[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-dublin-transfer-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":135,"limit":136},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},15,{"min":18,"max":19},"2025-07-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,47,54,61,68,75,83,90,97,104,112,120,128],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"352","ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","ecli-nl-rbdha-2026-18722","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20807\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoekster,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20806.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.653Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","2026-07-13T00:28:25.495Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":46},"1177","ECLI:NL:RBDHA:2026:18654","ecli-nl-rbdha-2026-18654","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19458\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. Verzoeker is zelf niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19457.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18654","2026-07-13T00:29:08.238Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":51,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":53},"1184","ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","ecli-nl-rbdha-2026-18655","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20081\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffenwordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nBeroepsgronden\n\n6. Eiser geeft aan in beroep al hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht te herhalen. Eiser blijft van mening dat Kroatië zich niet houdt aan de richtlijnen. Eiser heeft toegelicht hoe hij in Kroatië door de politie is behandeld. Hieruit blijkt dat asielzoekers in Kroatië niet welkom zijn. Het is een doorreisland. Door zijn ervaringen in Kroatië en die in zijn land van herkomst voelde hij zich genoodzaakt elders bescherming te zoeken. Eiser stelt dat hij niet kan worden overgedragen aan Kroatië en dat deze overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Volgens hem zullen hem bij terugkeer de voorzieningen en basishulp worden onthouden. Eiser stelt dat sprake is van structurele tekortkomingen op het gebied van de asielprocedure en voorzieningen inclusief opvang. De minister had toepassing moeten geven aan artikel 17 eerste lid van de Dublinverordening. Eiser wijst op AIDA-rapporten (updates 2023 en 2024) waaruit blijkt dat er in de jaren 2018 tot 2025 steeds maar vijf Soedanese asielzoekers waren. Sinds 2023 kreeg maar één Soedanese nationaal de Kroatische nationaliteit. Volgens eiser is sprake van structurele uitsluiting en moet in dit geval wel rekening worden gehouden met het verschil in beschermingsbeleid. Eiser vreest voor refoulement en het ontbreken van adequate bescherming. Volgens hem is sprake van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdelingheeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025, 21 november 2025en 8 december 2025. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië.\n\n7.2.. Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRMdan wel artikel 4 van het Handveststrijdige behandeling. Zijn verklaringen over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij aankomst in Kroatië (als asielzoeker) is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublin-claimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en daarmee garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Mocht eiser in Kroatië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg hierover bij de (hogere of rechterlijke) Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.\n\n7.3.. Voor zover verzoeker vreest voor indirect refoulement, verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest van het Hofvan 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Alleen als aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt en kan ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.\n\n7.4.. De rechtbank overweegt ten slotte dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien om de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangevoerde omstandigheden ook al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag verwijzen naar zijn standpunt daarover.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nOp grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder kenmerk NL26.20082.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:EU:C:2019:218.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:919.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5901, waarbij de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6537) is bevestigd.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Europese Hof van Justitie.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n Zie uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","2026-07-13T00:29:08.710Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":58,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":60},"1325","ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","ecli-nl-rbdha-2026-18674","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.13803 (beroep) en NL26.13804 (voorlopige voorziening)\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser),\n\nv-nummer: [v-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.13803 ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met nummer NL26.13804 af.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om internationale bescherming in het onderhavige geval vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek wordt bepaald op grond van de in de Dublinverordeningvastgestelde criteria.Op grond van de Dublinverordening wordt een asielaanvraag niet in behandeling genomen als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland op 18 januari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 28 januari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op recente AIDA-rapporten en het rapport van DRC van 2 juni 2024. Hieruit volgt dat ook Dublinclaimanten het risico lopen om door pushbacks het land uitgezet te worden. Deze pushbacks vinden op systematische wijze plaats en de Kroatische autoriteiten nemen geen maatregelen om dit te stoppen. Daarnaast zijn de opvangcapaciteiten in Kroatië zeer beperkt en zijn er ook geen plannen de opvangcapaciteiten uit te breiden. Eiser heeft verder concreet en gedetailleerd verklaard over zijn korte verblijf in Kroatië. Eiser heeft geen tolk gezien en kon daarom niet communiceren in Kroatië. Daarnaast werd hem niets uitgelegd. Eiser kan dus geen documenten hebben waarmee hij zijn belevenissen in Kroatië kan onderbouwen.\n\n4. De rechtbank overweegt dat de Afdelingin haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de pushbacks en de opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 21 november 2025en 26 maart 2026. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De door eiser aangehaalde bronnen laten geen wezenlijke andere informatie zien dan door de Afdeling al in de beoordeling is betrokken. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek met het claimakkoord heeft geaccepteerd en hiermee gegarandeerd heeft eisers asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde persoonlijke ervaringen geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze ervaringen niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen documenten kan hebben die zijn ervaringen kunnen onderbouwen. Indien eiser geconfronteerd wordt met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het immers op zijn weg hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. De stelling dat eiser in de enkele dagen dat hij in Kroatië was geen tolk heeft gezien, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in de niet onderbouwde stelling van eiser op zitting dat hij bang is dat de mensensmokkelaar hem in Kroatië kan vinden en dat er bedreigingen richting eiser zijn geuit, evenmin aanleiding voor een ander oordeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n7. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R. Tesfai, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Zie hiervoor artikel 84, tweede lid, van de AMB-verordening.\n\n Zie ook artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1667.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","2026-07-13T00:29:16.070Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":65,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"1173","ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","ecli-nl-rbdha-2026-18650","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20085\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 10 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening aanvaard.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?\n\n5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij voor de gehoren uitnodigingen heeft ontvangen.\n\n5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.\n\n5.2.. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser is uitgenodigd voor de gehoren en dat het niet verschijnen voor zijn rekening en risico komt. In het verweerschrift van 29 juni 2026 is het verloop toegelicht. Subsidiair verzoekt de minister, als wel een gebrek wordt geconstateerd, artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Op zitting is door eiser een reactie gegeven en is benadrukt dat (nog steeds) niet op deugdelijke wijze is onderbouwd dat eiser is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat in het dossier drie loopbrieven aanwezig zijn, welke niet zijn voorzien van een ondertekend ontvangstbewijs of andere verifieerbare bevestiging van ontvangst. Uit de door de minister in beroep overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat in het verwerkingssysteem Indigogeen officiële uitnodigingen zijn geregistreerd en dat evenmin ondertekende ontvangstbewijzen aanwezig zijn.\n\n5.4.. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat eiser daadwerkelijk op een deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de gehoren. De e-mailcorrespondentie biedt onvoldoende inzicht in de wijze van uitreiking en de concrete gang van zaken rondom het bezorgen van de uitnodigingen. Ook de overige stukken in het dossier, waaronder de twee rapporten “niet verschenen voor gehoor”, bieden daarvoor onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten. Daarmee is sprake van een gebrek in de besluitvorming.\n\n5.5.. \n\nOmdat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank eiser ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\nHierbij is -zakelijk weergegeven- het volgende gesprek met eiser gevoerd:\n\n“R: Eerst was u in Duitsland, daarna in Nederland. Waarom bent u naar Nederland gekomen?E: Ik had het daar heel moeilijk in Duitsland. De woonplek was ook moeilijk.\n\nR: Wat was de woonplek?E: Een klein dorp. Daar heb ik geen hulp gehad van de overheid, geen scholing en geen werk.\n\nR: Verveelde u zich daar?E: Dat klopt, het voelde als een gevangenis in eigen huis.\n\nR: Maar was het geen gevangenis?E: Dat klopt.\n\nR: Had u daar niets te doen?E: Nee, hier ga ik naar school en naar de sportschool.\n\nR: Is er verder nog iets waarom u niet naar Duitsland wilt?E: Nee.”\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht in de beroepsfase alsnog ter zitting mondeling kunnen toelichten. Daarmee is het ontbreken van een persoonlijk onderhoud in de bestuurlijke fase in zoverre hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook reeds in de zienswijze en het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren.\n\nPsychische gesteldheid eiser\n\n6. Eiser heeft in de gronden van beroep van 16 april 2026 naar voren gebracht dat hij kampt met psychische klachten en last heeft van suïcidale gedachten. Daarbij is vermeld dat eiser zich inspant om deze klachten nader te onderbouwen. Volgens eiser is het niet verantwoord hem aan Duitsland over te dragen zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.\n\n6.1.. De Afdelingheeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.6.2.. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Hierin is op 18 mei 2026 melding gemaakt van slaapproblemen en is onder meer vermeld dat eiser denkt dat dat komt door zijn geschiedenis en dat hij veel heeft meegemaakt in Libië en Italië. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft de minister in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Duitsland af te zien. Deze beroepsgrond faalt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland.\n\n8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20086.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n Vgl. Hof van Justitie 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, § 118.\n\n Vgl. rechtbank Den Haag, zp Groningen, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16600.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","2026-07-13T00:29:08.053Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":30,"updatedAt":74},"1176","ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","ecli-nl-rbdha-2026-18652","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is zelf niet verschenen.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 12 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nZienswijze\n\n5. Voor zover eiser zijn zienswijze handhaaft, die ingaat op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijst de rechtbank naar een eerder, op 19 juni 2026, gedane uitspraak.De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.\n\nArrest C.K.\n\n6. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser zich toegespitst op de medische situatie van eiser en zich beroepen op het arrest C.K. tegen Slovenië. Daarbij is\n\nnaar voren gebracht dat eiser eerder, in Duitsland, is opgenomen na een suïcidepoging en\n\ndat er bij overdracht een reëel risico op decompensatie bestaat.6.1.. Eiser heeft in beroep medische stukken overgelegd over de behandeling in Duitsland. Uit een op 10 december 2025 gedateerde brief van een AMEOS-kliniek blijkt dat eiser van 2 tot 10 december 2025 is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. In een op 22 januari 2026 gedateerde brief van een Helios-kliniek is vermeld dat eiser daar onder behandeling stond. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd en heeft hier op 31 januari 2026 (net als in Duitsland) asiel aangevraagd.6.2.. In het Nederlandse patiëntendossier is onder het kopje “psychische stoornissen”op 8 februari 2026 het volgende vermeld:“[eiser] gaf aan dat hij (…) nu geen acute zelfmoordneigingen heeft, maar dat hij meer toe is aan rust en veiligheid.”Verder is in het Nederlandse patiëntendossier onder het kopje“psychische stoornissen”op 17 maart 2026 het volgende vermeld:“Dhr zegt geen gedachten te hebben over zelfdoding, wil werken aan een betere toekomst.”\n\n6.3.. De Afdelingheeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.\n\n6.4.. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit de stukken niet blijkt dat er sprake is van een actieve medische behandeling of een verhoogd suïciderisico speelt. De overgelegde gegevens gaan terug tot 9 april 2026. Uit die gegevens blijkt verder vooral wat eiser zelf heeft verteld. Daaruit volgt volgens de minister niet dat wordt voldaan aan het in WI 2021\u002F3 neergelegde kader. Daarom wordt ook geen advies aan het BMA gevraagd.\n\n6.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken geen objectieve gegevens overgelegd als hiervoor beschreven.Zo is nergens in de medische stukken door een behandelaar ingegaan op wat een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser zou betekenen. Reeds gelet hierom kan het beroep op het arrest C.K. niet slagen.\n\nTarakhel\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakheldient te worden aangemerkt, zodat een individuele beoordeling van de zorg- en opvangsituatie bij overdracht is aangewezen.\n\n7.1.. In het arrest Tarakhelheeft het EHRMoverwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015volgt dat het arrestTarakhelook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen.\n\n7.2.. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd. Wel is eiser er op gewezen dat hij in Duitsland toegang heeft kunnen krijgen tot medische zorg en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Duitsland niet kan krijgen. Daarbij is opgemerkt dat indien eiser hiervoor toestemming geeft, er op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van zijn medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland. De autoriteiten van Duitsland worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften geïnformeerd. De minister wijst er daarbij op dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n7.3.. De minister heeft ter zitting verder nog naar voren gebracht dat dit uit de in beroep overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat eiser op dit moment bijzonder kwetsbaar is en aanvullende individuele garanties moeten worden verkregen van Duitsland.7.4.. \n\nDe rechtbank leest in de overgelegde stukken dat eiser in Duitsland (het afgelopen jaar) een behandeling heeft gekregen in twee behandelklinieken. Het Nederlandse patiëntendossier gaat niet verder dan 9 april 2026. De minister heeft reeds vermeld dat de autoriteiten voor de overdracht kunnen worden geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van Duitsland kan worden\n\nuitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van wat eiser heeft gesteld ziet de rechtbank dan ook geen grond te oordelen dat de minister voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser voert aan dat, gelet op de cumulatie van zijn individuele omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.8.1.. De minister heeft op de zitting naar voren gebracht daar geen aanleiding toe te zien. Daarmee blijft de minister bij het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.8.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op de door eiser gestelde persoonlijke ervaringen in Duitsland gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19458.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:16626\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.\n\n ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3806.\n\n Zie ook: ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","2026-07-13T00:29:08.172Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":30,"updatedAt":82},"1738","ECLI:NL:RBDHA:2026:18585","ecli-nl-rbdha-2026-18585","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.22603\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.22602.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18585","2026-07-13T00:29:36.457Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":30,"updatedAt":89},"1736","ECLI:NL:RBDHA:2026:18583","ecli-nl-rbdha-2026-18583","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24770\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam] , eiser,\n\nv-nummer: [v-nummer:] ,\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n 1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek tegelijk met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24769","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18583","2026-07-13T00:29:36.373Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":94,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":30,"updatedAt":96},"1737","ECLI:NL:RBDHA:2026:18584","ecli-nl-rbdha-2026-18584","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.22602\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije op 11 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 17 maart 2026 aanvaard.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n5. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024). Verder heeft eiser bij de zienswijze drie foto’s overgelegd, waarop onder meer verstopte wasbakken zijn te zien.\n\n5.1.. Bij uitspraak van 6 juli 2023 is de rechtbank ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd.De Afdelingheeft op 27 juni 2024en 20 april 2026geoordeeld dat ten aanzien van Dublinclaimanten in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.\n\n5.2.. De door eiser overgelegde foto’s, die niet door hem zelf zijn gemaakt, zijn onvoldoende om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. De foto’s zijn zonder enige context ingebracht. Zo is niet vermeld waar en wanneer deze foto’s zijn genomen.\n\n5.3.. \n\nDe rechtbank heeft op de zitting aan eiser voorgelegd of het rapport van AIDA van mei 2026 informatie bevat die een ander beeld geeft dan waar de Afdeling van uit is gegaan.\n\nEiser heeft -na een onderbreking van de zitting- gewezen op de een op bladzijde 22-23 opgenomen passage in het AIDA-rapport: “In many cases, they failed to provide even the most essential services, including adequate nutrition and sanitation in both personal and communal spaces. Access to regular and hot water, as well as maintenance and repairs in bathrooms, rooms, and common areas, remained highly problematic due to the absence of a dedicated budget for upkeep. Long-standing issues such as infestations of bedbugs, lice, cockroaches, and rats persisted across facilities. The Ovcha Kupel shelter in Sofia, the oldest reception centre, deteriorated to such an extent that at one point, the previous SAR management considered its complete closure. By the end of 2025, the only remaining functional space within the facility continued to be the safe zone for unaccompanied children, managed by the IOM. Residents across all reception centres, except for the Pastrogor transit centre, which remained closed for the duration of 2025 until December, continued to express concerns about poor living conditions, in particular the persistent issue of bedbug infestations, which frequently led to health problems such as chronic skin inflammations and allergic reactions. Despite regular disinfections throughout 2025, the issue, which first emerged in 2013 and was largely neglected until 2023, remained a serious and ongoing concern.”\n\n5.4.. De minister heeft erop gewezen dat deze passage vrijwel exact hetzelfde is als de passage op bladzijde 17 van het eerdere AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024), welke reeds door de Afdeling is betrokken. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat ook ten aanzien van de state of facilitiesop bladzijde 96 van het meest recente AIDA-rapport (van mei 2026) geen wezenlijke wijziging is te zien ten opzichte van bladzijde 83 van het eerdere rapport (update 2024). Tot slot heeft de minister erop gewezen dat het nieuwe rapport eveneens vergelijkbaar is met het eerdere rapport ten aanzien van de informatie over de huisvesting van Dublinclaimanten die de asielprocedure definitief hebben doorlopen.\n\n5.5.. De rechtbank leest in de door eiser aangehaalde passage geen verslechtering ten opzichte van het eerdere rapport. Het gaat om informatie die in het rapport van maart 2025 is genoemd, maar onder state of facilitiesook is te vinden in de in het bestreden besluit aangehaalde rapporten van maart 2023 (update 2022, blz. 76-77) en april 2024 (update 2023, blz. 83-84). Als het gaat om de huisvesting leest de rechtbank op de door eiser aangehaalde bladzijde 22 verder dat budget is vrijgemaakt voor renovatie:“In 2025 however, due to the political appointment of a SAR leadership by the government, the SAR received a budget of BGN 16,000,000, of which BGN 3,900,000 solely for capital investments and refurbishment.”5.6.. \n\nAlles overwegende ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de hiervoor aangehaalde uitspraken is gedaan.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n6. In het bestreden besluit is overwogen dat de IND, ook al is Bulgarije verantwoordelijk, op grond van artikel 17 van de Dublinverordening en paragraaf C2\u002F5 Vc kan besluiten om de asielaanvraag zelf te behandelen.\n\n6.1.. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordeningmoet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen.\n\n6.2.. Paragraaf C2\u002F5. van de Vcbepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het besluit van 20 april 2026 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom -onder het destijds geldende beleid- geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.22603.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Asylum Information Database.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:9791.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2647.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:2133.\n\n Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n In WBV 2026\u002F8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (dat de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18584","2026-07-13T00:29:36.414Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":101,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":30,"updatedAt":103},"1741","ECLI:NL:RBDHA:2026:18588","ecli-nl-rbdha-2026-18588","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.16105\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gestelde gemachtigde: mr. B. de Haan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. F.C. Vosman).\n\nProcesverloop\n\n1. Op 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd.\n\n2. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting waren de gestelde gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n4, De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld over de volmacht.\n\n5. Op 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde hierop gereageerd.\n\n6. Op 3 juli 2026 heeft de minister hierop gereageerd.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVolmacht\n\n8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de gestelde gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. Op de zitting heeft de gestelde gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser, maar dat hij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken. In zijn aanvullende reactie van 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde laten weten dat hij zich niet als gemachtigd beschouwt om te kunnen optreden in de beroepsprocedure in verband met het ontbreken van contact van eiser.\n\n9. Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 23 januari 2026 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het instellen van beroep geen contact heeft gehad met de gemachtigde en dat eiser de gemachtigde dan ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in stellen bij de rechtbank. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gestelde gemachtigde niet gerechtigd was om namens eiser beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18588","2026-07-13T00:29:36.568Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":108,"fullText":109,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":30,"updatedAt":111},"1981","ECLI:NL:RBDHA:2026:11458","ecli-nl-rbdha-2026-11458","2026-05-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7801\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n Inleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\n1.2.. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.7802. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De EUheeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland op 12 januari 2026 bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 15 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\nZienswijze\n\n5. Eiser voert allereerst aan dat hij verwijst naar hetgeen hij reeds in de voorliggende procedure naar voren heeft gebracht. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Spanje komt zijn verplichtingen niet na ten aanzien van asielzoekers, Dublinclaimanten en statushouders die zijn teruggekeerd naar Spanje. Daarom is overdracht aan Spanje in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser doet een beroep op het arrest Jawoen meent dat op grond hiervan bescherming moet worden geboden aan degenen die bij uitzetting in extreme armoede zullen raken. Gezien de opvangcapaciteit in Spanje zal eiser, zonder garanties, geen opvang krijgen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de analyse van “Refugees International” van 27 juli 2020, het AIDA-rapport “Country Report: Spain 2019 Update” van april 2020 en naar het rapport van de “Spanish Commission for Refugees” van 12 maart 2020. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van het “Senior High Court” van het Verenigd Koninkrijk. Ter illustratie van het overvolle Spaanse asielsysteem verwijst eiser naar het op 9 augustus 2020 gedateerde NOS-artikel “Incidenten leggen kwetsbaarheid migranten in Spaanse groente- en fruitteelt bloot”. Eiser betoogt verder dat asielzoekers die op grond van de Dublinverordening aan Spanje worden overgedragen moeite hebben om toegang te krijgen tot opvang en de asielprocedure. Hij verwijst daarvoor naar het AIDA-rapport “Country Report: Spain, 2023 Update” van 10 juli 2024 en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 april 2024. Daarnaast betoogt eiser dat de minister zich er onvoldoende van heeft vergewist of uit algemene informatie blijkt dat er in Spanje mogelijk sprake is van structurele tekortkomingen in de behandeling van asielzoekers. Daarvoor verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2024en de uitspraak van rechtbank Roermond van 12 juli 2024. Ook is onduidelijk hoe de minister heeft beoordeeld of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de asielaanvraag aan zich dient te trekken. Tot slot voert eiser aan dat de minister de overdracht aan Spanje moet staken, omdat er een inbreukprocedure tegen Spanje loopt. Uit de jarenlange en structurele gerapporteerde problemen en de gestarte inbreukprocedure blijkt dat Spanje op dit moment niet volledig aan zijn Unierechtelijke opvangverplichtingen voldoet. Er bestaat volgens eiser dus gegronde vrees dat bij een overdracht aan Spanje de Richtlijnen niet zullen worden nageleefd.\n\n6.1.. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Spanje niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handveststrijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.\n\n6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2021overwogen dat, hoewel de opvangvoorzieningen in Spanje vatbaar zijn voor verbeteringen, niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen. In de hiervoor onder 6.1. genoemde Afdelingsuitspraak van 27 juli 2023 is het AIDA-rapport “Country Report: Spanje 2022 Update” besproken en in de Afdelingsuitspraak van 24 juni 2024 het door eiser aangehaalde rapport “Country Report: Spain 2023 Update”. De Afdeling heeft geoordeeld dat deze AIDA-rapporten geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de uitspraak van 8 juli 2021 is betrokken. Hetzelfde heeft de Afdeling overwogen in haar uitspraak van 25 november 2025over het recente AIDA-rapport “Country Report: Spain 2024 Update” van 30 april 2025. Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Spanje niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, wel een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eisers verwijzing naar de analyse van “Refugees International”, het rapport van de “Spanish Commission for Refugees” en het NOS-artikel “Incidenten leggen kwetsbaarheid migranten in Spaanse groente- en fruitteelt bloot” maken dat oordeel niet anders, nu deze stukken niet recent zijn en dateren van vóór de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraken. In de door eiser genoemde jurisprudentie ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en\u002Fof opvangvoorzieningen. Mocht eiser toch problemen ondervinden, dan is het aan hem om hierover te klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen hierover onmogelijk is of bij voorbaat zinloos.\n\n6.3.. De rechtbank is verder van oordeel dat de gestarte inbreukprocedure tegen Spanje niet afdoet aan de conclusie dat ten aanzien van Spanje uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025 en de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 22 augustus 2025.\n\nArtikel 17 van de Dublinverordening\n\n7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.\n\n7.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser geen persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht die ertoe zouden kunnen leiden dat overdracht aan Spanje leidt tot onevenredige hardheid. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\nIndirect refoulement\n\n8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Spanje vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hofvan 30 november 2023en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2 en 6.3 is overwogen kan ten aanzien van Spanje nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Spanje een risico is op indirect refoulement.\n Conclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n Europese Unie.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:4267.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Uitspraken van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880, van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548 en van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5353.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1481.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5661.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4183 en ECLI:NL:RBDHA:2025:15746.\n\n Europese Hof van Justitie.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11458","2026-07-13T00:29:48.292Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":116,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":30,"updatedAt":119},"1980","ECLI:NL:RBDHA:2026:5493","ecli-nl-rbdha-2026-5493","2026-03-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.8644\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. H. Postma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n Procesverloop\n\n1. Bij besluit van 16 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\n3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.8643, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:5493","2026-07-13T00:29:48.255Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":30,"updatedAt":127},"1959","ECLI:NL:RBDHA:2025:16083","ecli-nl-rbdha-2025-16083","2025-08-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.31254\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n Procesverloop\n\n1. Bij besluit van 11 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.\n\n3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.31253, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16083","2026-07-13T00:29:47.410Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":132,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":133,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":134},"493","ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","ecli-nl-rbdha-2025-13466","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.21353\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres], eiseres\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: R.M. Koning).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Duitsland gevlucht. Ze heeft enkele jaren in Duitsland verbleven. In februari 2025 is ze naar Nederland gekomen en heeft ze asiel aangevraagd in Ter Apel. Eiseres stelt dat ze onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(RTB) valt en op die grond rechtmatig in Nederland verblijft. Ze kan daarom niet op grond van de Dublinverordening aan Duitsland worden overgedragen. Daarnaast kan niet meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.\n\nRichtlijn Tijdelijke Bescherming\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 12 februari 2025 een asielaanvraag heeft gedaan in Ter Apel. Daarnaast is niet in geschil dat eiseres zich niet bij een gemeente heeft gemeld om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen. Uit de RTB, het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie van 4 maart 2022 en de WI 2022\u002F17volgt niet dat de minister eiseres had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen.De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiseres geen aanvraag voor bescherming op grond van de RTB heeft gedaan. Daarbij heeft de minister tijdens de zitting terecht opgemerkt dat eiseres zich alsnog tot de gemeente kan wenden als zij meent dat zij onder de RTB valt. In wat eiseres naar voren heeft gebracht bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de minister haar aanvraag had moeten opvatten als een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB of haar had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een dergelijke aanvraag te kunnen doen. De minister heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht aangemerkt als een asielaanvraag en is terecht overgegaan tot het beoordelen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n7. De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseres aanvoert ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een herhaling is van hetgeen in de zienswijze is aangevoerd. Dit is tijdens de zitting ook erkend door de gemachtigde van eiseres. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank ziet in de enkele herhaling van deze punten uit de zienswijze, zonder dat eiseres concreet maakt waarom de reactie van de minister in de beschikking daarop volgens haar niet juist of ontoereikend is, geen reden om deze punten te bespreken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening nr. 604\u002F2013.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nRichtlijn 2001\u002F55\u002FEG.\n\nWI 2022\u002F17 Richtlijn tijdelijke bescherming Oekraïne en asielprocedure.\n\nZie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9514.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","2026-07-13T00:28:33.263Z",1,20]