[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-housing-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},39,"housing-law-nl","Housing Law","NL","2026-07-08T16:53:25.992Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"837","ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","ecli-nl-rbnne-2026-2590","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F1957\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker en verzoeksters uit plaats]\n\n(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm)\n\nen\n\nde burgemeester van Stadskanaal\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Krul)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel:\n\nStichting Lefierstatutair gevestigd te Midden-Groningen, de woningbouwstichting\n\n(gemachtigde: [naam ] en mr. S. Bosma)\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning). Verzoekster heeft die woning gehuurd van de woningbouwstichting. Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning aan [adres] en de daarbij behorende ruimten en voorzieningen te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden. De sluiting gaat in op 29 mei 2026 om 10.00 uur en duurt tot 29 augustus 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester de woning gesloten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in en bij de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren. Het gaat om 0,98 gram 4-CMC, 0,48 gram 2-MMC, 3,57 gram 2-MMC en 2,14 gram hasjiesj. De totale hoeveelheid aangetroffen harddrugs\u002Flijst I- en lijst IA-middelen bedraagt daarmee 5,03 gram, volgens de burgemeester. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De woningbouwstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van de woningbouwstichting.\n\n2.3.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers, op verzoek van de voorzieningenrechter, haar pleitnotitie ingediend.\n\n2.4.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verweerder, op verzoek van de voorzieningenrechter, het proces-verbaal van bevindingen van bijzonder opsporings ambtenaar [verbalisant] ingediend. Dat proces-verbaal is door [verbalisant] gesloten en ondertekend op 23 juni 2026.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n3. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de voorzieningenrechter primair verzocht om onverwijld een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt, met veroordeling van de gemeente in de kosten die [verzoeker] en [verzoekster] in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Subsidiair hebben zij verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 26 mei 2026.\n\nHeeft [verzoeker] een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat licht hij toe.\n\n5.1.. \n\nDe voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vast staat dat [verzoeker] , anders dan [verzoekster] , geen huurovereenkomst heeft met de derde-partij. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] momenteel gedetineerd is. De sluiting van de woning duurt drie maanden. Naar verwachting zal de detentie langer duren dan drie maanden, omdat uit de bestuurlijke rapportage gedateerd 10 maart 2026 is op te maken dat de detentieperiode negen maanden zal duren, gerekend vanaf februari 2026. Daaruit volgt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter zal hieraan geen conclusie verbinden, omdat er geen twijfel bestaat over het spoedeisend belang van [verzoekster] . Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\n6. Verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens hen was het volledige dossier niet beschikbaar op het moment dat de zienswijze naar voren kon worden gebracht. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4:8 van de Awb en het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor.\n\n6.1.. \n\nDe voorzieningenrechter laat in het midden of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de door verzoekers genoemde bepalingen, omdat die gebreken niet dusdanig zijn dat daarin aanleiding is gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. Bovendien geldt dat een eventueel gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.\n\nDe voorzieningenrechter betrekt daarbij dat, zoals inmiddels is gebleken uit de NFI rapportage, tussen partijen niet in geschil is dat er 5,03 gram is aangetroffen van middelen die op lijst I en lijst IA van de Opiumwet staan.\n\nWas de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?\n\n7. Niet in geschil is dat de volgende middelen zijn aangetroffen:\n\n0,48 gram van een kristalachtig poeder, dat 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n3,57 gram van een kristalachtig poeder en een brokvormige substantie die 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);\n\n0,98 gram van een brokvormige witte substantie, dat 4-CMC bevat (clefedron).\n\n2-MMC valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’. 4-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.\n\n8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld conform de “Beleidsregels sluiting en heropening panden\u002Fwoningen Stadskanaal 2025”.\n\nWas de sluiting van de woning noodzakelijk?\n\n9. Verzoekers voeren aan dat van daadwerkelijke handel vanuit de woning niet is gebleken, dat van concrete overdrachten niet is gebleken, noch van structurele aanloop of overlast. Volgens hen heeft de burgemeester volstaan met een verwijzing naar algemene wijkproblematiek, antecedenten en niet-verstrekte informatie.\n\n9.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de politie naar aanleiding van meldingen de woning heeft betreden. Bij het betreden van de woning werden harddrugs en weegschaaltjes aangetroffen. Volgens de burgemeester is het hiermee aannemelijk dat de meldingen over drugshandel inderdaad kloppen. Verzoekers hebben verklaard dat er geen harddrugs in de woning aanwezig was, toch is er vijf gram aangetroffen. Daarnaast heeft hij in het bestreden besluit erop gewezen dat uit (pagina 2 van) de bestuurlijke rapportage volgt dat [adres] in de wijk [wijk] ligt en dat deze omgeving bij de politie bekend staat als sociaal kwetsbaar, met problematiek gerelateerd aan verdovende middelen en alcohol. In de rapportage is vermeld dat de politie in de periode december 2024 tot december 2025 in totaal 373 keer is ingezet voor incidenten in de wijk [wijk] en dat in de afgelopen twee jaar 302 incidenten aan [adres] zijn geregistreerd. Volgens de politie blijkt hieruit dat een groot deel van de incidenten in de wijk [wijk] zich afspeelt aan [adres] en dat [adres] een van de meest kwetsbare straten in de gemeente Stadskanaal is.\n\n9.2.. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning noodzakelijk was, gelet op de aangetroffen harddrugs, de weegschaaltjes en de kwetsbaarheid van [adres], blijkend uit de cijfers over politie-inzet in de wijk [wijk] in de periode december 2024 tot december 2025. Daarbij wordt nog gewezen op de MMA meldingen, de overlastmeldingen van woningstichting Lefier en de rapportage van de BOA’s.\n\nWas de sluiting van de woning geschikt?\n\n10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van het verzoekschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd aanleiding geeft om de geschiktheid van de sluiting van de woning te toetsen.\n\nWas de sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Verzoekers voeren aan dat hun belangen groot zijn. Zij hebben verwezen naar artikel 8 van het EVRM. Volgens hen is niet gebleken van een acute verstoring van de openbare orde die onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk maakt. Daarnaast verliezen verzoekers gedurende drie maanden hun woning.\n\n11.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet aanvoeren om welke reden de sluiting van hun woning hen onevenredig zwaar raakt. Indien zij hulp nodig hebben om vervangende woonruimte te krijgen, dan kan de burgemeester daar samen met hulpverlenende organisaties in ondersteunen. Echter, de burgemeester heeft hiervan geen verzoek ontvangen.\n\n11.2.. Naar voorlopig oordeel is de sluiting van de woning niet onevenwichtig. Niet is gebleken van een bijzondere binding van verzoekers met de woning. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de woningbouwvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij aanleiding heeft gezien de huurovereenkomst met verzoekster buitengerechtelijk te ontbinden. Bij de kantonrechter zal worden gevraagd om ontruiming van de woning. Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, dan gaat de ontruiming door. De woningbouwvereniging voert een zero tolerance-beleid ten aanzien van een overtreding van de Opiumwet zoals hier aan de orde. Zo nodig zal daarom worden gevraagd om een ontbinding door tussenkomst van de burgerlijke rechter, aldus de woningbouwvereniging.\n\n12. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat het naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2590","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.441Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1514","ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","ecli-nl-rbnne-2026-2614","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F555\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verweerder\n\n(gemachtigde: Y. Snijder en S. Smit).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de subsidieaanvraag van eiser af te wijzen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 22 februari 2024 heeft eiser een subsidie aangevraagd op grond van de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen (de Regeling). Het gebouw betreft de woning van eiser.\n\n2.1.. Met het primaire besluit van 14 mei 204 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het gebouw niet is gelegen in een van de bij Regeling aangewezen postcodegebieden.Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.\n\n2.2.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.\n\n2.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIs het bestreden besluit in strijd met algemeen beginselen van behoorlijk bestuur?3.1.. Eiser voert aan dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur door verweerder. Zo is bij het invoeren van de Regeling niet gekeken naar het mogelijke effect voor inwoners met schade buiten het vastgestelde postcodegebied. Dat verweerder de uitvoeringsopdracht van het ministerie desondanks heeft aanvaard, is volgens eiser onzorgvuldig. Dit geldt ook voor de gegevens die ten grondslag liggen aan het besluit. Deze zijn inmiddels zes jaar oud en aan verandering onderhevig. Verweerder had daarmee rekening moeten houden.\n\n3.2.. Verder is er volgens eiser sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Op grond van de Regeling kent verweerder namelijk subsidie toe aan mensen die helemaal geen aardbevingsschade hebben. En tegelijkertijd zijn er mensen die op grond van de Regeling geen subsidie krijgen toegekend, terwijl zij wel aardbevingsschade hebben.\n\n3.3.. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat er bij hem ook aardbevingsschade is vastgesteld. Verweerder had vanwege deze omstandigheid van de Regeling af kunnen wijken. Nu dat niet is gebeurd, is volgens eiser het bestreden besluit niet evenredig en in strijd met rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de beoordeling is gebleken dat de subsidieaanvraag van eiser niet voldoet aan de voorwaarden die de Regeling stelt. Daarbij heeft verweerder geen beleidsvrijheid om andere postcodes op te nemen in het postcodegebied dan die in de Regeling zijn vastgesteld. Verweerder is als uitvoeringsorgaan namelijk gehouden aan de opdracht die hij heeft gekregen.\n\n4.2.. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel merkt verweerder op dat uit rechtspraak volgt dat het alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. De wetgever heeft gekozen voor een regeling op basis van postcodegebieden. Dat deze keuze voor eiser onredelijk bezwarend uitpakt, heeft hij volgens verweerder onvoldoende aangetoond. In dat licht bezien is het besluit dat eiser ondanks de aardbevingsschade niet in aanmerking komt voor de subsidie op grond van deze Regeling, niet onevenwichtig.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet kan slagen. Zij overweegt daartoe als volgt. Op grond van de Regeling kan een eigenaar van een gebouw alleen subsidie worden verstrekt als dat gebouw in een van de postcodegebieden ligt die in de Regeling genoemd zijn. Het staat vast dat eisers woning niet is gelegen in een van de aangewezen postcodegebieden.\n\n5.1.. Verweerder is als uitvoeringsinstantie gebonden aan de bepalingen in de Regeling en de regels van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat als zijn opdrachtgever. Er is geen sprake van onzorgvuldig handelen door verweerder. Verweerder heeft immers niet de bevoegdheid om af te wijken van de Regeling.\n\n5.2.. Verder kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel alleen slagen, als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Daarvan is in het betoog van eiser geen sprake.\n\n5.3.. \n\nUit de door eiser aangehaalde uitspraak van het CBb volgt dat het bij toetsing van een gebonden besluit aan het evenredigheidsbeginsel “onder de streep” alleen nog gaat over de evenwichtigheid van het besluit. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.\n\nDe Regeling geldt voor iedereen en door de keuze van de regelgever vallen eigenaren van woningen buiten de genoemde postcodegebieden buiten de boot. In zoverre is de situatie van eiser niet uitzonderlijk of onevenwichtig. Het feit dat in de woning van eiser aardbevingsschade is geconstateerd, maakt ook niet dat sprake is van onevenwichtigheid.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur door verweerder. De rechtbank onderschrijft de motivering die verweerder heeft gegeven in het verweerschrift. Dat eiser op grond van de Regeling niet in aanmerking komt voor subsidie is ongetwijfeld een teleurstelling voor hem. Maar het staat eiser vrij om te onderzoeken of hij op grond van nieuwere, andere regelingen wel in aanmerking kan komen voor subsidie.\n\n5.5.. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat zij niet zal ingaan op eisers opmerkingen over de handelwijze van verweerder. Daarvoor staan namelijk andere procedures open.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van\n\nK.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 4:23\n\n1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.\n\n(…)\n\nSubsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen\n\nArtikel 2a\n\n1. In afwijking van artikel 2 verstrekt de minister op aanvraag subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel, voor onderhoud of voor verbetering aan de eigenaar van een gebouw gelegen in de postcodegebieden in de gemeenten, genoemd in het tweede lid, voor zover dat gebouw:\n\na.bestemd of mede bestemd is voor bewoning;\n\nb.op of voor 6 november 2020 geen deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;\n\nc.is gebouwd en opgeleverd vóór 1 januari 2016, en\n\nd.niet in eigendom is van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.\n\n2 De eigenaar of eigenaren van een gebouw binnen de gemeente:\n\na.Aa en Hunze met postcode 9656 kunnen een aanvraag doen van 6 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nb.Eemsdelta met postcodes 9901 tot en met 9909, 9911 tot en met 9915, 9917 tot en met 9919 en 9921 kunnen een aanvraag doen van 13 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nc.Eemsdelta met postcodes 9922 tot en met 9924, 9931 tot en met 9934, 9936, 9937, 9945 tot en met 9949, 9987 en 9991 tot en met 9994 kunnen een aanvraag doen van 20 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nd.Groningen met postcodes 9613, 9614, 9622, 9723 en 9731 tot en met 9735 kunnen een aanvraag doen van 27 juli 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ne.Groningen met postcodes 9736 tot en met 9738, 9746, 9747 en 9791 tot en met 9798 kunnen een aanvraag doen van 3 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nf.Het Hogeland met postcodes 9771, 9773, 9774, 9781, 9784, 9785, 9925, 9951, 9953 tot en met 9957, 9959, 9961 tot en met 9969, 9973, 9975, 9977 tot en met 9979, 9981 tot en met 9986, 9988, 9989 en 9995 tot en met 9999 kunnen een aanvraag doen van 10 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ng.Midden-Groningen met postcodes 9601 tot en met 9603, en 9605 tot en met 9609 kunnen een aanvraag doen vanaf: 17 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nh.Midden-Groningen met postcodes 9611, 9615 tot en met 9619, 9621, 9623 tot en met 9629, 9632, 9633, 9635, 9636, 9649 en 9939 kunnen een aanvraag doen van 24 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\ni.Oldambt met postcodes 9679, 9681, 9682, 9942 tot en met 9944 kunnen een aanvraag doen va: 31 augustus 2022 tot en met 31 december 2025;\n\nj.Westerkwartier met postcodes 9833, 9884, 9886, 9891 tot en met 9893 kunnen een aanvraag doen van 7 september 2022 tot en met 31 december 2025.\n\n(…)\n\n Zie artikel 2a, aanhef en tweede lid van de Regeling.\n\n Te raadplegen onder vindplaats ECLI:NL:CBB:2024:190 en\u002Fof ECLI:NL:CBB:2024:191.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2614","2026-07-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.897Z",1,20]