[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-den-haag-subsidy-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":84,"limit":85},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},58,"Den Haag","nl","den-haag",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},137,"subsidy-law-nl","Subsidy Law","NL","2026-07-08T16:58:07.471Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,54,63,70,77],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319","","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.197Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","2026-07-13T00:29:11.301Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1233","ECLI:NL:CBB:2026:317","ecli-nl-cbb-2026-317","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummers: 25\u002F383 en 25\u002F384\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen\n\n [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. S. Piron)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 februari 2025 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de verzoeken van de ondernemer tot herziening van de besluiten van 9 maart 2022 en 10 mei 2022 tot afwijzing van de subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk het vierde kwartaal (Q4) van 2021 en het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.\n\nMet de besluiten van 10 april 2025 (bestreden besluiten) heeft de minister het daartegen\n\ndoor de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe ondernemer heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe ondernemer heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de minister.\n\nInleiding\n\n1.1. De ondernemer heeft op 24 december 2021 en 30 maart 2022 aanvragen gedaan voor TVL-subsidie voor respectievelijk Q4 van 2021 (voor zaak 25\u002F383) en Q1 van 2022 (voor zaak 25\u002F384). Op 9 maart 2022 (voor zaak 25\u002F383) en 10 mei 2022 (voor zaak 25\u002F384) heeft de minister deze aanvragen afgewezen (subsidiebesluiten), omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De ondernemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de subsidiebesluiten.\n\n1.2. Op 26 november 2024 heeft de ondernemer verzocht om herziening van de subsidiebesluiten (herzieningsverzoeken). De minister heeft de herzieningsverzoeken afgewezen. Dat de ondernemer wel in aanmerking zou komen voor de TVL-subsidies, behoorde al eerder bekend te zijn en had hij daarom al eerder moeten inbrengen. Een gegrond beroep in een eerder subsidiekwartaal werkt bovendien niet door in latere kwartalen. De minister heeft de bezwaren van de ondernemer tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook is er geen sprake van een kennelijke misslag of van bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zou zijn.\n\n1.3. De vraag die in deze zaken voorligt is of de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\nWettelijk kader\n\n2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nStandpunten van partijen\n\n3 De ondernemer is het niet eens met de afwijzing van de herzieningsverzoeken. Hij voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Op 21 maart 2023 heeft het College hem in het gelijk gesteld in een beroep over een subsidie voor Q1 van 2021 op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) (ECLI:NL:CBB:2023:145; de uitspraak van 21 maart 2023). Hieruit volgt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor TVL-subsidie. Daardoor is er ook sprake van een kennelijke misslag in de subsidiebesluiten, omdat overduidelijk is dat de TVL-subsidies moesten worden verleend. Bovendien had de minister de subsidiebesluiten moeten herzien, in overeenstemming met zijn eigen herzieningspraktijk voor gevallen waarin onjuiste SBI-codes ten onrechte niet zijn gecorrigeerd na een toegekend bezwaar in eerdere periodes. Verder is door de minister ten onrechte geen rekening gehouden met zijn medische situatie en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden tijdens de coronacrisis. Hij is op 14 februari 2021 met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege hartproblemen en heeft hierna nog veel last gehad van fysieke en psychische klachten. Het is daarom ook evident onredelijk om de herzieningsverzoeken af te wijzen.\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van 21 maart 2023 levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak ging het over SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 en daaruit volgt niet dat de ondernemer recht zou hebben op TVL-subsidie voor andere kwartalen. In die zaak had de minister een fout gemaakt die niet met een intrekking van het besluit mocht worden hersteld. Dat betekent niet dat er daarom wel recht op TVL-subsidie zou bestaan voor de subsidieperiodes Q4 van 2021 en Q1 van 2022. De uitspraak van 21 maart 2023 verandert niets aan het feit dat die subsidieaanvragen terecht zijn afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister dan aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. De persoonlijke en overige omstandigheden geven geen aanleiding om het afwijzingsbesluit te herzien. Deze zaak valt ook niet onder de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes die ten onrechte niet zijn gecorrigeerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de TVL-aanvragen voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 niet zijn afgewezen vanwege een onjuiste SBI-code. Deze categorale uitzonderingsgrond gold alleen voor twee specifieke TVL-subsidieperiodes (Q4 van 2020 en Q1 van 2021) en dus niet voor de voor deze zaak relevante subsidieperiodes (Q4 van 2021 en Q1 van 2022).\n\nBeoordeling van het beroep\n\n5.1. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.\n\n5.2. In dit geval heeft de minister de herzieningsverzoeken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.\n\n5.3. Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Uit de uitspraak van 21 maart 2023 over de SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 volgt overigens niet dat de ondernemer in aanmerking komt voor TVL-subsidie voor andere subsidieperiodes. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden die de ondernemer niet eerder had kunnen inbrengen in een bezwaar tegen de subsidiebesluiten. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van de verzoeken om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.\n\n5.4. In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak luidt het beleid van de minister voor herziening in verband met een kennelijke misslag als volgt. De minister komt terug op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig nader onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval. Niet is gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag. Zoals de minister heeft toegelicht, is hier ook niet de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes van toepassing.\n\n5.5. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en\u002Fof omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de subsidiebesluiten rechtsmiddelen in te stellen en dat niet heeft gedaan. Dit moet voor zijn rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. De minister heeft de herzieningsverzoeken van de onderneming daarom terecht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:6\n\n1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.\n\n2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:317","2026-07-13T00:29:11.351Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":53},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","2026-07-13T00:29:11.426Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"960","ECLI:NL:CBB:2026:309","ecli-nl-cbb-2026-309","2026-06-22T00:00:00.000Z","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F1016\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van22 juni 2026\n Voorzitter:mr. R.C. Stam\n\nGriffier: mr. J.M. Baars\n\nPartijen\n\n [naam 1], te [vestigingsplaats] (de maatschap), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de beslissing op bezwaar van 17 oktober 2024 voor zover daarbij de hoogte van de toegekende subsidie is gehandhaafd op € 1.502.419,92;\n\nherroept het besluit van 29 mei 2024 in zoverre, stelt de toe te kennen subsidie vast op € 1.573.809,93 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;\n\ndraagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de maatschap te vergoeden;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van\n\n€ 3.001,-.\n\nOverwegingen\n\n1. Met het besluit van 29 mei 2024 heeft de minister subsidie aan de maatschap toegekend op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). Met het besluit van 17 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het subsidiebesluit ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft de maatschap beroep ingesteld.\n\n2 Op 12 mei 2026 heeft een zitting van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] , namens de maatschap, bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, en mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman, namens de minister. Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de maatschap de gelegenheid te bieden nader bewijs bij te brengen en de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. De (vervolg)zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026.\n\n3 Na de schorsing hebben partijen overeenstemming bereikt over dat de berging, drukkamer en luchtwasser (in totaal 140,08 m2) door een brandwerende wand worden gescheiden van de rest van stal 1 en daarmee (toch) behoren tot het dierenverblijf en voor subsidie in aanmerking komen. Dat betekent dat de minister met het besluit van 29 mei 2024 te weinig subsidie aan de maatschap heeft toegekend.\n\n4 Tussen partijen is nog in geschil of van stal 2 de centrale gang (in totaal 115,55 m2) subsidiabel is. Stal 2 is in 1980 volledig gerenoveerd en heringericht, en is daarbij ook vergroot. Er is een gang aangebouwd langszij een oorspronkelijke buitenmuur. Die centrale gang verbindt de compartimenten van de stal. De gang is nodig voor de aan- en afvoer van de dieren (ze zouden anders rechtstreeks in de open lucht terecht komen) en vervult tevens een wezenlijke functie bij de klimaatbeheersing en luchtzuivering van de stal.\n\n5 Tijdens de zittingen heeft het College samen met partijen de verschillende bouwtekeningen en foto’s van de gebouwen bezien en besproken. Het College is van oordeel dat het door de minister van subsidie uitgesloten deel van stal 2 (centrale gang) zich wel binnen de buitenmuren van het gebouw bevindt. Een buitenmuur is de muur aan de voorkant, achterkant of zijkant van een gebouw, die beschermt tegen weersinvloeden en bijdraagt aan de isolatie en structurele stabiliteit. Stal 2 is vergroot met een langszij één van de oorspronkelijke buitenmuren gebouwde centrale gang. Het College heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de maatschap beschreven functies van die centrale gang. Met de volledige renovatie en het vergroten van de oorspronkelijke stal is een nieuwe buitenmuur gerealiseerd. Dat bij die renovatie de oorspronkelijke buitenmuur is blijven staan (en nog steeds bijdraagt aan de stabiliteit van het gebouw), is daarbij van geen belang. De Woz-taxatieverslagen, waar de minister zich mede op beroept, vormen misschien een aanwijzing voor de tot een gebouw behorende oppervlakte, maar zijn hier voor het bewijs niet doorslaggevend.\n\n6 Dit alles leidt tot het oordeel dat de minister bij de toekenning van de Lbv-subsidie van een te klein subsidiabel oppervlakte is uitgegaan. Het beroep is daarom gegrond. Het College zal de beslissing op bezwaar vernietigen voor wat betreft de hoogte van het subsidiebedrag. Het College zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 29 mei 2024 in zoverre te herroepen en de toe te kennen subsidie vast te stellen op € 1.573.809,93. Hierbij is het College van de volgende gegevens uitgegaan.\n\n7 Bij de berekening van het subsidiebedrag heeft de minister voor stal 1 140,08 m2 aan oppervlakte te weinig in aanmerking genomen en voor stal 2 115,55 m2. De waarde per m2 bedraagt voor stal 1 € 418,90 en voor stal 2 € 110,-. De minister heeft dus € 71.390,01 ((140,08× € 418,90 = € 58.679,51) + (115,55× € 110,- = € 12.710,50)) te weinig subsidie toegekend. De (alsnog) totaal toe te kennen subsidie komt daarmee op € 1.573.809,93\n\n(€ 1.502.419,92 + € 71.390,01).\n\n8 Omdat het beroep gegrond is moet de minister het door de maatschap betaalde griffierecht van € 371,- aan haar vergoeden. Het College zal verder de minister veroordelen in de door de maatschap in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.001,- .\n\npunten\n\ntarief\n\nbezwaarschrift\n\n1\n\n€ 666,-\n\n€ 666,-\n\nberoepschrift\n\n1\n\n€ 934,-\n\n€ 934,-\n\nzitting\n\n1\n\n€ 934,-\n\n€ 934,-\n\nvervolgzitting\n\n0,5\n\n€ 934,-\n\n€ 467,-\n\ntotaal\n\n€ 3.001,-\n\nDe voorzitter is verhinderd dit w.g. J.M. Baars\n\nproces-verbaal te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:309","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.634Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":69},"957","ECLI:NL:CBB:2026:306","ecli-nl-cbb-2026-306","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F607\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Het College ziet geen aanleiding om aan de eerste verstrekte informatie bij de subsidieaanvraag van 31 december 2024 te twijfelen. Bij die aanvraag heeft [naam] als aankoopdatum van de warmtepomp 20 december 2024 vermeld en een factuur aangeleverd met de datum 20 december 2024. Aan de daarna ingediende factuur uit 2025 kan niet de door [naam] gewenste waarde worden gehecht. Omdat de aankoop van de warmtepomp aan de aanvraag voorafging, is niet voldaan aan een van de voorwaarden voor de subsidie.De minister was daarom gehouden de subsidieaanvraag af te wijzen.\n\n2 Het gaat hier om het vereiste van het stimulerend effect, waaraan alleen is voldaan als de subsidieaanvraag voorafgaat aan de aankoop van de warmtepomp. Het Europese staatssteunkader biedt geen ruimte om hiervan af te wijken. Dit staatssteunkader kan namelijk niet opzij worden gezet door het nationaalrechtelijke evenredigheidsbeginsel.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.\n\n Zie de uitspraak van het College van 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:553, onder 6.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:306","2026-07-13T00:28:56.543Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":76},"958","ECLI:NL:CBB:2026:307","ecli-nl-cbb-2026-307","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F402\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1], te [vestigingsplaats] (onderneming), waarvoor is verschenen [naam 2]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. De onderneming heeft bij de subsidieaanvraag onjuiste informatie verstrekt. De aankoop van de warmtepomp ging namelijk vooraf aan de aanvraag. Als de onderneming wel de juiste informatie had verstrekt, dan had de minister geen subsidie verleend. De minister was daarom bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen.\n\n2 De onderneming heeft naar voren gebracht dat de minister geen gebruik mocht maken van die bevoegdheid, maar dat gaat hier niet op. Er bestaat geen recht op subsidie als niet is voldaan aan het vereiste van het stimulerend effect.Het gaat hier om een dwingende bepaling van het Europese staatssteunkader. Als de onderneming anders had gehandeld en de aankoop van de warmtepomp na de subsidieaanvraag had gedaan, had zij wel aanspraak op de subsidie kunnen maken. Er is geen sprake van een onevenwichtig besluit.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:307","2026-07-13T00:28:56.572Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":31,"updatedAt":83},"956","ECLI:NL:CBB:2026:305","ecli-nl-cbb-2026-305","proces-verbaal uitspraakCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F238\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026\n Voorzitter: mr. A. van Gijzen\n\nGriffier: R. Hosseinollahi\n\nPartijen\n\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\nen\n\nde minister van Klimaat en Groene Groei, vertegenwoordigd door mr. M.J. Schulte\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nOverwegingen\n\n1. Een van de voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van de investeringssubsidie voor een warmtepomp is dat de installatie moet worden gedaan door een bouwinstallatiebedrijf.Niet in geschil is dat [naam 2] geen bouwinstallatiebedrijf is als bedoeld in de subsidieregeling. [naam 1] heeft een bon van € 85,- overgelegd van [naam 3] – wel een bouwinstallatiebedrijf – voor controle van de installatie, maar dat wil niet zeggen dat de installatie is gedaan door [naam 3] . Het achteraf controleren van de installatie van de warmtepompen omvat namelijk niet de hele installatie. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf. De minister was daarom bevoegd om de subsidie vast te stellen op nihil.\n\n2 De minister mocht ook van die bevoegdheid gebruik maken. De vaststelling op nihil is een geschikt en noodzakelijk middel om een ten onrechte verleende subsidie terug te krijgen. [naam 1] heeft aangevoerd dat na de controle is gebleken dat de warmtepompen veilig zijn geïnstalleerd, maar dat leidt niet tot een andere conclusie. De voorwaarde van installatie door een bouwinstallatiebedrijf is gesteld zodat uitsluitend deskundige en vakbekwame bedrijven de installatie uitvoeren. Op die manier wordt ook beoogd dat de warmtepompen al vanaf het moment van de installatie veilig zijn. Dat [naam 1] nadeel heeft van de vaststelling op nihil maakt het besluit niet onevenwichtig.\n\n3 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nw.g. A. van Gijzen w.g. R. Hosseinollahi\n\n Artikel 4.5.2, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:305","2026-07-13T00:28:56.513Z",1,20]