[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":84,"limit":85},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,47,55,62,70,77],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"610","ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","ecli-nl-rbdha-2026-18753","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], opposante, V-nummer: [nummer], (gemachtigde:mr. E.R. Hagenaars),\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 in het geding tussen\n\nopposante\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het verzet op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: T.C. Vosman namens de minister, opposante en gemachtigde zijn niet verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 februari 2026 terecht is geoordeeld dat de opgelegde beslistermijn van acht weken buiten redelijke twijfel terecht is vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.\n\n3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet beroep van opposante\n\n4. In de uitspraak van 23 september 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister opgelegd om binnen twee weken na de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag.\n\n5. Op 5 januari 2026 heeft eiser een opvolgend beroep niet tijdig beslissen ingediend. In de uitspraak van 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van opposante gegrond verklaard.\n\nDe uitspraak van 18 februari 2026\n\n6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken. De minister dient binnen acht weken na de dag van de uitspraak alsnog een besluit nemen op de aanvraag.\n\n7. De rechtbank heeft bij het bepalen van de beslistermijn aansluiting gezocht bij het Arnhemse sporenmodel, dat door de Afdelingals een redelijk uitgangspunt wordt beschouwd.\n\nGronden verzet\n\n8. Opposante stelt dat verweerder, gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2025, reeds binnen twee weken een besluit had moeten nemen, maar dit heeft nagelaten. De in de uitspraak van 18 februari 2026 gestelde termijn van acht weken is volgens opposante daarom te ruim en in strijd met het doel van de procedure, namelijk het via een financiële prikkel afdwingen van tijdige besluitvorming. Opposante verzoekt om verkorting van deze beslistermijn.\n\nBeoordeling verzet\n\n9. De verzetsmogelijkheid strekt er uitsluitend toe te beoordelen of de bestuursrechter terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Daarbij staat alleen ter beoordeling of de eerdere uitspraak kennelijk juist was. De verzetsrechter beoordeelt dus niet opnieuw de zaak in volle omgang, maar uitsluitend of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de uitkomst van de eerdere beslissing.\n\n10. In hetgeen opposante heeft aangevoerd ziet de verzetsrechter geen aanleiding om te twijfelen over de kennelijke uitkomst. Dat in een eerdere uitspraak een beslistermijn van twee weken is opgelegd doet hier niet aan af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het verzet is ongegrond.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het verzet ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nA.W. Landman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n12.1.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n NL25.605.\n\n Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2337 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:39.170Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"614","ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","ecli-nl-rbdha-2026-18758","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.63151\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. E. Ebes),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. De minister heeft dit besluit op 9 juni 2026 ingetrokken. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n3. De minister heeft het besluit na het indienen van het beroep ingetrokken. Hieraan\n\nlegt de minister ten grondslag dat vanaf 23 maart 2026 voor Iran een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van zes maanden van kracht is. Op dit moment is onzeker hoe de situatie in Iran zich gaat ontwikkelen en welke gevolgen dat heeft voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake is van (een situatie die is gelijk te stellen met) tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n€ 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\nArtikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","2026-07-13T00:28:39.363Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"1695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","ecli-nl-rbdha-2026-18548","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35373\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\ngeboren op [geboortedatum],\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Esen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: L. Ploeger).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 25 juni 2026. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken, omdat de minister de maatregel op 1 juli 2026 heeft opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding heeft aangeboden.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Overwegingen\n\n2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.De rechtbank komt alleen aan een proceskostenveroordeling toe als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan de betrokkene.\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van bewaring van 25 juni 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18548","2026-07-13T00:29:34.053Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"1542","ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","ecli-nl-rbnne-2026-2621","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4715\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Termunterzijl, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 19 oktober 2023 bij de NCG gemeld en in eerste instantie verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 19 oktober 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van ca. € 45.000. Dit zijn volgens eiser de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Termunterzijl. Eiser heeft met NAM een schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie van 25 september 2019. De woning van eiser is na deze schikking gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Volgens eiser heeft dit uiteindelijk meer gekost dan door NAM, NCG of een derde zijn vergoed. Eiser heeft tijdens de beroepsprocedure deze kosten becijferd op een bedrag van € 51.273,97. Het gaat volgens eiser om de volgende kosten:\n\nLegeskosten bouwvergunning: € 9.226,95\n\nFactuur Ritsma Ingenieurs: € 3.075\n\nFactuur impregneren: € 1.713,41\n\nEigen kosten schoor\u002Fstutplan: € 7.688,58\n\nEigen kosten herstel en versterken voorgevel van huis: € 15.000\n\nBetonvloer\u002Fschuimbeton\u002Finkassingen: € 14.570,03.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 13 oktober 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2621","2026-07-13T00:29:26.217Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":61},"1539","ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","ecli-nl-rbnne-2026-2618","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F3616\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Zeerijp, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigden: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2016 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen eiser en NAM is overeengekomen dat eiser voor de sloop-nieuwbouw zelf een bedrag van € 120.000 zou betalen. Eiser heeft zich op 9 februari 2024 bij de NCG gemeld en verzocht om een vergoeding van deze €120.000. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van een door eiser genoemde motie uit 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 9 februari 2024 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 120.000. Dit zijn de kosten die hij zelf heeft gemaakt in verband met de sloop-nieuwbouw van zijn woning. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in Zeerijp. Eiser heeft in 2016 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw tot een bepaald bedrag\n\nzou vergoeden en dat eiser zelf een bedrag van € 120.000 zou meebetalen aan de sloop-nieuwbouw. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt volgens hem gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. Bovendien is ingevolge artikel 8:89 van de Awb de bestuursrechter enkel bevoegd op een verzoek om schadevergoeding te beslissen, voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000 bedraagt.Het door eiser verzochte bedrag gaat het maximum van € 25.000 te boven zodat de bestuursrechter ook om die reden niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat de NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 28 augustus 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.\n\n ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1050, r.o. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2618","2026-07-13T00:29:26.090Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":66,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":30,"updatedAt":69},"1945","ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","ecli-nl-rbnne-2026-2591","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F2066\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\nResort Westerkwartier B.V., statutair gevestigd te Capelle aan den IJssel, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M. A . Jansen)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier\n\n(gemachtigde: mr. T.D. Polak)\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.\n\n1.2.. Bij e-mailbericht verzonden op 24 juni 2026 is door Westerkamp, werkzaam voor verweerder, het volgende medegedeeld aan Kleen Resorts.\n\n“In reactie op onderstaande communicatie deel ik u het volgende mee;\n\nOp basis van de huidige situatie mogen wij geen adressen opnemen in de BAG. Wij hebben via recente satellietfoto’s geconstateerd dat het terrein, gelegen achter en naast [adres] leeg is. Vergunningvrije objecten mogen pas in de BAG geregistreerd worden als geconstateerd is dat deze er feitelijk staan. […]”\n\n1.3.. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n2. Verzoekster verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 om 13.00 uur de standplaatsen zoals weergegeven op de bij het verzoek gevoegde tekening van het recreatieterrein vast te stellen en nummers toe te kennen en dit te registreren. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot het vergoeden van het griffierecht.Beoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Het geschil gaat over een voormalige camping, gelegen op het adres plaatselijk bekend [adres] . In het bezwaarschrift gedateerd 25 juni 2026 is het terrein nader geduid als de percelen kadastraal bekend gemeente Marum, sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] .\n\n4. In verweerders gemeente is de bevoegdheid om standplaatsen vast te stellen in de zin van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen door de raad van de gemeente gedelegeerd aan verweerder.\n\n5. Het door verzoekster gemaakte bezwaar richt zich tegen de weigering op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG) standplaatsen vast te stellen. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of het niet-vaststellen van standplaatsen als bedoeld in artikel 6 van de Wet BAG een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.\n\n6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BAG volgt dat de in de adressen- en gebouwenregistraties opgenomen gegevens alle zijn terug te voeren op een in het adressen- of gebouwenregister opgenomen brondocument.Er is voor het college in beginsel geen interpretatievrijheid en opneming of wijziging van een gegeven is in beginsel niet op rechtsgevolg gericht. Als uitgangspunt geldt dat de wijziging van een registratie in de BAG geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.Niet valt in te zien waarom dat voor de weigering om standplaatsen vast te stellen anders zou zijn.\n\n7. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing om geen standplaatsen vast te stellen voor de litigieuze kadastrale percelen niet op rechtsgevolg is gericht. Dat is anders als een belanghebbende die gerede twijfel heeft over de juistheid van een in de basisregistratie opgenomen authentiek gegeven of het ontbreken van een authentiek gegeven in de basisregistratie het college van burgemeester en wethouders onder opgaaf van redenen heeft verzocht dat gegeven te wijzigen respectievelijk op te nemen in de basisregistratie.De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is, zodat geen sprake is van een besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Met overeenkomstige toepassing van artikel 2.5, zevende lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat geen griffierecht wordt geheven. Als inmiddels griffierecht is betaald, dan zal de griffier dit terugbetalen.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n. Artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Westerkwartier 2019; Gemeenteblad 2019, 3092.\n\n. Kamerstukken II2006\u002F07, 30 968, nr. 3, blz. 18 en 19.\n\n. Vgl. rov. 6 van ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1043.\n\n. Artikel 38 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 41 van die wet.\n\n. Stcrt. 2025, 20750.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.716Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":76},"1541","ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","ecli-nl-rbnne-2026-2622","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F4750\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser], uit Borgsweer, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl),\n\nen\n\nde minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (voorheen: staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen), Nationaal Coördinator Groningen, NCG\n\n(gemachtigde: mrs. R.M. Don en G.H. Poort).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door NCG van de aanvraag van eiser bij het ‘meldpunt kosten versterking’. Eiser heeft in 2018 met de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning van eiser is na deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Eiser heeft zich op 21 december 2023 gemeld bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een aanvullende vergoeding van € 19.600. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank stelt in deze uitspraak vast dat dat er naar aanleiding van de door eiser genoemde motie in 2022 geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is, omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank verklaart zich verder onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 21 december 2023 een melding gedaan bij het ‘meldpunt kosten versterking’ en verzocht om een vergoeding van € 19.600. NCG heeft deze aanvraag met het besluit van 23 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 november 2025 op het bezwaar van eiser is NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. NCG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de NCG.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. Eiser is eigenaar van de woning aan [adres] in Borgsweer. Eiser heeft in 2018 met NAM een vaststellingsovereenkomst gesloten. De woning is in het kader van deze vaststellingsovereenkomst gesloopt en (op)nieuw gebouwd. Tussen partijen is overeengekomen dat NAM de kosten voor de sloop-nieuwbouw zou vergoeden tot een bepaald bedrag. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend. Tijdens de bouw is volgens eiser gebleken dat de vergoeding van NAM onvoldoende was. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij hierdoor werkzaamheden in eigen beheer heeft moeten uitvoeren. In het ingediende beroepschrift heeft eiser een bedrag van € 19.600 als eigen kosten genoemd en is vermeld dat hij deze kosten bij akte nader zal specificeren.\n\n3.1.. Vanaf 1 januari 2020 wordt de versterking van woningen in Groningen uitgevoerd door de NCG.\n\n3.2.. Tijdens het wetgevingsoverleg van 6 december 2022 is door de leden Beckerman en Nijboer de volgende motieingediend:\n\n“(…) overwegende dat veel gedupeerden zelf kosten maken voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun huis; constaterende dat alle gedupeerden recht moeten hebben om terug te krijgen wat ze hadden; verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, een regeling voor te bereiden om deze kosten alsnog te vergoeden en deze aan de Kamer voor te leggen (…).”3.3.. Hierbij is door een van de indieners van de motie, in het debat met de staatssecretaris, naar voren gebracht dat hij bij een avond in Groningen was, waarbij een aantal bewoners kwamen met casuïstiek over zelf gemaakte kosten. In reactie hierop heeft de staatssecretaris het volgende naar voren gebracht:\n\n“Ik wil graag inventariseren hoe groot het probleem is, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik een regeling ga voorbereiden voordat ik heb geïnventariseerd hoe groot het probleem is. Daar zit mijn probleem.”\n\n3.4.. Vervolgens is op 13 december 2022 een gewijzigde motievoorgelegd, waarbij de derde zin (red: vanaf ‘verzoekt’) nu als volgt luidt:\n\n“verzoekt de regering te inventariseren hoe groot dit probleem is, en de Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2023 te informeren”\n\n3.5.. Op 6 september 2023 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, in antwoord op Kamervragen, naar voren gebracht dat een meldpunt zal worden ingericht waar bewoners zich kunnen melden die menen dat zij zelf kosten hebben gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen of kosten die daar direct uit voortkomen en dat dit meldpunt uiterlijk per 1 oktober 2023 bij de NCG wordt opengesteld. \n\n3.6.. Na openstelling van het meldpunt is door eiser de in deze zaak aan de orde zijnde melding gedaan.\n\nStandpunten partijen\n\n4. NCG heeft besloten om de kosten niet te vergoeden omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. NCG stelt zich op het standpunt dat NCG op grond van de Tijdelijke Wet Groningen (TwG) alleen bevoegd is om de schade te vergoeden als een deskundige – in opdracht van NCG – heeft geconstateerd dat de woning niet voldoet aan de veiligheidsnorm en NCG daaropvolgend een versterkingsbesluit heeft genomen. NCG heeft met betrekking tot de woning van eiser geen versterkingsbesluit genomen. Omdat geen versterkingsbesluit is genomen, komt NCG niet toe aan de uitzondering genoemd in artikel 13j, zevende lid, aanhef en onder a, van de TwG.\n\n4.1.. Eiser voert aan dat het ‘meldpunt kosten versterking’ is opgericht naar aanleiding van de motie van de leden Beckerman en Nijboer voor bewoners die eigen geld hebben moeten inzetten voor de versterking of sloop-nieuwbouw van hun (door de gaswinning beschadigde) woning (zie 3.2 en 3.4). Uit het antwoord van de staatssecretaris op de vragen van de Tweede Kamer blijkt volgens eiser dat het meldpunt is ingericht zonder inperking tot specifieke categorieën. Het vereiste van een versterkingsbesluit leidt volgens eiser tot onevenredig nadelige gevolgen voor eiser. Het primaire doel is volgens eiser herstel van de rechten van individuele gedupeerden. Dit doel wordt gefrustreerd door afwijzing van de aanvraag op grond van een formeel vereiste, terwijl de staatssecretaris expliciet heeft toegezegd dat bewoners zoals eiser hun kosten vergoed krijgen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 6 april 1979en doet een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel.\n\nBeoordeling\n\n5. De rechtbank stelt vast dat er naar aanleiding van de in 2022 ingediende motie geen wet of beleidsregel is gemaakt om te voorzien in een specifieke schadevergoedingsregeling. Het op 6 september 2023 door de staatssecretaris gegeven antwoord kan niet gelijk worden gesteld met een, naast de TwG, opgezette, publiekrechtelijke regeling waarmee in de hier aan de orde zijnde casus een vergoeding van de NCG kan worden afgedwongen. Voor zover eiser zich in dit kader beroept op het vertrouwensbeginsel leest de rechtbank in het antwoord niet een aan eiser gerichte toezegging dat zijn casus op grond van de TwG zal worden afgewikkeld.Ook uit het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad kan in een casus als onderhavige geen bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal worden afgeleid.\n\n5.1.. Als het gaat om de bestuursrechtelijke route voor schadeverhaal in zaken waarin geen publiekrechtelijke regeling is opgetuigd kent de Awb de Wet nadeelcompensatie (Wns).\n\n5.2.. Voor inwerkingtreding van de Wns was, bij de beantwoording van de vraag of een beslissing van een bestuursorgaan over schadevergoeding wegens gesteld onrechtmatig overheidshandelen kan worden aangemerkt als besluit in de zin van de Awb, van belang of was voldaan aan de vereisten van de zogenoemde materiële en processuele connexiteit. Aan het vereiste van materiële connexiteit was voldaan, indien de beweerdelijk geleden schade was veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan dat de schadebeslissing neemt, van een door dat orgaan aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Alleen in een dergelijk geval leverde een schriftelijke beslissing omtrent schade die niet was gebaseerd op een in een wet of een beleidsregel voorziene specifieke schadevergoedingsregeling, in beginsel een zogenoemd zelfstandig of zuiver schadebesluit op.\n\n5.3.. Op 1 juli 2013 is de Wns in werking getreden.Hierbij is de Awb gewijzigd, onder meer door toevoeging van een nieuw onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, en door toevoeging van de artikelen 8:88 tot en met 8:95. Met deze wijziging is beoogd de toegankelijkheid van de bestuursrechter voor een schadeprocedure te verbeteren door de introductie van een verzoekschriftprocedure. Waar een oordeel van de bestuursrechter over schadeveroorzakend handelen door het bestuursorgaan vóór de inwerkingtreding van de Wns enkel kon worden verkregen door bij het bestuursorgaan een zelfstandig schadebesluit uit te lokken en daartegen bezwaar te maken en beroep in te stellen, kan nu door middel van de verzoekschriftprocedure rechtstreeks bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding worden ingediend wegens (bepaald) onrechtmatig overheidshandelen. De verzoekschriftprocedure is daarmee in de plaats gekomen van het zelfstandig schadebesluit en het zelfstandig schadebesluit is door de toevoeging van onderdeel f aan artikel 8:4, eerste lid, van de Awb op de lijst van besluiten gekomen waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.\n\n5.4.. De rechtbank ziet ten eerste in het betoog van eiser geen grond voor het oordeel dat de beslissing van de NCG voldoet aan de eisen om te kunnen spreken van een zelfstandig schadebesluit. Maar ook als dat wel zo zou zijn komt de rechtbank, gelet op artikel 8:4, eerste lid aanhef en onder f, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb tot het oordeel dat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.Uit de wet volgt namelijk dat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter (zie 5.3). Omdat NCG het bezwaar heeft afwezen in plaats van niet-ontvankelijk te verklaren komt het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking.\n\n5.5.. De rechtbank overweegt dat de per 1 juli 2013 in werking getreden Wns in onderhavige procedure evenmin kan leiden tot een vergoeding. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:\n\neen onrechtmatig besluit\n\neen onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;\n\nhet niet tijdig nemen van een besluit;\n\neen andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbenden zijn.\n\n5.6.. \n\nDe hiervoor onder 5.5 opgesomde lijst is limitatief, wat betekent dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een van de hiervoor in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, vermelde oorzaken. Eiser heeft in beroep geen onrechtmatig besluit of een ander in\n\nartikel 8:88, eerste lid, van de Awb vermelde schadeoorzaak aangewezen ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden. Eiser koppelt de door hem veronderstelde schade aan de vaststellingsovereenkomst die hij heeft gesloten met NAM. NCG heeft geen rol gehad bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst, dan wel de versterking van de woning van eiser. De vaststellingsovereenkomst die eiser heeft gesloten kan ook niet - zoals hij heeft aangevoerd - gelijkgesteld worden met een versterkingsbesluit als bedoeld in de TwG. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de bestuursrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\nHet beroep op het gelijkheidsbeginsel\n\n6. Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n6.1.. Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere gedupeerden die wel aanvullende vergoeding hebben ontvangen, zonder deugdelijke motivering voor dit onderscheid.\n\n6.2.. NCG stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet voldoende heeft onderbouwd met concrete voorbeelden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er zijn geen regels opgesteld die eiser in onderhavige procedure te gelde kan maken. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat er andere gedupeerden zijn die wél een vergoeding hebben ontvangen, ondanks dat er geen versterkingsbesluit is genomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond omdat NCG het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\nDe rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet NCG het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. NCG moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten x € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 3 november 2025;\n\n- bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding;\n\n- bepaalt dat NCG het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt NCG tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. J.Y.B. Jansen en mr. L.M. Praamstra, leden, in aanwezigheid van O.T. Smit, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nKamerstukken II2020\u002F21, 33 529, nr. 866\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 94\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 118, blz. 82-83.\n\nKamerstukken II2022\u002F23, 36 200 XIII, nr. 115; de gewijzigde motie is aangenomen (stemmingen moties Groningen, 13 december 2022).\n\nAanhangsel Handelingen II2022\u002F23, nr. 3575, p. 2.\n\n HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595.\n\n ABRvS 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, r.o. 4.5.\n\n ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2195, r.o. 3.1.\n\n Stb. 2013, 50.\n\n ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1824: vergelijk de geschiedenis van de totstandkoming van de Wns, Kamerstukken II, 2010\u002F11, 32 621, nr. 3, blz. 40 en blz. 46-47\n\n Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1348, r.o. 3.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2622","2026-07-13T00:29:26.171Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":30,"updatedAt":83},"1688","ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","ecli-nl-rbnne-2026-2528","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F536\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv\n\n(gemachtigde: mr. R. Boonstra).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de vraag of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij voert aan dat die intrekking een direct gevolg was van haar medische beperking onder extreme druk en dat het niet ging om een weloverwogen keuze. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is om de intrekking van het beroep ongedaan te maken omdat geen sprake is van wilsgebrek, bedrog of dwaling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nInleiding en procesverloop\n\n1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 20 januari 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 12 december 2025 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen het met ingang van 28 mei 2024 toekennen van een WGA-vervolguitkering naar een mate van 45,07% arbeidsongeschiktheid, ongegrond is verklaard.\n\n1.1.. \n\nEiseres heeft dit beroep bij brief van 25 februari 2026 ingetrokken, omdat de hele bezwaarprocedure haar te veel stress kost. De rechtbank heeft de intrekking bij brief van\n\n3 maart 2026 aan eiseres bevestigd.\n\n1.2.. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 12 maart 2026 de rechtbank verzocht om de intrekking van het beroep ongedaan te maken en de beroepsprocedure te heropenen. Zij heeft hiervoor als redenen genoemd een situatie van overmacht, dwaling en haar medische beperking (ASS).\n\n1.3.. Het Uwv heeft bij brief van 10 april 2026 op verzoek van de rechtbank daarop een reactie gegeven. Het Uwv vindt de door eiseres genoemde redenen weliswaar invoelbaar, maar niet van dien aard dat zij niet zou kunnen worden gehouden aan haar intrekking van het beroep. Verder ziet het Uwv niet in dat eiseres genoodzaakt was om het beroep in te trekken.\n\n1.4.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat zij daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de door eiseres daarvoor genoemde argumenten, die hierna zullen worden besproken.\n\n3. Op grond van artikel 6:21, eerste lid, van de Awb kan het beroep schriftelijk worden ingetrokken. Behoudens in de gevallen waarin de intrekking van het beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel de intrekking binnen de beroepstermijn wordt herroepen, kan een eenmaal ingetrokken beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van een wilsgebrek, bedrog of dwaling.\n\n4. Eiseres voert aan dat de directe aanleiding voor de intrekking van het beroep was dat zij daarvóór onverwacht een hoge factuur van haar toenmalige advocaat ontving; daardoor zag zij zich genoodzaakt om de samenwerking stop te zetten en kon zij niet binnen de gestelde termijn van vier weken een nieuwe belangenbehartiger vinden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat deze situatie stress voor eiseres heeft opgeleverd, is dit echter onvoldoende grond om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres had, ondanks de situatie waarin zij op dat moment verkeerde, binnen de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van het beroep uitstel kunnen vragen dan wel een derde kunnen vragen om haar te helpen. Niet is komen vast te staan dat eiseres door haar ASS op het moment van de intrekking van het beroep niet in staat was om logisch na te denken of rationele oplossingen te zien. Dat de intrekking van het beroep berustte op een wilsgebrek, bedrog of dwaling is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres stelt dat de intrekking geen weloverwogen keuze was, maar een direct gevolg van haar medische beperking onder extreme druk, is ook onvoldoende om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt geen medische stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Haar stelling dat zij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de WIA-zaak losstond van haar Wajong-aanvraag, maakt het niet anders.\n\n5. De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake was van een intrekking terwijl de beroepstermijn nog liep. Het beroep is daarom bevoegd ingetrokken, een intrekking die na afloop van de beroepstermijn door eiseres niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Dit betekent dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk.Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.\n\n Autismespectrumstoornis.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:254, en 21 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3671.\n\n Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2297.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2528","2026-07-13T00:29:33.678Z",1,20]