[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-public-procurement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},68,"public-procurement-nl","Public Procurement","NL","2026-07-08T16:54:19.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-02-06T00:00:00.000Z","2026-05-08T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"447","ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","ecli-nl-rbnne-2026-1749","","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F252582 \u002F KG ZA 26-45\n\nVonnis in kort geding van 8 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nCGI NEDERLAND B.V.,\n\nte Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: CGI,\n\nadvocaten: mrs. S.C. Brackmann en P.M. Smid,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE GRONINGEN,\n\nte Groningen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaten: mrs. S.S. Schouten en M.R. Blom\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nOPEN LINE MANAGED SERVICES B.V.,\n\ngevestigd te Maastricht,\n\nde tussenkomende partij, hierna te noemen: Open Line,\n\nadvocaten mrs. B.C. Lievers en P.F.C. Heemskerk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de producties van CGI, waaronder producties die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de conclusie van antwoord, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line; - de producties van de Gemeente, waaronder productie 10 die niet kenbaar is voor Open Line;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Open Line; CGI en de Gemeente hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben; de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat Open Line als tussenkomende partij wordt toegelaten;\n\n- de producties van Open Line; - de mondelinge behandeling van 21 april 2026; - de pleitnota van CGI; - de pleitnota van de Gemeente, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;\n\n- de pleitnota van Open Line.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n\nDe Gemeente op 15 oktober 2024 op Tenderned een Europese aanbesteding volgens de mededingingsprocedure met onderhandeling gepubliceerd voor de volgende opdracht:\n\nBack-end: Platformdiensten en Technisch Applicatiebeheer.\n\nVoor nadere informatie over de opdracht is daarbij verwezen naar het betreffende hoofdstuk 3 van de Selectieleidraad.\n\nOp 17 april 2025 is de Gunningsleidraad verstrekt aan de geselecteerde gegadigden. De Gunningsleidraad geeft inzicht in de procedure en inhoudelijke aspecten van de onderhandelings- en gunningsfase. De aanbesteding wordt in drie fasen gehouden: een Selectiefase, de Onderhandeling en een Gunningsfase. In de Selectiefase zijn vijf gegadigden geselecteerd, waaronder CGI en Open Line.\n\n2.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), waarbij naast de prijs ook de kwalitatieve aspecten worden beoordeeld.\n\n2.3.. In de Gunningsleidraad is op pagina 24 (paragraaf 5.3.1. en 5.3.2.) de volgende beoordelingsmethodiek opgenomen:\n\n“5.3.1 Beoordelingsmethodiek\n\nAls Gunningscriterium hanteert de Aanbestedende Dienst EMVI op basis van ‘beste prijs-kwaliteitverhouding’ waarbij kwaliteit en prijs als gunningscriteria worden gehanteerd. Onder kwaliteit wordt de wijze van invulling van Kwalitatieve Gunningscriteria verstaan (zie Bijlage D). Onder prijs wordt verstaan de totaalprijs die volgt uit de optelling van de subtotaalposten in het Prijzenblad (zie Bijlage E).5.3.2. \n\nOverzicht gunningscriteria en weging\n\nVoor kwaliteit geldt een weging van 70%, en voor prijs 30%. Deze verhouding is al\n\nverwerkt in de maximaal per criterium te behalen punten, namelijk 700 punten voor\n\nkwaliteit en 300 punten voor prijs. De punten behaald voor de beide gunningscriteria worden bij elkaar opgeteld voor de totaalscore. In totaal kan Inschrijver voor zijn Inschrijving maximaal 1.000 punten behalen.”2.4.. \n\nDe inschrijvers hebben een groot aantal vragen gesteld, die de Gemeente in vier Nota’s van Inlichtingen (NvI) heeft beantwoord. In de NvI’s zijn diverse vragen gesteld ten aanzien van de gebruikte definities voor “wijzigingen\u002Fchanges” en het prijscriterium.\n\nVoor zover thans van belang luiden vraag 391 en 392 in de derde NvI en vraag 438 in de vierde NvI en het antwoord daarop van de Gemeente als volgt.\n\nVraag 391: In de terugkoppeling & uitkomsten Onderhandelingen geeft u onder\n\n“wijzigingen” op pagina 4 geeft u aan dat “Voor het Prijzenblad worden er andere\n\ndefinities gehanteerd voor wijzigingen”. Deze definities komen niet overeen met de\n\ndefinities zoals door u gegeven in Bijlage B-Definities v1.1. Mag inschrijver ervan uitgaan dat de definities van Bijlage B-Definities v1.1 prevaleren? Zo nee, kunt u dit toelichten?\n\nAntwoord: Nee, daar mag u niet vanuit gaan. Aanbestedende Dienst heeft in het prijzenblad de specificaties aangegeven op basis waarvan Inschrijver wijzigingen dient te beprijzen. De definities in Bijlage B - Definities geven inzicht in de wijze waarop Aanbestedende Dienst wijzigingen in het kader van het Changemanagement proces definieert. Om onduidelijkheid te voorkomen heeft Aanbestedende Dienst in het Prijzenblad de Engelse terminologie gehanteerd en Bijlage B - Definities hierop aangepast.\n\nVraag 392: In Bijlage B-Definities v1.1 hebt u gedefinieerd wat u onder standaardwijzigingen verstaat en in het Prijzenblad geeft u aan dat alle standaardwijzigingen deel uit moeten maken van hier genoemde prijs. In Gunningsleidraad v1.1 vraagt u ons op pagina 20 van 33 een overzicht van standaardwijzigingen bij te voegen. Kunt u aangeven wat het doel\u002Fnut van dit overzicht van standaardwijzigingen is aangezien de definitie reeds bepaalt wat een standaardwijziging is?\n\nAntwoord; In het Prijzenblad geeft Aanbestedende Dienst aan welke wijzigingen tot\n\nstandaardwijzigingen behoren. Deze definitie prevaleert gedurende de looptijd van de overeenkomst. Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.\n\nVraag 438: In het antwoord (op vraag 392, opm. vzr.) is gesteld: “Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.” Op welke wijze wordt het inzicht in de best practices van gegadigde meegewogen in de beoordeling van zijn inschrijving?\n\nAntwoord: De lijst weegt niet mee in de beoordeling, maar wordt gebruikt om inzicht te verschaffen in standaardwijzigingen. In bijlage B ‘Definities’ staat bij begrip ‘Emergency Change’ beschreven wat een standaardwijziging betreft.\n\n2.5.. \n\nDe aangepaste definities zijn opgenomen in de aangepaste Bijlage B, versie 1.2 alsmede in het aangepaste Prijzenblad, versie 1.3.\n\nDaarin is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:\n\n2.6.. \n\nGovernance wordt gedefinieerd als het geheel van afspraken, structuren en processen waarmee besluitvorming, coördinatie en verantwoording tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer wordt vormgegeven en bewaakt, met als doel een voor alle partijen duidelijke samenwerking en sturing. Aangaande Governance is in punt SM-20 van het Programma van Eisen (PvE) opgenomen dat de inschrijver zich conformeert aan de werkwijze zoals uiteengezet in Bijlage Q – Governance, in welke bijlage onder meer wordt beschreven aan welke processen en vereisten Governance moet voldoen.\n\nMet betrekking tot de kosten van Governance heeft de Gemeente geen apart prijsonderdeel opgenomen in het Prijzenblad; de inschrijvers worden geacht deze kosten te verwerken in andere kostenposten.\n\n2.7.. Onderdeel van de mededingingsprocedure met onderhandeling zijn onderhandelingen met de inschrijvers. De gemeente Groningen heeft hiervan een verslag opgesteld dat aan alle inschrijvers is verstrekt.\n\n2.8.. CGI heeft op 1 september 2025 tijdig haar inschrijving, het Best and Final Offer, ingediend.2.9.. \n\nDe Gemeente heeft de inschrijving beoordeeld en CGI op 19 januari 2026 geïnformeerd over het resultaat daarvan. De inschrijving van CGI is als tweede gerangschikt, en CGI komt daarom in aanmerking voor de wachtkamerovereenkomst. De Gemeente heeft de inschrijving van Open Line als eerste gerangschikt en de opdracht voorlopig aan haar gegund.\n\nCGI heeft een totaalscore van 739,5 punten behaald tegenover 845 punten voor de voorlopige winnaar Open Line (een verschil van 105,5 punten). CGI heeft op kwaliteit 472,5 punten gescoord en op prijs 267 punten. Open Line verkreeg op kwaliteit 545 punten, en op prijs 300 punten.\n\n2.10.. Naar aanleiding van de gunningsbeslissing wenste CGI een bespreking met de Gemeente omdat zij vragen had over de beoordeling en de onderbouwing ervan. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op woensdag 4 februari 2026.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De vordering van CGI strekt ertoe:\n\nPrimair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de aanbesteding te staken en gestaakt en ingetrokken te houden; én\n\nde Gemeente te gebieden om, als zij nog steeds een overeenkomst wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding van die overeenkomst.\n\nSubsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, voor zover zij de Opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van alle voor de aanbesteding Platformdiensten en TAP tijdige ingediende en geldige inschrijvingen, door een nieuw samen te stellen en onafhankelijke beoordelingscommissie, waarbij de beoordelingscommissie bij haar herbeoordeling in acht neemt de beoordelingsbezwaren en motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nMeer subsidiair:\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en\n\nde Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, voor zover zij de opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot het verstrekken van een nieuwe motivering van de verzonden gunningsbeslissingen in de aanbesteding, waarbij de beoordelingscommissie bij haar nieuwe motivering in acht neemt de motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.\n\nIn alle gevallen:\n\nde in dit petitum verwoorde en op te leggen geboden en verboden op straffe van verbeurte van een eenmalige en in geval van overtreding van het betreffende gebod of verbod direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag van overtreding, met een maximum van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) per gedagvaarde partij, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.\n\nde Gemeente te veroordelen in de kosten van in dit kort geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van CGI, alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen veertien (14) kalenderdagen na wijziging van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende (15e) kalenderdag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n3.2.. De Gemeente heeft verweer gevoerd.\n\n3.3.. De vordering van Open Line strekt ertoe:\n\nIN HET INCIDENT:\n\n toe te staan dat Open Line in het kort geding wordt toegelaten als tussenkomende partij, althans subsidiair in het kort geding wordt toegelaten als voegende partij aan de zijde van de Gemeente, met veroordeling van CGI in de kosten van dit incident, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd;\n\nIN DE HOOFDZAAK:\n\n1. CGI niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van CGI af te wijzen; en\n\n2. voorwaardelijk, indien dat door de voorzieningenrechter noodzakelijk wordt geacht voor toelating van Open Line als tussenkomende partij, de Gemeente te gebieden om de Opdracht, indien zij deze nog wenst te vergeven, te gunnen aan Open Line; en\n\n3. CGI in de kosten van deze procedure te veroordelen, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan Open Line moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente is verschuldigd.\n\n4. De beoordeling\n\nHet incident ter zake van de interventie\n\n4.1.. \n\nDe voorzieningenrechter overweegt het volgende terzake van de incidentele conclusie van Open Line tot tussenkomst, subsidiair voeging. Het kenmerkende verschil tussen voeging en tussenkomst is dat een gevoegde partij geen zelfstandige, eigen vordering jegens de anderen instelt en een tussenkomende partij wel.\n\nOpen Line heeft weliswaar een eigen vordering jegens het UMCG ingesteld, doch materieel komt deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op afwijzing van de vordering van CGI zodat geen sprake is van een zelfstandige, eigen vordering van Open Line. Derhalve kan Open Line slechts als gevoegde partij worden toegelaten en heeft zij geen belang bij beoordeling van haar vordering. De voorzieningenrechter overweegt dat een gevoegde partij in eerste aanleg als procespartij wordt aangemerkt en uit dien hoofde in beginsel het recht heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een in die procedure gewezen vonnis, zodat dit evenmin reden is Open Line toe te laten om tussen te komen.\n\nHet incident ter zake van de producties4.2.. De voorzieningenrechter heeft ter zitting dienaangaande – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen.\n\n4.3.. \n\nNu Open Line als interveniërende partij tot dit kort geding is toegelaten, heeft zij in beginsel op grond van de artikelen 19 en 85 Rv recht op alle gedingstukken die relevant zijn voor de onderhavige beoordeling.\n\nUit het arrest Varecblijkt echter dat dat recht niet onbeperkt is en dat onder omstandigheden ook overgelegde stukken die vertrouwelijk moeten blijven en niet kunnen worden gedeeld met iedere partij, bij de beoordeling kunnen worden betrokken.4.4.. Gelet op het toetsingskader van het vorenbedoeld arrest is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door CGI en de Gemeente weggelakte passages in de aan Open Line overgelegde producties niet openbaar behoeven te worden gemaakt en ook niet aan Open Line kenbaar behoeven te worden gemaakt. Het gaat in dit kort geding immers om een niet-afgeronde aanbesteding. Het openbaar maken van de weggelakte passages zouden nadelig kunnen zijn bij de afronding van deze aanbestedingsprocedure en gelet op de wijze waarop Open Line haar zaak bij de voorzieningenrechter heeft doen bepleiten, kan niet worden volgehouden dat de weggelakte passages aan een effectieve rechtsbescherming van Open Line in de weg hebben gestaan. Open Line heeft overigens ook zelf erkend dat stukken die met de inschrijving van CGI verband houden, niet aan haar behoeven te worden geopenbaard. Dit betreft in ieder geval de producties 12a-12c van CGI. Naar het voorlopig oordeel is ook de gunningsbeslissing (productie 13) en de notulen van de onderhandelingen (productie 11) en productie 10 bij de conclusie van antwoord nauw verbonden met de inschrijving zodat ook deze stukken vertrouwelijk behoren te blijven.\n\n4.5.. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, indien tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat nadere kennisneming van enige weggelakte passages en of de overige producties door Open Line toch nodig is, zal worden bezien of en in hoeverre dat – beperkt – kan worden toegestaan, bijvoorbeeld in die zin dat de advocaten van Open Line kennis nemen van de weggelakte dan wel anderszins geredigeerde stukken. Partijen hebben zich akkoord verklaard met deze gang van zaken. Tijdens de mondelinge behandeling is dat verder niet nodig gebleken.\n\nInhoudelijk\n\nGrossmann-verweer\n\n4.6.. Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente – evenals van Open Line – is dat CGI haar recht heeft verloren c.q. verwerkt om zich alsnog op vermeende onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure te beroepen. Daartoe hebben de Gemeente en Open Line verwezen naar de inmiddels uitgebreide jurisprudentie in het spoor van het arrest Grossmann.4.7.. In algemene zin overweegt de voorzieningenrechter omtrent de beweerdelijke gebrekkigheid van de door Gemeente verstrekte informatie het volgende. De aanbestedende dienst dient zich in te spannen om aanbestedingsdocumenten duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, opdat enerzijds de inschrijvers de draagwijdte kunnen begrijpen en gelijk interpreteren, anderzijds de dienst in staat is de offertes naar behoren te beoordelen; een en ander is verwoord in het Succhi di Frutta-arrest. Uit het Grossmann-arrest en de mede daarop gebaseerde jurisprudentie volgt evenwel dat in het belang van een snelle en effectieve aanbestedingsprocedure, van een meedingende onderneming een pro-actieve houding mag worden verwacht: als deze inschrijver onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken signaleert in een stadium waarin deze nog ongedaan kunnen worden gemaakt, dient hij daarin in dat stadium tegen op te komen. Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij bezwaar maakt tegen de procedure of de daarin te hanteren gunningscriteria op een moment dat deze zo nodig nog kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure.Met dit een en ander staan aanbestedende dienst en mededingende onderneming in een zodanige relatie met elkaar dat zij beide, in het eigen belang en dat van de ander, voortdurend gespitst moeten zijn op het zo mogelijk verhelpen van onvolkomenheden. De potentiële inschrijver kan niet volstaan met een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de dienst voor goede informatievoorziening; bij die inschrijver berust – uiteraard – niet de verantwoordelijkheid om de aanbestedingsdocumenten op te stellen, maar wel degelijk de mede-verantwoordelijkheid om deze voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, op straffe van het later niet meer ontvangen worden in klachten die voortvloeien uit eigen onwetendheid.4.8.. Weliswaar zijn in diverse vragenrondes – die hebben geleid tot de Nota’s van Inlichtingen 1 tot en met 4 – vragen gesteld aan de Gemeente omtrent het Prijzenblad, de gehanteerde definities van de verschillende typen wijzigingen, Governance en overige gebleken onduidelijkheden, doch waar voor CGI zich kennelijk – gelet ook op de in het onderhavige kort geding aan de orde gestelde punten – nog steeds onduidelijkheden voordeden, ondanks de door de Gemeente gegeven antwoorden, had het op de weg van CGI gelegen in een eerder stadium, te weten vóór de inschrijving, nadere actie te ondernemen. CGI heeft echter na de Nota’s van Inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. CGI heeft gesteld dat zij de kwestie heeft aangeroerd (‘We moeten dit goed afstemmen’) tijdens de onderhandelingen met de Gemeente. Maar hierin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen klacht te lezen. Evenmin is gesteld of gebleken dat CGI haar inschrijving onder protest en\u002Fof voorbehoud heeft gedaan.\n\n4.9.. \n\nOnder deze omstandigheden heeft CGI naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar recht verwerkt om over de door haar aangevoerde punten ná inschrijving alsnog te klagen.\n\nVermeende gebreken\n\n4.10.. Ten aanzien van de Grossmann-doctrine heeft CGI aangevoerd dat in de onderhavige aanbestedingsprocedure sprake is van fundamentele gebreken en dat de Gemeente zich daarom daarop niet kan beroepen.\n\n4.11.. In de jurisprudentie daaromtrent, waarnaar CGI ook heeft verwezen, is overwogen dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure een beroep op de Grossmann-doctrine en rechtsverwerking niet kan worden gehonoreerd. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW beheerst, brengt mee dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken en in de beoordelingssystematiek, zoals hier aan de orde, de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen.\n\n4.12.. \n\nVan een fundamenteel gebrek als hiervoor bedoeld is in het onderhavig geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake.\n\nTer zake overweegt de voorzieningenrechter het volgende.\n\n4.13.. De voorzieningenrechter stelt bij deze beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.\n\n4.13.1.. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.4.14.. Een ander uitgangspunt is dat aanbesteders bij hantering van het gunningscriterium de economisch meest gunstige aanbiedingeen ruime beoordelingsmarge hebben bij de vergelijking van ingediende offertes, mits deze beoordeling is gebaseerd op objectieve en transparante criteria, die expliciet en uitputtend in de aankondiging of het bestek dienen te worden vermeld.4.15.. \n\nTerzake van de door CGI gestelde gebreken in de gevolgde procedure heeft zij onder meer het volgende aangevoerd.\n\ni) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat de inschrijvers hun inschrijvingen niet baseren op dezelfde informatie en uitgangspunten voor wat betreft Standaardwijzigingen en Niet-Standaardwijzigingen.\n\nii) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat niet is vast te stellen of en hoe de inschrijvers de kosten voor Governance hebben verwerkt in de componenten in het prijzenblad, doordat niet is te controleren of de inschrijvingen voldoen aan de eisen die de Gemeente heeft gesteld aan Governance en doordat niet is te controleren of de inschrijvers de Governance realistisch hebben ingeschat.\n\niii) Gebrek aan zorgvuldigheid doordat de beoordeling van de inschrijving van CGI zo onzorgvuldig is verlopen dat herstel via herbeoordeling niet aan de orde is.\n\nTer zake bezwaar i)\n\n4.16.. De in casu opgestelde en in geding zijnde gunningsleidraad en de daarbij behorende bijlages zijn door de Gemeente in het kader van de aanbestedingsprocedure opgesteld. De uitleg daarvan betreft derhalve in beginsel de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) en ziet derhalve niet op de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de bewoordingen daarvan zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en de daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen). Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de bedoeling van de opsteller uit dat geschrift niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven van de bewoordingen van de aanbestedingsdocumenten het meest voor de hand zal liggen.4.17.. In de kern komt de klacht van CGI erop neer dat in de aanbestedingsdocumenten de definities voor ‘standaardwijzigingen’ en ‘niet-standaard wijzigingen’ in bijlage B en het prijzenblad niet duidelijk zijn. Het onderscheid tussen beide is relevant, want de inschrijver moet de kosten van de standaardwijziging verwerken in de geoffreerde prijzen en tarieven in het prijzenblad. Volgens CGI is de demarcatie tussen deze begrippen onduidelijk.\n\n4.18.. Met de stelling dat sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure in die zin dat onduidelijkheid bestaat over de definitie en begrippen ten aanzien van de verschillende typen wijzigingen\u002Fchanges miskent CGI naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat in de NvI’s 3 en 4 door de Gemeente nieuwe, verduidelijkende definities\u002Fbegrippen zijn gebruikt. De Gemeente heeft een Nederlandstalig (standaardwijziging en niet-standaardwijziging) en een Engelstalig begrippenpaar (Standard change en non-standard change) ingevoerd. Na vraag 391 (3e NvI) heeft de Gemeente de definities in het prijzenblad en bijlage B juist op elkaar afgestemd. Uit het prijzenblad en bijlage B blijkt dat een ‘standard change’ betrekking heeft op wijzigingen die doorgevoerd (moeten) worden om de dienstverlening aan het Programma van Eisen te blijven voldoen. Als er al onduidelijkheden bestonden, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan over de door de Gemeente gebruikte definities als zojuist bedoeld, zijn deze onduidelijkheden weggenomen in de NvI’s 3 en 4. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat door de Gemeente later aangebrachte verduidelijkingen iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de juiste draagwijdte van die definities heeft kunnen begrijpen en op dezelfde manier interpreteren en voor iedere inschrijver was op dit punt geheel duidelijk waaraan de inschrijving moest voldoen.4.19.. In dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar ii)\n\n4.20.. \n\nOver het vermeende fundamentele gebrek vanwege de omgang met “Governance” overweegt de voorzieningenrechter dat geen rechtsregel bestaat die de Gemeente ertoe verplicht om tijdens een aanbestedingsprocedure een controle uit te voeren op iedere\n\nwillekeurige uitvoeringseis van de Opdracht. Evenmin is er een rechtsplicht om te controleren of alle inschrijvers daadwerkelijk alle kosten voor de uitvoering van de Opdracht juist en realistisch in hun prijsaanbieding hebben verdisconteerd. De Gemeente als aanbestedende dienst mag erop vertrouwen dat inschrijvers datgene nakomen waaraan zij zich door inschrijving hebben gecommitteerd: een uitvoering van Governance conform het PvE (in het bijzonder Eis SM-20) en Bijlage Q. CGI heeft nog aangedragen dat zij tijdens de onderhandelingen de Gemeente heeft verzocht de prijssystematiek aan te passen. De voorzieningenrechter is met de Gemeente echter van oordeel dat de Gemeente vrij is om zelf te bepalen hoe zij haar systematiek wenst in te richten.\n\nDe stelling van CGI dat de Gemeente het Prijzenblad zo had moeten inrichten dat de Gemeente in staat zou zijn geweest om op het punt van “Governance” te controleren of\n\ninschrijvers alle daaraan verbonden kosten volledig en realistisch in hun prijsaanbieding\n\nhebben verdisconteerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onjuist.\n\n4.21.. Ook in dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.\n\nTer zake bezwaar iii)\n\n4.22.. Omtrent de op dit punt door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De gemeente heeft alle door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken gemotiveerd betwist. Verder heeft de Gemeente ook gesteld dat CGI ook na de door haar gevorderde herbeoordeling het verschil van 105,5 punt in geen geval zou kunnen overbruggen met de maximale 95 punten die ze zou kunnen behalen in het geval dat ze op ieder van 6 planonderdelen (waarop haar 11 klachtonderdelen zien) het maximale cijfer ‘10’ zou scoren, in plaats van het behaalde cijfer.\n\n4.23.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt het volgende bij de beoordeling voorop. Slechts indien zodanige procedurele of inhoudelijke tekortkomingen aan de beoordeling kleven dat de beoordelingscommissie in redelijkheid die beoordeling niet heeft kunnen geven, kan plaats zijn voor ingrijpen door de rechter. Het is in de rechtspraak ook aanvaard dat het puntenverschil overbrugbaar moet zijn, om een voldoende processueel belang bij herbeoordeling te hebben. CGI heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het zo juist bedoelde verschil zou kunnen overbruggen indien een herbeoordeling plaatsvindt. CGI heeft in dit verband immers niet meer aangedragen dan een suggestie tijdens het pleidooi, dat gelet op de vermeende beoordelingsgebreken in de inschrijving van CGI, aangenomen moet worden dat de inschrijvingen van de overige inschrijvers ook onzorgvuldig beoordeeld zijn door de gemeente. Zij meent dat om deze reden alle inschrijvingen opnieuw beoordeeld zouden moeten worden.\n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee onvoldoende aanleiding is om tot herbeoordeling van alle inschrijvingen over te gaan. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat de inschrijving van Open Line op de juiste wijze is beoordeeld en dat herbeoordeling van de inschrijving van CGI niet tot een andere uitkomst kan leiden.\n\nGelet daarop heeft CGI geen rechtens te respecteren belang bij de het door CGI opgeworpen bezwaar daaromtrent en bij de door haar gevorderde herbeoordeling.\n\n4.24.. \n\nNaar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met enige beginselen van aanbestedingsrecht.\n\nEr bestaat dan ook geen grondslag voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.\n\n4.25.. \n\nDe slotsom is dat de vorderingen van CGI worden afgewezen.\n\nCGI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\nDe proceskosten van Open Line worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4.26.. De door Open Line gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van CGI af;\n\n5.2.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.3.. veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van Open Line tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.4.. veroordeelt CGI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Open Line als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft alle kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 8 mei 2026.\n\njs (319)\n\n Hof van Justitie EU van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91\n\nHof van Justitie EU 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93\n\n Hof van Justitie EU 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:236\n\n o.m. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1150 en rechtbank Noord-Holland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6266\n\nvgl. (HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059; zie ook ECLI:NL:PHR:2016:368\n\nvgl. Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:823, r.o. 2.4; Rechtbank Overijssel 4 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4542, r.o. 2.42;\n\nRechtbank Limburg 12 juni 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:4220, r.o. 4.3\n\nvgl. rechtbank Den Haag 15 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3915; rechtbank Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11408","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1749","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:30.783Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"434","ECLI:NL:RBNNE:2026:320","ecli-nl-rbnne-2026-320","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Groningen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F250503 \u002F KG ZA 25-200\n\nVonnis in kort geding van 6 februari 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHIPSOFT B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ChipSoft,\n\nadvocaten: mr. K.E.L. van Haastrecht en mr. J.G.H.M. van den Biggelaar, alsmede\n\nmr. L. Bozkurt,\n\ntegen\n\n1. de publiekrechtelijke rechtspersoon UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM GRONINGEN,\n\nte Groningen, 2. de stichting TREANT ZORGGROEP,\n\nte Hoogeveen, 3. de stichting TREANT ZIEKENHUISZORG,\n\nte Hoogeveen, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidOMMELANDER ZIEKENHUIS GRONINGEN B.V.,\n\nte Scheemda,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna mede te noemen: UMCG, Treant Zorggroep, Treant Ziekenhuiszorg en OZG,\n\nadvocaten: mr. J.I. Krikke en mr. R.J.J. Westerdijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de producties van ChipSoft;\n\n- de producties van gedaagden;\n\n- de akte wijziging van eis; - de mondelinge behandeling van 13 januari 2026; - de pleitnota van ChipSoft; - de pleitnota van gedaagden.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. ChipSoft is een ICT-leverancier die voornamelijk actief is in Nederland en onder andere activiteiten ontplooit aangaande het inrichten van Elektronische Patiëntendossiers (EPD’s) ter ondersteuning van zorginstellingen zoals (academische) ziekenhuizen, alsook huisartsen, revalidatiecentra, thuiszorg, apotheken.2.2.. \n\nUMCG is één van de acht universitair medische centra in Nederland. Als academisch ziekenhuis houdt UMCG zich onder meer bezig met patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.\n\nTreant is een zorgorganisatie die actief is in de regio Drenthe en Zuidoost Groningen.\n\nOZG is het streekziekenhuis van Noord- en Oost-Groningen. OZG is sinds december 2015\n\neen 100%-dochter van UMCG, maar fungeert als volledig zelfstandig ziekenhuis.\n\n2.3.. UMCG heeft op 4 oktober 2015 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor een eigen Elektronisch Patiëntendossier met de naam ‘Nieuw EPD UMCG’. Een EPD is een digitaal systeem waarin zorgverleners medische gegevens van patiënten bewaren, zoals diagnoses, behandelingen en medicatie. Deze aanbesteding omvatte het selecteren en contracteren van een EPD-leverancier voor het UMCG als enige opdrachtgever. ChipSoft heeft ingeschreven op die aanbesteding uit 2015. De opdracht is uiteindelijk gegund aan EPIC te ’s-Hertogenbosch .\n\n2.4.. De initiële looptijd van deze overeenkomst en bijhorende Service Level Agreement (SLA) betrof 15 jaar. Deze verloopt medio 2029, tenzij deze wordt verlengd.\n\n2.5.. Sinds augustus 2024 is ChipSoft in gesprek geweest met Treant voor een nieuw ziekenhuis-informatiesysteem (ZIS) en een EPD. ChipSoft heeft op 5 december 2024 een offerte aan Treant uitgebracht. Begin 2025 gaf Treant aan ook met onder andere UMCG in gesprek te zijn en een regio-EPD te onderzoeken. Gedurende 2025 heeft ChipSoft op verschillende momenten contact gezocht voor een nader overleg, aangezien Treant had aangegeven graag uiterlijk begin 2025 te contracteren voor een EPD per Q1 2026.2.6.. In de loop van 2025 heeft Treant tweemaal verzocht aan ChipSoft om het aanbod in de vorm van een direct ondertekenbare overeenkomst en de gestanddoeningstermijn van het aanbod te verlengen. De tweede keer is dat verlengd tot 1 december 2025.\n\n2.7.. \n\nOp 5 oktober 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder aan te duiden als de Vooraankondiging 1) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gedaan. Daarin is onder meer het volgende vermeld: Aankondiging vrijwillige transparantie vooraf UMCG levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Deze vrijwillige aankondiging overeenkomstig artikel 4.16 van de Aanbestedingswet betreft het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de\n\novereenkomst met Epic Den Bosch B.V. ( Epic ) voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD). Dit voornemen ziet op de opdracht die door UMCG is gegund naar aanleiding van de Europese aanbesteding die bekend is gemaakt onder nummer [nummer] . Het aansluiten van de andere ziekenhuizen op deze aanbestede opdracht is mogelijk op basis van de oorspronkelijke uitvraag. In die uitvraag is voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking, waarvoor het EPD van de inschrijver bij voorkeur geschikt zou moeten zijn. Die samenwerking wenst UMCG nu te bewerkstelligen.\n\nDeze wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van Epic . De ziekenhuizen die voornemens zijn aan te sluiten, zijn niet aanbestedingsplichtig.\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 1 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging: De opdracht is eerder aanbesteed. In die aanbesteding is reeds voorzien in de mogelijkheid van uitbreiding in verband met een (regionale) samenwerking.\n\nDe toepassing van deze optie komt overigens ten goede aan partijen die niet\n\naanbestedingsplichtig zijn. Het volume van UMCG wijzigt niet.\n\n2.8.. \n\nOp 14 november 2025 heeft het UMCG een vrijwillige aankondiging (verder aan te duiden als de Vooraankondiging 2) als bedoeld in artikel 4.16 Aw gepubliceerd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:\n\nDe opdracht betreft de aansturing en realisatie van het programma “Implementatie SCN”. Het betreft de planvorming, de regievoering op de uit te voeren werkzaamheden, de rapportage over voortgang, risicomanagement en budgetuitnutting, het management van de informatiestromen. E.e.a. is samen te brengen in de rollen programmadirectie, centraal\n\nprogrammamanagement “verandermanagement” en Programma Management Office. Gezien de complexiteit van het programma “Implementatie SCN” is adequate sturing en monitoring op de programmamanagementprocessen (financieel management,\n\nrisicomanagement, informatievoorziening en rapportage) een noodzakelijke voorwaarde. Betreft het realiseren van een Epic Connect omgeving in de periode december 2025 tot en met juli 2027.\n\nWaarde van alle contracten toegekend in deze kennisgeving: 3.160.500 Euro\n\nRechtvaardiging voor onderhandse gunning: Opdrachten met een geraamde waarde onder de aanbestedingsdrempels\n\nAndere rechtvaardiging:\n\nDe ervaringen van Pragus zijn noodzakelijk voor een succesvolle realisatie van de EPIC -connect. Op dit moment zijn er geen partijen in Nederland actief met de benodigde ervaring. AW2012 art. 2.32 lid 1b2 stelt dat als de mededinging om technische gronden ontbreekt, wat in deze situatie het geval is, het gegrond is om een onderhandelingsprocedure zonder\n\naankondiging te starten.\n\n2.9.. Bij dagvaarding van 3 december 2025 heeft ChipSoft onderhavig kort geding aanhangig gemaakt.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. De vordering van ChipSoft strekt er – na wijziging – toe:\n\nA - Verzoek tot een bevel ex artikel 22 Rv\n\n Gedaagden op grond van artikel 22 Rv te bevelen om de in randnummer [randnummer] opgesomde\n\ninformatie en\u002Fof documenten in het geding te brengen;\n\nB - Voorwaardelijke vordering: inzage en afschrift ex artikel 194 jo 195 Rv\n\nIndien of voor zover Gedaagden de informatie zoals hierna omschreven niet zelf verstrekken en de rechtbank het verzoek tot een bevel ex artikel 22 Rv niet honoreert:\n\n1. Gedaagden hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van\n\nhet dit vonnis aan ChipSoft (digitaal) kopieën te verstrekken van de in randnummer [randnummer] opgesomde informatie; en\n\n2. aan de advocaten van ChipSoft toestemming te verlenen om inzage te nemen in de in\n\nrandnummer [randnummer] opgenomen documenten, voor zover Gedaagden van mening zijn dat dit\n\nbedrijfsvertrouwelijke informatie betreft, zulks ten kantore van de advocaat van Gedaagden;\n\n3. een zitting te bepalen waarop de advocaten van ChipSoft en de advocaten van Gedaagden\n\nkunnen toelichten waarom bepaalde informatie in de door de advocaten van Gedaagden\n\naangemerkte documentatie al dan niet door ChipSoft en haar advocaten zouden mogen\n\nworden ingezien, waarbij ChipSoft niet aanwezig zal mogen zijn;\n\n4. door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen welke passages zwart gelakt kunnen worden zodat de in randnummer [randnummer] opgenomen documenten met ChipSoft en\u002Fof haar advocaten gedeeld kan worden;\n\n5. Gedaagden hoofdelijk te bevelen een dwangsom te betalen van € 25.000,00 per dag (een gedeelte van een dag gerekend als een hele dag) dat Gedaagden in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500.000,00;\n\nC - Onvoorwaardelijk:\n\nprimair\n\n1. Gedaagden te verbieden uitvoering te geven aan Vooraankondiging 1, Vooraankondiging 2, althans de plannen voor een Share Care Noord waarbij Epic voor een of meer aangesloten zorgaanbieders via UMCG het EPD mag ontwerpen, realiseren, implementeren, in stand houden, onderhouden, beheren en alle daarbij behorende werkzaamheden; en\n\n2. Gedaagde sub 1 te gebieden Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 binnen twee kalenderdagen na dit vonnis in te trekken en deze ingetrokken te houden; en\n\n3. Gedaagden sub 1 en sub 4 te gebieden om, indien en voor zover zij de opdrachten als beschreven in Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 alsnog wensen te vergeven, hiervoor een Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven die openstaat voor mededinging conform het bepaalde in de Aanbestedingswet, een en ander met inachtneming van de Europese staatssteunregels;\n\nsubsidiair\n\n4. de steunmaatregel op te schorten totdat UMCG de steunverlening heeft aangemeld en de Europese Commissie een besluit over de maatregel heeft genomen;\n\nmeer subsidiair\n\ndan wel iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht en recht doet aan de belangen van ChipSoft;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\n5. elk gebod en\u002Fof verbod per gedaagde op te leggen op straffe van een aan ChipSoft te\n\nverbeuren dwangsom van € 100.000,00 met een maximum van € 5.000.000,00 dan wel een\n\ndoor de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat een gedaagde hiermee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;\n\nD - In alle gevallen:\n\nGedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit kort geding en daarbij tevens te\n\nbepalen dat de proceskostenveroordeling vermeerderd zal worden met de wettelijke rente\n\nover dat bedrag vanaf de vijftiende dag na datum van de uitspraak tot aan de dag der algehele betaling, alsmede de nakosten van deze uitspraak.\n\n3.2.. Gedaagden hebben verweer gevoerd.\n\n4. De beoordeling\n\nWijziging van eis wordt toegestaan\n\n4.1.. \n\nChipSoft heeft haar vorderingen gewijzigd. Gedaagden hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Ambtshalve ziet de voorzieningenrechter ook geen reden om de wijziging van eis niet toe te staan, zodat op de gewijzigde eis zal worden beslist.\n\nInhoudelijk ter zake van de vordering onder C\n\n4.2.. Om redenen van procestechnische aard, zal de voorzieningenrechter allereerst de onvoorwaardelijk ingestelde vorderingen onder C beoordelen.\n\n4.3.. \n\nIn de Vooraankondigingen 1 en 2 is slechts het UMCG vermeld als “Koper”. De vorderingen van ChipSoft zijn gebaseerd op (schending van) het aanbestedingsrecht, met name op de stelling van de Vooraankondigingen niet voldoen aan de daaraan te stellen voorwaarden, en staatssteunregels, terwijl alleen het UMCG in de Vooraankondigingen is genoemd als “Koper”.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg geen aanbestedende diensten zijn in de zin van de Aanbestedingswet 2012. ChipSoft heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt welk belang zij heeft bij de vorderingen jegens Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg. Voor zover de vorderingen zich richten tegen deze partijen worden de vorderingen afgewezen.\n\n4.4.. Partijen verschillen van opvatting over de vraag of OZG als een aanbestedende dienst in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. OZG kan worden gezien als een publiekrechtelijke instelling (en daarmee als een aanbestedende dienst) indien zij (i) specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard, (ii) rechtspersoonlijkheid bezit en (iii) - onder meer - het beheer is onderworpen aan toezicht door een andere publiekrechtelijke instelling of de leden van het bestuur voor meer dan de helft door een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen. Door Gedaagden is onbetwist gesteld onder andere door verwijzing naar het Amphia-arrest van de Hoge Raad (HR 1 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9872) dat algemene ziekenhuizen zoals OZG niet mogen worden gezien als een aanbestedende dienst. Uit het arrest van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) van 15 januari 1998 (ECLI:EU:C:1998:4, C-44\u002F96, Mannesmann Anlagenbau), volgt bovendien dat het enkele feit dat OZG een 100%-dochtermaatschappij is van UMCG (en als zodanig rechtspersoonlijkheid heeft), niet volstaat om OZG zelf ook als publiekrechtelijke instelling te kwalificeren. Maar zelfs als OZG niet als publiekrechtelijke instelling kan worden beschouwd, dient in dit geval OZG als 100%-dochtermaatschappij van UMCG met UMCG te worden vereenzelvigd, voor zover het betreft de toepassing van de aanbestedingsregels. Zou daarover anders worden gedacht, dan zou een aanbestedende dienst zich eenvoudig aan de aanbestedingsregels kunnen onttrekken door bepaalde activiteiten in een aparte rechtspersoon onder te brengen (vgl. Hof Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3169). En zoals door Chipsoft onbetwist is naar voren gebracht, heeft UMCG deze mogelijkheid ook daadwerkelijk onderzocht door te proberen een stichting of een coöperatie op te richten met het oog op de gewenste samenwerking.\n\n4.5.. Voor zover in het navolgende wordt gesproken over UMCG c.s. is daarmee het UMCG en het OZG bedoeld.\n\nGeen rechtsverwerking op grond van artikel 4.16 lid 1 Aw\n\n4.6.. \n\nUMCG c.s. heeft ter zake van de Vooraankondiging 1 als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat, nu ChipSoft niet binnen 20 dagen na publicatie van de vooraankondiging een kort geding aanhangig heeft gemaakt, zij op grond van artikel 4.16 lid 1 Aw haar rechten heeft verwerkt op te komen tegen het voornemen van UMCG en twee andere ziekenhuizen om een gezamenlijk EPD te realiseren op basis van de bestaande overeenkomst tussen UMCG en EPIC voor de levering van een elektronisch patiëntendossier en aanverwante diensten (EPD), welke wordt gefaciliteerd door het EPD binnen de contractuele structuur van EPIC .\n\nDe voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.7.. Artikel 4.16 lid 1 Aw vormt de implementatie van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665\u002FEEG (hierna: de Rechtsbeschermingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG. In de Rechtsbeschermingsrichtlijn is onderscheid gemaakt tussen rechtsbescherming in de precontractuele fase en de postcontractuele fase.\n\n4.8.. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is niet duidelijk geworden of het bedoelde voornemen reeds heeft geresulteerd in een overeenkomst met EPIC .4.9.. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat, voor het geval de overeenkomst tot uitbreiding van de in 2015 met EPIC gesloten overeenkomst nog niet is gesloten en UMCG c.s. en EPIC zich derhalve nog in de precontractuele fase bevinden, geldt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter het volgende.\n\n4.10.. In artikel 4.15 lid 1, aanhef en sub a Aw is bepaald dat een als resultaat van een gunningsbeslissing gesloten overeenkomst in rechte vernietigbaar is op de grond dat de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf in strijd met deel 2 of deel 3 van de Aw, de overeenkomst gesloten heeft zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie.\n\n4.11.. Artikel 4.16 lid 1 Aw bepaalt dat artikel 4.15, eerste lid, aanhef en onder a Aw niet van toepassing is indien de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf:\n\na. van mening is dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan,\n\nb. de aankondiging van zijn voornemen om tot sluiting van de overeenkomst over te gaan door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft bekendgemaakt, en\n\nc. de overeenkomst niet heeft gesloten voor het verstrijken van een termijn van ten minste twintig kalenderdagen, ingaande op de dag na de datum van de bekendmaking van bedoelde aankondiging.\n\n4.12.. Voor zover thans van belang is in artikel 4.17 lid 1, aanhef onder c Aw het volgende vermeld: de aankondiging, bedoeld in artikel 4.16 eerste lid, onder b bevat tenminste de volgende gegevens: (c) een rechtvaardiging van de beslissing om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie.\n\n4.13.. Op grond van artikel 4.16 lid 1 juncto 4.15 lid 1 Aw kan een onderneming die nalaat binnen de in artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw bedoelde termijn van 20 dagen in rechte op te komen tegen het aangekondigde voornemen van de aanbestedende dienst om tot sluiting van een overeenkomst over te gaan zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, als die overeenkomst na het verstrijken van die termijn wordt gesloten, onder bepaalde voorwaarden geen vernietiging meer vorderen van die overeenkomst. Die sanctie ziet echter op de postcontractuele fase, de fase na sluiting van de overeenkomst. Artikel 4.16 lid 1 Aw staat er niet aan in de weg dat de hiervoor bedoelde onderneming na de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw maar vóór het sluiten van de overeenkomst het voornemen tot het sluiten van die overeenkomst in rechte laat toetsen. Het ongebruikt laten verstrijken van de 20-dagen-termijn brengt voor haar enkel het risico mee dat de aanbestedende dienst overgaat tot sluiting van de overeenkomst zonder de uitkomst van de procedure af te wachten.\n\n4.14.. Dit oordeel strookt ook met de beweegredenen achter artikel 2 quinquies, lid 4, van de Rechtsbeschermingsrichtlijn (en artikel 4.16 lid 1 Aw). Uit de onderdelen 13, 14 en 26 van de considerans van Richtlijn 2007\u002F66\u002FEG blijkt dat de Uniewetgever met deze uitzonderingsbepaling een evenwicht heeft trachten te vinden tussen de verschillende belangen die aan de orde zijn, te weten die van de onderneming die schade heeft geleden enerzijds – waaraan tegemoet kan worden gekomen met de mogelijkheid om een kort geding vóór het sluiten van de overeenkomst in te stellen en de nietigverklaring van de onrechtmatig gesloten overeenkomst – en die van de aanbestedende dienst en de onderneming die de opdracht heeft gekregen anderzijds, die niet in de situatie van rechtsonzekerheid mogen verzeilen die zou kunnen ontstaan door de vernietiging van de overeenkomst (zie pt 44 van het arrest van het HvJ EU van 11 september 2014; Fastweb II, ECLI:EU:C:2014:2194). Laatstvermeld belang wordt niet geschonden als een onderneming na de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw maar vóór het sluiten van de overeenkomst in actie komt en gebruik maakt van voormelde mogelijkheid om het voornemen van de aanbestedende dienst om die overeenkomst te sluiten in kort geding te laten toetsen.\n\n4.15.. Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de overeenkomst ter zake van de Vooraankondiging 1 reeds is gesloten en UMCG c.s. en EPIC zich derhalve in de postcontractuele fase bevinden, gelden de hiervoor aangehaalde artikelen 4.15, 4.16 en 4.17 Aw eveneens.\n\n4.16.. Voor zowel de precontractuele fase als de postcontractuele fase geldt het volgende.\n\n4.17.. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat ChipSoft geen vernietiging van de overeenkomst heeft gevorderd, maar dat toewijzing van haar vordering wel mee zou brengen dat wordt ingegrepen in die overeenkomst en in de reeds gegunde opdracht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gelijk is te stellen met vernietiging van die overeenkomst en dat het toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van de vraag of het recht om vernietiging van een na gunning gesloten overeenkomst te vorderen, is verwerkt, analoog dient te worden toegepast.\n\n4.18.. Dit toetsingskader is neergelegd in artikel 4.16 lid 1 Aw (die de implementatie vormt van artikel 2 quinquies, lid 4, van de Rechtsbeschermingsrichtlijn) en de jurisprudentie van het HvJ EU daarover. De vraag of een belanghebbende die de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 aanhef onder c Aw ongebruikt heeft laten verstrijken op grond van artikel 4.15 lid 1, aanhef en sub a Aw nog vernietiging kan vorderen van de na het verstrijken van die termijn door de aanbestedende dienst onderhands gesloten overeenkomst heeft het HvJ EU in voormeld arrest van 11 september 2014 (Fastweb II) positief beantwoord. Het HvJ EU heeft in dat arrest - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:\n\n45 Gelet op het bovenstaande moet worden vastgesteld dat het in strijd zou zijn met zowel de bewoordingen als het doel van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665 indien de nationale rechters de overeenkomst onverbindend zouden mogen verklaren wanneer is voldaan aan de drie voorwaarden van deze bepaling.\n\n46 Ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1, lid 1, derde alinea, van richtlijn 89\u002F665, met name de totstandbrenging van doeltreffende rechtsmiddelen tegen besluiten van de aanbestedende diensten die in strijd zijn met het recht inzake overheidsopdrachten, moet de instantie die kennisneemt van het beroep evenwel een daadwerkelijk toezicht uitoefenen wanneer zij controleert of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665.\n\n47 De voorwaarde van artikel 2 quinquies, lid 4, eerste streepje, houdt meer bepaald in dat de aanbestedende dienst van mening is dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie op grond van richtlijn 2004\u002F18 is toegestaan. Voorts stelt artikel 2 quinquies, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 89\u002F665 als voorwaarde dat de aanbestedende dienst de in artikel 3 bis bedoelde aankondiging van zijn voornemen om tot sluiting van de overeenkomst over te gaan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaakt. Volgens artikel 3 bis, sub c, moet de aankondiging een rechtvaardiging bevatten van de beslissing van de aanbestedende dienst om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n48 Deze rechtvaardiging moet duidelijk en ondubbelzinnig de redenen tot uitdrukking brengen waarom de aanbestedende dienst van mening is dat hij de opdracht kon gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht, zodat de belanghebbenden met volledige kennis van zaken kunnen bepalen of zij het nuttig achten om de zaak aanhangig te maken bij de beroepsinstantie, en deze laatste een daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen.\n\n49 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, heeft de aanbestedende dienst in het hoofdgeding de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht gevolgd en zich daarbij gebaseerd op artikel 31, lid 1, sub b, van richtlijn 2004\u002F18. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de procedure van gunning door onderhandelingen slechts kan worden toegepast in de omstandigheden die limitatief zijn opgesomd in de artikelen 30 en 31 van richtlijn 2004\u002F18, en dat deze procedure uitzonderlijk is in vergelijking met open en beperkte procedures (arrest Commissie\u002FBelgië, C292\u002F07, EU:C:2009:246, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).\n\n50 In het kader van haar toezicht dient de beroepsinstantie te beoordelen of de aanbestedende dienst zorgvuldig handelde en van mening kon zijn dat daadwerkelijk aan de voorwaarden van artikel 31, lid 1, sub b, van richtlijn 2004\u002F18 was voldaan, toen zij het besluit nam om de opdracht toe te wijzen via een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n51 Daarbij moet deze instantie onder meer rekening houden met de omstandigheden en de redenen die zijn vermeld in de in artikel 2 quinquies, lid 4, tweede streepje, van richtlijn 89\u002F665 bedoelde aankondiging en die de aanbestedende dienst ertoe hebben gebracht de in artikel 31 van richtlijn 2004\u002F18 bedoelde procedure van gunning door onderhandelingen te volgen.\n\n52 Indien de beroepsinstantie na de controle vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665, moet zij de overeenkomst onverbindend verklaren overeenkomstig de in lid 1, sub a, van dat artikel bedoelde regel. Krachtens artikel 2 quinquies, lid 2, van richtlijn 89\u002F665 stelt zij de gevolgen van de onverbindendverklaring vast overeenkomstig het nationale recht.\n\n53 Indien deze instantie daarentegen vaststelt dat aan deze voorwaarden is voldaan, moet zij de gevolgen van de overeenkomst handhaven op grond van artikel 2 quinquies, lid 4, van richtlijn 89\u002F665.\n\n4.19.. \n\nUit deze overwegingen volgt dat een belanghebbende die ná het verstrijken van de 20-dagen-termijn van artikel 4.16 lid 1 sub c, Aw in rechte opkomt tegen een overeenkomst die zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie door een aanbestedende dienst is gegund, zijn recht om vernietiging van die overeenkomst te vorderen niet heeft verwerkt, wanneer naar het oordeel van de rechter niet aan de voorwaarden van artikel 4.16 lid 1 Aw is voldaan (pt 52). Bij die beoordeling moet de rechter onder meer rekening houden met de omstandigheden en de redenen die door de aanbestedende dienst zijn vermeld in de in artikel 4.16 Aw bedoelde vooraankondiging en die de aanbestedende dienst ertoe hebben gebracht om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze redenen dienen volgens het HvJ EU duidelijk en ondubbelzinnig in de vooraankondiging tot uitdrukking te worden gebracht, zodat de belanghebbenden met volledige kennis van zaken kunnen bepalen of zij het nuttig achten om de zaak aanhangig te maken bij de beroepsinstantie, en deze laatste een daadwerkelijk toezicht kan uitoefenen.\n\nDaaruit leidt de voorzieningenrechter af dat de door het HvJ EU vereiste toetsing moet worden verricht aan de hand van enkel de informatie in de vooraankondiging.\n\n4.20.. In de Vooraankondiging 1 heeft UMCG zich beroepen op de uitzondering neergelegd in artikel 4.16 Aw, met de onder rechtsoverweging 2.7 geciteerde vermelding.4.21.. \n\nDe voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat UMCG met de zojuist geciteerde toelichting niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking heeft gebracht welke uitzonderingsgronden van toepassing zijn en op grond waarvan aan de daaraan te stellen eisen is voldaan. Zo is in die toelichting niet duidelijk en ondubbelzinnig vermeld op welke wijze het gezamenlijk EPD zal worden gerealiseerd. Weliswaar is in de oorspronkelijke uitvraag (in 2015) voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking en heeft ChipSoft daarmee in haar toenmalige inschrijving rekening gehouden, doch UMCG heeft niet – onderbouwd met objectieve, verifieerbare stukken – aannemelijk gemaakt wat in de oorspronkelijk uitvraag met die regionale samenwerking was bedoeld. Daarmee kan immers een veelheid van soorten samenwerking worden begrepen. UMCG heeft ter zitting naar voren gebracht dat het aansluiten van de twee andere ziekenhuizen (OZG en Treant) gebeurt door het verwerven van (sub)licenties “via UMCG” die worden “geoormerkt als zijnde van Treant”; naar de stelling van UMCG zou OZG als haar 100%-dochteronderneming van haar eigen licentie gebruik mogen maken. Uit de toelichting op de vooraankondiging 1 kan dat hoe dan ook niet worden afgeleid en evenmin is aannemelijk geworden dat deze vorm van samenwerking in de uitvraag van 2015 is bedoeld.\n\nOp basis van de Vooraankondiging 1 kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG op goede gronden van mening kon zijn dat de gunning van een opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht door middel van het elektronische systeem voor aanbestedingen op grond van deze wet is toegestaan. Dit maakt, gelet op voormeld toetsingskader, dat UMCG niet aannemelijk heeft gemaakt dat ChipSoft haar recht heeft verwerkt om tegen de voorgenomen realisatie van een gezamenlijk EPD op te komen.\n\n4.22.. Gelet op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in 4.16 Aw genoemde voorwaarden is voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van de in de Vooraankondiging 1 bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht strijdig is met de Aw. De primair gevorderde ge- en verboden zijn dan ook toewijsbaar ter zake van de Vooraankondiging 1.4.23.. In de Vooraankondiging 2 heeft UMCG zich beroepen op de uitzondering neergelegd in artikel 2:32 lid 1, onderdeel b onder 2 Aw. Daarin is bepaald dat een aanbestedende dienst de onderhandelingsprocedure zonder aankondiging kan toepassen indien de overheidsopdracht slechts door een bepaalde ondernemer kan worden verricht, omdat mededinging om technische redenen ontbreekt. Artikel 2.32 lid 3 Aw bepaalt dat het eerste lid onderdeel b, onder 2 uitsluitend van toepassing is indien er geen redelijk alternatief of substituut bestaat en het ontbreken van mededinging niet het gevolg is van een kunstmatige beperking van de voorwaarden van de aanbesteding.\n\n4.24.. In de Vooraankondiging 2 is het onder rechtsoverweging 2.8 geciteerde vermeld.\n\n4.25.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat UMCG met de zojuist aangehaalde toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan de desbetreffende opdracht slechts door Pragus kan worden verricht en geen redelijk alternatief beschikbaar is. De enkele mededeling dat de ervaringen van Pragus noodzakelijk zijn voor een succesvolle realisatie van de EPIC -connect en dat op dit moment er geen partijen in Nederland actief zijn met de benodigde ervaring, is daarvoor niet voldoende. Daarbij komt dat met de toelichting in de Vooraankondiging 2 de inhoud van de daarin genoemde opdracht niet duidelijk en ondubbelzinnig is omschreven. Daarmee is het voor de belanghebbenden en de voorzieningenrechter onmogelijk om te toetsen of de desbetreffende opdracht om technische redenen enkel door Pragus kan worden gedaan.\n\nOp basis van de Vooraankondiging 2 kan derhalve niet worden beoordeeld of UMCG van mening kon zijn dat daadwerkelijk aan de voorwaarden van artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 Aw was voldaan, toen zij het besluit nam om de opdracht toe te wijzen via een procedure van gunning zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.\n\n4.26.. \n\nGelet op het vorenoverwogene heeft UMCG onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de in artikel 2.32 lid 1 sub b onder 2 j° artikel 4.16 Aw genoemde voorwaarden is voldaan. Dit maakt dat de gunning door UMCG van de in de Vooraankondiging 2 bedoelde opdracht zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht strijdig is met de Aw. De primair gevorderde ge- en verboden zijn dan ook toewijsbaar ter zake van de Vooraankondiging 2.\n\nEr is sprake van een wezenlijke wijziging\n\n4.27.. Voor het overige is in geschil of door de in de Vooraankondigingen genoemde opdrachten sprake is van een wezenlijke wijziging van de in 2015 aan EPIC gegunde opdracht.\n\n4.27.1.. Het aanbestedingsrechtelijke leerstuk van de ‘wezenlijke wijziging’ is ontwikkeld in rechtspraak van het HvJ EU (onder meer het Pressetext-arrest van 19 juni 2008; ECLI:EU:C:2008:351) en daarna uitgewerkt in Europese richtlijnen (onder meer Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU). Het doel van dit leerstuk is te voorkomen dat de concurrentieverhoudingen achteraf, want na de aanbesteding, worden vervalst doordat van de aanbestedingsvoorwaarden wordt afgeweken op zodanige wijze dat, indien die wijzigingen waren toegepast ten tijde van de aanbesteding, dit ertoe had kunnen leiden dat er meer of andere gegadigden zouden zijn geweest en mogelijk andere biedingen zouden zijn gedaan.4.27.2.. Hoofdstuk 2.5 Aw (de artikelen 2.163a tot en met 2.163g) over de wijziging van overheidsopdrachten is in 2016 in de Aw opgenomen ter implementatie van artikel 72 van Richtlijn 2014\u002F24\u002FEU. Uitgangspunt is dat de toepasselijke aanbestedingsrichtlijn die Richtlijn is, die van kracht is wanneer de aanbestedende dienst de keuze maakt of er een aanbestedingsverplichting bestaat en zo ja, welke procedure gevolgd gaat worden (HvJ EU 10 juli 2014, C-213\u002F13, (Impressa Pizzarotti), pt 31 en HvJ EU 15 oktober 2009, C-138\u002F08, (Hochtief), ptn 24-30). Toegepast op het leerstuk van de wezenlijke wijziging, zou dit meebrengen dat hoofdstuk 2.5 Aw op veel contracten, zoals de onderhavige die is tot stand gekomen in 2015 niet van toepassing zou zijn. De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat niet het moment van aanbesteden doorslaggevend is, maar het moment van wijziging. Wezenlijke wijzigingen vormen immers in feite plaatsing van een nieuwe opdracht als bedoeld in het Pressetext-arrest. Toepassing van de nieuwe Richtlijn kan dan gerechtvaardigd zijn (HvJ EU 11 juli 2013, C-576\u002F10 (Doornakkers), ptn 52-54).\n\n4.27.3.. \n\nHoofdstuk 2.5 Aw regelt in welke situaties een wijziging van een overheidsopdracht kan leiden tot de verplichting om de gewijzigde opdracht (opnieuw) aan te besteden. Het leerstuk kan zowel betrekking hebben op een situatie die zich tijdens een lopende aanbestedingsprocedure voordoet als op een situatie nadat de overeenkomst met de winnende inschrijver is gesloten.\n\nAls sprake is van een wijziging waarop de uitzonderingen van hoofdstuk 2.5 Aw niet van toepassing zijn, leidt dat tot de verplichting van een aanbestedende dienst om de (gewijzigde) opdracht aan te besteden. Dat volgt uit het systeem van de Aw, meer in het bijzonder de artikelen 2.163a tot 2.163g lid 1 Aw, gelezen in het licht van artikel 72, lid 5 van de Richtlijn en het arrest Pressetext van het HvJ EU.\n\n4.27.4.. \n\nIn het Pressetext-arrest is ter zake van de wezenlijke wijziging het volgende vermeld.\n\n(35) De wijziging van een nog lopende overeenkomst inzake een overheidsopdracht kan worden aangemerkt als wezenlijk wanneer zij voorwaarden invoert die, wanneer zij in de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure waren genoemd, zouden hebben geleid tot toelating van andere inschrijvers dan die welke oorspronkelijk waren toegelaten, of tot de keuze voor een andere offerte dan die waarvoor oorspronkelijk was gekozen.\n\n(36) Een wijziging van de oorspronkelijke overeenkomst kan eveneens als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen. Deze laatste uitlegging vindt bevestiging in art. 11, lid 3, sub e en f, van Richtlijn 92\u002F50, dat voor overheidsopdrachten voor dienstverlening die volledig of grotendeels betrekking hebben op de in bijlage IA bij deze richtlijn vermelde diensten, beperkingen stelt aan de mogelijkheid voor de aanbestedende diensten om gebruik te maken van de onderhandelingsprocedure voor het plaatsen van diensten die een aanvulling vormen op de diensten waarop een oorspronkelijke overeenkomst betrekking had.\n\n(37) Een wijziging kan ook als wezenlijk worden aangemerkt wanneer zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld.\n\n4.27.5.. \n\nIngevolge artikel 2.163a Aw kan een wijziging van een overheidsopdracht tijdens de looptijd ervan uitsluitend zonder nieuwe aanbestedingsprocedure als bedoeld in deel 2 van deze wet plaatsvinden in de in dit hoofdstuk (2.5) bedoelde gevallen. Deze zijn genoemd in de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aw.\n\nDe uitzonderingen genoemd in artikel 2.163b tot en met 2.163f doen zich in casu niet voor. Daarover zijn partijen het eens. Partijen verschillen van mening over de vraag of de uitzondering van artikel 2.163g Aw van toepassing is. Daarbij gaat het om de vraag of er sprake is van een niet-wezenlijke wijziging. Alleen als daarvan sprake is, kan die wijziging zonder nieuwe aanbestedingsprocedure worden doorgevoerd.\n\nIn artikel 2.163g lid 2 Aw is onder a tot en met d (niet-limitatief) opgesomd wanneer in ieder geval sprake is van een wezenlijke wijziging.\n\nDe aanbestedende dienst moet stellen en bij voldoende tegenspraak bewijzen dat sprake is van omstandigheden die een beroep op de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aw mogelijk maken. In dit geval dient UMCG dan ook te bewijzen (in dit kort geding ten minste aannemelijk maken) dat sprake is van een niet-wezenlijke wijziging. UMCG heeft in dit verband naar voren gebracht dat de aanbestedingsprocedure in 2015 al voorzag in een uitrol naar andere ziekenhuizen in het kader van regionale samenwerking. Daarbij heeft UMCG gewezen op de in het Programma van Eisen vermelde wensen onder 73 – 77.\n\n4.27.6.. \n\nZoals hiervoor reeds is overwogen is in de oorspronkelijke uitvraag (in 2015) weliswaar voorzien in een mogelijke toekomstige regionale samenwerking en heeft ChipSoft daarmee in haar toenmalige inschrijving rekening gehouden, doch UMCG heeft niet – onderbouwd met objectieve, verifieerbare stukken – aannemelijk gemaakt wat in de oorspronkelijk uitvraag met die regionale samenwerking was bedoeld. Daarmee kan immers een veelheid van soorten samenwerking worden begrepen.\n\nNaar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft UMCG daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van een niet-wezenlijke wijziging.\n\nVerder is gesteld noch gebleken dat sprake is van (een) andere uitzonderingsgrond(en).\n\n4.27.7.. \n\nVaststaat dat bij de oorspronkelijk in 2015 gegunde opdracht ten behoeve van één ziekenhuis nu twee andere ziekenhuizen zullen worden betrokken (en volgens UMCG ook de mogelijkheid bestaat dat in de toekomst meer andere ziekenhuizen daarbij worden aangesloten). Daarmee is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de wijziging die in de Vooraankondiging 1 is vermeld\n\n(-) de markt in belangrijke mate uitbreidt tot diensten die oorspronkelijk niet waren opgenomen, danwel\n\n(-) leidt tot een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de overheidsopdracht.4.27.8.. Het vorenoverwogene brengt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter mee dat de in 2015 gegunde opdracht tijdens de looptijd daarvan wezenlijk is gewijzigd, waardoor ter zake een nieuwe aanbestedingsprocedure door het UMCG zal moeten worden gevolgd.\n\n4.27.9.. Ook op dit punt heeft UMCG derhalve gehandeld in strijd met de Aw.\n\n4.28.. Het argument met betrekking tot de staatssteun behoeft verder geen bespreking, gelet op de toewijzing op grond van de aanbestedingsregels. Overigens heeft ChipSoft onvoldoende – met objectieve en verifieerbare stukken – onderbouwd welk belang zij heeft met haar stellingen dienaangaande in het licht van de ingestelde vorderingen.\n\nDwangsom\n\n4.29.. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als verwoord onder de beslissing.\n\nInhoudelijk ter zake van de vorderingen onder A en B\n\n4.30.. In het kader van de behandeling van de onderhavige voorlopige voorzieningen ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding een bevel op grond van artikel 22 Rv te geven.\n\n4.31.. Evenmin acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aan de zijde van ChipSoft aanwezig om in het kader van de behandeling van de voorliggende vorderingen de vorderingen op grond van de artikelen 194 en 195 Rv tot afgifte tot danwel inzage in de gevraagde gegevens toe te wijzen. Hierbij speelt een rol dat onweersproken is dat dezelfde vorderingen door ChipSoft zijn ingesteld in de inmiddels aanhangig gemaakte bodemprocedure alsmede door middel van het door ChipSoft ingediende WOO-verzoek.\n\n4.32.. \n\nDe vorderingen onder A en B worden dan ook afgewezen.\n\nDe proceskosten4.33.. Weliswaar zijn Treant Zorggroep en Treant Ziekenhuiszorg, gelet op het vorenoverwogene, ten onrechte in rechte betrokken, maar onvoldoende aannemelijk is geworden dat zijzelf proceskosten hebben gemaakt, nu de desbetreffende advocaten voor alle gedaagden zijn opgetreden. UMCG en OZG zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ChipSoft worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n130,80\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.107,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.150,80\n\n4.34.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.35.. De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. verbiedt UMCG en OZG uitvoering te geven aan Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2;\n\n5.2.. gebiedt UMCG de Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis in te trekken en deze ingetrokken te houden;\n\n5.3.. gebiedt UMCG en OZG om, indien en voor zover zij de opdrachten als beschreven in Vooraankondiging 1 en Vooraankondiging 2 alsnog wensen te vergeven, hiervoor een Europese aanbestedingsprocedure uit te schrijven die openstaat voor mededinging conform het bepaalde in de Aanbestedingswet;\n\n5.4.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk om aan ChipSoft een dwangsom te betalen van € 100.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 5.1., 5.2. of 5.3. voldoen, tot een maximum van € 2.000.000,00 is bereikt;\n\n5.5.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk in de proceskosten van € 2.150,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als UMCG c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.6.. veroordeelt UMCG en OZG hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Haisma op 6 februari 2026.\n\njs (319)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:320","2026-02-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.885Z",1,20]