[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-planning-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},112,"planning-law-nl","Planning Law","NL","2026-07-08T16:56:56.673Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[21,31],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":29,"updatedAt":30},"1935","ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","ecli-nl-rbnne-2026-2522","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345\n einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [naam] , uit Havelte, eiser 1 (LEE 24\u002F4344)\n\n [naam] uit Havelte, eiser 2 (LEE 24\u002F4345),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld\n\n(gemachtigde: mr. drs. E.A.A. van Dam).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze einduitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het herinrichten van het sportpark en het vernieuwen van de accommodatie aan de [adres] te Havelte (het perceel). Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het college heeft op beide beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eisers en de gemachtigde van het college.\n\n2.4.. Op 23 december 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken te herstellen.\n\n2.5.. Het college heeft het bestreden besluit per brief van 2 februari 2026 nader gemotiveerd. Het college heeft daarbij een rapport ‘Herinrichting sportpark Havelte, second opinion akoestisch onderzoek’ van bureau Peutz gevoegd.\n\n2.6.. De rechtbank heeft eisers op 18 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het herstel van het gebrek kenbaar te maken. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.\n\n2.7.. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe tussenuitspraak\n\n3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.\n\n3.1.. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de vergewisplicht uit artikel 3:2 van de Awb geschonden heeft bij het volgen van de bevindingen en conclusie van het (aanvullend) geluidsonderzoek, door niet inhoudelijk te reageren op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect ook niet ter beoordeling aan de adviseur voor te leggen. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft het college niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\nGoede ruimtelijke ordening en geluid\n\n4. In de aanvullende motivering stelt het college dat uit de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter hoogte van de woningen ten gevolge van het sportpark ten hoogste 45 dB(A) bedraagt in de dagperiode tijdens wedstrijddagen en ten hoogste 45 dB(A) in de maatgevende avondperiode tijdens trainingsdagen. Daarmee kan worden voldaan aan de standaard geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor de dagperiode en 45 dB(A) voor de avondperiode. Het college stelt dat de rekenresultaten van het onderzoek door bureau Peutz niet wezenlijk anders zijn dan de resultaten uit eerdere onderzoeken en concludeert dat de geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het college is namelijk ook in de aanvullende motivering niet inhoudelijk ingegaan op eisers’ stelling dat in het model bij het geluidsonderzoek is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats.\n\nIn het geluidsonderzoek van bureau Peutz staat dat bij de akoestische modelvorming (inderdaad) uitsluitend de dubbele deur aan de oostzijde is beschouwd (de openslaande deuren naar het terras). In het geluidsonderzoek van bureau Peutz is aanvullend wél de geluidsemissie van een deur aan de noordzijde van de kantine betrokken, maar de in- en uitgangen aan de kant van de parkeerplaats -waar het gebrek in de tussenuitspraak op zag- zijn daarin niet (kenbaar) betrokken.\n\nAlternatieve situatie\n\n6. In de aanvullende motivering stelt het college dat de situering van de accommodatie is bepaald aan de hand van de plaatsing van het hoofdveld en de pupillenvelden. Het college stelt dat de accommodatie nog wel op de plaats van de pupillenvelden, aan de noordzijde van het hoofdveld, gesitueerd zou kunnen worden, maar dat gekozen is voor situering van de accommodatie aan de westzijde vanwege de beperkte ruimte en aanwezige infrastructuur. Volgens het college leidt de door eisers voorgestelde alternatieve locatie aan de noordzijde niet tot aanmerkelijk minder bezwaren. Het college verwijst naar de variantberekening in het rapport van Peutz. Het college merkt daarbij op dat de lagere geluidsbelasting bij de alternatieve locatie aan de noordzijde wordt veroorzaakt door het laten vervallen van een pupillenveld en dat mét dat pupillenveld vrijwel geen verschil wordt verwacht. Verder zou volgens het college voor vergunninghouder geen sprake zijn van een gelijkwaardig resultaat.\n\n7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met de aanvullende motivering ook het tweede in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. In de aanvullende motivering is het college op geen enkele wijze ingegaan op de relatieve vergelijking waarnaar bij de besluitvorming wel is verwezen, maar die niet kenbaar in die besluitvorming is betrokken. Verder heeft het college ook anderszins niet voldoende gemotiveerd dat de door eisers voorgestelde locatie geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat voor vergunninghouder geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief is daarvoor onvoldoende, temeer omdat op de zitting van 28 november 2025 door eisers onweersproken is gesteld dat het voor vergunninghouder niet uitmaakte waar de accommodatie zou komen. Dat de door eisers voorgestelde locatie niet leidt tot aanmerkelijk minder bezwaren is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende onderbouwd, omdat het college dat standpunt baseert op een berekening waarvan het college zelf aangeeft dat die onvolledig is. De reden voor de lagere geluidsbelasting die is berekend bij situering van de accommodatie aan de noordzijde van het hoofdveld is volgens het college dat in de vergelijking een van pupillenvelden is komen te vervallen. Volgens het college zou er geen verschil zijn als dat veld wordt meegerekend, maar die aanname wordt niet onderbouwd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht. Het college heeft met de in de herstelpoging opgenomen informatie nog steeds niet inhoudelijk gereageerd op eisers’ stelling dat in het model is uitgegaan van een gesloten pand, terwijl het pand in- en uitgangen heeft aan de kant van de parkeerplaats, en dat aspect is ook niet (kenbaar) in het geluidsonderzoek bij de aanvullende motivering betrokken. Het college heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van aanvaardbare geluidgevolgen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.\n\nDaarnaast heeft het college nog steeds niet kenbaar onderzocht en gemotiveerd dat de door eisers genoemde locatie - in het licht van de relatieve vergelijking waarop het college zich beroept maar die niet kenbaar in de besluitvorming is betrokken - geen gelijkwaardig alternatief is met aanmerkelijk minder bezwaren.\n\n8.1.. Reeds omdat het college niet heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht van de rechtbank, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8.2.. De rechtbank ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet verder geen aanleiding opnieuw een bestuurlijke lus toe te passen. Het college zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen.\n\n8.3.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers LEE 24\u002F4344 en LEE 24\u002F4345 gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- aan beide eisers moet vergoeden;\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2522","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:46.262Z",{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":35,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":36,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":29,"updatedAt":38},"1945","ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","ecli-nl-rbnne-2026-2591","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 26\u002F2066\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\nResort Westerkwartier B.V., statutair gevestigd te Capelle aan den IJssel, verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M. A . Jansen)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier\n\n(gemachtigde: mr. T.D. Polak)\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n1.1.. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.\n\n1.2.. Bij e-mailbericht verzonden op 24 juni 2026 is door Westerkamp, werkzaam voor verweerder, het volgende medegedeeld aan Kleen Resorts.\n\n“In reactie op onderstaande communicatie deel ik u het volgende mee;\n\nOp basis van de huidige situatie mogen wij geen adressen opnemen in de BAG. Wij hebben via recente satellietfoto’s geconstateerd dat het terrein, gelegen achter en naast [adres] leeg is. Vergunningvrije objecten mogen pas in de BAG geregistreerd worden als geconstateerd is dat deze er feitelijk staan. […]”\n\n1.3.. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening\n\n2. Verzoekster verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 om 13.00 uur de standplaatsen zoals weergegeven op de bij het verzoek gevoegde tekening van het recreatieterrein vast te stellen en nummers toe te kennen en dit te registreren. Voorts wordt verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot het vergoeden van het griffierecht.Beoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. Het geschil gaat over een voormalige camping, gelegen op het adres plaatselijk bekend [adres] . In het bezwaarschrift gedateerd 25 juni 2026 is het terrein nader geduid als de percelen kadastraal bekend gemeente Marum, sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] en [nummer 7] .\n\n4. In verweerders gemeente is de bevoegdheid om standplaatsen vast te stellen in de zin van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen door de raad van de gemeente gedelegeerd aan verweerder.\n\n5. Het door verzoekster gemaakte bezwaar richt zich tegen de weigering op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (Wet BAG) standplaatsen vast te stellen. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of het niet-vaststellen van standplaatsen als bedoeld in artikel 6 van de Wet BAG een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.\n\n6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BAG volgt dat de in de adressen- en gebouwenregistraties opgenomen gegevens alle zijn terug te voeren op een in het adressen- of gebouwenregister opgenomen brondocument.Er is voor het college in beginsel geen interpretatievrijheid en opneming of wijziging van een gegeven is in beginsel niet op rechtsgevolg gericht. Als uitgangspunt geldt dat de wijziging van een registratie in de BAG geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.Niet valt in te zien waarom dat voor de weigering om standplaatsen vast te stellen anders zou zijn.\n\n7. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing om geen standplaatsen vast te stellen voor de litigieuze kadastrale percelen niet op rechtsgevolg is gericht. Dat is anders als een belanghebbende die gerede twijfel heeft over de juistheid van een in de basisregistratie opgenomen authentiek gegeven of het ontbreken van een authentiek gegeven in de basisregistratie het college van burgemeester en wethouders onder opgaaf van redenen heeft verzocht dat gegeven te wijzigen respectievelijk op te nemen in de basisregistratie.De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie in het onderhavige geval niet aan de orde is, zodat geen sprake is van een besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Met overeenkomstige toepassing van artikel 2.5, zevende lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat geen griffierecht wordt geheven. Als inmiddels griffierecht is betaald, dan zal de griffier dit terugbetalen.\n\n9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n. Artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) gemeente Westerkwartier 2019; Gemeenteblad 2019, 3092.\n\n. Kamerstukken II2006\u002F07, 30 968, nr. 3, blz. 18 en 19.\n\n. Vgl. rov. 6 van ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1043.\n\n. Artikel 38 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, gelezen in samenhang met artikel 41 van die wet.\n\n. Stcrt. 2025, 20750.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2591","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.716Z",1,20]