[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-public-procurement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":108},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},68,"public-procurement-nl","Public Procurement","NL","2026-07-08T16:54:19.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2026-01-13T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122015","Burgerlijk Wetboek","art. 6:2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121994","art. 3:40",[30,41,49,58,65,74,82,91,100],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"791","ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","ecli-nl-rbdha-2026-18684","","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703521 \u002F KG ZA 26-406\n\nVonnis in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDELL B.V.te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. S.P. Beenders en mr. T. Raats te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde rechtspersoon met wettelijke taak POLITIEte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna ‘Dell’ en ‘de Politie’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 april 2026, met producties 1 tot en met 7;\n\n- de akte intrekking en overlegging producties van Dell, waarbij Dell productie 1 heeft ingetrokken en aanvullende productie 8 heeft overgelegd;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Dell mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Politie heeft een (niet openbare) Europese aanbesteding georganiseerd voor de levering van werkplekapparatuur en gerelateerde diensten. Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (hierna: ADV) van toepassing.\n\n2.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn omschreven in de selectieleidraad (hierna: de selectieleidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder een voorbeeldprijzenblad. Verder heeft de Politie twee nota’s van inlichtingen (hierna: NvI’s) gepubliceerd.2.3.. De opdracht betreft de levering van standaard IT-hardware, waaronder beeldschermen, laptops, desktopcomputers en randapparatuur. De verwachte omvang van de opdracht ligt tussen de dertig en veertig miljoen euro per jaar (exclusief btw). De gunning van de raamovereenkomst vindt plaats op basis van de laagste inschrijfprijs.\n\n2.4.. De opdracht is nader omschreven in paragraaf 1.2 van de selectieleidraad. Over de scope van de opdracht is daarin het volgende vermeld:\n\n“De Opdracht omvat “Levering werkplekapparatuur en gerelateerde diensten”.\n\nDe volgende Produktgroepen zijn in scope:\n\n Vaste werkstations:\n\no Fatclients;\n\no Thinclients;\n\n Mobiele werkstations;\n\no Laptops;\n\n Beeldschermen;\n\no Monitoren (met dockingfunctionaliteit);\n\n Specials:\n\no Foto- \u002Fvideoapparatur (analoog en digitaal incl. toebehoren) die wel is aangesloten aan een werkplek;\n\no Speciale monitoren;\n\no Pasjesprinter, vingerprintscanner en een documentscanner;\n\no Overige werkplekapparatuur, randapparatuur en Accesoires;\n\no Presenters voor bediening vergaderruimtes;\n\no Vergadermicrofoons;\n\no Dockingstations.\n\n Voor alle productgroepen:\n\no Het fungeren als contactpersoon voor de Politie. De Gegadigde hanteert een Nederlandstalige klantenservice waar de Politie meldingen kan doen over onder andere offertes, bestellingen, leveringen, een gebrek, garantie, klachten en overige aspecten. Waarbij Gegadigde borg staat voor een goede support en service, ook als dit wordt uitgevoerd door de Producent;\n\no Beveiligde opslag (VRKI-risicoklasse 3) in magazijn;\n\no Reinigen printkoppen van pasjesprinters;\n\no Projectmatige ondersteuning op urenbasis;\n\no Vernietiging van datadragers.\n\n (…)”\n\n2.5.. \n\nDe Politie is voornemens de raamovereenkomst te gunnen aan één opdrachtnemer\n\n– ook wel een resellergenoemd - en daarnaast een wachtkamerovereenkomst te sluiten met een andere opdrachtnemer. De te sluiten raamovereenkomst heeft volgens de selectieleidraad een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. Daarnaast verlangt de Politie van de opdrachtnemer dat deze tijdens de looptijd van de overeenkomst nadere uitvragen in concurrentie uitvoert (paragraaf 1.2 selectieleidraad):\n\n“Nadere uitvragen in concurrentie\n\nVoor de productgroep Beeldschermen zal naar verwachting maximaal elke drie (3) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd. Voor de productgroepen werkstations (mobiel en vast) zal naar verwachting maximaal elke twee (2) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd.\n\nVoor de productgroep specials wordt een eenmalig NOK [nadere overeenkomst, vzr.] afgesloten met een looptijd die gelijk is aan de looptijd van de Raamovereenkomst.\n\nVia deze uitvragen in concurrentie krijgen alle door de Politie akkoord bevonden Producenten of distributeurs periodiek de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de leveringen van de betreffende productgroepen. Ten aanzien van de Producent of distributeur met het laagste bid (per productgroep) wordt met de Opdrachtnemer een NOK afgesloten.\n\nOm de transparantie van de uitvragen te waarborgen moet de uitvraag aan de Producent of distributeurs in cc aan de Politie worden verstuurd. De Producent of distributeurs moeten hun bid\u002Fvoorstel aan de Opdrachtnemer eveneens met de Politie in de cc versturen.\n\nDe ARBIT is van toepassing op de Raamovereenkomst. Vragen over de van toepassing zijnde Voorwaarden kunnen pas worden gesteld in de inschrijvingsfase, waarin ook de conceptovereenkomst ter beschikking wordt gesteld.”\n\n2.6.. Paragraaf 1.3 selectieleidraad schrijft voor dat de inschrijvers moeten inschrijven met meerdere IT hardware merken (producenten), die door de Politie als onderaannemers worden beschouwd. Voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Inschrijvers kunnen inschrijven met producenten die door de Politie zijn goedgekeurd op grond van door de Politie geformuleerde (en in de selectieleidraad neergelegde) criteria. Als een inschrijver bij zijn verzoek tot deelname andere dan de reeds door de Politie beoordeelde producenten opgeeft, moet de inschrijver aantonen dat deze aan de door de Politie criteria voldoen. De Politie toetst vervolgens of deze producenten aan de geformuleerde criteria voldoen.\n\n2.7.. Voor de productgroep ‘specials’ geldt een primair offerterecht voor de opdrachtnemer van de raamovereenkomst, dat in paragraaf 1.3 selectieleidraad als volgt is omschreven:\n\n“Voor de Productgroep specials geldt voor de producten een primair offerterecht voor de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. Als de Politie bijzondere hardware en\u002Fof accessoires nodig heeft zal zij hiervoor een inkoop offerte aanvragen bij de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. De Politie heeft daarentegen bij twijfel over de aangeboden offerte het recht om ook zelf een offerte uit te vragen (secundair offerte recht). Indien de offerte (die door de Politie is uitgevraagd) naar de mening van de Politie beter (bij een vergelijkbare kwaliteit een lagere prijs) is kan de Politie besluiten dat de Opdrachtnemer de door de Politie zelf uitgevraagde offerte moet overnemen. De overeengekomen opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de Opdrachtnemer) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie.”\n\n2.8.. Paragraaf 1.4 selectieleidraad bevat verder de volgende toelichting over de te sluiten raamovereenkomst:\n\n“Op basis van deze aanbesteding wil de Politie met één (1) Inschrijver een Raamovereenkomst afsluiten. Met de Inschrijver die op de 2e plaats is geëindigd zal een wachtkamerovereenkomst worden afgesloten. De Politie werkt in deze aanbesteding dus niet met meerdere percelen. Dit vanwege het feit dat deze aanbesteding onder de ADV valt, maar ook omdat de Politie met één samenhangend hardware beleid wenst te werken.\n\nDe Politie ziet op dit moment het voorbeeld prijzenblad en de werking van de Raamovereenkomst als volgt voor zich, maar behoudt zich het recht voor om hier in de inschrijvingsfase nog wijzigingen aan te brengen. Vandaar ook dat het prijzenblad de status\n\nheeft van voorbeeld.\n\nIn de inschrijvingsfase dienen Inschrijvers in het prijzenblad de inkoopprijzen per Producent te vermelden. Deze inkoopprijzen dienen te corresponderen met het bij te voegen bid van de betreffende Producent. Op deze wijze bieden we transparantie en zekerheid aan de betreffende Producenten: Producent met het scherpste bid komt in aanmerking voor levering.\n\nDeze verplichting (bijvoegen bids Producenten) geldt ook voor de latere door de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst uit te voeren Nadere uitvragen.\n\nNaar het zich nu laat aanzien zal in het prijzenblad in ieder geval de restwaarde van de inkoopprijs (dat wil zeggen: dat de Inschrijver een restwaarde kan opgeven voor de hardware welke na afloop van het gebruik door Politie door de Politie aan de Opdrachtnemer wordt teruggegeven. Deze restwaarde wordt verrekend met de door Inschrijver op te geven kosten.) moeten worden vermeld, evenals de kosten van de dienstverlening per product (dat wil zeggen: de kosten voor de door de Opdrachtnemer uit te voeren werkzaamheden per product, zoals nader wordt gespecificeerd in het PvE) en de prijsdevaluatie (dat wil zeggen: de mogelijkheid voor Opdrachtnemers om de inkoopprijs voor relatief nieuw geïntroduceerde hardware na een bepaalde periode te verlagen).\n\nDe Gunning vindt plaats op laagste prijs. Dat wil zeggen aan de Inschrijver met de laagste totale inschrijfprijs. Vervolgens wordt per Productgroep (uitgezonderd PG specials) bepaald welke Producent de laagste prijs heeft. Voor deze Producent met de laagste prijs wordt de eerste, NOK afgesloten met de Opdrachtnemer.\n\nVoor afloop van deze NOK dient de Opdrachtnemer een nadere uitvraag uit te voeren. De Politie bepaalt wanneer deze nadere uitvraag moet worden uitgevoerd. Dit betekent dat de Opdrachtnemer bij alle betreffende Producenten een nieuwe prijsuitvraag uitzet, waarbij de Politie in de cc wordt meegenomen (zowel voor de prijsuitvraag alsook de bids van de Producenten). Op basis van de bids van de Producenten wordt op basis van laagste prijs per productgroep bepaald voor welke Producent een nieuwe NOK per Produktgroep wordt afgesloten.\n\nVoor de productgroep Specials wordt een NOK afgesloten, zonder dat hierbij nadere afspraken over bijvoorbeeld Producenten worden vastgelegd.”\n\n2.9.. De aanbestedingsprocedure is verdeeld in de selectiefase en de inschrijvingsfase. Op dit moment bevindt de aanbesteding zich in de selectiefase. In paragraaf 5.5 van de selectieleidraad is vermeld dat bij de inschrijvingsfase onder andere de volgende aanbestedingsstukken beschikbaar worden gesteld:\n\n Inschrijvingsleidraad;\n\n Definitief prijzenblad;\n\n Overeenkomst;\n\n Verwerkersovereenkomst;\n\n Toepasselijke Rijksvoorwaarden, te weten de Arbit; en\n\n Programma van eisen.\n\n2.10.. Op 26 maart 2026 heeft Dell een klacht ingediend bij het Klachtenmeldpunt Inkoop van de Politie (hierna: het klachtenmeldpunt). Deze klacht komt er – samengevat – op neer dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Daarnaast heeft Dell verzocht om de uiterste termijn voor het aanhangig maken van een kort geding en de uiterste termijn voor het indienen van een verzoek tot deelname te verlengen.\n\n2.11.. Op 2 april 2026 heeft de Politie de uiterste inschrijftermijn voor de aanbesteding verplaatst naar 22 april 2026.\n\n2.12.. Bij brief van 14 april 2026 heeft het klachtenmeldpunt aan Dell bericht dat het klachtenbehandelteam de klacht ontvankelijk heeft verklaard en tot het oordeel is gekomen dat de klachten van Dell ongegrond zijn, waarbij het klachtbehandelteam wel enkele adviezen en aanbevelingen aan het inkoopteam meegeeft ten behoeve van de inschrijvingsfase. Verder bericht het klachtenmeldpunt dat zij zich aansluit bij de bevindingen van het klachtenbehandelteam en dat zij de klacht van Dell daarom ongegrond verklaart.\n\n2.13.. Op 21 april 2026 heeft Dell de Politie in kort geding gedagvaard.\n\n2.14.. Op 22 april 2026 zijn de verzoeken tot deelname ingediend. De Politie beoogt om na het vonnis in kort geding de gegadigden te berichten of zij al dan niet zijn geselecteerd en de inschrijvingsleidraad aan de geselecteerde gegadigden te verzenden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Dell vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de Politie gebiedt uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\nII. de Politie gebiedt dat, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\nsubsidiair\n\nIII. een zodanige andere voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Dell;\n\nmet veroordeling van Dell in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Dell stelt dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Het standpunt van Dell komt er in de kern op neer dat:\n\ni) niet alle voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten zullen zijn bepaald in de raamovereenkomst;\n\nii) de inrichting van de aanbesteding de mededinging beperkt;\n\niii) de looptijd van de aanbesteding disproportioneel lang is en de mededinging verder beperkt;\n\niv) de Politie ten onrechte op laagste prijs gunt, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn; en\n\nv) de restwaarde voor de hardware niet op voorhand is in te vullen.\n\n3.3.. De Politie voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nBelang van Dell als onderaannemer\n\n4.1.. De Politie voert als meest verstrekkende verweer aan dat Dell als potentiële onderaannemer\u002FProducent geen belang heeft om de opzet en de modaliteiten van de aanbesteding ter discussie te stellen. Dat verweer slaagt niet. Dell stelt zich – onder meer – op het standpunt dat de opzet van de aanbesteding in strijd is met de wet en dat zij daardoor in haar positie wordt geschaad. Volgens Dell is het gevolg van die buitenwettelijke opzet dat nadere opdrachten feitelijk aan de mededinging worden onttrokken, dat Dell niet vrij en open kan concurreren om de nadere opdrachten en dat zij de aanbestedingsrechtelijke waarborgen en bijbehorende rechtsbescherming mist. Daarmee heeft Dell als potentiële onderaannemer voldoende belang om bezwaar te maken tegen de opzet van de aanbesteding. Dat Dell door de Politie is goedgekeurd als potentiële onderaannemer en door alle inschrijvers is genoemd als één van de in te schakelen onderaannemers, doet aan dat belang niet voldoende af.\n\nBelang van Dell bij specifieke bezwaren\n\n4.2.. De Politie stelt verder dat Dell geen belang heeft bij de behandeling van de bezwaren (ii) tot en met (v) en dat bezwaar (v) bovendien prematuur is. De voorzieningenrechter zal dit verweer van de Politie, voor zover nodig, bij de afzonderlijke bezwaren bespreken.\n\nBezwaar (i) – niet alle voorwaarden zullen bepaald zijn in de raamovereenkomst\n\n4.3.. Het eerste bezwaar van Dell komt erop neer dat de aanbesteding niet aan de eisen van artikel 2.131 ADV (en het daaraan ten grondslag liggende transparantiebeginsel) voldoet, omdat niet alle (essentiële) voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten in de raamovereenkomst zullen zijn bepaald. Volgens Dell staan zowel de prijzen als de producteisen en technische specificaties niet vast bij aanvang van de raamovereenkomst. De Politie is het daar niet mee eens. Volgens de Politie legt Dell artikel 2.131 ADV te beperkt uit en zijn de voorwaarden die in de raamovereenkomst worden opgenomen wel degelijk in lijn met de eisen die dit artikel stelt.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of de beoogde raamovereenkomst voldoet aan de eisen van artikel 2.131 ADV. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is van belang hoe de raamovereenkomst eruit zal komen te zien. In deze fase van de aanbesteding is echter nog geen raamovereenkomst voorhanden. De voorzieningenrechter zal daarom uitgaan van de informatie over de (nog op te stellen) raamovereenkomst zoals volgt uit de selectieleidraad, de door partijen aangehaalde vragen en antwoorden in de NvI’s en de stellingen die de Politie daarover in haar conclusie van antwoord en op de zitting heeft ingenomen. Op basis van die informatie, rijst het volgende beeld.\n\nDe Politie wenst een raamovereenkomst te sluiten met één opdrachtnemer (de reseller) voor een periode van vier jaar, die in totaal drie keer met één jaar kan worden verlengd. In de raamovereenkomst worden verschillende voorwaarden vastgelegd, waaronder de prijs voor dienstverlening van de reseller, de restwaarde van de producten en de devaluatiepercentages. Ook zullen daarin technische specificaties voor de hardware worden vastgelegd. Deze technische specificaties kunnen tijdens de looptijd van de raamovereenkomst door de Politie worden gewijzigd op grond van een (transparant aangekondigde) wijzigingsclausule.\n\nDe raamovereenkomst wordt gegund aan de reseller met de laagste totale inschrijfprijs.\n\nVoor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Dat geldt niet voor de productgroep ‘specials’.\n\nZodra de winnende reseller is geselecteerd, wordt voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ afzonderlijk bepaald welke van de drie producenten de laagste inkoopprijs heeft geboden. De Politie sluit voor ieder van deze productgroepen een eerstenadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inschrijfprijs. Naar verwachting gelden dezeeerstenadere overeenkomsten voor een periode van twee á drie jaar. Voordat deze nadere overeenkomsten aflopen, moet de reseller per productgroep een nadere uitvraag uitvoeren. De Politie bepaalt wanneer deze uitvraag moet plaatsvinden. De reseller zet vervolgens bij alle – door hem als onderaannemer betrokken – producenten een nieuwe prijsuitvraag uit. Daarbij zet de reseller de Politie in de CC. Bij het uitbrengen van het bod aan de reseller zetten de producenten de Politie in de CC. Vervolgens sluit de Politie per productgroep een nieuwe nadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inkoopprijs. Daarbij blijven de oorspronkelijke door de reseller aangeboden prijs voor dienstverlening, de restwaarde en de devaluatiepercentages gelden.\n\nVoor de productgroep ‘specials’ wordt slechts één nadere overeenkomst gesloten met de reseller, zonder dat daarbij nadere afspraken over bijvoorbeeld producenten worden vastgelegd. De reseller heeft voor de producten in deze productgroep een primair offerterecht. Per nadere uitvraag wordt gekeken wat de Politie op dat moment aan specials nodig heeft. De reseller kijkt op dat moment welke producent het – in zijn optiek – best passende product kan leveren. Voor de producten in deze productgroep zal de Politie een inkoopofferte aanvragen bij de reseller. Als de Politie twijfel heeft over de aangeboden offerte van de reseller, heeft de Politie het recht om ook zelf een offerte uit te vragen bij dezelfde producent (een secundair offerterecht). Als de Politie vindt dat de door haar uitgevraagde offerte beter is (een lagere prijs bij een vergelijkbare kwaliteit), kan de Politie besluiten dat de reseller de door de Politie uitgevraagde offerte moet overnemen. De afgesproken opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de reseller) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie. Verder wordt in de raamovereenkomst opgenomen dat de reseller de specials tegen de laagst beschikbare prijs zal aanbieden.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de inkoopprijzen voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ niet vastliggen bij aanvang van de looptijd van de raamovereenkomst. De inkoopprijzen die de winnende reseller voor deze productgroepen in het prijzenblad heeft ingevuld, gelden slechts voor de eerstenadere overeenkomsten. Voor de daaropvolgende nadere overeenkomsten zal de winnende reseller immers een nieuwe uitvraag uitzetten. Daarnaast heeft de Politie de bevoegdheid om de technische specificaties van de hardware tijdens de looptijd van de raamovereenkomst te wijzigen met een beroep op een (nog vorm te geven) wijzigingsclausule. Hoewel de Politie stelt dat die bevoegdheid zal worden ingekaderd, heeft zij tegelijkertijd verklaard dat zij er niet aan zal ontkomen om de technische specificaties te wijzigen. De ervaring van de Politie leert namelijk dat producenten om de één tot twee jaar modellen vervangen en\u002Fof updaten, waardoor oude modellen (met bijbehorende specificaties) niet langer te bestellen zijn. De voorzieningenrechter acht het op basis van die verklaring zeer waarschijnlijk dat de Politie – op zich begrijpelijk - tijdens de looptijd van de raamovereenkomst gebruik zal maken van de wijzigingsbevoegdheid – en dus dat de technische specificaties – niet vastliggen – ook niet globaal - gedurende de looptijd van de raamovereenkomst.\n\n4.6.. De vervolgvraag is of de raamovereenkomst voldoet aan de voorwaarden die artikel 2.131 ADV daaraan stelt. Dit artikel geeft voorschriften voor de plaatsing van opdrachten bij een raamovereenkomst met één ondernemer, en luidt als volgt:\n\n1. Indien een raamovereenkomst is gesloten met een enkele ondernemer worden de op die raamovereenkomst gebaseerde opdrachten gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.\n\n2. Opdrachten op basis van raamovereenkomsten met een enkele ondernemer kunnen worden gegund door die ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, anders dan de Politie betoogt, artikel 2.131 ADV de Politie niet de ruimte geeft om de inkoopprijzen en de technische specificaties na het aangaan van de raamovereenkomst nader in te vullen c.q. te wijzigen.\n\n4.8.. Een belangrijk aanknopingspunt voor dat oordeel vormt artikel 2.129 ADV, waarin staat dat partijen bij de plaatsingen van opdrachten die op een raamovereenkomst zijn gebaseerd, geen substantiële wijzigingen mogen aanbrengen in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden. Verder is de uitleg van de voorzieningenrechter van artikel 2.131 ADV in lijn met de uitleg die de Commissie van Aanbestedingsexperts (hierna: de CvAE) geeft aan het – vrijwel gelijkluidende – artikel 2.142 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw). De CvAE heeft meerdere adviezen uitgebracht waarin zij overweegt dat een aanbesteder in strijd handelt met artikel 2.142 Aw als de voorwaarden waaronder de nadere opdrachten onder de raamovereenkomst zullen worden gegund onvoldoende in de raamovereenkomst zijn bepaald. Daarvan is volgens de CvAE sprake als een raamovereenkomst te ruim is geformuleerd en te veel ruimte laat voor nadere invulling bij het gunnen van de nadere opdrachten.Volgens de CvAE biedt artikel 2.142 lid 2 Aw de aanbesteder weliswaar ruimte om de ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen, maar een dergelijk verzoek mag er niet toe leiden dat de essentiële elementen voor de te plaatsen overheidsopdrachten, zoals producteisen en prijzen, pas na het aangaan van de raamovereenkomst worden ingevuld.Bij deze uitleg betrekt de CvAE ook de omstandigheid dat bij raamovereenkomsten met één ondernemer alleen bij de aanbesteding van de raamovereenkomst mededinging plaatsvindt, en niet bij het gunnen van nadere opdrachten.\n\n4.9.. De Politie heeft nog gewezen op paragraaf 2.2 van de Explanatory Notevan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) over raamovereenkomsten, waaruit volgens haar blijkt dat het mogelijk is om een raamovereenkomst te sluiten met één ondernemer zonder dat die overeenkomst alle voorwaarden – waaronder prijzen – bevat en waarin minimale technische specificaties (voor computers) kunnen worden gegeven, zodat bij elke nadere overeenkomst de laatste modellen kunnen worden aangeboden. Dell heeft er echter op gewezen dat paragraaf 2.2 van dezeExplanatory Notezowel betrekking heeft op raamovereenkomsten met één ondernemer als op raamovereenkomsten met meerdere ondernemers. Daarmee is dus niet zonder meer gezegd dat de betreffende opmerkingen van de Commissie over prijzen en technische specificaties (ook) betrekking hebben op raamovereenkomsten met één ondernemer. De tekst van voetnoten 18 en 19 bij die paragraaf biedt juist een aanwijzing voor het tegendeel. In die voetnoten legt de Commissie een verband tussen het op een later moment bepalen van de prijs en de productspecificaties en het heropenen van de concurrentie (‘reopening competition’) en dat lijkt eerder te duiden op een raamovereenkomst met meerdere ondernemers. De tekst van deExplanatory Notebiedt dus onvoldoende houvast voor het standpunt van de Politie.\n\n4.10.. Het is de Politie dus niet toegestaan om inkoopprijzen en de technische specificaties pas op een later moment in te vullen c.q. te wijzigen in de nadere overeenkomsten. Door dat wel te doen, handelt de Politie in strijd met artikel 2.131 ADV, nu de voorwaarden waaronder de nadere overeenkomsten zullen worden gesloten, onvoldoende zijn gespecificeerd. Hoewel de voorzieningenrechter zich goed kan voorstellen dat de Politie vanwege de marktkenmerken is gebaat bij flexibiliteit, neemt dat niet weg dat zij zich moet houden aan de voorschriften die de ADV stelt. Bovendien heeft de door de Politie gekozen opzet, waarbij niet de Politie, maar de reseller zelf (die anders dan de Politie niet aan de aanbestedingsrechtelijke beginselen gehouden is) na het einde van de eerstenadere overeenkomsten een nieuwe uitvraag doet bij de door haar betrokken onderaannemers, bovendien tot gevolg dat een deel van de markt bij voorbaat wordt uitgesloten om mee te dingen onder de nieuwe voorwaarden.\n\n4.11.. \n\nDat betekent dat de aanbesteding in de huidige vorm niet kan worden voortgezet en er een heraanbesteding moet plaatsvinden als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen.\n\nDe vorderingen van Dell tot staking van de aanbesteding en tot heraanbesteding van de opdracht (als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen) zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.12.. Nu de vorderingen van Dell reeds om deze reden toewijsbaar zijn, behoeven de overige bezwaren van Dell geen bespreking meer. De Politie heeft de voorzieningenrechter echter verzocht om toch een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell, zodat wordt voorkomen dat deze bezwaren in de inschrijvingsfase opnieuw naar voren worden gebracht. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om, kort en voor zover dat op dit moment opportuun is, een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell.\n\nBezwaar (ii) – de inrichting van de aanbesteding beperkt de mededinging\n\n4.13.. Het tweede bezwaar van Dell komt erop neer dat de inrichting van de aanbesteding door de Politie de mededinging beperkt. Zoals bij de bespreking van bezwaar (i) is vermeld, voldoet de aanbesteding niet aan de eisen van de ADV en kan de aanbesteding in deze vorm reeds daarom niet in stand blijven. Het tweede bezwaar, dat ook betrekking heeft op de opzet van de aanbesteding en hiervoor al kort is beoordeeld, behoeft geen nadere beoordeling meer.\n\nBezwaar (iii) – de looptijd van de aanbesteding is disproportioneel lang en beperkt de mededinging verder\n\n4.14.. De selectieleidraad vermeldt dat de Politie een raamovereenkomst wenst te sluiten met een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. In haar dagvaarding heeft Dell zich op het standpunt gesteld dat dit strijd oplevert met artikel 2.129 lid 3 ADV, dat bepaalt dat de looptijd van een raamovereenkomst niet langer is dan zeven jaar, uitzonderingen daargelaten. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de Politie toegezegd dat de raamovereenkomst een looptijd van initieel vier jaar en drie aanvullende verlengingsopties van één jaar zal hebben, zodat sprake is van een maximale duur van zeven jaar. Naar aanleiding van die toezegging heeft Dell tijdens de zitting verklaard dat zij dit bezwaar niet langer handhaaft. Dat betekent dat dit bezwaar geen bespreking meer behoeft.\n\nBezwaar (iv) – de Politie gunt onterecht op laagste prijs, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn\n\n4.15.. Verder maakt Dell bezwaar tegen het door de Politie gehanteerde gunningscriterium ‘laagste prijs’. Hoewel zij onderkent dat de Politie dit gunningscriterium op grond van artikel 2.105 onder b ADV mag hanteren, is zij van mening dat de Politie die keuze moet motiveren en dat de Politie dat heeft nagelaten. De Politie heeft er terecht op gewezen dat de ADV – anders dan de Aw – geen verplichting voor de aanbestedende dienst bevat om de keuze voor het gunningscriterium laagste prijs te motiveren. Zelfs als dit anders zou zijn, heeft de Politie die keuze naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. In haar conclusie van antwoord heeft de Politie de bezwaren van Dell op dit punt geadresseerd en toegelicht waarom zij meent dat deze bezwaren moeten worden verworpen. Dell heeft vervolgens niet nader onderbouwd waarom de Politie haar keuze desondanks onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit bezwaar van Dell.\n\nBezwaar (v)–De restwaarde is op voorhand niet in te vullen\n\n4.16.. Tot slot stelt Dell dat het niet mogelijk is om per producttype één restwaarde in te vullen, omdat de restwaarde per merk en per concreet product verschilt en afhangt van de staat van het product bij inname. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Dell onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk belang zij als potentiële onderaannemer heeft bij het adresseren van dit bezwaar. Zoals de Politie terecht heeft opgemerkt, is de reseller die een prijs voor dit onderdeel zal moeten invullen, en niet Dell als potentiële onderaannemer. Hoe Dell als gevolg van deze eis in haar positie wordt geraakt valt zonder nadere onderbouwing, die zij niet heeft gegeven, niet in te zien. Dell kan daarom niet worden ontvangen in dat bezwaar. Op voorhand acht de voorzieningenrechter het niet onmogelijk dat een reseller tot een gemiddelde restwaarde zou kunnen komen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.17.. Slotsom is dat de aanbesteding niet kan worden voortgezet en dat de Politie, als zij de opdracht alsnog wenst te gunnen, deze opnieuw zal moeten aanbesteden. De vorderingen van Dell zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.18.. De Politie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dell worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 128,65\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.229,65\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. gebiedt de Politie uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\n5.2.. gebiedt de Politie om, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de Politie in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Politie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Politie € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nfjs\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.1, waarin zij verwijst naar: CvAE 17 februari 2022, advies 659, rn. 4.8.6; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15 en CvAE 29 september 2019, advies 545, rn. 5.10.\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15.\n\nCvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5.\n\n Explanatory Note – Framework Agreements – Classic Directive, Ref. Ares(2016)810203 – 16\u002F02\u002F2016.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:48.175Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"417","ECLI:NL:GHDHA:2026:2174","ecli-nl-ghdha-2026-2174","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummers hof : 200.361.266\u002F01, 200.361.440\u002F01 en 200.361.896\u002F01 Zaaknummer rechtbank: C\u002F10\u002F702762 \u002F KG ZA 25-690\n\nArrest in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van met zaaknummer 200.361.266\u002F01 van\n\nTWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. RMC Rotterdam B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel,\n\n3. Transvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nverweersters,\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01 van\n\nTransvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. TWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\n3. RMC Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel,\n\nverweersters,\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01 van\n\nRMC Rotterdam B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.H.L.M. Kuypers, kantoorhoudend in Brussel\n\nappellante,\n\ntegen\n\n1. de Gemeente Rotterdam,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. M. van Rijn, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n2. TWZ Connect B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\nadvocaat: mr. P.F.C. Heemskerk, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\n3. Transvision B.V.,\n\ngevestigd in Capelle aan den IJssel,\n\nadvocaat: mr. J.W.A. Meesters, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof zal partijen hierna noemen: TWZ, de Gemeente, RMC en TV.1. De zaak in het kort1.1. In deze drie samenhangende aanbestedingszaken vorderen de als tweede en derde geëindigde inschrijvers TWZ en TV in kort geding ieder onder meer intrekking van door de Gemeente ten gunste van RMC genomen gunningsbeslissingen en een gebod tot gunning aan TWZ respectievelijk TV. Volgens TWZ en TV had de Gemeente RMC van de aanbesteding moeten uitsluiten onder meer op grond van een ernstige beroepsfout wegens het te laat deponeren van haar jaarrekeningen. RMC vordert op haar beurt een gebod tot handhaving van de gunningsbeslissing. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen.1.2. TWZ, TV en RMC willen dat het hof hun vorderingen alsnog toewijst. Het hof verwerpt het hoger beroep in de drie zaken en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. \n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.266\u002F01:\n\nde dagvaarding van 11 november 2025, met grieven, waarmee TWZ in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nhet tussenarrest van dit hof van 25 november 2025;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van RMC, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van TV, met bijlagen;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01:\n\nde dagvaarding van 18 november 2025, waarmee TV in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nde memorie van grieven van TV, met bijlage;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente;\n\nde memorie van antwoord van RMC, met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van TWZ;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01:\n\nde dagvaarding van 25 november 2025 waarmee RMC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2025;\n\nde memorie van grieven van RMC;\n\nde memorie van antwoord van de Gemeente;\n\nde memorie van antwoord van TWZ;\n\nde memorie van antwoord van TV, met bijlagen.2.2. Op 18 mei 2026 heeft in de drie gevoegde zaken een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. RMC en de Gemeente hebben bezwaar gemaakt tegen de akte houdende verzoek tot behandeling in incident van TWZ en de akte houdende verzoek tot het horen van getuigen van TWZ. Ter zitting is met partijen besproken dat het hof in dit arrest zal oordelen of deze aktes kunnen worden toegelaten en de daarin gedane verzoeken kunnen worden toegewezen.3. Feitelijke achtergrond3.1. Op 14 juli 2024 heeft de Gemeente de Europese openbare aanbesteding ‘Doelgroepenvervoer’ aangekondigd. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een overeenkomst met een opdrachtnemer voor de duur van vier jaar, met een mogelijkheid tot verlenging van tweemaal twee jaar. De opdracht behelst de regie (aanname en planning) en uitvoering van doelgroepenvervoer (hierna: de opdracht). Onder doelgroepenvervoer valt Wmo-vervoer, Jeugdwetvervoer, leerlingenvervoer, werknemersvervoer en gym- en zwemvervoer. De geraamde waarde van de opdracht is € 320 miljoen.3.2. Naar aanleiding van bezwaren van de zittende opdrachtnemer Trevvel B.V. (hierna: Trevvel ) heeft de Gemeente de aanbestedingsdocumenten aangepast. Zij heeft deze op 17 januari 2025 gepubliceerd. De ingangsdatum van de te sluiten overeenkomst is daarbij verplaatst naar 21 juli 2026. Tot de (aangepaste) aanbestedingsstukken behoren het Beschrijvend Document met 22 bijlagen, waaronder het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (bijlage 2) en de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ (bijlage 3).3.3. \n\nParagraaf 2.1.2 van het Beschrijvend Document bepaalt:\n\n“De inkoopdoelen voor het DGV [hof: doelgroepenvervoer] luiden als volgt:\n\n1. Veilig, toegankelijk en betrouwbaar vervoer, waardoor Reizigers uit voornoemde doelgroepen, kunnen deelnemen aan de maatschappij; 2. Duurzaam en toekomstbestendig vervoer dat kan anticiperen op (toekomstige) ontwikkelingen; 3. Goed werkgeverschap vanuit de Opdrachtnemer naar personeel en Onderaannemers; 4. Zakelijk partnerschap tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer.”3.4. \n\nIn paragraaf 5.1 van het Beschrijvend Document staat dat inschrijvers bij de inschrijving het Uniform Europees Aanbestedingsdocument moeten invullen. Daarin moeten zij verklaren dat de in dat document van toepassing verklaarde facultatieve uitsluitingsgronden zich niet voordoen. Daarbij gaat het onder andere om de ernstige beroepsfout, de valse verklaring en de onrechtmatige beïnvloeding zoals bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub c, h en i van de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012).\n\nIn de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ heeft de Gemeente toegelicht wat in het Beschrijvend Document en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument onder “ernstige fout in de uitoefening van het beroep” wordt verstaan. De toelichting vermeldt:\n\n“Ter verduidelijking van het begrip “ernstige fout in de uitoefening van het beroep”, zoals bedoeld in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument en beschreven in het Beschrijvend Document deelt de Aanbestedende Dienst mee dat hieronder wordt verstaan:\n\nKwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst met betrekking tot het: (…) 10 het begaan van gedragingen in strijd met specifiek voor het beroep of bedrijf van een Inschrijver relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; (…) 12. alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.”\n\nVerder staat in de toelichting:\n\n“In verband met het voorgaande behoudt de Aanbestedende Dienst zich zowel gedurende de aanbestedingsprocedure als gedurende de looptijd van de Overeenkomst het recht voor een Inschrijver te screenen indien er op grond van enig signaal dat de Aanbestedende Dienst bereikt, op welke wijze dan ook, een vermoeden rijst dat er sprake is van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep. (…) Ten aanzien van de uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 2.87 lid 1 sub c van de Aanbestedingswet 2012 geldt dat indien een Inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan de betreffende Inschrijver in beginsel wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure, tenzij uitsluiting disproportioneel zou zijn.\n\nDe betreffende Inschrijver wordt in voorkomend geval in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen en deze maatregelen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken Inschrijver niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure. Bij het nemen van een besluit om al dan niet tot uitsluiting van deelname aan de aanbestedingsprocedure dan wel tot wijziging, opschorting of beëindiging van de Overeenkomst over te gaan kunnen onder meer de volgende aspecten in de afweging worden betrokken: ▪ de ernst van de overtredingen; ▪ de mate van betrokkenheid bij de overtredingen van leidinggevenden; ▪ de sinds de overtredingen verstreken tijd (de Aanbestedende Dienst betrekt uitsluitend ernstige fouten die zich in de drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving hebben voorgedaan); ▪ het verband met de onderhavige aanbestedingen; ▪ de wegens overtredingen opgelegde sancties; ▪ de maatregelen die genomen zijn om herhaling te voorkomen; ▪ de omvang van de aanbestede opdracht; ▪ de houding\u002Fopstelling van de betreffende Inschrijver.\n\nTot daadwerkelijke uitsluiting (of ontbinding) wordt slechts besloten indien de Aanbestedende Dienst dat proportioneel acht.”3.5. \n\nParagraaf 6.2 van het Beschrijvend Document bepaalt dat de inschrijvingen inhoudelijk worden beoordeeld op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Daarbij kunnen maximaal 300 punten worden toegekend aan het subgunningscriterium prijs en maximaal 700 punten aan het subgunningscriterium kwaliteit. Bij de beoordeling van de kwaliteit wordt gekeken naar de volgende aspecten: 1. communicatie en klantbeleving (245 punten), 2. samenwerking met scholen, zorgaanbieders en werklocaties (210 punten), 3. bejegening passend bij de doelgroep (140 punten), 4. goed werkgeverschap en social return(105 punten).\n\nDe inschrijvers dienen per kwaliteitsaspect een plan van aanpak in. Dat wordt beoordeeld met een uitmuntend, goed, voldoende, onvoldoende of slecht, afhankelijk van de mate waarin het betreffende plan beantwoordt aan het betreffende kwaliteitsaspect. Daarbij worden er naar rato punten toegekend. Zo kunnen bij het derde kwaliteitsaspect (bejegening passend bij de doelgroep) 140 (uitmuntend), 105 (goed), 70 (voldoende), 35 (onvoldoende) of 0 (slecht) punten worden gegeven.3.6. TWZ, RMC en TV hebben met nog twee andere partijen ingeschreven op de aanbesteding. TWZ heeft ingeschreven met Trevvel als onderaannemer.3.7. Op 3 juni 2025 heeft de Gemeente aan de inschrijvers laten weten dat RMC met 1000 punten de winnende inschrijver is en dat zij daarom voornemens is om de opdracht aan RMC te gunnen (hierna: het gunningsvoornemen). TWZ en TV zijn volgens de Gemeente op de tweede respectievelijk derde plaats geëindigd.3.8. Bij brief van 13 juni 2025 heeft TWZ bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen. TWZ meent dat RMC had moeten worden uitgesloten van deelname aan de aanbestedingsprocedure omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout. RMC heeft haar jaarrekeningen over de afgelopen zes boekjaren niet of niet-tijdig gedeponeerd (2023 was ten tijde van de inschrijving nog niet gedeponeerd, 2022 vijf maanden te laat, 2021 anderhalf jaar te laat, 2020 twee jaar te laat en 2019 en 2018 drie jaar te laat). TWZ vermoedt dat RMC hierover ook niets heeft verklaard in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Daarmee doen zich volgens TWZ de uitsluitingsgronden valse verklaring en onrechtmatige beïnvloeding eveneens voor. Ten slotte maakt TWZ bezwaar tegen de beoordeling van de kwaliteitsaspecten bejegening passend bij de doelgroep en goed werkgeverschap en social return. De motivering is volgens TWZ op deze punten onbegrijpelijk, onvoldoende en onjuist.3.9. Bij brief van 1 juli 2025 heeft de gemeente aan TWZ geschreven dat zij na een zorgvuldige afweging heeft besloten om niet tot uitsluiting van RMC over te gaan. Volgens de Gemeente heeft RMC haar jaarrekeningen de afgelopen zes boekjaren te laat gedeponeerd en levert dit een economisch delict op. Zij meent echter dat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, omdat de fout geen direct of inhoudelijk verband houdt met het voorwerp van de opdracht, maar een administratieve fout betreft. De fout geeft daarmee geen aanleiding om te twijfelen aan de capaciteiten van RMC bij de uitvoering van de opdracht en haar professionele integriteit. Omdat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, hoefde RMC dit ook niet te melden bij het invullen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Verder merkt de Gemeente op dat RMC de meest recente jaarcijfers (2023) inmiddels heeft gedeponeerd en vrijwillig een aantal administratieve maatregelen heeft doorgevoerd.3.10. Na afloop van de hieronder (onder 4) weergegeven kortgedingprocedure heeft de Gemeente op 21 oktober 2025 met RMC een overeenkomst gesloten waarin de opdracht definitief aan RMC is gegund.3.11. TWZ is op 18 november een tweede kort geding gestart, waarin zij jegens (onder andere) de Gemeente en RMC inzage heeft gevorderd in bescheiden ter onderbouwing van haar stelling dat RMC heeft geprofiteerd van onrechtmatige staatssteun. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de inzagevorderingen bij vonnis van 3 februari 2026 afgewezen.4. Procedure bij de rechtbank4.1. TWZ heeft de Gemeente in kort geding gedagvaard. TWZ heeft daarbij (onder meer) gevorderd, samengevat, de Gemeente te gebieden het gunningsvoornemen in te trekken en de opdracht aan TWZ te gunnen, dan wel de inschrijvingen opnieuw te laten beoordelen, dan wel het gunningsvoornemen alsnog deugdelijk te motiveren, dan wel tot heraanbesteding over te gaan, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente in de kosten.4.2. TV is toegelaten als tussenkomende partij en heeft gevorderd de Gemeente te verbieden de opdracht aan RMC of TWZ te gunnen en de Gemeente te gebieden deze alsnog aan TV te gunnen dan wel een nieuw gunningsvoornemen te nemen, met veroordeling van TWZ en de Gemeente in de kosten.4.3. RMC heeft als tussenkomende partij gevorderd de Gemeente te gebieden haar gunningsvoornemen te handhaven en uit te voeren en, voor het geval het tot heraanbesteding zou komen, ook andere deelnemers die te laat hun jaarrekeningen hebben gedeponeerd van de aanbesteding uit te sluiten.4.4. De voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de vorderingen van TWZ, TV en RMC afgewezen en hen in de kosten van de Gemeente veroordeeld.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. TWZ, RMC en TV zijn - ieder afzonderlijk - in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis.5.2. TWZ vordert na eiswijziging, samengevat, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de Gemeente zal gebieden de overeenkomst met RMC te beëindigen, althans de Gemeente zal verbieden de overeenkomst hangende de beoordeling van de rechtsmiddelen aangewend tegen de verleende staatssteun, waaronder de bij de Europese Commissie ingediende klacht, uit te voeren. Daarnaast vordert TWZ dat het hof de Gemeente zal gebieden afschriften te verstrekken van alle documenten samenhangend met de verkoop van RMC, RMC zal gebieden te gehengen en gedogen dat de overeenkomst wordt beëindigd en de in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog zal toewijzen, een en ander met rente en kosten.5.3. Ook RMC heeft haar eis (deels) gewijzigd. Zij vordert nu dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en TWZ zal veroordelen de uitvoering van de overeenkomst van 21 oktober 2025 te gehengen en gedogen, de Gemeente zal gebieden deze overeenkomst uit te voeren en verweersters te bevelen hetgeen RMC op grond van het vonnis heeft betaald terug te betalen, met rente, met veroordeling van verweersters in de kosten van beide instanties.5.4. Tot slot heeft ook TV vernietiging van het vonnis gevorderd. TV vordert dat het hof de Gemeente alsnog verbiedt de overeenkomst met RMC en de wachtkamerovereenkomst met TWZ uit te voeren en de Gemeente te veroordelen over te gaan tot heraanbesteding, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.6. Beoordeling in hoger beroepSpoedeisend belang6.1. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het hof, zo nodig ambtshalve, in hoger beroep in kort geding moet beoordelen of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof (nog steeds) een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.6.2. \n\nNaar het oordeel van het hof hebben TWZ en TV voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit de spoedeisendheid bij hun vorderingen in hoger beroep voortvloeit. De spoedeisendheid volgt reeds uit het gegeven dat de overeenkomst inmiddels is gesloten door de Gemeente met RMC maar nog niet is uitgevoerd, terwijl TWZ en TV van mening zijn dat de Gemeente de opdracht niet aan RMC had mogen gunnen en de overeenkomst op diverse gronden nog steeds kan worden aangetast. Op het (spoedeisend) belang van RMC bij haar vorderingen gaat het hof onder 6.15 in.\n\nToetsingskader bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen6.3. Doel van het hoger beroep van TWZ en TV is intrekking van de gunningsbeslissing van de Gemeente althans beëindiging van de op die gunningsbeslissing gebaseerde overeenkomst tussen de Gemeente en RMC, met daaropvolgende gunning van de opdracht aan TWZ dan wel TV. De vorderingen strekken dus tot aantasting van de inmiddels gesloten overeenkomst. De vorderingen van RMC strekken op hun beurt ertoe de reeds gesloten overeenkomst met de Gemeente te bestendigen met een rechterlijk bevel aan de Gemeente om deze overeenkomst (zonder meer) te handhaven en uit te voeren.6.4. Hoewel niet is uitgesloten dat in hoger beroep nog wordt ingegrepen in een na een afwijzend vonnis van de voorzieningenrechter tussen aanbesteder en winnende inschrijver gesloten overeenkomst, kan dat alleen in een beperkt aantal gevallen. Een dergelijk geval doet zich hier naar het oordeel van het hof niet voor.6.5. Daarbij geldt het volgende. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak Xafax van 18 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2638) overwogen dat het stelsel van Richtlijn 89\u002F665\u002FEEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG, en de Aw 2012 op het volgende neerkomt. Inschrijvers en andere belanghebbenden moeten tegen de gunningsbeslissing opkomen voordat de overeenkomst is gesloten. Daartoe wordt hen een termijn gelaten waarvan de niet-inachtneming door de aanbestedende dienst leidt tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. Is die termijn verstreken of een verzoek om een onmiddellijke voorziening met betrekking tot de gunningsbeslissing gedaan en daarop door de voorzieningenrechter in eerste aanleg afwijzend beslist, dan is de nadien tot stand gekomen overeenkomst tussen de aanbestedende dienst en de winnende inschrijver alleen aan te tasten in de bijzondere gevallen genoemd in art. 4.15 lid 1 Aw 2012. Dat is alleen anders in het geval van wilsgebreken en in het geval van nietigheid of vernietigbaarheid ingevolge art. 3:40 BW anders dan op grond van het aanbestedingsrecht.6.6. Volgens TWZ en TV zijn hun op beëindiging van de overeenkomst gerichte vorderingen in hoger beroep niettemin toewijsbaar, omdat de tussen de Gemeente en RMC gesloten overeenkomst bepalingen bevat op grond waarvan de Gemeente de met RMC gesloten overeenkomst kan opzeggen indien op de opdrachtnemer (alsnog) uitsluitingsgronden van toepassing (blijken te) zijn.6.7. Het hof volgt TWZ en TV niet in hun stelling dat de door de Gemeente in de overeenkomst met RMC bedongen eenzijdige beëindigingsmogelijkheden, hen een opening geven voor toewijzing van hun vorderingen in hoger beroep. TWZ en TV zien eraan voorbij dat het aan de Gemeente is om zich al dan niet op de desbetreffende bepalingen te beroepen. Derden kunnen daaraan niet, althans niet zonder meer, rechten ontlenen of de Gemeente dwingen van haar contractuele bevoegdheden gebruik te maken. Dat zou bovendien niet verenigbaar zijn met het Xafax-arrest. Het daarin beschreven stelsel beoogt een evenwicht te bereiken tussen de verschillende bij een aanbesteding betrokken belangen en, in verband daarmee, ten behoeve van de aanbestedende dienst en degene aan wie deze de opdracht gunt, te waarborgen dat geen te grote of te langdurige onzekerheid ontstaat over de vraag of de overeenkomst gesloten en uitgevoerd kan worden. Dit stelsel zou worden ondergraven indien het standpunt van TWZ en TV zou worden gevolgd.6.8. TWZ heeft zich daarnaast beroepen op de in het Xafax-arrest genoemde uitzondering van nietigheid wegens strijd met de openbare orde (art. 3:40 BW). Die nietigheid vloeit volgens TWZ allereerst voort uit een op 18 december 2024 plaatsgevonden aandelentransactie, waarbij de Gemeente via RET NV, waarin zij 99% van de aandelen houdt, aan Rotterdamse Taxi Centrale BV (hierna: RTC) haar aandelen RMC heeft overgedragen. Volgens TWZ zijn deze aandelen daarbij voor een te lage, niet marktconforme prijs verkocht, waardoor de aandelentransactie kwalificeert als staatssteun. Deze staatssteun is niet gemeld bij de Europese Commissie. Als gevolg daarvan is deze transactie nietig, waardoor de aandelen RMC moeten worden geacht bij RET te zijn gebleven. Dan is RMC geen van de Gemeente onafhankelijke inschrijver meer, en was daarmee in de onderhavige aanbesteding sprake van belangenconflict als bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub e jo. 1.10b Aw 2012. Daarnaast heeft de niet-marktconforme koopprijs RMC bij de onderhavige aanbesteding in staat gesteld met een lagere prijs in te schrijven. Hierdoor was van aanvang af geen sprake van een level playing field, hetgeen in strijd is met het aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Ten slotte heeft TWZ het vermoeden dat de opdracht wel aan RMC moest toekomen, omdat RMC zonder deze opdracht geen bestaansrecht meer zou hebben. Daarmee levert niet alleen de aandelentransactie als zodanig, maar ook de gunning van de onderhavige opdracht staatssteun op, aldus nog steeds TWZ.6.9. TV heeft ter zitting toegelicht dat, hoewel zij in haar memorie van grieven de door TWZ aangevoerde ‘nieuwe ontwikkelingen’ wel bespreekt, zij deze niet aan haar vorderingen ten grondslag legt of daarmee een uitzondering op de hoofdregel uit het Xafax-arrest bepleit.6.10. Los van de vraag of er enige grond bestaat voor de stelling van TWZ dat de verkoop van het belang van RET in RMC aan RTC verboden staatssteun inhoudt, kunnen de conclusies die TWZ daaraan verbindt geen grond vormen voor een uitzondering op de hoofdregel uit de Xafax-jurisprudentie. Volgens het Xafax-arrest kan een tussen een aanbestedende dienst en opdrachtnemer gesloten overeenkomst in hoger beroep alleen worden aangetast in het geval van nietigheid van de overeenkomst ingevolge art. 3:40 BW (i.c. strijd met de openbare orde) anders dan op grond van het aanbestedingsrecht(cursivering van het hof). De conclusies die TWZ aan de gestelde verboden staatssteun verbindt - strijd met het aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel en\u002Fof belangenverstrengeling – leveren geen nietigheid ingevolge art. 3:40 BW op ‘anders dan op grond van het aanbestedingsrecht’. Hetzelfde geldt voor zover TWZ en TV zich beroepen op nietigheid van de overeenkomst op grond van een belangenconflict en\u002Fof strijd met het gelijkheidsbeginsel wegens de vermeende betrokkenheid van een oud-medewerker van RMC bij de onderhavige aanbestedingsprocedure.6.11. Het voorgaande is niet anders omdat het volgens TWZ om ‘nieuwe’, na het vonnis gebleken, omstandigheden zou gaan. Uit het Xafax-arrest blijkt niet van een uitzondering voor eerst na het kort geding-vonnis gebleken feiten. Bovendien heeft TWZ onvoldoende betwist dat zij (via haar bestuurder [naam], tevens bestuurder van een vennootschap met een aandelenbelang in RTC) al in 2024 over aan haar toerekenbare kennis van de (modaliteiten van de) aandelentransactie beschikte, zodat niet aannemelijk dát het nieuwe omstandigheden zijn die TWZ niet bij de voorzieningenrechter had kunnen aanvoeren.6.12. Gelet op het voorgaande komt het hof dus niet toe aan het in hoger beroep door TWZ bij akte gedane (getuigen)bewijsaanbod en haar bij memorie van grieven en in de akte van 3 maart 2026 gedane inzageverzoeken (zie hiervoor, 2.2), die alle betrekking hebben op de vraag of ter zake van de aandelentransactie sprake is geweest van staatssteun.6.13. Ten overvloede merkt het hof hierover nog op dat de gestelde staatssteun in dit kort geding voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden. Dat sprake is geweest van staatssteun volgt niet zonder meer uit het gegeven dat het 50% belang van RET in RMC is verkocht voor een lagere prijs dan waarvoor het belang van 50% in RMC dat reeds in het bezit was van RTC, bij RTC op de balans stond. Zoals de Gemeente terecht heeft aangevoerd, kan de verschillende waardering van RMC door RET en RTC allerlei redenen hebben (gehad). Een verdere onderbouwing van de gestelde te lage verkoopprijs ontbreekt. Daarnaast levert een verkoop van haar belang in RMC door RET tegen een te lage prijs op zichzelf geen staatssteun op. Dat is slechts anders als de verkoopprijs aan de Gemeente valt toe te rekenen. TWZ heeft in dat verband gesteld dat RET onder bijzonder beheer stond en de Gemeente in haar hoedanigheid van aandeelhouder op de hoogte is gehouden van het verkoopproces en de verkoop heeft goedgekeurd. Dat is tegenover het verweer van de Gemeente dat het bijzonder beheer los stond van de verkoop en dat de Gemeente zich niet met de verkoopmodaliteiten heeft bemoeid, niet voldoende om aan te nemen dat de verkoopprijs aan de Gemeente kan worden toegerekend. Voor de stelling van TWZ dat de onderhavige opdracht door de Gemeente aan RMC is gegund omdat RMC anders geen bestaansrecht meer zou hebben, en daarom ook de verlening van de opdracht zelf staatssteun oplevert, ontbreekt iedere aanwijzing. RMC heeft inzage gevorderd en getuigenbewijs aangeboden om haar stellingen dat sprake is van staatssteun nader te kunnen onderbouwen. Voor bewijslevering is in kort geding in het algemeen evenwel geen plaats en het hof ziet daarvoor in dit geval ook onvoldoende aanleiding.6.14. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van TWZ en TV, die zijn gericht op aantasting van de door de Gemeente met RMC gesloten overeenkomst, in hoger beroep niet toewijsbaar zijn.6.15. \n\nHetzelfde geldt voor de vorderingen van RMC. Deze strekken in feite tot wijziging van de overeenkomst tussen de Gemeente en RMC, omdat bij toewijzing ervan de Gemeente de overeenkomst zonder meer zou moeten uitvoeren ongeacht of zij op enig moment contractueel tot beëindiging daarvan gerechtigd zou zijn. Een dergelijke wijziging van de overeenkomst nadat deze is gegund is onverenigbaar met het aanbestedingsrecht. Voor zover RMC een gebod tot handhaving van het gunningsbesluit vordert, mist RMC daarbij bovendien belang nu de Gemeente dit besluit immers heeft gehandhaafd door het sluiten van de overeenkomst met RMC.\n\nBeoordeling van de grieven (uitsluitend) in verband met de proceskosten in eerste aanleg6.16. TWZ en TV hebben ook gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd voor zover het gaat om de in hun nadeel uitgevallen proceskostenbeslissing. Uitsluitend in dat kader behoeven hun tegen het afwijzende vonnis van de voorzieningenrechter gerichte grieven nog bespreking. Immers levert naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666) voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak, ongeacht of (spoedeisend) belang bestaat bij de (overige) in hoger beroep te beoordelen vorderingen.6.17. Ook RMC heeft een grief gericht tegen de door de voorzieningenrechter genomen beslissing over de proceskosten. Haar overige grieven behoeven ook in dat kader evenwel geen bespreking, nu RMC ook in eerste aanleg (voldoende) belang bij haar vorderingen miste en deze ook overigens niet toewijsbaar waren. Het hof verwijst naar het hiervoor onder 6.15 overwogene. De tegen het vonnis gerichte grieven van RMC kunnen dus niet leiden tot het oordeel dat de voorzieningenrechter haar vorderingen ten onrechte heeft afgewezen en RMC niet in de kosten had mogen worden veroordeeld.6.18. Dit ligt anders voor de grieven van TWZ en TV. Daaronder voeren zij aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de Gemeente in redelijkheid tot het besluit kon komen om RMC niet uit te sluiten op grond van een ernstige beroepsfout, valse verklaring, onrechtmatige beïnvloeding en relevante, gebrekkige ‘past performance’. Indien deze grieven gegrond zijn, en bijgevolg dat oordeel anders had moeten luiden en tot toewijzing van de vorderingen had moeten leiden, zou de proceskostenbeslissing in eerste aanleg anders hebben moeten uitvallen.6.19. \n\nHet hof zal de grieven van TWZ en TV beoordelen met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep.\n\nHet te laat deponeren van de jaarrekeningen door RMC6.20. Met hun grotendeels overeenstemmende grieven 1 tot en met 4 van TWZ en 1 tot en met 5 van TV, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, voeren zij samengevat het volgende aan. De voorzieningenrechter heeft een te beperkte uitleg gegeven aan het begrip ernstige beroepsfout en daarbij ten onrechte een onderscheid aangebracht tussen een ernstige fout en een ernstige beroepsfout. Alles dat hoort bij de uitoefening van het beroep, dus ook fouten bij de bedrijfsvoering, kunnen tot uitsluiting leiden. Het repeterend te laat deponeren van de jaarrekeningen door RMC vormt een economisch delict en kwalificeert als ernstige beroepsfout. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte van belang geacht of RMC de bedoeling heeft gehad de Gemeente te misleiden door niet (tijdig) jaarrekeningen te deponeren. De financiële positie van RMC was slecht. De geschonden wettelijke verplichting tijdig jaarrekeningen te deponeren dient de financiële transparantie. RMC had, mede gelet op de systematiek van het UEA, zelfs bij onzekerheid over de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout, een meldingsplicht. Het achterwege blijven van de melding ontneemt de aanbestedende dienst de mogelijkheid te beoordelen of een uitsluitingsgrond van toepassing is. Het nalaten van deze melding moet, ongeacht de uiteindelijke beoordeling van de beroepsfout, worden aangemerkt als een valse verklaring, het achterhouden van informatie en\u002Fof onrechtmatige beïnvloeding als bedoeld in art. 2.87 lid 1 sub h en i Aw 2012. Pas na voorlopige gunning aangeboden zelfreinigende maatregelen mogen niet meer worden meegenomen omdat de aanbestedende dienst in dat stadium daarover niet meer objectief kan oordelen. De Gemeente had het gunningsbesluit moeten intrekken en een nieuw gunningsbesluit moeten nemen. De met terugwerkende kracht afgegeven 403-verklaring leidt tot een gewijzigde inschrijving en dient buiten beschouwing te worden gelaten, aldus nog steeds TWZ en TV.6.21. Het hof stelt het volgende voorop. Volgens rechtspraak van het HvJEU volgt uit Richtlijn 2014\u002F24 dat het wat de facultatieve uitsluitingsgronden betreft uitsluitend aan de aanbestedende dienst is om te beoordelen of een inschrijver moet worden uitgesloten van een aanbestedingsprocedure (HvJEU 21 december 2023, C-66\u002F22, ECLI:EU:C:2023:1016 (Infraestruturas de Portugal). De rechter kan een zodanige beslissing van de aanbestedende dienst daarom alleen marginaal toetsen, hetgeen betekent dat de rechter slechts moet beoordelen of de aanbestedende dienst in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.6.22. Op grond van art. 2.87 lid 1 Aw 2012 kan de aanbestedende dienst een inschrijver uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de grond dat (aannemelijk is dat) de inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken (sub c). Ingevolge art. 2.88 Aw 2012 kan de aanbestedende dienst afzien van toepassing van art. 2.87 indien naar het oordeel van de aanbestedende dienst uitsluiting niet proportioneel is met het oog op de tijd die is verstreken sinds de veroordeling en gelet op het voorwerp van de opdracht.6.23. Het hof leest in de onder 6.21 vermelde rechtspraak niet dat de bevoegdheid van de aanbestedende dienst om een inschrijver op een facultatieve uitsluitingsgrond (al dan) niet uit te sluiten, beperkt zou zijn tot de fase voorafgaand aan de voorlopige gunningsbeslissing. Ook overigens volgt een dergelijke beperking niet uit het (stelsel van) de Aw 2012 en\u002Fof de UEA. Evenmin kunnen TWZ en TV worden gevolgd in hun betoog dat een beoordeling of (afdoende) zelfreinigende maatregelen zijn genomen slechts voorafgaand aan de voorlopige gunningsbeslissing kan plaatsvinden en een inschrijver zich na de voorlopige gunningsbeslissing niet meer op zulke maatregelen kan beroepen. Integendeel volgt uit art. 2.87a lid 1 Aw 2012 dat een aanbestedende dienst een gegadigde op wie een uitsluitingsgrond van toepassing is, steeds in de gelegenheid stelt te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Verder moet de aanbestedende dienst gedurende de hele procedure, ook bij de toepassing van facultatieve uitsluitingsgronden, het proportionaliteitsbeginsel in acht nemen (HvJEU 30 januari 2020, ECLI:EU:C:2020:58 (TIM); HvJEU 26 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:48 (HSC Baltic)).6.24. Naar het oordeel van het hof kon de Gemeente in redelijkheid tot de in de brief van 1 juli 2025 (zie hiervoor, 3.9) weergegeven beslissing komen RMC niet van de aanbestedingsprocedure uit te sluiten omdat het te laat deponeren van de jaarrekeningen volgens haar met het oog op de onderhavige opdracht geen ernstige beroepsfout oplevert, RMC bovendien voldoende zelfreinigende maatregelen heeft genomen en uitsluiting ook overigens niet proportioneel zou zijn. Daarbij kon de Gemeente in redelijkheid, gebruik makend van haar ruime beoordelingsmarge, in aanmerking nemen dat de fout geen direct of inhoudelijk verband houdt met het voorwerp van de opdracht (het verzorgen van doelgroepenvervoer), maar een administratieve fout betreft en naar haar oordeel geen aanleiding gaf om te twijfelen aan de capaciteiten van RMC bij de uitvoering van deze opdracht en haar professionele integriteit. De Gemeente heeft in haar beoordeling verder betrokken dat RMC de meest recente jaarcijfers inmiddels had gedeponeerd en een aantal administratieve maatregelen had doorgevoerd. Daarmee heeft de Gemeente in redelijkheid kunnen oordelen dat bovendien zelfreinigende maatregelen waren genomen die aan uitsluiting in de weg staan, althans in het licht waarvan uitsluiting disproportioneel zou zijn.6.25. \n\nTen overvloede merkt het hof nog op dat de Gemeente zich nadien in redelijkheid nog op het standpunt kon stellen dat enige door TWZ en TV geuite twijfel over de financiële betrouwbaarheid van RMC in ieder geval was weggenomen door de op 9 juli 2025 door RMC B.V. afgegeven 403-verklaring. Anders dan TWZ en TV aanvoeren is hierdoor van een gewijzigde inschrijving nog geen sprake, te minder nu in de onderhavige aanbesteding geen eisen aan de financieel-economische draagkracht van de gegadigden waren gesteld.\n\nUitsluiting wegens gebrekkige ‘past performance’6.26. Volgens grief 5 van TWZ had RMC op grond van gebrekkige ‘past performance’ moeten worden uitgesloten, omdat bij een eerder door Drechtsteden aan RMC gegunde opdracht, de opdrachtgever RMC onder dreiging van rechtsmaatregelen tot nakoming heeft moeten dwingen.6.27. RMC heeft hiertegenover aangevoerd dat met Drechtsteden slechts een geschil bestond over de vraag of de overeenkomst moest worden verlengd. Dat geschil is in goed overleg opgelost waarna RMC de (verlengde) opdracht naar tevredenheid is nagekomen. Aan de uitgebrachte dagvaarding is dan ook geen gevolg gegeven. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij de (verlengde) overeenkomst geheel en naar tevredenheid is nagekomen, heeft zij nog een ‘verklaring van tevredenheid’ van Stroomlijn B.V., de penvoerder en contractbeheerder van de overeenkomst, overgelegd (prod. 4 bij akte overlegging producties van 26 september 2025).6.28. \n\nOok deze grief faalt. Een aanbestedend dienst kan op grond van art. 2.87 lid 1 sub g Aw 2012 een inschrijver uitsluiten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure indien de inschrijver heeft blijk gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift van een eerdere overheidsopdracht en dit heeft geleid tot vroegtijdige beëindiging van de overheidsopdracht, tot schadevergoeding of vergelijkbare sancties. Ook hierbij heeft de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid een inschrijver al dan niet uit te sluiten. De Gemeente kon zich, mede gelet op de - onvoldoende weersproken - toelichting van RMC, in redelijkheid op het standpunt stellen dat bij de uitvoering van de door Drechtsteden verstrekte opdracht geen sprake is geweest van ‘aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen’ of van de in deze bepaling bedoelde sancties.\n\nUitsluiting wegens de nieuwe ontwikkelingen; belangenverstrengeling6.29. Zoals hiervoor onder 6.13 is overwogen, is in dit kort geding niet (voldoende) aannemelijk geworden dat ter zake van de aandelentransactie tussen RET en RTC sprake is geweest van ongeoorloofde staatssteun die van invloed is geweest op (de prijsbepaling in) de onderhavige aanbestedingsprocedure. Daarmee kan niet worden geoordeeld dat (de Gemeente in redelijkheid tot het besluit had moeten komen dat) RMC wegens een daaruit voortvloeiend belangenconflict (art. 2.87 lid 1 sub e jo. 1.10b Aw 2012) van de aanbesteding had moeten worden uitgesloten of de vorderingen anderszins wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel toewijsbaar zouden zijn.\n\nConclusie en proceskosten6.30. De conclusie is dat het hoger beroep van TWZ, TV en RMC niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal TWZ, TV en RMC als de in het ongelijk gestelde partij telkens veroordelen in de proceskosten van geïntimeerden in het desbetreffende hoger beroep.6.31. Het hof begroot de kosten aan de zijde van de geïntimeerden in de drie zaken telkens als volgt.\n\n griffierecht € 827,-\n\n salaris advocaat € 2.580,-(2 punten x tarief II)\n\n totaal € 3.407,-.\n\nIn alle gevallen met nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.266\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt TWZ in de kosten van de Gemeente, RMC en TV in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.440\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt TV in de kosten van de Gemeente, TWZ en RMC in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin de zaak met zaaknummer 200.361.896\u002F01\n\n- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025;\n\n- veroordeelt RMC in de kosten van de Gemeente, TWZ en TV in hoger beroep, tot aan deze uitspraak telkens begroot op € 3.407,-, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;\n\nin alle zaken:\n\n- verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n- wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, P. Glazener en A.G.J. Van Wassenaer van Catwijck en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2174","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:28.885Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"432","ECLI:NL:RBDHA:2026:14211","ecli-nl-rbdha-2026-14211","2026-05-28T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701658 \u002F KG ZA 26-293\n\nVonnis in kort geding van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nMEHLER VARIO SYSTEM GMBHte Fulda (Duitsland),\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. J.I. Kohlen en mr. T. Beetstra, beiden te Den Haag,\n\ntegen:\n\nPOLITIEte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nSIOEN N.V.te Ardooie (België),\n\nadvocaten mr. J.H.J. Bax en mr. P.M. Smits, beiden te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Mehler’, ‘de Politie’ en ‘Sioen’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 18;\n\n- de akte overlegging nadere producties 19 en 20 van de zijde van Mehler;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;\n\n- de schriftelijke reactie van de Politie, met producties A tot en met C, waarvan B in een herziene versie;\n\n- de door Sioen overgelegde producties 1 en 2;\n\n- de akte uitlaten en overlegging aanvullende producties 21 tot en met 24 van de zijde van Mehler.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Mehler en de Politie het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. Tijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst, althans voeging\n\n2.1.. Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Mehler en de Politie, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Mehler en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. Op 5 juni 2024 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).\n\n3.2.. De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.\n\n3.3.. In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en\u002Fof in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.\n\n3.4.. In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is opgenomen:\n\n3.5.. In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Onderdeel 3 van deze bijlage ziet op de kwaliteitseisen (materialen) KSWV-hoezen. Voor zover voor deze procedure van belang gaat het daarbij om de volgende Producteisen (waarvan de eerste vier kolommen worden weergegeven):\n\nDe eerste kolom geeft het nummer weer, de tweede kolom de “Omschrijving”, de derde kolom de “Technische eis” en de vierde kolom geeft de “Testmethode\u002FNorm\u002FWijze van controleren” weer. Vervolgens is per Producteis in respectievelijk de kolommen 6, 7 en 9 van de tabel vermeld dat de conformiteit aan de betreffende Producteis moet worden aangetoond door middel van Samples (kolom 6), die moeten worden ingediend bij inschrijving (kolom 7) en “Niet conform is terzijde legging”(kolom 9).\n\n3.6.. In hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat Fase 1 van de beoordeling van de inschrijvingen bestaat uit de “Technische beoordeling of Product voldoet aan Producteisen (inclusief een wastest)”, dat per inschrijving vijf Samples van het KSWV (alleen de politieblauwe en fluogele hoezen) een wastest ondergaan zonder soft ballistische inlage en dat alleen inschrijvingen waarvan de Samples de wastest met een positief resultaat doorstaan en die aan alle andere aan de inschrijving gestelde eisen en Producteisen voldoen, voor beoordeling van de gunningscriteria in Fase 2 in aanmerking komen.\n\n3.7.. In paragraaf 3.2.1 van de Inschrijvingsleidraad is onder meer vermeld dat de inschrijver door een rechtsgeldig ondertekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) verklaart dat hij akkoord gaat met al het gestelde in de aanbestedingsstukken. In paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad is meegedeeld dat de Politie een proactieve houding van de inschrijvers verwacht en dat eventuele onduidelijkheden, onvolkomenheden of tegenstrijdigheden in de aanbestedingsstukken uiterlijk op 30 mei 2025 moeten worden gemeld, waarna de inschrijvers hun recht verliezen om alsnog bezwaar te maken tegen (de gevolgen van) eventuele schendingen van het (aanbestedings)recht en geacht worden onverkort en onvoorwaardelijk met de inhoud van die stukken te hebben ingestemd.\n\n3.8.. Uit de antwoorden op de vragen 212 en 217 van de Nota van Inlichtingen volgt dat de testen van de Samples worden ondergebracht bij het EN-ISO 17025-geaccrediteerde laboratorium [bedrijf] , gevestigd in [vestigingsplaats] (hierna ‘ [bedrijf] ’), dat de testen die dit laboratorium zelf onder accreditatie kan testen door haar worden uitgevoerd en dat de testen die dit laboratorium niet zelf onder accreditatie kan testen zullen worden ondergebracht bij een ander EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium.\n\n3.9.. Mehler heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Mehler kenbaar gemaakt dat de inschrijving van Mehler terzijde is gelegd, dat Mehler is uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de voorlopige gunningsbeslissing’). In de voorlopige gunningsbeslissing heeft de Politie aan Mehler meegedeeld dat tijdens de controle\u002Fbeoordeling door [bedrijf] is geconstateerd dat drie van de vijf door Mehler ingeleverde Samples 3-4 scoren met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30. Voor de onderbouwing van de beoordeling heeft de Politie in de voorlopige gunningsbeslissing verwezen naar Bijlage 2 bij de voorlopige gunningsbeslissing, te weten het verslag van het op 4 september 2025 door [bedrijf] uitgevoerde onderzoek, hierna ‘het Onderzoeksverslag’. Verder heeft de Politie er in de voorlopige gunningsbeslissing op gewezen dat de beoordeling volledig geanonimiseerd heeft plaatsgevonden en dat daartoe aan de Samples van Mehler de letter ‘P’ is toegekend.\n\n3.10.. In het Onderzoeksverslag heeft [bedrijf] de onderzoeksresultaten met betrekking tot de door Mehler (inschrijver ‘P’) ingediende Samples vermeld.\n\n3.11.. Bij brief van 3 maart 2026 heeft Mehler aan de Politie kenbaar gemaakt dat zij zich niet kan verenigen met de terzijdelegging van haar inschrijving en haar uitsluiting van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure. In die brief heeft Mehler aan de Politie meegedeeld dat zij de fluogele stof van haar Samples heeft ingekocht bij een gerenommeerde leverancier (Utexbel), dat zij deze stof heeft laten testen door een onafhankelijk laboratorium, te weten WKS Labservice in Duitsland (hierna ‘WKS’), en dat die test een score van 4-5 laat zien. Ter onderbouwing heeft Mehler een testrapport van WKS van 25 april 2025 als bijlage bij de brief aan de Politie toegestuurd. Verder heeft Mehler er in de brief op gewezen dat Sioen haar producten regelmatig door [bedrijf] laat testen, zodat [bedrijf] bekend is met de producten en materialen van Sioen, en dat Mehler zich daarom afvraagt of bij de beoordeling van de Samples sprake is geweest van een gelijke behandeling van de inschrijvers. Ten slotte heeft Mehler de Politie gevraagd om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en om de procedure met betrekking tot de wastest te verduidelijken door het beantwoorden van de in de brief vermelde vragen en heeft zij verzocht om de Samples aan Mehler te retourneren, zodat zij deze kan laten controleren door een onafhankelijk laboratorium.\n\n3.12.. In reactie op de in 3.11. bedoelde brief van Mehler heeft de Politie bij brief van 9 maart 2026 aan Mehler meegedeeld dat de Politie de voorlopige gunningsbeslissing niet zal intrekken, dat de beoordeling van alle inschrijvingen correct en conform de in de aanbestedingsstukken voorgeschreven procedures heeft plaatsgevonden en dat de voorlopige gunningsbeslissing voldoende is gemotiveerd. Daarbij heeft de Politie onder meer toegelicht dat er geen reden is om te twijfelen aan de integriteit van [bedrijf] , omdat [bedrijf] een onafhankelijk geaccrediteerd laboratorium is, dat de testen geanonimiseerd hebben plaatsgevonden, dat alle testen exclusief bij [bedrijf] zijn uitgevoerd en dat Mehler de ongewassen Samples retour kan krijgen. Verder heeft de Politie opgemerkt dat niet te controleren is welke stoffen Mehler door WKS heeft laten testen en heeft zij de door Mehler in haar brief van 3 maart 2026 gestelde vragen beantwoord. Daarbij heeft de Politie onder meer het volgende geanonimiseerde overzicht van de scores van de inschrijvers met betrekking tot de Producteisen 3.28 en 3.30 opgenomen:\n\nTen slotte heeft de Politie voor zover voor deze procedure van belang het volgende in de brief vermeld:\n\n3.13.. Mehler heeft op 18 maart 2026 via het digitale platform Mercell een bericht aan de Politie gestuurd, waarin zij een tweetal punten uit haar brief van 3 maart 2026 heeft verduidelijkt. Daarbij heeft zij er op gewezen dat zij een fluogeel vest uit dezelfde batch als de Samples door WKS heeft laten testen en dat Mehler naast de ongewassen Samples ook de gewassen Samples wil kunnen inspecteren, om de Politie ervan te overtuigen dat de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler onterecht is geweest.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Mehler vordert – zakelijk weergegeven – primairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler ongedaan te maken, Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad;subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, evenals de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler, vijf van de door Mehler ingediende fluogele hoezen opnieuw te laten beoordelen door middel van een wastest bij een EN-ISO 17025-geaccrediteerde instantie, anders dan [bedrijf] , deze resultaten in de plaats te stellen van het Onderzoeksverslag en mee te wegen in de beoordeling van de inschrijving van Mehler en, als is bevestigd dat Mehler aan de Producteisen in Fase 1 voldoet, Mehler toe te laten tot Fase 2 en de inschrijving van Mehler volledig te beoordelen in overeenstemming met hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad, waarbij de Politie moet waarborgen dat de Gebruikerstest anoniem en zonder vooringenomenheid zal plaatsvinden enmeer subsidiairde Politie te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en tot heraanbesteding over te gaan, voor zover de Politie de opdracht nog wil aanbesteden, althans een in goede justitie te bepalen andere voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van de Politie in de proceskosten.\n\n4.2.. Daartoe stelt Mehler – samengevat – het volgende. De Politie heeft de inschrijving van Mehler terzijde gelegd, omdat deze volgens de Politie niet aan de Producteisen 3.28 en 3.30 voldoet. Mehler heeft echter twijfels over de manier waarop de wastest is uitgevoerd en hoe [bedrijf] tot haar eindoordeel is gekomen. Het door [bedrijf] opgestelde Onderzoeksverslag is ondeugdelijk gemotiveerd en niet te controleren. Daarmee voldoet de voorlopige gunningsbeslissing niet aan de vereiste normen van zorgvuldigheid en een deugdelijke motivering en deze kan de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler dan ook niet dragen. Verder heeft de Politie gehandeld in strijd met haar zorgvuldigheids- en motiveringsplicht door na te laten om nader onderzoek te doen naar de uitkomst van de wastest. Mehler heeft immers het testrapport van WKS aan de Politie verstrekt, waaruit blijkt dat het fluogele vest van Mehler wel voldoet aan de Producteisen. De Politie had Mehler in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen om de testresultaten van [bedrijf] te controleren. Ten slotte had de Politie moeten onderzoeken en bevestigen dat er geen (schijn van) belangenverstrengeling is (geweest) bij [bedrijf] in het kader van het uitvoeren van de wastest.\n\n4.3.. De Politie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Politie zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mehler, althans tot afwijzing van de vorderingen van Mehler. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Mehler te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Mehler in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Mehler, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van Mehler en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In deze procedure moet (samengevat) worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, om Mehler toe te laten tot Fase 2 en haar inschrijving volledig te beoordelen, althans om de fluogele hoezen van Mehler opnieuw te laten beoordelen en Mehler bij een positief resultaat toe te laten tot Fase 2, althans om de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Mehler naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.\n\nHet Onderzoeksverslag en de motivering van de voorlopige gunningsbeslissing\n\n5.2.. Mehler heeft gesteld dat de terzijdelegging van haar inschrijving onterecht is geweest, omdat deze niet is gebaseerd op een controleerbare en deugdelijke motivering. Volgens Mehler voldoet het Onderzoeksverslag niet aan de daarvoor geldende marktstandaarden, zodat het niet kan dienen als grondslag voor de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler. Onder verwijzing naar een verklaring van Weber & Leucht, een EN-ISO 17025-geaccrediteerd laboratorium in Duitsland, heeft Mehler erop gewezen dat het met name bij fluogele vesten, vanwege de eigenschappen van de stof, essentieel is dat extra maatregelen worden genomen om tot een juiste testuitslag te komen, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de verlichting en de testomstandigheden, maar dat die aspecten en de omstandigheden waaronder de Samples zijn gedroogd en bewaard in het Onderzoeksverslag niet terugkomen. Daar komt volgens Mehler nog bij dat de door de Politie gekozen beoordelingsmethode, waarbij de kleurverandering wordt beoordeeld aan de hand van een grijsschaal, een subjectief element heeft, waardoor extra waarborgen zijn vereist die niet uit het Onderzoeksverslag blijken. Verder heeft Mehler uiteengezet dat uit diverse deskundigenverklaringen, die zij als producties in het geding heeft gebracht, volgt dat elke laboratoriummethode een meetonzekerheid kent, die over het algemeen 0,5 punt bedraagt, zodat de door Mehler behaalde score van 3-4 (met een grenswaarde van 4) alsnog als een voldoende moet worden beschouwd. Met betrekking tot de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s heeft Mehler opgemerkt dat deze geen duiding geven en daarom niet kunnen bevestigen of de wastest juist is uitgevoerd. Ten slotte heeft Mehler tijdens de mondelinge behandeling nog gesteld dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples, omdat alle door Mehler speciaal ten behoeve van de wastest ingediende Samples door [bedrijf] zijn gewassen, dat niet duidelijk is of [bedrijf] een vergelijking heeft gemaakt tussen de gewassen Samples en dat evenmin duidelijk uit het Onderzoeksverslag blijkt dat en op welke wijze de testen door twee ervaren beoordelaars zijn uitgevoerd.\n\n5.3.. In paragraaf 1.4.4 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat tijdens de technische beoordeling een wastest met de politieblauwe en fluogele hoezen wordt uitgevoerd en in hoofdstuk 2 van de Inschrijvingsleidraad is toegelicht dat die wastest wordt gedaan met het oog op de beoordeling van de inschrijvingen op de Producteisen. Vervolgens zijn de Producteisen beschreven in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad, voor deze kortgedingprocedure meer in het bijzonder de Producteisen 3.28 tot en met 3.31, waarbij is vermeld dat de conformiteit aan de Producteisen bij de inschrijving door middel van Samples moet worden aangetoond en dat de inschrijving terzijde wordt gelegd als deze niet conform is (zie hiervoor in randnummer 3.5.). De Politie heeft onbetwist aangevoerd dat Mehler weliswaar een vraag heeft gesteld over het aanleveren van de Samples ten behoeve van de wastest, maar dat zij geen vragen heeft gesteld over de in dit onderdeel van de Producteisen beschreven testmethode, de toepasselijke norm en de wijze van controleren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie er in dit verband, onder verwijzing naar paragraaf 3.2.1 en paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad, terecht op gewezen dat Mehler door een UEA te ondertekenen akkoord is gegaan met de inhoud van de aanbestedingsstukken, waaronder de beoordelingsmethodiek zoals weergegeven in de vierde kolom van onderdelen 3.28 tot en met 3.31 van Bijlage 1B, en dat Mehler haar bezwaren met betrekking tot de daar beschreven wijze waarop de wastest zou worden uitgevoerd, inclusief de toepasselijke normen zoals vermeld in de Producteisen 3.28 tot en met 3.31 , eerder aan de Politie kenbaar had moeten maken, dan wel voorafgaand aan de inschrijving in een kortgedingprocedure aan de orde had moeten stellen. Dat geldt ook voor de voor het eerst in deze procedure door Mehler naar voren gebrachte bezwaren tegen het Onderzoeksverslag. De Politie heeft er terecht op gewezen dat in de toepasselijk verklaarde norm EN-ISO 6330:2021 in paragraaf 11 voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van het opstellen van de onderzoeksrapportage en dat Mehler ook daarover op voorhand niet heeft geklaagd en daar ook geen vragen over heeft gesteld. Het voorgaande betekent dat Mehler haar rechten heeft verwerkt voor zover zij heeft gesteld dat het Onderzoeksverslag, en naar de voorzieningenrechter begrijpt, daarmee ook het onderzoek zelf, niet voldoet aan de geldende marktstandaarden, dat in het Onderzoeksverslag ontbreekt onder welke omstandigheden de Samples zijn getest, gedroogd en bewaard en dat in het Onderzoeksverslag niet is vermeld of extra waarborgen zijn ingebouwd om een subjectief element bij de beoordeling van kleurveranderingen te ondervangen.\n\n5.4.. Voor zover de door Mehler geuite bezwaren zien op de vraag of de wastest zorgvuldig en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken is uitgevoerd en op de vraag of haar inschrijving op basis van de resultaten van de wastest terzijde mocht worden gelegd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.\n\n5.5.. De Politie heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat het Onderzoeksverslag voldoet aan de daaraan op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen gestelde eisen en dat het enkele ontbreken van bepaalde elementen in het Onderzoeksverslag, zoals het aantal getrainde beoordelaars dat de meting heeft verricht en of er tussen hen consensus was, anders dan Mehler heeft gesuggereerd, niet betekent dat moet worden getwijfeld aan de juistheid of de zorgvuldigheid van dat verslag. Daar komt nog bij dat de Politie heeft toegelicht dat de toepasselijke EN-ISO-normen niet voorschrijven dat de wastest door twee beoordelaars wordt uitgevoerd en dat de Politie alleen uit zorgvuldigheid heeft gekozen voor een ‘review’ van het oordeel van de beoordelaar door een tweede beoordelaar.\n\n5.6.. Verder heeft de Politie uiteengezet dat de oorspronkelijk norm in Producteis 3.28, inhoudende dat na de uitgevoerde wastest minimaal vier hoezen zonder Molle-draagysteem een score van 4-5 of hoger moesten hebben en dat één hoes de score 4 mocht hebben, overeenkomstig Producteis 3.28 is aangepast naar een score van minimaal 4 voor vijf hoezen, omdat de Samples van vijf inschrijvers de oorspronkelijk norm niet haalden. De Politie heeft daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de mogelijke gevolgen van een meetonzekerheid al heeft ondervangen door het aanpassen van de norm, dat de mogelijkheid daartoe transparant aan de inschrijvers bekend is gemaakt in Producteis 3.28 en dat het opnieuw aanpassen van de norm, zoals Mehler nu voorstelt, alleen al niet mogelijk is omdat daarmee sprake zou zijn van schending van het transparantie- en het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van partijen die dachten de norm niet te kunnen halen en daarom hebben afgezien van inschrijving. Hiertegenover heeft Mehler onvoldoende concreet gemaakt dat de Politie in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel door de in het Onderzoeksverslag vermelde testuitslagen tot uitgangspunt te nemen en deze niet te corrigeren en heeft zij onvoldoende gesteld ter rechtvaardiging van haar standpunt dat haar score 3-4 alsnog als ‘voldoende’ moet worden beschouwd.\n\n5.7.. Met betrekking tot de stelling van Mehler dat de in het Onderzoeksverslag opgenomen foto’s geen duiding geven en niet laten zien dat de wastest op de juiste wijze is uitgevoerd, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft onderbouwd dat het Onderzoeksverslag op grond van de toepasselijke EN-ISO-normen geen foto’s hoefde te bevatten en dat [bedrijf] de foto’s onverplicht in het Onderzoeksverslag heeft opgenomen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat die foto’s niet bedoeld zijn om de resultaten van de test te verifiëren, maar als extra waarborg om aan de Politie te laten zien dat het geteste vest hoort bij de geanonimiseerde inschrijver ‘P’, te weten Mehler. Aan deze stelling van Mehler wordt dan ook voorbijgegaan.\n\n5.8.. Ten slotte heeft de Politie tegenover het betoog van Mehler dat onduidelijk is welk Sample [bedrijf] als origineel heeft gebruikt voor de vergelijking met de vijf gewassen Samples voldoende onderbouwd dat Mehler meerdere Samples heeft aangeleverd, waarvan er vijf specifiek bedoeld waren voor de wastest, en dat een Sample uit de overige niet specifiek voor de wastest door Mehler ingediende Samples is gebruikt om de gewassen Samples mee te vergelijken. Tussen partijen is niet in geschil dat alle ingediende Samples aan de Producteisen moesten voldoen, ongeacht of zij bedoeld waren voor de wastest of niet. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom de Politie als vergelijkingsvest niet een Sample mocht gebruiken dat Mehler niet specifiek voor de wastest had ingediend. Bovendien heeft Mehler nagelaten om voorafgaand aan de inschrijving vragen te stellen over het vergelijkingsvest, terwijl dit gelet op het bepaalde met betrekking tot rechtsverwerking in de paragrafen 3.2.1 en 5.2 van de Inschrijvingsleidraad wel op haar weg had gelegen. Ook dit argument kan Mehler daarom niet baten.\n\n5.9.. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat het Onderzoeksverslag gebrekkig of in strijd met de aanbestedingsstukken is en evenmin dat dit de conclusie van terzijdelegging van haar inschrijving niet kan dragen.\n\nNader onderzoek?\n\n5.10.. Mehler heeft betoogd dat het door haar aan de Politie verstrekte testrapport van WKS voor de Politie aanleiding had moeten zijn om nader onderzoek te doen naar de in het Onderzoeksverslag vermelde resultaten en de door [bedrijf] uitgevoerde wastest en daarmee naar de vraag of de terzijdelegging van de inschrijving van Mehler in stand kan blijven. Daarnaast heeft Mehler gesteld dat de Politie haar in ieder geval in de gelegenheid had moeten stellen om haar gewassen Samples, althans twee ongewassen Samples, te controleren om de uitkomst van de wastest te verifiëren of door een andere geaccrediteerde instantie te laten overdoen. Volgens Mehler zou zij aan de hand van die Samples kunnen aantonen dat haar inschrijving wel aan de Producteisen voldoet. De Politie heeft op dit punt onzorgvuldig gehandeld, te meer omdat een andere inschrijver zijn (gewassen) Samples wel heeft mogen inspecteren, aldus Mehler.\n\n5.11.. \n\nDe Politie heeft voldoende onderbouwd dat zij op basis van het door Mehler als bijlage bij haar brief van 3 maart 2026 aan de Politie verstrekte testrapport van WKS geen nader onderzoek hoefde te doen naar de uitkomst van de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.\n\nDe voorzieningenrechter acht in dit verband relevant dat de Politie erop heeft gewezen dat WKS maar één vest heeft getest, in plaats van de vijf vesten die door [bedrijf] zijn getest, zodat niet aannemelijk is dat het door WKS opgestelde rapport voldoende representatief is. Daar komt nog bij dat WKS een ander Sample heeft getest dan de Samples die Mehler bij de Politie heeft ingediend. Hoewel Mehler heeft gesteld dat het door WKS geteste Sample afkomstig is uit dezelfde batch als de Samples die [bedrijf] heeft getest, kan niet worden uitgesloten dat sprake is van verschillen die tot een afwijkend resultaat hebben geleid. Daarmee is het door WKS opgestelde testrapport niet in voldoende mate vergelijkbaar met het testrapport van [bedrijf] en alleen al daarom hoefde de Politie naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen acht te slaan op het testrapport van WKS of nader onderzoek te doen naar de door [bedrijf] uitgevoerde wastest.\n\n5.12.. Anders dan Mehler heeft gesteld valt evenmin in te zien op grond waarvan de Politie gehouden was om Mehler in de gelegenheid te stellen om gewassen en ongewassen Samples te (laten) onderzoeken, om zo de testresultaten van [bedrijf] te verifiëren en de Politie ervan te overtuigen dat de inschrijving van Mehler niet terzijde had mogen worden gelegd. De Politie heeft voldoende toegelicht dat de gewassen Samples bij de Politie moeten blijven in verband met een eventuele (interne) controle of audit, en dat het verstrekken van Samples aan Mehler hoe dan ook niet tot geldigheid van de inschrijving van Mehler kan leiden, omdat door de Politie niet kan worden gecontroleerd of Mehler daadwerkelijk de van de Politie retour ontvangen Samples laat testen en evenmin aan de hand van welke methode dat zou zijn gebeurd. Tegenover de stelling van Mehler dat een andere inschrijver wel de gelegenheid heeft gekregen om Samples te inspecteren heeft de Politie genoegzaam uiteengezet dat de betreffende inschrijver op de politielocatie gewassen Samples heeft bekeken en dat de Samples ook aan die inschrijver niet ter beschikking zijn gesteld. Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat de Politie, zoals Mehler heeft gesteld, met twee maten meet.\n\nOnderzoek naar belangenverstrengeling?\n\n5.13.. Ten slotte heeft Mehler betoogd dat [bedrijf] een structurele commerciële relatie met Sioen onderhoudt en dat zij uit de markt heeft begrepen dat Sioen haar wastesten regelmatig door [bedrijf] laat uitvoeren. Volgens Mehler heeft zij de Politie hier op gewezen, maar heeft de Politie nagelaten om nader onderzoek te doen om (de schijn van) belangenverstrengeling, vooringenomenheid of willekeur te voorkomen. Verder heeft Mehler gesteld dat zij haar twijfels heeft met betrekking tot de anonimiteit van de uitgevoerde wastest, omdat [bedrijf] gelet op haar relatie met Sioen waarschijnlijk in staat is geweest om aan de hand van de constructie, de materiaalsamenstelling en de afwerking de herkomst van het vest van Sioen vast te stellen, waardoor Sioen in deze aanbestedingsprocedure mogelijk een oneigenlijk voordeel heeft gehad.\n\n5.14.. De Politie heeft allereerst terecht naar voren gebracht dat Mehler, hoewel zij er gelet op de antwoorden op de vragen 212 en 217 in de Nota van Inlichtingen (zie hiervoor in randnummer 3.8.) mee bekend kon zijn dat [bedrijf] de wastest zou uitvoeren, dit punt pas na de inschrijvingsdatum heeft opgeworpen, zodat de Politie daarmee eerder geen rekening heeft kunnen houden. Daarnaast heeft de Politie aangevoerd dat de stelling van Mehler bovendien is gebaseerd op niet-onderbouwde vermoedens en aannames en dat Mehler daarmee geen objectieve gegevens heeft verstrekt op grond waarvan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van [bedrijf] moet worden getwijfeld. Ten slotte heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de wastest anoniem heeft plaatsgevonden door het toekennen van de letters D, H, J, O, P, Q en R aan de van de diverse inschrijvers afkomstige Samples en dat de test is verricht door een geaccrediteerd onderzoekslaboratorium, waarbij die accreditatie waarborgt dat de test onafhankelijk en onpartijdig wordt uitgevoerd.\n\n5.15.. Hiertegenover heeft Mehler niet aannemelijk gemaakt dat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [bedrijf] moest worden getwijfeld. Bij die stand van zaken bestaat voor een nader onderzoek door de Politie geen aanleiding.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.16.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Mehler worden afgewezen.\n\n5.17.. Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Mehler in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Mehler zou worden gegund, welk doel is bereikt. Mehler zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Mehler, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Politie.\n\n5.18.. De proceskosten van zowel de Politie als Sioen worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst het gevorderde af;\n\n6.2.. veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.3.. veroordeelt Mehler in de overige proceskosten van zowel de Politie als Sioen, ten behoeve van zowel de Politie als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Mehler niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Mehler € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.4.. veroordeelt Mehler in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.5.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14211","2026-05-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.714Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":53,"fullText":62,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":64},"438","ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","ecli-nl-rbdha-2026-14207","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701618 \u002F KG ZA 26-289\n\nVonnis in kort geding van 28 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nCOONEEN PROTECTION LTD., gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland),\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. E. Verweij te Amsterdam,\n\ntegen:\n\n1. POLITIE te Den Haag,\n\n2. DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Korps Politiediensten Caribisch Nederland (KPCN), Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie en Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)).\n\ngedaagden,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser, beiden te Zwolle,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nSIOEN N.V.te Ardooie (België),\n\nadvocaat mr. J.H.J. Bax te Rotterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Cooneen’, ‘de Politie’, ‘de Staat’ en ‘Sioen’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 20 maart 2026, met producties 1 tot en met 20;\n\n- een aan de Staat betekend herstelexploot van 24 april 2026, waarin de woorden ‘rechtspersoon met wettelijke taak’, die in de oorspronkelijk aan de Staat betekende dagvaarding bij de vermelding van de Staat als gedaagde waren opgenomen, zijn weggelaten;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, althans voeging van Sioen;\n\n- de schriftelijke reactie van gedaagden, met producties A tot en met C;\n\n- de door Cooneen overgelegde aanvullende producties 21 tot en met 23;\n\n- de door gedaagden overgelegde aanvullende productie D.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 7 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van Cooneen en gedaagden het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. \n\nTijdens de zitting is de datum voor het wijzen van vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst, althans voeging, en het debat over de door Cooneen overgelegde producties\n\n2.1.. Sioen heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Cooneen en gedaagden, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Cooneen en gedaagden verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Sioen is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De advocaat van Sioen heeft er bij aanvang van de mondelinge behandeling op gewezen dat Cooneen niet al haar producties met Sioen heeft gedeeld. Uit een bericht van de advocaat van Cooneen, dat op 6 mei 2026 is geüpload in het digitale dossier, blijkt dat Cooneen de producties 9 tot en met 14, 22 en 23 niet aan Sioen beschikbaar heeft gesteld. De advocaat van Sioen heeft verzocht om op die stukken te mogen reageren, voor zover deze voor het debat nodig zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Cooneen stellingen naar voren gebracht, gebaseerd op met name haar producties 10 en 23. Nadat de voorzieningenrechter partijen had meegedeeld geen acht te kunnen slaan op die producties, tenzij deze alsnog zouden worden gedeeld met Sioen, heeft Cooneen zich bereid verklaard om de producties 10 en 23 aan Sioen te verstrekken. Dat heeft Cooneen vervolgens gedaan tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling. Tijdens deze schorsing heeft Sioen deze producties bestudeerd en zij heeft daarop in haar tweede termijn gereageerd.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. Op 27 februari 2025 heeft de Politie op TenderNed een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de opdracht met de titel “Kogel- en steekwerend vest met Molle-draagsysteem (KSWV) & opschalingsmodule (OM)”, hierna ‘de opdracht’. Het KSWV, ook wel veiligheidsvest genoemd, is een essentieel onderdeel van het uniform en de verplichte uitrusting van bewapende politiemedewerkers en bestaat uit een hoes en beschermende soft ballistische inlagen. De OM is een platendrager met harde ballistische platen voor extra bescherming, die over het KSWV wordt gedragen. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een raamovereenkomst met een looptijd van zes jaar, met de optie tot verlenging (drie keer drie jaren).\n\n3.2.. De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad van 13 februari 2025, hierna ‘de Inschrijvingsleidraad’, met bijlagen. Verder heeft de Politie in de Nota van Inlichtingen d.d. 13 juni 2024-13 juni 2025, hierna ‘de Nota van Inlichtingen’, vragen van potentiële inschrijvers beantwoord.\n\n3.3.. In paragraaf 1.2 van de Inschrijvingsleidraad is vermeld dat het KSWV wordt geleverd met drie verschillende hoezen: een politieblauwe hoes met gele Huisstijlstrepen, een fluogele hoes met high-vis Huisstijlstrepen voor hoge zichtbaarheid in het verkeer en\u002Fof in het donker en een witte hoes voor onder de kleding voor verdekte activiteiten en werkzaamheden. Deze laatste hoes wordt na de gunning van de opdracht in samenspraak met de opdrachtnemer ontwikkeld.\n\n3.4.. De opdracht wordt volgens paragraaf 2 van de Inschrijvingsleidraad gegund aan de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding, met hierin opgenomen de Gunningscriteria Prijs en Kwaliteit 1 tot en met 5. De kwalitatieve gunningscriteria zijn: K1 Draagcomfort, K2 Gebruiksgemak, K3 Uiterlijk, K4 Algehele beoordeling en K5 Slijtage-simulatietest. De beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K5 wordt uitgevoerd door TNO.\n\n3.5.. In paragraaf 2.2. van de Inschrijvingsleidraad is beschreven dat de beoordeling van de inschrijvingen voor wat betreft de gunningscriteria K1 tot en met K4 plaatsvindt door middel van een gebruikerstest. Voor die gebruikerstest moesten de inschrijvers bij hun inschrijving 30 samples van het veiligheidsvest en de platendragers in de standaard dames- en herenmaten indienen (overeenkomstig paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad). Verder is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad onder meer vermeld:\n\n3.6.. In paragraaf 3.1 van de Inschrijvingsleidraad is met betrekking tot de samples voor de gebruikerstest een overzicht gegeven van de aantallen van iedere vestmaat die de inschrijver moest indienen, waarbij is vermeld “Let op: de maten hebben betrekking op de MENSmaattabel in Bijlage 15”.\n\n3.7.. In Bijlage 14 bij de Inschrijvingsleidraad (MENS-maattabellen) wordt het gebruik van de MENS-maattabellen voor het toekennen van de juiste maat vest voor de gebruikerstest nader toegelicht. Bij Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad (Tekeningen, Politiehuisstijl, logo’s en maatvoering), hierna Bijlage 15, zijn bijlagen verstrekt, waaronder bijlage 6 “Politie maattabellen KSWV”. In bijlage 6 bij Bijlage 15 zijn ten behoeve van het KSWV de MENS-maattabellen Politie normale maten, lange maten en korte maten (voor zowel mannen als vrouwen) en extra lange maten (voor mannen) opgenomen. In de tabellen zijn per confectiemaat en uitgesplitst in dames- en herenmaten afmetingen genoemd, bijvoorbeeld van de lichaamslengte, de taille-ruglengte, de bovenwijdte, de taillewijdte en de bandwijdte.\n\n3.8.. In Bijlage 1B bij de Inschrijvingsleidraad zijn de Producteisen met betrekking tot de hoezen, platendrager en transporttassen vermeld. Voor zover voor deze procedure van belang is in de producteisen 10.7 en 10.8 opgenomen dat voor de maten van het KSWV de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad vermelde MENS-maattabellen moeten worden gevolgd.\n\n3.9.. De politiemedewerkers die deelnamen aan de gebruikerstest moesten na de test de als bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad verstrekte vragenlijst invullen, met per gunningscriterium een of meer vragen, waarbij per vraag een cijfer kon worden gegeven: 0 bij Onvoldoende, 1 bij Voldoende, 2 bij Goed en 3 bij Uitstekend.\n\n3.10.. In de Nota van Inlichtingen is antwoord gegeven op een aantal vragen met betrekking tot de gebruikerstest. In 125 wordt onder meer gevraagd op basis van welke parameters wordt bepaald welke vestmaat elke agent voor de gebruikerstest krijgt. Als antwoord op die vraag is vermeld:\n\nVerder heeft de Politie in het antwoord op vraag 144 duidelijk gemaakt dat niet de door de inschrijvers voorgestelde maattabellen zullen worden gebruikt om elke proefpersoon te voorzien van een passend vest, maar dat de Politie de eigen maattabel daarvoor zal hanteren.\n\nIn het antwoord op vraag 197 heeft de Politie toegelicht dat de beoordelaars draaginstructies van de Politie krijgen en geen instructieboekje en in het antwoord op vraag 211 heeft de Politie opgenomen:\n\nTen slotte heeft de Politie in het antwoord op vraag 231 meegedeeld dat de inschrijvers geen gelegenheid krijgen om een fysieke demonstratie of uitleg te geven, maar dat zij de mogelijkheid hebben om een instructiefilmpje te uploaden waarin het aantrekken\u002Fafstellen van het veiligheidsvest kan worden getoond.\n\n3.11.. De Politie heeft een Excel-bestand aan de inschrijvers verstrekt met daarin onder meer de volgende gegevens met betrekking tot de deelnemers die voor de gebruikerstest zijn geselecteerd: het model vest (dames of heren), de bovenwijdte, de bandwijdte, de lichaamslengte, voor de dames de taillewijdte en de “Te testen maat volgens maattabel normale maat”(de door de Politie geselecteerde maat op basis van de MENS-maattabel).De laatste kolom van de tabel is niet ingevuld en daar is ruimte gelaten voor het invullen van“Maat van de Inschrijver”door de inschrijver. In een begeleidend bericht bij dit Excel-bestand heeft de Politie onder meer het volgende aan de inschrijvers meegedeeld:\n\nCooneen heeft het bedoelde Excel-bestand niet ingevuld retour gestuurd.\n\n3.12.. Cooneen heeft tijdig een inschrijving voor de opdracht ingediend. Bij brief van 25 februari 2026 heeft de Politie aan Cooneen meegedeeld dat de inschrijving van Cooneen als tweede is geëindigd, dat de opdracht niet aan Cooneen zal worden gegund en dat de Politie voornemens is de opdracht te gunnen aan Sioen (hierna ‘de gunningsbeslissing’).\n\n3.13.. In de gunningsbeslissing is de volgende tabel opgenomen met een overzicht van de scores van Cooneen en Sioen op de verschillende gunningscriteria:\n\nDaarnaast is in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing (“Motivering kwalitatieve Gunningscriteria”) een toelichting gegeven op de scores met betrekking tot de kwalitatieve gunningscriteria K1 tot en met K4. In die toelichting is beschreven dat de beoordelaars met betrekking tot het draagcomfort (K1) hebben opgemerkt dat het vest van Cooneen omhoog kruipt, dat de buikband aan de korte kant is en dat het vest als ‘te klein’ voelt, zodat de beoordelaars zich te veel onbeschermd voelden. Met betrekking tot het gebruiksgemak (K2) hebben de beoordelaars over het vest van Cooneen opgemerkt dat het Molle-draagsysteem veel te gemakkelijk door derden kan worden losgetrokken, dat het volledig los van het vest kan worden gehaald, waardoor het risico bestaat dat een gebruiker na het opschalen vergeet om het losse Molle-systeem terug op de opschalingsmodule te plaatsen, wat een veiligheidsrisico inhoudt, dat de zakken te klein zijn en dat het klittenband te snel loslaat. Uit de toelichting volgt daarnaast dat de beoordelaars met betrekking tot het uiterlijk van het vest van Cooneen (K3) hebben geoordeeld dat het vest er vrij klein uit ziet, dat het een beetje te goedkoop oogt, dat het te weinig daadkracht uitstraalt en dat het fluogele vest te veel zwarte vlakken heeft. In het kader van gunningscriterium K4 (Algemene beoordeling) is door de beoordelaars opgemerkt dat het vest van Cooneen te kort is, dat de zakken te klein zijn, dat de buikbanden te kort en te smal zijn en dat het Molle-draagsysteem (met klittenband) te gemakkelijk loslaat. Ten slotte zijn in de toelichting op de scores de relatieve voordelen van het vest van Sioen beschreven.\n\n3.14.. Door middel van een bericht in Mercell van 6 maart 2026 heeft Cooneen aan de Politie om aanvullende informatie met betrekking tot de totstandkoming van de scores gevraagd. Daarbij heeft Cooneen kenbaar gemaakt te willen vernemen welk sample met welke maat door welke beoordelaar is gebruikt, hoe is beoordeeld of de aan de beoordelaars toegewezen maten van samples voldoende passen om een goede beoordeling te doen en of en hoeveel beoordelingen van beoordelaars buiten beschouwing zijn gelaten vanwege het onvoldoende passen van de maat. Verder heeft Cooneen verzocht om een overzicht van de individuele scores van de beoordelaars per kwaliteitscriterium en om een motivering van de score van Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5( Slijtage-simulatietest).\n\n3.15.. In reactie op het in 3.14. bedoelde bericht van Cooneen heeft de Politie op 10 maart 2026 (samengevat) aan Cooneen meegedeeld dat de beoordelaars de toegewezen maten van de samples van Cooneen daadwerkelijk hebben getest, dat slechts één beoordelaar in aanmerking kwam voor een andere maat, omdat hij in de periode tussen het aanmeten en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, en dat zijn beoordeling daardoor niet is meegenomen in de totaalbeoordeling. Verder heeft de Politie toegelicht dat de toegewezen maten van de samples op de testdag door een kledingdeskundige aan de hand van de door Cooneen ingediende handleiding maatvoering en instructievideo zijn gecontroleerd en dat bij twijfel een beoordeling is gedaan door een tweede kledingdeskundige. Ten slotte heeft de Politie aan Cooneen laten weten dat niet alle individuele scores zullen worden verstrekt. Volgens de Politie gaat de informatieverplichting van de Politie niet zo ver dat Cooneen in staat moet worden gesteld om de beoordeling volledig over te kunnen doen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat Cooneen op K5 een veel hogere score heeft behaald dan Sioen, zodat er geen sprake is van een relatief voordeel van de winnaar en er daarom ook geen aanleiding bestaat om de motivering van de score van Sioen aan Cooneen te verstrekken.\n\n3.16.. De advocaat van Cooneen heeft bij brief van 11 maart 2026 gereageerd op het bericht van de Politie van 10 maart 2026 en hij heeft daarbij aan de Politie gevraagd om te bevestigen dat de Politie de beoordeling van het toewijzen van maten in alle gevallen heeft verricht in overeenstemming met de documenten uit de inschrijving van Cooneen. Verder is in die brief gevraagd om de score met betrekking tot het uiterlijk van het fluogele vest te corrigeren, omdat het vest van Cooneen voldoet aan de gestelde eisen, en om een toelichting te geven op de score van Sioen op gunningscriterium K5.\n\n3.17.. In een brief van 17 maart 2026 heeft de Politie voor zover hier van belang en samengevat aan de advocaat van Cooneen meegedeeld dat Cooneen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om voorafgaand aan de gebruikerstest op basis van de door de Politie verstrekte lichaamsmaten van de beoordelaars de juiste maat van het KSWV aan de Politie door te geven en dat de toewijzing en controle van de maten geheel conform de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot dit laatste aspect heeft de Politie gemotiveerd toegelicht dat de toewijzing van de maten is gebaseerd op de MENS-maattabellen en dat aan de hand van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijvers, in voorkomende gevallen ondersteund door instructievideos, is gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Verder heeft de Politie een toelichting gegeven op de score van Cooneen met betrekking tot gunningscriterium K3 en is opnieuw meegedeeld dat de Politie niet verplicht is om een motivering van de score van Sioen op gunningscriterium K5 aan Cooneen te verstrekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Cooneen vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van de eis ter zitting – primairgedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin de aan Cooneen toegekende scores op de gunningscriteria K1 tot en met K4 zijn gecorrigeerd door de beoordeling van de in randnummer 2.21 van de pleitaantekeningen van Cooneen genoemde beoordelaars buiten beschouwing te laten, en om in die aangepaste voorlopige gunningsbeslissing een deugdelijke toelichting te geven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score. Subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, een herbeoordeling van de inschrijving van Cooneen, althans van alle ontvangen geldige inschrijvingen, uit te laten voeren op de gunningscriteria K1 tot en met K4 en vervolgens een aangepaste voorlopige gunningsbeslissing te communiceren, waarin tevens een deugdelijke toelichting wordt gegeven op de met betrekking tot gunningscriterium K5 toegekende score.Meer subsidiairvordert Cooneen gedaagden te gebieden om de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken en, als zij de opdracht nog willen gunnen, tot heraanbesteding over te gaan, althans een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen, een en ander met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n\nDaartoe stelt Cooneen – kort samengevat – het volgende. De door Cooneen aangeleverde samples zijn niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze beoordeeld.\n\nVerder heeft de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2, K3 en K4 niet op de juiste wijze en in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden en heeft de Politie deze gunningscriteria niet voldoende duidelijk en transparant in de aanbestedingsstukken bekend gemaakt. Ten slotte weigert de Politie ten onrechte om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Gelet op al het voorgaande moet de Politie de gunningsbeslissing intrekken en de scores van Cooneen corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen\u002Falle inschrijvingen opnieuw beoordelen, althans de opdracht opnieuw aanbesteden.\n\n4.3.. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van gedaagden zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. Sioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Cooneen, althans tot afwijzing van de vorderingen van Cooneen. Ook het verweer van Sioen zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. Verder vordert Sioen (1) Cooneen te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Politie een overeenkomst met Sioen sluit, althans de opdracht definitief aan Sioen gunt, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, en (2) de Politie te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief aan Sioen te gunnen, een en ander voor zover de Politie nog een overeenkomst wenst te sluiten, met veroordeling van Cooneen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen de wettelijke rente, en met compensatie van proceskosten in de relatie tussen Sioen en de Politie.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt Sioen daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Cooneen, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van Cooneen en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Sioen hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOntvankelijkheid\n\n5.1.. De Staat heeft aangevoerd dat de Politie de aanbesteding heeft georganiseerd en dat de Staat geen deelnemer aan de aanbesteding is. Daarbij heeft de Staat er op gewezen dat hij de Politie een volmacht heeft gegeven om de aanbestedingsprocedure uit te voeren en de raamovereenkomst te sluiten en dat de Politie de opdrachtgever is met betrekking tot de onderhavige aanbesteding. De Staat heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar de aankondiging van de opdracht, waarin alleen de Politie is vermeld als “Koper”, en naar de alleen namens de Politie verstuurde voorlopige gunningsbeslissing. Cooneen heeft zich met betrekking tot dit verweer van de Staat gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat voldoende onderbouwd dat niet hij de aanbestedende dienst is die bij toewijzing van de vorderingen van Cooneen gehouden is om de gunningsbeslissing in te trekken en tot herbeoordeling, dan wel heraanbesteding van de opdracht over te gaan, maar dat dat de Politie is. Dit betekent dat Cooneen niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, voor zover die zijn gericht tegen de Staat.\n\n5.3.. Hierna zal worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om de Politie te verplichten om de gunningsbeslissing in te trekken, om de aan Cooneen toegekende score op de gunningscriteria K1 tot en met K4 te corrigeren, althans de inschrijving van Cooneen opnieuw te beoordelen, althans de opdracht opnieuw aan te besteden. Daartoe zullen de door Cooneen naar voren gebrachte bezwaren achtereenvolgens worden besproken.\n\nDe uitgevoerde gebruikerstest (K1 tot en met K4)\n\n5.4.. Cooneen heeft gesteld dat de door haar aangeleverde samples niet op de in de aanbestedingsstukken vermelde wijze zijn beoordeeld, zodat die beoordeling ondeugdelijk is geweest. Daarbij heeft Cooneen betoogd dat de Politie heeft nagelaten om de door Cooneen verstrekte gedetailleerde informatie en instructies over de juiste toedeling van de maten van haar vesten bij de beoordeling van de samples te betrekken. Volgens Cooneen komt daar nog bij dat de Politie slechts in één geval een beoordeling buiten beschouwing heeft gelaten omdat het toegewezen vest onvoldoende paste, zodat onduidelijk is hoe de Politie in de overige gevallen heeft beoordeeld of het vest voldoende paste.\n\n5.5.. Op grond van het bepaalde in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad moesten inschrijvers ten behoeve van de gebruikerstest samples van het KSWV indienen met maten overeenkomstig de in paragraaf 3.1 vermelde informatie, waarbij er uitdrukkelijk op is gewezen dat die maten betrekking hebben op de MENS-maattabellen van Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad. In die MENS-maattabellen heeft de Politie informatie gegeven over de afmetingen van de in te dienen samples. Ook in de Producteisen 10.7 en 10.8 in Bijlage IB bij de Inschrijvingsleidraad en in de antwoorden op de vragen 125, 144 en 211 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie tot uitdrukking gebracht dat de MENS-maattabellen bepalend zijn voor de toewijzing van de maten van het KSWV. In het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen heeft de Politie daarnaast uiteengezet dat na toewijzing van de maten aan de hand van de MENS-maattabellen op basis van de handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat van de inschrijver wordt gecontroleerd of de toegewezen maat voldoende past. Daaruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op ondubbelzinnige wijze dat de toewijzing van de maten van het KSWV voor de gebruikerstest plaatsvond aan de hand van de MENS-maattabellen en dat vervolgens aan de hand van de door de inschrijver verstrekte handleiding werd gecontroleerd of de toegewezen maat ook passend was. Voor de situatie dat uit de controle bleek dat de toegewezen maat van het vest niet passend was, is in paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad vermeld dat de beoordeling van de betreffende deelnemer aan de test dan niet mee zou tellen.\n\n5.6.. Voorafgaand aan de gebruikerstest heeft de Politie de afmetingen van de deelnemers aan de gebruikerstest aan de inschrijvers bekend gemaakt (zie hiervoor in 3.11.) en de inschrijvers in de gelegenheid gesteld om desgewenst andere vestmaten door te geven voor specifieke beoordelaars. Vast staat dat Cooneen van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.\n\n5.7.. De Politie heeft genoegzaam toegelicht dat bij de gebruikerstest van de door Cooneen verstrekte samples op basis van de door Cooneen verstrekte handleiding met betrekking tot de maatvoering en instructievideo is geconcludeerd dat alle beoordelaars de juiste maat toegewezen hadden gekregen, op een beoordelaar na, die in de periode tussen de toewijzing van de maat en de gebruikerstest dertig kilo was afgevallen, waarna die beoordeling buiten beschouwing is gelaten.\n\n5.8.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de gebruikerstest met betrekking tot de door Cooneen aangeleverde samples heeft plaatsgevonden overeenkomstig de aanbestedingsstukken: de Politie heeft aan de hand van de MENS-maattabellen aan de deelnemers aan de gebruikerstest een maat van het KSWV toegewezen (overeenkomstig (de bijlagen bij) de Inschrijvingsleidraad en de Nota van Inlichtingen) en heeft vervolgens aan de hand van de door Cooneen verstrekte handleiding over aanmeten en controleren van de juiste maat (en instructievideo) gecontroleerd of die maat voldoende wassend pas (overeenkomstig onder meer paragraaf 2.2 van de Inschrijvingsleidraad en het antwoord op vraag 125 in de Nota van Inlichtingen). Hiertegenover heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat de Politie nog andere door Cooneen verstrekte informatie bij de gebruikerstest had moeten betrekken, dat haar samples anderszins ondeugdelijk en in strijd met de aanbestedingsstukken zijn beoordeeld of dat de Politie onduidelijkheid heeft laten bestaan met betrekking tot de wijze waarop de samples zijn beoordeeld. Daarmee heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat intrekking van de gunningsbeslissing gerechtvaardigd is.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriterium K3\n\n5.9.. Cooneen heeft gesteld dat de beoordeling met betrekking tot gunningscriterium K3 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Volgens Cooneen is het oordeel van enkele beoordelaars dat het door Cooneen aangeleverde fluogele vest te veel zwarte vlakken bevat niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken. Daarbij heeft Cooneen uiteengezet dat de Politie nergens in de aanbestedingsstukken heeft beschreven dat het fluogele vest zo min mogelijk zwarte vlakken moest bevatten. Verder heeft Cooneen benadrukt dat haar fluogele vest voldoet aan de door de Politie voorgeschreven specificaties voor de onderdelen van het vest die fluogeel moesten zijn en voor de onderdelen van het vest die zwart mochten zijn.\n\n5.10.. De Politie heeft aangevoerd dat gunningscriterium K3 uitsluitend betrekking heeft op het uiterlijk van het KSWV en dat de deelnemers aan de gebruikerstest niet hoefden te beoordelen of het vest voldeed aan de gestelde eisen. Daarbij heeft de Politie toegelicht dat een aantal deelnemers aan de gebruikerstest het fluogele vest van Cooneen als minder mooi heeft beoordeeld vanwege de zwarte vlakken op het vest. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat dit subjectieve oordeel met betrekking tot het uiterlijk van het vest onverlet laat dat het vest overigens voldoet aan de door de Politie gestelde minimumeisen. Verder heeft de Politie voldoende onderbouwd dat in de aanbestedingsstukken duidelijk is gemaakt dat het KSWV op het uiterlijk zou worden beoordeeld, dat Cooneen daarover geen vragen heeft gesteld en dat zij door haar inschrijving met de bekendgemaakte beoordelingssystematiek heeft ingestemd. Dat de deelnemers aan de gebruikerstest een oordeel hebben gegeven over het uiterlijk van het vest van Cooneen, inhoudende dat zij de zwarte vlakken minder mooi worden, is daarmee in lijn met de vooraf bekend gemaakte beoordelingssystematiek en niet onredelijk. Voor zover Cooneen zich heeft beroepen op de in Bijlage 15 bij de Inschrijvingsleidraad weergegeven afbeelding met specificaties van de fluogele hoes, volgens Cooneen inclusief de voorgeschreven zwarte vlakken, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie hiertegenover voldoende heeft onderbouwd dat de op die afbeelding zichtbare donkere kleur op het vest niet betekent dat het vest op die plek zwart moet zijn, maar dat die donkere kleur correspondeert met een legenda, waarmee de “Ruimte voor Molle (bovenzijde) en Molle-draagsysteem (onderzijde)”wordt aangegeven.\n\n5.11.. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft Cooneen niet aannemelijk gemaakt dat het uiterlijk van haar vest onjuist en in strijd met de aanbestedingsstukken is beoordeeld. Voor intrekking van de gunningsbeslissing op die grond bestaat dan ook geen aanleiding.\n\nDe score van Cooneen op gunningscriteria K2 en K4\n\n5.12.. Ook de beoordeling met betrekking tot de gunningscriteria K2 en K4 heeft volgens Cooneen niet in overeenstemming met de aanbestedingsstukken plaatsgevonden. Cooneen heeft in dit verband gesteld dat de Politie niet duidelijk en op een transparante manier in de aanbestedingsstukken bekend heeft gemaakt dat het niet wenselijk is dat het Molle-draagsysteem volledig kan worden losgekoppeld van het vest. Het door Cooneen aangeboden Molle-draagsysteem voldoet aan de door de Politie gestelde eisen en specificaties en de in de gunningsbeslissing gegeven motivering ziet niet op de kwaliteit van het door Cooneen aangeboden vest, maar op de wijze waarop sommige gebruikers met het vest omgaan, aldus Cooneen.\n\n5.13.. De Politie heeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op gewezen dat in Bijlage 7 bij de Inschrijvingsleidraad, met daarin de vragen die de deelnemers aan de gebruikerstest moesten beantwoorden, vragen zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van de draagmiddelen aan het vest, de mate waarin de beoordelaar zich beschermd voelde door het betreffende vest en de wijze waarop het geheel van het vest en de OM werd beoordeeld. Daarbij heeft de Politie voldoende onderbouwd dat de deelnemers aan de gebruikerstest in het kader van die vragen in hun oordeel met betrekking tot het gebruik van het KSWV konden meewegen dat de draagmiddelen en het Molle-draagsysteem te gemakkelijk los kwamen en dat zij zich daardoor onvoldoende beschermd voelden. Hiertegenover heeft Cooneen niet concreet gemaakt dat de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 in afwijking van de aanbestedingsstukken heeft plaatsgevonden. Voor zover Cooneen heeft betoogd dat de Politie heeft nagelaten om specifieke eisen te stellen aan de bevestiging van het Molle-draagsysteem aan het vest, overweegt de voorzieningenrechter dat de Politie in dit verband voldoende heeft toegelicht dat het niet de taak van de Politie is om uitdrukkelijk voor te schrijven hoe een inschrijver de maximale score op de gunningscriteria kan behalen, maar dat het de inschrijver is die inventief moet inschrijven en inzicht moet tonen in de aard van de opdracht en de strekking van de gunningscriteria.\n\n5.14.. Het voorgaande betekent dat ook de beoordeling van de gunningscriteria K2 en K4 geen aanleiding geeft voor intrekking van de gunningsbeslissing.\n\nDe motivering met betrekking tot gunningscriterium K5\n\n5.15.. Cooneen heeft ten slotte gesteld dat de Politie ten onrechte weigert om een toelichting te geven op de score die Sioen met betrekking tot gunningscriterium K5 heeft behaald. Volgens Cooneen heeft zij die toelichting nodig om de score van Sioen en daarmee de uitkomst van de aanbestedingsprocedure te kunnen verifiëren.\n\n5.16.. Op grond van vaste jurisprudentie moet de motivering van de gunningsbeslissing alle relevante redenen voor die beslissing bevatten. Hieronder vallen in ieder geval de kenmerken en voordelen van de winnende inschrijver. De achtergrond van die verplichting is dat een afgewezen inschrijver in staat moet worden gesteld om na te gaan om welke redenen zij niet en de winnende inschrijver wel is uitgekozen. Die motivering is echter niet bedoeld om het voor de afgewezen inschrijver mogelijk te maken om te controleren of de beoordeling op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, zoals Cooneen met haar vordering op dit punt beoogt. Vast staat dat de Politie in de gunningsbeslissing heeft meegedeeld dat Cooneen op gunningscriterium K5 de maximale score van 9 punten heeft behaald en Sioen een score van 2,81 punten. Verder staat vast dat de Politie met betrekking tot de gunningscriteria K1 tot en met K4, waarop Sioen hoger heeft gescoord dan Cooneen, in Bijlage 1 bij de gunningsbeslissing een toelichting heeft gegeven op de beoordeling van zowel het vest van Cooneen als dat van Sioen, waarbij de Politie de relatieve voordelen van het door Sioen aangeboden vest heeft beschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Cooneen daarmee in voldoende mate heeft kunnen nagaan waarom de gunningsbeslissing in het voordeel van Sioen is uitgevallen. Anders dan Cooneen heeft gesteld gaat de motiveringsplicht van de Politie niet zo ver dat ook een toelichting moet worden gegeven met betrekking tot de onderdelen waarop Sioen lager heeft gescoord dan Cooneen, zoals gunningscriterium K5, wanneer er zoals hier geen enkele concrete aanleiding bestaat om aan te kunnen nemen dat er bij die beoordeling een fout is gemaakt. Ook de daartoe strekkende vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten5.17.. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Cooneen worden afgewezen.\n\n5.18.. Nu de Politie voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Sioen, brengt voormelde beslissing mee dat Sioen geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Sioen zal worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Cooneen in haar verhouding tot Sioen worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Sioen was immers te voorkomen dat de opdracht aan Cooneen zou worden gegund, welk doel is bereikt. Cooneen zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Sioen. Verder zal Cooneen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagden.\n\n5.19.. De proceskosten van zowel gedaagden als Sioen worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.20.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. verklaart Cooneen niet-ontvankelijk in haar vorderingen, voor zover deze zijn gericht tegen de Staat;\n\n6.2.. wijst de tegen de Politie gerichte vorderingen af;\n\n6.3.. veroordeelt Sioen voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen tegen de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.4.. veroordeelt Cooneen in de overige proceskosten van zowel gedaagden als Sioen, ten behoeve van zowel gedaagden als Sioen begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Cooneen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Cooneen € 98,-- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt Cooneen in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14207","2026-07-13T00:28:30.141Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":39,"updatedAt":73},"442","ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","ecli-nl-rbdha-2026-14752","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701649 \u002F KG ZA 26-291\n\nVonnis in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1],\n\neiseres,\n\nadvocaten: mr. J.H.J. Bax en mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,\n\ntegen:\n\nVeiligheidsregio Limburg-Noordte Venlo,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten: mr. drs. M.G.G. van Nisselroij en mr. E.L.B. Geraedts,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\n [belanghebbende] B.V.te [vestigingsplaats 2],\n\nadvocaten: mrs. N.A.D. Groot en E.H. van der Kwast.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’, ‘de Veiligheidsregio’ en ‘[belanghebbende]’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;\n\n- de door de Veiligheidsregio overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 en 2;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging met producties 1 tot en met 3;\n\n- de op 12 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst dan wel voeging\n\n2.1.. \n [belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Veiligheidsregio, dan wel zich in de hoofdzaak te mogen voegen aan de zijde van de Veiligheidsregio. Ter zitting hebben [eiseres] en de Veiligheidsregio verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [belanghebbende] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. De Veiligheidsregio heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het verlenen van een opdracht voor het leveren van bluskleding en\u002Fof blushandschoenen en THV-handschoenen. De opdracht is verdeeld in twee percelen. Dit kort geding heeft betrekking op perceel 1 betreffende de levering van bluskleding.\n\n3.2.. Uit het Beschrijvend Document (hierna: BD) blijkt dat de procedure tot gunning van perceel 1 bestaat uit twee hoofdonderdelen als volgt:\n\n“8 Gunningscriteria en beoordeling\n\n(…)\n\n1) COMFORTTEST\n\nDoor iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige standaardmaatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wel in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt niet voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken etc. Maar dus wél voor uitvoering, pasvorm, padding, spacing etc.. De pakken worden na afloop schoon geretourneerd, en er vindt géén vergoeding plaats. Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nDe eerste stap van de gunning betreft een comforttest. Doel is om de pasvorm, draagcomfort en bewegingsvrijheid te beoordelen, zonder afleiding van niet-relevante technische details. (…) Uitkomst van deze test is dat de 3 hoogst scorende leveranciers worden uitgenodigd voor een vervolgtest. De overige aanbieders vallen af. In de comforttest wordt door een beoordelingsgroep van 10 gebruikers punten gegeven voor de volgende onderdelen:\n\n1) omhangen ademluchttoestel\n\n2) ladder klimmen\n\n3) over een hek klimmen\n\n4) kruipen\n\n5) stoten bal\n\n6) reanimatie\n\n(…)\n\n2) GUNNINGSPROCEDURE\n\nDe gunningscriteria bestaan uit drie criteria op het gebied van kwaliteit en prijs. De kwalitatieve criteria en de prijscriteria worden verschillend gewaardeerd. (…)\n\nDe gunningscriteria zijn opgenomen in de onderstaande tabel:\n\n(…)8.1. Gunningscriterium G1: praktijktest op de PPMO-baan (bluspak)\n\n(…) Door iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige maatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wél in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt dus óók voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken, padding, spacing etc. (…) Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nHet pak dat is beoordeeld in de comforttest wordt door 10 Testpersonen beoordeeld op de volgende onderdelen (…):\n\n1) Aan -en uittrekken bluspak 0,6 punten\n\n2) Openen\u002Fafsluiten ritsen 0,6 punten\n\n3) In -en uitstappen 0,6 punten\n\n4) Brandweerslang oprollen met ademlucht 0,6 punten\n\n5) Stand & reach 0,6 punten\n\n6) Sit and reach 0,6 punten\n\n7) Armen en rug strekken 0,6 punten\n\nTotaal 4,2 punt (per beoordelaar)\n\n(…)”\n\n3.3.. Bijlage 10 bij het BD bevat het Programma van Eisen (PvE), waarin onder meer specifieke eisen voor de bluskleding en leveringseisen zijn opgenomen.\n\n3.4.. Na publicatie van het BD zijn er twee nota’s van inlichtingen (NvI) gepubliceerd. Hierin zijn diverse eisen aangepast. De aanlevertermijn voor de pakken is verschoven van 17 december 2025 naar 8 januari 2026. Naar aanleiding van de gestelde vragen zijn op onderdelen verduidelijkingen gegeven en wijzigingen doorgevoerd, onder meer als volgt:\n\n- Het antwoord op vraag 4 (NvI 1) over de proefpakken voor de comforttest en voor de praktijktest op de PPMO-baan (hierna: de praktijktest) luidt:\n\n“1) inschrijvers dienen maximaal 10 testpersonen te voorzien van een pak. De maatvoering van de testpersonen wordt u vooraf aangereikt in deze Nota (zie ook meegepubliceerd document). Inschrijvers mogen aanwezig zijn bij het aanmeten van het pak dus is het wel zaak dat er voldoende pakken beschikbaar zijn. Het aantal benodigde pakken wordt overgelaten aan de inschrijver. Er dient 1 type pak te worden te worden aangeleverd i.p.v. de eerder genoemde 2. Het proefpak hoeft niet voorzien te worden van alle technische details zoals portofoonlus, klittenband, badge, ophanglussen etc. omdat er geen extra pak hoeft te worden gemaakt voor de praktijkdag wordt de vergoeding geschrapt.\n\n2) de inlevertermijn voor de proefpakken is uiterlijk 8 januari 2026, bij de start van de test. de gegevens van de testdag volgt na de inschrijfdatum (17 december). 3) de comforttest en praktijktest (inclusief handschoenen) vindt plaats op 8 & 9 januari 2026.”\n\n- Het antwoord op vraag 29 (NvI 1) over de maten van de proefpakken luidt:\n\n“De maatvoering wordt overgelaten aan de inschrijver, we spreken inderdaad over een UNI-sex pak.”\n\n- In het antwoord op vraag 45 (NvI 1) zijn vragen beantwoord over de eisen die worden gesteld aan de vijf aan te leveren pakken. Daarbij is aangegeven dat de op 8 en 9 januari 2026 te testen bluspakken niet langer hoeven te voldoen aan 13 van de in het PvE genoemde technische eisen, zoals labels, striping, badges, lussen en bevestigingsmogelijkheden.\n\n- Het antwoord op vraag 52 over de aan te leveren pakken luidt:\n\n“1) we geven de maten van de proefpersonen door, op basis van de huidige kleding. Daar waar er iemand onverhoopt toch niet kan deelnemen zorgt VRLN voor een vervanger met dezelfde maat.\n\n2) alle proefkleding moet nieuw zijn en minimaal 5x gewassen voorafgaande aan de testen, gebruikte pakken zijn derhalve niet toegestaan.\n\n3) de pakken hoeven niet voorzien te zijn van striping conform huisstijl.”\n\n- In antwoord op vraag 85 (NvI 2) over de maattabellen van de huidige pakken heeft de Veiligheidsregio bij NvI 2 een maatvoeringstabel gepubliceerd, alsmede de meest actuele maattabel van de testpersonen. Daarbij heeft zij correcties doorgevoerd en twee reservepersonen toegevoegd. In deze meest actuele maattabel van de testpersonen zijn de maten aangegeven met S, M, L, EL en EEL met bij sommige personen de toevoeging: -5 of +5.\n\n- De Veiligheidsregio heeft inschrijvers in de gelegenheid gesteld de huidige pakken te komen opmeten bij de Brandweer in Roermond. De Veiligheidsregio heeft (in antwoord op vraag 89) aangegeven geen maattabel te zullen publiceren waarin de specifieke maatvoering (afmetingen) zijn opgenomen.\n\n3.5.. In paragraaf 3.16.2 van het BD is het volgende opgenomen over de klachtenprocedure:\n\nIn het kader van het flankerend beleid bij de Aanbestedingswet heeft het Ministerie van Economische\n\nZaken en Klimaat de ‘Handreiking Klachtenafhandeling januari 2022’ opgesteld. Deze handreiking\n\nbiedt ondernemers en aanbestedende diensten een laagdrempelig instrument voor het oplossen van\n\ngeschillen met betrekking tot aanbestedingsprocedures waarop de Aanbestedingswet van toepassing\n\nis.\n\nOnder een klacht wordt verstaan “een tijdige en gemotiveerde uiting van ontevredenheid met een\n\ncorrigerend of afwijzend karakter inzake onderhavige aanbesteding of een onderdeel daarvan”.\n\nInschrijver behoort een vraag of opmerking in eerste instantie te stellen via de procedure van de nota\n\nvan inlichtingen. Indien een inschrijver van mening is dat opdrachtgever een vraag ten behoeve van\n\nde nota van inlichtingen niet naar behoren afhandelt, kan zij hierover een klacht indienen. Ook indien\n\nInschrijver na de procedure van de nota van inlichtingen van mening is dat opdrachtgever een beslissing neemt waarmee inschrijver zich niet kan verenigen heeft inschrijver de mogelijkheid tot het indienen van een klacht.\n\nDe aanbestedende dienst maakt ter uitvoering van de klachtenafhandeling bij aanbesteden als onderdeel van de Aanbestedingswet 2012 gebruik van haar eigen klachtenmeldpunt. Een ondernemer die een klacht wil indienen kan de klachtenregeling downloaden en vult het klachtenformulier in. De bijlagen zijn te downloaden via: Inkoopcentrum Zuid\n\nHet indienen van een klacht bij VRLN of de Commissie van Aanbestedingsexperts schort de aanbestedingsprocedure niet automatisch op. VRLN is vrij om te besluiten of zij naar aanleiding van de klacht de aanbestedingsprocedure al dan niet opschort. Indien een Ondernemer zowel een klacht\n\nheeft ingediend als een gerechtelijke procedure is gestart dan wordt de behandeling van de klacht\n\nopgeschort tot na de uitspraak van de rechter.”\n\n3.6.. Op 8 januari 2026 heeft de comforttest plaatsgevonden. Alle drie de inschrijvers, waaronder [eiseres] en [belanghebbende], zijn na de comforttest doorgegaan naar de gunningsprocedure, waarvan de praktijktest een onderdeel was. Die test heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026.\n\n3.7.. De Veiligheidsregio heeft bij brief van 21 januari 2026 (hierna: de gunningsbeslissing) aan [eiseres] bericht dat haar inschrijving niet is beoordeeld als de hoogst scorende en dat [belanghebbende] de inschrijver is met de hoogste score. Uit de bijlage bij deze brief blijkt dat [eiseres] 31,2 punten heeft behaald voor de praktijktest en [belanghebbende] 34,2 punten. Verder blijkt uit dit formulier het door [eiseres] behaalde aantal punten voor gunningscriterium 2 (Onderhouds en levensduurstrategie) en voor de prijs van het bluspak, alsmede het door [belanghebbende] en [eiseres] behaalde eindtotaal van respectievelijk 86,6 en 76,7 punten.\n\n3.8.. In de bijlage bij de gunningsbeslissing is\u002Fzijn:\n\n- de opmerkingen vermeld die de testers op de eerste en de tweede testdag hebben gemaakt, zijnde een persoonlijke interpretatie, te weten:\n\n“*) stug pak, redelijk dik (2x genoemd)\n\n*) fijne band onderzijde jas\n\n*)fijne schouderband, goed afstelbaar (2x genoemd)\n\n*) prettige kniestukken (2x genoemd)\n\n*) jas zit fijn, kruipt niet omhoog\n\n*) beweeglijk\n\n*) broek komt niet omhoog\n\n*) schouderstuk houdt goed op de plek\n\n*) comfortabel pak, zeer warm (3x genoemd)\n\n*) omhangen ademlucht ging stroef door antislip schouderstuk\n\n*) knelt in de knieën\n\n*) jas blijft goed zitten bij reanimatie\n\n*) kniepadding is smal\n\n*) kniepadding is dun”\n\n- bij gunningscriterium 2 opgemerkt dat het plan waarin de onderhouds- en levensduurstrategie is beschreven als voldoende wordt aangemerkt en daarmee een 6 scoort, wat inhoudt dat de aanbieder zich voldoende onderscheidt ten opzichte van alternatieve inschrijvingen. Daaronder staan enkele punten opgesomd die zijn opgemerkt door de projectgroep, te weten:\n\n“-) Het is niet helder welke KPI's er gehanteerd moeten worden er staan wel voorbeelden in de tabel op pagina 7 maar er staat niet wat [eiseres] aanbeveelt.\n\n-) we lezen niet dat de kledingleverancier samen met zeepleverancier en apparatuurleverancier samen een bindende instructie opstelt. De kledingleverancier is hier volgens ons leidend in.\n\n-) een concrete beschrijving van het onderdeel frequentie en planning ontbreekt\n\n-) duidelijke taakverdeling bij predictief ontbreekt.\n\n-) Niet duidelijk of onze eigen naaister mag repareren. De bewijslast van haar kennis en kunde ligt bij VRLN.\n\n-) jaarlijks \"grondige reiniging\" verplicht, en wat houdt dit dan precies in?\n\n-) niet helder of er separate documentatie beschikbaar is, wat er nu staat is enkel gebaseerd op kledinglabel en gebruikshandleiding.\n\n-) kwetsbare punten kleding zijn niet benoemd.”\n\n- en enkele relevante verschillen met de winnende inschrijving, te weten:\n\n“*) Sterke inzet op behoud EN 469 eisen waarbij [belanghebbende] een voortrekkersrol pakt.\n\n*) [belanghebbende] neemt de verantwoordelijkheid om te blijven voldoen aan de EN469.\n\n*) Kruiscertificatie wordt duidelijk beschreven. Herbruikbaarheid van de reeds bestaande kledij wordt vastgesteld en indien mogelijk in de nieuwe kleding verwerkt.\n\n*) aantoonbare toepassing l502361 6 werkwijze.\n\n*) duidelijke rolverdeling in stappen mbt gebruik, controle en herstel (gebruiker, getraind persoon, geïnstrueerd hersteller, fabrikant)\n\n*) biedt een registratiesysteem aan.”\n\nIn zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat kan worden gesteld dat [belanghebbende] met haar plan op 11 pagina's een compact, gedegen, op maat gemaakt en geconcretiseerd, stuk heeft geschreven.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft op 6 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing. De Veiligheidsregio heeft daar op 2 maart 2026 op gereageerd en concluderend aangegeven geen reden te zien om de gunningsbeslissing in te trekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de gunningsbeslissing een overeenkomst met [belanghebbende] te sluiten, en de Veiligheidsregio te gebieden de gunningsbeslissing uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, in te trekken en ingetrokken te houden en dat aan alle bij de aanbesteding betrokken ondernemers kenbaar te maken; en\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de aanbesteding een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) te gunnen en de Veiligheidsregio te gebieden om de aanbestedingsprocedure voor perceel 1 in te trekken en ingetrokken te houden en het daartoe bedoelde intrekkingsbericht uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, aan alle bij de aanbesteding betrokken inschrijvers bekend te maken; en\n\nals de Veiligheidsregio nog een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) wenst te gunnen, de Veiligheidsregio te gebieden om dat niet anders te doen dan door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure, waarbij de Veiligheidsregio in ieder geval [eiseres] in de gelegenheid stelt om opnieuw een inschrijving in te dienen;\n\nmet veroordeling van de Veiligheidsregio in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals in de dagvaarding vermeld.\n\n4.2.. Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] heeft een zestal bezwaren tegen het verloop van de aanbestedingsprocedure. Deze komen in de kern op het volgende neer. In de eerste plaats was er om meerdere redenen sprake van een ongelijk speelveld bij het voorbereiden van de pakken voor de testen. Verder was de comforttest niet geschikt om het comfort te testen. De gehanteerde systematiek leidt namelijk niet tot gunning aan de beste prijs-kwaliteitverhouding. Als derde heeft te gelden dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd. De Veiligheidsregio paste voorts maatvoeringen niet toe en zij gaf onvoldoende gegevens over de maatvoering. Het vijfde bezwaar is dat de voor gunningscriterium 2 behaalde scores onjuist zijn. Er zijn evidente fouten gemaakt in de beoordeling. Ten slotte is de gunningsbeslissing onvolledig gemotiveerd.\n\n4.3.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4.4.. \n [belanghebbende] heeft een voorwaardelijke vordering ingesteld, alleen voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat een vordering is vereist voor tussenkomst. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, behoeft deze vordering geen verdere bespreking.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOnjuiste feitelijke uitgangspunten\n\n5.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van een aantal feitelijke stellingen die [eiseres] aan haar bezwaren ten grondslag heeft gelegd, zodat deze bezwaren reeds daarom moeten worden gepasseerd.\n\n5.2.. Dat geldt in de eerste plaats voor de stelling van [eiseres] dat [belanghebbende] de huidige (‘zittende’) leverancier is van bluspakken van de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben dit gemotiveerd weersproken, waarna [eiseres] haar stelling niet langer heeft gehandhaafd. Aan het bezwaar van [eiseres] dat er sprake was van een ongelijk speelveld, omdat [belanghebbende] als zittende leverancier op een aantal onderdelen voordeel had van een kennisvoorsprong, wordt daarom voorbij gegaan.\n\n5.3.. Verder hebben de Veiligheidsregio en [belanghebbende] betwist dat de comforttest en de praktijktest zijn samengevoegd, zoals [eiseres] in de dagvaarding stelde. Volgens de Veiligheidsregio en [belanghebbende] waren het verschillende tests, die ook op afzonderlijke dagen hebben plaatsgevonden. [eiseres] heeft ook deze stelling vervolgens niet langer gehandhaafd. Het bezwaar dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd, wordt daarom eveneens gepasseerd.\n\nRechtsverwerking\n\n5.4.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben het verweer gevoerd dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om te klagen over de in de dagvaarding beschreven aspecten van de aanbesteding, omdat zij hier te lang mee heeft gewacht, namelijk tot nadat de gunningsbeslissing was genomen. Het gaat hierbij om de volgende bezwaren van [eiseres].\n\n- De Veiligheidsregio heeft voorafgaand aan de testen de door de inschrijvers aangeleverde testpakken niet onderworpen aan een zogenoemde tafeltest om te controleren of deze wel aan de gestelde eisen voldeden. Dat had volgens [eiseres] wel gemoeten om ervoor te zorgen dat alleen pakken die aan de eisen voldoen werden vergeleken.\n\n- Verder moesten de testpakken binnen een beperkte tijd worden gefabriceerd terwijl de aan deze pakken te stellen eisen laatstelijk in NvI 2 nog werden gewijzigd. Daardoor waren volgens [eiseres] de testen niet objectief, was er geen sprake van een gelijke behandeling en konden deze testen niet leiden tot een keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving omdat kort gezegd de testpakken niet een goed beeld gaven van de pakken die de inschrijver zou (kunnen) leveren.\n\n- Tot een weloverwogen keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving kon volgens [eiseres] ook niet worden gekomen omdat door de versoepeling van de aan de testpakken te stellen eisen, onvoldoende informatie kon worden verkregen over het (comfort van de) uiteindelijk te leveren pakken. Door de versoepeling konden de testpakken volgens [eiseres] ook niet goed met elkaar worden vergeleken. [eiseres] heeft hiertoe verklaard dat sommige testpakken niet aan de voor de tests vervallen eisen voldeden, maar andere wel, omdat deze al eerder in productie waren gegaan (zoals haar pakken). [eiseres] heeft daarbij toegelicht dat en waarom bijvoorbeeld ook striping en zakken (die door de wijziging van de eisen niet langer op de testpakken hoefden te zijn aangebracht) van invloed kunnen zijn op stijfheid van onderdelen van het pak en daarmee op het draagcomfort.\n\n- [eiseres] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de wijze en het moment waarop de Veiligheidsregio en [belanghebbende] de inschrijvers heeft geïnformeerd over de maatvoering van de pakken.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter volgt de Veiligheidsregio en [belanghebbende] in hun rechtsverwerkingsverweer tegen al deze bezwaren van [eiseres]. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n5.6.. Uit het Grossmann-arrest (HvJEG 12 februari 2004, C-230\u002F02) en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een adequaat handelend inschrijver\u002Fgegadigde mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de inschrijver\u002Fgegadigde jegens de aanbestedende dienst in acht heeft te nemen, brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden desgewenst kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. Een inschrijver\u002Fgegadigde die bezwaren heeft maar er (te lang) mee wacht om die te melden, handelt in strijd met het hiervoor genoemde arrest en heeft het recht verwerkt om hierover te klagen.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het BD geen melding wordt gemaakt van een controle van de testpakken op de gestelde eisen (een tafeltest), voorafgaand aan de draagtests. Als [eiseres] had gemeend dat het uitvoeren van een dergelijke controle noodzakelijk was, had zij dat aan de orde moeten stellen en daar een vraag over moeten stellen. Dat heeft zij niet gedaan, en zij heeft ook op de testdagen, toen duidelijk was dat geen tafeltest werd uitgevoerd, daar geen bezwaar tegen gemaakt. Het is dan te laat om hierover pas te klagen na het versturen van de gunningsbeslissing. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het primair aan de aanbestedende dienst is hoe zij toetst en beoordeelt of inschrijvers aan de gestelde eisen voldoen. In geval van gerede twijfel of een inschrijving niet irreëel is, is de aanbestedende dienst gehouden om daar nader onderzoek naar te doen, maar dat daarvan in dit geval sprake was is niet aannemelijk geworden.\n\n5.8.. Ook de andere onder 5.5 genoemde bezwaren had [eiseres] eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Over de maten van de testpakken is naar aanleiding van vragen daarover nadere informatie verstrekt in NvI 2. Als dat te laat was en\u002Fof [eiseres] daarna onvoldoende beeld had van wat verwacht werd, dan had zij daar destijds een punt van kunnen maken. [eiseres] is echter na kennis te hebben genomen van de in NvI 2 verstrekte info en gewijzigde eisen, verder gegaan met de productie van haar testpakken (zonder gebruik te maken van de gegeven mogelijkheid om de bestaande pakken op te meten), zij heeft haar pakken meegenomen naar de testdagen waar zij (gelet op haar stellingen) ook de pakken van de andere inschrijvers heeft gezien en zij heeft vervolgens de gunningsbeslissing afgewacht. Dat op de testdag een testpersoon aanwezig was met maten die niet waren opgegeven, zoals [eiseres] stelt, is gemotiveerd betwist en door [eiseres] niet nader onderbouwd. Overigens is gesteld noch gebleken dat [eiseres] daarover tijdens de testdagen heeft geklaagd. [eiseres] heeft ook op geen enkel moment gebruik gemaakt van de onder 3.16.2 in het BD vermelde klachtenprocedure. Het is te laat om, pas na ontvangst van een onwelgevallige gunningsbeslissing, met bezwaren als deze te komen.\n\n5.9.. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om nu nog te klagen over deze aspecten van de aanbesteding.\n\nTen overvloede\n\n5.10.. Overigens heeft [eiseres] ter zitting ook onvoldoende aannemelijk weten te maken dat er sprake was van zodanige verschillen tussen de testpakken van de inschrijvers dat dit van noemenswaardige betekenis is geweest bij de beoordeling. De door de testers gemaakte opmerkingen, zoals vermeld in de gunningsbeslissing, geven er ook geen blijk van dat de pakken van [eiseres] minder goed zijn beoordeeld op die onderdelen, waar bijvoorbeeld de striping en zakken op van invloed zouden kunnen zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de comforttest – waarop veel van de bezwaren van [eiseres] zien – niet meetelde bij de toekenning van punten die leidden tot de gunningsbeslissing. De comforttest was immers de eerste fase van het gunningsproces en alle drie de inschrijvers zijn doorgegaan naar de praktijktest. Alleen die praktijktest was onderdeel van de gunningscriteria. De omstandigheid dat de Veiligheidsregio volledigheidshalve in de gunningsbeslissing ook de opmerkingen heeft opgenomen die de testers op de eerste dag (bij de comforttest) hebben gemaakt, maakt dit niet anders. De stelling van [eiseres] dat het gevoel van de testers bij het comfort op de eerste dag wel van invloed moet zijn geweest op de puntentoekenning tijdens de praktijktest op de tweede dag, zoals [eiseres] die ter zitting (in haar tweede termijn) naar voren heeft gebracht, acht de voorzieningenrechter te vaag en onvoldoende concreet om daaraan conclusies te verbinden of daar verder op in te gaan.\n\nBeoordelingsfouten\n\n5.11.. \n [eiseres] heeft in de dagvaarding verder betoogd dat de aan haar toegekende score voor gunningscriterium 2 onjuist is. Er zijn volgens haar evidente fouten gemaakt in de beoordeling van haar inschrijving. [eiseres] heeft hier echter geen vordering tot herbeoordeling aan gekoppeld. Nu haar stellingen op dit punt niet kunnen leiden tot toewijzen van de wel ingestelde vorderingen, behoeven deze stellingen geen nadere bespreking.\n\n5.12.. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres], na de gemotiveerde betwisting door de Veiligheidsregio van de in de dagvaarding op dit punt ingenomen stellingen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van inhoudelijke onjuistheden bij de beoordeling van het plan van aanpak.\n\nMotivering\n\n5.13.. Nadat de Veiligheidsregio (met toestemming van [belanghebbende]) na het uitbrengen van de dagvaarding ook de subscores van [belanghebbende] op Gunningscriterium 2 en op Prijs bekend heeft gemaakt, heeft [eiseres] haar bezwaar ten aanzien van de motivering van de gunningsbeslissing niet langer gehandhaafd. Ook dit kan dus verder onbesproken blijven.\n\nProceskosten\n\n5.14.. \n [eiseres] heeft verzocht om, ook als zij in het ongelijk wordt gesteld, de Veiligheidsregio in de proceskosten te veroordelen omdat zij de onder 5.13 bedoelde informatie over de subscores pas zo laat heeft verstrekt. Daar ziet de voorzieningenrechter geen reden toe. [eiseres] heeft dit kort geding immers doorgezet nadat zij deze informatie heeft verkregen, omdat zij een oordeel van de voorzieningenrechter wenste over haar overige bezwaren tegen de gunningsbeslissing en een beslissing op de ingestelde vorderingen.\n\n5.15.. \n [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Veiligheidsregio en [belanghebbende]. De proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,-\n\n- salaris advocaat € 1.177,-\n\n- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\n -------------------\n\nTotaal € 2.101,-\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst het gevorderde af;\n\n6.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] van ieder € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98,- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\nts","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.330Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":39,"updatedAt":81},"436","ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","ecli-nl-rbdha-2026-14677","2026-05-22T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F702122 \u002F KG ZA 26-317\n\nVonnis in kort geding van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nSENSORNET B.V.te Den Haag,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. Tj.P. Grünbauer te Ede,\n\ntegen:\n\nOMGEVINGSDIENST WEST-HOLLANDte Leiden,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. W.J.W. Engelhart en mr. A.C.M. Kusters te Utrecht.\n\nwaarin zich heeft gevoegd aan de zijde van gedaagde:\n\nSPOTTEN B.V.te Utrecht,\n\nadvocaat mr. W.J. de Vries te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ‘Sensornet’, ‘ODWH’ en ‘Spotten’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 maart 2026, met producties 1 tot en met 15;\n\n- de incidentele conclusie tot voeging van Spotten;\n\n- de conclusie van antwoord van ODWH, met producties 1 en 2;\n\n- de akte eiswijziging en overlegging aanvullende producties van Sensornet, met producties 16 tot en met 19.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 6 mei 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Sensornet mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot voeging\n\n2.1.. Spotten heeft gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van ODWH. Ter zitting hebben Sensornet en ODWH verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Spotten is vervolgens toegelaten als gevoegde partij, aangezien zij daarbij een belang heeft als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verder is niet gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. ODWH heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de levering, plaatsing en het beheer van een meetsysteem voor de monitoring van luchtvaartgeluid (voornamelijk afkomstig van en naar luchthaven Schiphol).\n\n3.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn nader omschreven in de aanbestedingsleidraad (hierna: de leidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder het programma van eisen (bijlage 3), en in de twee nota’s van inlichtingen.\n\n3.3.. De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding (paragraaf 3.1.2 leidraad). De gunningscriteria prijs en kwaliteit zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5 van de leidraad.\n\n3.4.. Het gunningscriterium kwaliteit is opgedeeld in vier subgunningscriteria, te weten:\n\nSG1: Plan van Aanpak;\n\nSG2: Dataverwerking, Validatie en Informatiewaarde;\n\nSG3: Beheer, Communicatie en Sport;\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit.\n\n3.5.. In hoofdstuk 5 van de leidraad is – voor zover in deze zaak relevant – het volgende vermeld over de beoordeling van SG1 tot en met SG4:\n\nNr.\n\nToelichting\n\nSG1\n\nPlan van Aanpak\n\nHet Plan van Aanpak geeft inzicht in de wijze waarop de Inschrijver de opdracht uitvoert en de kwaliteit van de aangeboden oplossing waarborgt.\n\nHet plan dient in ieder geval aandacht te besteden aan de volgende onderdelen:\n\n Technische dienstverlening\n\nBeschrijf het ontwerp van de aangeboden geluidmeetpost, inclusief meetmethodiek en benodigde voorzieningen (zoals internet- en stroomvoorziening).\n\n Koppeling met aanvullende datasystemen\n\nLicht toe welke datasysteemkoppelingen noodzakelijk zijn om het meetsysteem optimaal te laten functioneren en de gewenste data te leveren.\n\n Indicatie meetnetwerk\n\nGeef een onderbouwde indicatie van het aantal benodigde meetposten om voor de acht deelnemende gemeenten een dekkend en valide meetnetwerk te realiseren.\n\n Risicoanalyse\n\nWerk een risicoanalyse uit waarin ten minste de volgende aspecten zijn opgenomen:\n\no Weersbestendigheid van de meetposten;\n\no Betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform.\n\n Plaatsingsmethode\n\nBeschrijf de verschillende wijzen waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie.\n\n Meetbetrouwbaarheid en continuïteit\n\nLicht toe hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en beschrijf de maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen (zoals kalibratie, redundantie, storingsdetectie en herstelprocedures).\n\nBeoordelingskader ‘Plan van Aanpak’\n\nOWDH hecht waarde aan:\n\n Een realistisch en uitvoerbaar implementatieplan en plaatsingsmethode;\n\n Structuur en helderheid van het plan;\n\n Technische kwaliteit van het meetsysteem;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Zorgvuldige en transparante maatregelen om continuïteit van metingen te waarborgen.\n\nSG2\n\n(…)\n\nSG3\n\nBeheer, Communicatie en Support\n\nBeschrijf de organisatie van het beheer, inclusief de waarborging van de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening. Beschrijf tevens hoe effectieve en transparante communicatie en samenwerking met alle betrokken partijen wordt gerealiseerd.\n\nDe toelichting dient in ieder geval de volgende onderdelen te omvatten:\n\n Beheer en onderhoud\n\nDe onderhoudsstrategie en -frequentie (preventief en correctief) van het meetsysteem, inclusief software-updates, systeemmonitoring en beveiliging.\n\n Afstemming bij plaatsing\n\nDe wijze van contact en afstemming met locatiehouders en de contracthouder over de plaatsing van meetposten.\n\n Communicatiestructuur\n\nBeschrijf hoe communicatie tussen alle betrokken partijen is georganiseerd, welke middelen worden ingezet en hoe eenduidige informatievoorziening wordt gewaarborgd.\n\n Incidentafhandeling\n\nGeef inzicht in de procedure voor signalering, responstijden, terugkoppeling en afhandeling van incidenten of storingen in het meetsysteem, inclusief het storingsprotocol.\n\n Support\n\nBeschrijf de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de helpdesk\u002Fsupportorganisatie en de wijze van rapportage over storingen, uptime en prestaties van het meetsysteem.\n\n Proactieve houding\n\nBeschrijf op welke wijze actief initiatief wordt genomen wanneer verplaatsing of aanpassing van een meetpost noodzakelijk is (bijvoorbeeld door veranderende omstandigheden, optimalisatie van het meetsysteem of uitval van een meetpost).\n\nBeoordelingskader ‘Beheer, Communicatie en Support’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Heldere communicatieprocessen en korte lijnen;\n\n Effectieve risicobeheersing en calamiteitenaanpak;\n\n Tijdige signalering en proactieve opvolging van incidenten.\n\nSG4\n\nDashboard en Gebruikersfunctionaliteit\n\nElke deelnemende gemeente dient via een eigen dashboard inzicht te krijgen in de verzamelde meetdata van de betreffende gemeente.\n\nNa beoordeling van de schriftelijke inschrijvingen worden de Inschrijvers uitgenodigd voor een praktische demonstratie van het aangeboden dashboard. Het doel van de demonstratie is om de werking, functionaliteit en bruikbaarheid van het dashboard in de praktijk te toetsen en te beoordelen in welke mate deze voldoet aan de eisen zoals opgenomen in dit subgunningscriterium.\n\nTijdens de demonstratie wordt gekeken naar:\n\n Gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie;\n\n Beschikbaarheid van realtime data, historische overzichten en trendvisualisaties;\n\n Mogelijkheden voor personalisatie per gemeente, locatie of gebruiker;\n\n Functionaliteiten voor data-analyse, rapportages en export (bijvoorbeeld CSV, XLSX, PDF);\n\n Filter- en instellingsopties voor het aanpassen van weergaven;\n\n Weergave van storingsmeldingen per meetpost.\n\nBeoordelingskader ‘Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit’\n\nODWH hecht waarde aan:\n\n Transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers;\n\n Hoog gebruiksgemak en overzichtelijkheid;\n\n Volledige en inzichtelijke presentatie van relevante meetdata;\n\n Adequate functionaliteiten voor analyse, rapportage en export.\n\n3.6.. In hoofdstuk 6 van de leidraad is beschreven hoe de inschrijvingen worden beoordeeld. De aanbestedende dienst beoordeelt eerst of de inschrijving volledig en rechtsgeldig is (paragraaf 6.1), of geen van de uitsluitingsgronden op de inschrijver van toepassing zijn en of de inschrijver aan de geschiktheidseisen voldoet (paragraaf 6.2). Uit paragraaf 6.3 volgt dat de aanbestedende dienst vervolgens beoordeelt of de inschrijving voldoet aan eisen die, bij het niet voldoen daaraan, kunnen leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding (hierna: knock-out eisen):\n\n“6.3 Fase 3: Knock-out eisen kwaliteit\n\nIndien fase 2 niet leidt tot uitsluiting, dan wordt uw Inschrijving verder inhoudelijk beoordeeld. De beoordeling in deze fase betreft het nalopen van de door u aangeleverde Bijlage Programma van Eisen. Indien u niet aan één of meerdere van deze eisen kan voldoen of u één of meerdere van deze eisen voorwaardelijk of met ‘nee’ hebt beantwoord, kan dit leiden tot uitsluiting van verdere deelname aan de aanbesteding.”\n\n3.7.. De aanbestedende dienst beoordeelt dus of is voldaan aan de eisen zoals neergelegd in het programma van eisen (bijlage 3). In het programma van eisen zijn, voor zover relevant, de volgende eisen vermeld waaraan de inschrijving moet voldoen:\n\n2.3.. Dienstverlening\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 12\n\nHet meetsysteem moet kunnen koppelen met ten minste de volgende systemen:\n\n- LNVL\n\n- Weerstations\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 15\n\nDe leverancier test de datakwaliteit op nauwkeurigheid en volledigheid en validiteit. De data die wordt opgehaald door het meetsysteem moet een validiteit hebben van tenminste 90%. Indien dit percentage lager is, dient dit te worden aangegeven bij Opdrachtgever. De oorzaak dient onderbouwd te worden, evenals mogelijke maatregelen.\n\n2.4.. Dashboard\n\nInhoud\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 22\n\nHet dashboard moet minimaal de volgende functionaliteiten bieden:\n\n­ Gemeente-specifieke toegang:Data wordt gepresenteerd afhankelijk van de inlogrechten per gemeente;\n\n­ Realtime datavisualisatie:Geluidsdata per meetpunt(en) wordt realtime weergegeven en gepresenteerd per gemeente;\n\n­ Historische data:Toegang tot alle gemeten data gedurende de looptijd van de overeenkomst;\n\n­ Automatische koppeling met vluchtinformatie:Geluidsdata wordt automatisch gekoppeld aan relevante vluchtinformatie;\n\n­ Exportmogelijkheden:Data kan geëxporteerd worden naar gangbare bestandsformaten, zoals CSV, PDF en Excel;\n\n­ Selectiemogelijkheden:Gebruikers kunnen per meetpost selecties maken in dag, week, maand of jaar met bijbehorende datagegevens.\n\n(…)\n\n(…)\n\nEis 29\n\nOp de dashboards per gemeente moeten minimaal de volgende gegevens overzichtelijk weergegeven zijn:\n\n- Lden, Lnight en LAeq;\n\n- SEL-waarden;\n\n- Type vliegtuigen;\n\n- Vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type);\n\n- Per dag\u002Favond\u002Fnacht en totaal;\n\n- Aantal vliegtuigpassages dag\u002Favond\u002Fnacht per meetpost;\n\n- Onderscheid vliegverkeer naar luchthavens.\n\n3.8.. Na de beoordeling van de knock-out eisen, start de beoordeling van de gunningscriteria. Paragraaf 6.4.1 van de leidraad vermeldt dat het gunningscriterium kwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de toelichting op de subgunningscriteria. De inschrijvingen worden beoordeeld door een beoordelingsteam dat bestaat uit meerdere medewerkers van ODWH. SG4 wordt beoordeeld door een beoordelingsteam met een andere samenstelling, waaronder gebruikers van het dasboard. De scores per subgunningscriterium worden vastgesteld aan de hand van de volgende beoordelingstabel (paragraaf 6.4.2):\n\nBeoordeling\n\nWaardering\n\nPunten\n\n5\n\nUitstekend\n\nAan allebij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt volledig voldaan en\u002Fof deze aspecten worden uiterst concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt.Bovendienworden er aanvullende, aan het betreffende kwaliteitscriterium gerelateerde onderwerpen benoemd, gemotiveerd en uitgewerkt, die naar oordeel van Opdrachtgever kunnen bijdragen aan een kwalitatief goede uitvoering van de Opdracht. Indien er al sprake is van enig commentaar dan beperkt zich dat enkel tot details.\n\n100\n\n4\n\nGoed\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt (zo goed als) volledigvoldaan en deze aspecten worden concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Slechts een beperkt aantal beoordelingsaspecten scoort minder goed.\n\n70\n\n3\n\nVoldoende\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt grotendeelsvoldaan en\u002Fof deze worden voldoende concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet te overtuigen zoals van een deskundig Inschrijver verwacht mag worden echter, diverse beoordelingsaspecten worden als minder goed beoordeeld.\n\n40\n\n2\n\nMatig\n\nAan de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt deelsvoldaan en\u002Fof deze worden in mindere mate concreet (kwalitatief) onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Inschrijver weet met de uitwerking dan ook niet direct te overtuigen doordat een substantieel deel van de beoordelingsaspecten als minder goed wordt beoordeeld.\n\n10\n\n1\n\nOnvoldoende\n\nHet blijkt onvoldoende dat aan (het merendeel van) de bij het kwaliteitscriterium genoemde aspecten wordt voldaan en\u002Fof het voldoen aan deze aspecten wordt onvoldoende concreet (kwalitatief)onderbouwd\u002Fuitgewerkt. Of inschrijver geeft in het geheel geen invulling aan het betreffende onderdeel.\n\n0\n\n3.9.. Verder volgt uit paragraaf 3.7.9 van de leidraad dat het inschrijvers niet is toegestaan om irreëel of manipulatief in te schrijven:\n\n“3.7.9 Irreële of manipulatieve Inschrijving\n\nHet indienen van een irreële of manipulatieve Inschrijving is verboden. Van een manipulatieve Inschrijving kan sprake zijn wanneer – als gevolg van miskenning door de Inschrijver van bepaalde aannames van Opdrachtgever – de beoordelingssystematiek zo wordt gemanipuleerd dat het daarmee beoogde doel, zoals bijvoorbeeld het innemen van een realistische positie, wordt verstoord. Een irreële of manipulatieve Inschrijving is ongeldig en kan terzijde gelegd worden. Een Inschrijving is in ieder geval doch niet uitsluitend manipulatief en\u002Fof irreëel als:\n\n Eén of meer tarieven worden aangeboden die op zichzelf beschouwd niet marktconform en\u002Fof niet realistisch zijn;\n\n De tarieven niet een in de branche gebruikelijke opbouw\u002Fsamenhang hebben;\n\n Eén of meerdere tarieven de gehanteerde formule frustreren;\n\n Er sprake is van nultarieven;\n\n Er in de uitwerking van de Subgunningscriteria veelvuldig zaken worden benoemd of aangeprezen,\n\nterwijl deze niet in het Prijzenblad worden opgenomen.”\n\n3.10.. In de eerste nota van inlichtingen is onder 11 de volgende vraag met betrekking tot paragraaf 2.1.4 van de leidraad opgenomen, met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nIn paragraaf [geen nummer opgenomen, voorzieningenrechter] is vermeld dat de exacte locaties van de meetposten in overleg met locatiehouder (gemeente) worden bepaald en dat de gemeente eindverantwoordelijk is voor de locatiebepaling. Tevens dient inschrijver een vaste all-in prijs per meetpunt aan te bieden. Kan opdrachtgever aangeven of er op de door de gemeente aangewezen locaties een vaste stroomvoorziening (bijvoorbeeld via openbare verlichting) beschikbaar wordt gesteld door Opdrachtgever? Of dient Inschrijver in de all-in prijs rekening te houden met kosten voor autonome energievoorziening (zoals zonnepanelen en accu’s) voor locaties waar geen netspanning voorhanden is?\n\nAntwoord\n\nOpdrachtgever bevestigt dat wordt uitgegaan van plaatsing van meetpunten op locaties die door de gemeente (locatiehouder) worden aangewezen. Het uitgangspunt is dat, waar beschikbaar en doelmatig, een vaste stroomvoorziening (netspanning) wordt benut.\n\nOpdrachtgever zal in dat geval de benodigde afstemming met de locatiehouder faciliteren.\n\n(…)\n\nVoor locaties waar geen netspanning beschikbaar is, of waar aansluiting niet doelmatig of niet tijdig realiseerbaar is, zal Opdrachtgever in overleg treden met Opdrachtnemer. Dit valt buiten de inschrijving.\n\n3.11.. In de tweede nota van inlichtingen is onder 7 de volgende vraag opgenomen met betrekking tot eis 2 van het programma van eisen (bijlage 3), met het antwoord van ODWH daarop:\n\nVraag\n\nHet meetsysteem moet te koppelen zijn met LVNL en weerstations. Met welke data van LVNL moet er gekoppeld en hoe wordt dit gedeeld met de opdrachtnemer?\n\nAntwoord\n\nRelevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dasboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29. Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.\n\n3.12.. Zowel Sensornet als Spotten hebben op de aanbesteding ingeschreven. Bij brief van 6 maart 2026 heeft ODWH aan Sensornet meegedeeld dat zij voornemens is de opdracht aan Spotten te gunnen.\n\n3.13.. Bij brief van 20 maart 2026 heeft Sensornet zich beklaagd over de gunningsbeslissing en verzocht om een toelichting op de door haar genoemde punten tijdens een – reeds gepland – toelichtend gesprek op 24 maart 2026.\n\n3.14.. Op 24 maart 2026 heeft ODWH gereageerd dat zij geen aanleiding ziet om het eerder ingenomen standpunt te herzien, dat zij geen nadere inhoudelijke informatie zal verstrekken en dat zij tijdens het (op diezelfde dag geplande) gesprek uitsluitend de beoordeling van Sensornet zal toelichten.\n\n3.15.. Op 27 maart 2026 heeft Sensornet ODWH in kort geding gedagvaard.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. Sensornet vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als ongeldig uit te sluiten van deze aanbesteding en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan geen ander te gunnen dan aan Sensornet;\n\nsubsidiair\n\nII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken, de inschrijving van Spotten als onrealistisch terzijde te leggen en, voor zover ODWH nog tot gunning wenst over te gaan, de opdracht aan Sensornet te gunnen;\n\nmeer subsidiair\n\nIII. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en beide inschrijvingen binnen vier weken na de datum van het vonnis integraal te laten herbeoordelen, althans alle inschrijvingen op gunningcriteria SG1, SG3 en SG4 te laten herbeoordelen, met inachtneming van het te wijzen vonnis, door een nieuwe beoordelingscommissie, samengesteld uit ter zake deskundige beoordelaars, waarbij kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijvingen op die criteria worden besproken in de herbeoordeling, en op basis van de resultaten van die herbeoordeling een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nnog meer subsidiair\n\nIV. ODWH gebiedt de gunningsbeslissing van 6 maart 2026 in te trekken en opnieuw en thans deugdelijk te motiveren, door bij de beoordeling van gunningcriteria SG1, SG2 en SG4 kenbaar en gemotiveerd alle onderdelen van de inschrijving op die criteria te bespreken in de beoordeling, met inachtneming van het te wijzen vonnis, en op basis van het resultaat van die beoordeling een nieuwe gemotiveerde gunningsbeslissing te nemen, waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen open staan;\n\nmet veroordeling van Sensornet in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het standpunt van Sensornet komt er in de kern op neer dat (i) de inschrijving van Spotten ongeldig is, (ii) de inschrijving van Spotten onrealistisch is, (iii) ODWH de inschrijving van Sensornet onjuist heeft beoordeeld en (iv) ODWH de gunningsbeslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n4.3.. ODWH en Spotten voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. In dit kort geding moet worden beoordeeld of aanleiding bestaat om ODWH te verplichten om (i) de inschrijving van Spotten uit te sluiten althans (ii) terzijde te leggen en de opdracht aan Sensornet te gunnen, of (iii) de inschrijvingen te laten herbeoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie of (iv) de gunningsbeslissing deugdelijk te motiveren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat daar geen aanleiding voor. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.\n\n(i) Ongeldige inschrijving Spotten?\n\n5.2.. Sensornet stelt ten eerste dat Spotten een ongeldige inschrijving heeft gedaan, omdat haar inschrijving niet voldoet aan de eisen 12 en 29 uit het programma van eisen. Eis 12 bepaalt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL en eis 29 schrijft voor welke gegevens op de dashboards per gemeente overzichtelijk weergegeven moeten zijn, zoals de vluchtdata per meetpost (vlieghoogte, datum, tijdstip, vluchtnummer, type) en het onderscheid van vliegverkeer naar luchthavens. Volgens Sensornet wordt met de (in eis 12 voorgeschreven) koppeling met LVNL bedoeld dat het meetsysteem via het systeem van LVNL directtoegang moet hebben tot gegevens op het punt van vluchtinformatie. Het gaat volgens haar daarbij omreal timeof historische vluchtdata van LVNL, zoals vluchtnummers, vlieghoogtes, tijdstippen en vliegtuigtypes. Volgens Sensornet voldoet Spotten niet aan die eis, omdat de koppeling die Spotten met LVNL heeft, een zogenoemdeopen sourcekoppeling met het Geoportaal van LVNL is. Het Geoportaal bevat alleen statische, geografische datasets en kaarten en geenreal timevluchtinformatie. Nu Spotten niet de volgens Sensornet vereiste koppeling met LVNL heeft en niet over door LVNL geverifieerde vluchtdata beschikt, moet de inschrijving van Spotten ongeldig worden verklaard, aldus Sensornet. ODWH en Spotten betwisten deze stellingen van Sensornet. Volgens hen kan uit de formulering van eis 12 (en de overige aanbestedingsstukken) niet worden afgeleid dat het meetsysteem de door Sensornet bedoelde koppeling met LVNL moet hebben en voldoet de inschrijving van Spotten wel degelijk aan de eisen.\n\n5.3.. De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden, is of de in eis 12 bedoelde koppeling inhoudt dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met alle data van LVNL, en dus ook direct toegang moet hebben tot deze (door LVNL geverifieerde) vluchtdata. Daarbij komt het aan op de uitleg van de aanbestedingsstukken. Naar vaste jurisprudentie brengen de toepasselijke beginselen van transparantie en gelijkheid mee dat het er bij de uitleg van de aanbestedingsstukken om gaat hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde een criterium heeft kunnen begrijpen. Hierbij moet worden uitgegaan van de zogenoemde ‘cao-norm’: de bewoordingen van het criterium – gelezen in het licht van de gehele tekst van de overige (relevante) aanbestedingsstukken – zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die – naar objectieve maatstaven – volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn opgesteld.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is met ODWH en Spotten van oordeel dat uit de aanbestedingsstukken redelijkerwijs niet kan worden afgeleid dat het meetsysteem moet beschikken over een directe koppeling met alle data van LVNL, waaronder (door LVNL geverifieerde) vluchtinformatie. Eis 12 schrijft slechts voor dat het meetsysteem moet kunnen koppelen met LVNL. In deze eis wordt niet gespecificeerd hoe die koppeling er precies uit moet zien (met andere woorden: met welke data uit het systeem van LVNL moet worden gekoppeld). Tijdens de inlichtingenfase heeft één van de inschrijvers daarnaar geïnformeerd en aan ODWH gevraagd met welke data van LVNL moet worden gekoppeld (vraag 7 tweede nota van inlichtingen, zie hiervoor bij 3.11). Daarop heeft ODWH geantwoord dat “relevante en geverifieerde data van LVNL wordt gebruikt ten behoeve van de informatie die in het dashboard wordt weergegeven, zoals beschreven in eis 29” en dat“Opdrachtgever verwacht van Inschrijvers dat zij weten welke koppelingen noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis (Eis 15) te voldoen.” Uit het eerste deel van het antwoord volgt alleen dat (relevante en geverifieerde) data van LVNL wordt gebruikt voor het dashboard, maar laat in het midden om welke data het specifiek gaat. Uit het tweede deel van het antwoord blijkt dat ODWH ruimte laat voor de inschrijvers om zelf te bepalen welke soort koppelingen met (onder andere) LVNL) noodzakelijk zijn om aan de 90% validiteitseis te voldoen. Een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver mocht er op basis van de formulering van eis 12 en het antwoord op vraag 7 in de tweede nota van inlichtingen van uitgaan dat een koppeling met LVNL is vereist, maar het aan de inschrijver zelf is om te bepalen welke koppelingen noodzakelijk zijn, zolang maar aan de validiteitseis wordt voldaan. Hieruit volgt logischerwijs ook dat inschrijvers ervoor kunnen kiezen om de bij eis 29 bedoelde vluchtinformatie via een andere bron te verkrijgen, uiteraard als daardoor wel wordt voldaan aan de validiteitseis. Dat Spotten niet beschikt over een volledige koppeling met (alle data van) LVNL, maakt haar inschrijving dus niet ongeldig. De vordering van Sensornet tot uitsluiting van de inschrijving van Spotten wegens ongeldigheid (vordering I) zal daarom worden afgewezen.\n\n(ii) Irreële inschrijving Spotten?\n\n5.5.. Ten tweede stelt Sensornet zich op het standpunt dat de inschrijving van Spotten onrealistisch (de voorzieningenrechter begrijpt: irreëel) is. Van een irreële inschrijving is sprake als op voorhand vaststaat of als uit onderzoek blijkt dat de inschrijver haar inschrijving (op onderdelen) niet waar zal kunnen maken. Daarbij geldt dat de aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijvingen in beginsel moet uitgaan van de juistheid van de verklaring van een inschrijver dat de inschrijving aan de gestelde eisen voldoet. Bij de beantwoording van de vraag of een inschrijving irreëel is, is het binnen het bestek van een kort geding aan de eisende partij om eerst voldoende concreet te stellen, en zo nodig met stukken te onderbouwen, dat haar concurrent een niet realistische en\u002Fof marktconforme inschrijving heeft gedaan en om concreet uiteen te zetten waarom deze haar inschrijving niet gestand kan doen. Pas als twijfel mogelijk is over het realistische gehalte van de inschrijving dient de aanbestedende dienst voldoende inzichtelijk te maken dat en waarom aan de door haar gestelde eisen en voorwaarden wordt voldaan.\n\n5.6.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het zonder de door haar voorgestane koppeling met LVNL niet mogelijk is om aan de validiteitseis te voldoen en de inschrijving van Spotten daarmee irreëel is. Sensornet stelt dat een volledige koppeling met de data van LVNL de enige verantwoorde manier is om relevante en geverifieerde gegevens te verkrijgen, maar ODWH heeft die stelling weersproken door erop te wijzen dat Spotten een andere werkwijze heeft dan Sensornet en zij voor het verkrijgen van data ook andere bronnen gebruikt dan LVNL, waarbij door Spotten is verklaard dat alle in eis 29 voorgeschreven informatie beschikbaar zal zijn. Sensornet heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden bestaat om op voorhand te twijfelen aan het realistisch gehalte van de inschrijving van Spotten. Daarbij weegt mee dat uit de aanbestedingsstukken ook niet af te leiden valt dat allein eis 29 opgenomen informatie geverifieerd dient te worden door LVNL.\n\n5.7.. Verder is ook niet gebleken dat de inschrijving van Spotten op het onderdeel planning onrealistisch is, zoals Sensornet stelt. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit het programma van eisen niet dat inschrijvers moeten beschikken over de door Sensornet voorgestane volledige koppeling met LVNL. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van Sensornet dat Spotten die koppeling nog zou moeten aanvragen en daarmee niet aan de planning kan voldoen. Ook de enkele verwijzing van Sensornet naar het feit dat Spotten geen referentie heeft voor een geluidspostennetwerk en een beroep heeft gedaan op de in de leidraad geformuleerde uitzonderingsregel en in plaats van een referentie een uitgebreid plan van aanpak heeft ingediend, is onvoldoende om aan te nemen dat Spotten er niet in zal slagen om de gevraagde producten en diensten tijdig te leveren. Deze stelling is suggestief en onvoldoende geconcretiseerd. Hetzelfde geldt voor de stelling van Sensornet dat de planning voor een kleine en nieuwe onderneming als Spotten niet realistisch is.\n\n5.8.. Uit het voorgaande volgt dat Sensornet niet aannemelijk heeft gemaakt dat Spotten een irreële inschrijving heeft gedaan. Voor toewijzing van de vordering tot terzijdelegging van de inschrijving van Spotten (vordering II) bestaat dus geen grond.\n\n(iii) Onjuiste beoordeling inschrijving Sensornet?\n\n5.9.. Het derde bezwaar van Sensornet komt erop neer dat ODWH haar inschrijving op drie van de vier onderdelen van het gunningscriterium kwaliteit onjuist heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter zal deze bezwaren per subgunningscriterium bespreken.\n\n5.10.. Bij de beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de door ODWH gehanteerde gunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat brengt weliswaar enige spanning teweeg met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en\u002Fof die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\nSG 1: Plan van Aanpak\n\nOnderscheiden van vliegtuiggeluid\n\n5.11.. Sensornet verzet zich tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat een concrete uitwerking ontbreekt over hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden. Volgens Sensornet heeft de beoordelingscommissie een onjuiste toets gehanteerd, omdat een dergelijk onderscheid iets is dat bij subgunningscriterium 2 (‘Validatie’) thuishoort en er daar ook expliciet naar is gevraagd. De voorzieningenrechter volgt haar niet in dat bezwaar. ODWH heeft er terecht op gewezen dat bij de uitvraag in SG1 wordt verzocht om toe te lichten hoe wordt gezorgd voor betrouwbare, reproduceerbare en nauwkeurige metingen, en de maatregelen te beschrijven om continuïteit van metingen te waarborgen. Dat de beoordelingscommissie bij de uitwerking van Sensornet op dit onderdeel graag had gezien dat Sensornet in haar aanpak had toegelicht hoe vliegtuiggeluid wordt onderscheiden van andere geluiden, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en dat oordeel acht de voorzieningen-rechter ook niet onbegrijpelijk.\n\nNetspanning\n\n5.12.. Ook heeft Sensornet bezwaar geuit tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat Sensornet niet heeft uitgewerkt hoe wordt gehandeld als reguliere netspanning ontbreekt. Volgens Sensornet is dat onterecht, omdat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat in zo’n geval overleg met de opdrachtnemer wordt gezocht en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – nadere uitwerking op dat punt dus niet nodig is. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. Zoals ODWH terecht heeft opgemerkt, heeft het antwoord op vraag 11 betrekking op het ontbreken van netspanning bij de plaatsing van een meetpunt, en niet op het uitvallen van netspanning op een later moment. In de uitvraag bij SG1 is op het onderdeel ‘risicoanalyse’ gevraagd om een risicoanalyse uit te werken waarin ten minste de weerbestendigheid en de betrouwbaarheid en continuïteit van het dataplatform aan bod komen. Dat de beoordelingscommissie op dit onderdeel een uitwerking van het scenario bij het uitvallen van de (reguliere) netspanning heeft gemist, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nPlaatsingsmethode\n\n5.13.. De voorzieningenrechter gaat verder voorbij aan het bezwaar dat Sensornet maakt tegen het kritiekpunt van de beoordelingscommissie dat Sensornet bij de plaatsingsmethode uitsluitend ingaat op platte daken en niet op andere methoden\u002Flocaties, terwijl de plaatsing op platte daken niet de enige gangbare situatie is. Volgens Sensornet maakt de beoordelingscommissie dit kritiekpunt te groot, omdat plaatsing op een andere manier dan op een plat dak in de praktijk maar weinig voorkomt. Dat neemt echter niet weg dat de uitvraag op dit punt (zie hiervoor bij 3.5) vraagt om “de verschillende wijzen” te beschrijven waarop de meetposten kunnen worden geplaatst, geïnstalleerd en in gebruik genomen afhankelijk van de locatie. De beoordelingscommissie heeft gesignaleerd dat Sensornet in haar inschrijving maar op één plaatsingswijze is ingegaan en dat acht de voorzieningenrechter, gelet op de uitvraag, niet onbegrijpelijk. In het verlengde daarvan valt niet in te zien waarom de deskundigheid van de beoordelingscommissie in twijfel zou moeten worden getrokken, zoals Sensornet betoogt.\n\n5.14.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG1, gelet op de onder 5.11 tot en met 5.13 genoemde kritiekpunten, in redelijkheid tot een score ‘matig’ heeft kunnen komen.\n\nSG 3: Beheer, Communicatie en Support\n\nAfstemming bij plaatsing\n\n5.15.. Sensornet maakt verder bezwaar tegen de beoordeling van de beoordelingscommissie over haar uitwerking bij SG3. De beoordelingscommissie heeft bij dit onderdeel geoordeeld dat de uitwerking van Sensornet kort en summier is. Daarbij heeft de beoordelingscommissie vermeld dat Sensornet de onderhoudsstrategie en frequentie heeft benoemd, maar zonder concrete termijnen of detaillering van onderhoudsaanpak. Ook is volgens haar onvoldoende duidelijk hoe en door wie een potentiële locatie wordt doorgegeven en op welke wijze de opdrachtgever en gemeente gedurende het proces worden geïnformeerd. Sensornet acht deze kritiek onterecht, omdat zij in haar inschrijving heeft vermeld dat storingen automatisch worden gesignaleerd en zij verder een helder procesverloop heeft beschreven. Ook wijst zij erop dat uit het antwoord op vraag 11 van de eerste nota van inlichtingen (zie hiervoor bij 3.10) volgt dat de gemeente de betreffende locatie aanwijst, Sensornet vervolgens de opdrachtgever (ODWH hetzij de betreffende gemeente) informeert en dat dit –in zijn kortheid– duidelijk is. De voorzieningenrechter gaat ook aan dit bezwaar voorbij. ODWH heeft er terecht op gewezen dat Sensornet in haar inschrijving beschrijft dat communicatie plaatsvindt, maar verder niet heeft geconcretiseerd hoe dat precies in zijn werk gaat: wie met wie communiceert, wanneer en hoe. Kennelijk had de beoordelingscommissie op dit punt een gedetailleerdere uitwerking van Sensornet gewenst en dat acht de voorzieningenrechter, mede gelet op het feit dat ODWH waarde hecht aan heldere communicatieprocessen (zie hiervoor bij 3.5) en de dienstverlening die hier aan de orde is, niet onbegrijpelijk. Ook de stelling van Sensornet dat ODWH haar ten onrechte heeft afgerekend op het gebruik van het woord ‘bewoner’ terwijl duidelijk was dat zij daarmee ‘locatiehouder’ bedoelde, kan haar niet baten. Zelfs als het hier ging om een verschrijving van Sensornet, doet dat niet af aan de hiervoor omschreven meer algemene kritiek van de beoordelingscommissie, die naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid de score ‘voldoende’ rechtvaardigt.\n\nSG4: Dashboard en Gebruiksfunctionaliteit\n\nIntuïtiviteit en burgers\n\n5.16.. Een andere klacht van Sensornet is dat de beoordelingscommissie bij SG4 heeft geoordeeld dat het dashboard ‘wat ouderwets oogt’, niet erg intuïtief en interactief wordt bevonden en wordt betwijfeld of een burger ook zijn weg erop weet te vinden. Volgens Sensornet gaat het om een subjectief esthetisch oordeel dat geen substantiële puntenaftrek rechtvaardigt. Ook stelt zij dat de beoordelingscommissie ten onrechte inzoomt op burgers als één van de gebruiksgroepen, terwijl wordt gesproken over ‘gebruikers’, en dat het dashboard bovendien al jaren door burgers in de betrokken gemeenten wordt gebruikt en Sensornet geen klachten of signalen heeft ontvangen dat die burgers hun weg niet zouden weten te vinden. Deze stellingen kunnen Sensornet niet baten. Uit de uitvraag op dit onderdeel (zie hiervoor bij 3.5) volgt dat de beoordelingscommissie de gebruiksvriendelijkheid, overzichtelijkheid en intuïtieve navigatie van het dashboard beoordeelt en bovendien waarde hecht aan transparantie en toegankelijkheid voor gebruikers. Het oordeel van de beoordelingscommissie over de esthetiek van het dashboard en de bevindingen bij het gebruik past daar alleszins binnen. Verder acht de voorzieningenrechter het niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie specifiek is ingegaan op het gebruik van het dashboard door burgers c.q. inwoners van de gemeente, nu niet ter discussie staat dat zij een belangrijke gebruiksgroep vormen. Dat de beoordelingscommissie er op basis van de demonstratie niet van overtuigd is geraakt dat burgers hun weg weten te vinden bij het gebruik van het door Sensornet gepresenteerde dashboard, valt binnen haar beoordelingsvrijheid en is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk.\n\nExportfunctie\n\n5.17.. Ook de stelling dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat gebruikers de data op dit moment niet zelf kunnen exporteren, kan Sensornet niet baten. Hoewel Sensornet erop heeft gewezen dat een rapportage kan worden gedownload in ‘CSV’, heeft ODWH in haar conclusie van antwoord toegelicht dat de kritiek van de beoordelingscommissie erop ziet dat voor specifiek burgers (de gebruiksgroep inwoners) geen exporteerknop in het door Sensornet aangeboden –en tijdens de demonstratie gepresenteerde– dashboard zit. Dat tijdens de demonstratie zou zijn besproken dat de exportfunctie voor burgers mogelijk is, zoals Sensornet stelt, maakt dat niet anders. De beoordelingscommissie heeft bij de beoordeling immers uit te gaan van de inschrijving zoals door Sensornet is ingediend.\n\n5.18.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordelingscommissie bij SG4 in redelijkheid heeft kunnen komen tot de gegeven beoordeling ‘goed’.\n\n5.19.. Gelet op al het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat Sensornet niet aannemelijk heeft weten te maken dat bij de door haar genoemde onderdelen bij SG1, SG2 en SG4 sprake is van een onbegrijpelijke of evident onjuiste beoordeling, dan wel dat er procedurele of inhoudelijke onjuistheden en\u002Fof onduidelijkheden kleven aan de beoordeling, die ertoe zouden moeten leiden dat de voorzieningenrechter – ondanks de beperkte toetsingsruimte zoals vermeld onder 5.10 – moet concluderen dat de beoordeling van de inschrijving van Sensornet door de beoordelingscommissie niet deugt. Voor de gevorderde hernieuwde beoordeling van de inschrijving van Sensornet, laat staan die van Spotten, door een nieuwe beoordelingscommissie is dus geen plaats. Dat betekent dat vordering III zal worden afgewezen.\n\n(iv) Ondeugdelijke motivering gunningsbeslissing?\n\n5.20.. Tot slot stelt Sensornet dat de beoordeling van ODWH te summier is in relatie tot de ingediende inschrijving. Volgens Sensornet bespreekt de gunningsbrief per gunningscriterium slechts enkele kritiekpunten en laat de overige aspecten onbesproken. Zo worden bij SG1 drie punten genoemd op een uitwerking van acht pagina’s en bij SG4 worden vier van de zes te beoordelen aspecten in het geheel niet besproken, aldus Sensornet. Volgens Sensornet kan zij niet nagaan waarom zij punten heeft verloren op de niet-besproken onderdelen en dat is volgens haar in strijd met artikel 2.130 Aanbestedingswet (Aw) en met antwoord 5 van de eerste nota van inlichtingen, waarin ODWH heeft bevestigd dat in de gunningsbrief uitgebreid zou worden ingegaan op de behaalde score en de bijbehorende beoordeling. Ook blijft de vergelijking met de winnende inschrijving steken in algemeenheden, aldus Sensornet.\n\n5.21.. De voorzieningenrechter volgt ODWH daarin niet. Uit artikel 2.130 Aw volgt dat de mededeling van de gunningsbeslissing de relevante redenen moet bevatten voor die beslissing en dat daaronder in ieder geval wordt verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving, alsmede de naam van de begunstigde of de partijen bij de raamovereenkomst. Volgens de parlementaire geschiedenis van dit artikel ligt het, indien de aanbestedende dienst (zoals hier) het criterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’ heeft gehanteerd, in de rede dat de aan de inschrijvingen toegekende scores en de relatieve positie van de afgewezen inschrijver ten opzichte van de geselecteerde inschrijver ter onderbouwing van de mededeling van de gunningsbeslissing door de aanbestedende dienst worden meegezonden. Hoewel een precieze invulling van de relevante redenen afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, geldt in zijn algemeenheid dat de relevante redenen onder meer de volgende elementen zullen bevatten:\n\nbekendmaking van de eindscores van zowel de afgewezen inschrijver als van de geselecteerde inschrijver;\n\nbekendmaking van de scores van de afgewezen inschrijver op specifieke kenmerken en de reden(en) waarom op dat specifieke kenmerk eventueel niet een hogere score is toegekend.\n\n5.22.. Anders dan Sensornet stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de gunningsbeslissing voldoende blijkt waarom Sensornet op de verschillende subgunningscriteria niet een hogere score heeft toegekend. De beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat Sensornet op onderdelen steken heeft laten vallen en zij heeft hier per subgunningscriterium ook specifieke voorbeelden bij genoemd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Sensornet onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de beoordelingscommissie niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Ook valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat de beoordelingscommissie aspecten onbesproken zou hebben gelaten terwijl dat wel tot puntenverlies zou hebben geleid, zoals Sensornet stelt.\n\n5.23.. Verder biedt de gunningsbeslissing voldoende inzicht in de relevante verschillen tussen de inschrijving van Sensornet enerzijds en die van Spotten als winnende inschrijver anderzijds. ODWH heeft de scores van Sensornet op de verschillende (sub)gunningscriteria afgezet tegen die van de overige inschrijvers (Spotten) en daaruit valt de relatieve positie van Sensornet ten opzichte van Spotten af te leiden. Ook heeft ODWH op de subgunningscriteria waar Sensornet lager heeft gescoord dan Spotten een toelichting gegeven over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van Spotten. Die toelichting is weliswaar in algemene bewoordingen gegeven, maar die bewoordingen sluiten aan bij de gehanteerde beoordelingsmaatstaf. De toelichting is summier, maar de op een aanbestedende dienst rustende motiveringsverplichting reikt niet zover dat hij gehouden is afgewezen inschrijvers meer gedetailleerd opgave te doen van de aanbieding van de winnende inschrijver; het ligt in de rede dat die aanbieding bedrijfsvertrouwelijke informatie bevat die de aanbestedende dienst niet prijs mag geven. De conclusie is dat Sensornet met de verstrekte gegevens voldoende in staat moet worden geacht om te beoordelen of het zinvol is om een juridische procedure te starten.\n\n5.24.. Nu niet is gebleken dat de gunningsbeslissing ondeugdelijk is gemotiveerd, is voor de door Sensornet onder IV. gevorderde gebod geen ruimte. Deze vordering wordt daarom afgewezen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.25.. Slotsom is dat niet is gebleken dat de inschrijving van Spotten ongeldig of irreëel is, noch dat ODWH evidente beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de inschrijving van Sensornet of het beoordelingskader onjuist heeft toegepast en dat moet worden geoordeeld dat ODWH de gunningsbeslissing deugdelijk heeft gemotiveerd. Voor de gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en de uitsluiting\u002Fterzijdelegging van de inschrijving van Spotten, althans herbeoordeling van de inschrijvingen, althans een gebod tot deugdelijke motivering van de gunningsbeslissing is dus geen plaats. De vorderingen van Sensornet zullen daarom worden afgewezen.\n\n5.26.. Sensornet is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zowel ODWH als Spotten betalen. De proceskosten van Spotten en ODWH worden, ieder afzonderlijk, begroot op:\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.101\n\n5.27.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen van Sensornet af;\n\n6.2.. veroordeelt Sensornet in de proceskosten van zowel ODWH als Spotten van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Sensornet niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Sensornet € 98 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt Sensornet in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart de onder 6.2 en 6.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\nfjs","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14677","2026-07-13T00:28:30.046Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":39,"updatedAt":90},"360","ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","ecli-nl-rbdha-2026-11046","2026-04-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F699956 \u002F KG ZA 26-193\n\nVonnis in kort geding van 17 april 2026\n\nin de zaak van\n\nTMS GmbHte Viersen (Duitsland),\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. drs. F.J.J. Cornelissen en mr. M. Jonkers, beiden te Arnhem,\n\ntegen:\n\nDE STAAT DER NEDERLANDEN(MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT) te Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. J.E. Palm en mr. D. Wolters Rückert, beiden te Den Haag,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\nCONNEXXION TAXI SERVICES B.V.te IJsselmuiden,\n\nadvocaten mr. J.F. van Nouhuys en mr. S.G. Tichelaar, beiden te Rotterdam,\n\nen waarin zich hebben gevoegd:\n\n1. ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V. te Rotterdam en\n\n2. WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V. te Rotterdam,\n\nadvocaten mr. P.F.C. Heemskerk en mr. I. de Jong, beiden te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘TMS’, ‘de Staat’, ‘CTS’ en ‘de Combinatie’ (de gevoegde partijen gezamenlijk).\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 23 februari 2026, met producties 1 tot en met 4 en 6 tot en met 10;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van CTS;\n\n- de akte overlegging productie 5, met een begeleidende brief van 24 maart 2026 van de zijde van TMS;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van de zijde van de Combinatie;\n\n- de akte overlegging producties 11 tot en met 13 van de zijde van TMS;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;\n\n- de akte houdende overlegging producties 1 en 2 van de zijde van CTS;\n\n- productie 5 van de zijde van TMS, met een begeleidende brief van 25 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling is gehouden op 27 maart 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaat van TMS, de Staat en CTS het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.\n\n1.3.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De incidenten tot tussenkomst, althans voeging\n\n2.1.. CTS heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat. Ter zitting hebben TMS en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. CTS is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n2.2.. De Combinatie heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen TMS en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van TMS. Ter zitting is er van de zijde van CTS terecht op gewezen dat de Combinatie, die net als TMS (samengevat) intrekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding heeft gevorderd, geen eigen vordering heeft (in)gesteld. De Combinatie heeft onvoldoende toegelicht welk zelfstandig belang zij heeft bij toewijzing van de door haar (voorwaardelijk) geformuleerde vorderingen. Nu de Combinatie haar belang bij voeging aan de zijde van TMS wel voldoende concreet heeft gemaakt en TMS, de Staat en CTS tegen die voeging geen bezwaar hebben gemaakt, wordt de Combinatie toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van TMS. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat niet is gebleken dat de voeging aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat, zodat er geen strijd met de goede procesorde in het algemeen ontstaat.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. In verband met de wens om de dienstverleningsovereenkomsten voor het Valys doelgroepenvervoer (bovenregionaal vervoer over een langere afstand van mensen met een mobiliteitsbeperking door bijvoorbeeld ziekte of een handicap) en het Sportvervoer opnieuw aan te besteden heeft de Staat (het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)) op 13 oktober 2023 een vooraankondiging voor die aanbesteding gedaan en gevraagd om informatie uit de markt (marktconsultatie). In die vooraankondiging, die is gepubliceerd op https:\u002F\u002Fted.europa.eu (TED), is een geraamde totale waarde van € 52.250.000,-- vermeld.\n\n3.2.. Na de marktconsultatie (en een cliëntconsultatie) heeft de Staat een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de opdracht “VWS EA – Valys 2026”, hierna ‘de opdracht’. De opdracht is op 25 februari 2025 aangekondigd op TenderNed. In de aankondiging is voor zover hier van belang vermeld:\n\n3.3.. Gelijktijdig met de aankondiging van de opdracht zijn de aanbestedingsstukken gepubliceerd. De aanbestedingsstukken konden, na registratie, via de “CTM Solution Aanbestedingstool” (CTM) worden gedownload.\n\n3.4.. Tot de aanbestedingsstukken behoort het Beschrijvend Document, met bijlagen, van 8 juli 2025, hierna ‘het Beschrijvend Document’. In het Beschrijvend Document is in paragraaf 1.2. als doel van de aanbesteding vermeld: “het sluiten van een Overeenkomst met een dienstverlener of een Combinatie van dienstverleners, voor regie en uitvoering van zowel het Valys-vervoer als het Sportvervoer.”. In paragraaf 2.5. van het Beschrijvend Document is opgenomen dat de te sluiten overeenkomst een initiële looptijd van zes jaar heeft, met de mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig en onder gelijkblijvende voorwaarden maximaal twee keer te verlengen voor een periode van maximaal twee jaar.\n\n3.5.. De omvang van de opdracht is in het Beschrijvend Document als volgt beschreven:\n\n3.6.. Voor de opdracht hebben zich vijf partijen ingeschreven, waaronder CTS en de Combinatie. Op 17 november 2025 is de opdracht voorlopig gegund aan CTS.\n\n3.7.. Drie inschrijvers op de opdracht, te weten de Combinatie, Transvision B.V. en de combinatie bestaande uit Qarin B.V., DVG Regie B.V., BEN’RR B.V., Taxicentrale Zwolle B.V., TCR B.V. en Vloettax B.V., hebben in verband met bezwaren tegen (de uitkomst van) de aanbestedingsprocedure ieder een kortgedingprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling in die procedures is gepland op 4 mei 2026.\n\n3.8.. Bij brief van 10 februari 2026 heeft mr. Cornelissen namens TMS aan de Staat meegedeeld dat de aanbestedingsprocedure moet worden ingetrokken omdat er gebreken aan kleven, als gevolg waarvan TMS geen reële kans heeft gekregen om de opdracht te verwerven. Daarbij is de Staat gesommeerd om de aanbestedingsprocedure in te trekken en de opdracht (desgewenst) opnieuw aan te besteden. De Staat heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. TMS vordert – zakelijk weergegeven – primairde Staat te gebieden om de Valys-aanbesteding in te trekken en ingetrokken te houden, om de Valys-opdracht opnieuw aan te besteden voor zover de Staat dat wenst, om bij een nieuwe aanbesteding van de Valys-opdracht in de aankondiging van de opdracht de (geraamde) waarde van de opdracht bekend te maken en in de aankondiging van de opdracht of in het bestek de maximale waarden en\u002Fof maximale hoeveelheid bekend te maken.Subsidiairvordert TMS een in goede justitie te bepalen maatregel te treffen die recht doet aan de belangen van TMS. Daarbij vordert TMS de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Daartoe stelt TMS – samengevat – het volgende. TMS is een Duits (personen)vervoersbedrijf, dat zich met name richt op specialistische chauffeursdiensten in de regio Viersen (Noord-Rijnland-Westfalen) in Duitsland en de omliggende regio’s. TMS heeft de ambitie om zich ook te richten op vervoersopdrachten in Nederland. TMS is pas in de gunningsfase door informatie van een concurrerend vervoersbedrijf bekend geworden met de aanbestedingsprocedure. TMS had graag aan de aanbestedingsprocedure willen deelnemen, maar zij heeft deze ondanks nauwlettende monitoring van aangekondigde overheidsopdrachten gemist. TMS heeft vastgesteld dat dit is veroorzaakt doordat er aan de aanbestedingsprocedure twee gebreken kleven. Allereerst heeft de Staat verzuimd om bij de aankondiging van de opdracht de (juiste) waarde ervan te vermelden. Omdat de Staat ervoor heeft gekozen om een waarde van € 1,-- te vermelden, is de opdracht niet bij TMS in beeld gekomen, omdat zij als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- hanteert. Het tweede gebrek bestaat er uit dat de Staat heeft verzuimd om bij de bekendmaking van de opdracht en in de aanbestedingsstukken de maximale opdrachtwaarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht te vermelden. De Staat moet deze gebreken in de aanbestedingsprocedure herstellen door een heraanbesteding van de opdracht, waarbij de geraamde waarde van de opdracht wordt vermeld en waarbij bekend wordt gemaakt wat de maximale waarde of de maximale hoeveelheid van de opdracht is.\n\n4.3.. De conclusies van de Staat en van CTS strekken tot afwijzing van de vorderingen van TMS. Hun verweren zullen hierna, voor zover nodig, worden besproken.\n\n4.4.. CTS vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden om CTS te passeren voor gunning van de opdracht, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen, met veroordeling van TMS in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.5.. Verkort weergegeven stelt CTS daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van TMS, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.\n\n4.6.. Voor zover nodig zullen de standpunten van TMS, de Staat en de Combinatie met betrekking tot de vorderingen van CTS hierna worden besproken.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\n5.1.. Tussen partijen is in geschil of de aanbestedingsprocedure zodanige gebreken kent dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna zal dit oordeel worden toegelicht.\n\nHet eerste gebrek: had de Staat de geraamde waarde van de opdracht moeten vermelden?\n\n5.2.. Volgens TMS was de Staat op grond van artikel 49 van de Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten (hierna ‘de Richtlijn’) en de daarbij behorende Bijlage V, deel C, verplicht om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging te vermelden. Als de Staat dit had gedaan, dan was de opdracht voor TMS, die als zoekfilter een minimale waarde van € 750.000,-- heeft ingesteld, in beeld gekomen en had zij er naar kunnen meedingen. Dit zoekfilter is immers gekoppeld aan het veld “geraamde waarde” dat door de aanbestedende dienst moet worden ingevuld in de aankondiging van de opdracht, aldus TMS. TMS heeft daarbij betoogd dat zij er bij het bepalen van haar zoekfilters geen rekening mee hoefde te houden dat in de aankondiging van de opdracht een onjuiste opdrachtwaarde van € 1,-- zou worden vermeld.\n\n5.3.. In artikel 49 van de Richtlijn is bepaald dat de aankondiging van een opdracht de informatie bevat als vermeld in bijlage V, deel C. In bijlage V, deel C, is in de punten 7. en 8. (samengevat) vermeld dat een beschrijving moet worden gegeven van de “aard en omvang van diensten”en dat de“geraamde totale orde van grootte van de opdracht”moet worden vermeld. De Staat heeft terecht aangevoerd dat in die punten niet wordt voorgeschreven dat de geraamde waarde in de aankondiging moet worden vermeld. Uit punt 7. blijkt immers niet dat de waarde van de opdracht deel uitmaakt van de beschrijving die moet worden gegeven, terwijl in het arrest van het Europese Hof van Justitie van 17 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:490 (Simonsen & Weel A\u002FS), hierna ‘het arrest Simonsen & Weel A\u002FS’, met betrekking tot de in punt 8. genoemde “geraamde totale orde van grootte van de opdracht” is overwogen dat het feit dat slechts wordt verwezen naar een “orde van grootte” en niet naar een nauwkeurig bepaalde waarde doet vermoeden dat de van de aanbestedende dienst gevraagde waardering“approximatief”kan zijn.\n\n5.4.. Daar komt nog het volgende bij. Bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2019\u002F1780 van de Commissie van 23 september 2019 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten, hierna ‘de Uitvoeringsverordening’, hoort een bijlage. In Tabel 2 van die bijlage zijn de velden in standaardformulieren en aankondigingen opgenomen, waarbij telkens wordt vermeld of de informatie in het betreffende veld verplicht (V) of facultatief (F) is. De Staat heeft er terecht op gewezen dat bij het onderdeel “De geraamde waarde van de aanbestedingsprocedure of het perceel gedurende de gehele looptijd ervan, met inbegrip van opties en verlengingen”in de hiervoor genoemde Tabel 2 de letter ‘F’ van facultatief is vermeld. Dit betekent dat uit de bijlage bij de Uitvoeringsverordening evenmin een verplichting kan worden afgeleid om de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging bekend te maken. Aan de stelling van TMS dat de Europese wetgever, althans de minister van VWS, het veld ‘waarde’ in het formulier waarmee een opdracht via TED\u002FTenderNed wordt aangekondigd verplicht heeft gesteld, wordt voorbij gegaan. Hiertegenover heeft de advocaat van CTS immers voldoende aannemelijk gemaakt dat de verplicht gestelde gebruikmaking van TED\u002FTenderned is uitgewerkt door programmeurs, die ervoor hebben gekozen om het veld ‘waarde’ in het formulier voor de aankondiging van een opdracht op te nemen, en dat die keuze dus niet het gevolg is van een wettelijk voorschrift.\n\n5.5.. \n\nTegen de achtergrond van het voorgaande heeft De Staat voldoende onderbouwd dat hij niet verplicht was de geraamde waarde van de opdracht in de aankondiging op te nemen.\n\nMede in het licht van het betoog van de Staat dat op de waarde van de totale opdracht een groot aantal variabelen van invloed is, waaronder het aantal te rijden kilometers en de hoogte van de vergoeding, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om in de aankondiging van de opdracht het evident fictieve bedrag van € 1,-- op te nemen, om op die manier de potentiële inschrijvers aan te moedigen om voor de opdrachtwaarde de aanbestedingsstukken te raadplegen.\n\n5.6.. Dat TMS ervoor heeft gekozen om in haar zoekfilter een minimale waarde van de opdracht van € 750.000,-- te hanteren, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico moet komen en betekent niet dat de Staat de aanbestedingsprocedure anders had moeten inrichten. Daar komt nog bij dat de Staat in de marktconsultatie een waarde van meer dan € 750.000,-- heeft opgenomen, zodat in ieder geval die marktconsultatie in de aanloop naar de opdracht met het door TMS gebruikte zoekfilter zichtbaar had kunnen worden.\n\n5.7.. Reeds gelet op het voorgaande levert het ontbreken van de geraamde waarde in de aankondiging van de opdracht geen gebrek op dat in trekking van de aanbestedingsprocedure en heraanbesteding rechtvaardigt. Op de overige argumenten die TMS in het kader van dit gestelde gebrek naar voren heeft gebracht, hoeft daarom niet meer te worden ingegaan.\n\nHet tweede gebrek: had de Staat de maximale waarde en\u002Fof hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken?\n\n5.8.. TMS heeft gesteld dat de Staat in de aankondiging van de opdracht en\u002Fof in de aanbestedingsstukken heeft verzuimd om de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van de opdracht bekend te maken. Ook om die reden is de aanbestedingsprocedure volgens TMS gebrekkig en moet deze worden ingetrokken.\n\n5.9.. De Staat heeft er allereerst op gewezen dat de maximale waarde en\u002Fof de maximale hoeveelheid van een opdracht alleen moet(en) worden vermeld bij een raamovereenkomst. Anders dan TMS heeft gesteld betreft de onderhavige aanbestedingsprocedure niet het sluiten van een raamovereenkomst, waarin de voorwaarden worden vastgelegd waaronder met de individuele reizigers vervoersopdrachten worden gesloten. De Staat heeft voldoende uiteengezet dat deze aanbesteding ziet op een concrete opdracht voor het uitvoeren van Valys- en Sportvervoer, met inbegrip van ondersteunende taken en verantwoordelijkheden. De Staat heeft daarbij toegelicht dat de werkzaamheden die de opdrachtnemer moet uitvoeren nauwkeurig zijn omschreven in het Programma van Eisen en dat van deelopdrachten of verdere bemoeienis van de Staat met de uitvoering van de opdracht geen sprake is.\n\n5.10.. Ook als moet worden aangenomen dat geen sprake is van een raamovereenkomst had de Staat volgens TMS de maximale waarde en hoeveelheid van de opdracht bekend moeten maken, omdat anders de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijke behandeling en transparantie in het geding komen. Daarbij heeft TMS uiteengezet dat de Staat de maximale waarde en hoeveelheid in de aankondiging van de opdracht had moeten opnemen en dat hij op grond van het arrest Simonsen & Weel A\u002FS alleen mocht volstaan met vermelding daarvan in de aanbestedingsstukken als aan de voorwaarde van kosteloze, rechtstreekse en volledige toegang tot die aanbestedingsstukken is voldaan. TMS heeft er in dit verband op gewezen dat een inschrijver om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken een registratieproces moest doorlopen en dat dat voor een buitenlandse partij als TMS niet eenvoudig is, omdat zij niet beschikt over een KvK-nummer dat voor de registratie noodzakelijk is. Aan dit betoog gaat de voorzieningenrechter voorbij. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van CTS er op gewezen dat een buitenlandse partij bij de registratie gebruik kon maken van haar eigen (buitenlandse) registratienummer, dat zij had kunnen invullen in een veld dat tijdens de registratie verscheen nadat eerst een (fictief) nummer in het veld voor het KvK-nummer was ingevuld. Verder heeft de Staat aangevoerd dat een buitenlandse partij desgewenst eenvoudig contact kon opnemen met de servicedesk van CTM wanneer zij tegen een probleem aanliep bij de registratie, waarna een code werd verstrekt om toegang te krijgen tot de aanbestedingsstukken. Hiertegenover heeft TMS onvoldoende concreet gemaakt dat buitenlandse partijen door het door de Staat gekozen registratieproces op onredelijke wijze zijn beperkt in hun mogelijkheden om kennis te nemen van de aanbestedingsstukken.\n\n5.11.. Ten slotte heeft TMS gesteld dat de aanbesteding gebrekkig is, omdat de maximale waarde en de maximale hoeveelheid van de opdracht ook niet uit de aanbestedingsstukken blijken. Volgens TMS is in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document opgenomen dat de in de bijlagen 17 en 34 bij het Beschrijvend Document vermelde aantallen kilometers een indicatie zijn van de omvang van de opdracht. TMS heeft daarbij uiteengezet dat de bedoelde bijlagen uit een groot aantal Excel-documenten bestaan, met in totaal ongeveer vierhonderdduizend regels met historische ritdata, en dat een inschrijver het aantal kilometers per rit of het totale aantal kilometers – en daarmee de indicatie – daaruit niet op een eenvoudige wijze kan opmaken. Verder heeft TMS erop gewezen dat in paragraaf 2.6. van het Beschrijvend Document is vermeld dat een overeenkomst wordt gesloten met een omvang van 150% van de indicatie en dat, nu de indicatie niet duidelijk is, ook hieruit onvoldoende blijkt wat de omvang van de opdracht is.\n\n5.12.. De Staat heeft hiertegenover aangevoerd dat in paragraaf 2.3.2. en 2.3.3. van het Beschrijvend Document een aantal kengetallen zijn genoemd om een beeld te geven van het Valys-vervoer en het Sportvervoer, waarbij is verwezen naar cijfermatige informatie over de opdracht, gebaseerd op het uitgevoerde vervoer in de jaren 2018\u002F2019 tot en met 2024 Q3 (de bijlagen 17 tot en met 20 bij het Beschrijvend Document voor het Valysvervoer en de bijlagen 34 en 35 bij het Beschrijvend Document voor het Sportvervoer). Daarbij heeft de Staat toegelicht dat inschrijvers op basis van de verstrekte informatie met behulp van de software die zij als vervoerder tot hun beschikking hebben, op eenvoudige wijze een goede inschatting konden maken van de waarde van de opdracht, door het gemiddelde aantal kilometers uit te rekenen, dat aantal te vermenigvuldigen met de looptijd van de overeenkomst en de uitkomst te vermenigvuldigen met 150%. De Staat heeft daarmee voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de in het arrest Simonsen & Weel A\u002FS geformuleerde rechtsregels en dat van schending van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie geen sprake is.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n5.13.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vorderingen van TMS worden afgewezen. Voor het treffen van een andere maatregel die recht doet aan de belangen van TMS ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, zodat ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen.\n\n5.14.. Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan CTS, brengt voormelde beslissing mee dat CTS geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. CTS zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet TMS in haar verhouding tot CTS worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van CTS was immers te voorkomen dat de opdracht aan TMS zou worden gegund, welk doel is bereikt. TMS zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van CTS. Voorts zullen TMS en de Combinatie, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.\n\n5.15.. De proceskosten van zowel de Staat als CTS worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,--\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,--\n\n- nakosten\n\n€ 189,--\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,--\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst de vorderingen af;\n\n6.2.. veroordeelt CTS voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;\n\n6.3.. veroordeelt TMS in de proceskosten van CTS, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet TMS € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.4.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de proceskosten van de Staat, begroot op € 2.101,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als TMS en de Combinatie niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten TMS en de Combinatie € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.5.. veroordeelt TMS in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van CTS, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.6.. veroordeelt TMS en de Combinatie in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten ten behoeve van de Staat, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.7.. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.\n\nmvt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11046","2026-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.035Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":39,"updatedAt":99},"435","ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","ecli-nl-rbdha-2026-6822","2026-03-17T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F697687 \u002F KG ZA 26\u002F35\n\nVonnis in kort geding van 17 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Maatschap [eiser 1] te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n2. [eiser 2]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),\n\n3. [eiser 3]te [woonplaats] (gemeente [gemeente] )\n\neisers,\n\nadvocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle,\n\ntegen:\n\nGemeente Teylingente Sassenheim (gemeente Teylingen),\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. R.C. Geurtsen en mr. H.J. Doelman te Den Haag.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Maatschap’ en ‘de Gemeente’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Gemeente overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;\n\n- de door de Maatschap overgelegde productie 11.\n\n- de op 24 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Maatschap pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Gemeente is eigenaar van diverse pachtgronden in de gemeente Warmond en Voorhout, waaronder de landbouwpercelen kadastraal bekend gemeente Voorhout, [kadastraal nummer] (hierna ook: de [adres] ). Deze percelen worden al geruime tijd door de Maatschap gepacht ten behoeve van hun extensieve melkveehouderijbedrijf. De pachtovereenkomsten voor deze gronden liepen af op 31 december 2024.\n\n2.2.. In verband met de uitgifte van de nieuwe pachtovereenkomsten voor o.a. de [adres] heeft de Gemeente in oktober 2024 een openbare selectieprocedure georganiseerd, waarbij kon worden ingeschreven op vijf verschillende clusters (hierna: Selectieprocedure I). De Maatschap heeft zich ingeschreven op twee van deze clusters, waaronder de [adres] .\n\n2.3.. Bij brief van 29 januari 2025 is door de rentmeester aan de Maatschap kenbaar gemaakt dat aan haar de pacht van cluster [adres] wordt toegekend. Daarbij is het volgende opgemerkt:\n\n “Vanwege de termijn waarbinnen andere inschrijvers de mogelijkheid hebben om beroep\u002Fbezwaar aan te tekenen, zal aan u na week 9 (vanaf 24 februari 2025) gecommuniceerd worden of de gunning definitief is of dat er een beroep\u002Fbezwarenprocedure gevolgd moet worden. In het eerste geval kunt u de pachtovereenkomst na week 9 ter ondertekening tegemoet zien.”\n\n2.4.. Bij brief van 11 februari 2025 heeft de Gemeente de Maatschap laten weten dat zij de voorlopige gunningsbeslissing intrekt, omdat – kort gezegd – de openbare selectieprocedure niet (volledig) voldeed aan de eisen uit het Didam-arrest en herstel van de procedure niet mogelijk is.\n\n2.5.. De Maatschap heeft op 18 februari 2025 pro forma bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing.\n\n2.6.. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Gemeente de Maatschap bij brief van 27 maart 2025 laten weten dat zij haar standpunt om de voorlopige gunning in te trekken handhaaft en een nieuwe procedure zal opstarten. In de brief staat dat indien de Maatschap zich hier niet mee kan verenigen, zij, op straffe van verval van recht, binnen 10 werkdagen een kort geding procedure aanhangig moet maken.\n\n2.7.. In afwachting van de uitkomst van een nieuw te organiseren selectieprocedure heeft de Gemeente met de zittende pachters, waaronder de Maatschap, bruikleenovereenkomsten gesloten met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.\n\n2.8.. Op 11 september 2025 heeft de Gemeente het concept van de inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe selectieprocedure en de Tabel met (natuur inclusieve) maatregelen gedeeld met de inschrijvers van Selectieprocedure I, de pachters die in 2024 een pachtovereenkomst hadden gesloten met de Gemeente en alle (overige) boeren die actief zijn binnen de gemeentegrenzen. Vervolgens hebben er ‘keukentafelgesprekken’ plaatsgevonden en is er op 24 september 2025 een informatieavond georganiseerd.\n\n2.9.. Op 3 november 2025 heeft de Gemeente de definitieve inschrijfvoorwaarden voor de nieuwe openbare selectieprocedure (hierna: Selectieprocedure II) op haar website gepubliceerd. Daarin is onder het kopje ‘beleid toewijzing pachtgronden’ toegelicht dat de inschrijver met de meeste punten op een perceel het pachtcluster krijgt toegewezen. Gegadigden kunnen op drie manieren punten verdienen:\n\n1. Door zich te committeren aan natuur inclusieve maatregelen, zoals het gebruik van\n\nvaste mest en een uitgestelde maaidatum;\n\n2. Door de reisafstand tot het pachtperceel; en\n\n3. Door middel van toewijzing op basis van een eigen toelichting.\n\nOver de beoordeling van de eigen toelichting als bedoeld onder 3. is in de inschrijfvoorwaarden het volgende opgenomen:\n\n“3. Beoordelingscommissie\n\nDe eigen toelichting van de inschrijver wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie,\n\nbestaande uit de volgende expertises: Landbouw, ecologie, overheid, rentmeester (als\n\nsecretaris). (hierna: ‘de Beoordelingscommissie’). Voor dit onderdeel worden maximaal 20\n\npunten toegekend.\n\nIn de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’ is beschreven dat\n\nde Gemeente waar nodig stimuleert onderdeel te zijn van de verbrede landbouw. De\n\nverbrede landbouw is een vorm van landbouwbedrijfsvoering waarin nevenactiviteiten een\n\ngrote rol spelen. Deze activiteiten worden in vier groepen verdeeld:\n\n- Groene diensten met betrekking tot milieu-, natuur- en landschapsbeheer;\n\n- Blauwe diensten met betrekking tot waterbeheer;\n\n- Diensten gericht op cohesie en vitaliteit op het platteland (zoals bijv. educatie,\n\nrecreatie, zorg, aanbod van opslagruimte en arbeid buiten het bedrijf); en\n\n- Diensten gericht op een rendabele, goede en voldoende voedselproductie\n\n(waaronder ook begrepen de ontwikkeling van streekproducten, voedselverwerking\n\nen verkoop aan huis).\n\nDe inschrijver zet in zijn eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen op welke wijze zijn\n\nbedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw als hiervoor beschreven. De inschrijver\n\nhoeft daarbij niet in te gaan op alle hiervoor beschreven diensten. De inschrijver richt zich\n\nalleen op de diensten waarop hij naar eigen inzicht een bijdrage levert. Het toe te kennen\n\naantal punten is niet afhankelijk van het aantal diensten dat wordt genoemd, maar van de\n\nkwaliteit van de benoemde bijdragen en de mate waarin de bijdragen van de bedrijfsvoering\n\novertuigend zijn onderbouwd en het maatschappelijke effect van de bijdragen. Ter illustratie:\n\neen dienst met een grote maatschappelijke impact krijgt meer punten dan een dienst die\n\nprimair een economische meeropbrengst heeft (zoals bijv. de ontwikkeling van\n\nstreekproducten of verkoop aan huis).”\n\nHet aantal te behalen punten is afhankelijk van de mate waarin de inschrijver volgens de beoordelingscommissie een inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van zijn\u002Fhaar bijdrage aan de verbrede landbouw. Daarbij wordt gekeken naar in hoeverre de beschrijving specifiek, meetbaar, realistisch en uitvoerbaar is.\n\n2.10.. Over de beoordeling van de eigen toelichting (onderdeel 3.) is na publicatie van de (concept) inschrijfvoorwaarden één vraag gesteld, te weten hoeveel punten er bij dat onderdeel te verdelen zijn.\n\n2.11.. De Maatschap heeft zich inschreven voor twee van de zes clusters (cluster 5 en cluster 6 (de [adres] )). In haar eigen toelichting heeft zij het volgende opgeschreven:\n\n“Hierbij een korte beschrijving van onze boerderij.\n\nWij hebben een boerderij met melkkoeien aan het einde van de Menneweg.\n\nHet grootste deel van het weiland ligt in de Kooipolder in Warmond en de Floris Schoutenpolder in Sassenheim.\n\nMijn opa is hier begonnen omstreeks 1925. Mijn vader en twee broers hebben de boerderij in twee afzonderlijke boerderijen voortgezet. En wij hebben het weer van onze vader overgenomen.\n\nWij hebben een extensief melkveehouderijbedrijf.\n\nDit willen we graag zo houden. Maar daarvoor moeten we wel voldoende hectares weiland hebben.\n\nDit is in de huidige situatie geen probleem.\n\nEchter, wanneer wij de 3,2 ha. weiland kwijt raken die we nu al jaren pachten van de gemeente\n\nTeylingen dan worden we minder extensief.\n\nBovendien kunnen we ook de 2,5 hectare weiland van [naam 1] niet langer gebruiken, omdat hier gebouwd wordt.\n\nHet extensieve karakter van ons bedrijf komt in gevaar wanner we ook de 3,2 ha kwijt raken.\n\nEen aantal unieke punten van onze boerderij:\n\nOns vee wordt dag en nacht geweid. De mensen zien graag het vee buiten lopen.\n\nWe krijgen daar positieve reacties op.\n\nWe hebben sterke koeien van het zelf gekruiste ras MRIJ en FH.\n\nIn de Kooipolder in Warmond hebben we op een dijk aan de Kagerplassen een natuurvriendelijke oever van ongeveer 500 meter lang en 6 meter breed.\n\nHet bedrijf is extensief.\n\nOm de levensvatbaarheid van onze boerderij in stand te houden voor de beoogd opvolger hebben wij voldoende land nodig”\n\n2.12.. De Gemeente heeft op 12 december 2025 de voorlopige uitslag van de gunning bekend gemaakt. Daarbij is aan de Maatschap meegedeeld dat geen van de clusters waarvoor zij zich had ingeschreven aan haar is gegund, omdat zij op beide clusters minder punten heeft behaald dan de winnende inschrijver. In het verslag van de beoordelingscommissie is over de inschrijvingen op cluster 6 het volgende vermeld (de Maatschap is Inschrijver 3, de winnende inschrijver is Inschrijver 8, (hierna: [naam 2] )):\n\n“Voor cluster 6 zijn vier inschrijvingen.\n\nInschrijver 3- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit hun eigen toelichting blijkt dat het een extensief bedrijf betreft die aan de Eco-regeling zilver voldoet. De historie van het bedrijf en rol in de lokale gemeenschap wordt meegewogen.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 4- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nIn de eigen toelichting scoort dit bedrijf goed op veel punten, met name op verduurzaming, natuur, weidegang en lokale verkoop van producten.\n\nEr worden 20 punten toegekend.\n\nInschrijver 5- Geen opmerkingen op de tabel.\n\nUit de eigen toelichting blijkt een inzet op efficiëntie, innovatie en weidegang. Ook draagt het\n\nbedrijf bij aan recreatie- en cultuurhistorische doelstellingen van de gemeente.\n\nEr worden 10 punten toegekend.\n\nInschrijver 8- De maatregel aanvoeren organische stof wordt weggestreept.\n\nUit de eigen toelichting blijkt dat het een bedrijf is dat hoog scoort op duurzaamheid, aandacht\n\nvoor jonge boeren, innovatie en efficiëntie.\n\nEr worden 20 punten toegekend.”\n\n2.13.. Op 17 februari 2026 heeft de beoordelingscommissie in verband met dit kort geding de gunning van cluster 6 nader toegelicht. Daarbij is over de eigen toelichting van de Maatschap onder andere nog het volgende gezegd:\n\n“ Een groot deel van de toelichting gaat in op het belang van het bedrijf om de grond in gebruik te krijgen. Dit is van toepassing op ieder bedrijf en daarom geeft dit geen extra punten voor de beoordeling. Ook het gegeven dat het bedrijf andere pachtgrond kwijtraakt, biedt geen basis om extra punten toe te kennen in de beoordeling.\n\nDe inschrijver levert een inhoudelijke bijdrage aan de verbrede landbouw, maar enkel op het\n\ngebied van duurzame landbouw en (heel beperkt) natuur en biodiversiteit. In de toelichting is niet, of althans beperkt, ingegaan op de maatschappelijke bijdrage van de inschrijver.\n\nDe beoordelingscommissie is daarom van oordeel dat de inschrijver een voldoende, inhoudelijk relevante en toepasselijke beschrijving heeft gegeven van de bijdrage aan verbrede landbouw. De beoordelingscommissie kent daarom 50% van de te behalen punten toe.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De Maatschap vordert – na wijziging van eis – dat de voorzieningenrechter de Gemeente\n\nprimair:\n\nI. veroordeelt om de percelen [kadastraal nummer] met ingang van 1 januari 2026 voor de duur van zes jaar aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht uit te geven voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de door de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nsubsidiair:\n\nII. indien de percelen [kadastraal nummer] door de Gemeente in pacht wordt\u002Fworden uitgegeven, veroordeelt om deze percelen alsdan met ingang van 1 januari 2026 aan de Maatschap in geliberaliseerde pacht tot 1 januari 2032 aan te bieden voor een pachtprijs van € 977,45 per hectare per jaar en overigens met inachtneming van de Maatschap geaccordeerde natuur inclusieve maatregelen;\n\nmeest subsidiair:\n\nIII. verbiedt om de percelen [kadastraal nummer] in pacht uit te geven zonder daaraan voorafgaand opnieuw een openbare selectieprocedure te hebben doorlopen die in overeenstemming is met de regels uit de Didam-arresten en overigens in overeenstemming met de uitkomsten van die selectieprocedure alsmede om de Gemeente te gelasten tot dat moment de met de Maatschap bestaande bruikleenovereenkomst met betrekking tot genoemde percelen te continueren;\n\nIV. indien wordt geoordeeld dat de door de Gemeente gehanteerde gunningscriteria voldoende redelijk, objectief en controleerbaar zijn, doch daaruit een ongelijke waardering van de eigen toelichtingen van [naam 2] en de Maatschap niet kan worden afgeleid, veroordeelt om de uitgifte van de percelen in geliberaliseerde pacht aan hetzij [naam 2] , hetzij de Maatschap ten overstaan van een notaris te doen bepalen door het lot.\n\nIn alle gevallen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.\n\n3.2.. Daartoe voert de Maatschap ten aanzien van de primaire en subsidiaire vordering– samengevat – het volgende aan. De gunning die het resultaat was van Selectieprocedure I kon niet door de Gemeente worden ingetrokken. In de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is enkel een voorbehoud gemaakt voor het geval dat de uitkomsten van door andere inschrijvers te initiëren bezwaar\u002Fberoepsprocedures aanleiding geven om de gunning in te trekken. Die situatie heeft zich niet voorgedaan. Andere inschrijvers hebben immers geen bezwaar- of beroep aangetekend tegen de gunning van de [adres] aan de Maatschap. De Maatschap heeft dan ook terecht geprotesteerd tegen de intrekking van de gunning. Daar komt bij dat juist vanwege het ontbreken van een concurrerende inschrijving of gegadigde, volgens de Maatschap niet valt in te zien waarom de Gemeente op basis van de zogenoemde Didam-regels gehouden was om voor de [adres] opnieuw een openbare selectieprocedure te doorlopen.\n\n3.3.. Ter onderbouwing van de meest subsidiaire vordering stelt de Maatschap dat de selectiecriteria van Selectieprocedure II niet voldoen aan de eisen van objectiviteit, redelijkheid en controleerbaarheid als bedoeld in de Didam-arresten. Volgens de Maatschap is het derde gunningscriterium de ‘eigen toelichting’ onredelijk, onvoldoende objectief en onvoldoende controleerbaar. In de inschrijfvoorwaarden zijn geen objectieve criteria benoemd op basis waarvan de eigen toelichting verifieerbaar kan worden gewogen. Zo is niet duidelijk welke rol het criterium van ‘verbrede landbouw’ vervult – of welk gewicht daaraan wordt toegekend – bij de uitvoering van de in de uitwerking van het derde gunningcriterium benoemden diensten. Dat klemt te meer omdat het gaat om de gronduitgifte van een weiland in pacht, hetgeen per definitie impliceert dat sprake moet zijn landbouwactiviteiten. De in de uitwerking door de Gemeente als voorbeeld genoemde diensten die gericht zijn op cohesie en vitaliteit op het platteland zijn evenwel alle niet-landbouwactiviteiten. Die diensten zouden dan ook niet bij de waardering voor de uitgifte in pacht betrokken mogen worden, althans daaraan moet minder gewicht worden toegekend dan aan diensten die op zichzelf niet op gespannen voet staan met een bedrijfsmatige landbouwexploitatie. Mede gelet hierop is voor de Maatschap – en eenieder ander – niet duidelijk waarom aan de eigen toelichting van [naam 2] een hogere waardering is toegekend dan aan de eigen toelichting van de Maatschap. In dat verband merkt zij op dat inpachtgeving van de percelen aan de Maatschap duidelijk bijdraagt aan de verbetering van een zogenoemde groene dienst, terwijl uit niets blijkt dat inpachtgeving van de percelen aan [naam 2] bijdraagt aan de verbrede landbouwactiviteiten die hij in zijn eigen toelichting heeft omschreven. Een en ander brengt volgens de Maatschap mee dat de wijze waarop de Gemeente Selectieprocedure II heeft gevoerd leidt tot willekeur en daarom onrechtmatig is.\n\n3.4.. De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nSelectieprocedure I\n\n4.1.. Met haar primaire en subsidiaire vordering beoogt de Maatschap nakoming van de (voorlopige) gunningingsbeslissing van 29 januari 2025. Daarbij stelt zij de intrekking van die beslissing door de Gemeente ter discussie. De voorzieningenrechter zal eerst deze op (de uitkomst van) Selectieprocedure I betrekking hebbende vorderingen beoordelen.\n\n4.2.. Het meest verstrekkende verweer dat de Gemeente aanvoert is dat de Maatschap haar rechten om te klagen over de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 heeft verwerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beroep op rechtsverwerking slaagt.\n\n4.3.. Niet in geschil is dat de Maatschap tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van de gunningsbeslissing van 29 januari 2025. De Gemeente heeft in haar brief van 27 maart 2025 al aan de Maatschap laten weten dat dit bezwaar voor haar geen aanleiding geeft om het standpunt de intrekking te herzien. In die brief staat ook dat de Maatschap, op straffe van verval van recht, een kort geding moet starten als zij zich niet met de beslissing van de Gemeente kan verenigen. De Maatschap heeft dat toen, om onbekende reden, niet gedaan. Vervolgens is de Gemeente gestart met (de voorbereidingen van) Selectieprocedure II, met alle kosten van dien. De Maatschap heeft meegedaan aan die nieuwe selectieprocedure en heeft zich zonder enig gebleken voorbehoud ingeschreven op twee van de zes clusters. Zij had toen ook al met de Gemeente een bruikleenovereenkomst gesloten voor het gebruik van de [adres] in de periode 1 januari 2025 tot 31 december 2025. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Gemeente aan deze gang van zaken, waarbij de Maatschap tot aan deze procedure kennelijk geen enkele keer haar bezwaar opnieuw onder de aandacht heeft gebracht, het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de Maatschap zich bij de intrekking had neergelegd. Om die reden kan de Maatschap de rechtsgeldigheid van de intrekking van de gunningsbeslissing nu niet meer in rechte aanvechten. Dat – voor zover al juist – de Gemeente nog in staat is om in overeenstemming met de gunningingsbeslissing van 29 januari 2025 een geliberaliseerde pachtovereenkomst met de Maatschap aan te gaan voor de [adres] , maakt dat niet anders.\n\n4.4.. Nu gelet op het voorgaande tussen partijen heeft te geleden dat de gunningsbeslissing van 29 januari 2025 is ingetrokken, kan de Maatschap daarvan geen nakoming vorderen. De primaire en subsidiaire vordering moeten daarom worden afgewezen.\n\nSelectieprocedure II\n\n4.5.. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de meest subsidiaire vordering. Ter onderbouwing van die vordering stelt in de Maatschap zich in de op het standpunt dat het selectiecriterium ‘eigen toelichting’, niet voldoet aan de eisen die daaraan gelet op de Didam-arresten moeten worden gesteld. Gelet op de mogelijkheden die de Maatschap voorafgaand aan de inschrijving heeft gehad om dit bezwaar tegen het selectiecriterium aan de orde te stellen, althans daarover vragen te stellen, acht de voorzieningenrechter het door de Gemeente gevoerde verweer dat de Maatschap haar recht om daarover te klagen heeft verwerkt goed verdedigbaar. Maar ook als aan dat verweer voorbij wordt gegaan, kan het door de Maatschap gestelde niet leiden tot toewijzing van haar vordering, zo volgt uit het hiernavolgende.\n\n4.6.. Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente bij de verpachtingen van de [adres] de door de Hoge Raad in de Didam-arresten geformuleerde regels in acht moet nemen. Dit betekent, kort gezegd, dat de Gemeente gelegenheid moet bieden aan alle potentiële gegadigden om mee te dingen naar de pacht van de [adres] . De Gemeente dient daartoe objectieve, toetsbare en redelijke criteria op te stellen aan de hand waarvan een pachter kan worden geselecteerd. Een selectieprocedure kan achterwege worden gelaten als slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de pachtovereenkomst.\n\n4.7.. Voor zover de Maatschap meent dat zij in dit geval de enige serieuze gegadigde was voor de pacht van de [adres] en de Gemeente Selectieprocedure II daarom achterwege had moeten laten, volgt de voorzieningenrechter haar daarin niet. Als de voorzieningenrechter het goed begrijpt baseert de Maatschap dit op het feit dat geen andere, concurrerende, inschrijvers bezwaar en beroep hebben aangetekend tegen de gunningsbeslissing van 29 januari 2025, waarbij de [adres] (voorlopig) aan de Maatschap was gegund. Daarmee is echter nog niet gezegd dat op voorhand al vaststond dat die andere inschrijvers niet als serieuze gegadigden voor de pacht van de [adres] konden worden aangemerkt. Dat die conclusie niet gerechtvaardigd is, wordt bevestigd door de uitkomst van Selectieprocedure II.\n\n4.8.. De regel dat de selectiecriteria objectief, toetsbaar en redelijk dienen te zijn, betekent niet dat een overheidslichaam alleen mag selecteren op basis van selectiecriteria die zuiver objectief zijn, denk aan hoogste prijs, volgorde van binnenkomst of loting. Een overheidslichaam komt de vrijheid toe kwaliteitscriteria te hanteren die op een meer subjectieve wijze beoordeeld worden in het kader van een vergelijking van de verschillende inschrijvingen. Vanzelfsprekend is inherent aan het gebruik van dergelijke criteria dat de uitkomst van de procedure minder voorspelbaar wordt, en dat bergt het risico op (schijn van) favoritisme, willekeur of ongelijkheid in zich. Bij het hanteren van dergelijke criteria zal het overheidslichaam daarom voldoende inzichtelijk moeten maken waarop zij haar uiteindelijke keuze baseert en wel aan de hand van de geformuleerde wensen die aan de inschrijvers op voorhand bekend zijn gemaakt als relevant voor de beoordeling.\n\n4.9.. \n\nIn dit geval heeft de Gemeente een selectiecriterium opgesteld dat van de inschrijvers vraagt om in een eigen toelichting concreet en onderbouwd uiteen te zetten op welke wijze hun bedrijf een bijdrage levert aan de verbrede landbouw. Daarmee heeft zij aansluiting gezocht bij de door haar in de Omgevingsvisie geformuleerde beleidsdoelstellingen. De Gemeente heeft dit selectiecriterium naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen hanteren zonder het stimuleren van verbrede landbouw nadrukkelijk te koppelen aan de vraag of dit de toekomstbestendigheid van het bedrijf van de inschrijver zelf ten goede komt. Anders gezegd: de Gemeente mocht gelet op de haar toekomende beleidsvrijheid het selectiecriterium vormgeven op de wijze zoals zij dat heeft gedaan.\n\nDe beoordeling van de uiteenzetting van de inschrijver over de bijdrage aan de verbrede landbouw draagt, als hiervoor gezegd, een zekere mate van subjectiviteit in zich: de beoordelingscommissie ‘waardeert’ immers de beschrijving c.q. argumenten van de inschrijver. De Gemeente is daarom gehouden te beoordelen op basis van punten waarvan vooraf voldoende bekend was dat deze relevant waren voor de beoordeling van de eigen toelichting en zal voldoende inzicht moeten gegeven in de relevante redenen die aan de puntentoekenning voor de eigen toelichting van de inschrijvers ten grondslag liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de Gemeente zich hiervan kennelijk bewust geweest en heeft de Maatschap in ieder geval niet geconcretiseerd dat en waarom de Gemeente in redelijkheid niet tot de weging heeft kunnen komen die heeft geleid tot de door de Maatschap bestreden uitkomst.\n\n4.10.. Uit de toelichting op de puntensystematiek volgt genoegzaam dat het bij de beoordeling van de eigen toelichting gaat om de wijze waarop en de mate waarin het bedrijf van de inschrijver door het verrichten van nevenactiviteiten\u002F-diensten bijdraagt aan de verbrede landbouw. Duidelijk is gemaakt dat de Gemeente daarbij niet zozeer waarde hecht aan kwantiteit, maar veel meer aan de kwaliteit en de maatschappelijke impact die de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver hebben. Dat betekent, zo is uitgelegd, dat activiteiten met een grote maatschappelijk impact hoger wordt gewaardeerd. Uit de toelichting blijkt niet dat ook een onderscheid in waardering\u002Fweging wordt gemaakt tussen de in de toelichting genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten. Daarnaast blijkt niet dat de mate waarin een activiteit te maken heeft met de uitoefening van landbouw voor het toe te kennen aantal punten van belang is. Anders dan de Maatschap kennelijk meent, stond het de Gemeente gelet op de aan haar toekomende beleidsvrijheid vrij om die keuzes te maken.\n\n4.11.. Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat de motivering van de gunningsbeslissing gebrekkig is. Zelfs als juist is dat de Maatschap, zoals zij stelt, gelet op haar extensieve bedrijfsvoering en haar zilveren eco-regeling hoger scoort op het voor de landbouw relevante criterium van ‘groene diensten’ dan [naam 2] , betekent dat niet dat de beoordelingscommissie ten onrechte meer punten heeft toegekend aan de eigen toelichting van [naam 2] . Op basis van de aan de inschrijvers verstrekte informatie geldt dat niet de aard van de verbrede landbouwactiviteiten van het bedrijf van de inschrijver, maar het maatschappelijk effect daarvan bepalend is voor de waardering. Uit de motivering van de beoordelingscommissie volgt dat het bedrijf van [naam 2] hoog scoort op duurzaamheid, aandacht voor jonge boeren, innovatie en efficiëntie. De Maatschap heeft niet weersproken dat deze bijdragen een hoger en breder maatschappelijk effect hebben dan de als positief beoordeelde bijdragen van de Maatschap aan verbrede landbouw (eco-regeling zilver, historie van het bedrijf en de rol in de lokale gemeenschap). De stellingen van de Maatschap komen erop neer dat zij meent dat de beoordelingscommissie bij de toetsing van de eigen toelichting ten onrechte niet heeft gekeken of en in hoeverre de inpachtgeving van de percelen aan de betreffende inschrijver bijdraagt aan diens in de eigen toelichting beschreven verbrede landbouwactiviteiten. In dit verband wijst zij erop dat het landbouwbedrijf van [naam 2] een intensief veehouderijbedrijf is. Dit heeft volgens haar tot gevolg dat de eventuele inpachtgeving totaal niet bijdraagt aan een duurzame bedrijfsvoering of een positieve impact heeft op de natuur. Daar staat tegenover dat de uitgifte in pacht van de percelen aan de Maatschap wel duidelijk bijdraagt aan een verbetering van een zogenoemde groene dienst, omdat zij daardoor haar extensieve bedrijfsvoering kan worden behouden. De Maatschap legt daarmee aldus een verband tussen het gebruik van de in pacht uit te geven landbouwpercelen en de verbrede landbouwactiviteiten die de inschrijver in zijn eigen verklaring heeft omschreven. Met de Gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Maatschap hiermee miskent dat de eigen toelichting niet enkel ziet op hoe het gepachte gaat worden gebruikt, maar op de bijdrage van het bedrijf van de inschrijver aan verbrede landbouw in het algemeen.\n\n4.12.. De Maatschap heeft er verder nog op gewezen dat de beoordelingscommissie het belang van de het voorgezette gebruik van de landbouwpercelen voor haar bedrijfsvoering terzijde heeft geschoven omdat dit voor alle inschrijvers zou gelden, terwijl de commissie wel punten heeft toegekend aan aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] die in haar ogen evenmin onderscheidend zijn. Volgens de toelichting op de puntensystematiek is echter niet relevant dat een inschrijver zich met het verrichten van nevenactiviteiten onderscheid van andere inschrijvers. Het gaat erom of die nevenactiviteiten een bijdrage leveren aan verbrede landbouw. Het is gelet op de genoemde categorieën van verbrede landbouwactiviteiten\u002Fdiensten niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie de door de Maatschap in haar pleitnota genoemde aspecten van de bedrijfsvoering van [naam 2] positief heeft gewaardeerd. Niet gesteld of gebleken is dat de beoordelingscommissie voor soortgelijke aspecten bij andere inschrijvers geen punten heeft toegekend als deze in de eigen toelichting waren opgenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit de (nadere) toelichting op de score van de Maatschap blijkt dat de commissie in ieder geval de duurzame landbouwactiviteiten (al dan niet in het kader van de Eco-regeling) van de Maatschap ook als positief heeft beoordeeld. Terecht heeft de Gemeente opgemerkt dat de beoordelingscommissie niet kan beoordelen wat niet in opgeschreven. Niet in geschil is dat de eigen toelichting van [naam 2] uitvoeriger en gedetailleerder is dan die van de Maatschap.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter volgt de Maatschap tot slot ook niet in haar stelling dat het gezien de eigen toelichting van [naam 2] en de toetsing daarvan door de beoordelingscommissie lijkt alsof het aantal genoemde diensten doorslaggevend is voor de puntentoekenning. Als gezegd gaat het om de bijdrage die het bedrijf van de inschrijver levert aan verbrede landbouw. Als in de eigen toelichting is opgeschreven dat die bijdrage bestaat uit meerdere activiteiten die in de ogen van de beoordelingscommissie overtuigend zijn onderbouwd ligt het voor de hand dat dit leidt tot een hogere score. Dat betekent niet dat de beoordelingscommissie de in de toelichting op de puntensystematiek genoemde uitgangspunten bij de selectie heeft losgelaten.\n\n4.14.. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat (de beoordeling van) het selectiecriterium ‘eigen toelichting’ niet voldoet aan de Didam-regels en evenmin dat de beoordeling van de eigen toelichting van de Maatschap onjuist of onbegrijpelijk is. Dit betekent dat de Gemeente de selectieprocedure niet opnieuw hoeft te doen en dat er ook geen grond bestaat voor de gevorderde notariële loting.\n\n4.15.. De Maatschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00\n\n- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\n beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\n4.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de maatschap af;\n\n5.2.. veroordeelt de Maatschap in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Maatschap niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Maatschap € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.3.. veroordeelt de Maatschap in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n5.4.. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.\n\nEI\n\n HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam I) en HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661 (Didam II)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6822","2026-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.956Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":104,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":39,"updatedAt":107},"439","ECLI:NL:GHDHA:2026:95","ecli-nl-ghdha-2026-95","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.356.325\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F09\u002F682901 \u002F KG ZA 25-284\n\nArrest van 13 januari 2026 in kort geding\n\nin de zaak van\n\nCSU B.V.,\n\ngevestigd in Uden,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. S.C. Brackmann, kantoorhoudend in Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. de Politie,\n\nzetelend in Den Haag,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. I.J. van den Berge, kantoorhoudend in Zwolle,\n\n2. Atalian Schoonmaak NO B.V.,\n\ngevestigd in Hengelo,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat mr. R.Q. Janus, kantoorhoudend in Den Haag,\n\n3. Blue Facilitair B.V.,\n\ngevestigd in Den Haag,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat mr. H. Plas, kantoorhoudend in Deventer,\n\n4. Asito B.V.,\n\ngevestigd in Almelo,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat mr. L. Bozkurt, kantoorhoudend in Rotterdam.\n\nHet hof noemt partijen hierna CSU, de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito.\n\n1. De zaak in het kort1.1. Het gaat in deze zaak om een aanbesteding voor schoonmaakdiensten voor de Politie. CSU is van mening dat de aanbestedingsprocedure een fundamenteel gebrek bevat. In eerste aanleg vorderde zij daarom dat de aanbestedingsprocedure gestaakt zou worden. In hoger beroep heeft zij haar eis gewijzigd en vordert zij dat de reeds gesloten overeenkomsten na ommekomst van de initiële termijn van drie jaar niet worden verlengd en dat dan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd.1.2. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van CSU afgewezen. Het hof oordeelt dat ook de gewijzigde vorderingen moeten worden afgewezen.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 24 juni 2025, waarmee CSU in hoger beroep (spoedappel) is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juni 2025. In deze dagvaarding zijn de grieven opgenomen en is een verzoek om een provisionele voorziening geformuleerd;\n\nde conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak, van de Politie;\n\nde conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Atalian, met bijlagen;\n\nde conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Blue Facilitair;\n\nde conclusie van antwoord inzake het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak van Asito, met bijlagen;\n\nde bijlagen A-F van de Politie;\n\nde akte eiswijziging van CSU, met bijlagen;\n\nde akte houdende bezwaar tegen de eiswijziging van de Politie.2.2. Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor CSU is mede verschenen mr. P.M. Smid, voor de Politie mr. M.A. Visser, voor Asito mr. E.E. Zeelenberg en voor Atalian mr. L.C. van den Berg.3. Feitelijke achtergrond3.1. Op 7 februari 2024 heeft de Politie de aankondiging gedaan voor een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure voor ‘schoonmaakdienstverlening’. De opdracht ziet op het dagelijkse en periodieke schoonmaakonderhoud van de panden van de Politie en is verdeeld in 10 percelen, gebaseerd op de indeling van de regionale politie-eenheden. De perceelindeling en de omvang van de opdracht per perceel zijn als volgt omschreven:\n\n3.2. In de selectieleidraad is het volgende opgenomen over de gunning:3.3. CSU is na de selectiefase toegelaten om deel te nemen aan de inschrijvingsfase voor alle percelen. Ook Atalian, Blue Facilitair en Asito zijn voor meerdere, dan wel alle percelen geselecteerd.3.4. Aan alle geselecteerde gegadigden is een inschrijvingsleidraad toegezonden. Daarin is over de (methode van) gunning onder ander het volgende opgenomen:\n\n(…)3.5. Een aantal gegadigden heeft vragen gesteld over deze methode. De vragen en antwoorden die betrekking hebben op het gebruik van lineair programmeren zijn opgenomen in 34 tot en met 37 en 214 van de eerste Nota van Inlichtingen:\n\n3.6. In de in het antwoord op vraag 214 genoemde bijlage M is de volgende tabel opgenomen:\n\n3.7. Inschrijvers zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over bijlage M. CSU heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en over bijlage M gevraagd of de Politie in het kader van transparantie conform bijlage M de behaalde scores per leverancier per perceel (geanonimiseerd) zou willen delen met de inschrijvers. De Politie is daarmee akkoord gegaan. De andere inschrijvers hebben geen vragen gesteld over bijlage M.3.8. Over rechtsverwerking is in de inschrijvingsleidraad het volgende opgenomen.\n\n3.9. CSU heeft op 5 december 2024 een inschrijving gedaan voor alle percelen.3.10. De Politie heeft op 14 maart 2025 de inschrijvers geïnformeerd over de voorgenomen gunning van de percelen. De voorgenomen gunningsbeslissing is weergegeven in onderstaande tabel.3.11. De inschrijvers zijn – overeenkomstig het verzoek van CSU – ook geïnformeerd over de door de inschrijvers per perceel behaalde scores. Aan CSU is daarover het volgende medegedeeld:\n\n3.12. \n\nOp 4 juli 2025 heeft de Politie de opdrachten definitief gegund. Artikel 9.3 van de overeenkomst luidt onder meer als volgt:\n\n“De Politie is in ieder geval gerechtigd om de Overeenkomst en\u002Fof daaruit voortvloeiende geplaatste Bestellingen geheel of gedeeltelijk op te zeggen, als:\n\n(i) De Politie op grond van een Europese\u002Fnationale (rechterlijke) uitspraak, al dan niet bij wege van een voorlopige voorziening, aanwijzingen van een toezichthouder of bijvoorbeeld als gevolg van een procedure zoals bedoeld in artikel 258 VWEU, niet langer kan instaan voor de rechtmatigheid van de Overeenkomst, althans van de rechtmatigheid van voortgezet gebruik door de Politie van Diensten zoals aangeboden op grond van deze Overeenkomst, of wanneer de Politie niet meer geheel of gedeeltelijk kan nakomen of geheel of gedeeltelijk moet opschorten of geboden wordt (een) prestatie(s) opnieuw (Europees) aan te besteden;\n\n(ii) (…)”4. Procedure bij de rechtbank4.1. CSU heeft de Politie gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter (i) de Politie veroordeelt om de gunningsbeslissing van 14 maart 2025 inzake schoonmaakdienstverlening in te trekken en ingetrokken te houden en de aanbestedingsprocedure ‘Schoonmaakdienstverlening’, met Tenderned-kenmerk [nummer] , te staken en gestaakt te houden, dan wel (ii) een andere maatregel treft die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van CSU, steeds met veroordeling van de Politie in de kosten van het geding.4.2. Atalian, Blue Facilitair en Asito zijn in eerste aanleg toegelaten als tussenkomende partij.4.3. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van CSU afgewezen en CSU in de proceskosten van de Politie veroordeeld, en in de proceskosten van Atalian, Blue Facilitair en Asito. De voorzieningenrechter overwoog daartoe dat het beroep van de Politie (en van de tussenkomende partijen) op rechtsverwerking slaagt. CSU heeft verzuimd vragen te stellen over de methode van lineair programmeren, terwijl dit, mede gelet op de inhoud van bijlage M, wel op haar weg had gelegen. Ook is niet verklaard waarom CSU niet voorafgaand aan de voorlopige gunning een kort geding aanhangig heeft gemaakt.\n\n5. Vorderingen in hoger beroep5.1. \n\nCSU vordert, na wijziging van haar eis in hoger beroep:\n\nprimair:de Politie te gebieden (1) de overeenkomsten die zij heeft gesloten na de initiële looptijd van drie jaar niet te verlengen en (2) ten behoeve van het sluiten van een of meer overeenkomsten voor de opdracht na afloop van die looptijd tijdig een nieuwe aanbestedingsprocedure te voeren, indien de Politie de opdracht nog wenst te verstrekken;\n\nsubsidiair:een andere maatregel te treffen die in goede justitie redelijk is en recht doet aan de belangen van CSU;\n\nin alle gevallen:geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding.5.2. In de spoedappeldagvaarding heeft CSU bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd dat het hof de aanbestedingsprocedure gedurende het hoger beroep opschort, in die zin dat het hof de Politie beveelt de opdrachten niet definitief te gunnen voordat het arrest is gewezen.6. Beoordeling in hoger beroepDe eiswijziging van CSU6.1. Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan partijen laten weten dat de eiswijziging van CSU zal worden toegestaan, zodat de discussie tijdens de mondelinge behandeling over die gewijzigde eis zou moeten gaan. Aan die beslissing ligt het volgende ten grondslag.6.2. Tussen partijen staat vast dat ten tijde van het uitbrengen van de spoedappeldagvaarding op 24 juni 2025, de overeenkomsten met de winnende inschrijvers (waartoe ook CSU behoort, zie hierna) nog niet waren gesloten. Haar oorspronkelijke vordering was op die situatie afgestemd. Met haar eiswijziging beoogt CSU aan te sluiten bij de gewijzigde feitelijke situatie dat de overeenkomsten zijn gesloten. Dat is toegestaan omdat zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat de rechter in hoger beroep oordeelt over een niet meer actuele situatie.6.3. In de gewijzigde eis is de provisionele vordering niet meer opgenomen. Het hof had daaruit afgeleid dat CSU deze had ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CSU aangegeven dat zij die provisionele vordering niet had ingetrokken, maar dat zij zelf ook inzag dat die niet meer zou kunnen worden toegewezen. Het hof stelt vast dat de provisionele vordering is ingehaald door de werkelijkheid. Bovendien strekte de vordering ertoe om voor de duur van het geding in hoger beroep een voorziening te verkrijgen. Het hoger beroep komt met dit arrest ten einde, zodat ook om die reden de provisionele vordering niet meer toewijsbaar is.6.4. \n\nCSU heeft gevraagd of het hof een oordeel kan uitspreken over het handelen van de Politie dat erop neer komt dat de behandeling van het hoger beroep niet is afgewacht. Het hof komt daaraan niet toe, omdat het geen relevantie heeft voor de vordering. Het staat een aanbestedende dienst in algemene zin vrij om nadat in eerste aanleg vonnis is gewezen, tot gunning van een opdracht over te gaan. Zoals ook in deze zaak is gebleken is het praktisch veelal niet mogelijk om in zo’n geval te komen tot een tijdige behandeling van een provisionele vordering. Ook voor die behandeling moet immers recht worden gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, zodat geïntimeerden de tijd moeten krijgen om verweer te voeren. En ook bij een (afzonderlijke) behandeling van de provisionele vordering, bestaat recht op een mondelinge behandeling die met meerdere partijen niet altijd op korte termijn is te plannen.\n\nSpoedeisend belang6.5. Het hof moet ambtshalve beoordelen of er bij de vordering (nog) spoedeisend belang bestaat. Nu CSU haar vordering heeft gewijzigd, is het die gewijzigde vordering waarvan het hof het spoedeisend belang moet beoordelen. De gewijzigde vordering strekt ertoe dat de gesloten overeenkomsten over drie jaar niet verlengd worden en dat alsdan een nieuwe aanbestedingsprocedure wordt georganiseerd. Bij die vordering bestaat duidelijk geen spoedeisend belang. CSU heeft gedurende de looptijd van de gesloten overeenkomsten voldoende gelegenheid om haar stellingen aan de bodemrechter voor te leggen. In zoverre is zij dus in haar vorderingen niet-ontvankelijk.6.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CSU naar voren gebracht dat de Politie op grond van artikel 9.3 van de overeenkomsten de opdrachten kan beëindigen wanneer zij niet kan instaan voor de rechtmatigheid van de overeenkomsten. Omdat de Politie dat op ieder moment kan doen, bestaat er volgens CSU een spoedeisend belang bij een oordeel van het hof over de rechtmatigheid van de aanbestedingsprocedure.6.7. Dat betoog ziet eraan voorbij dat CSU niet vordert dat de Politie de overeenkomsten beëindigt. Integendeel, in par. 1.8 van de akte wijziging eis voert CSU nadrukkelijk aan dat zij de keuze om de overeenkomsten al dan niet te beëindigen, aan de Politie laat. De vordering strekt er slechts toe om de overeenkomsten na ommekomst van de initiële looptijd van drie jaar, niet te verlengen en na afloop van die looptijd een nieuwe aanbestedingsprocedure te organiseren. Die vordering is niet spoedeisend.6.8. De subsidiaire vordering strekt ertoe dat het hof een maatregel treft die het hof in goede justitie redelijk acht en die recht doet aan de belangen van CSU. Die vordering is te onbepaald om daaraan een spoedeisend karakter toe te kennen en biedt het hof ook niet de ruimte om de Politie te gebieden op korte termijn de overeenkomsten te beëindigen.6.9. \n\nDe conclusie van het voorgaande is dat CSU niet-ontvankelijk is in haar gewijzigde vordering.\n\nBeoordeling met het oog op de proceskosten6.10. Indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is, dient hij ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep.6.11. \n\nCSU is in eerste aanleg veroordeeld in de kosten van het geding en de Politie heeft haar eerdere aanbod om af te zien van de betaling van haar proceskosten en bovendien de kosten van CSU te voldoen, ingetrokken. Dat betekent dat het hof uitsluitend met het oog op die proceskosten, moet beoordelen of de voorzieningenrechter de vorderingen van CSU in eerste aanleg terecht heeft afgewezen.\n\nBelang bij de vordering6.12. Het uitgangspunt van de in deze procedure aan de orde zijnde aanbesteding is dat een inschrijver maximaal twee percelen gegund zou kunnen krijgen (artikel 3.2 van de selectieleidraad). Tussen partijen is terecht niet in geschil dat de Politie de vrijheid had om het aantal percelen dat maximaal aan één inschrijver kon worden gegund, te beperken. Die mogelijkheid is immers neergelegd in artikel 2.10 lid 3 van de Aanbestedingswet 2012 en volgt ook uit de preambule en artikel 46 van Richtlijn 2014\u002F24.6.13. \n\nAan CSU zijn twee percelen gegund. CSU heeft zich in dit geding niet op het standpunt gesteld dat aan haar andere percelen hadden moeten worden gegund, en welke. Zij heeft daarmee het beste resultaat behaald dat zij in de aanbesteding kon behalen. In zoverre bestond er ook in eerste aanleg al geen belang bij haar vordering en heeft de voorzieningenrechter die terecht afgewezen en CSU in de proceskosten veroordeeld.\n\nTen overvloede: fundamenteel gebrek en rechtsverwerking?6.14. Bij beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Uit het Grossmann-arrest (HvJ EG 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93) moet worden afgeleid dat van een gegadigde aan een aanbesteding een proactieve houding mag worden verwacht. Zo wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd. Daarmee wordt daarnaast bereikt dat eventuele gebreken in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Op deze wijze is niet alleen het belang van de aanbestedende dienst gediend, maar ook het belang van de (andere) gegadigden en inschrijvers omdat daarmee bijvoorbeeld voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een aanbestedingsprocedure die niet aan de eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kan van een gegadigde worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure. Datzelfde geldt voor een inschrijver op de aanbesteding op grond van het leerstuk van rechtsverwerking.6.15. In de jurisprudentie is aanvaard dat de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW beheerst, meebrengt dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij zo een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen. Volgens CSU is de aanbestedingsprocedure in dit geval fundamenteel gebrekkig.6.16. Het hof onderschrijft dat betoog niet. Inherent aan de maximering van het aantal te gunnen percelen per inschrijver, is dat een keuze moet worden gemaakt hoe de percelen worden verdeeld over de inschrijvers. Wanneer een inschrijver meer dan twee percelen wint, is het onvermijdelijk dat een of meer andere percelen worden gegund aan een inschrijver die op dat perceel of op die percelen niet de winnende inschrijving heeft gedaan. Dat er op perceelniveau dus wordt gegund aan een niet-winnende inschrijver is een onvermijdelijk gevolg van de toegestane keuze om het aantal percelen per inschrijver te maximeren. Een fundamenteel gebrek is dat niet.6.17. Anders dan CSU stelt, is van strijd met het transparantiebeginsel geen sprake. De Politie heeft in aanbestedingsstukken duidelijk gemaakt dat er een maximum van twee percelen per inschrijver gold. Tevens is aangegeven dat de uiteindelijke verdeling plaatsvindt “op basis van lineair programmeren” (par. 2.1 Inschrijvingsleidraad). Daarbij is ook duidelijk gemaakt dat gekozen zal worden voor “de beste totaaloplossing” voor de Politie (par. 2.1.4 Inschrijvingsleidraad). In de situatie waarin per perceel maximaal 1.000 punten kunnen worden verkregen volgt daaruit in voldoende mate dat de Politie een verdeling zou maken waarbij de totaalscore van 10.000 punten zo dicht mogelijk benaderd zal worden. Dat laatste volgt ook voldoende duidelijk uit het antwoord op vraag 34 van de eerste Nota van Inlichtingen en uit Bijlage M die in het antwoord op vraag 214 is opgenomen.6.18. CSU voert verder aan dat er een gebrek aan transparantie is omdat de toewijzing van de percelen afhankelijk is van de totaalscores van de verschillende inschrijvers op de verschillende percelen en van het aantal inschrijvers per perceel. Zij wijst erop dat de Politie die informatie tevoren niet heeft verstrekt. Nu zij ook onderkent dat de Politie die informatie tevoren niet kon verstrekken, ziet het hof niet in hoe dit een gebrek aan transparantie vormt.6.19. Dat de Politie de door CSU gestelde ongelijkheid van de percelen niet heeft betrokken in de gunning, en dat ook niet zou doen, was al uit de aanbestedingsstukken duidelijk.6.20. CSU heeft niet aangevoerd dat de gunning die heeft plaatsgevonden niet heeft geleid tot de voor de Politie “beste oplossing” in die zin dat de totaalscore het dichtst bij 10.000 punten ligt. Daarmee voldoet de gunning dus aan de opzet van de aanbesteding. De Politie heeft daarbij nog naar voren gebracht dat in die opzet besloten lag dat ook kleinere ondernemingen een kans zouden hebben om een perceel te winnen en dat de Politie niet afhankelijk wilde zijn van één opdrachtnemer. Ook dat zijn belangen die gediend mogen worden en die mede tot de conclusie leiden dat de uitkomst waarbij op perceelniveau niet het optimale resultaat wordt behaald, te rechtvaardigen is.6.21. \n\nHet hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep van de Politie op rechtsverwerking slaagt. Met grief 2 maakt CSU ook niet duidelijk waarom dat oordeel op zich (dus afgezien van de vraag of de aanbesteding een fundamenteel gebrek bevat) onjuist is.\n\nConclusie en proceskosten6.22. De conclusie is dat het hoger beroep van CSU niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal CSU als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.6.23. De provisionele vordering zal worden afgewezen. CSU wordt in de kosten van het geding inzake de provisionele vordering veroordeeld, maar die kosten worden begroot op nihil.6.24. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito steeds op:\n\ngriffierecht € 827,-\n\nsalaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)\n\nnakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 3.433,-\n\nHet hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart CSU niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep ingestelde vorderingen;\n\nwijst de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af;\n\nbekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 juni 2025;\n\nveroordeelt CSU in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Politie, Atalian, Blue Facilitair en Asito steeds begroot op € 3.433,-, ten aanzien van de Politie, Blue Facilitair en Asito vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als CSU deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als CSU niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, CSU de kosten van die betekening(en) moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, ten aanzien van de Politie, Blue Facilitair en Asito vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als CSU deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;\n\nverklaart de kostenveroordeling in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. B.J. Lenselink en mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:95","2026-01-28T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:30.187Z",20]