[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":88},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121844","Richtlijn","",1,[27,36,43,50,58,65,73,81],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.584Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":42},"601","ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","ecli-nl-rbdha-2026-18696","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7916\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Nigeriaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielaanvraag niet compleet is. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft eerder, namelijk op 27 juli 2022, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2024 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 27 november 2024 in rechte vast.\n\n1.1.. Op 28 januari 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 buiten behandeling gesteld.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is, dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij door de contacten met de lhbti-gemeenschap beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag volgens hem niet compleet was. Eiser heeft volgens de minister geen persoonlijke en concrete toelichting gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft gevraagd. Uit de door eiser bij de zienswijze overgelegde e-mails van zijn ex-partner en partner is hiervan nog altijd niet gebleken.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld, zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag. Hij wijst erop dat het gehoor juist bedoeld is om duidelijkheid te verkrijgen over de asielmotieven. Bij een opvolgende aanvraag met de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief leent het formulier M35-O zich niet goed voor het volledig onderbouwen van dat asielmotief. Eiser beschikt over een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, om zijn gestelde biseksuele geaardheid nader te onderbouwen.\n\n5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, heeft de minister de bevoegdheid om een asielaanvraag buiten behandeling te stellen wanneer de vreemdeling nalaat om de voor zijn asielaanvraag van wezenlijk belang zijnde informatie te verstrekken.\n\n5.1.. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 21 februari 2019volgt dat van een vreemdeling kan worden verwacht dat hij, op het moment dat hij met het formulier M35-O een opvolgende aanvraag indient, in of bij dat formulier toelicht om welke redenen hij een opvolgende aanvraag indient en dat daarbij zo nodig bewijsmiddelen moeten zijn gevoegd. Uit die uitspraak volgt ook dat de minister een aanvraag buiten behandeling kan stellen, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het formulier M35-O onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft die nadere informatie te verstrekken. De minister handelt dan ook niet onzorgvuldig door de (opvolgende) aanvraag niet inhoudelijk te behandelen.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 januari 2026, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n6.1.. De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser op het formulier M35-O heeft ingevuld dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten, en dat eiser hiermee geen persoonlijke en concrete toelichting heeft gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft aangevraagd, zoals bedoeld in WI2023\u002F7. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat eiser met de bij de zienswijze overgelegde e-mails, die zijn geschreven door zijn ex-partner en partner, geen concrete en persoonlijke toelichting heeft gegeven en zijn aanvraag niet alsnog compleet heeft gemaakt. De minister heeft in dit verband van belang mogen vinden dat met de e-mails een persoonlijke verklaring mist vanuit eisers kant waarin hij zijn identiteitsgroei toelicht. De stelling van eiser dat de minister hem de gelegenheid had moeten geven om zijn gestelde biseksuele geaardheid als asielmotief nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag, heeft de minister niet hoeven volgen. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat eiser op het formulier M35-O en met de zienswijze geen persoonlijke toelichting heeft gegeven waarom bij hem sprake is van identiteitsgroei, waaruit dat bestaat en waaruit de contacten van eiser met de lhbti-gemeenschap bestaan. De rechtbank volgt de gemachtigde van de minister hierin. Dat eiser in beroep een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, ter onderbouwing van de door hem gestelde (bi)seksuele geaardheid heeft overgelegd, doet hieraan niet af. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, ziet de verklaring van de moeder op wat eiser in Nigeria zou hebben meegemaakt en niet op zijn identiteitsgroei. Zij heeft daarbij benadrukt dat in de eerdere asielprocedure de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is bevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hij met de in beroep overgelegde affidavit van de biologische moeder van eiser geen reden heeft hoeven zien om zijn opvolgende asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. De stelling van eiser op de zitting dat hij niet meer heeft kunnen doen dan wat hij op het formulier M35-O heeft ingevuld en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. Hoewel het formulier M35-O niet bedoeld is om de asielmotieven volledig te onderbouwen, had eiser op dat formulier dan wel in de zienswijze een persoonlijke en concrete toelichting en onderbouwing moeten geven over zijn gestelde identiteitsgroei. Dat heeft eiser niet gedaan.Conclusie en gevolgen\n\n7. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Zaaknummer NL24.51168.\n\n Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Zaaknummer NL26.7917.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:574.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","2026-07-13T00:28:38.791Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":47,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":49},"600","ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","ecli-nl-rbdha-2026-18694","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.10824\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Syrische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst en vanwege een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 18 januari 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 4 maart 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2014 Syrië heeft verlaten vanwege de onveilige situatie, de problemen met zijn voormalige zakenpartner in 2013 en zijn gevangenhouding tijdens zijn militaire dienst in 1988\u002F1989. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser onzekere toekomstige gebeurtenissen en ook voor datgene wat hij heeft meegemaakt.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst;\n\n3. Problemen vanwege een conflict met eisers voormalig zakenpartner in 2013;\n\n4. Militaire dienstplicht van eisers zoon.\n\n3.1.. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn problemen die voortvloeien uit de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst, vindt de minister niet geloofwaardig. Ook vindt de minister de verklaringen van eiser over de problemen na een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013, niet geloofwaardig. De minister vindt verder dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.De minister wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.\n\n3.2.. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen, voor zover deze van belang zijn.\n\nDe toets door de rechtbank\n\n4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Quatal en Ebilumheeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n5. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming.De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hoewel in de besluitvorming het referentiekader niet is opgenomen, heeft de gemachtigde van de minister op de zitting naar voren gebracht dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen en dat niet is onderbouwd dat hij vanwege het referentiekader niet heeft kunnen verklaren. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen en daarbij om verduidelijking gevraagd om duidelijke antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het nader gehoor.Bovendien volgt niet uit het verslag van het nader gehoor dat eiser moeite heeft gehad met het begrijpen van vragen. Hieruit volgt dat tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.\n\nIs het nader gehoor zorgvuldig geweest?\n\n6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor regelmatig zou zijn onderbroken, en dat hij zou zijn beperkt in zijn mogelijkheden om zijn verhaal te vertellen. De verslagen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor bieden voor de stelling van eiser geen concrete aanwijzingen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de rapporteur heeft opgemerkt dat eiser regelmatig de tolk in de rede valt en dat hem is verzocht de tolk te laten uitspreken.Hoewel in het verslag van het nader gehoorstaat dat eiser heeft aangegeven dat zij hem niet laten uitpraten en dat hij zijn zin niet kan afmaken, blijkt daaruit niet dat eiser daarna regelmatig is onderbroken door de gehoormedewerker en dat hij is beperkt om zijn verhaal te kunnen vertellen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt juist dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te vertellen wat voor hem de redenen zijn geweest om Syrië te verlaten. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, heeft eiser daarover in de correcties en aanvullingen niets gezegd en zijn er geen aanvullingen gedaan op het relaas van eiser. Daar komt bij dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat op verschillende onderwerpen is doorgevraagd door de gehoormedewerker en dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig nader gehoor.\n\nHeeft de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig geacht?7. De rechtbank merkt allereerst op dat de gemachtigde van de minister op de zitting de tegenwerping aan eiser van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft laten vallen. Dit geldt voor de in 3 genoemde asielmotieven onder 2 en 3. Wat eiser daarover in de gronden van het beroep heeft aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.\n\n7.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser zijn problemen pas voor het eerst tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor van 27 januari 2025 over de reden(en) van zijn vertrek uit Syrië heeft verklaard dat hij het land moest verlaten voor de veiligheid van zijn vrouw, kinderen en hemzelf.Op de vraag of er nog andere redenen zijn waarom eiser niet terug kan naar Syrië was zijn antwoord ˋNeeˊ. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser dit niet heeft gecorrigeerd met de aanvullingen en correcties. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er nog een drietal redenen ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag, en dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze redenen vanaf het begin van zijn procedure noemt. Dat eiser dacht dat persoonlijke problemen niet interessant zouden zijn en dat hij deze daarom niet heeft genoemd, kan hieraan niet afdoen. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat aan hem tijdens het aanmeldgehoor niet is uitgelegd wat precies van hem wordt verwacht en dat niet diepgaand wordt ingegaan op de asielmotieven, heeft de minister terecht niet gevolgd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat in het aanmeldgehoor aan eiser is uitgelegd dat alleen kort wordt ingegaan op de asielmotieven en dat hij tijdens het nader gehoor de gelegenheid krijgt uitgebreid over zijn asielmotieven te vertellen.Dat eiser stelt dat het aanmeldgehoor niet is bedoeld om asielmotieven naar voren te brengen, maakt het niet anders. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet werd bijgestaan door een raadsman. Aan het begin van het aanmeldgehoor is duidelijk aan eiser uitgelegd wat van hem wordt verwacht. Niet gebleken is dat hij dat niet heeft begrepen. Dat eiser stelt dat het referentiekader van belang is, maakt geen verschil.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder terecht gesteld dat eiser na de gestelde gevangenneming in 1988\u002F1989 zonder problemen zijn dienstplicht heeft uitgediend, dat hij nadien nog langdurig in Syrië heeft verbleven tot zijn vertrek in 2014 én dat hij in 2018 is teruggekeerd naar Syrië. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat eiser geen problemen heeft gehad, dat hij pas in 2014 uit Syrië is vertrokken, dat hij in 2018 vanuit [land] naar Syrië is teruggekeerd en dat niet is gebleken van problemen van eiser vanwege de (gestelde) gevangenhouding tijdens de militaire dienst. Eiser heeft hiertegen in de gronden van het beroep niets aangevoerd.\n\nHeeft de minister de problemen met eisers voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht?8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met eisers zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreiging door zijn voormalig zakenpartner zijn gebaseerd op een aanname. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat het een aanname is van eiser dat hij de woorden ‶ik wil mijn geldʺ uitlegt als een bedreiging en deze bedreiging verder invult als een bedreiging aangevallen of ontvoerd te worden. De minister heeft het standpunt van eiser dat sprake zou zijn van een bedreiging door zijn voormalig zakenpartner waardoor hij voor zijn leven zou moeten vrezen, terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt dat zijn voormalig zakenpartner hem heeft gezocht. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser bij zijn terugkeer naar Aleppo tussen 12 augustus 2018 en 12 september 2018 naar de Syrische autoriteiten is gegaan voor het aanvragen en verkrijgen van een nieuw paspoort.Dat eiser stelt dat hij onder de radar is gebleven voor zijn voormalig zakenpartner, kan hieraan niet afdoen. Dat de bedreiging te maken heeft met het feit dat de zakenpartner een praktiserend moslim is, is door eiser niet onderbouwd. Dat geldt eveneens voor de stelling van eiser dat zijn voormalig zakenpartner sinds de regimewisseling in Syrië hem nu wel kan bedreigen.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit kader heeft de minister terecht gesteld dat na de val het regime van Assad op 9 december 2024 er in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering.Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat informatie van de EUAAbevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering.De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de vrees van eiser voor de dienstplicht van zijn zoon, naast het feit dat hij was vrijgesteld voor de militaire dienstplicht, niet aannemelijk is. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat de dienstplicht van zijn zoon reden was om Syrië te verlaten, doet hieraan niet af.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt?\n\n10. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië.In die uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Het na de uitspraak van de meervoudige kamer verschenen ambtsberichtmaakt dit niet anders, nu de minister in het bestreden besluit heeft verwezen naar dat ambtsbericht. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026.Daarbij betrekt de rechtbank ambtshalve het COI-rapport van 19 mei 2026, waaruit weliswaar blijkt dat er een duidelijke geweldspiek was in onder andere Aleppo tijdens het offensief van de overgangsregering in januari 2026, maar dat dit geweld aanzienlijk afnam na het sluiten van het alomvattende akkoord op 30 januari 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2026.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.\n\n Nader gehoor, p. 11-13 en p. 14-19.\n\n Nader gehoor, p. 4 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 9.\n\n Aanmeldgehoor, p. 13.\n\n Aanmeldgehoor, p. 2 en 3.\n\n Aanmeldgehoor, p. 11.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, p. 33. Zie ook het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 26.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30.\n\n Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie ook de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9954.\n\n COI-Focus Syrië, De situatie in Noordoost-Syrië (voormalig DAANES-gebied), p. 2.\n\nECLI:NL:RBDHA:2026:16583.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","2026-07-13T00:28:38.745Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":34,"updatedAt":57},"1173","ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","ecli-nl-rbdha-2026-18650","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20085\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 10 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening aanvaard.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?\n\n5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij voor de gehoren uitnodigingen heeft ontvangen.\n\n5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.\n\n5.2.. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser is uitgenodigd voor de gehoren en dat het niet verschijnen voor zijn rekening en risico komt. In het verweerschrift van 29 juni 2026 is het verloop toegelicht. Subsidiair verzoekt de minister, als wel een gebrek wordt geconstateerd, artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Op zitting is door eiser een reactie gegeven en is benadrukt dat (nog steeds) niet op deugdelijke wijze is onderbouwd dat eiser is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat in het dossier drie loopbrieven aanwezig zijn, welke niet zijn voorzien van een ondertekend ontvangstbewijs of andere verifieerbare bevestiging van ontvangst. Uit de door de minister in beroep overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat in het verwerkingssysteem Indigogeen officiële uitnodigingen zijn geregistreerd en dat evenmin ondertekende ontvangstbewijzen aanwezig zijn.\n\n5.4.. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat eiser daadwerkelijk op een deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de gehoren. De e-mailcorrespondentie biedt onvoldoende inzicht in de wijze van uitreiking en de concrete gang van zaken rondom het bezorgen van de uitnodigingen. Ook de overige stukken in het dossier, waaronder de twee rapporten “niet verschenen voor gehoor”, bieden daarvoor onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten. Daarmee is sprake van een gebrek in de besluitvorming.\n\n5.5.. \n\nOmdat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank eiser ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\nHierbij is -zakelijk weergegeven- het volgende gesprek met eiser gevoerd:\n\n“R: Eerst was u in Duitsland, daarna in Nederland. Waarom bent u naar Nederland gekomen?E: Ik had het daar heel moeilijk in Duitsland. De woonplek was ook moeilijk.\n\nR: Wat was de woonplek?E: Een klein dorp. Daar heb ik geen hulp gehad van de overheid, geen scholing en geen werk.\n\nR: Verveelde u zich daar?E: Dat klopt, het voelde als een gevangenis in eigen huis.\n\nR: Maar was het geen gevangenis?E: Dat klopt.\n\nR: Had u daar niets te doen?E: Nee, hier ga ik naar school en naar de sportschool.\n\nR: Is er verder nog iets waarom u niet naar Duitsland wilt?E: Nee.”\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht in de beroepsfase alsnog ter zitting mondeling kunnen toelichten. Daarmee is het ontbreken van een persoonlijk onderhoud in de bestuurlijke fase in zoverre hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook reeds in de zienswijze en het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren.\n\nPsychische gesteldheid eiser\n\n6. Eiser heeft in de gronden van beroep van 16 april 2026 naar voren gebracht dat hij kampt met psychische klachten en last heeft van suïcidale gedachten. Daarbij is vermeld dat eiser zich inspant om deze klachten nader te onderbouwen. Volgens eiser is het niet verantwoord hem aan Duitsland over te dragen zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.\n\n6.1.. De Afdelingheeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.6.2.. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Hierin is op 18 mei 2026 melding gemaakt van slaapproblemen en is onder meer vermeld dat eiser denkt dat dat komt door zijn geschiedenis en dat hij veel heeft meegemaakt in Libië en Italië. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft de minister in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Duitsland af te zien. Deze beroepsgrond faalt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland.\n\n8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20086.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n Vgl. Hof van Justitie 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, § 118.\n\n Vgl. rechtbank Den Haag, zp Groningen, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16600.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","2026-07-13T00:29:08.053Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":62,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":34,"updatedAt":64},"1176","ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","ecli-nl-rbdha-2026-18652","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is zelf niet verschenen.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 12 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nZienswijze\n\n5. Voor zover eiser zijn zienswijze handhaaft, die ingaat op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijst de rechtbank naar een eerder, op 19 juni 2026, gedane uitspraak.De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.\n\nArrest C.K.\n\n6. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser zich toegespitst op de medische situatie van eiser en zich beroepen op het arrest C.K. tegen Slovenië. Daarbij is\n\nnaar voren gebracht dat eiser eerder, in Duitsland, is opgenomen na een suïcidepoging en\n\ndat er bij overdracht een reëel risico op decompensatie bestaat.6.1.. Eiser heeft in beroep medische stukken overgelegd over de behandeling in Duitsland. Uit een op 10 december 2025 gedateerde brief van een AMEOS-kliniek blijkt dat eiser van 2 tot 10 december 2025 is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. In een op 22 januari 2026 gedateerde brief van een Helios-kliniek is vermeld dat eiser daar onder behandeling stond. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd en heeft hier op 31 januari 2026 (net als in Duitsland) asiel aangevraagd.6.2.. In het Nederlandse patiëntendossier is onder het kopje “psychische stoornissen”op 8 februari 2026 het volgende vermeld:“[eiser] gaf aan dat hij (…) nu geen acute zelfmoordneigingen heeft, maar dat hij meer toe is aan rust en veiligheid.”Verder is in het Nederlandse patiëntendossier onder het kopje“psychische stoornissen”op 17 maart 2026 het volgende vermeld:“Dhr zegt geen gedachten te hebben over zelfdoding, wil werken aan een betere toekomst.”\n\n6.3.. De Afdelingheeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.\n\n6.4.. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit de stukken niet blijkt dat er sprake is van een actieve medische behandeling of een verhoogd suïciderisico speelt. De overgelegde gegevens gaan terug tot 9 april 2026. Uit die gegevens blijkt verder vooral wat eiser zelf heeft verteld. Daaruit volgt volgens de minister niet dat wordt voldaan aan het in WI 2021\u002F3 neergelegde kader. Daarom wordt ook geen advies aan het BMA gevraagd.\n\n6.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken geen objectieve gegevens overgelegd als hiervoor beschreven.Zo is nergens in de medische stukken door een behandelaar ingegaan op wat een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser zou betekenen. Reeds gelet hierom kan het beroep op het arrest C.K. niet slagen.\n\nTarakhel\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakheldient te worden aangemerkt, zodat een individuele beoordeling van de zorg- en opvangsituatie bij overdracht is aangewezen.\n\n7.1.. In het arrest Tarakhelheeft het EHRMoverwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015volgt dat het arrestTarakhelook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen.\n\n7.2.. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd. Wel is eiser er op gewezen dat hij in Duitsland toegang heeft kunnen krijgen tot medische zorg en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Duitsland niet kan krijgen. Daarbij is opgemerkt dat indien eiser hiervoor toestemming geeft, er op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van zijn medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland. De autoriteiten van Duitsland worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften geïnformeerd. De minister wijst er daarbij op dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n7.3.. De minister heeft ter zitting verder nog naar voren gebracht dat dit uit de in beroep overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat eiser op dit moment bijzonder kwetsbaar is en aanvullende individuele garanties moeten worden verkregen van Duitsland.7.4.. \n\nDe rechtbank leest in de overgelegde stukken dat eiser in Duitsland (het afgelopen jaar) een behandeling heeft gekregen in twee behandelklinieken. Het Nederlandse patiëntendossier gaat niet verder dan 9 april 2026. De minister heeft reeds vermeld dat de autoriteiten voor de overdracht kunnen worden geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van Duitsland kan worden\n\nuitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van wat eiser heeft gesteld ziet de rechtbank dan ook geen grond te oordelen dat de minister voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser voert aan dat, gelet op de cumulatie van zijn individuele omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.8.1.. De minister heeft op de zitting naar voren gebracht daar geen aanleiding toe te zien. Daarmee blijft de minister bij het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.8.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op de door eiser gestelde persoonlijke ervaringen in Duitsland gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19458.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:16626\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.\n\n ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3806.\n\n Zie ook: ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","2026-07-13T00:29:08.172Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":34,"updatedAt":72},"1520","ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","ecli-nl-rbdha-2026-18513","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.29972 en NL26.30215\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam 1], eiseres,\n\nV-nummer: [nummer 1],\n\n(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),\n\nmede namens haar minderjarige kind:\n\n [naam 2]\n\nV-nummer: [nummer 2]\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van beperking van de vrijheid opgelegd,zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw.\n\n1.1.. Eiseres heeft op 29 mei 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n1.2.. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel per 1 juni 2026 beëindigd, vanwege continuering van opvang op het AZC.\n\n1.3.. Eiseres heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juni 2026 ingetrokken en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres.\n\n1.4.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.\n\nOverwegingen\n\n2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten veroordelen.\n\n3. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, deze maatregel nog heeft voortbestaan en pas na het indienen van beroep is beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de mededeling van de minister dat er sprake is van continuering van de opvang op het AZC, sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Voornoemde tegemoetkoming vormt naar het oordeel van de rechtbank grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De rechtbank wijst het verzoek om verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.\n\n6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten verband houdend met het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tigglaar, griffier.\n\nDe uitspraak is bekend gemaakt en openbaar gemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18513","2026-07-13T00:29:25.207Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":34,"updatedAt":80},"1509","ECLI:NL:RBDHA:2026:16203","ecli-nl-rbdha-2026-16203","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.46737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het beroep is gegrondongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen. Tijdens de zitting is de broer van eiser als getuige gehoord.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] , heeft de Afghaanse nationaliteit en behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft ondervonden met de Taliban en dat hij door hen wordt gezien als verzetsstrijder. De winkel van zijn vader, waar eiser werkzaam was, is doorzocht door leden van de Taliban. Hierbij hebben zij het wapen van eisers vader gevonden. Als gevolg hiervan hebben ze eiser beticht van verzet tegen de Taliban. Ze wilden eiser meenemen, maar hij heeft kunnen vluchten. Bij terugkeer naar Afghanistan vreest eiser te worden gedood door de Taliban, omdat de Taliban denkt dat hij zich heeft aangesloten bij het verzetsfront.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen met de Taliban.\n\nDe minister acht de naam, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht de geboortedatum van [geboortedatum] ongeloofwaardig. Gelet op het feit dat eiser in Oostenrijk een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Nederland, dat de door eiser overgelegde identiteitsverklaring onvoldoende waarde kent en het feit dat dit document niet als identificerend document kan worden beschouwd, wordt de gestelde minderjarige leeftijd ten tijde van de asielaanvraag, ongeloofwaardig geacht. De problemen met de Taliban acht de minister ook ongeloofwaardig. Omdat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen, heeft de minister aan de hand van de verklaringen van eiser beoordeeld of het asielmotief geloofwaardig is. De minister overweegt hiertoe dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser op grond van het geloofwaardig geachte eerste asielmotief niet aangemerkt als vluchteling en eiser heeft volgens de minister ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond.\n\nLeeftijd\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep het oordeel van de minister over de gestelde minderjarige leeftijd van eiser ten tijde van de aanvraag niet gemotiveerd heeft betwist. De enkele verwijzing naar de zienswijze en de aanvullende zienswijze en het verzoek om die als herhaald en ingelast te beschouwen, is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijzen volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.\n\nHad de minister het beleid zoals opgenomen in IB 2022\u002F71 moeten toepassen?\n\n6. Eiser doet een beroep op IB 2022\u002F71 en stelt dat de minister hem op basis van dit beleid het voordeel van de twijfel had moeten geven. De minister heeft de beslistermijn overschreden en daardoor is eiser in een nadeligere positie terecht gekomen.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken.De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvraag en het bestreden besluit geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissing is uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eiser te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvraag geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.\n\nHeeft de minister ten onrechte de problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht?\n\n7. Eiser voert aan dat de minister de door hem gestelde problemen met de Taliban geloofwaardig had moeten achten. De minister heeft ten onrechte geconcludeerd dat het vinden van een Kalasjnikov in een winkel in de provincie Kapisa waar een jonge Tadzjiek achter de toonbank staat, onvoldoende reden is om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister heeft eisers asielrelaas onvoldoende afgezet tegen de bekende landeninformatie. Eiser zal worden gezien als een aanhanger van de NRF.Eiser wijst op het document dat hij bij de aanvullende zienswijze van 29 augustus 2024 heeft overgelegd, waarin de hechtenis van eisers vader is bevestigd door de veiligheidscommandant van de provincie Kapisa. Inmiddels beschikt eiser over het originele document en hij wil dat de minister dit laat onderzoeken. Eisers broer kan verklaren over wat er met hun vader is gebeurd.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet ten onrechte de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over waarom hij verdacht zou worden van verzet jegens de Taliban. Eiser heeft verklaard dat de Taliban hem is gaan verdenken na een eerdere huiszoeking bij hem thuis, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij na deze huiszoeking verdacht zou zijn geworden. Daar heeft de minister bij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat de Taliban tijdens de huiszoeking niets heeft gevonden en dat hij na de huiszoeking geen problemen met de Taliban heeft gehad. De minister heeft eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom de Taliban ervan uit ging dat het wapen van eiser was, mede gezien de door eiser gestelde jonge leeftijd. De winkel was van eisers vader en de minister heeft het niet aannemelijk hoeven vinden dat eiser wel als tegenstander van het regime zou worden beschouwd en zijn vader niet. De minister heeft de verklaring van eiser dat de Taliban zijn vader niet heeft aangehouden omdat hij op leeftijd is niet hoeven volgen.\n\n7.2.. De minister heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft verklaard over het moment waarop hij staande werd gehouden bij een checkpoint van de Taliban. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat iedereen staande werd gehouden en gefouilleerd, maar tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat iemand pas staande wordt gehouden en wordt gefouilleerd als iemand verdacht wordt of argwaan wekt. Ook heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen logische verklaring heeft kunnen geven voor het gegeven dat hij zijn vader niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de Taliban eiser heeft gevraagd naar de locatie van de winkel. Ook heeft eiser niet weten te verklaren wanneer de Taliban de winkel is binnengevallen of wanneer de Taliban een huiszoeking bij eiser thuis deed en heeft hij tegenstrijdig verklaard over de tijd die tussen de ondervraging bij het checkpoint en de doorzoeking van de winkel zou hebben gezeten.\n\n7.3.. Ook heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en onlogisch over het vluchten voor de Taliban heeft verklaard. De minister heeft het onaannemelijk kunnen achten dat eiser rennend is gevlucht van vier Talibanleden met wapens en twee auto’s. Niet valt in te zien hoe eiser heeft weten te ontsnappen aan de Talibanleden die in de meerderheid waren en op eiser schoten. De verklaring van eiser dat de Taliban hem liet ontsnappen, omdat zijn vluchtroute niet bereikbaar was voor de auto en de Taliban niet achter hem aan durfde te rennen omdat zij bang was om zelf aangevallen te worden, heeft de minister niet aannemelijk hoeven achten. De Taliban had de macht in eisers woonomgeving en het is daarom niet aannemelijk dat zij eiser lieten ontsnappen als hij een doelwit zou zijn geweest.\n\n7.4.. De minister heeft eiser eveneens kunnen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft verklaard over het feit dat zijn vader zou zijn vastgehouden door de Taliban. De minister heeft het onaannemelijk kunnen achten dat de Taliban eisers vader na een paar uur heeft laten gaan. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat wanneer de Taliban eiser wilde ontvoeren, verwacht mocht worden dat zij eisers vader niet zomaar zouden laten gaan na een paar uur. De minister heeft daarbij terecht gewezen op het Algemeen ambtsbericht Afghanistan, waaruit blijkt dat wanneer een familielid een doelwit van de Taliban is, de hele familie risico loopt.Verder heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien dat eisers vader zou zijn vrijgelaten nadat heeft verklaard dat het wapen van hem was, wanneer het hebben van een wapen wordt gezien als middel of kenmerk van verzet.\n\n7.5.. Ten aanzien van de overgelegde verklaring van de Taliban waarin de hechtenis van eisers vader zou zijn bevestigd door de veiligheidscommandant van de provincie Kapisa, volgt de rechtbank de minister dat hij geen aanleiding ziet om het document op echtheid te laten onderzoeken. Het is onaannemelijk dat eisers vader een verklaring van de Taliban heeft geregeld om zijn geld terug te krijgen, als hij vreest voor diezelfde Taliban. Verder is het document geen onderbouwing van eisers asielrelaas, nu uit het document niet volgt dat de Taliban eiser zoekt dan wel dat de Taliban vragen aan eisers vader heeft gesteld over eisers verblijfplaats. Ten aanzien van het overgelegde Whatsapp-gesprek dat zou zijn gevoerd tussen eisers broer en zijn neef, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit gesprek geen feitelijke, objectieve informatie bevat die eisers asielrelaas onderbouwt.\n\n7.6.. Ter zitting heeft de broer van eiser een verklaring afgelegd over de gestelde hechtenis van eisers vader bij de Taliban. De minister heeft aan deze verklaring niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het een algemene verklaring is, waarbij eisers broer wisselend heeft verklaard over wanneer hij naar zijn vader is gegaan. In het begin van zijn verklaring heeft hij het over juni 2025 en later zegt hij dat ongeveer een half jaar na juni 2024 naar zijn vader is toegegaan. Verder zijn de verklaringen van eiser subjectief en verklaart hij over dingen die hij niet zelf heeft meegemaakt. Daarbij gaan de verklaringen van eisers broer over hetgeen eisers vader heeft meegemaakt en is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiser problemen heeft ervaren met de Taliban.\n\n7.7.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de Taliban werd verdacht als iemand die tot het verzet zou behoren. De minister heeft de gestelde problemen met de Taliban ongeloofwaardig kunnen achten. Dit betekent dat de minister ook niet heeft hoeven volgen dat eiser beschouwd zal worden als lid van de NRF. De minister is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de in de zienswijze door eiser aangehaalde landeninformatie. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De minister is in het besluit uitgebreid ingegaan op de afgelegde verklaringen en de overgelegde stukken waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser niet geloofwaardig acht. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een adequate integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.\n\nPolitieke overtuiging\n\n8. Eiser stelt dat de minister miskent dat hij te maken heeft met vervolging vanwege (al dan niet vermeende) politieke opvattingen.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de minister niet betwist dat eiser een politieke overtuiging in de zin van IB 2024\u002F10 heeft, nu hij heeft verklaard het niet eens te zijn met de opvattingen van de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom hij in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Een enkele verwijzing naar arresten en landeninformatie is niet voldoende om de vrees aannemelijk te achten.\n\nVeiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden\n\n9. Voor zover eiser heeft gesteld dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat de humanitaire situatie in Afghanistan ten onrechte niet (kenbaar) is betrokken bij de beoordeling van artikel 15(c) Kwalificatierichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt.\n\n9.1.. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de humanitaire situatie slecht en zeer zorgelijk is in Afghanistan, maar dat de humanitaire omstandigheden in beginsel niet onder de reikwijdte van het asielbeleid vallen. Voor Afghanistan moet in het kader van het internationaal asielrecht worden geconcludeerd dat deze situatie niet opzettelijk is gecreëerd (bijvoorbeeld als oorlogstactiek) of het gevolg is van willekeurig geweld en deze leidt derhalve niet tot een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister verwijst naar de een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 7 januari 2026.Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat ook op basis van het ambtsbericht van december 2025 geen relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. Als dat wel zo zou zijn, moet er sprake zijn van individuele omstandigheden en dat is in het geval van eiser niet aan de orde.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt dat volgens het landenbeleid zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit en ook het nu geldende landenbeleidin Kapisa geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.De enkele stelling van eiser, onder verwijzing naar informatie van de EUAA, dat wel degelijk sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat in Kapisa geen sprake is van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n9.3.. \n\nUit de uitsprakenvan de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken die verband houden met willekeurig geweld en die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen. De minister heeft zich daarbij, in lijn met de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling, terecht op het standpunt gesteld dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het ambtsbericht 2025 blijkt dat de humanitaire situatie zeer slecht is. Het land heeft te maken met de gevolgen van vier decennia oorlog, ingesleten armoede en klimaatcrises. De humanitaire situatie is verergerd door de grootschalige gedwongen terugkeer naar Afghanistan van Afghanen uit met name Iran en Pakistan, de sterk teruggelopen buitenlandse hulpgelden en de gevolgen van klimaatverandering (droogte, overstromingen) en aardbevingen. Er zijn ernstige voedsel- en watertekorten, naast gebrek aan werk en huisvesting en het gezondheidssysteem kan de vraag naar zorg bij lange na niet aan.\n\nHoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling heeft de minister in lijn met de uitspraak van de Afdeling gesteld dat de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gezien de uitspraak van de Afdeling volgt de rechtbank de motivering van de minister en acht deze voldoende deugdelijk.\n\nHumanitaire situatie en artikel 3 van het EVRM?\n\n10. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Afghanistan terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Hij beroept zich op het arrest Sufi en Elmi.\n\n10.1.. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verwezen naar algemene landeninformatie, zonder deze toe te spitsen op de situatie in Kapisa. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank niet gebleken dat in Afghanistan, en Kapisa in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld in Sufi en Elmi, bestaan.\n\nRisico’s bij terugkeer\n\n11. Eiser betoogt verder dat hij bij een terugkeer naar Afghanistan uit Europa mogelijk risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing wijst hij op een uitspraak van de Afdelingvan 20 november 2024, waaruit volgt dat de minister bij de beoordeling van terugkeer uit het westen de individuele factoren in samenhang moeten beoordelen, waaronder het verblijf in het westen. Eiser wijst in dit verband verder op het feit dat hij een Tadzjiek is uit de provincie Kapisa en dat hij een matig praktiserend moslim is.\n\n11.1.. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 20 november 2024heeft geoordeeld dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren na een verblijf in het Westen, zijn daarom volgens de Afdeling niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt wegens dat verblijf in het Westen. Het is, gelet op artikel 31 van de Vw 2000, aan de vreemdeling die terugkeert vanuit het Westen om met individuele omstandigheden aannemelijk te maken waarom hij in de aandacht van de Taliban staat en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 15, onderdeel b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 4 van het EU Handvest. Dit oordeel heeft de Afdeling sindsdien in verschillende uitspraken herhaald.\n\n11.2.. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers problemen met de Taliban ongeloofwaardig zijn. De minister heeft verder voldoende gemotiveerd dat het niet aannemelijk wordt geacht dat de Taliban eiser beschouwt als iemand die lid zou zijn van het verzet. De Tadzjieken zijn binnen het landgebonden beleid voor Afghanistan niet als apart risicoprofiel aangemerkt. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat hij persoonlijk geen problemen heeft ondervonden omdat hij Tadzjiek is.Ook het feit dat eiser afkomstig is uit Kapisa en dat hij een matig praktiserend moslim is, maken dit niet anders. Ook ten aanzien van deze punten geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem als individu een specifiek en persoonlijk risico bestaat.\n\n11.3.. De beroepsgrond van eiser dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt, slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nHersteluitspraak\n\n13. Deze hersteluitspraak is gedaan omdat in de tweede zin in rechtsoverweging 1.1. ten onrechte staat dat het beroep gegrond is. Deze hersteluitspraak treedt in de plaats van de oorspronkelijke uitspraak die op 15 juni 2026 is gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2518) en 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1739).\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1739) en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1393).\n\n National Resistance Front.\n\n Algemeen ambtsbericht Afghanistan, juni 2023, p. 68.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:141.\n\n Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 4 juni 2026, nummer WBV 2026\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stc. 2026\u002F19746.\n\n Vreemdelingencirculaire, C7\u002F2.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n AAB Afghanistan 2025, p. 8 en 24.\n\n EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4647.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4647 en ECLI:NL:RVS:2024:4648.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2366).\n\n NG, p. 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16203","2026-07-13T00:29:24.640Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":85,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":34,"updatedAt":87},"1720","ECLI:NL:RBDHA:2026:15745","ecli-nl-rbdha-2026-15745","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.47644\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Syrische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. H. Meijerink),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat de minister het bestreden besluit heeft genomen op basis van een beslissing van de Noorse autoriteiten en niet zelf heeft onderzocht en beoordeeld of artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv van toepassing is. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.De minister heeft met het bestreden besluit van 29 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.Daarbij is eiser ongewenst verklaarden is hij voor de duur van tien jaar gesignaleerd in het E&S.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorzieningte treffen. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. Op 8 oktober 2025 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.\n\n2.2.. Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De minister heeft op 4 mei 2026 een verweerschrift ingediend.\n\n2.3.. Eiser heeft op 10 mei 2026 een proces-verbaal van aangifte van bedreiging, gedateerd 8 februari 2025, ingediend.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nFeiten en zaaksverloop\n\n3. Aan het bestreden besluit is onder meer het volgende voorafgegaan.\n\n3.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 augustus 2014 in Noorwegen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 8 juli 2023 is eiser naar Nederland gekomen en hij heeft vervolgens op 12 juli 2023 onderhavige asielaanvraag ingediend.\n\n3.2.. Met het besluit van 22 november 2023 heeft de minister de asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Daarbij heeft de minister besloten dat eiser zou worden overgedragen aan Noorwegen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft het beroep op 4 maart 2024 ongegrond verklaard.Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Afdelingop 5 maart 2024ongegrond verklaard.\n\n3.3.. Eiser is niet tijdig overgedragen aan de Noorse autoriteiten, waarna de minister eiser bij brief van 25 maart 2024 heeft bericht dat hij zal worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Op 16 mei 2024 is eiser nader gehoord. Op 14 juni 2024 is door bureau Dublin aan de Noorse autoriteiten om nadere informatie verzocht over de asielprocedure van eiser in Noorwegen. Op 24 juni 2024 is door de Noorse autoriteiten het Noorse asieldossier van eiser overgelegd in de Noorse taal en dit is vervolgens in de Nederlandse taal vertaald. Bij brief van 2 oktober 2024 is het dossier voor verder onderzoek overgedragen aan de unit 1F.\n\n3.4.. Uit het Noorse asieldossier blijkt dat de Noorse immigratiedienstop 3 juli 2019 artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv aan eiser heeft tegengeworpen, omdat hij na zijn vertrek uit Syrië, in Turkije, een bericht op zijn [social media] zou hebben geplaatst. In dat bericht zou eiser een beloning hebben uitgeloofd van 75.000 dollar om een persoon te laten vermoorden die actief was voor de aan het regime van [social media] verbonden Nationale Verdedigingstroepen (National Defense Forces). De beslissing van de Noorse immigratiedienst is na bezwaar op 17 april 2020 bekrachtigd.\n\n3.5.. \n\nOp 5 maart 2025 heeft het BMAeen medisch advies over eiser uitgebracht. Op\n\n24 april 2025 heeft de minister het voornemen uitgebracht om eisers asielaanvraag af te wijzen vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv en om eiser tot ongewenst vreemdeling te verklaren. Op 22 mei 2025 heeft eiser zijn zienswijze uitgebracht. Op 17 juli 2025 is eiser gehoord in het kader van een voornemen tot ongewenstverklaring. Vervolgens heeft de minister het bestreden besluit genomen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser door de Noorse autoriteiten in verband wordt gebracht met een ernstig niet-politiek misdrijf. De minister is er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gegaan dat Noorwegen op goede en juiste gronden artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv aan eiser heeft tegengeworpen. Dat eiser in het kader van de Dublinprocedure niet tijdig is overgedragen aan Noorwegen, houdt volgens de minister niet in dat de inhoudelijke behandeling van eisers asielverzoek in Noorwegen opnieuw dient te worden gedaan. De minister vindt dat geen afzonderlijk 1F-gehoor had hoeven plaats te vinden. Hij stelt dat eiser in het nader gehoor in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag toe te lichten. Op basis van wat eiser heeft verklaard, is op grond van artikel 3:2 van de Awbnader onderzoek gedaan door de Noorse autoriteiten te verzoeken om nadere informatie over eisers asielverzoek daar. Naar aanleiding daarvan heeft de minister het Noorse dossier ontvangen. Verder heeft de minister de conclusie van de Noorse autoriteiten gevolgd dat eiser, gelet op zijn asielrelaas in Noorwegen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.Volgens de minister kan van eiser worden verwacht dat hij terugkeert naar Noorwegen. Gelet op het BMA-advies heeft de minister geconcludeerd dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen in Noorwegen. Daarnaast heeft de minister eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw tot ongewenst vreemdeling verklaard, omdat in de Noorse besluitvorming artikel 1F op eiser van toepassing is geacht. Tot slot heeft de minister eiser voor de duur van tien jaar gesignaleerd in het E&S.\n\nStandpunten van partijen\n\n5. Eiser voert aan dat de door hem ingediende asielaanvraag in Nederland door de minister inhoudelijk had moeten worden behandeld na zijn niet-tijdige overdracht aan Noorwegen. De minister heeft niet zonder meer en enkel op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de Noorse besluitvorming over de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv mogen overnemen. Eiser vindt dat de minister niet zonder nader onderzoek heeft mogen concluderen dat artikel 1F op hem van toepassing is. Het is volgens eiser niet zorgvuldig dat geen afzonderlijk 1F-gehoor meer heeft plaatsgevonden.\n\n6. De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat hij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaat dat Noorwegen een deugdelijke en zorgvuldige asielprocedure heeft. Daarbij vindt de minister dat de inhoud van de Noorse asielprocedure meegenomen mag worden bij de besluitvorming. De minister stelt in dit verband dat hij de stukken uit de Noorse asielprocedure heeft bestudeerd en dat dit het nader onderzoek is zoals bedoeld in de brief van 2 oktober 2024. Volgens de minister blijkt uit de bestudering van de stukken uit de Noorse asielprocedure van eiser dat Noorwegen op juiste wijze artikel 1F van het Vv heeft toegepast.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n7. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel het besluit van de Noorse autoriteiten over de toepasselijkheid van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv op eiser mocht overnemen.\n\nHet juridisch kader\n\n8. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.\n\n8.1.. Op grond van de paragrafen C2\u002F7.10 en B1\u002F4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van hem ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vv.8.2.. Op grond van artikel 1F van het Vv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.\n\n8.3.. In artikel 78, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de EU een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming ontwikkelt. Dit beleid is erop gericht om iedere derdelander die internationale bescherming behoeft, een passende status te verlenen.\n\n8.4.. In artikel 10, tweede lid, van de Procedurerichtlijnstaat dat de beslissingsautoriteit bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming eerst nagaat of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. In het derde lid van dit artikel staat dat de lidstaten erop toezien dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. In artikel 12 van de Kwalificatierichtlijnzijn de omstandigheden omschreven waarin een onderdaan van een derde land van de vluchtelingenstatus wordt uitgesloten.\n\n8.5.. Het Hof van Justitie (Hof) heeft in het arrest QY van 18 juni 2024,voor zover hier van belang, overwogen dat uit het primaire recht van de Unie, met name artikel 78 van het VWEU, geen beginsel volgt van wederzijdse erkenning van beslissingen tot toekenning van de vluchtelingenstatus. Het Hof heeft daarbij duidelijk gemaakt dat de Kwalificatierichtlijn met name beoogt te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven.Daarbij geldt dat het Unierecht inzake internationale bescherming in zijn huidige vorm de lidstaten niet uitdrukkelijk verplicht beslissingen tot toekenning van de vluchtelingenstatus die door een andere lidstaat zijn genomen, automatisch te erkennen. Wel moet de beslisautoriteit van de bevoegde lidstaat de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus individueel, volledig en actueel onderzoeken.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister voordat hij het besluit nam op eisers asielaanvraag geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de toepassing op eiser van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vv, maar zonder meer het oordeel van de Noorse autoriteiten hierover heeft overgenomen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt.9.1.. Nederland is verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag omdat eiser niet tijdig is overgedragen aan de Noorse autoriteiten.9.2.. In artikel 78, eerste lid, van het VWEU en artikel 10, tweede lid, van de Procedurerichtlijn staat niet dat beslissingen van andere lidstaten automatisch door een andere lidstaat moeten worden overgenomen. Verder staat in artikel 12 van de Kwalificatierichtlijn niet dat een beslissing van een andere lidstaat over artikel 1F van het Vv door een andere lidstaat moet worden overgenomen. De rechtbank legt deze bepalingen daarom zo uit dat het gemeenschappelijke asielbeleid van de Unie niet zo ver reikt dat de minister zonder meer elke afwijzingsgrond kan overnemen op het moment dat hij verantwoordelijk wordt voor een asielaanvraag.\n\n9.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling door de minister, in het licht van voornoemd arrest QY uit 2024, een individueel, volledig en actueel onderzoek vereist. De minister stelt voldoende onderzoek te hebben gedaan door het bestuderen van de besluiten van de Noorse autoriteiten, maar de rechtbank stelt vast dat niet het volledige dossier van Noorwegen is ontvangen of althans dat de minister niet het gehele dossier heeft laten vertalen. Zo is het in Noorwegen afgenomen gehoorvan eiser niet in het dossier opgenomen. Dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld dat het in Noorwegen afgenomen gehoor van eiser, voor zover relevant, is weergegeven in de Noorse besluitvorming, is onvoldoende.9.4.. Verder acht de rechtbank het niet zorgvuldig dat de minister eiser niet afzonderlijk heeft gehoord over 1F. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat een aanvullend 1F-gehoor niet nodig was. Hierbij is van belang dat pas na het nader gehoor informatie van de Noorse autoriteiten is opgevraagd en ontvangen en dat eiser daarover in het geheel niet is bevraagd. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat de minister geen enkele informatie heeft over het [social media] van eiser en het daarop door hem geplaatste bericht, waarin hij een geldbeloning zou hebben uitgeloofd om een persoon te laten vermoorden. Dit terwijl dit bericht voor de Noorse autoriteiten de aanleiding was om aan eiser 1F tegen te werpen en eiser stelt dat het niet juist is en hij niet eerder in de gelegenheid is geweest dit te corrigeren. Het had op de weg van de minister gelegen ook hier zelfstandig nader onderzoek naar te doen en eiser hierover te bevragen. Daarnaast heeft de minister nagelaten om bij zijn beoordeling de algemene landeninformatie over Syrië te betrekken. Anders dan de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, is uit de besluitvorming dan ook niet gebleken dat de minister een individuele, volledige en actuele beoordeling van eisers asielaanvraag heeft verricht, zoals bedoeld in het arrest QY. Dat de minister dat niet heeft gedaan, is onzorgvuldig.\n\n9.5.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit van de minister in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. Omdat het beroep gegrond is, hoeven de andere beroepsgronden niet meer besproken te worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De minister heeft het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op de asielaanvraag moet nemen en daarbij rekening houdt met wat in deze uitspraak is overwogen.\n\n11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 29 september 2025;\n\n- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met wat in deze uitspraak is overwogen;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzitter, mr. A.W. Wassink en mr. A. Sibma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw.\n\n Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw.\n\n Executie & Signalering.\n\n Zaaknummer NL25.47645.\n\n Zaaknummer NL23.36808.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:1020.\n\n De Utlendingsdirektoratet (UDI), de Noorse immigratiedienst.\n\n Bekrachtiging door de Utlendingsnemnda (UNE), de Noorse Commissie van Beroep voor Vreemdelingenzaken.\n\n Bureau Medische Advisering.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n Richtlijn 2011\u002F95 EU.\n\n HvJEU 18 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:524 (QY), onder 61, 63 en 74.\n\nZie het arrest van het Hof van 13 september 2018, Ahmed, ECLI:EU:C:2018:713, punt 37.\n\n In het Noorse dossier wordt gesproken over een interview.\n\n Op grond van artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15745","2026-07-13T00:29:35.718Z",20]