[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-groningen-temporary-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":87},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},65,"Groningen","nl","groningen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},40,"temporary-protection-nl","Temporary Protection","NL","2026-07-08T16:53:39.739Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-01-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121844","Richtlijn","",1,[27,36,43,51,58,65,72,80],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":35},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.584Z",{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":40,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":34,"updatedAt":42},"307","ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","ecli-nl-rbdha-2026-18720","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.16846\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], V-nummer: [nummer], verzoekster,\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: J.H.A. van Eijk).\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt hiervoor. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.1.. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij het besluit gebleven.\n\n1.2.. Het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL25.62090, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.62090, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","2026-07-13T00:28:23.690Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":34,"updatedAt":50},"1748","ECLI:NL:RBDHA:2026:18589","ecli-nl-rbdha-2026-18589","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F1785\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] , eiseres,\n\ngeboren op [nummer] ,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 4 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiseres heeft op 13 mei 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiseres per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiseres wordt op basis van haar inkomensgegeven vastgesteld op € 357,18. Hiervan wordt € 105,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 252,18 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 16 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Zij heeft aangegeven vanwege haar medische situatie geen gebruik te maken van de keuken op de opvanglocatie. Eiseres lijdt aan chronische ziekten als chronische cholecystitis en chronische gastritis met een hoge zuurgraad in de maag. Daarnaast heeft eiseres last van allergieën. Eiseres doet het dringende verzoek om haar de gelegenheid te geven zelf te koken.\n\n2.2.. Op 31 maart 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiseres was daarbij niet aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 4 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 16 april 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 252,18 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiseres stelt dat zij zelf haar eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiseres wijst er daarbij op dat ze niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiseres betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiseres stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiseres voorts op volgens haar vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiseres dat nu zij zelf in haar maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiseres onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiseres aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiseres geen verdienmodel worden. Ook voert eiseres aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiseres nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiseres heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiseres de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiseres geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 16 april 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18589","2026-07-13T00:29:36.833Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":34,"updatedAt":57},"1746","ECLI:NL:RBDHA:2026:18591","ecli-nl-rbdha-2026-18591","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F2323\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam], eiser,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 6 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiser heeft op 26 juni 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiser per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiser en zijn gezin wordt op basis van zijn inkomensgegeven vastgesteld op € 714,36. Hiervan wordt € 210,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 504,36 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 28 maart 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij en zijn gezin geen gebruikmaken van de catering en hij vindt het onrechtvaardig dat zij er desondanks voor moeten betalen. Zij doen zelf boodschappen volgens een eigen voedingspatroon. In verband met hun gezondheid en dieetwensen kunnen ze geen gebruik maken van de catering. Zelf koken is een noodzaak en geen luxe. Ook past het niet bij de werkroosters van de familie. De indirecte druk die de gemeente uitoefent door aan te geven dat ze elders kunnen gaan wonen als ze niet willen betalen, is een schending van hun rechten.\n\n2.2.. Op 12 mei 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiser was daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 6 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 12 juni 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 504,36 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat hij zelf zijn eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiser wijst er daarbij op dat hij niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiser betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiser wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiser kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiser stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiser voorts op volgens hem vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiser dat nu hij zelf in zijn maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiser onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiser aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiser geen verdienmodel worden. Ook voert eiser aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiser nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiser heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiser de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiser geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 12 juni 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18591","2026-07-13T00:29:36.747Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":62,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":34,"updatedAt":64},"1747","ECLI:NL:RBDHA:2026:18592","ecli-nl-rbdha-2026-18592","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F2662\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] , eiseres,\n\nmede namens haar partner [naam 2] ,\n\nbeiden van Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 3 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiseres heeft op 29 juli 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 3 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiseres en haar partner per 1 januari 2025 een ieder eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiseres en haar partner wordt op basis van hun inkomensgegeven vastgesteld op € 357,18 per persoon. Hiervan wordt € 105,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 252,18 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 26 februari 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Zij heeft aangegeven dat ze geen gebruikmaken van de catering en zelf boodschappen zodat ze de maaltijden naar eigen behoeften kunnen samenstellen. Eiseres en haar partner moeten voedsel eten dat ijzertekort tegengaat en rekening houden met fysieke inspanningen en trainingen. Daarbij is eiseres van mening dat er onterecht commerciële belangen spelen nu de catering wordt verzorgd door een externe leverancier. Eiseres stelt voor een betalingssysteem te introduceren op basis van geleverde diensten en de mogelijkheid te creëren om zelf te koken. Dit zal de levenskwaliteit van velen significant verbeteren.\n\n2.2.. Op 19 mei 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiseres en haar partner waren daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 3 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 25 juni 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte voor haar en haar partner een eigen bijdrage van € 252,18 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiseres stelt dat zij zelf haar eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiseres wijst er daarbij op dat ze niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiseres namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiseres betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiseres wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiseres kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiseres stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiseres voorts op volgens haar vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiseres dat nu zij zelf in haar maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiseres onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiseres aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiseres geen verdienmodel worden. Ook voert eiseres aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiseres nog altijd niet mogelijk is om zelf in haar maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiseres heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiseres de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiseres geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 25 juni 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18592","2026-07-13T00:29:36.786Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":69,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":34,"updatedAt":71},"1742","ECLI:NL:RBDHA:2026:18590","ecli-nl-rbdha-2026-18590","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: LEE 25\u002F1805\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] , eiser,\n\nvan Oekraïense nationaliteit\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, college\n\n(gemachtigden: E.J. Olthof en V. Djordjevic).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 4 februari 2025 over de eigen bijdrage voor de kosten van de gemeentelijke opvang op grond van de RooO, afgewezen.\n\nEiser heeft op 22 mei 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Ter zitting zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Op zitting waren verder een tolk en enkele andere bewoners van de gemeentelijke opvang aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college aangekondigd dat bewoners van de gemeentelijke opvang per 1 januari 2025 een bijdrage moeten betalen voor de kosten van de opvang indien zij een inkomen hebben. Daarbij is aangegeven dat het gaat om kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden die worden geserveerd.\n\n2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college bepaald dat eiser per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen voor kosten van gas, water, elektriciteit en maaltijden op de opvanglocatie. De eigen bijdrage van eiser wordt op basis van zijn inkomensgegeven vastgesteld op € 714,36. Hiervan wordt € 210,00 in rekening gebracht voor gas, water en elektriciteit en € 504,36 voor de maaltijden.\n\n2.1.. Op 5 februari 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 februari 2025 voor zover daarin voor de maaltijden een eigen bijdrage is vastgesteld. Hij heeft aangegeven dat hij al tweeënhalf jaar geen gebruikmaakt van de catering. Hij vindt de maaltijden ongezond en niet passend bij zijn cultuur omdat hij en zijn gezin halal eten. Ook is hij bang dat er via de keukenspullen virussen worden overgebracht.\n\n2.2.. Op 31 maart 2025 heeft de commissie bezwaarschriften (commissie) een hoorzitting gehouden. Eiser en zijn vrouw waren daarbij aanwezig. De commissie heeft het college geadviseerd het besluit van 4 februari 2025 in stand te laten. De commissie wijst erop dat in de landelijke RooO is geregeld dat vanaf 1 juli 2014 volwassen Oekraïense vluchtelingen met eigen inkomsten, een eigen bijdrage moeten betalen, dat gemeenten de RooO moeten uitvoeren en de eigen bijdrage dienen te berekenen. De commissie vindt verder dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de RooO. Het college heeft onderzocht en vastgesteld dat eiseres inkomen heeft en dat dit inkomen hoger is dan het geldende drempelbedrag. Vervolgens is bij het bepalen van de eigen bijdrage uitgegaan van een minimuminkomen van 120% van het leefgeld plus de eigen bijdrage en is vastgesteld dat er ten opzichte van het leefgeld een besteedbaar inkomen overblijft dat boven het leefgeld uitkomt. De commissie geeft verder aan dat eiseres geen schriftelijke verklaring van een arts heeft overgelegd over haar medische situatie. De commissie vindt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of enig onevenredig nadeel voor eiseres en dat het college het primaire besluit zorgvuldig en op goede gronden heeft genomen.\n\n2.3.. Bij het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.\n\nBeroepsgronden van eiseres\n\n3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte een eigen bijdrage van € 504,35 in verband met de maaltijden heeft vastgesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat hij zelf zijn eten verzorgt, geen gebruik maakt van de maaltijden op de opvanglocatie en zelfstandig wil koken omdat de door het college aangeboden maaltijden zijn afgestemd op de Nederlandse smaak, niet zijn toegesneden op de dagelijkse kost van ontheemden uit Oekraïne en niet gezond zijn.\n\n3.2.. Eiser wijst er daarbij op dat hij niet de enige is en verwijst in dit verband naar een rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid van 14 december 2022 en een brief van 6 februari 2025 waarin 130 bewoners van de opvanglocatie het college hebben verzocht om zelf koken mogelijk te maken. In deze brief is aangegeven dat voor veel bewoners de maaltijdvoorziening niet geschikt is vanwege medische problemen, allergieën of intoleranties. Daarnaast wordt gewezen op het belang van het kunnen eten volgens de Oekraïense cultuur en aangegeven dat er bewoners zijn die halal willen eten en dat er twijfels zijn over de veiligheid en de kwaliteit van het eten. Deze bewoners vinden het onrechtvaardig dat zij moeten betalen voor catering waar ze geen gebruik van maken. Bij brief van 4 april 2025 heeft het college op deze brief gereageerd en aangegeven dat het college een onderzoek zal instellen naar de mogelijkheid om zelfstandig te koken. Op 29 juli 2025 heeft de gemachtigde van eiser namens de bewoners een klacht bij het college ingediend dat de huurovereenkomst inclusief catering voor de duur van een jaar is verlengd, terwijl het onderzoek naar de mogelijkheid om zelf te koken nog niet heeft plaatsgevonden. Op 23 september 2025 heeft het college aangegeven dat het onderzoek nog zal plaatsvinden maar dat op het college geen verplichting rust een keuken te realiseren.\n\n3.3.. Eiser betoogt dat de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van een eigen bijdrage ontbreekt, omdat het op de locatie mogelijk is zelf in de maaltijden te voorzien. Eiser wijst in dit verband op artikel 5, tweede lid, van de RooO waaruit volgens eiser kan worden afgeleid dat op het college de verplichting rust zo mogelijk te voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden. Eiser stelt dat dit mogelijk is, omdat de opvanglocatie is gevestigd in een hotel waar keukenvoorzieningen aanwezig zijn. Daarbij wijst eiser voorts op volgens hem vergelijkbare opvanglocaties in Breda en Amsterdam waar men de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van de catering.\n\n3.4.. Verder betoogt eiser dat nu hij zelf in zijn maaltijden voorziet, artikel 7, vierde lid, RooO geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van de aangeboden maaltijden. Het in rekening brengen van de maaltijden kan volgens eiser onder deze omstandigheden alleen een privaatrechtelijke grondslag hebben en afhankelijk zijn van het daadwerkelijk afnemen van de geboden diensten. Voor zover verweerder wel bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen, voert eiser aan dat het opleggen daarvan indien van de catering geen gebruik wordt gemaakt onevenredig is en de eigen bijdrage te hoog. De opvang van ontheemden moet volgens eiser geen verdienmodel worden. Ook voert eiser aan dat het college zich gezien de onder 3.1. gegeven omstandigheden niet meer op het standpunt kan stellen dat het voor eiser nog altijd niet mogelijk is om zelf in zijn maaltijden te voorzien.\n\nVerweer van het college\n\n4. Het college stelt zich op het standpunt dat de RooO op juiste gronden is toegepast. In artikel 10, achtste lid, van de RooO staat dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn om deze zelf te verzorgen. Het college heeft duidelijk aangegeven dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid het niet is toegestaan op deze locatie te koken. Er is geen kookgelegenheid in de hotelkamers en de chalets. Het college biedt daarom catering aan op de locatie. In de Q&A van de eigen bijdrage staat dat indien op een locatie catering wordt georganiseerd de ontheemde hiervoor een bijdrage dient te betalen ook als er geen gebruik van wordt gemaakt. Wel wordt geadviseerd ontheemden coulant gebruik te laten maken van de catering door bijvoorbeeld lunch of avondeten mee te laten nemen naar het werk. Bij de berekening van de hoogte van de bijdrage heeft verweerder de in artikel 12, derde lid, van de RooO vermelde bedragen op juiste wijze gehanteerd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBestaat de mogelijkheid om zelf te koken?\n\n5. De rechtbank overweegt eerst dat in artikel 5, tweede lid, van de RooO is bepaald dat indien mogelijk wordt voorzien in de gelegenheid tot het bereiden van maaltijden.\n\n5.1.. Verder volgt uit artikel 10, achtste lid, van de RooO dat het college zorgdraagt voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening waarin de bewoners niet in de gelegenheid zijn deze zelf te verzorgen.\n\n6. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of in het hotel en de bijbehorende chalets de mogelijkheid bestaat om te koken. De rechtbank volgt het college in diens standpunt dat deze mogelijkheid niet aanwezig is. In de hotelkamers bevinden zich geen kookgelegenheden. In de chalets zijn de kookgelegenheden ontmanteld en de hotelkeuken biedt onvoldoende ruimte voor de bewoners om zelf te koken, omdat vanuit deze keuken de catering voor de bewoners wordt verzorgd. Daarbij is in de huisregels van het hotel in verband met de brandveiligheid duidelijk aangeven dat het verboden is om ergens anders te koken dan op de vaste kooktoestellen in de keukens en is koken op een kooktoestel in de woonruimtes derhalve verboden. Ook in het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 14 december 2022, dat is uitgebracht naar aanleiding van een bezoek aan de opvanglocatie op 29 november 2022, is aangegeven dat het niet mogelijk is om zelf te koken. In het rapport wordt vermeld dat er wel mensen zijn die zelf kookplaten of snelkokers hebben gekocht, maar dat in verband met de brandveiligheid is afgesproken dat men deze alleen buiten (op het balkon) gebruikt. De rechtbank maakt hieruit op dat het college het verwarmen dan wel bereiden van voedsel buiten de chalets kennelijk wel tijdelijk heeft toegestaan dan wel gedoogd. Dit maakt echter niet dat het college zich niet deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat op deze opvanglocatie de bewoners niet de mogelijkheid hebben om zelf te koken. Het college heeft deugdelijk onderbouwd dat gelet op de huisregels en de brandveiligheid en het huidige gebruik van de keuken voor de catering, zelf koken niet mogelijk is.\n\n6.1.. Dat het college hier nog steeds verder onderzoek naar doet en dit onderzoek nog niet is afgerond, doet aan het voorgaande niet af. Dat de catering als een probleem werd ervaren is al tijdens het bezoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid 29 november 2022 naar voren gebracht. Van dit onderzoek, waarin bijvoorbeeld de mogelijkheid om de bestaande keuken van het hotel geschikt te maken voor het gebruik door de bewoners onderzocht zou kunnen worden, zijn nog geen resultaten bekend. Het college heeft desgevraagd aangegeven niet te weten wanneer dit onderzoek zal zijn afgerond en dat is besloten dat in afwachting van de uitkomst de huidige praktijk, dat wil zeggen het niet toestaan van zelf koken en het in rekening brengen van de eigen bijdrage, wordt gevolgd. Deze handelwijze maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n6.2.. Uit het voorgaande volgt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden voorzien in de gelegenheid tot het zelf bereiden van maaltijden en dat het college voldoet aan de wettelijke verplichting om zorg te dragen voor de maaltijden in de gemeentelijke opvangvoorziening. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.\n\nMocht de gemeente de eigen bijdrage in rekening brengen?\n\n7. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, in de opvangvoorziening waarin ontheemden niet zelf het eigen eten verzorgen, een bedrag ter hoogte van de financiële toelage als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in rekening indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:\n\na. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid; (…)\n\n8. De rechtbank overweegt dat, indien op een opvanglocatie er voor de bewoners geen mogelijkheid bestaat om zelf te koken, de regelgeving helder is. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de RooO brengt het college in dat geval een eigen bijdrage in rekening. Tegen de feitelijke berekening van de eigen bijdrage zijn geen gronden ingediend.\n\n8.1.. Eiser heeft voorts gewezen op de situatie in de opvanglocaties in Breda en Amsterdam. Daar wordt volgens eiser de bewoners de keuze gegeven of zij al of niet van de catering gebruik willen maken en wordt die alleen in rekening gebracht als de bewoners daarvoor kiezen en deze daadwerkelijk gebruiken. Eiser geeft aan dat in Breda de afgenomen maaltijden per stuk worden afgerekend door middel van bonnen die bij het locatiemanagement tegen vergoeding van de eigen bijdrage worden ingekocht. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen als ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gekozen is voor een oplossing zoals die waar de gemeenten Breda en Amsterdam toe hebben besloten en waarbij is getracht de bewoners meer maatwerk te verlenen. De rechtbank acht het bestreden besluit op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is gelet op wat onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n9.1.. \n\nEiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op\n\n€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Daarnaast dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 9 april 2025;\n\n- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze\n\n uitspraak, een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Regeling opvang ontheemden Oekraíne.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18590","2026-07-13T00:29:36.607Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":34,"updatedAt":79},"493","ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","ecli-nl-rbdha-2025-13466","2025-07-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.21353\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres], eiseres\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: R.M. Koning).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Duitsland gevlucht. Ze heeft enkele jaren in Duitsland verbleven. In februari 2025 is ze naar Nederland gekomen en heeft ze asiel aangevraagd in Ter Apel. Eiseres stelt dat ze onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(RTB) valt en op die grond rechtmatig in Nederland verblijft. Ze kan daarom niet op grond van de Dublinverordening aan Duitsland worden overgedragen. Daarnaast kan niet meer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.\n\nRichtlijn Tijdelijke Bescherming\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 12 februari 2025 een asielaanvraag heeft gedaan in Ter Apel. Daarnaast is niet in geschil dat eiseres zich niet bij een gemeente heeft gemeld om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen. Uit de RTB, het uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie van 4 maart 2022 en de WI 2022\u002F17volgt niet dat de minister eiseres had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB te doen.De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiseres geen aanvraag voor bescherming op grond van de RTB heeft gedaan. Daarbij heeft de minister tijdens de zitting terecht opgemerkt dat eiseres zich alsnog tot de gemeente kan wenden als zij meent dat zij onder de RTB valt. In wat eiseres naar voren heeft gebracht bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de minister haar aanvraag had moeten opvatten als een aanvraag voor bescherming op grond van de RTB of haar had moeten doorverwijzen naar de gemeente om een dergelijke aanvraag te kunnen doen. De minister heeft de aanvraag van eiseres dan ook terecht aangemerkt als een asielaanvraag en is terecht overgegaan tot het beoordelen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n7. De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseres aanvoert ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een herhaling is van hetgeen in de zienswijze is aangevoerd. Dit is tijdens de zitting ook erkend door de gemachtigde van eiseres. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank ziet in de enkele herhaling van deze punten uit de zienswijze, zonder dat eiseres concreet maakt waarom de reactie van de minister in de beschikking daarop volgens haar niet juist of ontoereikend is, geen reden om deze punten te bespreken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening nr. 604\u002F2013.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\nRichtlijn 2001\u002F55\u002FEG.\n\nWI 2022\u002F17 Richtlijn tijdelijke bescherming Oekraïne en asielprocedure.\n\nZie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9514.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13466","2026-07-13T00:28:33.263Z",{"id":81,"ecli":82,"slug":83,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":84,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":34,"updatedAt":86},"495","ECLI:NL:RBDHA:2024:53","ecli-nl-rbdha-2024-53","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL23.26033 en NL23.26050uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] en [eiseres],\n\nV-nummers: [nummers],\n\nmede namens hun minderjarige kinderen\n\n [dochter 1]\n\n [dochter 2],\n\n(V-nummers: [nummers])\n\nhierna gezamenlijk te noemen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. I. Petkovski),\n\nen\n\nde staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het besluit van verweerder van 25 augustus 2023, respectievelijk 31 augustus 2023, waarbij verweerder aan eisers heeft medegedeeld dat hun recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG (de Richtlijn)en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 (het Uitvoeringsbesluit),eindigt op 4 september 2023.\n\n1.1.. Op 3 juli 2023 heeft verweerder aan beide eisers afzonderlijk zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eisers op 4 september 2023 te beëindigen. Eisers hebben hiertegen gezamenlijk een zienswijze ingebracht. Vervolgens zijn de bestreden besluiten genomen,\n\n1.2.. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep op 28 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eisers. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. Eisers voeren primair aan dat eiseres een permanente verblijfsvergunning in Oekraïne heeft zodat zij wel degelijk in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Ook betogen eisers dat hun dochters de Oekraïense nationaliteit hebben. Het gezin valt heeft ook daarom recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn.\n\n4. Eisers voeren subsidiair aan dat de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming in strijd is met het Unierecht, onrechtmatig is en in strijd is met het rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel, zolang de Richtlijn nog van kracht is. Indien gekozen is voor een facultatieve regeling, kan in gevallen van derdelanders die de status van begunstigde hebben zoals eisers, die status niet meer (eenzijdig) worden ingetrokken. Dat kan enkel nog indien de maximale duur is bereikt. In casu is dat niet het geval, aldus eisers. Eisers verwijzen daarnaast naar een uitspraak van zittingsplaats Roermond, een arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), en de Harderwijk-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\nDe permanente verblijfsvergunning van eiseres\n\n5. Eisers hebben aangevoerd dat eiseres beschikt over een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne en om die reden in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Op 28 augustus 2023 heeft eiseres als bijlage bij haar zienswijze een kopie van haar Oekraïense identiteitskaart overgelegd, waarop als datum van afgifte van deze vergunning 10 februari 2023 staat vermeld.\n\n5.1.. Verweerder heeft in het bestreden besluit van 31 augustus 2023 overwogen dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming indien sprake is van een permanente verblijfsvergunning voor Oekraïne die uiterlijk op 23 februari 2022 is afgeven. Omdat de permanente verblijfsvergunning van eiseres na deze datum, namelijk op 10 februari 2023 is afgegeven, komt eiseres volgens verweerder niet in aanmerking voor tijdelijke bescherming na 4 september 2023.\n\n5.2.. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de lidstaten het besluit of passende bescherming uit hoofde van hun eigen nationale recht toepassen op staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren.\n\n5.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht besloten dat eiseres niet op grond van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit voor tijdelijke bescherming in aanmerking komt, omdat haar permanente verblijfsvergunning na de peildatum van 23 februari 2022 is afgegeven.\n\nDe Oekraïense nationaliteit van de dochter(s) van eisers\n\n6. Eisers voeren aan dat hun kinderen beide de Oekraïense nationaliteit hebben en in het bezit zijn van een Oekraïens paspoort. Eisers hebben een kopie van het Oekraïense paspoort (geldig tot 18 december 2024) van hun oudste dochter [dochter 1], geboren op [datum] 2019, geüpload in het digitale dossier.\n\n6.1. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting de vraag aan verweerder voorgelegd of het Oekraïense paspoort van de dochter aanleiding geeft om het bestreden besluit in te trekken. Verweerder heeft hierop ontkennend geantwoord. Verweerder heeft verwezen naar artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn, artikel 2, vierde lid van het Uitvoeringsbesluit en artikel 3.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 Ter zitting is dit standpunt door de gemachtigde van verweerder herhaald.\n\n6.2.. De rechtbank constateert dat verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting heeft erkend dat de dochter van eisers de Oekraïense nationaliteit heeft. Echter is dit aspect zowel bij het voornemen als bij het bestreden besluit in het geheel niet betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank komt in ieder geval dochter [dochter 1] -gelet op artikel 1, onder a, van het Uitvoeringsbesluit- in aanmerking voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn, nu zij heeft aangetoond op de peildatum van 23 februari 2022 over de Oekraïense nationaliteit te beschikken. Verweerder heeft dit niet betwist. Al om die reden komt het bestreden besluit van 31 augustus 2023 voor vernietiging in aanmerking. Verder kan weliswaar met verweerder worden vastgesteld dat de overige gezinsleden niet op grond van artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn in aanmerking lijken te komen, echter heeft verweerder in het geheel niet gemotiveerd waarom aan de overige gezinsleden niet op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verblijf zou moeten worden toegestaan.\n\n6.3.. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van eisers gegrond. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd hoeft niet besproken te worden. Naar het oordeel van de rechtbank komen de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de aard en omvang van de geconstateerde gebreken, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Verweerder moet opnieuw beslissen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n8. Nu de beroepen gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers in beroep hebben gemaakt. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van\n\n€ 1.750,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 25 augustus 2023, respectievelijk\n\n31 augustus 2023;\n\ndraagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen acht weken na bekendmaking daarvan;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van €1.750,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels\n\nRichtlijn 2001\u002F55\u002FEG\n\nArtikel 2\n\nIn deze richtlijn wordt verstaan onder:\n\nh) \"gezinshereniger\": elke onderdaan van een derde land die in een lidstaat tijdelijk bescherming geniet overeenkomstig een besluit op grond van artikel 5 en die wenst dat leden van zijn gezin zich bij hem\u002Fhaar voegen.\n\nArtikel 15\n\n1. Voor de toepassing van dit artikel worden, in gevallen waarin er bij massale toestroom sprake kan zijn van omstandigheden die tot scheiding van reeds in het land van oorsprong gevormde gezinnen hebben geleid, de volgende personen als leden van een gezin beschouwd:\n\na. a) de echtgenoot van de gezinshereniger of zijn niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld; de minderjarige ongehuwde kinderen van de gezinshereniger of van zijn echtgenoot, zonder dat er verschil in behandeling is tussen kinderen binnen en buiten de echt of geadopteerde kinderen;\n\nb) andere naaste familieleden die met het gezin samenwoonden ten tijde van de gebeurtenissen die tot de massale toestroom hebben geleid, en die op dat tijdstip volledig of grotendeels afhankelijk waren van de gezinshereniger.\n\nUitvoeringsbesluit\n\n1. Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon:\n\na. a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven;\n\nb) staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten;\n\nc) gezinsleden van de in punten a) en b) genoemde personen.\n\n2. De lidstaten passen dit besluit of passende bescherming uit hoofde van hun eigen nationale recht toe op staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren.\n\n3. Overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG kunnen de lidstaten dit besluit ook toepassen op andere personen, onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren.\n\n4. Voor de toepassing van lid 1, punt c), worden de volgende personen geacht deel uit te maken van een gezin, voor zover het gezin vóór 24 februari 2022 reeds in Oekraïne een gezin was en in Oekraïne verbleef:\n\na. a) de huwelijkspartner van een in lid 1, punt a) of punt b), bedoelde persoon of diens niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in de wetgeving of in de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde en gehuwde paren op een vergelijkbare manier worden behandeld volgens het vreemdelingenrecht van die lidstaat;\n\nb) de minderjarige ongehuwde kinderen van een in lid 1, punt a) of punt b), bedoelde persoon of van diens huwelijkspartner, zonder dat er onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen die binnen of buiten het huwelijk zijn geboren of geadopteerde kinderen;\n\nc) andere naaste familieleden die met het gezin samenwoonden ten tijde van de omstandigheden rond de massale toestroom van ontheemden, en die op dat tijdstip volledig of grotendeels afhankelijk waren van een in lid 1, punt a) of punt b), genoemde persoon.\n\nVreemdelingenbesluit 2000\n\n1. Het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft zo lang een besluit als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming van kracht is, indien de vreemdeling:\n\na. behoort tot de specifieke groep vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming;\n\nb. de echtgenoot is van de vreemdeling, bedoeld onder a, of de ongehuwde partner met wie die vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit met die vreemdeling samenwoonde;\n\nc. het minderjarige, ongehuwde, al dan niet geadopteerde kind is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b;\n\nd. een ander naast familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a, die ten tijde van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde besluit volledig of grotendeels afhankelijk was van die vreemdeling en met het gezin samenwoonde, en wiens achterlating een schrijnende situatie zou vormen; of\n\ne. behoort tot de bij ministeriële regeling aan te wijzen groep vreemdelingen uit hetzelfde land of dezelfde regio als de vreemdeling, bedoeld onder a, die om dezelfde reden ontheemd zijn en die niet reeds bescherming genieten in een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de Richtlijn, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Uitspraak van rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Roermond, van 30 augustus 2023,\n\nECLI:NL:RBDHA:2023:12912.\n\n Arrest van het HvJ EU van 4 maart 2010, zaaknummer C-578\u002F08.\n\n Uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022, ECLI:2022:285.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:53","2026-07-13T00:28:33.377Z",20]