende heeft onderbouwd dat op het moment van de aanvraag ook schaarste bestond in het hogere segment. Volgens eiser ziet de motivering die verweerder hiervoor achteraf heeft gegeven niet op de betreffende periode en wijk en onderbouwt daarmee niet waarom de toegepaste bepalingen uit de Huisvestingsverordening en daarmee de vergunningplicht in dit geval mocht worden toegepast. In voormelde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in beginsel niet is uitgesloten dat verweerder in een procedure over een besluit dat met toepassing van de Huisvestingsverordening is genomen en waarin een algemeen verbindend voorschrift uit die verordening exceptief moet worden getoetst, alsnog onderbouwt waarom de toegepaste bepaling rechtmatig is en in dat geval toegepast mocht worden. Het moet dan gaan om een motivering die in lijn is met dat voorschrift en die het standpunt van de gemeenteraad weergeeft. Omdat de notitie in lijn is met het standpunt van de gemeenteraad oordeelde de Afdeling dat deze mocht worden meegenomen als onderbouwing van de in de Huisvestingsverordening 2019 opgenomen vergunningplicht.\n\nHad verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen?\n\n7. De rechtbank is niet gebleken van zodanige bijzondere feiten en omstandigheden dat verweerder in redelijkheid toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank constateert dat eiser dit in bezwaar ook heeft aangevoerd en dat verweerder in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank kan deze motivering van verweerder volgen.\n\nMocht verweerder afwijken van het advies van de commissie?\n\n8. In artikel 7:13, zevende lid, van de Awb is bepaald dat indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, en indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.\n\n8.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, voldoende gemotiveerd aangegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie. Het bestreden besluit is op dit punt niet onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de woningvormingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:3424.\n\n Op grond van artikel 21, onder d, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 5:2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening).\n\n Van 21 januari 2022.\n\n Als bedoeld in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is bepaald dat onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning die een eigen toegang heeft en die de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n De motivering van verweerder voldoet niet aan de wettelijke eisen van de artikelen 3:46 en 7:13, zevende lid van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5633.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13735.\n\n Op grond van artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1109.\n\n Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0658, r.o. 4.1, en de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2070, r.o. 4.3.\n\n Kamerstukken II 1997\u002F98, 26 089, nr. 3, p. 38-39.\n\n Uitspraken van deze rechtbank van 26 april 2022, ECLI:NL:RBDHA: 2022:4114.\n\n De notitie ‘Schaarste aan woonruimte in Den Haag’ van 29 augustus 2022.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3424, overwegingen 15.3 en 15.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24033","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:25.677Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":35,"updatedAt":54},"514","ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","ecli-nl-rbdha-2023-18213","2023-10-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F6094uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 oktober 2023 in de zaak tussen\n\n [eiser 1],\n\n [eisers 1],\n\n [eisers 2],\n\n [eiser 2],\n\n [eiser 3],\n\n [eiser 4],\n\n [eiser 5],\n\n [eiser 6],\n\n [eiser 7]\n\nte [woonplaats], eisers\n\n(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. P. Yildirim).\n\nAls derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats], vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. F. van der Heijden).\n\nInleiding\n\n1. Verweerder heeft bij besluit van 10 september 2020 (het primaire besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen voor een periode van tien jaar. Het daartegen door eisers gemaakte bezwaar is bij het besluit van 2 augustus 2021 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit.\n\n2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Eisers hebben nadere stukken ingediend.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan\n\nhebben deelgenomen: [eiser 1] en [namen], bijgestaan door hun\n\ngemachtigde, de gemachtigde van verweerder, en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n5.1.. Vergunninghouder heeft op 4 juni 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de [adres 1] in [plaats] naar twaalf short stay appartementen. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).\n\n5.2.. In het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.\n\n5.3.. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich - conform het advies van de bezwaarschriftencommissie - op het standpunt dat de functiewijziging van kantoor naar short stay appartementen niet in strijd is met de bestemming ‘Gemengd’ op grond van de beheersverordening ‘Willemspark e.o.’ (beheersverordening). De bezwaarschriftencommissie adviseerde echter de omgevingsvergunning in heroverweging te weigeren, omdat in het primaire besluit ten onrechte is overwogen dat het bouwplan voldoet aan de parkeereis. Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen, maar is daarin niet binnen de gestelde termijn geslaagd. Verweerder concludeert op basis van nieuwe informatie van vergunninghouder, die is ontvangen ná het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat alsnog wordt voldaan aan de parkeereis. Verweerder wijkt daarom op dit punt af van het advies van de bezwaarschriftencommissie.\n\n6. Eisers betogen op hierna te noemen gronden dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.\n\nOntvankelijkheid beroep\n\n7.1.. Vergunninghouder betoogt dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gemachtigde van eisers het beroepschrift op 13 september 2021 niet met het inlogmiddel advocatenpas heeft ingediend maar met DigiD.\n\n7.2.. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:40a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bericht elektronisch naar de bestuursrechter worden verzonden voor zover de bestuursrechter kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. De bestuursrechter kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.\n\n7.3.. Op grond van het tweede en derde lid van artikel 2:15 van de Awb kan de bestuursrechter elektronisch verschafte gegevens en bescheiden weigeren voor zover de aanvaarding daarvan tot een onevenredige belasting voor de bestuursrechter zou leiden. De bestuursrechter kan een elektronisch verzonden bericht ook weigeren voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid van dit bericht onvoldoende is gewaarborgd, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.\n\n7.4.. Op grond van artikel 1.8, eerste lid, van het (op het moment van indiening van het beroepschrift geldende) Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Procesreglement) maakt dit reglement onderscheid tussen digitaal procederen en andere vormen van elektronisch berichtenverkeer met en van de bestuursrechter. Van digitaal procederen in deze zin is in de onderhavige procedure geen sprake.7.5.. Op grond van artikel 1.8, vierde lid, van het Procesreglement neemt de bestuursrechter een elektronisch ingediend beroepschrift dat niet is ingediend door middel van digitaal procederen uitsluitend in behandeling, indien het is ingediend via een daarvoor door de bestuursrechter opengesteld systeem dat wordt vermeld in de bijlage bij dit reglement met toepassing van de bepalingen vermeld in de bijlage.\n\n7.6.. Op grond van artikel 1 van bijlage 1 bij het Procesreglement heeft de bestuursrechter, voor het anders dan met digitaal procederen elektronisch indienen van beroepschriften en berichten, zoals bedoeld in artikel 1.8. vierde lid, van het reglement formulieren voor het instellen van (hoger) beroep beschikbaar gesteld op de digitale loketten www.rechtspraak.nl. Voor advocaten is alleen het inlogmiddel Advocatenpas toegelaten. Voor natuurlijke personen alleen DigiD.\n\n7.7.. Op het pro forma beroepschrift staat een stempel dat het is ontvangen op 13 september 2021 om 23:44 uur. Het beroepschrift is daarom tijdig ingediend. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting toegelicht dat het inlogmiddel Advocatenpas niet werkte en dat hij, gelet op de naderende deadline, het beroepschrift daarom met behulp van DigiD heeft ingediend. Daarbij heeft hij vermeld dat hij namens anderen beroep heeft ingesteld. Uit het pro forma beroepschrift blijkt dat hij als advocaat namens negen personen beroep heeft ingesteld.\n\n7.8.. \n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan vergunninghouder kennelijk meent, de bestuursrechter niet gehouden is om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als niet wordt voldaan aan de vereisten bij of krachtens artikel 2:15, eerste lid, van de Awb. Daarbij wijst de rechtbank in de eerste plaats op de formulering van artikel 6:6 van de Awb, dat bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kanworden verklaard indien aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep niet is voldaan. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in de memorie van toelichting bij artikel 2:15 van de Awb is overwogen:\n\n“Indien een bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt toegezonden, terwijl het bestuursorgaan niet heeft kenbaar gemaakt dat deze weg is geopend voor dit soort berichten en deze weg inderdaad ook niet is opengesteld, dan kan het bestuursorgaan op die grond weigeren het bericht te aanvaarden. Het staat het bestuursorgaan echter ook onder die omstandigheid vrij het bericht te accepteren.”\n\n7.9.. Naar het oordeel van de rechtbank is niet-ontvankelijkheid van het beroep een te vergaande consequentie van het verzuim om het inlogmiddel Advocatenpas te gebruiken. De rechtbank betrekt daarbij dat deze regeling niet strekt tot bescherming van de belangen van verweerder en vergunninghouder, maar (mede gelet op de weigeringsgronden van artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Awb) ziet op een betrouwbare en efficiënte wijze van elektronisch verkeer tussen de rechtbank en partijen. Verweerder en vergunninghouder zijn door de handelwijze van de gemachtigde van eisers ook niet benadeeld in hun procespositie.\n\n7.10.. Anders dan vergunninghouder ter discussie heeft gesteld, hebben bovendien alle eisers het bezwaarschrift, ingediend door eiser [eiser 1], ondertekend. Ook op dat punt ziet de rechtbank dus geen aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te achten. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk bespreken.\n\nStrijd met de bestemming in de beheersverordening?\n\n8.1.. Eisers stellen dat de short stay appartementen niet een hotelfunctie hebben, omdat geen sprake is van (volledige of gedeeltelijke) verzorging. Het bouwplan maakt feitelijk kamergewijze verhuur van tijdelijke aard mogelijk, zodat de functie ‘wonen’ aan de orde is. Verweerder heeft dit niet onderkend. Het gemeentelijk beleid is gericht op het vergroten van de woningvoorraad en het tegengaan van kamerbewoning. Voor de wijken Archipel en Willemspark geldt een verbod voor kamerverhuur en splitsing van woningen. Voor verhuur voor tijdelijk verblijf is een onttrekkingsvergunning vereist. Dat verweerder zelf uitgaat van strijd met de beheersverordening blijkt uit het feit dat in de bekendmaking van het besluit in het Gemeenteblad van 27 juli 2020 “Categorie: Ontheffing kruimel” staat. Uitgaande van strijd met de beheersverordening moet verweerder motiveren waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening en alle belangen afwegen. Het tijdelijk verblijf van twaalf huishoudens zal een nadelig effect hebben op de leefbaarheid in de wijk en voor (onder meer geluids-)overlast voor omwonenden en meer verkeersbewegingen zorgen.\n\n8.2.. Verweerder acht short stay appartementen in overeenstemming met een hotelfunctie omdat bij beiden sprake is van ‘logies’. In de aanvraag is ‘logiesfunctie’ vermeld. Verweerder definieert ‘logies’ als het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben. De bezwaarschriftencommissie verwijst voor het oordeel dat de logiesfunctie een vorm van de hotelfunctie is naar de omgevingsvergunning voor de Lekstraat 85. Verweerder wijst erop dat het gaat om een gebonden beschikking. Omdat short stay appartementen een hotelfunctie hebben, wordt het bouwplan voor wat betreft de wijziging van de functie akkoord bevonden. Verweerder stelt dat van gedeeltelijke verzorging sprake is, omdat de in de tekeningen aangegeven werkkast, stookruimte en tochthal gezamenlijke ruimtes zijn ten behoeve van het onderhoud en verzorging van de appartementen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat short stay in dit geval inhoudt dat sprake is van een tijdelijk verblijf van maximaal vier maanden.\n\n8.3.. Vergunninghouder heeft bij brief van 8 september 2020 toegelicht dat de verzorging bestaat uit stoffering en meubilering van de appartementen, een wasmachine en droger in een algemene ruimte, herstel en\u002Fof vervanging van schade aan verlichting en\u002Fof meubilering, huisregels met betrekking tot geluid, afval en onderhoud en controles met betrekking tot naleving daarvan, in- en uitchecken op afspraak, schoonmaken van de algemene ruimtes en de ramen en huurcontracten.\n\n8.4.. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het (voor zover hier relevant) verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.\n\n8.5.. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend indien (voor zover hier relevant) de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of regels die zijn gesteld op grond van artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.\n\n8.6.. Op grond van de beheersverordening geldt ter plaatse van het bouwplan de bestemming ‘Gemengd’. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn de voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden bestemd voor onder meer ‘wonen’ (onder a) en ‘hotel’ (onder f).\n\n8.7.. Op grond van artikel 1.58 van de planregels wordt hotel en\u002Fof pension als volgt gedefinieerd:\n\n“Elk gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw, alsmede de daarbij behorende voorzieningen zoals terrassen, tuinen, zwembaden, tennisbanen, erven of terreinen of gedeelten daarvan, waar de bedrijfsvoering hoofdzakelijk is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting met gehele of gedeeltelijke verzorging.”\n\n8.8.. Uit deze definitie blijkt dat naast het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting een vorm van verzorging nodig is. De rechtbank overweegt dat het begrip (gehele of gedeeltelijke) verzorging niet wordt gedefinieerd in de planregels. De rechtbank sluit daarom aan bij de betekenis die in het normale spraakgebruik aan dit begrip wordt gegeven. Het \"Van Dale’s Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal\" definieert verzorging als: “(1) het voorzien in het welzijn van personen en (huis)dieren, (2) het in goede staat houden van iets, (3) het zorg dragen voor de uitvoering van een taak of opdracht”. Nu het begrip verzorging in relatie staat tot de hotelfunctie, is naar het oordeel van de rechtbank hier de eerste definitie relevant. Voor de vraag of de short stay appartementen onder het begrip hotel of pension zijn te scharen, is dus van belang of daar een vorm van verzorging bij wordt aangeboden die ziet op het welzijn van personen.\n\n8.9.. De rechtbank is van oordeel dat de toelichting van verweerder en vergunninghouder dat bij de short stay appartementen sprake is van gedeeltelijke verzorging, niet toereikend is om van een hotelfunctie te spreken. Het project behelst twaalf volledig zelfstandige appartementen met eigen voorzieningen. In de appartementen is ook een keukenvoorziening aanwezig, zodat bewoners zelfstandig kunnen voorzien in ontbijt, lunch en diner en daarvoor niet afhankelijk zijn van verzorging door de verhuurder. Er is dus uitsluitend sprake van logies, niet van logies met ontbijt, half- of volpension. Ter zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat de bewoners gebruik kunnen maken van een broodservice. Deze voorziening is echter optioneel en geen standaard onderdeel van de bedrijfsvoering. Bovendien kunnen die broodjes niet genuttigd worden in een gemeenschappelijke ruimte, zoals gebruikelijk in hotels en pensions. Ook de andere door verweerder en vergunninghouder genoemde voorzieningen kunnen niet worden aangemerkt als een vorm van verzorging die ziet op het welzijn van personen die kenmerkend is voor een hotelfunctie. Het bouwplan is daarom niet in overeenstemming met de bestemming ‘Gemengd’ van de beheersverordening.\n\n8.10.. De beroepsgrond slaagt.\n\n8.11.. Met het oog op efficiënte geschilbeslechting zal de rechtbank de beroepsgronden met betrekking tot het parkeren nog bespreken. De beroepsgronden die zien op de goede procesorde in bezwaar en de bezwaartermijn laat de rechtbank onbesproken, nu verweerder opnieuw op het bezwaar zal moeten beslissen en eisers daarom geen belang meer hebben bij een oordeel daarover.\n\nAutoparkeren\n\n9. Ten aanzien van autoparkeren is het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” van toepassing. De parkeernormen zijn vastgelegd in de Nota Parkeernormen Den Haag van 10 november 2011 (RIS 181571), aangevuld bij raadsbesluit van 3 maart 2016 (RIS 291425) (hierna: Nota Parkeernormen Den Haag).\n\na. a) berekening parkeerbehoefte\n\n9.1.. Eisers stellen dat de parkeerbehoefte niet juist is berekend. In de huidige situatie is sprake van leegstaande kantoren en in de beoogde situatie worden 12 appartementen bewoond. De toename van het aantal parkeerplaatsen kan daarom niet slechts 6 zijn. Verweerder heeft in dit verband niet inzichtelijk gemaakt hoe hij heeft berekend dat in de oude situatie de parkeerbehoefte 3,89 parkeerplaatsen bedraagt. Daar komt bij dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte met 13 parkeerplaatsen als gevolg van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen in de directe omgeving van het pand aan de [adres 3].\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, alleen rekening behoort te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het te verbouwen pand. Het bovenstaande betekent dat verweerder een mogelijk bestaand parkeertekort als gevolg van de omgevingsvergunning voor het realiseren van 26 short stay appartementen aan de [adres 3] niet behoefde te betrekken bij het berekenen van de parkeerbehoefte voor het onderhavige bouwplan.\n\n9.3.. Verweerder berekent de oude en de nieuwe parkeerbehoefte als volgt. De parkeerbehoefte van de bestaande functie bedraagt op het maatgevend moment overdag 3,89 parkeerplaatsen. Door de functiewijziging is sprake van verschuiving van het maatgevend moment van 100% aanwezigheid van het overdag parkeren naar 5% aanwezigheid van het avond-nacht parkeren. Daarom bedraagt de parkeerbehoefte van de bestaande functie op het nieuwe maatgevende moment (5% x 3,89 =) 0,19 parkeerplaatsen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is verweerder op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag uitgegaan van een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per appartement. Deze norm geldt voor woningen (per woning) en voor hotels (per kamer). Omdat het om 12 appartementen gaat, is de nieuwe parkeerbehoefte 6 parkeerplaatsen. Na saldering bedraagt de parkeerbehoefte (6 – 0,19 =) 5,81 parkeerplaatsen. De parkeereis bedraagt daarom 6 parkeerplaatsen.\n\n9.4.. Gelet op het voorgaande is verweerder terecht uitgegaan van een toename van de parkeerbehoefte met 6 parkeerplaatsen als gevolg van de realisering van het bouwplan. Verweerder heeft de berekening van de parkeerbehoefte (zowel in de oude als de nieuwe situatie) bovendien inzichtelijk gemaakt in een spreadsheet, die als bijlage bij de pleitnota in bezwaar is gevoegd. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.\n\nb) parkeerdruk\n\n9.5.. Op 5 november 2019 is door de afdeling Mobiliteit van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling berekend dat de parkeerdruk in de omgeving 84% bedraagt. Daarom mag op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de openbare straat niet worden gebruikt om de parkeerbehoefte te faciliteren. De parkeerbehoefte moet worden opgelost door de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein of het gebruik van een private garage of privaat parkeerterrein binnen loopafstand.Dit heeft eiser gedaan door één parkeerplek te realiseren op eigen terrein, vier parkeerplaatsen te huren op het naburige perceel [adres 2] en één parkeerplaats te huren aan [straatnaam]. De rechtbank zal hierna beoordelen of deze parkeeroplossing volstaat.\n\nc) [adres 2]\n\n9.6.. Eisers stellen dat het huren van vier parkeerplaatsen op het perceel [adres 2] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. De vier parkeerplaatsen worden gebruikt ten behoeve van de zalenverhuur in [adres 2]. Indien zij worden gebruikt ten behoeve van de short stay appartementen, zullen de bezoekers van de [adres 2] uitwijken naar de openbare ruimte om te parkeren. Bovendien zijn de verhuurder en vergunninghouder met elkaar te vereenzelvigen, omdat zij gezamenlijk eigenaar zijn van het pand [adres 2]. De huurprijs bedraagt slechts 35 euro per parkeerplaats per maand. De huurovereenkomst garandeert daarom niet dat aan de parkeereis zal blijven worden voldaan. Het feit dat de parkeerplaatsen worden voorzien van parkeerbeugels biedt ook geen garantie, omdat vergunninghouder zeggenschap heeft over het feitelijk gebruik van de beugels.\n\n9.7.. De rechtbank overweegt dat in de huurovereenkomst is bepaald dat deze niet tussentijds opzegbaar is. Daarnaast zullen parkeerbeugels op de parkeerplaatsen worden geplaatst, waardoor derden geen gebruik daarvan kunnen maken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gegarandeerd dat de parkeerplaatsen uitsluitend door de bewoners van de short stay appartementen zullen worden gebruikt.\n\n9.8.. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vervallen van de parkeerplaatsen ten behoeve van de [adres 2] tot gevolg zal hebben dat de bezoekers van de [adres 2] zullen gaan parkeren in de openbare ruimte. Ter zitting heeft vergunninghouder weliswaar toegelicht dat hij op 21 oktober 2021, na het bestreden besluit, een overeenkomst heeft gesloten met de exploitant van [adres 2] ten behoeve van het gebruik van de parkeerplaatsen door bezoekers van [adres 2]. De overeenkomst met de exploitant is echter tussentijds opzegbaar en de parkeerplaatsen moeten beschikbaar zijn zodra vergunninghouder het bouwplan gaat realiseren. Het betoog van eisers slaagt niet.\n\nd) Bonistraat\n\n9.9.. Eisers stellen dat de gehuurde parkeerplaats in [straatnaam] niet mede ten grondslag kan liggen aan het voldoen aan de parkeereis. [straatnaam] is 350 meter gelegen van de short stay appartementen, zodat bewoners dichterbij de appartementen in de openbare ruimte zullen parkeren.\n\n9.10.. De rechtbank overweegt dat op grond van de Nota Parkeernormen Den Haag de loopafstand van de short stay appartementen tot de parkeerplaats in [straatnaam] maximaal 500 meter mag zijn.Nu [straatnaam] op 350 meter afstand is gelegen, wordt aan deze eis voldaan. Het betoog slaagt niet.\n\ne) eigen terrein\n\n9.11.. Eisers stellen dat het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein ([adres 1]) een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert. Op de betreffende strook rust een recht van overpad en uitoefening van dit recht wordt belemmerd indien er een auto wordt geparkeerd.\n\n9.12.. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.\n\n9.13.. De rechtbank overweegt dat het door eisers aangevoerde recht van overpad geldt voor de bewoners van de percelen in de Javastraat met de kadastrale nummers 1666, 1667 en 1669. Eisers zijn geen bewoners van de betreffende percelen, zodat de rechtbank van oordeel is dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de behandeling van deze beroepsgrond.\n\nFietsparkeren\n\n10. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de fietsparkeernormen als bedoeld in de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016 (RIS 294386) (beleidsregel Fietsparkeernormen). In het bouwplan wordt niet voorzien in een toereikende fietsenstalling.\n\n10.1.. Op grond van artikel 5.1 van het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” dient verweerder te beoordelen of sprake is van voldoende fietsgelegenheid op basis van de fietsparkeernormen, fietsparkeereisen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de beleidsregel Fietsparkeernormen.10.2.. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor de fietsparkeernorm ten behoeve van de short stay appartementen aansluiting is gezocht bij de norm voor de functie wonen.\n\n10.3.. De rechtbank overweegt dat in de beleidsregel Fietsparkeernormen voor de norm voor de functie wonen wordt verwezen naar artikel 4.31 van het Bouwbesluit 2012.Op grond van dit artikel moet een woning worden voorzien van een fietsenberging. In het bestreden besluit wordt niet gemotiveerd hoe aan deze eis wordt voldaan. Uit de stukken blijkt niet dat voorzien is in een berging voor fietsen. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de fietsparkeerbehoefte onder de vrijstellingsgrens van tien fietsparkeerplekken valt. Verweerder heeft echter niet toegelicht wat de berekende fietsparkeerbehoefte is, zodat niet kan worden beoordeeld of dit standpunt juist is. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. De rechtbank zal het besluit vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837 en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.674,-;\n\n- draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 181,- aan hun te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2023.\n\ngriffier rechter\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n Memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, Kamerstukken II2001-2002, 28 483, nr. 3, p. 39.\n\n ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:865.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 32-33.\n\n Nota Parkeernormen Den Haag, p. 33.\n\n Beleidsregel Fietsparkeernormen, p. 7-8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:18213","2023-11-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:34.213Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":61},"1470","ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","ecli-nl-rbdha-2023-10352","RECHTBANK DEN HAAG\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SGR 21\u002F5754\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. P.J.G. Goumans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp\n\n(gemachtigde: mr. S.W. Boot).\n\nInleiding\n\n1. In het besluit van 26 maart 2021 (primair besluit) heeft het college de bij besluit van 7 mei 1974 verleende vergunning voor de bouw van een bedrijfswoning ingetrokken.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 20 juli 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de intrekking gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. Het college heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. Goumans, en namens het college mr. S.W. Boot, vergezeld door [naam] .\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Op 7 mei 1974 heeft het college aan de toenmalige eigenaar van het perceel [adres] nabij [nummer] , kadastraal bekend als: gemeente [gemeenteplaats] , sectie [X] , nummer [kadastraal nummer] , een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfswoning ten behoeve van een varkensmesterij. Deze vergunning is op enig moment bij een opvolgend eigenaar in het ongerede geraakt.\n\n2.1.. Eiser is sinds 2015 eigenaar van het perceel. Hij heeft het college verzocht om een afschrift van de vergunning. Na diverse zoekpogingen is deze vergunning gevonden en op 9 maart 2021 aan eiser overhandigd. Tegelijkertijd heeft het college het voornemen kenbaar gemaakt aan eiser om de omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfswoning in te trekken. Eiser heeft op 24 maart 2021 hiertegen een zienswijze tegen dit voornemen ingediend. Het college heeft de zienswijze niet gevolgd en de omgevingsvergunning ingetrokken in het primaire besluit.\n\n2.2.. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen het intrekkingsbesluit. De gemeentelijke commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft advies uitgebracht naar aanleiding van dit bezwaar. De commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten. Het college heeft het advies overgenomen onder aanvulling van de motivering.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft ingediend.\n\nMocht het college afwijken van het advies van de commissie?\n\n4. Eiser betoogt dat het college ten onrechte afwijkt van het advies van de commissie. De enkele verwijzing naar het verweerschrift is onvoldoende als onderbouwing voor die afwijking, nu de commissie commentaar heeft gegeven op dat verweerschrift.\n\n4.1.. In het bestreden besluit wordt door het college verwezen naar (delen van) het advies van de commissie. Verder wordt de conclusie van dat advies integraal overgenomen. Voor de motivering van de afwijking van de onderbouwing van het advies heeft het college volstaan met een verwijzing naar zijn verweerschrift in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het gegeven dat de motivering van het advies niet geheel is overgenomen, niet dat er niet conform artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is gehandeld. Het staat het college immers vrij tot een eigen overweging te komen ten aanzien van het advies. Voorts heeft het college mogen vasthouden aan zijn eerdere onderbouwing van de intrekking zoals verwoord in het verweerschrift in bezwaar. De grond slaagt niet.\n\nHeeft het college vooringenomen gehandeld?\n\n6. Eiser stelt dat het besluit in strijd is met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4 Awb. Hiervoor zijn volgens eiser verschillende redenen. De behandelend ambtenaar is in het verleden betrokken geweest bij een handhavingszaak tegen eiser, waarbij het college in hoger beroep in het ongelijk is gesteld. Dezelfde ambtenaar heeft al begin 2021 aan eiser te kennen gegeven dat er op betreffende locatie geen bedrijfswoning mag worden gebouwd. Ook is het primaire besluit genomen twee dagen nadat de zienswijze is ingediend, zodat daarover geen college-overleg kan hebben plaatsgevonden. Daarnaast is de vergunning half januari 2021 gevonden, maar pas anderhalve maand later, tegelijkertijd met het voornemen tot intrekken, overhandigd. Hierdoor stond eiser voor een voldongen feit. Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente gefrustreerd dat eiser de door hem spoorslags begonnen bouw van de bedrijfswoning kon voortzetten doordat hij weigerde de rooilijn aan te geven en de bouwhoogte te bepalen. Tot slot is er voor een ander adres in dezelfde gemeente ook reeds een bedrijfswoning toegestaan.\n\n6.1.. Het college bestrijdt dat de betreffende ambtenaar een persoonlijk belang bij de zaak heeft. Het is ook niet waar dat zij in haar eentje de hele behandeling van de procedure over de handhaving heeft gedaan. De besluitvorming rond het primaire besluit heeft plaatsgevonden door het hoofd Ruimte, Belastingen en Gegevensbeheer, die daartoe is gemandateerd. Het besluit is genomen me medeweten en instemming van het college. Van vooringenomenheid is dan ook volstrekt geen sprake volgens het college.\n\n6.2.1. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.\n\n6.2.2.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:701) is in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2:4 van de Awb (Kamerstukken II 1998\u002F89, 21221, 3, p. 53–55) benadrukt dat de strekking van artikel 2:4 is dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Het gaat erom, zo is in de toelichting opgemerkt, dat de overheid de nodige objectiviteit moet betrachten en zich niet door vooringenomenheid mag laten leiden.\n\n6.3.. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest bij de totstandkoming van het besluit. Er is geen enkele aanwijzing dat een ambtenaar van de gemeente doelbewust heeft geacteerd om een bepaalde uitkomst te bewerkstelligen. Het enkele feit dat een behandelend ambtenaar ook betrokken is geweest bij een procedure die het college in hoger beroep heeft verloren is daarvoor onvoldoende. Dat de omgevingsvergunning pas enkele weken na de vondst naar eiser is opgestuurd is evenmin grond om vooringenomenheid aan te nemen. Het college heeft toegelicht dat na de vondst van de vergunning er eerst intern overleg heeft plaatsgevonden over hoe met de situatie om te gaan. Gelet op het feit dat het om een vergunning van 47 jaar terug ging, is dit voorstelbaar dat het college enige tijd nodig had om de belangen af te wegen en tot een conclusie te komen over de te volgen handelwijze. Verder is begrijpelijk dat het college na bekendmaking van het voornemen tot intrekken van de vergunning niet wilde meewerken aan het bepalen van de voorgevelrooilijn en bouwhoogte. Daarmee zou immers een dubbelzinnig signaal zijn afgegeven. Dat het college voor een bedrijfswoning op een ander perceel wel vergunning heeft verleend, is op zichzelf al evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n6.4.. Voor zover eiser met zijn grond over de verlening van een vergunning voor een bedrijfswoning op een ander perceel een beroep dat op het gelijkheidsbeginsel slaagt dit ook niet. Ter zitting heeft verweerder daarover onweersproken toegelicht dat het een andere situatie betrof en dat het ging om een perceel waar een ander bestemmingsplan op van toepassing is.\n\nWas het college bevoegd tot het nemen van het intrekkingsbesluit?\n\n7. Eiser voert aan dat het college niet bevoegd is om het intrekkingsbesluit te nemen, omdat hij al aan het bouwen was voordat het intrekkingsbesluit werd genomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond.\n\n7.1.. Het college betoogt dat de bevoegdheid tot het intrekken van een bouwvergunning ontstaat en blijft bestaan als niet binnen 26 weken gebruik wordt gemaakt van de verguning. Het alsnog gebruik maken van de vergunning, nadat reeds kenbaar was gemaakt dat het voornemen bestond de vergunning in te trekken, doet volgends het college aan de bevoegdheid niets af.\n\n7.2.. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.\n\n7.3.. Vaststaat dat van de vergunning van 7 mei 1974 geen gebruik is gemaakt binnen 26 weken. De werkzaamheden die eiser heeft uitgevoerd op het terrein zijn immers pas in maart 2021 gestart. Het college was daarom in beginsel bevoegd tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nMocht het college in dit geval gebruikmaken van zijn bevoegdheid de omgevingsvergunning in te trekken?\n\n8. Volgens eiser zijn zijn belangen onvoldoende meegewogen in de besluitvorming. Het geen gebruik kun maken van de vergunning betekent financieel nadeel voor eiser. Ten eerste was het bestaan van de bouwmogelijkheid op het perceel verdisconteerd in de aankoopprijs van het perceel. Maar ook neemt de waarde van het gevestigde paardenfokkerijbedrijf af, doordat het niet mogelijk is om het voor een paardenfokkerij benodigde toezicht te houden. Eiser wijst erop dat de paardenfokkerij daar legaal is gevestigd. Voor zover verweerder stelt dat het bouwplan niet aan de bouwtechnische eisen voldoet, had hij de tijd moeten krijgen om de nodige aanpassingen door te voeren.\n\n8.1. Het college wijst erop dat de opeenvolgende bestemmingsplannen al sinds 1975 geen (woon)bebouwing ter plaatse toestaan. Verder is er sinds 2013 een bestendige gedragslijn dat verouderde vergunningen worden ingetrokken, zoals ook blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag.Dat eiser alsnog gebruik wil maken van de vergunning, betekent niet dat het college niet over kan gaan op het intrekken van de vergunning. De algemene belangen die gediend zijn met de intrekking wegen volgens het college zwaarder dan de financiële belangen van eiser. Het college betwijfelt of een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de paardenfokkerij. Eiser heeft het perceel immers aangekocht, ondanks de onzekerheid over het bestaan van een bouwvergunning. Tot slot is de destijds verleende vergunning niet in lijn met de huidige bouwregelgeving.\n\n8.2.. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie, is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De rechter toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.\n\n8.3.. Het is eveneens vaste jurisprudentiedat bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen moeten worden betrokken en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder het realiseren van gewijzigde planologische inzichten, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte vergunning te rechtvaardigen.\n\n8.4.. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die het college ervan hadden moeten weerhouden om het bestreden besluit te nemen. Het college heeft in redelijkheid gewicht toe kunnen kennen aan de zeer lange periode waarin de vergunning niet is gebruikt. Dat de vergunning ook bij de gemeente in het ongerede was geraakt en eerst na diverse zoekpogingen is gevonden, vormt geen reden voor een ander oordeel, nu de verzoeken van eiser om de vergunning te zoeken zeer lange tijd na afloop van de 26-weken termijn bij het college binnen zijn gekomen. Verder mocht het college ook belang hechten aan een actueel vergunningenbestand waarin geen ongebruikte vergunningen zijn opgenomen die zijn verleend op basis van verouderde of vervallen regelgeving. Niet is gebleken dat het college daarin niet consistent handelt. Dat eiser ter zitting één voorbeeld heeft gegeven van een niet ingetrokken bouwvergunning die dertig jaar oud is en waarbij het plan nog niet is gerealiseerd, is onvoldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van een bestendige gedragslijn.\n\n8.5.. Ook is van belang dat het planologische beleid van de gemeente sinds 1975 geen bedrijfswoningen meer toestaat. Het feit dat, volgens eiser, de vergunning onder het overgangsrecht valt van de elkaar opvolgende bestemmingsplannen, helpt hem niet, nu het meerdere bestemmingsplannen betreft en overgangsrecht niet legaliseert. Het college heeft onder deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om eiser de kans te bieden het bouwplan zodanig aan te passen dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012, zoals dat thans luidt. Daar komt nog bij dat niet valt uit te sluiten dat het bouwplan zodanige wijzigingen behoeft dat in feite sprake zou zijn van een nieuwe aanvraag. Hoewel het door eiser gestelde financiële belang bij behoud van de vergunning aannemelijk is, maakt niet dat het ook doorslaggevend is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor het exploiteren van de paardenfokkerij noodzakelijk is dat een bedrijfswoning op het perceel wordt gerealiseerd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat eiser ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat de paardenfokkerij al enige jaren functioneert. Bovendien heeft eiser welbewust een perceel gekocht waarvan hij slechts op basis van mededelingen van de verkoper aannam dat er in het verleden vergunning was verleend voor de bouw van een bedrijfswoning. Daarmee heeft hij een risico genomen, dat niet op het college kan worden afgewenteld. Dat eiser voorafgaand aan het primaire besluit al aanstalten had gemaakt om met de bouwwerkzaamheden te starten en in dat kader kosten heeft gemaakt ondanks dat hem al een voornemen tot intrekking van de vergunning was overhandigt, moet eveneens voor eigen rekening en risico komen. In het feit zelf dat deze werkzaamheden waren gestart heeft het college evenmin aanleiding hoeven zien om de intrekking van de vergunning af te zien, nu deze werkzaamheden pas zijn gestart na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de vergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bouwvergunning in te trekken. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M.W. ten Brummelhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op\n\n14 juli 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraak van 18 november 2002 van de rechtbank Roermond, ECLI:NL:RBROE:2002:AF1580.\n\n Uitspraak van 29 juli 2020 van de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2020:8020.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 oktober 2019, ECLI: NL:RVS:2019:3642.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1825.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:10352","2026-07-13T00:29:22.590Z",20]